Grondwetsherzieningen 1815 - heden - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

bij Grondwetsherzieningen 1815 - heden

De eerste Grondwet na herstel van de onafhankelijkheid kwam op 29

Grondwet 1815

maart 1814 tot stand, op basis van een door een commissie onder leiding van Van Hogendorp op 2 maart 1814 aangeboden ontwerp. Sindsdien is de Grondwet regelmatig en soms zeer ingrijpend veranderd. Al in 1815 was herziening nodig vanwege de vereniging van Noord- en Zuid-Nederland. In dat jaar werd het tweekamerstelsel ingevoerd. De afsplitsing van België in 1830 leidde in 1840 tot een nieuwe herziening.

De belangrijkste veranderingen kwamen in 1848 tot stand, toen de basis werd gelegd voor ons huidige parlementaire stelsel en voor de bestuurlijke inrichting van ons land. De Grondwetsherzieningen van 1887 en 1917 stonden vooral in het teken van het kiesrecht en het onderwijs.

In periode na 1945 was de dekolonisatie enkele keren reden voor herzieningen. In 1983 kwam na lange discussie een algehele herziening van de Grondwet tot stand, waarbij onder meer de opzet ervan werd gewijzigd en nieuwe grondrechten werden vastgelegd. Nadien vonden nog enkele aanpassingen plaats.

De afgelopen jaren zijn twee belangrijke voorstellen verworpen: over de benoeming van burgemeesters en Commissarissen van de Koningin, en over het correctief referendum. Het voorstel over de vervanging van volksvertegenwoordigers bij zwangerschap of ziekte is wel aangenomen.

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

1815

Al in 1815 werd de Grondwet herzien. De meest in het oog lopende verandering was de tweetaligheid van de Grondwet. Uiteraard werden ook inhoudelijke aanpassingen aangebracht vanwege de vereniging van Noord- en Zuid-Nederland.

De Staten-Generaal werd gesplitst in twee Kamers. De leden van de Eerste Kamer werden voor het leven benoemd door de Koning uit de aanzienlijksten van het land. De nieuwe Tweede Kamer werd indirect gekozen. Van de 110 leden kwamen er 55 uit het Noorden en 55 uit Zuiden, hoewel er daar meer inwoners waren. De Tweede Kamer zou in het openbaar vergaderen, de Eerste Kamer in het geheim. De vergaderingen vonden afwisselend in Den Haag en Brussel plaats.

In de Grondwet was niet langer sprake van een soevereine vorst, maar van een koning. De bepaling dat de vorst tot de Hervormde Kerk moest behoren, werd geschrapt.

De gewone begroting (naast die voor bijzondere uitgaven, zoals voor oorlog) werd niet meer voor onbepaalde tijd, maar voor tien jaar vastgesteld.

2.

De herziening van 1840

Pas in 1840 werd de afscheiding van België uit 1830 in de Grondwet vastgelegd. Koning Willem I had zich daar lange tijd niet bij willen neerleggen. Daardoor bestond 10 jaar de vreemde situatie dat er een parlement was met slechts de helft van het voorgeschreven aantal leden.

Door de herziening werd het maximale aantal leden van de Eerste Kamer gehalveerd en ging dat van de Tweede Kamer van 110 naar 58. Ook (Nederlands) Limburg kreeg namelijk drie afgevaardigden.

Door deze Grondwet werd ook de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd. Hoewel ministers formeel nog niet politiek verantwoordelijk werden voor hun daden, leidde dit er toch toe dat ministers in het parlement directer konden worden aangesproken op besluiten.

Op initiatief van enkele Tweede Kamerleden werd wettelijke regeling van het kiesrecht voor de besturen van gemeenten en provincies vereist.

De herziening regelde ten slotte de splitsing van de provincie Holland in Noord- en Zuid-Holland. Er bestonden in die provincies overigens al twee afzonderlijke besturen.

In plaats van een tienjarige begroting komt er een tweejaarlijkse begroting.

3.

1848

  • Grondwetsherziening 1848

    De Grondwetsherziening van 1848 legt de basis voor ons huidige stelsel van parlementaire democratie. Niet langer is de koning, maar zijn de ministers verantwoordelijk voor het beleid. De Tweede Kamer krijgt veel meer invloed en wordt bovendien rechtstreeks - weliswaar voorlopig nog door een beperkte groep kiezers - gekozen.

4.

De herziening van 1887

Hoewel de resultaten van de herziening van 1887 op het eerste gezicht teleurstellend waren, was het belang op langere termijn toch groter dan gedacht. De grondwetsherziening leidde niet tot algemeen kiesrecht, noch tot een definitieve oplossing van de onderwijskwestie, maar gaf daartoe wel aanzetten.

De vereisten voor het kiesrecht werden namelijk aanzienlijk verruimd, waarbij uitwerking in de Kieswet verdere mogelijkheden bood. Wel wordt nu formeel vastgelegd - in de Grondwet van 1848 was dat verzuimd - dat vrouwen geen kiesrecht hadden.

De onderwijsbepaling bleef weliswaar ongewijzigd, maar uitspraken van Kamerleden en van minister Heemskerk openden de weg voor subsidieverlening aan het bijzonder onderwijs.

Verder leidde de herziening tot:

  • verruiming van de mogelijkheden om tot Eerste Kamerlid gekozen te worden. Naast de hoogte van betaalde belastingen gaven voortaan ook allerlei ambten (zoals Tweede Kamerlid, hoogleraar, rechter) toegang tot het Eerste Kamerlidmaatschap
  • de mogelijkheid voor Tweede Kamerleden om zelf initiatiefvoorstellen in de Eerste Kamer te verdedigen
  • uitbreiding van het aantal leden van de Tweede Kamer van 86 naar 100 en van de Eerste Kamer van 39 naar 50

Enkele gedetailleerde bepalingen over defensie, waterstaat en het gemeentelijk en provinciaal bestuur werden uit de Grondwet gehaald

  • Er werd voor een bepaling opgenomen over administratieve rechtspraak, zowel door rechters als door speciale administratief-rechterlijke colleges.

In 1884 was al door een beperkte herziening de mogelijkheid opgenomen om ook tijdens een regentschap de Grondwet te mogen wijzigen. Dat was wenselijk, omdat gevreesd werd dat na het overlijden van koning Willem III er lange tijd een regentschap zou zijn.

Er komt een jaarlijkse begroting, met hoofdstukken per departement.

5.

De herziening van 1917

De Grondwetsherziening van 1917 maakte een einde aan de kiesrecht- en schoolstrijd, die in de tweede helft van de negentiende eeuw het politieke leven had beheerst.

Voortaan mochten alle mannen van boven de 23 jaar stemmen. Er kwam echter nog geen algemeen kiesrecht, want invoering van vrouwenkiesrecht werd wel grondwettelijk mogelijk. Vrouwen kregen echter nog niet direct het kiesrecht.

Er golden niet langer bijzondere vereisten (zoals de eis om een bepaald ambt te hebben bekleed) om tot Eerste Kamerlid te kunnen worden gekozen.

De evenredige vertegenwoordiging werd ingevoerd, ter vervanging van het meerderheidsstelsel waarbij het land was opgedeeld in kiesdistricten.

Ten aanzien van het onderwijs werd vastgelegd dat het bijzonder onderwijs op dezelfde wijze recht had op financiële steun van de overheid als het openbaar onderwijs.

De herziening van de bepalingen over het kiesrecht was voorbereid door de Staatscommissie-Oppenheim; die over onderwijs door de Pacificatiecommissie onder leiding van het Kamerlid Dirk Bos.

6.

Tijdens het Interbellum

De belangrijke herziening van 1917 werd al in 1922 gevolgd door een nieuwe. In 1938 vond een beperktere grondwetsherziening plaats. In 1922 betroffen de wijzigingen onder meer:

  • invoering van de evenredige vertegenwoordiging en een ander kiesstelsel bij de verkiezing van de Eerste Kamer
  • schrapping van het begrip koloniën en opneming van Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao als delen van het Rijk
  • opneming van de mogelijkheid tot instelling van publiekrechtelijke lichamen met verordenende bevoegdheden
  • opneming van vrijstelling van krijgsdienst vanwege gewetensbezwaren
  • alleen oorlogsverklaring na voorafgaande toestemming van het parlement
  • alleen de directe nakomelingen van koningin Wilhelmina kunnen troonopvolger zijn

In 1938 behelsden de wijzigingen:

  • invoering van het instituut minister zonder portefeuille
  • invoering van de mogelijkheid om openbare lichamen voor beroep en bedrijf in te stellen

7.

Wijzigingen vanwege dekolonisatie

In 1946 werd de mogelijkheid opgenomen om dienstplichtigen uit te zenden naar Nederlands-Indië vanwege de gewapende strijd die daar plaatsvond.

In 1948 werd de mogelijkheid van Soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië opgenomen. Die kwam er uiteindelijk in december 1949.

In 1956 wordt de nieuwe rechtsorde binnen het Koninkrijk vastgelegd. Dit is een vervolg op de totstandkoming van het Statuut in 1954, waarin de verhoudingen met Suriname en de Nederlandse Antillen werd geregeld.

Na de breuk met Indonesië behield Nederland nog wel tot 1962 zeggenschap over Nederlands-Nieuw-Guinea. In 1963 werd ook de overdracht van dit overzeese gebiedsdeel grondwettelijk vastgelegd.

8.

Tussen 1945 en 1983

Behalve dekolonisatie worden ook andere onderdelen van de Grondwet herzien. De herziening in 1956 was voorbereid door een Staatscommissie. De wijzigingen betreffen onder meer:

  • de invoering van het instituut staatssecretaris (1948)
  • opneming van bepalingen over buitengewone bevoegdheden voor het burgerlijk gezag in geval van dreigende onrust (1948)
  • een eenvoudiger regeling voor de totstandkoming van internationale verdragen; het parlement kan ook stilzwijgend akkoord gaan met een verdrag (1953, 1956)
  • een nieuwe regeling voor de schadeloosstelling van Tweede Kamerleden en de vergoeding van kosten voor Eerste Kamerleden; de uitwerking hiervan wordt aan de gewone wetgever overgelaten. (1953, 1971)
  • uitbreiding van het aantal leden van Tweede en Eerste Kamer, van respectievelijk 100 naar 150 en 50 naar 75 (1956)
  • verlaging van de minimumleeftijd om Kamerlid te worden van 30 jaar naar 25 jaar (1963)
  • verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd van 23 naar 21 jaar (1963) en naar 18 jaar (1971)
  • de verplichting om bij wet te regelen wie lid zijn van het koninklijk huis (1971)

9.

Algehele herziening 1983

De herziening kwam tot stand na langdurige discussies over de Grondwetsherziening. In 1971 had de Staatscommissie-Cals/Donner al een uitvoerig rapport over de algehele herziening uitgebracht. Voorstellen tot staatkundige vernieuwing worden echter niet overgenomen.

Wel veranderde de opzet van de Grondwet en worden nieuwe grondrechten toegevoegd, zoals bescherming van burgers tegen discriminatie (artikel 1), vastlegging van de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam, en de verplichting voor de overheid om werkgelegenheid, bestaanszekerheid en een schoon milieu te bevorderen. Veel verouderde bepalingen verdwijnen.

10.

Beperkte herzieningen na 1983

  • Grondwetswijziging van 1987

    In 1987 werd de Grondwet gewijzigd op de volgende punten

    • het binnentreden in woningen (artikel 12)
    • het geven van inlichtingen door ministers en staatssecretarissen (artikel 68)
  • Grondwetswijziging van 1995

    In 1995 werd de Grondwet gewijzigd op de volgende punten

    • enkele defensiebepalingen werden gewijzigd (artikelen 98 en 101)
    • de noodzakelijk ontbinding van de Eerste Kamer bij een grondwetswijziging werd geschrapt (artikel 137)
    • een aantal enkele additionele artikelen werden geschrapt
  • Grondwetswijziging van 1999

    In 1999 werd in de Grondwet gewijzigd op de volgende punten

    • voogdij minderjarige koning  (artikel 34)
    • de Nationale Ombudsman (artikel 78a)
    • vervallen van additionele artikelen
  • Grondwetswijziging van 2005

    In 2005 werd de vervanging van zieke en zwangere volksvertegenwoordigers in de Grondwet opgenomen (artikel 57a).

  • Grondwetswijziging van 2008

    In 2000 werd in de Grondwet gewijzigd op de volgende punten

    • stemrecht wilsonbekwamen (artikel 54)
    • voorzitterschap lokale vertegenwoordigingen (artikelen 125 en 126)