Regering

De regering is het centrale bestuur van ons land en bestaat uit de Koning en de ministers. Omdat de Koning onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk zijn, wordt het kabinet, de ministers en de staatssecretarissen,  in de praktijk ook vaak regering genoemd, bijvoorbeeld de regering-Balkenende. Staatsrechtelijk gezien is dat onjuist.

De Koning zit dus niet in het kabinet, en staatssecretarissen zitten niet in de regering. Een kabinet komt tot stand na een kabinetsformatie. De ministers maken deel uit van de ministerraad, waarvan de minister-president de voorzitter is.

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Huidig kabinet

  • Kabinet-Rutte II (2012-heden) Foto kabinet-Rutte II middelgrootvergrootglas

    Dit kabinet werd door VVD en PvdA gevormd na de verkiezingen van 12 september 2012. Het kabinet bestaat uit 7 ministers van de VVD en 6 ministers van de PvdA. Belangrijkste doelstellingen van het kabinet zijn het op orde brengen van de overheidsfinanciën, het eerlijk verdelen van de lasten en het zorgen voor duurzame groei van de economie. Daartoe worden op diverse terreinen (woningmarkt, arbeidsmarkt, zorg) hervormingen voorgesteld.

2.

Functie en positie

  • Verantwoordelijkheden

    Opvattingen over verantwoordelijkheden van de overheid en hierop aansluitend de regering verschillen tussen personen en ontwikkelen zich in de loop van de tijd. De regering heeft in ieder geval een besturende en handhavende taak. De Grondwet, internationale verdragen en het soort onderwerpen dat in de ministerraad wordt besproken geven een ruwe indicatie wat in de praktijk zoal de verantwoordelijkheden van de regering zijn. Naast een juridische benadering kunnen de verantwoordelijkheden ook in een meer maatschappelijk licht gezien worden.

  • Instrumenten

    De Nederlandse regering beschikt over een breed scala aan instrumenten waarmee getracht wordt invulling te geven aan zijn verantwoordelijkheden. Zo beschikt de regering over wet- en regelgevende bevoegdheden, kan het financiële middelen zoals subsidies en belastingen inzetten en kan het afspraken met andere organisaties of binnenlandse overheden maken.

  • Ministeriële verantwoordelijkheid en vertrouwensregel

    De (politieke) ministeriële verantwoordelijkheid bestaat sinds de Grondwetsherziening onder leiding van Thorbecke in 1848, en houdt in dat ministers gezamenlijk en afzonderlijk verantwoording aan het parlement schuldig zijn voor hun doen en laten bij de vervulling van hun taken. De ministers zijn daarnaast politiek verantwoordelijk voor het optreden van de Koning. De parlementaire controle is in de praktijk ook van toepassing op het doen en laten van staatssecretarissen.

3.

Organisatie

  • Organisatie regering/kabinet

    De regering is het centrale bestuur van ons land en bestaat uit de Koning en de ministers. Omdat de Koning onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk zijn, wordt het kabinet, de ministers en de staatssecretarissen, in de praktijk ook vaak regering genoemd, bijvoorbeeld de regering-Balkenende. Staatsrechtelijk gezien is dat onjuist.

  • Koning

    Nederland is een koninkrijk. Dat betekent dat een Koning het staatshoofd is of eigenlijk: het 'onschendbare deel' van de regering. Het Statuut voor het Koninkrijk bepaalt dat de Kroon van het Koninkrijk wordt gedragen door de erfgenamen van koningin Juliana. Macht heeft de Koning niet. Voor het uitvaardigen van wetten en besluiten zijn de handtekening nodig van zowel de Koning als een minister. De minister(s) zijn verantwoordelijk. De positie van de Koning en de opvolging zijn geregeld in de Grondwet, vandaar dat in Nederland sprake is van een 'constitutionele monarchie'.

  • Minister-president

    De minister-president, ook wel premier, is voorzitter van de ministerraad. Hij coördineert in die functie het regeringsbeleid. Hoewel hij als 'primus inter pares' formeel geen bijzondere macht heeft, heeft hij als 'gezicht' van de regering en lid van de Europese Raad een bijzondere positie. Bij afwezigheid wordt de minister-president vervangen door een (of de) viceminister-president of de oudste minister.

  • Minister

    Ministers zijn politiek verantwoordelijk voor een bepaald beleidsterrein. Met uitzondering van ministers zonder portefeuille geven zij politieke leiding aan een departement. Daarbij kunnen zij terzijde worden gestaan door staatssecretarissen. Een minister, meestal lid van één van de partijen die in de Tweede Kamer het kabinet steunen, moet het vertrouwen van de Tweede Kamer hebben om zijn functie te kunnen vervullen.

  • Ministerraad

    De ministerraad is de vergadering van alle ministers onder leiding van de minister-president. Alle ministers, ook de ministers zonder portefeuille, maken deel uit van de ministerraad en hebben daarin stemrecht. Staatssecretarissen hebben alleen toegang als zij zijn uitgenodigd. In de ministerraad wordt overlegd over het algemeen regeringsbeleid. De leden dragen hiervoor een collectieve verantwoordelijkheid.

  • Staatssecretaris

    Een staatssecretaris staat een minister bij de politieke leiding van een ministerie bij. Staatssecretarissen komen vooral voor bij 'zware' ministeries. Daar krijgen zij een specifiek beleidsterrein onder hun hoede, maar de minister blijft medeverantwoordelijk. Net als de minister moet een staatssecretaris verantwoording afleggen aan het parlement. Staatssecretarissen kunnen sinds 1948 worden benoemd.

4.

Kabinetscrises

  • Kabinetscrises

    Een kabinet kan vanwege een intern conflict of door een conflict met de Tweede Kamer (of Eerste Kamer) ten val komen.

  • de 'Ayaan-crisis'2006

    Op 30 juni 2006 bood minister-president Balkenende het ontslag aan van de bewindslieden van D66 en stelden hij en de overige bewindslieden hun portefeuilles ter beschikking. De D66-bewindslieden stapten op, nadat de D66-fractie een dag eerder het vertrouwen in minister Verdonk had opgezegd. Noch het kabinet, noch de fracties van CDA en VVD wilden daaraan echter de consequentie verbinden dat de minister zou opstappen.

  • LPF-crisis 2002

    Op woensdag 16 oktober 2002 kwam het kabinet-Balkenende ten val. Na wekenlange geruzie tussen de LPF-ministers Bomhoff en Heinsbroek hadden de overige ministers, inclusief de LPF-collega's, aangedrongen op hun vertrek. Hoewel Bomhoff en Heinsbroek woensdagochtend de premier hun ontslag hadden aangeboden, zegden de fractievoorzitters van VVD en CDA, Zalm en Verhagen, op 16 oktober toch het vertrouwen in het kabinet op.

  • Srebrenica-crisis 2002

    Op 16 april 2002 boden de ministers en staatssecretarissen van het tweede kabinet-Kok hun ontslag aan naar aanleiding van het rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) over het bloedbad bij Srebrenica.

  • Crisis 1999

    Op 18 mei 1999 kreeg een wetsvoorstel tot invoering van de mogelijkheid voor een correctief referendum in de Eerste Kamer niet de vereiste tweederde meerderheid. Daarop bood het kabinet een dag later zijn ontslag aan. Vooral D66 was zeer ontstemd en teleurgesteld over de verwerping, omdat zij het referendum als één van haar 'kroonjuwelen' beschouwde.

  • Crisis 1989

    Op 3 mei 1989 kwam er een einde aan bijna zeven jaar samenwerking tussen CDA en VVD onder minister-president Lubbers. De VVD-fractie kon zich niet vinden in het door het kabinet genomen besluit over afschaffing van het reiskostenforfait.

  • Crises 1981/1982

    Op 12 mei 1982 kwam er een einde aan het acht maanden eerder gevormde tweede kabinet-Van Agt. De PvdA-ministers konden zich niet vinden in het financieel-economisch beleid, meer in het bijzonder in de financiering van het werkgelegenheidsbeleid.

  • Crisis 1977

    Op 22 maart 1977 viel het kabinet-Den Uyl. Het conflict ontstond in het kabinet, maar vond zijn oorsprong in de Tweede Kamer. Door de fracties van KVP en ARP waren namelijk amendementen ingediend op wetsvoorstellen inzake de grondpolitiek.

  • Crises 1951-1972

    In de periode 1950-2000 was er zeven keer sprake van een kabinetscrisis. Onder deze crises bevinden zich de Nacht van Schmelzer (1966) en de Nacht van Wiegel (1999) in de Eerste Kamer. In 1955, 1960, 1981 en 1999 kon de breuk worden 'gelijmd'.

5.

Kabinetsformatie

  • Procedure

    Na elke Tweede Kamerverkiezingen of na de val van een kabinet, begint het ingewikkelde en spannende proces van de formatie van een nieuw kabinet. Doel van de formatie is een kabinet te vormen dat enerzijds kan rekenen op steun van de meerderheid van de Tweede Kamer en anderzijds tot een gezamenlijk beleid kan komen. De Koning(in) speelt in dit proces ook een rol, maar zijn invloed is in de loop der jaren kleiner geworden.

  • (In)formateur

    De kabinetsformatie is in vier fasen te onderscheiden: onderzoeken welke coalitie mogelijk is, programvorming (opstellen regeerakkoord), de portefeuilleverdeling en de invulling van de personele bezetting. Er is niet noodzakelijk een duidelijke scheidslijn waar de ene fase ophoudt en de andere begint. Hetzelfde geldt voor het werk van de informateur en de formateur.

  • Coalitie

    We spreken van een coalitie als twee of meer partijen in de Tweede Kamer het kabinet steunen. Dat is nodig omdat het kabinet het vertrouwen van de Tweede Kamer moet hebben om goed te kunnen functioneren. Dat noemt men het parlementair stelsel. De bewindslieden in een kabinet zijn afkomstig uit de partijen die de coalitie vormen. In Nederland worden meestal coalities gevormd met een ruime meerderheid in de Tweede Kamer.

  • Formatie 2012

    De formatie van het kabinet-Rutte II is het eerste kabinet dat door het 'nieuwe formeren' tot stand is gekomen. De Tweede Kamer had hierbij het initiatief en de Koningin werd uit het formatieproces gehaald. Informateurs Henk Kamp (VVD) en oud-PvdA-leider Wouter Bos werden door de Tweede Kamer benoemd. Ook gaf de Tweede Kamer de informatie- en formatieopdracht.

  • Formatie 2010

    De kabinetsformatie van 2010 leidde tot een samenwerking van VVD en CDA in het minderheidskabinet-Rutte I. Naast een regeerakkoord werd er een gedoogakkoord gesloten met de PVV. De grote interne verdeeldheid van het CDA over een toekomstige samenwerking met de PVV was bepalend voor het gezicht van de formatie en in eerste instantie zetten de christendemocraten zich in voor een samenwerking tussen de VVD, PvdA D66 en GroenLinks. Nadat onderhandelingen over deze coalitie op niets uitliepen, kwam het kabinet-Rutte I tot stand. Tijdens de formatie werd de Koningin steeds voor voldongen feiten geplaatst.

6.

Soorten kabinetten

  • Soorten kabinetten

    Er zijn verschillende manieren om een kabinet te typeren. Kan een kabinet rekenen op de steun van een meerderheid van de Tweede Kamer dan spreken we van een meerderheidskabinet. Is dat niet het geval dan wordt het kabinet aangeduid als een minderheidskabinet.

7.

Geschiedenis

  • Instabiliteit (na 2002)

    Na acht jaar komt er een eind aan 'Paars'. 2002 staat in het teken van de opkomst van de politieke beweging rond Pim Fortuyn en diens gewelddadige dood. Een periode van grotere politieke instabiliteit breekt aan. De verschuivingen bij verkiezingen nemen toe en de 'centrum-partijen' (CDA, PvdA en VVD) verliezen geregeld terrein ten koste van partijen aan de politieke flanken, zoals SP en PVV. Om een meerderheidskabinet te vormen, is steeds een 'derde' partij nodig.

  • Paars (1994-2002)

    In deze periode regeren twee kabinetten onder leiding van Wim Kok met vertegenwoordigers uit PvdA, VVD en D66. De vorming van het eerste kabinet komt in 1994 tot stand nadat de zittende coalitie van CDA en PvdA haar meerderheid heeft verloren. Beide partijen verliezen fors. Winnaars zijn D66 en VVD.

  • Lubbers (1982-1994)

    Deze periode wordt gedomineerd door het CDA van premier Lubbers. Na het mislukte kabinet-Van Agt/Den Uyl/Terlouw komt er in november 1982 een centrumrechts kabinet onder leiding van de opvolger van Van Agt. Dat kabinet neemt de sanering van de overheidsfinanciën krachtig ter hand, waarbij onder meer wordt bezuinigd op ambtenarensalarissen en uitkeringen.

  • Polarisatie (1966-1982)

    Deze periode wordt gekenmerkt door een scherpe tegenstelling tussen partijen. Met name de progressieve partijen (PvdA, D66 en PPR) vinden eind jaren zestig dat kiezers een duidelijker keuze moeten kunnen maken. Zij benadrukken daarom de verschillen met andere partijen, bepleiten directe verkiezing van de minister-president en stellen voorwaarden aan regeringsdeelname.

  • Welvaartsstaat (1958-1966)

    In deze periode wordt verder gewerkt aan uitbouw van de welvaartstaat. Er komen nieuwe regelingen voor kinderbijslag en arbeidsongeschiktheid, er wordt een sociaal minimum ingevoerd, de Algemene Bijstandswet vervangt de Armenwet en de vrije zaterdag wordt ingevoerd. Ook de lonen gaan, mede onder druk van krapte op de arbeidsmarkt, omhoog. De welvaartsstijging is mede te danken aan grote aardgasvondsten. Keerzijde van de welvaart zijn toenemende milieuvervuiling en een steeds verdere verstedelijking.

  • Rooms-rood (1945-1958)

    Deze periode wordt gekenmerkt door de samenwerking van KVP en PvdA ('Rooms-Rood'), die de kern vormen van kabinetten waaraan ook andere partijen deelnemen. We spreken ook wel van kabinetten-op-brede-basis. Die brede basis is wenselijk vanwege de wederopbouw na de Duitse bezetting, die tot enorme economische schade heeft geleid. Verder krijgt Nederland te maken met de Indonesische vrijheidsstrijd. In 1948 moet Grondwetsherziening, waarvoor een tweederde meerderheid nodig is, verandering van het staatsbestel mogelijk maken. In 1949 eindigt de strijd met losmaking van Nederlands-Indië uit het koninkrijk.

  • Oorlogskabinetten (1939-1945)

    Deze periode wordt geheel beheerst door de internationale toestand. De herbewapening en annexatiedrift van Nazi-Duitsland mondt in 1939 uit in de Tweede Wereldoorlog. Na de val van het vijfde kabinet-Colijn is een kabinet-De Geer aangetreden waarin voor het eerst sociaaldemocraten zijn opgenomen. Kort na het aantreden van het kabinet wordt het Nederlandse leger gemobiliseerd. Een paar dagen later breekt, met de inval van Duitsland in Polen, de oorlog uit.

  • Interbellum (1918-1939)

    De tijd tussen de twee wereldoorlogen (het Interbellum) heeft twee belangrijke kenmerken. Ten eerste is dat de verzuiling van de samenleving. En tweede het overwicht van de drie confessionele partijen, RKSP, ARP en CHU. Zij hebben steeds een meerderheid in beide Kamers. Ondanks dat overwicht vinden diverse kabinetscrises plaats en worden veelal extraparlementaire kabinetten gevormd.

  • Voor 1918

    Pas sinds 1848 kennen we kabinetten. Daarvoor waren de ministers op de eerste plaats dienaren van de koning die slechts zelden gezamenlijk vergaderden. Pas in 1842 werd er een geregelde kabinetsvergadering in het leven geroepen. In 1848 werd voor het eerst een kabinet geformeerd.

8.

Bewindslieden 1798-heden

  • Bewindslieden 1798-heden

    Via dit menu kunt u uit de bewindspersonen sedert 1798 alle ministers en staatssecretarissen selecteren die voldoen aan de door u aan te geven voorwaarden: periode, functie, geslacht, ministerie/beleidsterrein en partij/politieke stroming.