Gewone wetgevingsprocedure (was medebeslissingsprocedure) (COD) - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut

bij Gewone wetgevingsprocedure (was ...

RSS

De gewone wetgevingsprocedure is een wetgevingsprocedure waarbij het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk beslissen. Deze procedure heette vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (1 december 2009) medebeslissingsprocedure of codecisieprocedure.

De gewone wetgevingsprocedure voorziet in twee opeenvolgende lezingen van een voorstel van de Europese Commissie door het Parlement en de Raad van de Europese Unie. Als de twee medewetgevers het blijvend oneens zijn, wordt een bemiddelingscomité opgericht met vertegenwoordigers van de Raad en het Parlement, die worden bijgestaan door de Commissie om tot overeenstemming te komen. Deze overeenkomst wordt in derde lezing voorgelegd aan het Parlement en de Raad met het oog op de uiteindelijke goedkeuring.

Als de bemiddeling mislukt, is het de Raad verboden om het gemeenschappelijke standpunt te bekrachtigen. Daarmee wordt de druk verhoogd om in de bemiddelingsprocedure tot een akkoord te komen, aangezien anders het wetgevingsproces mislukt.

1.

Schema

2.

Verloop gewone wetgevingsprocedure

De gewone wetgevingsprocedure verloopt, vereenvoudigd voorgesteld, in de volgende fasen.

Eerste lezing: het uitgangspunt is een voorstel van de Commissie, dat aan de Raad en het EP alsmede eventueel aan de te raadplegen commissies wordt toegezonden. Het EP behandelt dit voorstel in eerste lezing en brengt advies uit aan de Raad. In deze fase krijgen ook het ESC alsmede het CvdR gelegenheid om advies uit te brengen.

Wanneer het EP geen amendementen op het voorstel van de Commissie aanbrengt of de Raad alle door het EP voorgestelde amendementen overneemt, kan de Raad het besluit reeds in dit stadium van de procedure uitvaardigen. Anders wordt de tweede lezing in het EP voorbereid.

Tweede lezing: de Raad stelt met een gekwalificeerde meerderheid op basis van het voorstel van de Commissie, het advies van het EP en de commissies alsmede zijn eigen zienswijze een gemeenschappelijk standpunt vast. Het gemeenschappelijk standpunt wordt in het EP in tweede lezing behandeld. Het EP beschikt vervolgens binnen een termijn van drie maanden over drie mogelijkheden.

Indien het EP het gemeenschappelijk standpunt van de Raad goedkeurt of zich binnen drie maanden niet uitspreekt, dan geldt het betreffende besluit overeenkomstig het gemeenschappelijke standpunt als uitgevaardigd.

Indien het EP het gemeenschappelijke standpunt globaal verwerpt (hetgeen alleen met de volstrekte meerderheid van de leden van het EP mogelijk is), is de wetgevingsprocedure beëindigd. De vroegere mogelijkheid voor de Raad om in dit geval een beroep te doen op het Bemiddelingscomité, is afgeschaft.

Indien het EP amendementen aanbrengt op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, treedt de volgende procedure in werking.

Allereerst heeft de Raad de mogelijkheid het door het EP gewijzigde gemeenschappelijk standpunt aan te nemen, hij moet dan echter wel alle amendementswensen van het EP overnemen. Verwerpt de Raad daarentegen afzonderlijke amendementen of ontbreekt voor het overnemen ervan de vereiste meerderheid (bv. eenparigheid van stemmen wanneer de Commissie met betrekking tot de amendementsvoorstellen van het EP een afkeurend advies heeft gegeven), dan moet de voorzitter van de Raad met goedvinden van de voorzitter van het EP binnen zes weken het Bemiddelingscomité bijeenroepen, dat uit elk vijftien gelijkwaardige vertegenwoordigers van de Raad en het EP is samengesteld. Onderwerp van de bemiddelingsprocedure is het gemeenschappelijk standpunt van de Raad op basis van de door het EP voorgestelde amendementen. Doel van de bemiddelingsprocedure is tot een solide compromis te komen dat zowel in de Raad als in het EP de vereiste meerderheid vindt.

Derde lezing: wanneer het Bemiddelingscomité een gemeenschappelijk ontwerp van het uit te vaardigen besluit goedkeurt, moeten Raad en EP het resultaat in derde lezing binnen een termijn van zes weken bekrachtigen. Ongeacht het standpunt van de Commissie ten aanzien van het compromisontwerp, is in de Raad een gekwalificeerde meerderheid voldoende (mits het Verdrag voor het besluit in eenparigheid van stemmen voorziet). Het EP besluit met de volstrekte meerderheid van de afgegeven stemmen. Het betreffende besluit geldt als door EP en Raad uitgevaardigd, hetgeen ook in de titel ervan duidelijk kenbaar wordt gemaakt (bv. verordening van het EP en van de Raad).

Wanneer de bemiddelingsprocedure mislukt, geldt het voorgestelde besluit als niet aangenomen. De wetgevingsprocedure is daarmee beëindigd. Het mislukken heeft daarmee dezelfde consequenties als de verwerping van het al dan niet geamendeerde gemeenschappelijk standpunt door Raad of EP in de tweede lezing. Met deze regeling is de mogelijkheid voor de Raad, zoals die vóór het Verdrag van Amsterdam bestond, afgeschaft om na een vergeefse bemiddelingsprocedure zijn gemeenschappelijk standpunt te bekrachtigen, waarna het EP het besluit alleen door een met de volstrekte meerderheid van zijn leden te treffen afkeurend besluit kon tegenhouden.

De gewone wetgevingsprocedure betekent voor het EP zowel een uitdaging als een kans. Weliswaar impliceert een succesvol functioneren van deze procedure dat er binnen het Bemiddelingscomité sprake is van eensgezindheid, maar desondanks bevat het de eerste aanzet tot een fundamentele verandering in de verhoudingen tussen EP en Raad. Voor het eerst is er tussen de beide organen in de wetgeving sprake van gelijkwaardigheid. Het is nu aan het EP en aan de Raad om te bewijzen dat zij in staat te zijn tot politieke compromissen en dat zij het in het Bemiddelingscomité naar de mate van het mogelijke eens kunnen worden over een gemeenschappelijk ontwerp.

3.

Toepassing

In de wetgevingspraktijk is de gewone wetgevingsprocedure is de met afstand belangrijkste procedure geworden. De toepassingsgebieden zijn gedefinieerd in de verdragen van Maastricht (1992), Amsterdam (1997) en Lissabon:

Bescherming van fundamentele waarden van de Unie

  • regelingen betreffende het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit (artikel 12 van het EG-Verdrag),
  • bepalingen ter vergemakkelijking van de uitoefening van het verblijfsrecht (artikel 18, lid 2, van het EG-Verdrag),
  • maatregelen ter verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers (artikel 40 van het EG-Verdrag),
  • maatregelen welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het recht van het vrije verkeer van werknemers (artikel 42 van het EG-Verdrag),
  • richtlijnen ter verwezenlijking van het recht van vestiging (artikel 44, lid 2, en artikel 47, lid 1, van het EG-Verdrag),
  • verwezenlijking van het vrij verrichten van diensten (artikel 55 van het EG-Verdrag),
  • sociaal beleid, met inbegrip van maatregelen voor de totstandbrenging van gelijke behandeling van mannen en vrouwen (artikelen 137, 141 en 148 van het EG-Verdrag),

Verkeer en infrastructuur

  • vervoersbeleid (artikel 71, lid 1, en artikel 80 van het EG-Verdrag),
  • richtsnoeren en projecten van gemeenschappelijk belang bij de verwezenlijking van de trans-Europese netwerken (artikel 156 van het EG-Verdrag),

Economie

  • totstandbrenging van de interne markt (artikel 95 van het EG-Verdrag),
  • industrie (artikel 95 van het EG-Verdrag),
  • economische en sociale samenhang (artikel 159 van het EG-verdrag)

Onderwijs, cultuur en wetenschappen

  • stimulerende maatregelen in de sectoren beroeps- en algemene opleiding (artikel 149 en 150 van het EG-Verdrag),
  • cultuur (artikel 151 van het EG-Verdrag)
  • de uitvoering van onderzoeksprogrammas (artikel 172, lid 2, van het EG-Verdrag),

Volksgezondheid en consumentenbescherming

  • volksgezondheid (artikel 152 van het EG-Verdrag),
  • specifieke acties voor consumentenbescherming (artikel 153 van het EG-Verdrag),

Regiobeleid

  • het regionaal fonds (artikel 162 van het EG-Verdrag),

Milieu

  • het nastreven van de in artikel 174 van het EG-Verdrag genoemde doelstellingen ter bescherming van het milieu (artikel 175, lid 1, van het EG-Verdrag) en
  • de uitvoering van milieuactieprogrammas (artikel 175, lid 3, van het EG-Verdrag),

Buitenlands beleid

  • maatregelen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking (artikel 179 van het EG-Verdrag),

Europa

  • vaststelling van algemene grondbeginselen voor de toegang tot documenten (algemene grondbeginselen van de transparantie, artikel 280 van het EG-Verdrag),
  • maatregelen voor het opstellen van statistieken (artikel 285 van het EG-Verdrag)
  • de instelling van een onafhankelijk controleorgaan voor de bewaking van de bescherming van de burger tegen misbruik van door de overheid of anderen verzamelde persoonlijke gegevens (artikel 286 van het EG-Verdrag).

4.

Meer informatie

 
 
 
Documentatiecentrum voor Nederlandse Politieke Partijen, verbonden aan de Rijksuniversiteit GroningenFaculteit der Rechtsgeleerdheid, Capaciteitsgroep Publiekrecht van de Universiteit van MaastrichtCampus Den Haag Universiteit LeidenCentrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit NijmegenParlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden
  • Contact
  • Home