-
19-05Rapid Expert Assistance and Co-operation for Conflict Prevention Operations, Crisis Management and Post-Conflict Rehabilitation (REACT Course) - Secretariat - Training Section
-
20-05Parlementaire Commissie vergadering: Veiligheid en defensie, Straatsburg
-
21-05Politiek en Veiligheidscomité, Brussel
-
21-05Raadswerkgroep van het Militair Comite / Raadswerkgroep van het Militair Comite: "Headline Goals Task Force", Brussel
-
21-05Politiek en Veiligheidscomité, Brussel
-
23-05Militair Comité van de Europese Unie working group, Brussel
-
23-05Raadswerkgroep Nicolaidis, Brussel
-
23-05Raadswerkgroep van het Militair Comite: "Headline Goals Task Force", Brussel
-
23-05Militair Comité van de Europese Unie working group, Brussel
-
23-05Politiek-militaire Groep van de Raad van de Europese Unie, Brussel
-
24-05Onthulling VissersNamenMonument in Scheveningen
-
24-05Politiek en Veiligheidscomité, Brussel
-
24-05Politiek en Veiligheidscomité, Brussel
Defensiebeleid - Hoofdinhoud
De Europese Unie is al enkele jaren bezig om een samenhangend defensiebeleid op te stellen. Vroeger ging het bij defensie vooral om de verdediging van het eigen land tegen een aanvaller. Dit veranderde sinds het einde van de Koude Oorlog. Tegenwoordig zijn militaire operaties vaker bedoeld om vrede te bewaren, of om te helpen bij de opbouw van een land dat is verwoest door een oorlog of door interne conflicten. Door deze veranderingen is het defensiebeleid in Europa steeds in ontwikkeling.
De Europese Unie heeft geen gemeenschappelijk leger. De militaire verdediging van veel lidstaten van de Europese Unie en enkele kandidaat-lidstaten wordt, behalve door hun eigen nationale leger, gegarandeerd door de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO).
In 2010 hebben de EU-landen ingestemd met een Spaans voorstel over de verdere ontwikkeling van een Europese snelle-interventiemacht. Die moet in geval van humanitaire of andere crisissituaties snel ter plaatse zijn en hulp kunnen verlenen.
In 1947 beloofden Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk om elkaar in geval van aanvallen door Duitsland hulp te bieden. Later sloten ook België, Nederland en Luxemburg zich bij deze afspraak aan. Dit gebeurde in het Verdrag van Brussel. In 1949 werd de NAVO opgericht. Daaraan namen België, Canada, Denemarken, Frankrijk, IJsland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Portugal en het Verenigd Koninkrijk deel. De landen van het Verdrag van Brussel brachten al snel hun leger onder bij de NAVO.
Frankrijk stelde in 1950 voor om een gemeenschappelijke Europese verdediging op te zetten, met een Europees leger. Daarin zouden de nieuwe Duitse troepen volledig moeten opgaan. Dit leidde tot het Verdrag van Parijs van 1952, waarmee de zes lidstaten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) de Europese Defensiegemeenschap (EDG) oprichtten. Het verdrag werd echter niet geratificeerd en de EDG is nooit van de grond gekomen.
Het idee dat de Duitse troepen internationaal gezag moesten hebben bleef bestaan. In 1954 werd hiervoor het NAVO verdrag aangepast door middel van de Akkoorden van Parijs. Het Verdrag van Brussel werd op hetzelfde moment omgezet in de West Europese Unie (WEU). De grondslag van de organisatie bleef die, dat lidstaten elkaar zouden helpen mocht een van hun grondgebieden worden aangevallen. Het militaire mechanisme van de WEU bleef onderdeel van de NAVO, zodat overlap voorkomen werd.
Europees veiligheidsbeleid
In de jaren '80 groeide de behoefte aan een eigen Europees veiligheid- en defensiebeleid. Dit werd verder uitgewerkt in het Verdrag van Maastricht: daarin werd vastgelegd dat de EU bevoegd was op alle gebieden die de veiligheid van de EU betroffen.
De Europese Top van Keulen in juni 1999 markeerde het begin van het Europees Veiligheid- en Defensiebeleid (EVDB). Daar werd besloten de zogenaamde Petersbergtaken, die in 1992 opgesteld waren door de leden van de WEU, onderdeel te maken van het Europese defensiebeleid. De Petersbergtaken bestaan uit de volgende soorten missies.
-
-Humanitaire- en crisis-operaties
-
-Vredesbewarende taken
-
-Taken van strijdkrachten in crisismanagement
Tijdens de Kosovocrisis in 1999 bleek dat de EU wel eensgezind beleid kon maken, maar geen mogelijkheden had het militaire conflict tegen te houden. Hierop werd een initiatief door Groot-Brittannië en Frankrijk ingediend voor een Europese interventiemacht. De Raad keurde dit goed en besloot dat er vanaf 2003 60.000 soldaten binnen 60 dagen beschikbaar moesten zijn.
Huidige Situatie
Europese Unie
De Europese Unie is sinds enkele jaren bezig om opnieuw een samenhangend defensiebeleid op te stellen. Sinds mei 2002 komen de ministers van defensie uit alle EU-lidstaten enkele keren per jaar bijeen om over dit gemeenschappelijke beleid te vergaderen. In december 2002 kreeg de discussie over Europese strijdkrachten een impuls door de werkzaamheden van Werkgroep VIII 'Defensie' van de Europese Conventie.
Met het in werking treden van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) vervangen door het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB). De voornaamste vernieuwingen hiervan zijn dat het GVDB zich dient te richten op een geleidelijk totstand brengen van een gemeenschappelijke Europese defensie.
Tevens zijn er drie nieuwe soorten mogelijke missies toegevoegd, waarmee het aantal soorten missies op zes komt (nieuwe taken zijn vetgedrukt):
-
-Humanitaire en evacuatiemissies
-
-Missies met het oog op conflictpreventie en vredeshandhaving
-
-Crisisbeheersingsmissies van strijdkrachten
-
-Gezamenlijke ontwapeningsacties
-
-Advies en bijstand op militair gebied
-
-Stabiliseringoperaties na afloop van conflicten
Sinds 2007 heeft de Europese Unie de 'battle groups' ingesteld. Dit zijn internationale interventieteams, die binnen tien dagen overal ter wereld ingezet moeten kunnen worden. Een gemiddelde 'battle group' heeft een grootte van 1500-2000 soldaten. Nederland heeft 600 militairen beschikbaar gesteld voor een battle group, samen met Finland en Duitsland. Daarnaast is er nog een groep waarin België en Frankrijk deelnemen.
Ook wordt er sinds 2007 meer samengewerkt bij het ontwikkelen van nieuwe wapentechnologieën. De defensie-industrie valt buiten de regels van de interne markt. Ook in dit voorstel dragen de landen geen bevoegdheden over aan Brussel. Toch wil men nauwer samenwerken. De efficiëntie de Europese militaire uitgaven is namelijk lang niet zo hoog als de efficiëntie bij het Amerikaanse leger.
Daarnaast tekenden eind 2007 enkele EU-landen, waaronder Nederland, een verdrag waardoor eenheden van de militaire politie uit die landen samen operaties kunnen uitvoeren. Het gaat om eenheden uit Nederland, Frankrijk, Italië, Spanje en Portugal. De eenheden zullen opereren onder de naam European Gendarmerie Force (EGF). Sinds december 2008 maakt ook Roemenië deel uit van de EGF. De eerste missie heeft van 2007 tot en met oktober 2010 plaatsgevonden in Bosnië-Herzegovina.
NAVO
De Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO) is sinds 1949 het belangrijkste bondgenootschap dat zorgt voor vrede en veiligheid in West-Europa. Het regelt de wederzijdse verdediging en samenwerking van de legers van de leden. Naast de Europese landen maken de Verenigde Staten, Canada en Turkije deel uit van de NAVO. Sinds 1996 werd er gewerkt aan de ontwikkeling van een Europese pijler binnen de NAVO. Met NAVO-kennis moet de slagkracht van de Europese defensie sterk verbeterd worden. Hierdoor werd het voortbestaan van de West-Europese Unie (WEU) minder relevant. Deze organisatie heeft de meeste taken in 2001 overgeheveld naar de Europese Unie en is in 2011 opgeheven.
OVSE
De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) probeert vooral door diplomatieke middelen conflicten te voorkomen of te beperken. Na een conflict biedt de OVSE hulp bij de (weder)opbouw van democratie en rechtsorde. Ook leidt de OVSE de onderhandelingen over ontwapening en wapenbeheersing.
De organisatie werkt ook aan het tegengaan van de verspreiding van wapens, in het bijzonder kernwapens (non-proliferatie). Daarnaast houdt zich bezig met economische aspecten van de veiligheid. Voor het beheersen en oplossen van conflicten vestigt de OVSE kantoren in de betrokken crisisgebieden.
Lees meer
Bron |
Taal |
Soort Informatie |
|---|---|---|
NAVO |
EN |
|
OVSE |
EN |
|
Europese Unie |
NL |
Bij de besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad, de Europese Raad en de Hoge Vertegenwoordiger van het Buitenlands en Veiligheidsbeleid (Catherine Ashton) een rol.
Initiatief voor nieuw beleid: Raad
Voor voorstellen van algemene richtsnoeren geldt dat de Raad Buitenlandse Zaken deze opstelt. Vertegenwoordiger voor Nederland in deze Raad is:
Initiatief voor nieuw beleid: lidstaat of Hoge vertegenwoordiger
Voor voorstellen voor de uitvoering van het defensiebeleid geldt dat een van de lidstaten van de Europese Unie of de Hoge vertegenwoordiger voor het buitenlands en veiligheidsbeleid deze opstelt. De Hoge Vertegenwoordiger is:
Invloed nationale parlementen
Nationale parlementen van de lidstaten kunnen binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden i.
Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:
Besluitvorming door de Europese Raad
Voor het vaststellen van algemene richtsnoeren geldt dat de Europese Raad besluit met eenparigheid van stemmen.
Vertegenwoordiger van Nederland in de Europese Raad is:
Besluitvorming door de Raad
Voor voorstellen voor de inzet van missies of besluiten op specifieke onderwerpen geldt dat de Raad besluit met eenparigheid van stemmen.
Voor het Europees Parlement beoordeelt de subcommissie veiligheid en defensie de voorstellen van de Europese Commissie, Hoge vertegenwoordiger en Raad, en de eventuele aanvullingen van de Raad. Voor Nederland is de volgende Nederlandse Europarlementariër lid:
Overeenstemming in de Raad van de Europese Unie sluit de procedure af. Als het voorstel door de Raad is goedgekeurd, zorgt de Nederlandse regering ervoor dat het voorstel nationaal wordt uitgevoerd.
Uitvoering van beleid: gespecialiseerde organisaties op defensiebeleid
Het Politiek en Veiligheidscomité (PSC)
Het PSC ziet toe op de uitvoering van het beleid. Tijdens crisisbeheersingsoperaties is het PSC belast met de politieke controle en de strategische leiding daarvan.
Het EU Militair Comité (EUMC) en de EU Militaire Staf (EUMS)
Indien de crisisbeheersing een militaire operatie is, ligt de planning ervan in handen van de bevelhebber van de operatie en de militaire staf van de operatie onder gezag van het Militair Comité van de Europese Unie. Het Comité wordt bijgestaan door de Militaire Staf van de Europese Unie. Wanneer er gebruik wordt gemaakt van de middelen en vermogens van de NAVO wordt de planning verzorgd door de structuren van de NAVO.
Het Comité voor Civiele Aspecten van Crisisbeheersing (CIVCOM)
Bij crisisbeheersing kunnen belangrijke civiele aspecten aan de orde zijn. In dit verband hebben EU-lidstaten zich er op basis van vrijwilligheid toe verbonden politiefunctionarissen beschikbaar te kunnen stellen. Er zijn bijvoorbeeld missies gestuurd naar de Bosnië-Herzegovina en de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië.
Relatie met andere samenwerkingsverbanden
NAVO
Het defensiebeleid van de Europese Unie doet geen afbreuk aan de verplichtingen die lidstaten van de Europese Unie zijn aangegaan in NAVO-verband. In de NAVO worden, afhankelijk van het niveau waarop, besluiten genomen door de ambassadeurs van de lidstaten bij de NAVO, door de ministers van Buitenlandse Zaken, of door de staatshoofden en regeringsleiders. Besluiten worden genomen met eenparigheid van stemmen. De dagelijkse leiding van de NAVO berust bij de secretaris-generaal:
OVSE
De ministers van Buitenlandse Zaken van de landen die lid zijn van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) komen eens per jaar bijeen. In het kader van de OVSE worden slechts politieke afspraken gemaakt, waarvan het aan de betrokken lidstaten zelf is om ze uit te voeren.
Het defensiebeleid vindt haar juridische basis in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Samenwerking op het gebied van bewapening en onderzoek is echter een beleidsmatige keuze; het is geen doel gesteld in de verdragen.
Hot issues
Dossier Clingendael
Europese Unie
Activiteitendossier
Factsheet Europees Parlement
Betrokken instanties
Statistiek
Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO)
Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa
Verenigde Naties
West-Europese Unie