EU 2020-strategie - Hoofdinhoud
De EU 2020-strategie is de langetermijnstrategie van de Europese Unie voor een sterke en duurzame economie met veel werkgelegenheid. Deze strategie moet ervoor zorgen dat de Europese economie zich ontwikkelt tot een zeer concurrerende, sociale en groene markteconomie en bouwt voort op de Lissabonstrategie.
De EU 2020-strategie moet zowel een goede uitweg uit de crisis bieden als ambitieuze structurele hervormingen in gang zetten. Tijdens de Europese Raad van 17 juni 2010 is de strategie vastgesteld door de regeringsleiders van de EU-landen. In de voorbereidingen daarop speelden onder andere de voorzitter van de Europese Commissie José Manuel Barroso en de vaste voorzitter van de Europese Raad, Herman van Rompuy, een belangrijke rol.
Het Europees Parlement heeft in mei 2010 een reeks resoluties aangenomen waarin het aangeeft dat de voltooiing van de interne markt, het beperken van nationale schulden en een cohesiebeleid dat rekening houdt met lokale en regionale belangen, essentieel zijn voor een succesvolle EU 2020-strategie.
Tijdens de Europese Raad van 1 maart 2012 bekritiseerden de EU-regeringsleiders en staatshoofden de eigen inspanning om groei te stimuleren. Volgens premier Mark Rutte zijn de groeidoelstellingen door Nederland te vrijblijvend geïnterpreteerd. Alle leiders waren het erover eens dat er veel concretere afspraken moeten komen over de termijnen waarop bepaalde doelen behaald moeten zijn.
Om de onderliggende projecten van de EU 2020-strategie gemakkelijker te kunnen financieren in een tijd van economische crisis zullen er projectobligaties op de markt worden gebracht. Eerst zal er nog een testperiode worden gehouden, waarover de Raad en het Europees Parlement het op 21 mei 2012 eens werden. De test met projectobligaties zal lopen tot en met het einde van 2013 en maakt samenwerking mogelijk tussen de Europese Investeringsbank, privé-investeerders, de Europese Unie en de lidstaten op het gebied van infrastructuur, transport, energie en ICT.
Net als bij de Lissabonstrategie is de looptijd van de EU 2020-stratgie tien jaar. In tegenstelling tot de Lissabonstrategie heeft de EU 2020-strategie een beperkt aantal kerndoelen die onderling met elkaar samenhangen. De regeringsleiders van de EU-lidstaten zijn het tijdens de Europese top van 25 en 26 maart 2010 eens geworden over de volgende doelen:
-
-
Meer onderzoek en ontwikkeling
Investeringen in onderzoek van overheid en bedrijven moeten stijgen tot 3 procent van het bruto binnenlands product. Zowel de overheid als het bedrijfsleven moeten daaraan bijdragen.
-
-
Meer werkgelegenheid
In 2020 moet 75 procent van de Europeanen van 20 tot en met 64 jaar betaald werk verrichten. Meer jongeren, ouderen, laaggeschoolden en legale immigranten moeten aan het werk.
-
-
Groene economische groei
De zogenaamde 20/20/20-doelstellingen moeten worden gehaald: de uitstoot van broeikasgassen moet met 20 procent worden verminderd ten opzichte van 1990, de energie-efficiëntie moet met 20 procent zijn verhoogd en 20 procent van de energie moet op duurzame wijze worden opgewekt. Indien andere ontwikkelde landen, buiten de EU, bereid zijn om de uitstoot van broeikasgassen ook sterk terug te dringen, wil de EU haar doelstelling na 2012 nog verscherpen. De Europese uitstoot zou in dat geval met 30 procent moeten worden teruggebracht ten opzichte van 1990.
Voor twee andere thema's heeft de Europese Raad van 17 juni 2010 ingestemd met cijfermatige doelen:
-
-
Bevorderen van sociale insluiting
Het aantal Europeanen dat op de grens van de armoede leeft moet worden verminderd. Daardoor moet aan ten minste 20 miljoen mensen een uitweg uit het risico op armoede worden geboden.
-
-
Onderwijsniveau verhogen
In 2020 moeten minder jongeren vroegtijdig de school verlaten. Het percentage uitvallers moet onder de 10 procent komen te liggen. Daarnaast moet ten minste 40 procent van de jongeren een diploma in het hoger onderwijs halen.
Deze doelstellingen moeten door de lidstaten vertaald worden in nationale doelen. Dat gebeurt in overleg met de Commissie. Die nationale doelen verschillen per lidstaat en zijn afhankelijk van de startpositie van elk land. De lidstaten zelf krijgen ook een grotere rol in de evaluatie van de vorderingen. Bij de Lissabonstrategie werd de evaluatie vooral gedaan door de Europese Commissie.
Het Nederlandse kabinet reageerde in maart 2010 positief op de presentatie van de EU 2020-strategie. Vooral de nadruk die in de strategie wordt gelegd op groei en werkgelegenheid, met een centrale plaats voor sociaal beleid en duurzaamheidsbeleid, werd als positief ervaren.
Het kabinet had wel een aantal kritische kanttekeningen. De Nederlandse regering verzette zich tegen speciale doelstellingen op het terrein van armoedebestrijding en sociale insluiting. 'Het beste middel tegen armoede is werk,' aldus het kabinet. Volgens toenmalig premier Balkenende was de strijd tegen armoede een zaak voor lidstaten zelf en niet voor de Europese Unie.
Om de EU 2020-strategie concrete invulling te geven zijn er verschillende 'vlaggenschipprogramma's' (ook kerninitiatieven genoemd) vastgesteld. Via deze programma's moeten de kerndoelen behaald worden. Het eerste vlaggenschipprogramma dat werd vastgesteld is de Digitale Agenda, dat onder verantwoordelijkheid van eurocommissaris Neelie Kroes tot stand is gekomen.
De zeven vlaggenschipprogramma's:
-
-Innovatie Unie
-
-Efficiënt gebruik van hulpbronnen
-
-Een industrieel beleid in een globalisatietijdperk
-
-Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen
-
-Europees platform tegen armoede
Website van de Europese Commissie over de EU 2020-strategie (en)