-
1997
Verklaring over rol van WEU en haar betrekkingen met de EU en met Atlantisch Bondgenootschap -
1997
Ministers van Buitenlandse Zaken van de vijftien lidstaten van Europese Unie ondertekenen Verdrag van Amsterdam -
1998
Duitsland legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1998
Zweden legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1998
Verenigd Koninkrijk legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1998
Denemarken legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1998
Finland legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1998
Oostenrijk legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1998
Italië legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1998
Ierland legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1998
Luxemburg legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1998
Nederland legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1999
Spanje legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1999
België legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1999
Portugal legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1999
Griekenland legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1999
Frankrijk legt oorkonden neer voor ratificatie van Verdrag van Amsterdam -
1999
Verdrag van Amsterdam treedt in werking
Verdrag van Amsterdam - Hoofdinhoud
Dit Europese verdrag, waarover de Europese Raad het in juni 1997 eens werd na twee jaar onderhandelen, maakte de weg vrij voor de start van het uitbreidingsproces van de Europese Unie.
Het werd op 2 oktober 1997 ondertekend en trad op 1 mei 1999 in werking.
Het Verdrag wordt ook wel omschreven als een pas op de plaats. Toch werd er op bepaalde terreinen wel degelijk vooruitgang geboekt in de Europese samenwerking, zoals de democratisering.
Europees Parlement
Het Parlement kreeg op aanzienlijk meer terreinen de rol van medewetgever in de zogenoemde medebeslissingsprocedure (onder meer inzake milieu, ontwikkelingssamenwerking, sociaal beleid, vervoer en volksgezondheid).
Uitbreiding taken Europese Unie
Het Verdrag voegt `bevordering van een hoog werkgelegenheidsniveau' toe aan de taken en doelstellingen van de Europese Unie en het bevat een nieuwe titel over werkgelegenheid. Daarbij kreeg de Unie met name een rol op het gebied van coördinatie van nationale werkgelegenheidsstrategieën en uitwisseling van ervaringen. Werkgelegenheidsbeleid blijft een nationale aangelegenheid.
Grondrechten
Het Verdrag brengt voor het eerst uitdrukkelijk grondrechten in het Gemeenschapsrecht, inclusief de mogelijkheid om een lidstaat te straffen wegens schending van deze grondrechten.
Buitenlands en Veiligheidsbeleid
In de tweede pijler bevat het Verdrag nieuwe beginselen en verantwoordelijkheden op het gebied van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB), die het uitdragen van waarden en de bescherming van de belangen van de EU beogen, en hervormingen in de wijze van optreden.
Zo kan de Raad, als de Europese Raad gemeenschappelijke strategieën vaststelt, deze vervolgens onder bepaalde voorwaarden ten uitvoer leggen bij gekwalificeerde meerderheid; in andere gevallen kan de (zogeheten constructieve) onthouding van een of meer lidstaten geen beletsel vormen voor een besluit.
Overheveling taken naar eerste pijler
De samenwerking op het gebied van het vrij verkeer van personen (overschrijding van de binnen- en buitengrenzen), asiel en immigratie werd overgeheveld van de derde pijler - samenwerking op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken - naar het communautaire deel van het EG-Verdrag (de eerste pijler).
De Europese Commissie heeft vanaf 2004 het exclusieve initiatiefrecht voor alle onderwerpen die dan in de eerste pijler vallen. De Schengensamenwerking is het Verdrag binnengehaald. Nu de Britten hun uitzonderingspositie ten aanzien van het Sociaal Protocol hebben opgegeven, zijn ook de bepalingen van dit protocol in het Verdrag opgenomen in de artikelen 136-143 EG-Verdrag.
Geen antwoord op besluitvormingsprobleem
Het Verdrag biedt echter geen antwoord op de vraag hoe de samenwerking in de Unie met een oplopend ledental efficiënt kan blijven. Moeilijke beslissingen over de besluitvorming in de Raad (stemmenweging en besluiten bij gekwalificeerde meerderheid) en de samenstelling van de Commissie werden doorgeschoven naar de toekomst. Pas met het Verdrag van Nice (december 2000) werden deze knopen doorgehakt.