Cotonou-overeenkomst - Hoofdinhoud
De Overeenkomst van Cotonou, kortweg "Cotonou", is een verdrag uit 2000 tussen de Europese Unie en de ACS-landen. Cotonou geeft de partners een institutioneel kader voor veel ontwikkelingshulp, de handelsbetrekkingen, en politieke zaken.
Speerpunten in Cotonou zijn armoedebestrijding en de integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie. De armoedebestrijding richt zich in het bijzonder op onderwijs, gezondheidzorg en jeugdbeleid. Voor versterking van de positie van de ACS-landen in de wereldeconomie staat het stimuleren van de handel centraal.
Daarvoor moeten de preferentiële handelsvoorwaarden voor de ACS-landen met betrekking tot hun toegang tot de Europese markt wel worden aangepast aan de geldende multilaterale regels (o.a. met die van de WTO). Vandaar dat parallel aan Cotonou de Europese Unie bezig is met het sluiten van economische partnerschapsovereenkomsten met elk van de ACS-landen.
De voorloper van de Overeenkomst van Cotonou is de Overkomst van Lomé. Die overeenkomst werd getekend door de toenmalige negen leden van de Europese Gemeenschap en de ACS-landen op 1 februari 1975 in de hoofdstad van Togo, Lomé. Het was een akkoord over een handelsregeling, een regeling over de exportinkomsten van de ACS-landen en een financiële en technische regeling tussen beide partijen.
Het budget in het kader van Cotonou voor de periode 2008-2013 is 22,7 miljard euro (tegen ongeveer 13,5 miljard voor de huidige periode). Het geld wordt uitgegeven via het Europees Ontwikkelingsfonds, en nog 2 miljard euro door de Europese Investeringsbank.
De directe hulp van de Europese Unie moet aan bepaalde voorwaarden voldoen om de effectiviteit van die hulp te garanderen. De verantwoordelijkheid om aan die voorwaarden te voldoen ligt vooral bij de ACS-landen zelf. Ze dienen corruptie tegen te gaan; niet alleen het misbruik van EU-gelden maar corruptie als breder maatschappelijk fenomeen. De aanpak daarvan past in een bredere ontwikkeling die moet leiden tot verbetering van het investeringsklimaat, de ontwikkeling van de private sector, en de decentralisering van overheidstaken. Behalve op overheden is Cotonou ook nadrukkelijk gericht op de participatie van maatschappelijke organisaties en particulieren.
Daarnaast zijn in het kader van Cotonou ook afspraken gemaakt over het tegengaan van , conflictpreventie en hulp bij vredesopbouw, duurzaam omgaan met natuurlijke hulpbronnen, terrorismebestrijding, verdere maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van het openbaar bestuur en het Internationaal Strafhof. In het geval van schendingen van de mensenrechten zijn er bepalingen dat 'passende maatregelen' genomen kunnen worden om een land onder druk te zetten. Deze mogelijkheid is bijvoorbeeld in 2001 bij onrust in Fiji en Ivoorkust toegepast.
Het budget in het kader van Cotonou voor de periode 2008-2013 bedraagt 22,7 miljard euro (tegen ongeveer 13,5 miljard voor de huidige periode). Het geld wordt uitgegeven via het Europees Ontwikkelingsfonds, en nog 2 miljard euro door de Europese Investeringsbank.
De Overeenkomst van Cotonou is de laatste in een serie verdragen tussen de ACS-landen en de Europese Unie. Het begon in 1964 met een verdrag gesloten in Yaoundé. Dit verdrag werd gevolgd door Lomé I, II, III en IV. Sinds Lomé IV zijn mensenrechten in het verdrag zelf opgenomen. Cotonou is getekend in 2000 en in werking getreden in mei 2003. De Overeenkomst heeft een looptijd van 20 jaar. Iedere vijf jaar kan de Overeenkomst herzien worden. In 2005 gebeurde dat voor het eerst en in 2010 werd een verdrag gesloten over een tweede wijziging.
Bijna alle landen van subsahara Afrika, het Caraïbisch gebied en de Stille Oceaan hebben Cotonou getekend. Opvallende uitzondering is Cuba, dat om politieke redenen weigert toe te treden tot het verdrag.