Submenu:
Agenda-items bij Ministerraad
Ministerraad - Hoofdinhoud
De ministerraad is de vergadering van alle ministers onder leiding van de minister-president. Alle ministers, ook de ministers zonder portefeuille, maken deel uit van de ministerraad en hebben daarin stemrecht. Staatssecretarissen hebben alleen toegang als zij zijn uitgenodigd. In de ministerraad wordt overlegd over het algemeen regeringsbeleid. De leden dragen hiervoor een collectieve verantwoordelijkheid.
Sinds 1983 heeft de ministerraad een plaats in de Grondwet. Heel artikel 45 is aan deze vergadering van ministers gewijd. De werkwijze van de ministerraad is verder geregeld in het Reglement van Orde voor de Ministerraad. In artikel 4 van dit Reglement wordt ook opgesomd waarover de ministerraad beraadslaagt en besluit, zoals wetsvoorstellen, algemene maatregelen van bestuur, verdragen en benoemingen van hoge ambtenaren.
De voorzitter van de ministerraad is de minister-president; de vicepremier(s) is/zijn ondervoorzitter.
De ministerraad vergadert in principe iedere vrijdag. Dat gebeurt meestal in de Trêveszaal van het ministerie van Algemene Zaken aan het Binnenhof, in Den Haag.
Tijdens de voorbereiding van de begroting voor het komende jaar en als er belangrijke actuele zaken zijn, vergadert de raad ook op andere dagen. De besprekingen van de raad zijn niet openbaar en hetgeen besproken wordt, is vertrouwelijk. Wel geeft de minister-president na afloop van de vergadering een persconferentie over de besluiten die genomen zijn. Ook geeft de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) persberichten uit naar aanleiding van wat in de ministerraad is besproken.
Indien nodig kan gestemd worden over een voorstel. In de praktijk komt een stemming echter weinig voor.
De ministerraad telt een aantal onderraden en ministeriële commissies, waarin enkele bewindslieden en topambtenaren de vergaderingen van de ministerraad voorbereiden. Het verschil tussen een onderraad en een commissie is, dat een onderraad een meer blijvend karakter heeft.
De minister-president is voorzitter van de onderraden en commissies. Bij commissies kan de ministerraad besluiten dat iemand anders dan de premier voorzitter is; bij onderraden wordt een coördinerend minister aangewezen.
De volgende onderraden zijn ingesteld:
| Onderraad | Coördinerend minister |
|---|---|
| Raad voor Internationale en Europese Zaken | minister van Buitenlandse Zaken |
| Raad voor Economie, Kennis en Innovatie | minister van Economische Zaken |
| Raad voor Duurzame Leefomgeving | minister van Infrastructuur en Milieubeheer |
| Raad voor Sociale Samenhang | minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid |
| Raad voor Veiligheid en Rechtsorde | minister van Veiligheid en Justitie |
| Raad voor Bestuur, Overheid en Publieke Dienstverlening | minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties |
Daarnaast is er een onderraad voor Koninkrijksrelaties, als onderraad van de Rijksministerraad.
Belangrijk is verder de zogenaamde 'zeshoek', een overleg tussen de belangrijkste ministeries op financieel- en sociaal-economisch gebied. Ministers die hier deel van uitmaken hebben dus meer invloed op en informatie over financieel- en sociaal-economische aangelegenheden dan andere ministers.
De ministerraad wordt ondersteund door de secretaris en de adjunct-secretaris. Zij stellen onder andere de besluitenlijsten en de notulen van de vergaderingen op. Ook de hoofddirecteur van de RVD is aanwezig bij de vergaderingen van de ministerraad.
Het secretariaat van de ministerraad wordt gevoerd door het kabinet van de minister-president. Bij dit kabinet, onderdeel van het ministerie van Algemene Zaken, zijn diverse raadadviseurs werkzaam, die ook het secretariaat voeren van de onderraden en commissies.
De ministerraad zoals wij die nu kennen, is in 1842 ontstaan. Voor die tijd vergaderden de ministers soms wel gezamenlijk, maar dat gebeurde onder voorzitterschap van de koning (Kabintesraad) of van de vicepresident van de Raad van State. In 1823 kwam er een eerste reglement voor de raad. De toenmalige ministerraad had een heel ander karakter dan tegenwoordig, want de ministers waren feitelijk dienaren (of adviseur) van de koning. Bij dergelijke vergaderingen waren ook ministers van Staat (in die tijd te beschouwen als ministers zonder portefeuille) en sommige prinsen aanwezig.
In 1842, na de invoering van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid in 1840, kwam er een nieuw reglement van orde van de ministerraad. Voortaan konden de hoofden van departementen van algemeen bestuur (ministers) gezamenlijk onder (tijdelijk) voorzitterschap van één van de ministers vergaderen. Iedere drie maanden werd een andere voorzitter gekozen. Als secretaris trad de directeur van het Kabinet van de Koningin op.
In het reglement werd vastgelegd dat de ministers gezamenlijk of bij meerderheid adviezen aan de koning konden uitbrengen over wetsvoorstellen, verordeningen en andere onderwerpen vastgelegd. Er werd wekelijks (aanvankelijk op woensdag) een ministerraad gehouden.
Na de Grondwetsherziening van 1848 kwam er per augustus 1850 opnieuw een nieuw reglement van orde. Daarin werd de positie van de ministerraad ten opzichte van de koning verder versterkt. Alle zaken van belang moesten voortaan door de ministerraad worden besproken en de raad kon bindende besluiten nemen. Bij die besluitvorming gold voortaan ook het beginsel van de homogeniteit: een minister kan niet tegen een meerderheidsbesluit ingaan. Hij moet zich of bij het besluit neerleggen of aftreden.
Het principe van de wisselende voorzitter bleef gehandhaafd, maar in de praktijk werd daar soms vanaf geweken (bijvoorbeeld door Thorbecke). Na 1880 was er alleen in naam nog een tijdelijk voorzitterschap. Er kwam nu ook een (tijdelijk) ondervoorzitter. Vanaf 1862 werd bovendien in plaats van de directeur van het Kabinet van de Koning één van de ministers secretaris van de ministerraad.
In 1922 werd het principe van het vaste voorzitterschap vastgelegd in het reglement. In 1945 werd de titel minister-president ingevoerd en kwam er in plaats van een minister een vaste ambtelijke secretaris.