Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen (Codificatie) - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VAN Brussel, 22 november 2010 (23.11)

(OR. fr)

DE EUROPESE UNIE

16787/10

Interinstitutioneel dossier:

2010/0302 (COD)

CODIF 29 CODEC 1355 ENT 190

VOORSTEL

van:

de Europese Commissie

d.d.: 27 oktober 2010

Betreft: Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiliging- sinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen (Codificatie)

Hierbij gaat voor de delegaties het voorstel van de Commissie dat bij brief van de heer Jordi AYET PUIGARNAU, directeur, aan de heer Pierre DE BOISSIEU, secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, is toegezonden.

Conform de op 10 juni 2003 overeengekomen methode wordt de delegaties verzocht hun opmerkingen over het codificatievoorstel vóór 21 december 2010 te doen toekomen op de volgende

adressen:

EUROPESE COMMISSIE

Brussel, 27.10.2010 COM(2010) 610 definitief

2010/0302 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor

land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen

(Codificatie)

TOELICHTING

  • 1. 
    In de context van een Europa van de burgers hecht de Commissie groot belang aan het vereenvoudigen en verduidelijken van het recht van de Unie om het duidelijker en toegankelijker te maken voor de gewone burger, zodat deze nieuwe mogelijkheden krijgt en in staat wordt gesteld gebruik te maken van de specifieke rechten die hij aan het recht van de Unie kan ontlenen.

Dit doel kan niet worden verwezenlijkt zolang talloze bepalingen die meermaals en vaak ingrijpend zijn gewijzigd, gedeeltelijk in het oorspronkelijke besluit en gedeeltelijk in de latere wijzigingsbesluiten te vinden zijn. Om dan na te gaan wat de geldende regels zijn, is veel zoekwerk vereist, waarbij een groot aantal besluiten moet worden vergeleken.

Codificatie van meermaals gewijzigde regels is dan ook van essentieel belang om het recht duidelijk en doorzichtig te maken.

  • 2. 
    Bij haar besluit van 1 april 19871 heeft de Commissie haar diensten opgedragen alle

besluiten na maximaal tien wijzigingen te codificeren, waarbij zij erop wijst dat dit een minimumregel is en dat haar diensten ter wille van de duidelijkheid en het juiste begrip van de bepalingen ernaar zouden moeten streven de teksten waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen, met nog kortere tussenpozen te codificeren.

  • 3. 
    De conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Edinburgh (december 1992) hebben dit bevestigd

2 en het belang van codificatie onderstreept,

omdat daarmee rechtszekerheid wordt verschaft omtrent de vraag welke wet op een gegeven moment op een bepaald onderwerp van toepassing is.

Bij codificatie moet de normale procedure voor de vaststelling van besluiten van de Unie volledig in acht worden genomen.

Aangezien bij codificatie geen inhoudelijke wijzigingen in de betrokken wetteksten mogen worden aangebracht, zijn het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bij Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 een versnelde werkmethode voor de codificatie van wetteksten overeengekomen.

  • 5. 
    Dit voorstel voor een codificatie is opgesteld op basis van een voorafgaande consolidatie, in 22 officiële talen, van Richtlijn 87/402/EEG en de besluiten tot wijziging daarvan, met behulp van een gegevensverwerkingssysteem van het Bureau voor publicaties van de Europese Unie. Voor zover de artikelen zijn vernummerd, is het verband tussen de oude en de nieuwe nummering weergegeven in een concordantietabel die is opgenomen in bijlage IX bij de gecodificeerde richtlijn.

OE 87/402/EEG (aangepast)

2010/0302 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor

land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen

(Codificatie)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Geien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel

114 ,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité5,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad

8

en stelt de technische voorschriften vast betreffende het ontwerp en de constructie van landbouw- of bosbouwtrekkers met betrekking tot de vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen. Deze technische voorschriften beogen de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten, teneinde de uitvoering van de bij Richtlijn 2003/37/EG geregelde EG-typegoedkeuringsprocedure ten aanzien van elk type trekker mogelijk te maken. Derhalve zijn de bepalingen van Richtlijn 2003/37/EG betreffende landbouw- of bosbouwtrekkers, aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines, alsmede de systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan op de onderhavige richtlijn van toepassing.

OE

(3) Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VIII, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

OE 87/402/EEG

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

OE 87/402/EEG (aangepast)

Deze richtlijn is van toepassing op de in artikel 2, onder j), van Richtlijn 2003/37/EG

omschreven trekkers met de volgende kenmerken:

OE 87/402/EEG

OE 87/402/EEG (aangepast)

  • c) 
    een massa tussen 600 en 3 000 kg, overeenkomend met de lege massa van de

trekker in de zin van punt 2.1 van model A in bijlage I bij

Richtlijn 2003/37/EG , met inbegrip van de kantelbeveiligingsinrichting

gemonteerd overeenkomstig deze richtlijn en met de grootste bandenmaat die door de fabrikant wordt aanbevolen.

OE 87/402/EEG

Artikel 2

  • 1. 
    Elke lidstaat verleent de EG-typegoedkeuring voor onderdelen voor elk type kantelbeveiligingsinrichting en de bevestiging daarvan aan de trekker die voldoen aan de in de bijlagen I en II opgenomen constructie- en keuringsvoorschriften.
  • 2. 
    De lidstaat die de EG-typegoedkeuring voor onderdelen heeft verleend, treft de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de bevoegde instanties van de andere lidstaten, voor zover noodzakelijk te controleren of het vervaardigde onderdeel in overeenstemming is met het als onderdeel goedgekeurde type. Deze controle blijft beperkt tot steekproeven.

Artikel 3

OE 87/402/EEG (aangepast)

De lidstaten kennen de fabrikant van een trekker of de fabrikant van een kantelbeveiligingsinrichting of hun respectieve gemachtigden een EG-typegoedkeuringsmerk voor onderdelen toe overeenkomstig het in bijlage IV

weergegeven voorbeeld , voor

elk type kantelbeveiligingsinrichting en de bevestiging daarvan op de trekker, door hen goedgekeurd als onderdeel krachtens artikel 2.

OE 87/402/EEG

Een lidstaat mag echter het in de handel brengen van kantelbeveiligingsinrichtingen die voorzien zijn van het EG-typegoedkeuringsmerk en die niet in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type, verbieden.

Deze lidstaat brengt de genomen maatregelen onverwijld ter kennis van de andere lidstaten en de Commissie met opgave van de beweegredenen daarvoor.

Artikel 5

De bevoegde instanties van elke lidstaat zenden binnen een maand aan de bevoegde instanties van de andere lidstaten een kopie van de EG-typegoedkeuringsformulieren voor onderdelen, waarvan een model in bijlage V is opgenomen, voor elk type kantelbeveiligingsinrichting dat zij als onderdeel goedkeuren of weigeren goed te keuren.

Artikel 6

  • 1. 
    Indien de lidstaat die de EG-typegoedkeuring voor onderdelen heeft verleend, constateert dat verscheidene kantelbeveiligingsinrichtingen en de bevestiging daarvan op de trekker, voorzien van hetzelfde EG-typegoedkeuringsmerk voor onderdelen, niet in overeenstemming zijn met het door hem goedgekeurde type, neemt hij de nodige maatregelen om te waarborgen dat de productie overeenstemt met het goedgekeurde type.

De bevoegde instanties van deze lidstaat stellen de bevoegde instanties van de andere lidstaten in kennis van de genomen maatregelen die, wanneer het gebrek aan overeenstemming van ernstige aard is en zich herhaaldelijk voordoet, zelfs tot intrekking van de EG-typegoedkeuring voor onderdelen kunnen leiden.

Genoemde instanties nemen dezelfde maatregelen, wanneer zij door de bevoegde instanties van een andere lidstaat van een dergelijk gebrek aan overeenstemming in kennis worden gesteld.

OE 87/402/EEG (aangepast)

Artikel 8

OE 2000/22/EG art. 2 (aangepast)

  • 1. 
    Ten aanzien van trekkers die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen,

mogen de lidstaten:

  • a) 
    voor een type trekker noch de EG-typegoedkeuring, noch de nationale typegoedkeuring weigeren;
  • b) 
    noch het voor de eerste maal in het verkeer brengen van trekkers verbieden.
  • 2. 
    De lidstaten mogen de nationale typegoedkeuring weigeren voor een type trekker, indien dat type niet aan de voorschriften van

deze richtlijn beantwoordt.

OE 87/402/EEG (aangepast)

Artikel 9

  • 1. 
    De lidstaten mogen niet de inschrijving weigeren of de verkoop of het gebruik van

trekkers verbieden om redenen die verband houden met de kantelbeveiligingsinrichtingen en de bevestiging daarvan op de trekker, indien deze zijn voorzien van het EG-typegoedkeuringsmerk en indien aan de voorschriften van bijlage VI is voldaan.

De lidstaten kunnen evenwel, met inachtneming van het Verdrag, beperkingen stellen aan het plaatselijke gebruik van de trekkers als bedoeld in

artikel 1 indien de veiligheid zulks

vereist gezien het specifieke karakter van bepaalde terreinen of bepaalde teelten. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van zulke beperkingen voordat zij worden toegepast, onder opgave van de redenen die aan die maatregelen ten grondslag liggen.

OE 87/402/EEG (aangepast)

  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde inrichting moet, indien het niet een aan de achterzijde gemon-

teerde inrichting betreft, voldoen aan de eisen van de bijlagen I en II bij deze richtlijn of

van de bijlagen I tot en met IV bij Richtlijn 2009/57/EG9 of Richtlijn 2009/75/EG10 van

het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 11

De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de voorschriften van de bijlagen I tot en

met VII aan te passen aan de stand van de techniek, worden vastgesteld overeenkomstig

de in artikel 20, lid 3, van Richtlijn 2003/37/EG bedoelde procedure .

Artikel 12

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern

recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

OE

Artikel 13

Richtlijn 87/402/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage VIII, deel A, genoemde besluiten, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VIII, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IX.

OE 87/402/EEG

Artikel 15

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te [...]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

VOORWAARDEN VOOR EG-TYPEGOEDKEURING VOOR ONDERDELEN

OE 2010/22/EG art. 4 en bijlage IV,

punt 1

  • 1. 
    De definities en voorschriften van punt 1 van code 611 van Besluit C(2008) 128 van

de OESO van oktober 2008, met uitzondering van punt 1.1 (Landbouw- en bosbouwtrekkers), zijn van toepassing en luiden als volgt:

,,1. DEFINITIES

1.1 [niet van toepassing]

1.2 Kantelbeveiligingsinrichting (KB)

Onder kantelbeveiligingsinrichting (veiligheidscabine of -frame), hierna

kantelbeveiliging genoemd, wordt verstaan de inrichting op een trekker met als voornaamste doel de risico's voor de bestuurder bij het kantelen van de trekker tijdens normaal gebruik te voorkomen of te beperken.

De kantelbeveiliging wordt gekenmerkt door een vrije ruimte die groot genoeg is om de bestuurder te beschermen wanneer hij binnen de inrichting zit of binnen een ruimte begrensd door een aantal rechte lijnen vanaf de buitenranden van de inrichting tot gelijk welk deel van de trekker dat in contact kan komen met de grond en dat de trekker in die positie bij het kantelen kan dragen.

1.3 Spoor

1.3.1 Voorafgaande definitie: middenvlak van het wiel

Het middenvlak van het wiel ligt op gelijke afstand van de twee vlakken die de omtrek van de velgen aan de buitenranden ervan omvatten.

1.3.3 Aanvullende definitie: middenvlak van de trekker

Neem de uiterste posities van de punten A en B voor de achteras van de trekker, wat de grootst mogelijke waarde voor het spoor oplevert. Het verticale vlak dat loodrecht staat op de lijn AB in het midden ervan, is het middenvlak van de trekker.

1.4 Wielbasis

De afstand tussen de verticale vlakken die door de twee in punt 1.3 bepaalde lijnen AB lopen, een voor de voorwielen en een voor de achterwielen.

1.5 Bepaling van het stoelindexpunt; plaats en verstelling van de stoel voor de test

1.5.1 Stoelindexpunt (SIP)12

Het stoelindexpunt wordt bepaald overeenkomstig ISO 5353:1995.

1.5.2 Plaats en verstelling van de stoel voor de test

1.5.2.1 Als de hellingshoek van de rugleuning en zittingplaat verstelbaar is, wordt hij zo

ingesteld dat het stoelindexpunt in de achterste hoogste stand wordt verkregen.

1.5.2.2 Als de stoel is voorzien van een veersysteem, wordt dit in de middelste stand

geblokkeerd, tenzij dit in strijd is met duidelijk gegeven instructies van de stoelfabrikant.

1.5.2.3 Als de stoel alleen in de lengte en in de hoogte verstelbaar is, loopt de lengteas door

het stoelindexpunt evenwijdig met het verticale langsvlak van de trekker door het middelpunt van het stuurwiel en niet meer dan 100 mm van dat vlak.

1.6 Vrije zone

1.6.1 Verticaal referentievlak en referentielijn

1.6.2 Bepaling van de vrije zone bij trekkers met niet-omkeerbare stoel

Bij trekkers met niet-omkeerbare stoel wordt de vrije zone in de punten 1.6.2.1 tot en met 1.6.2.11 gedefinieerd en wordt zij begrensd door de volgende vlakken, waarbij de trekker zich op een horizontaal oppervlak bevindt, met de stoel, als deze verstelbaar is, in de achterste hoogste stand

13 en het stuurwiel, als dit verstelbaar is,

in de middelste stand voor zittend rijden:

1.6.2.1 twee verticale vlakken die zich op 250 mm afstand aan weerszijden van het

referentievlak bevinden, 300 mm uitsteken boven het in punt 1.6.2.8 gedefinieerde vlak en zich in de lengterichting uitstrekken tot ten minste 550 mm vóór het verticale vlak dat loodrecht staat op het referentievlak, (210 a

  • h) 
    mm vóór het stoelindexpunt;

1.6.2.2 twee verticale vlakken die zich op 200 mm afstand aan weerszijden van het

referentievlak bevinden, 300 mm uitsteken boven het in punt 1.6.2.8 gedefinieerde vlak en zich in de lengterichting uitstrekken van het in punt 1.6.2.11 gedefinieerde vlak tot het verticale vlak dat loodrecht staat op het referentievlak, (210 a

  • h) 
    mm

-

vóór het stoelindexpunt;

1.6.2.3 een loodrecht op het referentievlak staand hellend vlak, evenwijdig met en 400 mm

boven de referentielijn, dat zich naar achteren uitstrekt tot het snijpunt met het verticale, loodrecht op het referentievlak staande vlak door een punt op (140 + a

h)

mm achter het stoelindexpunt;

1.6.2.4 een loodrecht op het referentievlak staand hellend vlak dat het in punt 1.6.2.3

gedefinieerde vlak aan de achterste rand snijdt en op de bovenkant van de rugleuning van de stoel ligt;

1.6.2.5 een verticaal, loodrecht op het referentievlak staand vlak dat zich ten minste 40 mm

vóór het stuurwiel en (760 a

  • h) 
    mm vóór het stoelindexpunt bevindt;

1.6.2.6 een cilindrisch oppervlak waarvan de as loodrecht op het referentievlak staat, dat een

straal van 150 mm heeft en de in de punten 1.6.2.3 en 1.6.2.5 gedefinieerde vlakken raakt;

1.6.2.10 twee delen van het horizontale vlak dat 300 mm boven het in punt 1.6.2.8

gedefinieerde vlak loopt. Beide deelvlakken verbinden respectievelijk de bovenste grenzen van de in punt 1.6.2.2 gedefinieerde verticale vlakken met de onderste grenzen van de in punt 1.6.2.7 gedefinieerde hellende vlakken;

1.6.2.11 een zo nodig gebogen vlak waarvan de beschrijvende lijn loodrecht staat op het

referentievlak en tegen de achterzijde van de rugleuning van de stoel ligt.

1.6.3 Bepaling van de vrije zone bij trekkers met omkeerbare bestuurdersplaats

Bij trekkers met omkeerbare bestuurdersplaats (stoel en stuurwiel omkeerbaar) is de vrije zone de combinatie van de twee vrije zones die door de twee verschillende standen van het stuurwiel en de stoel worden bepaald.

1.6.4 Optionele stoelen

1.6.4.1 Bij trekkers die met optionele stoelen kunnen worden uitgerust, wordt tijdens de tests

gebruikgemaakt van de combinatie die de indexpunten van alle aangeboden optionele stoelen omvat. De kantelbeveiliging mag de ruimste vrije zone die deze verschillende stoelindexpunten omvat, niet binnendringen.

1.6.4.2 Indien na de uitvoering van de test een nieuwe optionele stoel wordt aangeboden,

wordt opnieuw nagegaan of de vrije zone rond het nieuwe SIP binnen de eerder bepaalde combinatie valt. Als dat niet het geval is, wordt een nieuwe test uitgevoerd.

1.7 Toelaatbare meettoleranties

Lengtematen: ± 3

mm

behalve voor:

bolling van de banden: ± 1 mm

1.8 Symbolen

( m m ) De helft van de horizontale verstelling van de stoel

( m m ) De helft van de verticale verstelling van de stoel

( m m ) Minimale totale breedte van de trekker

( m m ) Maximale totale breedte van de

kantelbeveiliging

( m m ) Vervorming van de kantelbeveiliging op het botspunt (dynamische tests) of op het punt van en in de richting van de belasting die wordt uitgeoefend (statische tests)

( m m ) Vervorming van de kantelbeveiliging bij de vereiste berekende energie

( J ) Geabsorbeerde vervormingsenergie op een punt wanneer de belasting wordt weggenomen. Gebied binnen de F-D-curve

)

( J ) Toegevoerde energie die bij zijdelingse belasting moet worden geabsorbeerd

( N ) Kracht van de statische belasting

( N ) Belastingskracht bij de vereiste berekende energie, overeenkomend met E'

i

Diagram kracht/vervorming

( N ) Kracht uitgeoefend op het harde achterprofiel

( N ) Maximumkracht van de statische belasting tijdens de belastingstest, met uitzondering van

de overbelasting

( N ) Verticale verbrijzelingskracht

( m m ) Valhoogte van het slingerblok (dynamische tests)

)

( k g ) Referentiemassa van de trekker tijdens

sterktetests, zoals gedefinieerd in punt 3.2.1.4 van bijlage II."

OE 87/402/EEG (aangepast)

  • 2. 
    ALGEMENE EISEN

2.1. Alle kantelbeveiligingen, evenals de bevestiging ervan aan de trekker, moeten

zo worden ontworpen en uitgevoerd dat zij aan het essentiële doel, genoemd in punt 1 beantwoorden.

2.2. Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, indien aan de eisen van

bijlag II is voldaan.

OE 87/402/EEG

  • 3. 
    AANVRAAG OM EG-TYPEGOEDKEURING VOOR ONDERDELEN

3.1. De aanvraag om EG-typegoedkeuring voor onderdelen voor wat betreft de

sterkte van een kantelbeveiliging en van de bevestiging daarvan op de trekker, wordt ingediend door de fabrikant van de trekker of door de fabrikant van de kantelbeveiliging of door hun respectieve gemachtigden.

OE 87/402/EEG (aangepast)

  • gegevens met betrekking tot de materialen waarvan gebruik is gemaakt in de structurele en bevestigingsonderdelen van de kantelbeveiliging (bijlage III).

3.3. Een trekker die representatief is voor het trekkertype, waarvoor de

kantelbeveiliging die als onderdeel moet worden goedgekeurd is bestemd, moet ter beschikking worden gesteld van de technische dienst die belast is met de uitvoering van de EG-goedkeuringsproeven voor onderdelen. Deze trekker moet voorzien zijn van de kantelbeveiliging.

Voorts moet de fabrikant de maten opgeven van de banden die op de vooras en de achteras kunnen worden gemonteerd.

3.4. De houder van de EG-typegoedkeuring voor onderdelen kan verzoeken deze

tot andere typen trekkers uit te breiden. De bevoegde instanties die de oorspronkelijke EG-typegoedkeuring voor onderdelen hebben verleend, verlenen de gevraagde uitbreiding, indien de kantelbeveiliging en het (de) type(n) trekker(s) waarvoor de uitbreiding van de oorspronkelijke EEG-goedkeuring voor onderdelen wordt gevraagd, aan de volgende voorwaarden beantwoorden:

OE 87/402/EEG (aangepast)

  • de massa van de onbelaste trekker, omschreven in punt 2.1 van model A

van bijlage I bij Richtlijn 2003/37/EG mag de voor de proef gebruikte

referentiemassa met niet meer dan 5 % overschrijden,

OE 87/402/EEG

  • de wijze van bevestiging en de montagepunten op de trekker zijn identiek,
  • alle samenstellende delen, zoals spatscherm en motorkap, die als steun kunnen dienen voor de kantelbeveiliging moeten dezelfde sterkte hebben en zich ten opzichte van de kantelbeveiliging op dezelfde plaatsen bevinden,

4.1.3. serienummer van de kantelbeveiliging;

4.1.4. trekkertype(n) en merk waarvoor de kantelbeveiliging is bestemd.

4.2. Al deze gegevens moeten zijn aangebracht op een plaatje.

4.3. Genoemde opschriften moeten zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar zijn

aangebracht.

___________________

OE 2010/22/EG art. 4 en bijlage IV,

punt 2 (aangepast)

BIJLAGE II

Technische voorschriften

De technische voorschriften voor de EG-typegoedkeuring van op landbouw- of bosbouwsmalspoortrekkers

op wielen vóór de bestuurdersstoel gemonteerde

kantelbeveiligingen zijn beschreven in punt 3 van code 614 van Besluit C(2008) 128 van de

OESO van oktober 2008, met uitzondering van punt 3.2.4 (Testrapport),

3.4.1 (Administratieve uitbreiding), 3.5 (Opschriften) en 3.7 (Prestaties van

gordelverankeringspunten), en luiden als volgt:

,,3. REGELS EN AANWIJZINGEN

3.1 Voorafgaande voorwaarden voor de sterktetests

3.1.1 Uitvoering van twee voorafgaande tests

De kantelbeveiliging mag alleen aan de sterktetests worden onderworpen, als zowel de laterale stabiliteitstest als de niet-continue kanteltest bevredigende resultaten hebben opgeleverd (zie het stroomschema in figuur 6.3).

3.1.2 Voorbereiding voor de voorafgaande tests

3.1.2.1 De trekker wordt uitgerust met de kantelbeveiliging in de veiligheidsstand.

3.1.2.2 De trekker is voorzien van banden met de grootste door de fabrikant opgegeven

diameter en de dienovereenkomstige kleinste dwarsdoorsnede. De banden van de trekker mogen geen vloeibare ballast bevatten en worden opgepompt tot de voor terreinwerkzaamheden aanbevolen spanning.

3.1.3 Laterale stabiliteitstest

3.1.3.1 Een op de bovenbeschreven wijze uitgeruste trekker wordt zo op een horizontaal

vlak geplaatst dat het draaipunt van de vooras van de trekker of, als het een gelede trekker is, het horizontale draaipunt tussen de twee assen zich vrij kan bewegen.

3.1.3.2 Het deel van de trekker dat stijf verbonden is met de as die meer dan 50 % van het

gewicht van de trekker draagt, wordt met een krik of hijswerktuig opgetild, waarbij de hellingshoek constant wordt gemeten. Deze hoek bedraagt ten minste 38° op het moment dat de trekker in onstabiel evenwicht is op de wielen die de grond raken. Voer de test eenmaal uit met het stuurwiel volledig naar rechts gedraaid en eenmaal met het stuurwiel volledig naar links gedraaid.

3.1.4 Niet-continue kanteltest

3.1.4.1 Algemene opmerkingen

Doel van deze test is na te gaan of een op de trekker bevestigde beschermingsinrichting voor de bestuurder op doeltreffende wijze kan voorkomen dat de trekker bij een zijwaartse kanteling op een helling van 1: 1,5 blijft kantelen (zie figuur 6.4).

Bewijzen van niet-continu kantelen kunnen worden verstrekt volgens een van beide methoden die in de punten 3.1.4.2 en 3.1.4.3 worden beschreven.

3.1.4.2 Demonstratie van niet-continu kantelgedrag door middel van de kanteltest

3.1.4.2.1 De kanteltest wordt uitgevoerd op een minstens 4 meter lange testhelling (zie

figuur 6.4). Het oppervlak wordt bedekt met een 18 cm dikke laag van een materiaal dat,

gemeten overeenkomstig de normen ASAE S313.3 FEB1999

en ASAE EP542 FEB1999 inzake kegelpenetrometers voor bodemonderzoek, een kegelpenetratie-index heeft van:

A = 235 ± 20

3.1.4.3 Demonstratie van niet-continu kantelgedrag door berekening

3.1.4.3.1 Om het niet-continue kantelgedrag door berekening te controleren, worden de

volgende eigenschappen van de trekker geverifieerd (zie figuur 6.5):

( m )Breedte achterbanden

( m )Breedte van de kantelbeveiliging tussen het rechter- en linkerbotspunt

( m )Breedte van de motorkap

( r a d )Bewegingshoek van de vooras (van nul tot de aanslag)

( m )Hoogte van de voorbanden onder volledige asbelasting

( m )Hoogte van de achterbanden onder volledige asbelasting

( m )Hoogte van het draaipunt van de vooras

( m )Horizontale afstand tussen het zwaartepunt en de achteras

( m )Horizontale afstand tussen het zwaartepunt en het snijpunt aan de voorkant van de kantelbeveiliging (aan te geven met een minteken als dit punt vóór het vlak van het zwaartepunt ligt)

( m )Horizontale afstand tussen het zwaartepunt en de voorste hoek van de motorkap

( k g )Voor de berekening gebruikte massa van de trekker

( k g mTraagheidsmoment rond de door het zwaartepunt lopende lengteas

2

)

( m )Achterspoorbreedte

De som van de spoorbreedte S en de bandbreedte B moet groter zijn dan de

breedte B

6 van de kantelbeveiliging.

3.1.4.3.2 Voor de berekening kunnen de volgende vereenvoudigende veronderstellingen

3.1.4.3.2.5 de penetratiediepte in de helling en de vervorming van de kantelbeveiliging

bedragen samen:

T = 0,2 m

3.1.4.3.2.6 er zijn geen andere onderdelen van de trekker die in de helling penetreren.

3.1.4.3.3 Het computerprogramma (BASIC15) voor het bepalen van het continue of

onderbroken kantelgedrag van een zijdelings kantelende smalspoortrekker met vooraan gemonteerde kantelbeveiliging, maakt deel uit van deze code, met de voorbeelden 6.1 tot en met 6.11.

3.1.5 Meetmethoden

3.1.5.1 Horizontale afstand tussen het zwaartepunt en de achteras (L

  • 3) 
    of vooras (L

2)

Gemeten wordt de afstand tussen de achter- en de vooras aan weerszijden van de trekker om te verifiëren of er geen stuurhoek is.

De afstand tussen het zwaartepunt en de achteras (L

  • 3) 
    of vooras (L
  • 2) 
    wordt berekend

aan de hand van de verdeling van de massa van de trekker tussen de achter- en voorwielen.

3.1.5.2 Hoogte van de achterbanden (D

  • 3) 
    en voorbanden (D

2)

Gemeten wordt de afstand van het hoogste punt van de band tot het grondvlak (figuur 6.5) en voor de voor- en achterbanden wordt dezelfde methode toegepast.

3.1.5.3 Horizontale afstand tussen het zwaartepunt en het snijpunt aan de voorkant van de

kantelbeveiliging (L

6)

Gemeten wordt de afstand tussen het zwaartepunt en het snijpunt aan de voorkant van de kantelbeveiliging (figuren 6.6.a, 6.6.b en 6.6.c). Als de kantelbeveiliging zich vóór het vlak van het zwaartepunt bevindt, wordt de gemeten waarde voorafgegaan door een minteken (-L

3.1.5.6 Hoogte van de motorkap (H

7)

Gemeten wordt de verticale afstand van het botspunt van de motorkap tot het grondvlak.

Het botspunt wordt bepaald door het raakvlak aan de motorkap en de kantelbeveiliging dat loopt door de lijn gevormd door de bovenste buitenste punten van de voorband (figuur 6.7). De meting wordt aan weerszijden van de motorkap verricht.

3.1.5.7 Breedte van de motorkap (B

7)

Gemeten wordt de afstand tussen de twee eerder bepaalde botspunten van de motorkap.

3.1.5.8 Horizontale afstand tussen het zwaartepunt en de voorste hoek van de motorkap (L

7)

Gemeten wordt de afstand van het eerder bepaalde botspunt van de motorkap tot het zwaartepunt.

3.1.5.9 Hoogte van het draaipunt van de vooras (H )

De verticale afstand tussen het midden van het draaipunt van de vooras en het middelpunt van de as van de voorbanden (H

  • 01) 
    wordt in het technisch rapport van de

fabrikant opgenomen en wordt gecontroleerd.

Gemeten wordt de verticale afstand van het middelpunt van de as van de voorbanden tot het grondvlak (H

  • 02) 
    (figuur 6.8).

De hoogte van het draaipunt van de vooras (H ) is de som van beide vorige waarden.

3.1.5.10 Achterspoorbreedte (S)

Gemeten wordt de minimale achterspoorbreedte met de breedste door de fabrikant gespecificeerde banden (figuur 6.9).

3.2 Voorwaarden voor het testen van de sterkte van kantelbeveiligingen en de bevestiging ervan op trekkers

3.2.1 Algemene voorschriften

3.2.1.1 Doel van de tests

Tests waarbij gebruik wordt gemaakt van speciale opstellingen, zijn bedoeld om de belastingen te simuleren die op een kantelbeveiliging worden uitgeoefend wanneer de trekker kantelt. Met deze tests kunnen waarnemingen worden gedaan ten aanzien van de sterkte van de kantelbeveiliging en alle bevestigingen ervan op de trekker, en van alle delen van de trekker die de testbelasting overbrengen.

3.2.1.2 Testmethoden

De tests kunnen volgens de dynamische of de statische procedure worden uitgevoerd. Beide methoden worden gelijkwaardig geacht.

3.2.1.3 Algemene regels voor de voorbereiding van de tests

3.2.1.3.1 De kantelbeveiliging moet conform zijn met de serieproductiespecificaties. Zij wordt

volgens de door de fabrikant aanbevolen methode bevestigd op een van de trekkers waarvoor zij is ontworpen.

Opmerking: Voor de statische sterktetest is geen complete trekker vereist; de kantelbeveiliging en de delen van de trekker waarop zij wordt bevestigd, vormen echter een bedrijfsklare installatie, hierna ,,het samenstel" genoemd.

3.2.1.3.2 Voor zowel de statische als de dynamische test wordt de geassembleerde trekker (of

het samenstel) uitgerust met alle in serie vervaardigde onderdelen die de sterkte van de kantelbeveiliging kunnen beïnvloeden of nodig kunnen zijn voor de sterktetest.

Onderdelen die gevaar kunnen opleveren in de vrije zone, worden eveneens op de trekker (of het samenstel) gemonteerd om te kunnen nagaan of de goedkeuringsvoorwaarden van punt 3.2.3 worden vervuld.

inclusief koelmiddel, oliën, brandstof, gereedschappen, plus de kantelbeveiliging. Niet inbegrepen zijn optionele voor- of achtergewichten, bandenballast, gemonteerde werktuigen of uitrusting en speciale onderdelen.

3.2.2 Tests

3.2.2.1 Volgorde van de tests

Afgezien van de in de punten 3.3.1.1.6, 3.3.1.1.7, 3.3.2.1.6 en 3.3.2.1.7 vermelde aanvullende tests worden de tests in deze volgorde uitgevoerd:

  • 1. 
    botsing (dynamische test) of belasting (statische test) aan de achterkant van de kantelbeveiliging

(zie de punten 3.3.1.1.1 en 3.3.2.1.1);

  • 2. 
    verbrijzelingstest aan de achterkant (dynamische of statische test)

(zie de punten 3.3.1.1.4 en 3.3.2.1.4);

  • 3. 
    botsing (dynamische test) of belasting (statische test) aan de voorkant van de kantelbeveiliging

(zie de punten 3.3.1.1.2 en 3.3.2.1.2);

  • 4. 
    botsing (dynamische test) of belasting (statische test) aan de zijkant van de kantelbeveiliging

(zie de punten 3.3.1.1.3 en 3.3.2.1.3);

  • 5. 
    verbrijzeling aan de voorkant van de kantelbeveiliging (dynamische of statische test)

de kantelbeveiliging meest ongunstige omstandigheden plaatsvindt. De laterale botsing of belasting en die aan de achterkant worden uitgevoerd aan weerszijden van het middenlangsvlak van de kantelbeveiliging. Zowel de frontale als de laterale botsing of belasting wordt aan dezelfde kant van het middenlangsvlak van de kantelbeveiliging uitgevoerd.

3.2.3 Goedkeuringsvoorwaarden

3.2.3.1 Een kantelbeveiliging wordt geacht aan de voorschriften inzake sterkte te voldoen,

als zij de volgende voorwaarden vervult:

3.2.3.1.1 na elke deeltest mag zij geen barsten of scheuren vertonen volgens de definitie in

punt 3.3.1.2.1 of 3.2.3.1.2. Als er tijdens een van de tests significante barsten of scheuren optreden, wordt na de bots- of verbrijzelingstest die deze heeft veroorzaakt, volgens de dynamische of de statische procedure meteen een extra test uitgevoerd;

3.2.3.1.3 tijdens andere tests dan de overbelastingstest mag geen enkel deel van de

kantelbeveiliging de in punt 1.6 van bijlage I gedefinieerde vrije zone binnendringen;

3.2.3.1.4 tijdens andere tests dan de overbelastingstest worden alle delen van de vrije zone

door de inrichting beveiligd overeenkomstig de punten 3.3.1.2.2 en 3.3.2.2.2;

3.2.3.1.5 tijdens de tests mag de kantelbeveiliging geen druk uitoefenen op de structuur van de

stoel;

3.2.3.1.6 de overeenkomstig de punten 3.3.1.2.3 en 3.3.2.2.3 gemeten elastische vervorming

bedraagt minder dan 250 mm.

3.2.3.2 Er mogen geen accessoires zijn die gevaar opleveren voor de bestuurder. Er mogen

geen uitstekende delen of accessoires zijn die de bestuurder bij het kantelen van de trekker kunnen verwonden, en ook geen accessoires of delen waardoor hij bij vervorming van de kantelbeveiliging bijvoorbeeld met een been of voet bekneld kan raken.

worden gelost zonder dat het parallellepipedum gaat slingeren om zijn horizontale as, loodrecht op de door de slinger beschreven baan.

3.2.5.2 Slingersteunen

De draaipunten van de slinger worden zo stevig bevestigd dat de verplaatsing ervan in gelijk welke richting niet meer dan 1 % van de valhoogte bedraagt.

3.2.5.3 Bevestigingen

3.2.5.3.1 Verankeringsrails die de vereiste spoorbreedte hebben en in alle afgebeelde gevallen

het voor het vastmaken van de trekker benodigde oppervlak bestrijken (zie de figuren 6.11, 6.12 en 6.13), worden stevig bevestigd aan een niet-elastische bodemplaat onder de slinger.

3.2.5.3.2 De trekker wordt aan de rails vastgemaakt met rondstrengkabel met vezelkern,

uitvoering 6 x 19 overeenkomstig ISO 2408:2004, en een nominale diameter van 13 mm. De metalen strengen hebben een maximale treksterkte van 1 770 MPa.

3.2.5.3.3 Het centrale draaipunt van een gelede trekker wordt bij alle tests op passende wijze

ondersteund en vastgezet. Bij de laterale botstest wordt het draaipunt ook aan de tegenovergestelde kant gestut. De voor- en achterwielen hoeven zich niet op één lijn te bevinden, als zo de kabels makkelijker op passende wijze kunnen worden aangebracht.

3.2.5.4 Wielstut en balk

3.2.5.4.1 Als stut voor de wielen tijdens de botstests (zie de figuren 6.11, 6.12 en 6.13) wordt

een vierkante zachthouten balk gebruikt met een zijde van 150 mm.

3.2.5.4.2 Tijdens de laterale botstests wordt een zachthouten balk op de vloer bevestigd om de

velg van het wiel aan de tegenovergestelde kant te blokkeren (zie figuur 6.13).

3.2.5.5 Stutten en bevestigingen voor gelede trekkers

3.2.5.7 Opstelling voor de verbrijzelingstest

Een opstelling zoals in figuur 6.14 moet op een kantelbeveiliging een neerwaartse kracht kunnen uitoefenen door middel van een ongeveer 250 mm brede stijve balk die via kruiskoppelingen met het belastingsmechanisme is verbonden. Er wordt voor passende assteunen gezorgd, zodat de verbrijzelingskracht niet op de banden van de trekker wordt uitgeoefend.

3.2.5.8 Meetapparatuur

De volgende meetapparatuur is vereist:

3.2.5.8.1 een toestel voor het meten van de elastische vervorming (het verschil tussen de

maximale tijdelijke vervorming en de permanente vervorming, zie figuur 6.15);

3.2.5.8.2 een toestel om te controleren of de kantelbeveiliging niet in de vrije zone is

binnengedrongen en of deze zone tijdens de test binnen de kantelbeveiliging is gebleven (zie punt 3.3.2.2.2).

3.2.6 Apparatuur en uitrusting voor statische tests

3.2.6.1 Opstelling voor statische tests

3.2.6.1.1 Met de opstelling voor statische tests moet op de kantelbeveiliging een druk of kracht

kunnen worden uitgeoefend.

3.2.6.1.2 Er moet voor worden gezorgd dat de belasting gelijkmatig kan worden verdeeld,

loodrecht op de belastingsrichting en langs een blok waarvan de lengte precies gelijk is aan een veelvoud van 50 tussen 250 en 700 mm. De stijve balk heeft een verticale voorzijde van 150 mm. De randen van de balk die in contact zijn met de kantelbeveiliging, zijn afgerond met een afrondingsstraal van maximaal 50 mm.

3.2.6.1.3 Het steunvlak moet in gelijk welke hoek ten opzichte van de belastingsrichting

kunnen worden ingesteld, zodat het de hoekveranderingen van het belaste oppervlak van de kantelbeveiliging tijdens de vervorming kan volgen.

worden gemeten; de kracht en de vervorming worden echter tegelijkertijd en colineair gemeten.

3.2.6.2.2 Het punt waar met de meting van de vervorming wordt begonnen, wordt zo gekozen

dat alleen rekening wordt gehouden met de door de kantelbeveiliging en/of de vervorming van bepaalde delen van de trekker geabsorbeerde energie. De door de vervorming en/of het slippen van de verankering geabsorbeerde energie wordt niet in aanmerking genomen.

3.2.6.3 Middelen om de trekker aan de grond te verankeren

3.2.6.3.1 Verankeringsrails die de vereiste spoorbreedte hebben en in alle afgebeelde gevallen

het voor het vastmaken van de trekker benodigde oppervlak bestrijken, worden stevig bevestigd aan een niet-elastische bodemplaat dicht bij de testopstelling.

3.2.6.3.2 De trekker wordt met alle geschikte middelen (platen, wiggen, kabels, vijzels enz.)

zo verankerd dat hij tijdens de tests niet kan bewegen. Tijdens de test wordt dat met de voor lengtemetingen gebruikelijke middelen gecontroleerd.

Als de trekker beweegt, wordt de hele test herhaald, tenzij het systeem voor het meten van de vervormingen die voor het uitzetten van de kracht/vervormingscurve in aanmerking worden genomen, verbonden is met de trekker.

3.2.6.4 Opstelling voor de verbrijzelingstest

Een opstelling zoals in figuur 6.14 moet op een kantelbeveiliging een neerwaartse kracht kunnen uitoefenen door middel van een ongeveer 250 mm brede stijve balk die via kruiskoppelingen met het belastingsmechanisme is verbonden. Er wordt voor passende assteunen gezorgd, zodat de verbrijzelingskracht niet op de banden van de trekker wordt uitgeoefend.

3.2.6.5 Andere meetapparatuur

De volgende meettoestellen zijn eveneens vereist:

draagkettingen of -kabels met het verticale vlak A een hoek maken die gelijk is aan M/100 en maximaal 20° bedraagt, tenzij de kantelbeveiliging tijdens de vervorming op het contactpunt een grotere hoek maakt met de verticaal. In dit geval wordt het botsvlak van het blok met een extra steun zo ingesteld dat het op het ogenblik van maximale vervorming op het botspunt evenwijdig is aan de kantelbeveiliging, waarbij de draagkettingen of -kabels bovenvermelde hoek met de verticaal blijven maken.

De hoogte van het blok wordt aangepast en de nodige maatregelen worden genomen om te voorkomen dat het blok rond het botspunt gaat draaien.

Het botspunt is dat deel van de kantelbeveiliging dat bij een achterwaartse kanteling van de trekker waarschijnlijk het eerst de grond zal raken, normaal gesproken dus de bovenrand. Het zwaartepunt van het blok ligt op 1/6 van de breedte van de bovenkant van de kantelbeveiliging binnen een verticaal vlak dat evenwijdig is aan het middenvlak van de trekker en de buitenste rand van de bovenkant van de kantelbeveiliging raakt.

Als de kantelbeveiliging op dit punt gebogen is of uitsteekt, worden wiggen toegevoegd om de botsing daar te laten plaatsvinden, zonder daardoor de kantelbeveiliging te versterken.

3.3.1.1.1.2 De trekker wordt met vier kabels, één aan elk uiteinde van beide assen, op de

grond vastgezet op de in figuur 6.11 aangegeven wijze. De voorste en de achterste bevestigingspunten bevinden zich zo ver van de trekker dat de kabels een hoek van minder dan 30° maken met de grond. Voorts worden de achterste bevestigingen zo aangebracht dat het punt waar beide kabels samenkomen, ligt in het verticale vlak waarin het zwaartepunt van het slingerblok zijn baan beschrijft.

De kabels worden zo aangespannen dat de in punt 3.2.5.6.2 aangegeven bolling van de banden wordt verkregen. Na het aanspannen van de kabels wordt de stutbalk vast tegen de voorkant van de achterwielen aangedrukt en dan op de grond vastgemaakt.

3.3.1.1.1.5 Bij trekkers met omkeerbare bestuurdersplaats (stoel en stuurwiel omkeerbaar)

worden dezelfde formules toegepast.

3.3.1.1.2 Botsing aan de voorkant

3.3.1.1.2.1 De trekker wordt ten opzichte van het slingerblok zo geplaatst dat het blok

tegen de kantelbeveiliging slaat wanneer het botsvlak van het blok en de draagkettingen of -kabels met het verticale vlak A een hoek maken die gelijk is aan M/100 en maximaal 20° bedraagt, tenzij de kantelbeveiliging tijdens de vervorming op het contactpunt een grotere hoek maakt met de verticaal. In dit geval wordt het botsvlak van het blok met een extra steun zo ingesteld dat het op het ogenblik van maximale vervorming op het botspunt evenwijdig is aan de kantelbeveiliging, waarbij de draagkettingen of -kabels bovenvermelde hoek met de verticaal blijven maken.

De hoogte van het slingerblok wordt aangepast en de nodige maatregelen worden genomen om te voorkomen dat het blok rond het botspunt gaat draaien.

Het botspunt is dat deel van de kantelbeveiliging dat bij een zijwaartse kanteling van de vooruitrijdende trekker waarschijnlijk het eerst de grond zal raken, normaal gesproken dus de bovenrand. Het zwaartepunt van het blok ligt op 1/6 van de breedte van de bovenkant van de kantelbeveiliging binnen een verticaal vlak dat evenwijdig is aan het middenvlak van de trekker en de buitenste rand van de bovenkant van de kantelbeveiliging raakt.

Als de kantelbeveiliging op dit punt gebogen is of uitsteekt, worden wiggen toegevoegd om de botsing daar te laten plaatsvinden, zonder daardoor de kantelbeveiliging te versterken.

3.3.1.1.2.2 De trekker wordt met vier kabels, één aan elk uiteinde van beide assen, op de

grond vastgezet op de in figuur 6.12 aangegeven wijze. De voorste en de achterste bevestigingspunten bevinden zich zo ver van de trekker dat de kabels een hoek van minder dan 30° maken met de grond. Voorts worden de achterste bevestigingen zo aangebracht dat het punt waar beide kabels samenkomen, ligt in het verticale vlak waarin het zwaartepunt van het slingerblok zijn baan beschrijft.

H = 125 + 0,02 M

bij trekkers met een referentiemassa van meer dan 2 000 kg.

Dan wordt het slingerblok losgelaten en slaat het tegen de kantelbeveiliging.

3.3.1.1.2.5 Bij trekkers met omkeerbare bestuurdersplaats (stoel en stuurwiel omkeerbaar)

is de hoogte de grootste volgens de toegepaste bovenstaande of de gekozen onderstaande formule:

H = 2,165 x 10-8 M x L2

of

H = 5,73 x 10-2 I

3.3.1.1.3 Botsing aan de zijkant

3.3.1.1.3.1 De trekker wordt ten opzichte van het slingerblok zo geplaatst dat het blok

tegen de kantelbeveiliging slaat wanneer het botsvlak van het blok en de draagkettingen of -kabels verticaal zijn, tenzij de kantelbeveiliging tijdens de vervorming op het contactpunt een hoek van minder dan met 20° vormt met de verticaal. In dit geval wordt het botsvlak van het blok met een extra steun zo ingesteld dat het op het ogenblik van maximale vervorming op het botspunt evenwijdig is aan de kantelbeveiliging, waarbij de draagkettingen of -kabels bij de botsing verticaal blijven.

De hoogte van het slingerblok wordt aangepast en de nodige maatregelen worden genomen om te voorkomen dat het blok rond het botspunt gaat draaien.

Het botspunt is dat deel van de kantelbeveiliging dat bij een ongeval met zijwaartse kanteling van de trekker waarschijnlijk het eerst de grond zal raken.

3.3.1.1.3.2 De wielen aan de zijde van de trekker waar de botsing gaat plaatsvinden,

geschraagd door een steun zoals de tegen het achterwiel aangeduwde stutbalk in punt 3.3.1.1.3.2. Het scharnierpunt wordt dan stevig op de grond vastgezet.

3.3.1.1.3.4 Het slingerblok wordt zo ver naar achteren getrokken dat de hoogte van zijn

zwaartepunt boven het botspunt wordt verkregen met een van de volgende twee formules, naargelang de referentiemassa van het samenstel dat aan de tests wordt

onderworpen:

H = (25 + 0,20 M) (B

6+B) / 2B

-

bij trekkers met een referentiemassa van minder dan 2 000 kg;

H = (125 + 0,15 M) (B

6+B) / 2B

bij trekkers met een referentiemassa van meer dan 2 000 kg.

3.3.1.1.3.5 Bij trekkers met omkeerbare bestuurdersplaats is de hoogte de grootste volgens

de van toepassing zijnde bovenstaande en onderstaande formule:

H = 25 + 0,2 M

-

bij trekkers met een referentiemassa van minder dan 2 000 kg;

H = 125 + 0,15 M

bij trekkers met een referentiemassa van meer dan 2 000 kg.

Dan wordt het slingerblok losgelaten en slaat het tegen de kantelbeveiliging.

3.3.1.1.4 Verbrijzeling aan de achterkant

De balk wordt boven het achterste bovenste structurele deel of de achterste bovenste structurele delen van de kantelbeveiliging geplaatst en de resultante van de verbrijzelingskrachten bevindt zich in het middenvlak van de trekker. Er wordt een kracht F

De balk wordt over het voorste bovenste structurele deel of de voorste bovenste structurele delen van de kantelbeveiliging geplaatst en de resultante van de verbrijzelingskrachten bevindt zich in het middenvlak van de trekker. Er wordt een kracht F

v uitgeoefend, waarbij:

F

v = 20 M

De kracht F

v wordt tot vijf seconden na de beëindiging van elke visueel detecteerbare

beweging van de kantelbeveiliging uitgeoefend.

Indien het voorste deel van het dak van de kantelbeveiliging niet bestand is tegen de volledige verbrijzelingskracht, wordt de kracht uitgeoefend totdat het dak zodanig is vervormd dat het samenvalt met het vlak dat het bovenste deel van de kantelbeveiliging verbindt met het deel van de voorkant van de trekker dat de gekantelde trekker kan dragen.

De kracht wordt dan opgeheven en de verbrijzelingsbalk wordt verplaatst boven dat deel van de kantelbeveiliging dat de volledig gekantelde trekker zal dragen. Dan wordt de kracht F

v opnieuw uitgeoefend.

3.3.1.1.6 Aanvullende botstests

Als er tijdens een botstest niet te verwaarlozen breuken of scheuren ontstaan, wordt een tweede soortgelijke test, maar met een valhoogte van:

H' = (H x 10-1) (12 + 4a) (1 + 2a )-1

verricht, en wel na de botstests die deze hebben veroorzaakt, waarbij ,,a" de verhouding tussen de permanente vervorming (D

  • p) 
    en de elastische vervorming (D

e)

is:

a = D

p / D

e

gemeten op het botspunt. De extra permanente vervorming als gevolg van de tweede botsing mag niet meer dan 30 % bedragen van de permanente vervorming als gevolg van de eerste botsing.

Na elke test worden alle structurele delen, verbindingen en bevestigingssystemen visueel onderzocht op breuken en barsten, waarbij kleine barsten in onbelangrijke delen buiten beschouwing worden gelaten.

Door de kanten van het slingergewicht veroorzaakte scheuren worden buiten beschouwing gelaten.

3.3.1.2.2 Vrije zone

3.3.1.2.2.1 Binnendringen in de vrije zone

Tijdens elke test wordt de kantelbeveiliging onderzocht om na te gaan of een deel ervan de vrije zone rond de bestuurdersstoel, zoals gedefinieerd in punt 1.6, is binnengedrongen.

Voorts mag de vrije zone niet buiten de bescherming van de kantelbeveiliging vallen. Zij wordt geacht daarbuiten te vallen als gelijk welk deel ervan in contact zou zijn gekomen met de vlakke grond wanneer de trekker was gekanteld in de richting van waaruit de testbelasting wordt uitgeoefend. Om dit te evalueren, moeten de voor- en achterbanden en de spoorbreedte de kleinste door de fabrikant opgegeven standaardafmetingen hebben.

3.3.1.2.2.2 Tests van het harde achterprofiel

Als de trekker is uitgerust met een star gedeelte, een behuizing of een ander hard profiel achter de bestuurdersstoel, wordt dat deel beschouwd als een steunpunt in geval van zijdelingse of achterwaartse kanteling. Dit achter de bestuurdersstoel geplaatste harde profiel moet, zonder te breken of de vrije zone binnen te dringen, bestand zijn tegen een neerwaartse kracht F

i, waarbij:

F

i = 15 M,

die loodrecht op de bovenkant van het frame in het middenvlak van de trekker wordt uitgeoefend. De beginhoek waarin de kracht wordt uitgeoefend, bedraagt 40°, berekend vanaf een lijn evenwijdig aan de grond, zoals aangegeven in figuur 6.16.

De minimumbreedte van dit starre gedeelte is 500 mm (zie figuur 6.17).

3.3.2 Statische tests

3.3.2.1 Belastings- en verbrijzelingstests

3.3.2.1.1 Belasting aan de achterkant

3.3.2.1.1.1 De belasting wordt horizontaal uitgeoefend in een verticaal vlak evenwijdig

aan het middenvlak van de trekker.

Het punt waarop de belasting wordt uitgeoefend, is dat deel van de kantelbeveiliging dat bij een achterwaartse kanteling van de trekker waarschijnlijk het eerst de grond zal raken, normaal gesproken dus de bovenrand. Het verticale vlak waarin de belasting wordt aangelegd bevindt zich ten opzichte van het middenvlak op een afstand van 1/3 van de totale breedte van de bovenkant van de kantelbeveiliging.

Als de kantelbeveiliging op dit punt gebogen is of uitsteekt, worden wiggen toegevoegd om de belasting daar te kunnen uitoefenen, zonder daardoor de kantelbeveiliging te versterken.

3.3.2.1.1.2 Het samenstel wordt op de grond vastgezet zoals beschreven in punt 3.2.6.3.

3.3.2.1.1.3 De door de kantelbeveiliging tijdens de test geabsorbeerde energie is ten

minste gelijk aan:

E

il = 500 + 0,5 M

3.3.2.1.1.4 Bij trekkers met omkeerbare bestuurdersplaats (stoel en stuurwiel omkeerbaar)

worden dezelfde formules toegepast.

3.3.2.1.2 Belasting aan de voorkant

3.3.2.1.2.1 De belasting wordt horizontaal uitgeoefend in een verticaal vlak evenwijdig

aan het middenvlak van de trekker en op een afstand van 1/3 van de totale breedte van de bovenkant van de kantelbeveiliging.

3.3.2.1.2.4 Bij trekkers met omkeerbare bestuurdersplaats (stoel en stuurwiel omkeerbaar)

is de energie de hoogste volgens bovenstaande formule of een van de volgende

formules:

E

il = 2,165 x 10-7 M x L2

of

E

il = 0,574 I

3.3.2.1.3 Belasting aan de zijkant

3.3.2.1.3.1 De zijdelingse belasting wordt horizontaal uitgeoefend in een vertikaal vlak

loodrecht op het middenvlak van de trekker. Het punt waarop de belasting wordt uitgeoefend, is dat deel van de kantelbeveiliging dat bij een zijdelingse kanteling van de trekker waarschijnlijk het eerst de grond zal raken, normaal gesproken dus de bovenrand.

3.3.2.1.3.2 Het samenstel wordt op de grond vastgezet zoals beschreven in punt 3.2.6.3.

3.3.2.1.3.3 De door de kantelbeveiliging tijdens de test geabsorbeerde energie is ten

minste gelijk aan:

E

is = 1,75 M (B

6 + B) / 2B

3.3.2.1.3.4 Bij trekkers met omkeerbare bestuurdersplaats (stoel en stuurwiel omkeerbaar)

is de energie de hoogste volgens de bovenstaande of de volgende formule:

E

is = 1,75 M

3.3.2.1.4 Verbrijzeling aan de achterkant

Alle voorschriften zijn dezelfde als die in punt 3.3.1.1.4.

De overbelastingstest is bevredigend indien de kracht, nadat de kantelbeveiliging 20 % van de toegevoegde energie heeft geabsorbeerd, meer bedraagt dan 0,8 F

max.

Extra barsten of scheuren en/of het binnendringen in de vrije zone of het ontbreken van de beveiliging van die zone als gevolg van elastische vervorming, zijn tijdens de overbelastingstest toegestaan. Na het opheffen van de belasting mag de kantelbeveiliging echter niet binnendringen in de vrije zone, die volledig beschermd moet zijn.

3.3.2.1.7 Aanvullende verbrijzelingstests

Als er tijdens een verbrijzelingstest barsten of scheuren ontstaan die niet als verwaarloosbaar kunnen worden beschouwd, wordt meteen na de test die deze heeft veroorzaakt, een tweede soortgelijke verbrijzelingstest uitgevoerd, maar met een kracht van 1,2 F

v.

3.3.2.2 Te verrichten metingen

3.3.2.2.1 Breuken en barsten

Na elke test worden alle structurele delen, verbindingen en bevestigingssystemen visueel onderzocht op breuken en barsten, waarbij kleine barsten in onbelangrijke delen buiten beschouwing worden gelaten.

3.3.2.2.2 Vrije zone

3.3.2.2.2.1 Binnendringen in de vrije zone

Tijdens elke test wordt de kantelbeveiliging onderzocht om na te gaan of een deel ervan de in punt 1.6 van bijlage I gedefinieerde vrije zone is binnengedrongen.

Voorts mag de vrije zone niet buiten de bescherming van de kantelbeveiliging vallen. Zij wordt geacht daarbuiten te vallen als gelijk welk deel ervan in contact zou zijn gekomen met de vlakke grond wanneer de trekker was gekanteld in de richting van waaruit de testbelasting wordt uitgeoefend. Daartoe wordt ervan uitgegaan dat de voor- en achterbanden en de spoorbreedte de kleinste door de fabrikant opgegeven standaardafmetingen hebben.

Verder moet het voldoende star zijn en stevig aan de achterkant van de trekker zijn bevestigd.

3.3.2.2.3 Elastische vervorming onder zijdelingse belasting

De elastische vervorming wordt gemeten op (810 + a

  • v) 
    mm boven het stoelindexpunt

in het verticale vlak waarin de belasting wordt uitgeoefend. Voor deze meting kan een apparaat worden gebruikt zoals afgebeeld in figuur 6.15.

3.3.2.2.4 Permanente vervorming

Na de laatste verbrijzelingstest wordt de permanente vervorming van de kantelbeveiliging geregistreerd. Daartoe wordt vóór het begin van de test de plaats van de voornaamste delen van de kantelbeveiliging ten opzichte van het stoelindexpunt geregistreerd.

3.4 Uitbreiding tot andere trekkermodellen

3.4.1 [niet van toepassing]

3.4.2 Technische uitbreiding

Wanneer de trekker, de kantelbeveiliging of de methode van bevestiging van de kantelbeveiliging op de trekker technische wijzigingen ondergaat, kan het keuringsstation dat de oorspronkelijke test heeft uitgevoerd, een ,,rapport van technische uitbreiding" afgeven, als de trekker en de kantelbeveiliging de in de punten 3.1.3 en 3.1.4 gedefinieerde voorafgaande laterale stabiliteitstest en niet-continue kanteltest met succes hebben doorstaan en als het eventueel gemonteerde, in punt 3.3.1.2.2.2 beschreven harde achterprofiel volgens de procedure van dit punt (met uitzondering van punt 3.4.2.2.4) is getest, en wel in de volgende gevallen:

3.4.2.1 Uitbreiding van de testresultaten van de beveiliging tot andere trekkermodellen

vrije zone tijdens de volledige duur van alle tests binnen de bescherming van de vervormde kantelbeveiliging blijft (dit wordt gecontroleerd aan de hand van dezelfde referentie van de vrije zone als in het oorspronkelijke testrapport, namelijk het stoelreferentiepunt [SRP] of het stoelindexpunt [SIP]).

3.4.2.2 Uitbreiding van de testresultaten van de beveiliging tot gewijzigde modellen van de

kantelbeveiliging

Deze procedure wordt gevolgd als de voorwaarden van punt 3.4.2.1 niet zijn vervuld;

zij mag niet worden toegepast als de wijze van bevestiging van de kantelbeveiliging op de trekker niet volgens hetzelfde principe is (bv. rubberen steunen vervangen door een veersysteem).

3.4.2.2.1 Wijzigingen die de resultaten van de oorspronkelijke test niet beïnvloeden

(bv. bevestiging door lassen van de montageplaat van een accessoire op een niet-kritische plaats op de kantelbeveiliging), toevoeging van stoelen met verschillende SIP-positie binnen de kantelbeveiliging (mits wordt gecontroleerd of de nieuwe vrije zone(s) tijdens de volledige duur van alle tests binnen de bescherming van de vervormde kantelbeveiliging blijft/blijven).

3.4.2.2.2 Wijzigingen die de resultaten van de oorspronkelijke test kunnen beïnvloeden zonder

daarom de aanvaardbaarheid van de kantelbeveiliging in gevaar te brengen (bv. wijziging van een structureel onderdeel, een andere wijze van bevestiging van de kantelbeveiliging op de trekker). Een valideringstest kan worden uitgevoerd en de testresultaten worden dan in het uitbreidingsrapport genoteerd.

Voor dit type uitbreiding worden de volgende grenzen vastgesteld:

3.4.2.2.2.1 zonder valideringstest mogen niet meer dan vijf uitbreidingen worden

geaccepteerd;

3.4.2.2.2.2 de resultaten van de valideringstest zullen worden geaccepteerd voor de

uitbreiding, als alle goedkeuringsvoorwaarden van de code zijn vervuld en:

3.4.2.2.2.3 meer dan een wijziging van de kantelbeveiliging mag in een enkel

uitbreidingsrapport worden opgenomen, als het om verschillende opties van dezelfde kantelbeveiliging gaat, maar in een enkel uitbreidingsrapport kan maar één valideringstest worden geaccepteerd. De niet geteste opties moeten in een specifiek onderdeel van het uitbreidingsrapport worden beschreven.

3.4.2.2.3 Verhoging van de door de fabrikant opgegeven referentiemassa voor een reeds

geteste kantelbeveiliging. Als de fabrikant hetzelfde goedkeuringsnummer wil houden, kan een uitbreidingsrapport worden afgegeven nadat een valideringstest is uitgevoerd (in dat geval zijn de in punt 3.4.2.2.2.2 vermelde grenswaarden van ± 7 % niet van toepassing).

3.4.2.2.4 Wijziging van het harde achterprofiel of toevoeging van een nieuw hard achterprofiel

Er wordt gecontroleerd of de vrije zone tijdens de volledige duur van alle tests binnen de bescherming van de vervormde kantelbeveiliging blijft, rekening houdend met het nieuwe of gewijzigde harde achterprofiel. Een validering van het harde achterprofiel met de in punt 3.3.1.2.2.2 of 3.3.2.2.2.2 beschreven test wordt uitgevoerd en de testresultaten worden in het uitbreidingsrapport opgenomen.

3.5 [niet van toepassing]

3.6 Prestatie van kantelbeveiligingen bij lage temperaturen

3.6.1 Als aangegeven wordt dat de kantelbeveiliging bestand is tegen broos worden bij lage temperaturen, verstrekt de fabrikant de desbetreffende gegevens die in het rapport worden opgenomen.

3.6.2 De volgende voorschriften en procedures zijn bedoeld om kracht en weerstand te bieden tegen breuk door broosheid bij lage temperaturen. Voorgesteld wordt dat ten minste aan de volgende materiaaleisen wordt voldaan bij de beoordeling van de geschiktheid van de kantelbeveiliging bij de lage bedrijfstemperaturen die in sommige landen heersen.

3.6.2.4 Bij het testen van de volgens Charpy V-Notch vereiste botsenergie moet het monster

in ieder geval de grootste van de in tabel 6.1 vermelde, door het materiaal toegestane afmetingen hebben.

3.6.2.5 De tests volgens Charpy V-Notch vinden plaats volgens de procedure

in ASTM A 370-1979, behalve bij monsters die de in tabel 6.1 vermelde afmetingen hebben.

3.6.2.6 Als alternatief voor deze procedure kan gekalmeerd of halfgekalmeerd staal worden

gebruikt, waarvan de specificaties moeten worden verstrekt. De staalsoort en -kwaliteit moeten worden aangegeven overeenkomstig ISO 630:1995, Amd 1:2003.

3.6.2.7 Monsters moeten in de lengterichting worden genomen uit platte, buisvormige of

structurele delen voordat deze voor gebruik in de kantelbeveiliging worden vervormd of gelast. Monsters van buisvormige of structurele delen moeten worden genomen uit het midden van de kant met de grootste afmeting en mogen geen lasnaden bevatten.

Tabel 6.1

Minimale botsenergie volgens Charpy V-Notch

Afmetingen van

het Energie bij Energie bij

monster

  • 30°C - 20°C

mm J Jb)

10 x 10a) 11 27,5

10 x 3,5 6 15

10 x 3 6 15

10 x 2,5a) 5,5 14

(a) Geeft de geprefereerde afmetingen aan. Het monster moet in ieder geval de grootste, door het materiaal toegestane afmetingen hebben.

(b) Bij 20°C is 2,5 maal meer energie vereist dan bij 30°C. Andere factoren die de botsenergiesterkte beïnvloeden, zijn o.m. walsrichting, treksterkte, korreloriëntatie en lassen. Bij het selecteren en gebruikmaken van staal moet met deze factoren rekening worden gehouden.

3.7 [niet van toepassing]

Figuur 6.1

Vrije zone

Figuur 6.1.a Figuur 6.1.b

Zijaanzicht Achteraanzicht

Dwarsdoorsnede door het referentievlak

Bovenaanzicht

1 Referentielijn

2 Stoelindexpunt

3 Referentievlak

Figuur 6.2

Vrije zone bij trekkers met omkeerbare stoel en stuurwiel

 

Opstelling voor het testen van de kantelbeveiliging op een helling van 1/1,5

Figuur 6.5

Gegevens die noodzakelijk zijn om de kanteling te berekenen van een trekker met triaxiaal kantelgedrag

 

 

Figuur 6.9

Achterspoorbreedte (S) en achterbandbreedte (B )

Figuur 6.11

Voorbeeld van de bevestiging van de trekker (botsing aan de achterkant)

2 bevestigingen 2 bevestigingen

stutbalk

Figuur 6.12

Voorbeeld van de bevestiging van de trekker (frontale botsing)

2 bevestigingen 2 bevestigingen

stutbalk

Figuur 6.13

Voorbeeld van de bevestiging van de trekker (zijdelingse botsing)

Figuur 6.14

Voorbeeld van een opstelling voor de verbrijzelingstest van de trekker

kruiskoppelingen

kracht

kracht

Voorbeeld van een apparaat voor het meten van de elastische vervorming

op de KB bevestigde horizontale staaf

op het chassis van de trekker

of op de vloer van de KB bevestigde verticale steun

wrijvingsring

1 - Permanente vervorming

2 - Elastische vervorming

3 - Totale vervorming (permanente + elastische vervorming)

Figuur 6.16

Figuur 6.17

Minimumbreedte van het harde achterprofiel

Overbelastingstest niet noodzakelijk

-

kracht van de statische belasting

berekende basisenergie (zie opmerking 2)

vervorming

Opmerkingen:

kracht van de statische belasting

berekende basisenergie

(zie opmerking 2)

energie verhoogd met 5%

(zie opmerking 3)

vervorming

Opmerkingen:

  • 1. 
    Plaats F

a ten opzichte van 0,95 D'.

  • 2. 
    Overbelastingstest noodzakelijk als F

a > 1,03 F'.

kracht van de statische belasting

berekende basisenergie

(zie opmerking 2)

energie verhoogd met 5%

(zie opmerking 3)

energie verhoogd met 10%

(zie opmerking 4)

energie verhoogd met 15%

(zie opmerking 5)

energie verhoogd met 20%

(zie de opmerkingen 6 en 7)

vervorming

overbelasting

Opmerkingen:

  • 1. 
    Plaats F

a ten opzichte van 0,95 D'.

  • 2. 
    Overbelastingstest noodzakelijk als F

a > 1,03 F'.

  • 3. 
    F

b < 0,97 F', dus is extra overbelasting noodzakelijk.

OE 87/402/EEG

L1 89/681/EEG art. 1, punt 2

BIJLAGE III

MODEL

RAPPORT INZAKE EG-TYPEGOEDKEURINGSPROEVEN VOOR ONDERDELEN

VAN EEN KANTELBEVEILIGING (AAN DE VOORZIJDE GEMONTEERDE

BOOG) VOOR WAT BETREFT DE STERKTE DAARVAN ALSMEDE DE

STERKTE VAN DE BEVESTIGING DAARVAN OP DE TREKKER

EG-goedkeuring voor onderdelen nr.: EG-goedkeuring voor onderdelen nr.: EG-goedkeuring voor onderdelen nr.:

 

L1(1)

_________________

BIJLAGE IV

MERKEN

Het EG-typegoedkeuringsmerk voor onderdelen bestaat uit:

OE 2000/22/EG art. 1 en bijlage,

punt 4 (aangepast)

L1 toetredingsakte van 2003

art. 20 en bijlage II, punt 1 A, 31, blz. 62

L2 2006/96/EG, art. 1 en bijlage,

deel A, punt 30

  • een rechthoek waarbinnen de letter «e» is geplaatst, gevolgd door het kengetal van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend:

1 voor Duitsland, 2 voor Frankrijk, 3 voor Italië, 4 voor Nederland, 5 voor Zweden,

6 voor België,

L1 7 voor Hongarije, 8 voor Tsjechië, 9 voor Spanje, 11 voor het

Verenigd Koninkrijk, 12 voor Oostenrijk, 13 voor Luxemburg, 17 voor Finland,

18 voor Denemarken,

L2 19 voor Roemenië, L

1 20 voor Polen, 21 voor

Portugal, 23 voor Griekenland, 24 voor Ierland, L

1 26 voor Slovenië, 27 voor

Slowakije, 29 voor Estland, 32 voor Letland, L

2 34 voor Bulgarije, 36 voor

Litouwen, 49 voor Cyprus, 50 voor Malta ;

OE 87/402/EEG (aangepast)

  • en uit een EG-typegoedkeuringsnummer voor onderdelen, op een willekeurige plaats onder en in de nabijheid van de rechthoek, en overeenkomend met het nummer van het EG-typegoedkeuringsformulier voor onderdelen dat is opgemaakt inzake de sterkte van het type kantelbeveiliging en de bevestiging daarvan aan de trekker;

VOORBEELD VAN EEN EG-TYPEGOEDKEURINGSMERK VOOR ONDERDELEN

Verklaring: De kantelbeveiliging die van bovenstaand EG-goedkeuringsmerk voor onder- delen is voorzien, is een dynamisch beproefde van het beugeltype met twee aan de voorzijde bevestigde stijlen, bestemd voor een smalspoortrekker (V2), waarvoor in België (e6) de EG-goedkeuring voor onderdelen is verleend onder nummer 43.

__________________

BIJLAGE V

MODEL EG-GOEDKEURINGSFORMULIER VOOR ONDERDELEN

Naam van de bevoegde instantie

Mededeling inzake de verlening, weigering, intrekking of uitbreiding van de EG-typedoedkeuring voor onderdelen met betrekking tot de sterkte van een kantelbeveiliging (aan de voorzijde bevestigde beugel) en tot de sterkte van de bevestiging daarvan aan de trekker

EG-typegoedkeuring voor onderdelen: ...................................................................................................................... ...............................................................................................................................................................

uitbreiding(1)

  • 1. 
    Fabrieks- of handelsmerk van de kantelbeveiliging: ............................................................................... ..................................................................................................................................................................
  • 2. 
    Naam en adres van de fabrikant van de kante1bevei1iging: ................................................................... ..................................................................................................................................................................
  • 3. 
    Eventueel naam en adres van de gevolmachtigde van de fabrikant van de kante1bevei1iging: .......... .................................................................................................................................................................. ..................................................................................................................................................................
  • 4. 
    Fabrieks- of handelsmerk en type van de trekker waarvoor de kantelbeveiliging is bestemd: ............... .................................................................................................................................................................. ..................................................................................................................................................................
  • 5. 
    Uitbreiding van de EG-typegoedkeuring voor onderdelen tot het (de) volgende trekkertype(n): .......... ..................................................................................................................................................................

5.1. De in punt 2.1 van model A van bijlage I bij Richtlijn 2003/37/EG bedoelde massa van de

onbelaste trekker is meer/niet meer(2) dan 5 % groter dan de bij de proef gebruikte referentiemassa.

5.2. De bevestigingsmethode en de montagepunten zijn/zijn niet(2) identiek.

  • 13. 
    Bij dit formulier zijn de volgende documenten met bovenstaand EG-typegoedkeuringsnummer voor onderdelen gevoegd (bij voorbeeld beproevingsrapport): ......................................................................
  • 14. 
    Eventuele opmerkingen: .........................................................................................................................
  • 15. 
    Handtekening: .........................................................................................................................................

(1) Geef eventueel aan of dit de eerste, tweede enz. uitbreiding van de oorspronkelijke EG-typegoedkeuring voor onderdelen.

(2) Doorhalen wat niet van toepassing is.

_____________

BIJLAGE VI

VOORWAARDEN VOOR EG-TYPEGOEDKEURING

  • 1. 
    De aanvraag om EG-typegoedkeuring van een trekkertype met betrekking tot de sterkte van de kantelbeveiliging en van de bevestiging daarvan op de trekker wordt ingediend door de fabrikant van de trekker of door diens gevolmachtigde.
  • 2. 
    Een trekker die representatief is voor het type dat moet worden goedgekeurd en waarop een kantelbeveiliging is gemonteerd die met de bevestiging daarvan als onderdeel is goedgekeurd, moet ter beschikking worden gesteld van de technische dienst die met de uitvoering van de EG-goedkeuringsproeven is belast.
  • 3. 
    De met de EG-goedkeuringsproeven belaste technische dienst controleert of het als onderdeel goedgekeurde type kantelbeveiliging is bestemd om te worden gemonteerd op het trekkertype waarvoor de EG-goedkeuring wordt aangevraagd. Deze dienst controleert met name of de bevestiging van de kantelbeveiliging overeenstemt met die welke bij de EG-typegoedkeuring voor onderdelen is gekeurd.
  • 4. 
    De houder van de EG-typegoedkeuring kan verzoeken deze tot andere typen kantelbeveiligingen uit te breiden.
  • 5. 
    De bevoegde instanties verlenen de gevraagde uitbreiding op de volgende

voorwaarden:

5.1. voor het nieuwe type kantelbeveiliging en de bevestiging daarvan op de trekker moet een EG-typegoedkeuring voor onderdelen zijn verleend;

5.2. het nieuwe type moet zijn ontworpen om te worden gemonteerd op het trekkertype waarvoor de uitbreiding van de EG-typegoedkeuring wordt aangevraagd;

5.3. de bevestiging van de kantelbeveiliging op de trekker moet overeenstemmen met die welke bij verlening van de EG-typegoedkeuring voor onderdelen is gekeurd.

BIJLAGE VII

MODEL

Naam van de bevoegde officiële

instantie

BIJLAGE BIJ HET EG-TYPEGOEDKEURINGSFORMULIER VOOR EEN TREKKERTYPE VOOR WAT

BETREFT DE STERKTE VAN DE KANTELBEVEILIGINGEN (AAN DE VOORZUDE GEMONTEERDE

BOOG) EN VAN DE BEVESTIGING DAARVAN OP DE TREKKER

(Artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad)

EG-typegoedkeuring nr.: ............................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................... uitbreiding

(1)

  • 1. 
    Fabrieks- of handelsmerk van de trekker: ............................................................................................... ..................................................................................................................................................................
  • 2. 
    Type trekker: ...........................................................................................................................................
  • 3. 
    Naam en adres van de fabrikant van de trekker: ..................................................................................... ..................................................................................................................................................................
  • 4. 
    Eventueel naam en adres van de gevolmachtigde: .................................................................................. ..................................................................................................................................................................
  • 5. 
    Fabrieks- of handelsmerk van de kantelbeveiliging: ............................................................................... ..................................................................................................................................................................
  • 6. 
    Uitbreiding van de EG-typegoedkeuring voor het (de) volgende: .......................................................... ..................................................................................................................................................................
  • 7. 
    Trekker aangeboden ter EG-typegoedkeuring op: .................................................................................. ..................................................................................................................................................................
  • 13. 
    Plaats: ......................................................................................................................................................
  • 14. 
    Datum: .....................................................................................................................................................
  • 15. 
    Handtekening: .........................................................................................................................................

(1) Geef eventueel aan, of dit de eerste, tweede enz. uitbreiding is van de oorspronkelijke EG-typegoedkeuring.

(2) Doorhalen wat niet van toepassing is.

________________

Ø

BIJLAGE VIII

Deel A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 13)

Richtlijn 87/402/EEG van de Raad (PB L 220 van 8.8.1987, blz. 1)

Richtlijn 89/681/EEG van de Raad (PB L 398 van 30.12.1989, blz. 27)

Punt XI.C.II.6 van bijlage I bij de Toetredingsakte van 1994 (PB C 241 van 29.8.1994, blz. 205)

Richtlijn 2000/22/EG van de Commissie (PB L 107 van 4.5.2000, blz. 26)

Punt I.A.31 van bijlage II bij de Toetredingsakte van 2003 (PB L 236 van 23.9.2003, blz. 53)

Richtlijn 2005/67/EG van de Commissie (PB L 273 van 19.10.2005, blz. 17) Uitsluitend artikel 3 en bijlage III

Richtlijn 2006/96/EG van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 81) Uitsluitend wat de verwijzing naar Richtlijn 87/402/EEG in artikel 1 en punt A.30 van de bijlage betreft

Deel B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing

(bedoeld in artikel 13)

Richtlijn Omzettingstermijn

87/402/EEG 26 juni 1989

86/681/EEG 3 januari 1991

2000/22/EG 30 juni 2001(*)

2005/67/EG 31 december 2005

2006/96/EG 1 januari 2007

2010/22/EU 30 april 2011 1 mei 2011

_______________________________

(*) Overeenkomstig artikel 2 van Richtlijn 2000/22/EG:

,,1. Met ingang van 1 juli 2001 mogen de lidstaten:

  • voor een type trekker noch de EG-typegoedkeuring, noch de afgifte van het in artikel 10, lid 1, derde streepje, van Richtlijn 74/150/EEG bedoelde document, noch de nationale typegoedkeuring weigeren,
  • noch het voor de eerste maal in het verkeer brengen van trekkers verbieden,

indien deze trekkers aan de voorschriften van Richtlijn 87/402/EEG, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn beantwoorden.

  • 2. 
    Met ingang van 1 januari 2002 mogen de lidstaten:

BIJLAGE IX

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 87/402/EEG Richtlijn 2000/2 2/EC De onderhavige richtlijn

Artikel 1, aanhef Artikel 1, aanhef

Artikel 1, eerste Artikel 1, onder a)

streepje

Artikel 1, tweede Artikel 1, onder b)

streepje

Artikel 1, derde Artikel 1, onder c)

streepje

Artikelen 2 en 3 Artikelen 2 en 3

Artikel 4, lid 1 Artikel 4, eerste alinea

Artikel 4, lid 2 Artikel 4, tweede en derde alinea

Artikel 5 Artikel 5

Artikel 6, lid 1, eerste zin Artikel 6, lid 1, eerste alinea

Artikel 6, lid 1, tweede zin Artikel 6, lid 1, tweede alinea

tweede streepje

Artikel 2, lid 2 Artikel 8, lid 2

Artikelen 9 tot en met 11 Artikelen 9 tot en met 11

Artikel 12 -

Artikel 13, lid 1 -

Artikel 13, lid 2 Artikel 12

  • Artikelen 13 en 14

Artikel 14 Artikel 15

Bijlagen I en II Bijlagen I en II

Bijlage VI Bijlage III

Bijlage VII Bijlage IV

Bijlage VIII Bijlage V

Bijlage IX Bijlage VI

Bijlage X Bijlage VII

  • Bijlage VIII
  • Bijlage IX

_____________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

27 okt
'10
COM(2010)610 - Vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen


29 jan
'08
COM(2008)25 - Kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (statische proeven)


8 jun
'07
COM(2007)310 - Kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen


22 sep
'06
COM(2006)521 - Aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van vrij verkeer van goederen in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië


16 jan
'02
COM(2002)6 - EG-typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, getrokken verwisselbare uitrustingsstukken, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan


21 nov
'01
COM(2001)645 - Codificatie van het acquis gemeenschappelijke


11 nov
'88
COM(1988)629 - Wijziging van richtlijn 87/402/eeg betreffende voor de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- en bosbouwsmalspoortrekkers op wielen


16 nov
'84
COM(1984)400 - Harmonisatie van nationale wetgeving betreffende voor de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen met twee stijlen voor smalspoortrekkers op wielen voor land- en bosbouw


 
publicatiedatum 22-11-2010
kenmerk 16787/10

Inhoud