Stabiliteits- en groeipact - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

bij Stabiliteits- en groeipact

In het Stabiliteits- en groeipact spreken de landen die lid zijn van de Europese Unie af dat hun begrotingen in evenwicht zijn of een overschot hebben. Dat betekent dat de regeringen niet meer geld uitgeven dan dat ze ontvangen. Dat doel hoeft nog niet meteen bereikt te worden, maar de EU-landen moeten er wel naartoe werken. De afspraken zijn gemaakt in 1997.

De eisen van het Stabiliteits- en groeipact zijn:

Tijdens de eurotop van 26 oktober 2011 werd afgesproken dat alle lidstaten van de eurozone de regels van het Stabiliteits- en groeipact over een structureel sluitende begroting in hun nationale grondwet moeten vastleggen. 

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Werking van het Pact

In het pact verbinden de lidstaten zich ertoe om op de middellange termijn te streven naar begrotingen die in evenwicht zijn of een overschot vertonen. Dit geldt zowel voor de deelnemers als de niet-deelnemers aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie

De deelnemende landen moeten hiertoe stabiliteitsprogramma’s indienen, de niet-deelnemende landen dienen convergentieprogramma’s in. In deze jaarlijks te actualiseren programma’s stippelen de landen het pad uit dat zij volgen om op de middellange termijn een begroting in evenwicht te realiseren. De Europese Commissie evalueert de programma’s en formuleert aanbevelingen, waarna de Raad een aanbeveling uitbrengt.

De resolutie van de Europese Raad tot instelling van het Stabiliteits- en groeipact werd aangenomen op 17 juni 1997 te Amsterdam, gevolgd door twee verordeningen over de praktische uitwerking daarvan op 7 juli 1997. In de verordeningen worden de volgende technische voorwaarden gesteld:

  • toezicht op begrotingssituaties en op de coördinatie van het economisch beleid
  • uitvoering van de procedure bij buitensporige tekorten

Als de Raad vaststelt dat de begrotingssituatie aanzienlijk afwijkt van de middellangetermijndoelstelling, dan richt zij een aanbeveling tot de betrokken lidstaat om een buitensporig tekort te voorkomen. De Raad beveelt de lidstaat bij een aanhoudend slechte begrotingssituatie aan om direct corrigerende maatregelen te treffen en kan deze aanbeveling als drukmiddel openbaar maken. Indien nodig kan de Raad zelfs boetes opleggen.

Als een tekort het stempel 'buitensporig' krijgt opgedrukt, komt de betreffende lidstaat terecht in de procedure bij buitensporige tekorten. Hierin moet het begrotingstekort weer teruggebracht worden tot onder de drie procent. Tijdens deze procedure kunnen ook sancties worden opgelegd. Dit gebeurt niet indien de overschrijding aan de volgende criteria voldoet:

  • Het overmatige tekort is tijdelijk
  • Het is een resultaat van uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld een economische crisis

Eventueel kan een economische neergang van minder dan twee procent ook als uitzonderlijk worden betiteld. Dit kan gebeuren als de lidstaat aantoont dat de neergang of het productieverlies bijzonder abrupt is.

Een voorbeeld van een sanctie op een buitensporig tekort is het in bewaring leggen van een geldbedrag (deposito) bij de Commissie. Dit deposito is 0,2 procent van het BBP. De rente erover wordt verdeeld onder de lidstaten die geen buitensporig tekort hebben. Als twee jaar na oplegging van het deposito het buitensporig tekort naar het oordeel van de Raad niet is gecorrigeerd, wordt het deposito door de Raad in een boete omgezet. Ook deze boete wordt uitgekeerd aan de deelnemende lidstaten die geen buitensporig tekort hebben.

In 2003 ontstond er opschudding toen de Raad besloot geen maatregelen te nemen tegen de tekorten van Duitsland en Frankrijk. Dat was tegen de regels van het Stabiliteits- en groeipact, zoals het Hof van Justitie bepaalde in een zaak die de Commissie tegen de Raad aanspande.

Medio 2005 zijn de regels enigszins aangepast. Zo hebben lidstaten bijvoorbeeld iets langer de tijd om maatregelen te nemen na een aanbeveling, en zijn de definities van economische neergang en 'andere relevante factoren' aangepast. Ook wordt er meer rekening gehouden met structurele hervormingen die op korte termijn negatief uitwerken op de cijfers, maar op de lange termijn een positieve invloed hebben op de duurzaamheid van de publieke financiën.

2.

Eurocrisis zet het Pact op scherp

Mede dankzij de financiële crisis heeft een groot aantal landen in de eurozone te maken met buitensporige tekorten, denk bijvoorbeeld aan Griekenland. Naast de impact van de crisis op het land heeft Griekenland jarenlang gelogen over de hoogte van haar tekorten. Hierdoor liep het tekort op tot ver boven de toegestane drie procent. Griekenland kwam dermate in moeilijkheden dat het heeft moeten aankloppen bij de EU en het IMF voor miljardensteun om zijn financiën de komende jaren op orde te kunnen krijgen. Inmiddels zijn meer landen in de problemen gekomen.

Om in de toekomst situaties zoals die in Griekenland te voorkomen, willen de lidstaten onder andere strengere maatregelen tegen landen die het Stabiliteits- en groeipact niet naleven. Om tot een beter bestuur van de eurozone te komen is daarom een taskforce in het leven geroepen onder voorzitterschap van Europees president Herman van Rompuy.

Six-Pack ter versterking Pact

Om het Stabiliteits- en groeipact te versterken, is op 13 december 2011 het zogeheten 'Six-Pack' in werking getreden. Dit pakket van zes wetgevingsvoorstellen werd door de Europese Commissie op 29 september 2010 voorgesteld om meer controle te verkrijgen over de begrotingen van EU-lidstaten. Een belangrijke stap in dit pakket is de mogelijkheid om lidstaten sancties op te leggen. Deze worden binnen tien dagen automatisch uitgevoerd, tenzij een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten zich tegen de sanctie uitspreekt. De lidstaten moeten zich dan verantwoorden tegenover het Europees Parlement.

Euro-pluspact

In maart 2011 hebben de ministers van Financiën van de zeventien eurolanden overeenstemming bereikt over de invoering van het zogeheten Europact en over de aanpak van eurozondaars. Tijdens de Europese top van eind maart 2011 sloten ook de niet-eurolanden Denemarken, Polen, Letland, Litouwen, Bulgarije en Roemenië zich aan bij het pact, dat vervolgens werd omgedoopt tot het 'Euro-pluspact'.

Begrotingspact

Tijdens een eurotop op 30 januari 2012 werd de Europese Raad het eens over het nieuwe begrotingsverdrag. Het nieuwe verdrag is voor alle landen die de euro als munteenheid voeren verplicht. De andere Europese landen kunnen ervoor kiezen om zich aan het verdrag te binden. Op 1 maart 2012 ondertekenden 25 regeringsleiders het nieuwe verdrag. Dit moet nog geratificeerd worden door de 25 nationale parlementen. Groot-Brittannië en Tsjechië ondertekenden het verdrag niet.

Weer nieuwe plannen

Omdat de financiële markten teleurstellend reageerden op het Six-Pack en het Euro-pluspact, deden Merkel en Sarkozy op 16 augustus 2011 nieuwe voorstellen op het gebied van economisch toezicht. Duidelijk kritiekpunt op deze plannen is dat zij niet veel verschillen van bovenstaande pakketten.

3.

Meer informatie