Eurobeleid

Euromuntstukken

De euro is een wettig betaalmiddel in zeventien lidstaten van de Europese Unie. Ook de andere lidstaten zijn verplicht om op termijn de euro in te voeren. Zij moeten dan wel voldoen aan bepaalde voorwaarden.

Na de invoering van de euro hebben de deelnemende lidstaten hun monetaire bevoegdheden overgedragen aan één Europese financiële instelling: de Europese Centrale Bank (ECB).

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Ontwikkeling in vogelvlucht

Al vanaf de jaren '70 van de vorige eeuw wordt eraan gewerkt om de Europese economieën en munteenheden meer op één lijn te krijgen. In 1989 presenteerde men een drie-stappenplan om te komen tot een Economische en Monetaire Unie (EMU).

Dit plan werd in 1992 vastgelegd in het Verdrag van Maastricht. In eerste instantie werden de wisselkoersen van de verschillende Europese munteenheden aan elkaar gekoppeld. Dat gebeurde op 31 december 1998. Sinds 1 januari 1999 werden de onderlinge wisselkoersen daarom eveneens in euro's weergegeven.

Niet alle landen waren in dit stadium bereid of in staat om aan de EMU deel te nemen: Groot-Brittannië en Denemarken haakten al snel af, terwijl Griekenland en Zweden in eerste instantie niet konden voldoen aan de convergentiecriteria (zie onder). In 2001 slaagden de Grieken er wel in om hun begroting op orde te krijgen, al bleek in 2009 dat daarbij flink gegoocheld was met cijfers.

Daardoor kon de euro per 1 januari 2002 als officiële munt worden ingevoerd in maar liefst twaalf van de op dat moment vijftien Europese lidstaten: België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje.

In de jaren die volgden, werd de Europese Unie in twee etappes flink uitgebreid en traden in totaal twaalf nieuwe lidstaten toe tot de Unie. In de afzonderlijke toetredingsverdragen werd opgenomen dat ook de nieuwe lidstaten op termijn de euro als betaalmiddel zouden invoeren. In de huidige Europese verdragen zijn landen verplicht om de euro in te voeren als ze voldoen aan een aantal economische criteria. Inmiddels is de eurozone uitgebreid met Slovenië (2007), Cyprus en Malta (2008) en Slowakije (2009) en Estland (2011).

Aangezien de euro ook gebruikt wordt in landen als Vaticaanstad, Andorra, Monaco, San Marino, Montenegro en Kosovo, gebruiken nu bijna 500 miljoen mensen de euro als betaalmiddel.

Letland streeft ernaar de euro op 1 januari 2014 in te kunnen voeren en Roemenië wil dat op 1 januari 2015 doen. Polen denkt erover om in 2017 over te stappen op de euro; het land verwacht dan aan de criteria te kunnen voldoen. IJsland overweegt op dit moment ook de euro als munteenheid in te voeren, mogelijk nog voor de onderhandelingen over toetreding tot de EU zijn afgerond.

Denemarken en Groot-Brittannië hebben geen verdragsverplichting tot het invoeren van de euro. Zweden heeft ervoor gekozen niet aan alle voorwaarden te voldoen zodat het land niet hoeft toe te treden tot de euro. Deze keuze wordt gedoogd door de andere EU-landen.

Convergentiecriteria

Deze landen moeten dan wel, net als de andere eurolanden, voldoen aan de criteria die gesteld zijn in de Gemeenschappelijke Richtsnoeren van het gezamenlijke Economisch Beleid. Ze worden convergentiecriteria genoemd.

De criteria hebben betrekking op:

  • prijsstabiliteit: de inflatie mag niet meer dan 1,5 procentpunten hoger zijn dan die van de drie lidstaten die in het voorgaande jaar de laagste inflatie hadden;
  • begrotingstekort (het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven van de overheid): dit moet in het algemeen onder de 3 % van het bruto binnenlands product (BBP) liggen. Via het stabiliteits- en groeipact hebben de lidstaten zich verbonden aan het streven naar een begrotingsevenwicht of -overschot in normale economische omstandigheden;
  • overheidsschuld: deze mag maximaal 60 % van het BBP bedragen, maar landen met een hogere schuld kunnen toch de euro invoeren als hun schuldenlast langzaam maar zeker daalt;
  • de langetermijnrente: deze mag niet meer dan twee procentpunten hoger zijn dan die van de drie lidstaten die het voorgaande jaar de laagste inflatie hadden;
  • wisselkoersstabiliteit: de wisselkoers moet twee jaar lang binnen van tevoren vastgestelde marges blijven. Dit zijn de marges van het Europees wisselkoersmechanisme II, een systeem voor lidstaten die hun munt aan de euro willen koppelen.

Landen die niet aan deze criteria voldoen worden onder speciaal toezicht gesteld door de Europese Commissie. Blijft een lidstaat langdurig achter met het bereiken van een acceptabel begrotingstekort, dan kan de Commissie een boete uitdelen.

Europese Centrale Bank

De ECB vormt samen met de nationale centrale banken van alle lidstaten, het Europees Systeem van Centrale Banken (ESCB). Het ESCB bepaalt formeel het Europese monetaire beleid en voert het uit. De ECB heeft hierbij als centrale taak het gezamenlijke monetaire beleid van de eurozone te bepalen, terwijl de nationale centrale banken fungeren als een soort filialen van de Europese bank.

De ECB werkt, naar Duits model, onafhankelijk van de politiek. Om de stabiliteit van de euro te handhaven en het economische beleid te ondersteunen heeft de ECB in grote lijnen vier taken:

  • het uitgeven van munten en biljetten
  • het samenwerken op internationaal en Europees niveau
  • het stabiliseren van het financiële stelsel en toezicht houden op de banksector
  • het bewaken van de prijsstabiliteit van de euro, dit betekent beheersing van de inflatie.

Eurogroep en Euroraad

Omdat de economieën van de eurozone veel invloed op elkaar hebben, houden zowel de ministers van financiën  van de landen met de euro (Eurogroep) als de regeringsleiders van die landen (Eurotop) extra overleggen om de economische ontwikkelingen beter op elkaar af te stemmen.

Begrotingsregels en de kredietcrisis

Het economische beleid en de positie van de Europese Centrale Bank komen met regelmaat onder vuur te liggen. Door de kredietcrisis zijn veel lidstaten genoodzaakt hun overheidsfinanciën op orde te brengen en tekorten op hun begroting terug te dringen met bezuinigingsmaatregelen, om aan de begrotingsregels van het Stabiliteits- en Groeipact te kunnen voldoen.

In juli 2010 bepaalden de EU-landen dat er zowel financiële als niet-financiële sancties zullen worden opgelegd aan landen die zich niet aan de begrotingsregels houden. Op die wijze wil men een schuldencrisis zoals in Griekenland en andere landen voorkomen.

Europees monetair noodfonds

Tijdens de Eurotop van december 2010 is besloten om een permanent noodfonds voor de euro in te stellen, het zogenaamde European Stability Mechanism. Dit permanente noodfonds moet vanaf medio 2013 voorkomen dat landen met financiële problemen de euro verzwakken. De hulp kan alleen worden toegepast als dat onontbeerlijk is voor de stabiliteit van de hele eurozone. Alle vereiste hulp wordt aan strikte voorwaarden verbonden. In maart 2011 werden Europese regeringsleiders het eens over de precieze bedragen die de lidstaten moeten bijdragen en over de werkwijze van het permanente noodfonds.

Het huidige Verdrag van Lissabon bepaalt dat EU-landen elkaar niet financieel mogen helpen. Daarom is voor een permanent noodfonds een wijziging van het Verdrag noodzakelijk.

Eerder trad in 2010 al een tijdelijk noodfonds in werking, de European Financial Stability Facility, om eurolanden in financiële problemen bij te staan en de stabiliteit van de euro te waarborgen. De Europese Commissie kwam met het plan voor een tijdelijk noodfonds naar aanleiding van de wereldwijde financiële crisis en de financiële problemen in Griekenland. Sinds de inwerkingtreding van dit fonds hebben tot op heden alleen Ierland en Portugal er een beroep op hoeven doen. Het tijdelijke fonds loopt tot 2013.

Voor- en nadelen van de euro

Het feit dat er tijdens de kredietcrisis tussen de Europese economieën geen schommelingen in onderlinge wisselkoersen zijn ontstaan, heeft ertoe geleid dat de financiële klappen op het Europese continent minder hard voelbaar waren. De euro toonde zich in 2009 wereldwijd als een veilige munt met een sterke en stabiele wisselkoers ten opzichte van de dollar. Een ander voordeel van de euro is dat er niet langer sprake is van transactiekosten bij het omwisselen van valuta tussen de eurolanden. Doordat in bijna alle lidstaten met de euro kan worden betaald, is een omvangrijke markt met één munt ontstaan.

Als nadelen van de euro gelden de vaak hoge kosten bij introductie van de munt en de vermeende prijsstijgingen in de eurolanden. Ook wordt het verlies aan nationale controle en identiteit door tegenstanders van de euro als een fors minpunt gezien.

Ontwikkeling Europese munt

Onder het kopje "Historie" bovenaan de linkerkolom van deze pagina, vindt u een toelichting op de ontwikkeling naar één Europese economie en munt.

Lees meer

2.

Wie doet wat

Bij besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad, de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank (ECB) een rol.

Initiatief voor nieuw beleid bij de Europese Commissie en Europese Centrale Bank

De Commissie en de ECB samen adviseren de Raad in hoeverre lidstaten die nog niet aan de euro meedoen zouden kunnen toetreden tot de eurozone.

Eerstverantwoordelijk voor de Commissie is de Eurocommissaris voor Economische en monetaire zaken:

De huidige president van de Europese Centrale Bank is:

Invloed nationale parlementen

Nationale parlementen van de lidstaten kunnen binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

Besluitvorming door de Raad

Voor het terrein van toezicht op financiële instellingen geldt dat de Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging  van het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank.

Voor invoering van de euro geldt een andere procedure. Indien een lidstaat die de euro niet heeft, voldoet aan de eisen om de euro in te kunnen voeren, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over invoering van de euro in de betrokken lidstaat. Alleen lidstaten die de euro hebben ingevoerd, mogen in de Raad stemmen. Het Europees Parlement en de Europese Raad moeten zijn geraadpleegd. Hoe de euro in de betrokken lidstaat wordt ingevoerd, en de koers waartegen de munt ingeruild wordt voor de euro, wordt door de Raad met eenparigheid van stemmen besloten. De Europese Centrale Bank moet zijn geraadpleegd.

De raadsformatie die beslist over de Economische Zaken is de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin). De ministers van Financiën van de eurolanden komen tevens bijeen in de Eurogroep. Vertegenwoordiger voor Nederland in de Raad Ecofin is:

Dijsselbloem is sinds januari 2013 tevens voorzitter van de eurogroep. Omdat de voorzitter geen stemrecht heeft, wordt Nederland in deze bijeenkomsten vertegenwoordigd door:

De staatshoofden en de regeringsleiders van de eurolanden komen bijeen in de Euroraad (ook wel Eurotop genoemd). Vertegenwoordiger voor Nederland bij deze bijeenkomsten en tevens in de Europese Raad is:

Het Europees Parlement

Voor het Europees Parlement beoordeelt de parlementaire commissie Economische en Monetaire zaken de voorstellen van de Europese Commissie. Voor Nederland is de volgende Europarlementariër lid:

De volgende Europarlementariërs zijn voor Nederland plaatsvervangend lid in deze commissie:

Overeenstemming in de Raad van de Europese Unie sluit de procedure af. Nederland heeft in de Raad 13 stemmen, op een totaal van 345. Als het voorstel door de Raad is goedgekeurd, zorgt de Nederlandse regering ervoor dat het voorstel nationaal wordt uitgevoerd.

3.

Juridisch kader

Het monetair beleid vindt zijn basis in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)  en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU):

  • beginselen: VEU titel I art. 13 lid 1 en art. 21 lid 3, derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 4 (artikelen 136 t/m 138)
  • uitgifte euro's: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 2 art. 128
  • invoeren euro en positie niet eurolanden: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 5 art. 139, 140
  • institutionele inkadering: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 2 art. 133, en zie de ECB

4.

Meer informatie

Hot issues

Europese Unie

Activiteitendossier

Factsheet Europees Parlement

Betrokken instanties

Statistiek