Nationale parlementen krijgen meer zeggenschap in de Europese Unie - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut
Binnenhof

Het nieuwe Verdrag van Lissabon moet de Europese Unie democratischer maken. Het Europees Parlement heeft op meer terreinen volledige wetgevingsbevoegdheid gekregen. Ook worden nationale parlementen meer bij de besluitvorming betrokken. De burger zelf kan ook invloed uitoefenen, via het burgerinitiatief.

Nationale parlementen kunnen voortaan een 'gele' of 'oranje kaart' trekken als zij vinden dat voorgestelde Europese wetgeving niet in overeenstemming is met het principe van subsidiariteit. Subsidiariteit wil zeggen dat besluiten op een zo laag mogelijk niveau (zo dicht mogelijk bij de burger) worden genomen. Besluiten mogen alleen op Europees niveau worden genomen als dat het meest effectief is.  

Het Nederlandse parlement speelde een voortrekkersrol in de discussie of het nationale parlement van een lidstaat zich nadrukkelijker moet gaan bemoeien met de Europese besluitvorming. Onder aanvoering van het Tweede Kamerlid Han ten Broeke (VVD) en zijn PvdA-collega Luuk Blom wist Nederland de andere lidstaten er toe over te halen een duidelijke procedure in het leven te roepen om ongewenste Europese regelgeving al in vroeg stadium tot staan te brengen.

De Europese Commissie stelt nationale parlementen van al haar wetgevingsvoorstellen op de hoogte. Binnen acht weken moet een parlement een standpunt innemen. Elk parlement heeft twee stemmen. Bij parlementen met een tweekamerstelsel (zoals in Nederland met een Eerste en Tweede Kamer) heeft elke kamer één stem.

1.

Gele kaart

Als een derde van alle mogelijke stemmen vindt dat het onderwerp niet op Europees niveau thuis hoort, dan moet de Europese Commissie haar wetgevingsvoorstel in heroverweging nemen. Bij wetgevingsvoorstellen over de samenwerking op het gebied van justitie en politie is een kwart van alle mogelijke stemmen genoeg.

2.

Oranje kaart

Dankzij de inbreng van de Nederlandse regering is in het Verdrag van Lissabon de mogelijkheid geopend voor het uitdelen van de zogeheten 'oranje kaart' door nationale parlementen. Deze optie maakt het voor de Europese Commissie als indiener van Europese wetsvoorstellen lastiger om haar zin door te drijven.

Als de helft van de nationale parlementen vindt dat het onderwerp niet op Europees niveau thuis hoort, moet de Europese Commissie het voorstel eveneens heroverwegen. Als de Europese Commissie het voorstel niet intrekt, moet zij met redenen omkleden waarom het gehandhaafd blijft. In dat laatste geval kunnen de Europese Raad van Ministers en het Europees Parlement besluiten het voorstel niet langer in behandeling te nemen. Om het voorstel naar de prullenmand te verwijzen is in de raad een meerderheid van 55 procent van de leden nodig. Het Europees Parlement kan het voorstel in die situatie met een gewone meerderheid afwijzen.

Blom en Ten Broeke zien de oranje kaart vooral als 'brandblusser'. Het is geruststellend om het in huis te hebben, maar je hoopt het nooit te hoeven gebruiken.

3.

Toepassing

Het Nederlandse parlement heeft nu zijn schouders gezet onder een initiatief om de oranje kaart handen en voeten te geven. De kaart moet namelijk binnen acht weken worden getrokken nadat de Commissie haar plannen bekend heeft gemaakt. Het is dus zaak om zoveel mogelijk van de huidige 27 lidstaten van de Unie te betrekken bij een gezamenlijke weging van de Commissievoorstellen. De Tweede Kamer probeert daarvoor de COSAC in te schakelen, het samenwerkingsorgaan van vertegenwoordigers van het Europees Parlement en de Kamercommissies voor Europese zaken van de nationale parlementen. Toenmalig EU-voorzitter Frankrijk, en daarmee ook van de COSAC, was positief over het initiatief.

De Tweede Kamer zou in de procedure voor de beoordeling van Commissievoorstellen ook graag zien dat de proportionaliteit van een wetgevingsinitiatief wordt onderzocht. Daarbij gaat het om de vraag hoe ver Europese wetgeving moet gaan. Probleem is echter dat het Verdrag van Lissabon daar niet glashelder over is. Bovendien menen sommigen dat het nationale parlement zich dan te veel met de inhoud gaat bemoeien, een terrein dat is voorbehouden aan het Europees Parlement.

Om de onafhankelijkheid van de nationale parlementen verder te bevorderen zijn in het verdrag duidelijke afspraken gemaakt over de tijdige toezending van alle relevante documenten die met Europese wetgeving te maken hebben. Ook zijn duidelijke termijnen gesteld waarbinnen bezwaren kunnen worden gemaakt.

Subsidiariteitsbeginsel

In het Verdrag van Lissabon staat overigens duidelijk dat de Europese Commissie ervoor moet zorgen dat een voorstel strookt met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. De conclusie van de Commissie moet vervolgens worden onderbouwd door kwalitatieve en kwantitatieve argumenten, waarbij ook de kostenaspecten aan bod moeten komen. Ook die moeten in verhouding staan tot het te bereiken doel.

Als een voorstel volgens een nationaal parlement niet aan deze eisen voldoet mag deze naar het Hof van Justitie stappen.

4.

Burgerinitiatief

Een andere vernieuwing in het Verdrag van Lissabon is de aandacht voor initiatieven vanuit de Europese bevolking zelf. Maatschappelijke organisaties of individuele burgers krijgen voor het eerst de mogelijkheid de Europese Commissie te verzoeken met een wetsvoorstel te komen over een onderwerp dat zij van groot belang achten. Voor een dergelijk initiatief zijn wel tenminste een miljoen handtekeningen vereist van burgers uit een representatief deel van de lidstaten. Een verzoek ondertekend door een miljoen burgers uit een enkele lidstaat wordt niet in behandeling genomen omdat dat te weinig Europees gedragen wordt.

5.

Meer informatie

Documentatiecentrum voor Nederlandse Politieke Partijen, verbonden aan de Rijksuniversiteit GroningenFaculteit der Rechtsgeleerdheid, Capaciteitsgroep Publiekrecht van de Universiteit van MaastrichtCampus Den Haag UniversiteitCentrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit NijmegenParlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden
  • Contact
  • Home