Rapport - EU-trendrapport 2007 - Hoofdinhoud
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2006–2007
30 955
EU-trendrapport 2007
Nr. 2
RAPPORT
Inhoud
Terugblik en leeswijzer Samenvatting EU-trendrapport 2007
DEEL 1 EU-INSTELLINGEN
1 Inleiding deel 1
2 EU-breed: kerncijfers 2005
2.1 Bijdragen lidstaten aan EU-begroting
2.1.1 Eigen middelen
2.1.2 Overige bijdragen lidstaten
2.2 Uitgaven door EU 2000–2005
2.2.1 Gerealiseerde uitgaven EU per begrotingshoofdstuk
2.2.2 Overige uitgaven
2.3 Saldo EU-begroting
3 Ontwikkelingen in beleid financieel management EU
3.1 Financiële perspectieven 2007–2013
3.2 Stand van zaken verbetering financieel management
3.2.1 Routekaart en actieplan Europese Commissie
3.2.2 Financiële perspectieven en financieel reglement
3.2.3 Andere initiatieven Europese Commissie
3.3 Beleidswijzigingen per uitgavencategorie
3.3.1 Gemeenschappelijk landbouwbeleid
3.3.2 Structuurbeleid
3.3.3 Intern beleid
4 Systemen voor financieel management EU 2003–2005
4.1 Planning en uitvoering begroting
4.1.1 Beleidsterreinen en directoraten-generaal
4.1.2 Resultaten planning en uitvoering begroting
4.2 Maatregelen van controle door Europese Commissie
4.2.1 Maatregelen van interne controle
4.2.2 Interne audit door de Europese Commissie
4.2.3 Opvolgonderzoek naar fraude
4.3 Verantwoording
4.4 Externe audit door Europese Rekenkamer
10 17 19
21
21 21 22 22 22 23 23
24
24 25 25 26 26 27 27 29 32
34
34 34 35 37 37 38 40 40 42
5 Rechtmatigheid besteding EU-gelden
5.1 Rechtmatigheidsinformatie Europese Commissie
5.1.1 Voorbehouden per directoraat-generaal
5.1.2 Onregelmatigheden en financiële correcties per begrotingshoofdstuk
5.1.3 Fraude
5.1.4 Versterking OLAF
5.2 Oordeel Europese Rekenkamer over wettigheid en regelmatigheid
5.2.1 Algemeen oordeel 2005
5.2.2 Oordeel per hoofdstuk van de begroting
5.2.3 Geconstateerde fouten per hoofdstuk van de begroting
5.2.4 Overige informatie Europese Rekenkamer
6 Doeltreffendheid EU-beleid
6.1 Algemeen beeld beleidsresultaten 2005
6.2 Beleidsresultaten per begrotingshoofdstuk
6.2.1 Voorwaarden en richtlijnen voor evaluaties
6.2.2 Verband tussen geldstromen en evaluaties
6.2.3 Beschikbare informatie over realisatie van beleidsdoelen
6.2.4 Mate van doelrealisatie
6.2.5 Knelpunten bij doelrealisatie
7 Conclusies en trends Europese instellingen DEEL2 EU-LIDSTATEN
8 Inleiding deel 2
9 EU-lidstaten: kerncijfers
9.1 Afdrachten aan EU in 2005, per lidstaat
9.1.1 Afdrachten lidstaten aan EU-begroting
9.1.2 Afdrachten lidstaten aan Europees ontwikkelingsfonds
9.2 Ontvangsten lidstaten vanuit EU in 2005
9.2.1 Toegekende EU-gelden aan de lidstaten
9.2.2 Ontvangen EU-gelden in verhouding tot eigen begroting
44
44 44
45 47 48
49 49 50
52 54
56
56 57 57 58
59 60
61
62 67 69
71
71 71
72 73 73
74
5
9.3 Nettopositie 2005, per lidstaat74
9.4 Decommittering structuurfondsbudgetten 2005
9.5 Begroting in de periode 2007–2013
10 Rechtmatigheid besteding EU-gelden in de lidstaten
10.1 Rechtmatigheidsinformatie Europese Commissie
10.1.1 Gegevens in activiteitenverslagen
10.1.2 Gegevens lidstaatrapportages in jaarverslag OLAF
10.1.3 Correcties gemeenschappelijk landbouwbeleid
10.2 Rechtmatigheidsinformatie Europese Rekenkamer
10.3 Werkzaamheden nationale rekenkamers
10.3.1 EU-auditactiviteiten nationale rekenkamers
10.3.2 Publicaties nationale rekenkamers
10.3.3 Participatie in Contactcomité
10.3.4 Werkgroepen
11 Doeltreffendheid EU-beleid in de lidstaten
11.1 Doeltreffendheidsinformatie in activiteitenverslagen
11.2 Overige informatie Europese Commissie
11.2.1 EU-brede beleidsevaluaties
11.2.2 Doeltreffendheidsinformatie per geldstroom
12 Conclusies en trends EU-lidstaten DEEL3 NEDERLAND
00 |
17.2.2 |
75 |
17.3 |
76 |
17.3.1 |
17.3.2 |
|
79 |
17.4 |
79 |
17.4.1 |
79 |
17.4.2 |
80 |
17.5 |
86 |
17.5.1 |
88 |
17.5.2 |
89 |
|
89 |
18 |
91 |
18.1 |
93 |
18.1.1 |
94 |
18.1.2 |
18.1.3 |
|
96 |
|
96 |
18.1.4 |
96 |
18.2 |
96 |
18.3 |
97 |
18.3.1 |
18.3.2 |
|
00 |
18.3.3 |
18.4 |
|
03 |
18.5 |
Informatie vandeEuropese Rekenkamer 147
Structuurbeleid 147
Programma’s doelstellingen 1–3 147
Communautaire initiatieven 149
Onderzoek naar onregelmatigheden 150
Onderzoeksaanpakennormenkader 150
Systemen voor ontdekking, melding en afwikkeling 152
Intern beleid van de Europese Commissie 158
TEN-transport 159
LeonardodaVinci-programma 159
Doeltreffendheid EU-beleid in Nederland 160
Onderzoeksaanpak 160
Onderzoeksobject 160
Definities 161 Vergelijking doelrealisatie update ten opzichte van
midtermevaluatie 161
Betrouwbaarheid vandeinformatie 160
Meetbaarheid doelen 160
Kwaliteit van de informatie over doelrealisatie 161
Algemeen overzicht informatie over doelrealisatie 164
Voorbeelden van indicatoren 165
Oorzaken gebrekkige informatie over doelrealisatie 166
Doelrealisatie 168
Verhouding nationaal-Europees beleid 169
13
Inleiding deel 3
105
19
Conclusies en trends Nederland
171
14 Nederland: kerncijfers 107
14.1 Ontvangsten Nederland vandeEU 107
14.2 Afdrachten Nederland aandeEU 108
14.3 Overige betalingen: Europees Ontwikkelingsfonds 109
14.4 Nettopositie Nederland 109
15 Ontwikkelingen in beleid EU-financieel management 111
15.1 Beleidsontwikkelingen 111
15.1.1 Gemeenschappelijk landbouwbeleid 111
15.1.2 Structuurbeleid 112
15.2 Ontwikkelingen in beleid financieel management 114
15.2.1 Actieplan Europese Commissie 114
15.2.2 Streven naar een lidstaatverklaring 114
15.2.3 Benodigde extra stappen voor lidstaatverklaring 115
16 Systemen EU-financieel management Nederland 117
16.1 Geldstromenenwijze van administratie 117
16.1.1 Betrokken ministeriesengeldstromen 117
16.1.2 Wijze van administratie 118
16.2 Rechtmatigheidscontrole ontvangsten en afdrachten 120
16.2.1 Ontvangsten 120
16.2.2 Afdrachten Nederland aandeEU 121
16.3 Gemeenschappelijk landbouwbeleid 122
16.3.1 Financiële uitvoering 122
16.3.2 Controleentoezicht 124
16.3.3 Verantwoording 126
16.3.4 Externe audits 127
16.4 Structuurfondsen 127
16.4.1 Financiële uitvoering 127
16.4.2 Controle 130
16.4.3 Toezicht 133
16.4.4 Verantwoording 134
16.4.5 Externe audits 137
16.5 Intern beleid 138
16.5.1 Uitvoering intern beleid 138
16.5.2 Controle, toezichtenverantwoording 143
DEEL 4 CONCLUSIES, AANBEVELINGEN EN REACTIES 179
20 Conclusies 181
20.1 Hoofdconclusies 181
20.2 Scoresophoofdindicatoren 2003–2006 182
20.3 Aanbevelingen 184
21 Reactie kabinet en nawoord Algemene Rekenkamer 186
21.1 Reactieopdehoofdconclusies 186
21.2 Reactie per aanbeveling 187
BIJLAGEN EU-TRENDRAPPORT 2007 193
Bijlage 1 Overzicht van belangrijkste conclusies, aanbevelingen en toezeggingen 195 Bijlage 2 Gebruikte afkortingen en verklarende woordenlijst 198 Bijlage 3 Scores indicatoren per onderzochte DG en dienst van de Europese Commissie 202 Bijlage 4 Scores geanalyseerde EU-brede evaluaties 212 Bijlage 5 Gepubliceerde rapporten over besteding EU-gelden door nationale rekenkamers EU-lidstaten 214 Bijlage 6 Extra stappen naar Nederlandse lidstaatverklaring 217 Bijlage7 Tabellen systemen Nederland 220 Bijlage 8 Beheer- en controlestructuren onderzochte structuurfondsprogramma’s 227 Bijlage 9 Geanalyseerde updates van midtermevaluaties 230
Literatuur 231
17 Rechtmatigheid besteding EU-gelden in Nederland 144
17.1 Afdrachten aandeEU 144
17.2 Gemeenschappelijk landbouwbeleid 145 17.2.1 Informatie van Nederland 145
TERUGBLIK EN LEESWIJZER
Terugblik op vijf jaar EU-trendrapport
Het EU-trendrapport 2007 is de vijfde editie van de rapportage die de Algemene Rekenkamer jaarlijks uitbrengt over de stand van zaken rond het financieel management van de Europese Unie (EU). Na vijf jaar EU-trendrapport is het tijd om de stand op te maken: op welke punten is er sinds 2003 vooruitgang geboekt in het financieel management van de EU-instituties, de EU-lidstaten en in Nederland, en op welke punten niet?
In de drie figuren die hierna volgen geven we op een aantal relevante aspecten een trend weer, aan de hand van de hoofdindicatoren die we de afgelopen jaren in de EU-trendrapporten hebben gehanteerd.
Figuur 1 Vijf jaar EU-trendrapport: overzicht resultaten voor EU-instellingen
Hoofdindicator 1: Functioneren financieel management EU
Beleid Europese Commissie voor verbetering financieel management EU
toereikend
ontoereikend
t~r^r
Informatievoorziening Europese Commissie over werking systemen financieel management in activiteitenverslagen DG’s
Inzicht in rechtmatigheid in activiteitenverslagen, syntheseverslag en overzichten onregelmatigheden*
il J |
||||
'03
'04
'05
'06 '07
'03 '04 '05 '06 '07
'03
'04
'05
'06
'07
Algemeen oordeel Europese Rekenkamer over rechtmatigheid bestedingen EU-gelden*
Oordeel Europese Rekenkamer over rechtmatigheid bestedingen EU-gelden per begrotingshoofdstuk*
Inzicht in resultaten van EU-beleid op niveau van EU als geheel (Europese Commissie)
toereikend
A
ontoereikend
[Tl |
'03
'04
'05
'06
'07
'03 '04 '05 '06 '07
'03
'04
'05
'06
'07
* Op basis van jaarverslagen 2001 – 2005.
Voor de EU-instellingen (figuur 1; zie ook deel 1 van dit EU-trendrapport) valt op dat de laatste jaren bij de meeste aspecten een licht positieve trend zichtbaar is. Dit geldt voor het EU-beleid voor financieel management, voor de beschikbare informatie over de werking van systemen voor financieel management, voor het inzicht in de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden én voor het rechtmatigheidsoordeel van de
Europese Rekenkamer over een aantal begrotingshoofdstukken. Tegelijkertijd kunnen we vaststellen dat op de meeste van deze aspecten (vooral het inzicht in de resultaten van het EU-beleid) het niveau nog maar ten dele toereikend is. Hierin is in de komende jaren nog veel verbetering nodig.
Figuur 2 Vijf jaar EU-trendrapport: overzicht resultaten voor EU-lidstaten
Hoofdindicator 2: Inzicht in rechtmatigheid en doeltreffendheid EU-beleid in de lidstaten
Inzicht in rechtmatigheid per lidstaat op basis van activiteitenverslagen, syntheseverslag en overzichten onregelmatigheden
Inzicht in resultaten van EU-beleid per lidstaat
Werkzaamheden nationale rekenkamers op EU-terrein
toereikend
■! |
~ |
|||
'9— |
— |
V\ |
ontoereikend
'03 '04 '05 '06 '07 '03 '04 '05 '06 '07
Hoofdindicator 3: Rechtmatigheid in de EU-lidstaten
\~1 |
~ |
~ |
'03 '04 '05 '06 '07
Oordeel over rechtmatigheid bestedingen EU-gelden in de lidstaten
toerei i |
kend f |
||||||
> |
|||||||
ontoe- |
|||||||
- |
|||||||
'03
'04
'05
'06 '07
Bij de EU-lidstaten (figuur 2; zie ook deel 2 van dit EU-trendrapport) is het beeld minder gunstig dan bij de EU-instellingen. Ook hier is sprake van een licht positieve trend, maar slechts bij twee van de vier aspecten; alleen het inzicht in de rechtmatigheid per lidstaat en de EU-gerelateerde werkzaamheden van de nationale rekenkamers laten een lichte verbetering zien. Het niveau van inzicht in de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden in de lidstaten is echter nog steeds laag. Daarbij komt dat het niveau van het inzicht in met name de resultaten van het EU-beleid in de lidstaten nog geheel ontoereikend is.
Figuur 3 Vijf jaar EU-trendrapport: overzicht resultaten voor Nederland
Hoofdindicator 4: Inzicht in rechtmatigheid en doeltreffendheid EU-beleid in Nederland
Beleid in Nederland voor verbetering financieel management EU-gelden in Nederland
toereikend
A
ontoereikend
Informatievoorziening over werking systemen financieel management en rechtmatigheid gelden in gedeeld beheer in Nederland
Informatievoorziening over werking systemen en rechtmatigheid overige geldstromen in Nederland
, |
, 1 , |
L , |
l |
||
Gemeenschappelijk |
|||||
,„U~ .....L_,' ■_, |
|||||
Structuurbeleid |
|||||
'03
'04
'05 '06 '07
'03
'04
'05
'06
'07
'03 '04 '05 '06 '07
Inzicht in resultaten van EU-structuurbeleid in Nederland
Inzicht in resultaten van overig EU-beleid in Nederland
toereikend
A
ontoereikend
'03
'04
'05
'06
'07
'03
'04
'05
'06
'07
Hoofdindicator 5: Rechtmatigheid en doeltreffendheid van EU-beleid in Nederland
Inhoud rechtmatigheidsoordeel over besteding EU-gelden in gedeeld beheer
toereikend
ontoereikend
Resultaten van EU-structuurbeleid in Nederland
'03
'04
'05
'06
'07
1 |
|||||
'03
'04
'05
'06
'07
De trends die wij op de verschillende aspecten signaleren bij de lidstaat Nederland (figuur 3; zie ook deel 3 van dit EU-trendrapport) bewegen zich tussen twee uitersten. Aan de ene kant is het Nederlandse beleid ter verbetering van het financieel management van EU-gelden de laatste jaren sterk verbeterd. Dat komt vooral doordat Nederland zich duidelijk heeft ingezet voor de totstandkoming van een jaarlijkse nationale verantwoording over het beheer en de besteding van EU-gelden in
Nederland (zie deel 3, § 15.2). Aan de andere kant is de informatie over de werking van systemen voor financieel management en over de rechtmatigheid van EU-geldstromen in Nederland - met uitzondering van de landbouwgelden - ontoereikend. Datzelfde geldt voor het inzicht in de resultaten van het EU-beleid in Nederland - alleen bij het inzicht in de resultaten van structuurbeleid is een licht positieve trend zichtbaar.
Leeswijzer EU-trendrapport 2007
Opbouw van dit rapport
Het EU-trendrapport 2007 bestaat net als de vier voorgaande edities uit de
volgende onderdelen:
-
•Deel 1: ontwikkelingen in het EU-brede financieel management en in de rechtmatigheid en doeltreffendheid van het EU-beleid (zowel het totale beleid als de afzonderlijke begrotingshoofdstukken).
-
•Deel 2: een landenvergelijking op het punt van rechtmatigheid en doeltreffendheid van besteding van EU-gelden in de 25 EU-lidstaten.
-
•Deel 3: een overzicht van de ontwikkelingen in het financieel management, de controle van EU-gelden en de rechtmatigheid en doeltreffendheid van het EU-beleid in Nederland.
-
•Deel 4: conclusies en aanbevelingen, bestuurlijke reacties en het nawoord van de Algemene Rekenkamer.
Hoofdindicatoren
In de delen 1 tot en met 3 geven we een beoordeling van de actuele stand van zaken op de vijf hoofdindicatoren die de Algemene Rekenkamer cruciaal acht voor inzicht in de ontwikkeling van het financieel management van de EU:
-
•Hoofdindicator 1: Kwaliteit van de EU-systemen voor financieel management. We beoordelen hier op basis van openbare bronnen in hoeverre de beheer-, controle- en toezichtsystemen van de EU de rechtmatigheid (en waar mogelijk doeltreffendheid) waarborgen van de totale EU-begroting en van de afzonderlijke hoofdstukken van de begroting. De stand van zaken op deze hoofdindicator komt aan de orde in deel 1 van dit rapport.
-
•Hoofdindicator 2: Inzicht in de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de besteding van EU-gelden op EU-niveau en in de EU-lidstaten. De beschikbaarheid van rechtmatigheids- en doeltreffendheidsinfor-matie staat hier centraal. Ook hiervan geven we een beoordeling op basis van openbare bronnen. De stand van zaken op deze hoofdindicator komt aan de orde in de delen 1 en 2 van dit rapport.
-
•Hoofdindicator 3: Rechtmatigheid en doeltreffendheid van de besteding van EU-gelden op EU-niveau en in de EU-lidstaten. Hier kijken we naar (de rechtmatigheid en doeltreffendheid van) de bestedingen zélf. Bij de beoordeling hiervan worden openbare bronnen gebruikt. De stand van zaken rond deze hoofdindicator komt eveneens aan de orde in de delen 1 en 2.
-
•Hoofdindicator 4: Inzicht in rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de besteding van EU-gelden in Nederland. Het gaat hier om de mate waarin de betrokken Nederlandse ministeries zicht hebben op (de rechtmatigheid en doeltreffendheid van) de bestedingen van de EU-gelden waarvoor zij verantwoordelijk zijn. Bij de beoordeling hiervan gebruiken we eigen onderzoek en openbare bronnen. De stand van zaken op dit punt komt aan bod in deel 3.
-
•Hoofdindicator 5: Rechtmatigheid en doeltreffendheid van de besteding van EU-gelden in Nederland. Hier kijken we, eveneens op basis van eigen onderzoek en openbare bronnen, naar (de rechtma-
tigheid en doeltreffendheid van) de bestedingen zélf, in dit geval in Nederland. We beoordelen ook dit aspect in deel 3.
In het rapport wordt informatie over verschillende jaren gebruikt. De daarbij gehanteerde vuistregel is dat het jaar 2005 centraal staat als het gaat om de rechtmatige besteding van EU-gelden en het functioneren van de systemen. Waar mogelijk vindt een vergelijking plaats met eerdere jaren. Bij de beschrijving van beleidsontwikkelingen wordt ook informatie tot en met 2006 opgenomen.
Overeenkomsten en verschillen met vorige edities
Vergeleken met vorige edities van het EU-trendrapport zijn de hoofdindicatoren en de onderwerpen die in de delen 1 tot en met 4 aan de orde komen gelijk gebleven. Ook wordt voor delen 1 en 2 nog steeds alleen openbare informatie gebruikt. Bij voorkeur hebben we daarbij gebruikgemaakt van (voor zover beschikbaar) extern gecontroleerde informatie, zoals rapporten van nationale rekenkamers en de Europese Rekenkamer. Daarnaast hebben we gebruikgemaakt van openbare stukken van de Europese Commissie.
Het EU-trendrapport 2007 heeft zoals gezegd dezelfde opzet als het EU-trendrapport 2006 . Dat betekent dat we ons concentreren op de EU-geldstromen, de voorwaarden voor een goed financieel management, inclusief het beleid dat daarvoor wordt ontwikkeld, en de (al dan niet volledig) rechtmatige en doeltreffende besteding van de Europese gelden. In het rapport wordt – zoals in de vorige EU-trendrapporten ook het geval was – zowel het Nederlandse begrip «rechtmatigheid» als het Europese ondeelbare begrip «wettigheid en regelmatigheid» gebruikt. Het Nederlandse en het Europese begrip betekenen in de praktijk hetzelfde. Om verwarring te vermijden wordt in de tekst steeds de terminologie gehanteerd die de door ons aangehaalde bron hanteert. Daarnaast gebruiken we op verschillende plaatsen het Europese begrip «onregelmatigheid». Dit begrip verwijst heel specifiek naar inbreuken op het Gemeenschapsrecht waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen zouden kunnen worden benadeeld.
In het EU-trendrapport 2007 geven we wederom bij elke hoofdindicator in algemeen beschrijvende zin een kwalitatief oordeel. Daarnaast passen we een aantal kwantitatieve indicatoren toe.
Een verschil met het EU-trendrapport 2006 is dat we in de editie van dit jaar ook kwantitatieve indicatoren formuleren voor het functioneren van de systemen van financieel management in Nederland. Hiermee willen we het belang van transparantie op het gebied van financieel management benadrukken.
SAMENVATTING EU-TRENDRAPPORT 2007
Belangrijkste conclusies
De eerste hoofdconclusie uit onze bevindingen over de afgelopen periode is dat Nederland – als een van weinige EU-lidstaten – een belangrijke stap heeft gezet naar een betere verantwoording over EU-gelden. Nederland gaat namelijk in het voorjaar van 2007 voor het eerst een «lidstaatverklaring» over landbouwgelden naar Brussel en het parlement sturen. Vanaf 2008 wordt de verklaring in het najaar afgegeven. Deze omvat dan behalve landbouw- ook structuurfondsgelden en eigen middelen. In zo’n verklaring legt een nationale regering verantwoording af over de juiste besteding van ontvangen EU-gelden en de afdracht van gelden aan de EU. Het kabinet heeft de Algemene Rekenkamer gevraagd hierbij een oordeel te geven, en wij hebben daarin toegestemd. Wij zullen ons oordeel ten aanzien van de lidstaatverklaring baseren op normen ontleend aan de Europese regels. Onze werkzaamheden zullen echter tevens gebaseerd zijn op de Nederlandse toepasselijke normen. Als daartoe aanleiding is zullen we in onze rapportage aan de Staten-Generaal aandacht besteden aan eventuele afwijkingen en overeenkomsten.
Met de opstelling van een lidstaatverklaring bevindt Nederland zich in de voorhoede van de ontwikkeling naar een betere financiële verantwoording op basis waarvan EU-burgers te weten kunnen komen of hun geld goed besteed wordt.
Onze tweede hoofdconclusie is minder positief: het inzicht in en de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden op EU-niveau is in 2005 niet of nauwelijks verbeterd. De Europese Rekenkamer heeft voor begrotingsjaar 2005 opnieuw geen betrouwbaarheidsverklaring af kunnen geven. Er bestaat op het niveau van de begrotingshoofdstukken geen gespecificeerd beeld van de mate waarin de EU-gelden rechtmatig worden toegekend en uitgegeven. Europese burgers kunnen dus nog niet achterhalen of hun gelden juist worden besteed binnen de EU.
Geringe verbetering in het Europese financieel management is wel zichtbaar op het niveau van de Europese Commissie. De jaarlijkse activiteitenverslagen van de directoraten-generaal (DG’s) en diensten van de Commissie gaven in 2005 weer iets meer inzicht in hun resultaten dan in voorgaande jaren. Maar de activiteitenverslagen zijn nog steeds beperkt als het gaat om informatie over bijvoorbeeld controles in de lidstaten. Door de expliciete verklaring die de Commissie tegenwoordig afgeeft bij het overkoepelende Syntheseverslag, is de verantwoordingsketen van de EU verder aangevuld. De Commissie verklaart namelijk expliciet dat zij verantwoordelijk is voor het management in 2005. In de bedoelde verklaring stelt de Commissie dat de bestaande interne controlesystemen redelijke zekerheid geven over de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden (ook in de lidstaten), met inachtneming van de geformuleerde voorbehouden. Juist die voorbehouden van de DG’s en de diensten (hoewel licht afgenomen in 2005) zijn nog steeds talrijk, waardoor de werkelijke betekenis van de verklaring beperkt is.
Onze derde hoofdconclusie luidt dat er in Nederland voldoende informatie beschikbaar is over de besteding van Europese landbouw- en structuurfondsgelden om vast te kunnen stellen of de systemen voor financieel management goed werken. De systemen blijken in het algemeen ook redelijk te functioneren.
Maar: een volledig beeld van de rechtmatigheid van de bestedingen in het kader van het EU-beleid was er in 2005 niet, evenmin als in voorgaande jaren. Verder blijken er aan de manier waarop in Nederland wordt omgegaan met onregelmatigheden bij de uitvoering van EU-program-ma’s, financiële risico’s te zijn verbonden. Dit geldt vooral voor de programma’s die worden gefinancierd vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Ook aan het feit dat gemeenten en provincies bij de EU BTW declareren die al gedekt wordt door het BTW-compensatiefonds, zijn mogelijk grote financiële risico’s verbonden.
Over de doeltreffendheid van het EU-beleid in Nederland is weinig informatie beschikbaar. Alleen over de doeltreffendheid van het structuurbeleid zijn er gegevens. De kwaliteit daarvan is wisselend. Zo is de kwaliteit van de informatie over doelrealisatie nog onvoldoende. Voor de programma’s waarover informatie van voldoende kwaliteit beschikbaar is, geldt dat de mate van doelrealisatie medio 2005 redelijk genoemd kan worden.
De verantwoording die de betrokken ministers aan de Tweede Kamer afleggen over de resultaten van het EU-beleid in Nederland, is tamelijk diffuus en onvolledig: de weinige rapportages komen laat en gaan vooral in op besteding van gelden, niet op beleidsresultaten.
Stand van zaken 2003–2006
Op basis van de bevindingen uit ons onderzoek hebben we onze analyse van de vijf hoofdindicatoren van het EU-trendrapport geactualiseerd.
Indicator 1: kwaliteit EU-systemen voor financieel management Elk jaar geeft de informatie in de jaarlijkse activiteitenverslagen van de DG’s en diensten van de Europese Commissie iets meer inzicht in de resultaten van het gevoerde beleid en de inzet die daarvoor is gepleegd. De informatie is echter nog steeds beperkt als het gaat om de resultaten van controles ter plaatse in de lidstaten en van interne audits binnen de DG’s van de Commissie.
Het blijkt bovendien lastig om van jaar op jaar gegevens van de Commissie te actualiseren: wat hierover wordt vermeldt wisselt nogal eens, en met name in de informatie van het Europees antifraudebureau OLAF nemen wij onduidelijkheden en omissies waar. Het Syntheseverslag wordt niet ondertekend door één of meer politiek verantwoordelijke EU-commissarissen. Hierdoor is de verantwoordingsketen van de Commissie nog incompleet. Toch heeft het Syntheseverslag 2005 een andere lading dan eerdere Syntheseverslagen. In dit geval verklaart de Commissie namelijk expliciet dat zij verantwoordelijk is voor het management in 2005. Dat de Commissie politieke verantwoordelijkheid neemt voor het jaarlijkse overkoepelende Syntheseverslag kan op termijn tot een versterking van de Europese verantwoordingsketen leiden. Het Syntheseverslag gaat echter op dit moment nog vergezeld van zo veel voorbehouden, dat de werkelijke betekenis van de begeleidende Commissieverklaring die stelt dat de bestaande interne controlesystemen redelijke zekerheid geven over de rechtmatigheid van de bestedingen (ook in de lidstaten) beperkt is.
Indicator 2: inzicht in rechtmatige besteding EU-gelden in de EU Het inzicht in de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden binnen de EU als geheel is in 2005 niet verbeterd. Het jaarverslag van de Europese Rekenkamer geeft geen gekwantificeerd totaalbeeld voor de EU. Daarnaast zijn de beschikbare gegevens uit de EU-lidstaten zijn nog niet
voldoende om tot een beeld per lidstaat te komen. Hoopgevend is dat inmiddels drie lidstaten, waaronder Nederland, zich inzetten voor het ontwikkelen van een lidstaatverklaring over de besteding van EU-gelden in eigen land.
Indicator 3: mate van rechtmatigheid besteding EU-gelden in de EU De Europese Rekenkamer heeft ook voor begrotingsjaar 2005 geen positieve betrouwbaarheidsverklaring kunnen afgeven. Op alle belangrijke beleidsterreinen van de EU zijn er in meer of mindere mate problemen met de wettigheid en regelmatigheid van de bestedingen van EU-gelden vastgesteld. De gegevens van de Europese Commissie over onregelmatigheden en fraude, en de informatie die af te leiden is uit de betrouwbaar-heidsverklaringen van de DG’s en diensten van de Commissie, blijven tezamen onvoldoende basis bieden tot het doen van uitspraken over rechtmatigheid.
Indicator 4: inzicht in recht- en doelmatige besteding EU-gelden in Nederland
De trend dat er in Nederland wel informatie aanwezig is over de systemen van financieel management voor Europese landbouw- en structuurfondsgelden, maar niet volledig over de rechtmatigheid van de besteding daarvan, heeft zich in 2005 doorgezet. Bij de ministeries bestaat vrijwel geen inzicht in de besteding van gelden voor het intern beleid van de EU. Over de doeltreffendheid van het Europees beleid zoals dat in Nederland wordt uitgevoerd was in 2005 wel enige informatie beschikbaar – althans voor zover het gaat om het beleid dat wordt gefinancierd vanuit de structuurfondsen. De updates van de midtermevaluaties verschaffen hier enig inzicht. De verantwoording aan de Tweede Kamer over de resultaten van het EU-beleid is echter beperkt: de rapportages komen laat en gaan nauwelijks in op beleidsresultaten.
Indicator 5: mate van recht- en doelmatigheid besteding EU-gelden in Nederland
Rechtmatigheidsinformatie over de besteding van EU-gelden in Nederland beperkt zich tot informatie over onregelmatigheden en de financiële consequenties daarvan. Daaruit komt een beeld naar voren van een toename van de gemelde onregelmatigheden bij de «eigen middelen» (de bijdragen van Nederland aan de begroting van de EU), een afname van de gemelde onregelmatigheden bij de landbouwgelden en een constant aantal gemelde onregelmatigheden bij de structuurfondsgelden. De lidstaatverklaring die Nederland vanaf 2007 gaat opstellen over de nationale besteding van EU-gelden zou op termijn tot een beter totaalbeeld moeten gaan leiden.
Ons eigen onderzoek naar de uitvoering van het structuurbeleid bij drie van de zes Nederlandse structuurfondsprogramma’s heeft laten zien dat er financiële risico’s verbonden zijn aan de werkwijze die Nederland hanteert bij het opsporen en melden van onregelmatigheden. Bepaalde problemen die regelmatig voorkomen bij met name de EFRO-programma’s, worden consequent níet gemeld aan Brussel. De Europese Commissie, die dit onlangs ook zelf heeft vastgesteld, heeft haar afkeuring hierover uitgesproken. Zij is het tevens oneens met de werkwijze van gemeenten in Nederland bij het BTW-compensatiefonds. De Commissie heeft Nederland gemaand snel orde op zaken te stellen.
Belangrijkste aanbevelingen
Onze belangrijkste aanbevelingen aan de ministers van Financiën en van Buitenlandse Zaken zijn:
-
•De ministers van Financiën en van Buitenlandse Zaken zouden de overige EU-lidstaten actief moeten blijven informeren over de ervaringen met de Nederlandse lidstaatverklaring.
-
•Belangrijk is ook dat zij de Europese Commissie blijven vragen om transparantie over de besteding van EU-gelden in de lidstaten verder te bevorderen.
-
•Verder zouden de beide bewindspersonen bij de Commissie moeten aandringen op verdere versterking van de verantwoordingsketen van de EU. In dat verband zouden zij de Commissie onder meer moeten vragen om transparant te maken hoe haar verklaring over redelijke zekerheid in het Syntheseverslag verankerd is in de onderliggende verklaringen van de DG’s.
-
•Tot slot zouden de beide ministers de Commissie moeten verzoeken om systematischer beschikbare informatie te publiceren over rechtmatigheid op het niveau van individuele lidstaten, de kwaliteit van de informatie van OLAF te verbeteren en inzicht te geven in de resultaten en benutting van controles van de DG’s in de lidstaten.
De belangrijkste aanbeveling die wij richten tot de minister van Financiën afzonderlijk luidt:
-
•De minister zou moeten bevorderen dat de inhoud van de Nederlandse lidstaatverklaring wordt verankerd in een «single audit»-aanpak- een systeem dus waarbij elk controleniveau voortbouwt op het voorgaande - inclusief harmonisatie van controlewerkzaamheden, rapportage en formulering van deelverklaringen.
Onze belangrijkste aanbevelingen aan de ministers van Economische Zaken (EZ), van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en van Financiën zijn:
-
•De ministers van EZ, BZK, SZW, LNV en Financiën zouden de uitvoering van ontdekking en melding van onregelmatigheden moeten verbeteren, zodat Nederland in de nieuwe structuurfondsperiode (2007-2013) niet met dezelfde problemen geconfronteerd zal worden. Van belang hierbij is dat als onregelmatigheden worden geconstateerd, deze altijd worden gemeld aan OLAF.
-
•De genoemde ministers zouden in de nieuwe structuurfondsperiode moeten zorgen voor een betere aansluiting van beleidsdoelen, -indicatoren en -prestaties. Bovendien zouden alle evaluaties gebaseerd moeten zijn op realisatiegegevens, niet op prognoses, en zou meer belang moeten worden gehecht aan het bruikbaar maken van informatie over (resultaten van) EU-beleid voor de Tweede Kamer.
Reactie ministers en nawoord Algemene Rekenkamer
Op 24 januari 2007 heeft de minister van Financiën mede namens de minister van Buitenlandse Zaken de Algemene Rekenkamer de kabinetsreactie op het EU-trendrapport 2007 gestuurd.
Reactie op de hoofdconclusies
Het kabinet is de Algemene Rekenkamer erkentelijk voor de hoofdconclusie dat Nederland positieve stappen zet in de richting van een nationale verklaring (lidstaatverklaring). Verder geeft het kabinet aan
verheugd te zijn dat de Algemene Rekenkamer positief heeft gereageerd op het verzoek van het kabinet om een jaarlijks oordeel af te geven bij de nationale verklaring.
Bij de totstandkoming van de nationale verklaring zal volgens het kabinet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van het principe van «single audit». Verder meent het kabinet dat met de centralisatie van de audit-functie en de certificeringsfunctie voor structuurfondsen in de nieuwe programmaperiode 2007–2013 een belangrijke stap is gezet in de richting van meer uniformiteit in het financieel beheer van EU-gelden.
In reactie op onze conclusie dat het inzicht in de rechtmatigheid van de bestedingen van EU-gelden op EU-niveau in 2005 niet of nauwelijks is verbeterd geeft het kabinet aan te betreuren dat de Europese Rekenkamer ook dit jaar niet staat is geweest om in haar jaarverslag over de EU-begro-ting 2005 tot een positieve betrouwbaarheidsverklaring te komen. Bij de Europese Commissie zal het kabinet erop aandringen dat deze het financieel beheer zodanig verbetert dat dergelijke voorbehouden in de toekomst zullen afnemen.
Over onze constatering dat ook in Nederland geen volledig beeld bestaat van de rechtmatigheid van de bestedingen van EU-gelden, merkt het kabinet op dat met de invoering van de nationale verklaring een nieuwe verantwoordingslijn wordt gecreëerd naar de Tweede Kamer over de rechtmatige besteding van EU-gelden in gedeeld beheer. De nationale verklaring is ingevoerd met de bedoeling de rechtmatigheid van de EU-bestedingen te kunnen waarborgen en een betrouwbaar beeld te creëren van de rechtmatigheid van de besteding van deze gelden.
Over de door ons gesignaleerde risico’s voor programma’s gefinancierd uit het EFRO (te weten het probleem dat sommige gemeenten en provincies in het kader van EFRO-projecten BTW bij de EU declareren die nationaal al wordt gecompenseerd via het BTW-compensatiefonds), geeft het kabinet aan hierover principieel van mening te verschillen met de Commissie. Over de uitleg van de verordening op dit specifieke punt zijn nog gesprekken gaande; het kabinet streeft ernaar op korte termijn hierover duidelijkheid te krijgen.
Het kabinet vindt dat in de huidige verantwoording over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het structuurbeleid een goed beeld wordt gegeven van de resultaten van EU-beleid in Nederland, maar deelt met de Algemene Rekenkamer de overtuiging dat verbetering van de verantwoording over de resultaten mogelijk is.
NawoordAlgemeneRekenkamer
Wij zijn van mening dat de ontwikkeling van de lidstaatverklaring over de besteding van EU-gelden in gedeeld beheer in Nederland de belangrijkste stap is die de laatste jaren is gezet in de richting van verbetering van het financieel management van EU-gelden. Wij hopen dat hiermee inderdaad de rechtmatigheid van de EU-bestedingen kan worden gewaarborgd, waardoor ook burgers meer zekerheid krijgen over de juiste besteding van Europese gelden.
Wij zullen, aanvullend op het jaarlijks afgeven van een extern oordeel bij de lidstaatverklaring, de verdere ontwikkeling van de verklaring nauwlettend blijven volgen en waar mogelijk daaraan constructief bijdragen. In dit verband spreken wij de hoop uit dat de lidstaatverklaring vanaf 2008 niet alleen de gelden in gedeeld beheer zal bevatten, maar ook de Nederlandse afdracht aan de eigen middelen van de EU.
Wij zullen de kwestie rond het BTW-compensatiefonds blijven volgen, aangezien deze aanzienlijke financiële gevolgen kan hebben. Indien nodig komen wij op dit onderwerp terug in volgende EU-trendrapporten. Verder zijn wij verheugd dat het kabinet onze overtuiging deelt dat verbetering van de verantwoording over de resultaten van EU-beleid in Nederland mogelijk is. We zullen met belangstelling volgen op welke wijze het kabinet hieraan invulling gaat geven.
Reactie op specifieke aanbevelingen
Lidstaatverklaring, transparantie en versterking Europese
verantwoordingsketen
Het kabinet laat weten dat de ministers van Financiën en Buitenlandse
Zaken de overige lidstaten uitgebreid hebben geïnformeerd over het
Nederlandse initiatief tot de invoering van een nationale verklaring. Zij zijn
voornemens dat te blijven doen. Er is intensief samengewerkt met de
Britse en Deense EU-partners die vergelijkbare initiatieven hebben
genomen en deze samenwerking zal in de directe toekomst worden
geïntensiveerd om gezamenlijk de overige EU-lidstaten te stimuleren om
vergelijkbare initiatieven te ontplooien.
Verder zullen de ministers er bij de Europese Commissie op blijven
aandringen dat zij de transparantie van de uitgaven in de lidstaten blijft
bevorderen. Ook zullen ze blijven aandringen op een versterking van de
verantwoordingsketen van de EU. Een integraal onderdeel van de opzet
van de nationale verklaring is het streven deze te verankeren in de
verantwoording van de Commissie.
De Commissie zal worden verzocht om in het Syntheserapport de
beschikbare informatie te publiceren over rechtmatigheid op het niveau
van individuele lidstaten, en inzicht te geven in de resultaten en benutting
van controles van de DG’s in de lidstaten.
Het kabinet deelt de zorg van de Algemene Rekenkamer over de kwaliteit
van de informatie van het antifraudebureau OLAF en zal zij OLAF
oproepen de kwaliteit van haar informatievoorziening te verbeteren.
NawoordAlgemeneRekenkamer
Wij zijn content met de toezeggingen van de ministers. Wij zijn het met de ministers eens dat intensivering van relaties met Denemarken en het Verenigd Koninkrijk van groot belang is om gezamenlijk de overige EU-lidstaten te stimuleren om vergelijkbare initiatieven te ontplooien. Ook ondersteunen wij het streven van de ministers om de lidstaatverklaring te verankeren in de Europese verantwoordingscyclus, waarbij de Nederlandse informatie door de Europese Commissie en vervolgens door de Europese Rekenkamer gebruikt moet kunnen worden.
Verankering lidstaatverklaring in «single audit»-aanpak Het kabinet geeft aan dat bij de ontwikkeling van het rapportagemodel voor de nationale verklaring zoveel mogelijk wordt uitgegaan van de single-audit-gedachte. Het uitgangspunt voor de inrichting van de nationale verklaring sluit daarmee volgens het kabinet naadloos aan bij de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer. De eerdergenoemde centralisatie van de auditfunctie en de certificeringsfunctie vergemakkelijkt een inrichting van de rapportageketen conform de single-audit-gedachte.
NawoordAlgemeneRekenkamer
Wij stemmen in met de reactie van de minister van Financiën en zullen de
ontwikkelingen op dit vlak met belangstelling volgen.
Structuurfondsen: onregelmatigheden en beleidsresultaten In algemene zin onderschrijft het kabinet onze aanbeveling om de ontdekking en melding van onregelmatigheden te verbeteren. Het kabinet stelt dat het inmiddels geformaliseerde Actieplan EFRO maatregelen bevat die bijdragen tot betere en eerdere detectie en vastlegging van onregelmatigheden. Ook is het draaiboek voor onregelmatigheden aangepast en worden er trainingen verzorgd voor de beheersautoriteiten. Volgens het kabinet stellen wij terecht dat onregelmatigheden te allen tijde gemeld dienen te worden, ook al betreft het nog niet aan de Europese Commissie gedeclareerde bedragen. Wel tekent het kabinet daarbij aan dat het de vraag is of dergelijke meldingen niet bijdragen aan de administratieve lasten en bureaucratie voor de lidstaat en de Commissie.
Het kabinet is verder verheugd dat wij de doelrealisatie van het programma van het Europees Sociaal Fonds (ESF) als «redelijk goed» beoordelen en de evaluatieaanpak van het ESF-programma als positief voorbeeld noemen. Het kabinet geeft aan dat voor de periode 2007–2013 is in het nieuwe operationeel programma ruim aandacht besteed aan de opzet van de evaluatie.
Voor het doelstelling 2-programma EFRO geldt dat het Ministerie van EZ voor alle vier de operationele programma’s 2007–2013 in 2006 een ex-ante-evaluatie heeft laten uitvoeren en dat het ministerie in de afgelopen periode veel energie heeft gestoken in onderzoek naar de echte werkgelegenheidseffecten van de structuurfondsprogramma’s. Het ministerie zal zijn inspanningen conform onze aanbeveling opvoeren. Hiermee is volgens het kabinet al concreet een aanvang genomen door het invoeren van een nieuw monitorsysteem voor het bruikbaar maken van de resultaten van het EU-beleid.
NawoordAlgemeneRekenkamer
Wij zijn ingenomen met de toezeggingen van het kabinet om de systemen
voor ontdekking en melding van onregelmatigheden te verbeteren en
zullen de opvolging van deze toezeggingen blijven volgen.
Wij kunnen ons voorstellen dat het kabinet vraagtekens plaatst bij de
melding van onregelmatigheden die al vooraf hersteld en gecorrigeerd
zijn. Wij willen echter in herinnering roepen dat het in de periode
2000–2006 altijd zo was dat de gelden die betrokken waren bij een door de
lidstaat gemelde en gecorrigeerde onregelmatigheid behouden bleven
voor het programma, terwijl dit voor onregelmatigheden die niet gemeld
waren, niet het geval was.
Verder nemen wij met instemming kennis van de aandacht die voor de periode 2007–2013 in het operationeel programma voor ESF besteed is aan de opzet van de evaluatie. Wij zijn verheugd met de toezegging dat het Ministerie van EZ als beleidsverantwoordelijk ministerie voor het doelstelling 2-programma EFRO zijn inspanningen zal opvoeren om de realisatie van EU-beleid beter inzichtelijk te maken. Het invoeren van een monitorsysteem zien wij daarbij als een positieve stap. Wij gaan ervan uit dat dit dan vervolgens bruikbare informatie zal opleveren voor de Tweede Kamer.
DEEL 1 EU-INSTELLINGEN
1 INLEIDING DEEL 1
Deel 1 van het EU-trendrapport 2007 is gericht op de ontwikkelingen in het financieel management, de rechtmatigheid van de bestedingen en de doeltreffendheid van het EU-beleid voor de EU als geheel, op het niveau van de Europese instellingen. Onderstaand overzicht geeft aan welke onderwerpen uit het EU-trendrapport in deel 1 aan de orde komen.
Deel 1: Kwaliteit EU systemen financieel management, rechtmatigheid en doeltreffendheid EU-beleid voor totaal en per begrotingshoofdstuk
Ontwikkelingen in beleid EU voor financieel management
Kwaliteit systemen financieel management EU
-
Rechtmatigheid bestedingen per hoofdstuk EU-begroting
Doeltreffendheid beleid per hoofdstuk EU-begroting
Aan de orde komen hierbij:
-
•Financiële perspectieven
-
•Ontwikkelingen financieel management
-
•Beleidswijzigingen per uitgavencategorie
Aan de orde komen hierbij: Aan de orde komen hierbij: Aan de orde komen hierbij:
Planning en begroting Controle en onderzoek Interne audit Verantwoording Externe audit
Eigen middelen Gemeenschappelijk landbouwbeleid Structurele acties Intern beleid Externe maatregelen Pretoetreding Administratieve uitgaven
Gemeenschappelijk landbouwbeleid Structurele acties Intern beleid
Wordt volledig behandeld, inclusief indicatoren
Wordt op hoofdlijnen behandeld, met indicatoren (indien reeds beschikbaar)
Wordt buiten beschouwing gelaten
Leidt idealiter tot
Zoals het overzicht aangeeft ligt in deel 1 de nadruk op de kwaliteit van de systemen voor financieel management in de EU en de rechtmatigheid van de bestedingen in de EU als geheel (per begrotingshoofdstuk). Voor deze aspecten formuleren we indicatoren. Op basis van openbaar beschikbare informatie kennen we daaraan vervolgens waarden toe. Ook de onderwerpen in de grijsgetinte blokken («recente ontwikkelingen in het beleid van de EU voor financieel management» en «informatie over de doeltreffendheid van het EU-beleid») krijgen aandacht in deel 1, maar meer in beschrijvende zin.
De indeling van deel 1 is als volgt:
-
•Hoofdstuk 2: kerncijfers EU-breed over bijdragen van lidstaten aan de EU-begroting en de uitgaven van de EU in de lidstaten.
-
•Hoofdstuk 3: ontwikkelingen in het EU-beleid op het gebied van financieel management, zoals de nieuwe financiële perspectieven 2007-2013, en het vanuit het Europees Parlement en de Europese Commissie geïnitieerde streven naar een andere controlesystematiek in de Unie.
Hoofdstuk 4: globale beoordeling van de kwaliteit van het financieel management van de Europese Commissie, op basis van enkele indicatoren ter zake van begroting, controle, audit en verantwoording. Hoofdstuk 5: beoordeling van het inzicht in en mate van rechtmatigheid van de bestedingen per hoofdstuk van de EU-begroting, aan de hand van enkele indicatoren.
Hoofdstuk 6: beschrijving van een aantal bevindingen over de doeltreffendheid van het EU-beleid voor de drie belangrijkste geldstromen: gemeenschappelijk landbouwbeleid, structuurbeleid en intern beleid. Hoofdstuk 7: conclusies en trends bij deel 1.
2 EU-BREED: KERNCIJFERS 2005
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de ontvangsten van de EU tot en met 2005, oftewel de bijdragen die de lidstaten leveren aan de EU-begro-ting (§ 2.1) en van de uitgaven die de EU doet vanuit deze begroting (§ 2.2). Ook staan we stil bij het saldo van deze bijdragen en uitgaven: het overschot op de EU-begroting als gevolg van onderbesteding (§ 2.3).
2.1 Bijdragen lidstaten aan EU-begroting
In 2004 en 2005 werden de totale uitgaven van de EU begroot op respectievelijke 99,7 en € 106,3 miljard.
Om de uitgaven te financieren hebben de lidstaten zoals elk jaar een per land vastgesteld bedrag afgedragen aan Brussel. Deze bijdragen aan de begroting van de EU vormen het grootste deel van de zogenoemde eigen middelen van de EU.
2.1.1 Eigen middelen
De eigen middelen van de EU zijn opgebouwd uit drie soorten bijdragen (ook wel: afdrachten) van de lidstaten:
-
•traditionele eigen middelen: 75% van de door de lidstaten geïnde landbouwrechten, heffingen suiker en douanerechten;
-
•BTW-middelen: een EU-breed vastgesteld percentage (met een plafond) van de BTW-grondslag oftewel het consumptiepeil van de afzonderlijke lidstaten;
-
•Afdrachten die gerelateerd zijn aan het bruto nationaal inkomen (BNI) van de lidstaten.
Overzicht 1. Werkelijke ontvangsten EU 2000–2005 (in miljoenen euro’s).
2000 |
2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
2005 |
|
werkelijke |
werkelijke |
werkelijke |
werkelijke |
werkelijke |
werkelijke |
|
ontvangsten |
ontvangsten |
ontvangsten |
ontvangsten |
ontvangsten |
ontvangsten |
|
Traditionele eigen middelen: |
15 267,1 |
14 589,2 |
9 214,0 |
10 857,2 |
12 307,1 |
14 063,1 |
Landbouwrechten |
1 198,4 |
1 132,9 |
1 180,3 |
1 349,1 |
1 751,2 |
1 350 |
Heffingen Suiker |
1 196,8 |
840,0 |
864,8 |
510,8 |
535,5 |
695,1 |
Douanerechten |
14 568,3 |
14 237,4 |
12 917,5 |
12 616,1 |
14 122,8 |
12 017,2 |
Af: inningskosten |
|
|
|
|
|
|
BTW-middelen |
35 192,5 |
31 320,3 |
22 388,2 |
21 260,1 |
13 912,2 |
16 018,0 |
BNI-afdracht |
37 580,5 |
34 878,8 |
45 947,6 |
51 235,2 |
68 982,0 |
70 860,6 |
Correctie Verenigd Koninkrijk* |
|
70,3 |
148,2 |
280,1 |
|
|
Werkelijk afgedragen eigen middelen |
87 969,2 |
80 718,1 |
77 698,0 |
83 632,5 |
95 053,3 |
100 811,1 |
Overige ontvangsten: |
4 755,2 |
13 571,2 |
17 736,4 |
9 836,1 |
8 458,7 |
6 279,5 |
Overschot voorgaand jaar |
3 209,1 |
11 612,7 |
15 375,0 |
7 676,8 |
5 693,0 |
3 262,7 |
Diverse ontvangsten |
1 546,1 |
1 958,5 |
2 361,4 |
2 159,3 |
2 765,7 |
3 016,8 |
Totaal |
92 724,4 |
94 289,3 |
95 434,4 |
93 468,6 |
103 511,9 |
107 090,6 |
Bron: Jaarverslagen Europese Rekenkamer 2000–2005.
-
*Het hier weergegeven bedrag is niet de «rebate» voor het Verenigd Koninkrijk, maar een boekhoudkundige verrekening daarvan. De «rebate» zelf
(dit is het deel van de Britse afdracht aan de EU dat het Verenigd Koninkrijk nog steeds krijgt gecompenseerd vanwege het welvaartsverschil dat
vroeger bestond tussen dit land en de overige lidstaten) bedroeg in 2005 ruim € 5 miljard.
Het overzicht laat zien dat er na jaren van min of meer gelijkblijvende bijdragen van de lidstaten aan de EU-begroting, sinds 2004 sprake is van een toename. De reden daarvoor ligt in de toetreding van tien nieuwe lidstaten aan de Unie in 2004.
2.1.2 Overige bijdragen lidstaten
Europees Ontwikkelingsfonds
Het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) geeft financiële ondersteuning
aan projecten en programma’s die bijdragen aan sociale en economische
ontwikkeling van landen en gebieden in Afrika, het Caribisch gebied en de
Stille Oceaan. Het fonds wordt apart van de algemene begroting van de
EU geadministreerd en heeft een eigen financieel reglement.1
In juli 2006 bracht de Europese Commissie het jaarlijks rapport uit over
het financieel management van het EOF (Europese Commissie, 2006a). Dit
rapport heeft betrekking op de afwikkeling van de zesde tot en met het
achtste ontwikkelingsfonds en het lopende, negende fonds. Het negende
fonds heeft een looptijd tot december 2007.
De bijdragen uit de lidstaten aan het negende EOF bedroegen tezamen € 14,943 miljard. Overdrachten uit de oude EOF’s bedroegen volgens het verslag eind 2005 € 29,512 miljard. In totaal was er eind 2005 dus een bedrag beschikbaar van ruim € 44 miljard.
Bij de besluitvorming over de financiële perspectieven voor de periode 2007–2013 is besloten geen verandering aan te brengen in de wijze waarop het EOF gefinancierd wordt. Het EOF wordt derhalve niet opgenomen in de EU-begroting.
2.2 Uitgaven door EU 2000–2005
2.2.1 Gerealiseerde uitgaven EU per begrotingshoofdstuk
Overzicht 2 toont de gerealiseerde uitgaven (2000–2005) van de EU per begrotingshoofdstuk. Er zijn vijf beleidshoofdstukken: gemeenschappelijk landbouwbeleid, Structurele acties, intern beleid, externe maatregelen en pre-toetredingssteun. Onder de «administratieve uitgaven» vallen behalve uitgaven voor de Commissie en pensioenen ook de uitgaven voor de andere instellingen van de EU, zoals het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer.
Overzicht 2. Werkelijk verrichte betalingen per begrotingshoofdstuk financiële perspectieven 2000–2005 (in miljoenen euro’s).
2000 |
2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
2005 |
|
Gemeenschappelijk landbouwbeleid |
40 505,9 |
41 533,9 |
43 520,6 |
44 379,2 |
43 579,4 |
48 465,8 |
Structurele acties |
27 590,8 |
22 455,8 |
23 499,0 |
28 527,6 |
34 198,3 |
32 763,2 |
Intern beleid |
5 360,8 |
5 303,1 |
6 566,7 |
5 671,8 |
7 255,2 |
7 972,1 |
Externe maatregelen |
3 841,0 |
4 230,6 |
4 423,7 |
4 285,8 |
4 605,8 |
5 013,1 |
Pre-toetredingssteun |
1 203,4 |
1 401,7 |
1 754,4 |
2 239,8 |
3 052,9 |
2 984,6 |
Administratieve uitgaven |
4 643,0 |
4 855,1 |
5 211,6 |
5 305,2 |
5 856,4 |
6 191,4 |
Compensatie nieuwe lidstaten |
- |
- |
- |
- |
1 409,5 |
1 305,0 |
Reserves |
186,3 |
207,2 |
170,5 |
147,9 |
181,9 |
140,1 |
Totaal |
83 331,1 |
79 987,4 |
85 144,5 |
90 5 57,3 |
100 139,4 |
104 835,2 |
Bron: Jaarverslagen Europese Rekenkamer 2000–2005.
1 Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het Europees Ontwikkelingsfonds. Publicatieblad van de Europese Unie, L83 van 1 april 2003.
Het overzicht laat zien dat er sinds 2003 sprake is van een toename van de werkelijk verrichte betalingen bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het intern beleid, de externe maatregelen en de administratieve uitgaven. Bij het structuurbeleid en de pre-toetredingssteun is juist sprake van minder betalingen.
De bedragen die in 2004 en 2005 zijn uitbetaald onder de noemer «compensatie» waren bedoeld om ervoor te zorgen dat de nieuwe
lidstaten in de eerste jaren van hun lidmaatschap netto-ontvanger zouden zijn. In 2005 waren deze bedragen lager dan in 2004.
2.2.2 Overige uitgaven
Europees ontwikkelingsfonds
In totaal hadden aan het eind van 2005 de lidstaten ruim € 44 miljard bijgedragen aan het zesde tot en met het negende EOF. Van dit beschikbare totaalbedrag was volgens het jaarlijks rapport over het financieel management van het Europees Ontwikkelingsfonds eind 2005 bijna € 39 miljard gecommitteerd, en ruim € 28 miljard besteed (Europese Commissie, 2006a). Voor bijna € 16 miljard was aan het einde van 2005 dus nog niet duidelijk waaraan het besteed zou gaan worden.
2.3 Saldo EU-begroting
Anders dan de Nederlandse begroting mag de EU-begroting geen overschot of tekort hebben. Alle uitgaven moeten worden gedekt door inkomsten en niet-bestede kredieten moeten terugvloeien naar de lidstaten. Dat laatste gebeurt ofwel door de betreffende bedragen te verrekenen met de afdrachten van de lidstaten over latere jaren, ofwel door de bedragen volgens een bepaalde verdeelsleutel terug te storten aan de lidstaten.
In 2005 bedroeg het overschot op de EU-begroting (exclusief wisselkoersverschillen en bestemmingsontvangsten) ruim € 2,2 miljard. In de jaren 2001–2004 was dit respectievelijk € 14,9 miljard, € 8,4 miljard, € 5,5 miljard en € 2,1 miljard. Er is dus in de afgelopen jaren sprake van een stapsgewijze afname van het overschot, met een stabilisatie in 2004 en 2005.
3 ONTWIKKELINGEN IN BELEID FINANCIEEL MANAGEMENT EU
In dit hoofdstuk schetsen we de ontwikkelingen die zich in het afgelopen jaar hebben voorgedaan in het EU-beleid voor financieel management. Allereerst komen de onderhandelingen over de nieuwe financiële perspectieven aan de orde (§ 3.1). Vervolgens gaan we in op de voorstellen die van verschillende kanten zijn gedaan om het internecontrolesysteem te verbeteren (§ 3.2). Ten slotte staan we stil bij de overige relevante beleidswijzigingen; we behandelen deze per uitgavencategorie (§ 3.3).
3.1 Financiële perspectieven 2007-2013
Op 15 en 16 december 2005 voerden de EU-regeringsleiders in de Europese Raad overleg over de financiële perspectieven 2007-2013, onder voorzitterschap van het Verenigd Koninkrijk. Discussiepunten waren:
-
•een voorgestelde verlaging van de structuurfondsen;
-
•een voorgestelde bezuiniging op plattelandsontwikkeling (in reactie op het Commissievoorstel ter zake en een eerder compromisvoorstel van het Luxemburgse voorzitterschap);
-
•een reductie op de «rebate» voor het Verenigd Koninkrijk.2
Nederland was ontevreden over de voorgestelde verbetering van de Nederlandse nettobetalingspositie met €850 miljoen per jaar (oftewel € 5,9 miljard over de gehele periode 2007-2013). Op 17 december 2005 kwam het laatste onderhandelingsbod ter tafel. De belangrijkste elementen daarin waren een reductie op de Britse «rebate» van € 10,5 miljard voor de gehele periode 2007-2013 en toekenning van meer EU-middelen aan met name de nieuwe lidstaten. Hiermee zou het uitgavenniveau komen te liggen op 1,045% van het gezamenlijke bruto nationaal inkomen (BNI).
Gevolgen van het EU-begrotingsvoorstel 2007–2013 voor Nederland
Voor Nederland was in het Britse voorstel een correctie van € 1 miljard per jaar opgenomen, die deels zou worden gegenereerd door een korting op de BTW-afdrachten en deels door een jaarlijkse korting op de Nederlandse BNI-afdrachten. Door de combinatie van een relatief laag uitgavenplafond (1,045%) en de specifieke korting voor Nederland, zou met dit voorstel een besparing van ongeveer € 7 miljard in de periode 2007–2013 voor Nederland worden gerealiseerd (Europese Raad, 2005).
2 Dit is het deel van de Britse afdracht aan de EU dat het Verenigd Koninkrijk krijgt gecompenseerd vanwege het welvaartsverschil dat vroeger bestond tussen dit land en de overige lidstaten.
3 Gezien de voortdurende onderbesteding op de EU-begroting in de periode 2000–2006 is dit percentage echter nooit gehaald.
4 Het bedrag betreft de vastleggingskredieten.
5 In prijzen 2006 betekent dit – inclusief inflatie een totaal begrotingsbedrag van circa € 975 miljard. Zie 2006/C 139/01, Publicatieblad van de EU, C139 van 14 juni 2006 en COM(2006) 327 def. van 22 juni 2006. De financiële perspectieven van de EU-25 bedroegen voor de periode 2000–2006 in prijzen 2006 € 752,2 miljard. Zie 2005/708/EG, Publicatieblad L269 van 14 oktober 2005.
Alle 25 lidstaten hebben uiteindelijk ingestemd met het Britse voorstel. Concreet betekent dit dat er voor de nieuwe financiële perspectieven wordt gewerkt met een maximumpercentage van 1,045% van het gezamenlijk BNI. Voor de financiële perspectieven 2000–2006 bedroeg dit percentage nog circa 1,10% van het gezamenlijk BNI.3
In mei 2006 is over de financiële perspectieven 2007–2013 een nieuw «interinstitutioneel» akkoord gesloten tussen de Europese Raad (i.e. de nationale regeringsleiders), de Europese Commissie en het Europees Parlement. De Europese Raad van december 2005 had het totaalbedrag van de perspectieven vastgesteld op € 862,4 miljard.4 In de onderhandelingen met het Parlement werd dit verhoogd tot € 864,3 miljard (prijzen
2004).5
Op 17 mei 2006 zijn de afspraken goedgekeurd door het Europees Parlement. Daarbij heeft het Parlement wel aangegeven dat een aantal
problemen nog opgelost diende te worden, zoals de wijze waarop de uitgaven worden gedekt.
Pas nadat alle lidstaten het nieuwe akkoord hebben geratificeerd, zal het met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2007 inwerking treden.
3.2 Stand van zaken verbetering financieel management
3.2.1 Routekaart en actieplan Europese Commissie
Ontwikkelingen rond de routekaart
In het EU-trendrapport 2006 hebben wij vermeld dat de Commissie in 2005 een «routekaart» voor een geïntegreerd interne-controlekader heeft gepresenteerd. Deze routekaart werd op 15 juni 2005 voorgelegd aan het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Rekenkamer. In de routekaart werd voorgesteld de lidstaten een nadrukkelijker rol te laten spelen bij controle en verantwoording over de besteding van EU-gelden. De bedoeling hiervan was de instellingen en de lidstaten aan te moedigen tot nauwere samenwerking, om zo te komen tot een kader voor interne controles op de EU-geldstromen van begin tot eind. De Europese Rekenkamer zou daarmee van voldoende en redelijke bewijzen kunnen worden voorzien om een positieve betrouwbaarheidsverklaring te kunnen opstellen over de wettigheid en regelmatigheid van de transacties, voornamelijk betalingen (Europese Commissie, 2005a). In de Ecofinraad van 8 november 2005 bleek dat er onder de lidstaten onvoldoende steun bestond voor deze plannen van de Commissie. Met name het voorstel om te komen tot «lidstaatverklaringen» (waarin een nationale regering verantwoording af over de juiste besteding van ontvangen EU-gelden), riep veel weerstand op.
De regeringsleiders hebben uiteindelijk een aantal instructies opgesteld voor de nadere uitwerking (maar ook inperking) van de plannen van de Commissie.
Het actieplan
De diensten van de Europese Commissie hebben parallel aan de gebeurtenissen rond de routekaart een inventarisatie gemaakt van de bestaande leemten («gap assessment») in de huidige interne controle op de besteding van EU-gelden. Daarbij werd de huidige situatie vergeleken met een geïntegreerd interne-controlekader dat een aanvaardbare controlezekerheid zou bieden.6
Op basis van deze «gap assessment» en de instructies van de Raad heeft de Commissie op 17 januari 2006 een actieplan voor een geïntegreerd interne-controlekader uitgebracht (Europese Commissie, 2006b). Het actieplan omvat een lijst van in 2006-2007 uit te voeren stappen op basis van de wensen die het Europees Parlement en de Raad naar aanleiding van de «routekaart» hadden. De acties betreffen:
-
•vereenvoudiging van regelgeving en het opstellen van gemeenschappelijke controlebeginselen (acties 1-4);
-
•beheersverklaringen en controlezekerheid, waaronder lidstaatverklarin-gen (acties 5-8);
-
•«single audit»-aanpak: resultaten bekendmaken en prioriteit geven aan kostenbatenverhouding (acties 9-11);
-
•het oplossen van sectorspecifieke leemten (acties 12-16).
6 Bron: http://ec.europa.eu/commission_ barroso/kallas/positive_declaration_en.htm (website EU-commissaris Kallas), geraadpleegd op 6 november 2006.
In juli 2006 heeft de Commissie een notitie gepresenteerd over de voortgang die inmiddels was geboekt met de implementatie van het actieplan (Europese Commissie, 2006c). De meeste voortgang bleek te zijn geboekt met het oplossen van sectorspecifieke leemtes. Verder wordt
gemeld dat de National Audit Office (Verenigd Koninkrijk) en het Nederlandse Ministerie van Financiën de mogelijkheden voor het opstellen van een lidstaatverklaring aan het verkennen waren.
Met een ander initiatief uit het actieplan van de Europese Commissie, de «contracts of confidence», was medio 2006 nog geen concrete vordering gemaakt.7 Het betreft hier de wens van de Commissie om voor het beheer van structuurfondsmiddelen bilaterale contracten af te sluiten met individuele lidstaten. Volgens het actieplan zouden per 30 september 2006 deze contracten moeten zijn gesloten met minimaal acht lidstaten, op basis van vrijwillige medewerking.
Uit de genoemde notitie van de Commissie blijkt dat er slechts met drie lidstaten (Oostenrijk, Portugal en het Verenigd Koninkrijk)8 onderhandelingen gaande zijn. De notitie geeft niet aan hoe de «contracts of confi-dence» zich volgens de Commissie verhouden tot lidstaatverklaringen.
Overigens zal de Commissie ieder jaar een gedetailleerd verslag openbaar maken over de geboekte voortgang; het eerste zal eind 2006 worden uitgebracht.
3.2.2 Financiële perspectieven en financieel reglement
Meer verantwoordelijkheid lidstaten voor beheer EU-geldstromen Het interinstitutionele akkoord over de nieuwe financiële perspectieven 2007–2013 gaat ook in op verbetering van het financieel management en de rol van lidstaten daarin. Artikel 44 stelt dat het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie het eens zijn over het belang van de verbetering van interne controle zonder dat dit administratieve lasten met zich meebrengt. Om te komen tot een positieve betrouw-baarheidsverklaring van de Europese Rekenkamer vinden ze dat prioriteit moet worden gegeven aan een solide financieel management van geldstromen voor programma’s die gezamenlijk (in «gedeeld beheer») worden uitgevoerd door de Commissie en partijen in de lidstaten. In dit verband dienen de relevante audit-autoriteiten van de lidstaten een overzicht te maken van de mate waarin de management- en controlesystemen voldoen aan de regels van de EU. De lidstaten zouden jaarlijks op het van toepassingen zijnde nationale niveau een samenvatting moeten maken van de beschikbare audits en verklaringen.
7 Zie voor een nadere bespreking van de «contracts of confidence» het EU-trendrapport 2006 , p. 28 (Algemene Rekenkamer, 2006).
8 Voor deze laatste lidstaat betreft het alleen Wales.
9 In het COREPER van 17 oktober 2006 zijn wijzigingen in het document aangebracht, maar is dit specifieke onderwerp aangeno-
De Spaanse delegatie (met steun van Duitsland, België, Frankrijk, Italië, Griekenland en Litouwen) heeft een unilaterale verklaring gevoegd bij het nieuwe interinstitutionele akkoord. Hierin geeft Spanje aan dat artikel 44 geen verandering brengt in de volledige verantwoordelijkheid van de Commissie voor de implementatie van de EU-begroting zoals vastgelegd in artikel 274 van het Verdrag, en dat alléén de Commissie informatie aan het Europees Parlement kan sturen over de uitvoering van de begroting en het functioneren van de financiële controlesystemen. De inhoud van artikel 44 van het interinstitutionele akkoord is door het Comité van Permanente Vertegenwoordigers (COREPER) van 19 oktober 2006 verwerkt in de herziening van het financieel reglement (Europese Raad, 2006a).9 Daarin wordt nu ook aangegeven dat Lidstaten de betreffende jaarlijkse samenvatting op moeten stellen.
3.2.3 Andere initiatieven Europese Commissie
Europees transparantie-initiatief
De inspanningen van de Europese Commissie om te komen tot meer
men.
transparantie gaan door. Nadat zij eerder (9 november 2005) het voorstel voor een «Europees transparantie-initiatief» had gelanceerd (Europese Commissie, 2005b), bracht zij op 3 mei 2006 een «groenboek» uit over dit onderwerp (Europese Commissie, 2006d). In dit groenboek zijn drie onderwerpen aangewezen waarover de Commissie een open, publieke raadpleging organiseert. Deze drie onderwerpen zijn:
-
•een beter gestructureerd kader voor activiteiten van belangenvertegenwoordigers (lobbyisten);
-
•terugkoppeling over de minimumnormen die de Commissie hanteert voor raadpleging van belanghebbenden ;
-
•verplichte openbaarmaking van informatie over eindbegunstigden van EU-subsidies die in gedeeld beheer met de lidstaten worden uitgegeven.
Het doel van de openbare raadpleging is om te komen tot concrete maatregelen en zonodig wetgevingsvoorstellen over transparantie. De publieke raadpleging vindt plaats met behulp van een website waarop geïnteresseerden en belanghebbenden hun mening aan de Commissie kenbaar kunnen maken.10
Voorbeeld van een transparantiemaatregel
Een concreet voorbeeld van een Commissiemaatregel die moet zorgen voor meer transparantie, is onlangs getroffen vanuit het DG Begroting. Dit DG heeft aan alle nationale rekenkamers van de lidstaten een lijst gestuurd met bedragen die door de eigen lidstaat in 2005 uit het EU-budget zijn ontvangen. Het aan Nederland toegestuurde overzicht is opgenomen in § 14.1 van dit rapport.
Overigens wordt ook buiten de Commissie, bijvoorbeeld door belangenorganisaties, gewerkt aan transparantie. Zo worden de eindbegunstigden van EU-subsidies inmiddels door verschillende instanties openbaar gemaakt op diverse websites. De Commissie presenteerde bijvoorbeeld een website met gegevens over landbouwsubsidies alsmede een centraal webportaal met informatie over eindbegunstigden die door de Commissie beheerde EU-subsidies ontvangen.11 Op termijn zullen op dit webportaal links naar websites van lidstaten worden opgenomen waarop informatie is te vinden over eindbegunstigden van EU-subsidies die in gedeeld beheer worden besteed (Fischer Boel, 2006).
3.3 Beleidswijzigingen per uitgavencategorie
3.3.1 Gemeenschappelijk landbouwbeleid
10 De website http://ec.europa.eu/comm/eti/ index_en.htm stond vanaf de openbaarmaking van het groenboek (3 mei 2006) tot en met 31 augustus 2006 open. Alle bijdragen van geconsulteerde organisaties werden op de website gepubliceerd.
11 Http://www.farmsubsidy.org en http://ec.europa.eu/grants/beneficaries_en.htm.
12 Om in aanmerking te komen voor de bedrijfstoeslag, moet de boer beschikken over toeslagrechten. Deze toeslagrechten worden berekend op basis van de betalingen die hij tijdens de referentieperiode 2000–2002 heeft ontvangen (historisch model).
De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid staat al jaren op de Europese agenda; het formele besluit hiertoe van de Landbouwraad, waarin de landbouwministers van de lidstaten zitting hebben, dateert van juni 2003 (Europese Raad, 2003).
In hoofdlijnen komt het nieuwe systeem erop neer dat subsidies in de nabije toekomst niet langer gebaseerd zijn op hoeveelheden en aantallen geproduceerde producten, maar op historische gegevens over eerder verkregen landbouwsubsidies,12 die per bedrijf in één bedrag worden uitgekeerd (de zogenoemde bedrijfstoeslag of «single farm payment»). Dit nieuwe, van de productie ontkoppelde subsidiesysteem moet voorkomen dat er overschotten ontstaan. Verder zou er in het nieuwe systeem meer geld vrij moeten komen voor kleinere bedrijven en voor plattelandsontwikkeling, doordat betalingen aan grote bedrijven worden verlaagd (in EU-jargon: «gemoduleerd»). Daarnaast is besloten dat de marktordenings-
mechanismen voor melk, rijst, granen, harde tarwe, gedroogde voedergewassen en noten worden hervormd.
«Cross-compliance»
Om in aanmerking te komen voor landbouwsubsidies moeten producenten van landbouwproducten voldoen aan een aantal randvoorwaarden (de zogenoemde «cross compliance»). De landbouwer dient zijn grond in goede landbouwconditie te houden en bepaalde regels in acht te nemen inzake de gezondheid van mens, dier en plant en inzake milieu en dierenwelzijn.
De eisen op het punt van goede landbouwpraktijken mogen overigens per lidstaat worden vastgesteld, afhankelijk van de landbouwomstandigheden en de milieu- en bodemgesteldheid van die lidstaat. Voldoet een aanvrager niet aan de randvoorwaarden, dan wordt zijn subsidie gekort. Voorlopig lijkt de controle op het al dan niet voldoen aan de randvoorwaarden een van de ingewikkeldste punten van het hervormde landbouwbeleid te worden.
Beschikbaarbudget
Volgens de financiële perspectieven 2007–2013 is er voor het hervormde landbouwbeleid van de Unie (inclusief Roemenië en Bulgarije) € 418 miljard beschikbaar. Hiervan is € 330,1 miljard beschikbaar voor marktordeningsmechanismen en rechtstreekse betalingen (Europese Commissie, 2006e).13 Ter vergelijking: in de periode 2000–2006 was dit respectievelijk € 333,6 miljard en € 294,3 miljard.14
13 In lopende prijzen.
14 Besluit 2005/708/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 tot aanpassing van de financiële vooruitzichten 2000–2006.
15 Het nationale totaalbedrag wordt door de Commissie vastgesteld en is gelijk aan de som van alle rechtstreekse betalingen die de betrokken lidstaat op grond van de gewone regelingen voor rechtstreekse betalingen zou ontvangen. Artikel 143 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003.
16 Er zijn in het kader van deze regeling geen braakleggingsverplichtingen en geen betalingen per dier of per geproduceerde ton product; er zijn alleen betalingen per hectare landbouwgrond.
17 Bron: http://ec.europa.eu/agriculture/ markets/sfp/faq/index_nl.htm#5 (website Europese Commissie).
Nieuwe lidstaten en het hervormde gemeenschappelijk landbouwbeleid De tien lidstaten die in 2004 tot de EU zijn toegetreden kunnen gedurende een overgangsperiode van drie jaar (die met twee jaar kan worden verlengd) voor de toekenning van rechtstreekse betalingen aan de landbouwers gebruikmaken van een specifieke regeling, waarbij alleen de oppervlakte van een landbouwbedrijf maatgevend is voor de hoogte van de subsidie.15 Deze regeling (de «regeling inzake een enkele areaalbetaling») is eenvoudiger dan de regeling voor bedrijfstoeslagen, omdat slechts bepaalde instrumenten van het geïntegreerd beheer- en controlesysteem hoeven te worden gebruikt.16
Alle nieuwe lidstaten met uitzondering van Slovenië en Malta passen de regeling inzake een enkele areaalbetaling toe. Slovenië en Malta hebben ervoor gekozen de oude regelingen voor akkerbouwgewassen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toe te passen.
Recapitulatie stand van zaken hervorming gemeenschappelijk
landbouwbeleid
In juli 2006 was de situatie in de lidstaten volgens informatie van de
Europese Commissie als volgt:17
-
•Tien lidstaten (België, Denemarken, Duitsland, Ierland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, het Verenigd Koninkrijken Zweden) passen vanaf 2005 de bedrijfstoeslagregeling toe. In deze lidstaten bestaan er geen areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen meer; deze zijn volledig in de bedrijfstoeslag opgenomen.
-
•Zeven lidstaten (Finland, Griekenland, Frankrijk, Malta, Nederland, Slovenië en Spanje) moeten de bedrijfstoeslagregeling in 2006 of uiterlijk in 2007 invoeren. In deze lidstaten is in 2005 nog de traditionele regeling voor akkerbouwgewassen toegepast en blijft die regeling gelden tot en met het jaar vóór de invoering van de bedrijfstoeslagregeling.
-
•Acht nieuwe lidstaten (Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slowakije en Tsjechië) passen de regeling inzake een enkele areaalbetaling toe. Na afloop van de overgangsperiode tot uiterlijk in 2009, zal in die lidstaten ook de bedrijfstoeslagregeling gelden.
Wijzigingen van het financieel management
Het beheer van de Europese landbouwgelden zal de volgende veranderingen ondergaan:
-
•Met ingang van boekjaar 2007, dat begint op 16 oktober 2006, wordt het gemeenschappelijk landbouwbeleid gefinancierd uit twee nieuwe fondsen: het Europees Landbouwgarantiefonds (ELG) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). Uit elk van deze twee fondsen wordt één pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gefinancierd, respectievelijk inkomenssteun - de bedrijfstoeslagen en marktordeningsregelingen -(eerste pijler) en plattelandsontwikkeling (tweede pijler).18 Het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (waaruit tot die tijd de landbouwsubsidies worden betaald) zal worden opgeheven.
-
•Naleving van de randvoorwaarden voor landbouwsubsidies zal worden gecontroleerd door nationale autoriteiten die eerder ook al actief waren op het terrein van handhaving.
-
•In het nieuwe regime zal het aantal betaalorganen in de lidstaten tot een minimum aantal worden beperkt. Hiermee verwacht de Europese Commissie beter zicht te krijgen op de uitvoering in de lidstaten en eenduidige uitvoering van de subsidieregels te kunnen vergemakkelijken.
-
•De hoofden van de betaalorganen in de lidstaten gaan jaarlijks, vanaf het boekjaar 2007 een «statement of assurance» (borgingsverklaring) afgeven bij de jaarafrekening.
3.3.2 Structuurbeleid
Op 1 januari 2007 begint de nieuwe programmaperiode van het structuurbeleid waarvoor de Europese Commissie in juli 2004 een pakket met voorstellen had ingediend. Figuur 4 geeft een schematisch overzicht van de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de voorgaande programmaperiode.
18
Zie Verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Figuur 4. Vergelijking structuurfondsperiodes 2000-2006 en 2007-2013
Veranderingen in de financiële en organisatorische randvoorwaarden
Budget
Certificering
■vulling subsidiabiliteit
Cohesiefonds
€ 258,7 miljard, waarvan € 27,8 miljard uit het Cohesiefonds
Drie doelstellingen, vier communautaire initiatieven, innovatieve acties
Zes fondsen: EFRO, EFS, EOGFL-O, EOGFL-G, FIOV, Cohesiefonds
reaus invulling pzet
Drie programmeringsniveaus: communautair steunbestek, enkelvoudig programmeringsdocument (EPD), programmacomplement
Geen
Europese vaststelling regels subsidiabiliteit
Additionalrtert Toetsing additionaliteit
Ierland, Griekenland, Portugal en Spanje
Aparte regimes voor het Cohesiefonds en overige structuurfondsen
N+2-regel
Autoriteiten
Managementautoriteit en betaalautoriteit
We lichten de drie nieuwe doelstellingen hieronder kort toe (Europese Raad, 2006b):
-
•Convergentie. Met deze doelstelling, die dichtbij de oude doelstelling 1 ligt, wordt beoogd de minst ontwikkelde lidstaten en regio’s binnen de Unie sneller aansluiting te laten vinden bij de meer ontwikkelde, door bevordering van de omstandigheden voor economische groei en werkgelegenheid. De financiering zal uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds komen. Voor deze doelstelling is € 283 miljard (81,7% van het totaal van de structuurfondsmiddelen) toegewezen.
-
•Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid. Deze doelstelling is erop gericht om het concurrentievermogen en de aantrekkingskracht van de regio’s binnen de Unie te versterken, en de werkgelegenheid in deze gebieden te verbeteren. De doelstelling geldt voor andere dan de minst begunstigde regio’s. De voor deze doelstelling bestemde middelen bedragen € 55 miljard (ofwel 15,8% van het totaal van de structuurfondsmiddelen), gelijkelijk verdeeld tussen het EFRO en het ESF.
-
•Europese territoriale samenwerking. Deze doelstelling richt zich op versterking van de samenwerking op grensoverschrijdend, transnationaal en interregionaal vlak, uitgaande van het oude initiatief Interreg. De financiering zal vanuit het EFRO plaatsvinden. De totale
middelen voor deze doelstelling bedragen € 8,1 miljard (2,4% van het totaal van de structuurfondsmiddelen).
De jaarlijkse toewijzing van middelen geschiedt op basis van een «progressief maximeringssysteem»: naarmate de relatieve welvaart in een lidstaat hoger is wordt het maximum te ontvangen middelen lager. Het toegewezen bedrag zal altijd lager zijn dan 4% van het bruto binnenlands product (BBP) van de betrokken lidstaat.
Verder wordt voor technische bijstand (beheerskosten) 0,3% van het totaal toegewezen. Lidstaten mogen daarnaast op eigen initiatief een «prestatie-en kwaliteitsreserve» aanleggen van 3% van de middelen (Europese Raad, 2006b, artikel 50). Ten slotte mag een lidstaat op eigen initiatief een reserve19 aanleggen om de gevolgen te kunnen opvangen van onvoorziene lokale of sectorale economische crises (Europese Raad, 2006b, artikel 51).
Een gedeelte van de toegewezen middelen wordt door de Commissie «ambtshalve doorgehaald» (geschrapt) als er geen gebruik van is gemaakt of als aan het einde van het tweede jaar volgend op dat van de toewijzing (de «n+2»-regel) geen enkele betalingsaanvraag is binnengekomen. een uitzondering op deze regel geldt met ingang van de nieuwe programmaperiode voor lidstaten die over de periode 2001–2003 een BBP hadden van minder dan 85% van het gemiddelde van de EU-25 over dezelfde periode. Voor deze lidstaten blijven toegewezen gelden drie jaar beschikbaar (de «n+3»-regel) (Europese Raad, 2006b, artikel 91).
Beheer, toezicht en controle
Beheer, toezicht en controle op de programma’s vinden plaats door drie
instanties die in de structuurfondsverordening worden genoemd:
-
1.Een managementautoriteit. Deze is ervoor verantwoordelijk dat een operationeel programma op efficiënte, doeltreffende en correcte wijze wordt beheerd en uitgevoerd. Zij legt de Commissie uiterlijk op 30 juni van elk jaar een jaarverslag over de uitvoering (voor het eerst in 2008) en uiterlijk op 31 maart 2017 een eindverslag voor.
-
2.Een certificeringsautoriteit. Deze certificeert uitgavenstaten en betalingsaanvragen en dient deze in bij de Commissie. Door middel van de certificering verklaart deze autoriteit dat de documenten juist zijn en in overeenstemming met de communautaire en nationale voorschriften. Zij houdt de boekhoudkundige gegevens bij en zorgt voor de terugvordering van de EU-subsidie in geval van onregelmatigheden.
-
3.Een auditautoriteit. Dit is een onafhankelijke instantie, aangewezen door de lidstaat voor elk operationeel programma. Deze instantie voert aan de hand van een steekproef audits uit en stelt jaarlijkse controleverslagen op. Deze verslagen moeten worden toegestuurd aan de Commissie op 31 december van elk verslagjaar (voor het eerst op 31 december 2008). Bij dit jaarlijkse verslag formuleert de auditautoriteit een «opinion» of advies over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende transacties. Daarnaast geeft zij bij de eindafrekening een controleverslag met eindverklaring af (eenmalig in 2017).
19 1% van de jaarlijkse bijdrage voor de convergentiedoelstelling en van 3% van de jaarlijkse bijdrage voor de doelstelling «Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid».
20 Dit is de zogenoemde «proportionele controleregeling». Zie artikel 74 Europese Raad, 2006b.
Naast deze drie instanties die in de structuurfondsverordening worden genoemd zijn er ook nog door de lidstaat aangewezen instanties:
-
•één instantie die bevoegd is om de betalingen te ontvangen; en
-
•één of meer instanties die verantwoordelijk zijn voor het verrichten van de betalingen aan de begunstigden.
Er is overigens in de structuurfondsverordening een aangepaste regeling opgenomen voor «kleine programma’s».20 Als in een programma de
21
Persbericht nr. 11 554/06 van de Raad, van
EU-bijdrage maximaal 40% bedraagt van de totale overheidsuitgaven voor het programma én deze totale overheidsuitgaven niet groter zijn dan € 750 miljoen, kan de Commissie besluiten om slechts eigen audits ter plaatse te verrichten als zij bewijzen heeft die tekortkomingen in de systemen doen vermoeden. Zij kan ook eisen dat de lidstaat extra audits verricht. Met deze regeling wil de Commissie de controlelasten voor relatief kleine programma’s verlagen.
Vooruitblik evaluaties in programmaperiode 2007–2013 In de nieuwe programmaperiode wordt de evaluatieverplichting minder omvangrijk dan in de huidige periode. Zo vervalt de verplichte actualisering van de evaluatie halverwege (Europese Raad, 2006b, artikel 47–48). Verder mogen voortaan ook indicatoren worden gebruikt die geen informatie geven over de doelrealisatie. Zo blijkt uit een methodologische handleiding van de Commissie voor indicatoren – waarin de mogelijke «kernindicatoren» per programma worden genoemd – dat voor vrijwel alle onderdelen ook de indicator «aantal projecten» is opgenomen (Europese Commissie, 2006f).
Deze aanpassing van de evaluatieverplichtingen kan gevolg hebben dat aan het eind van de nieuwe periode het inzicht in de doeltreffendheid van de programma’s gering is.
3.3.3 Intern beleid
Zevende Kaderprogramma voor onderzoek
Op 24 juli 2006 hebben de EU-regeringsleiders overeenstemming bereikt over het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek voor de periode 2007–2013.21 Het raadsbesluit is aan het Europees Parlement voorgelegd voor tweede lezing, aangezien het Parlement medebeslissingsrecht heeft. Verwacht wordt dat het Zevende Kaderprogramma in het najaar van 2007 onder Fins voorzitterschap door de Europese Raad kan worden gelanceerd.
Het uiteindelijke budget voor het Zevende Kaderprogramma bedraagt € 50,5 miljard. Dat is lager dan de Commissie voorstelde; in de eerste voorstellen was sprake van € 72,7 miljard. Niettemin is er sprake van een aanzienlijke stijging ten opzichte van de vorige periode: voor het Zesde Kaderprogramma, dat een looptijd had van vijf jaar, was een budget beschikbaar van € 17,5 miljard (€ 16,3 miljard voor het EG-gedeelte en € 1,2 miljard voor Euratom).
Met het bereiken van overeenstemming over het budget van € 50,5 miljard werd ook de indicatieve verdeling ervan over de verschillende programma’s bekend. Deze verdeling is opgenomen in het volgende overzicht.
Overzicht 3. Verdeling budget Zevende Kaderprogramma 2007–2013.
Bedrag in miljarden euro’s Subprogramma Prijzen 2006
Gezamenlijk onderzoek 32365 Ontwikkeling gezamenlijke ideeën, inclusief opzetten Europese
Onderzoeksraad 7460 Human resources 4728 Onderzoeksmogelijkheden voor het midden-enkleinbedrijf 4217 Non-nucleair onderzoek door het gezamenlijk onderzoekscentrum inzake nucleaire veiligheid (2007–2011) 1751
Totaal 50521
24 juli 2006.
Overige interne beleidsterreinen
Behalve aan het zevende Kaderprogramma wordt binnen het intern beleid ook nog circa € 30 miljard uitgegeven aan andere beleidsterreinen, zoals trans-Europese netwerken, onderwijs en sociaal beleid.
4 SYSTEMEN VOOR FINANCIEEL MANAGEMENT EU 2003–2005
In dit hoofdstuk bespreken we de uitvoering van het financieel management van de EU door de Europese Commissie. We zetten de resultaten in 2005 af tegen die van 2003 en 2004, waarbij we vooral kijken naar de rol die de directoraten-generaal (DG’s) en diensten van de Europese Commissie in het financieel management spelen. Daarnaast belichten we de werkzaamheden van de Europese Rekenkamer.
Aan de hand van indicatoren beoordelen we de volgende onderdelen van het Europese financieel management:22 de planning en uitvoering van de EU-begroting (§ 4.1), de controles en interne audit die de Europese Commissie verricht (§ 4.2), de verantwoording die de DG’s en diensten van de Commissie afleggen over hun werkzaamheden en resultaten (§ 4.3) en de externe audit die de Europese Rekenkamer jaarlijks verricht naar de jaarrekening van de EU (§ 4.4).
4.1 Planning en uitvoering begroting
4.1.1 Beleidsterreinen en directoraten-generaal
Het grootste deel van de begroting van de EU betreft uitgaven voor activiteiten die worden uitgevoerd door de DG’s van de Europese Commissie, in gedeeld beheer of op gecentraliseerde wijze. Overzicht 4 laat zien welke DG’s betrokken zijn bij de uitvoering bij het beleid uit de verschillende hoofdstukken van de EU-begroting. De overige diensten worden hier buiten beschouwing gelaten.
Overzicht 4. Geraamde uitgaven en aantal vaste personeelsleden per DG van de Europese Commissie in 2004–2005
Begrotingshoofdstuk |
Directoraat-generaal |
2004 |
2005 |
||
Kredieten (mln euro) |
Personeel |
Kredieten (mln euro) |
Personeel |
||
Gemeenschappelijk landbouwbeleid |
Landbouw en plattelandsontwikkeling |
50 460 |
1 125 |
53 186 |
1 243 |
Structuele acties
Landbouw en plattelandsontwikkeling
idem
idem
Regionaal beleid
26 785
646
Werkgelegenheid en sociale zaken
10 839
808
Visserij
931
321
idem
27 295
11 428
1 020
idem
692
909
366
Intern beleid
Energie en vervoer
1 346
1 077
Milieu
320
634
Onderzoek door derden
3 215
1 725
Onderwijs & cultuur
951
713
Ondernemingen
306
944
Mededinging
81
766
Informatiemaatschappij
1 179
1 068
Interne markt
68
535
Eigen onderzoek
306
2 400
1 416
326
3 308
944
381
89
1 375
74
366
1 161
694
1 779
661
1 045
867
1 146
584
2 655
Gezondheid en consumentenbescherming |
469 |
860 |
481 |
946 |
|
Externe maatregelen |
Buitenlandse betrekkingen |
3 526 |
2 404 |
3 333 |
2 734 |
Ontwikkeling en relaties met ACS-landen |
1 176 |
1 446 |
1 231 |
1 943 |
|
Humanitaire hulp |
507 |
167 |
644 |
176 |
22 De in dit hoofdstuk gehanteerde indicatoren verwijzen naar onderwerpen waarover de Algemene Rekenkamer vanuit het perspectief van de nationale rekenkamer van een EU-lidstaat transparante informatievoorziening zou willen zien.
Begrotingshoofdstuk |
Directoraat-generaal |
2004 |
2005 |
||
Kredieten (mln euro) |
Personeel |
Kredieten (mln euro) |
Personeel |
||
Pretoetreding |
Uitbreiding |
1 284 |
310 |
2 003 |
570 |
Eigen middelen |
Begroting1 |
- |
- |
1 370 |
657 |
Belastingen en douane-unie |
106 |
502 |
121 |
564 |
Overige
Economische en financiële zaken
475
Justitie en binnenlandse zaken/Ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid
507
532
376
400
600
538
443
Bron: Financieel verslag Europese Unie 2004 en 2005. De bedragen zijn de aan de DG’s ter beschikking gestelde kredieten. 1 Het Financieel Verslag van de Europese Unie van 2004 bevatte geen gegevens over het directoraat-generaal Begroting.
Het overzicht laat zien dat tussen 2004 en 2005 bij vrijwel alle DG’s zowel de ter beschikking gestelde kredieten als het aantal medewerkers opnieuw23 zijn gegroeid. Alleen bij het DG Onderwijs en Cultuur was sprake van een (kleine) achteruitgang in kredieten en personeel. De groei van het DG Uitbreiding tussen 2004 en 2005 valt op: de kredieten stegen met ruim 55% en het aantal medewerkers met ruim 80%. Dit terwijl tussen 2003 en 2004 de kredieten en het aantal personeelsleden juist sterk teruggebracht waren.
4.1.2 Resultaten planning en uitvoering begroting
Centrale documenten in de begrotings- en beleidscyclus van de DG’s van de Europese Commissie zijn het jaarlijkse managementplan en het jaarlijkse activiteitenverslag . Wij zijn nagegaan of deze documenten over 2005 openbaar beschikbaar zijn, en of er aandacht in wordt besteed aan een aantal onderwerpen die relevant zijn voor financieel management, zoals strategische doelen (worden deze expliciet beschreven in de managementplannen?), activiteitengestuurd management24 (is hierover informatie opgenomen in de activiteitenverslagen?), de opstelling en uitvoering van de begroting (is duidelijk hoeveel capaciteit zoals personeel en tijd daarvoor is ingezet?). We hebben de uitkomsten vergeleken met die over de voorgaande jaren.
Overzicht 5. Planning en uitvoering begroting 2003–2005*
Onderdeel
Indicatoren
Informatie in Waarde 2003 Informatie in Waarde 2004 Informatie in Waarde 2005 2003? 2004? 2005?
Jaarlijks managementplan (JMP)**
Aantal openbaar beschikbare JMP’s
Aantal JMP’s dat strategische en specifieke doelen bevat
Deels
4 vande12 Deels
5 vande12 Deels
9 van de 12
Ja
Elk vande4 Ja
openbare
JMP’s
Elk vande5 Ja
openbare
JMP’s
Elk van de 9
openbare
JMP’s
23 Ook tussen 2003 en 2004 was er sprake van groei bij de meeste directoraten-generaal; zie EU-trendrapport2006 ; § 4.1.1.
24 Voor nadere informatie over activiteiten-gestuurd management, zie EU-trendrapport 2006, § 3.1.
Onderdeel |
Indicatoren |
Informatie in 2003? |
Waarde 2003 |
Informatie in 2004? |
Waarde 2004 |
Informatie in 2005? |
Waarde 2005 |
Jaarlijks activi- |
Aantal openbaar |
Ja |
Alle |
Ja |
Alle |
Ja |
Alle |
teitenverslag (JAV)*** |
beschikbare JAV’s |
||||||
Aandacht voor activi- |
Ja |
Alle onder- |
Ja |
5 van de |
Ja |
Alle |
|
teitengestuurd bud- |
zochte |
onderzochte |
|||||
getteren in JAV |
beleidsDG’s + DG begroting |
beleidsDG’s |
|||||
Gemiddeld % van |
alle 8 |
65,8% (min |
7 van de 8 |
66,6% (min |
Alle 8 |
65,5% (min |
|
capaciteit ingezet |
onderzochte |
48,7%, max |
onderzochte |
49,8% max |
onderzochte |
48,9% max |
|
voor uitvoering |
beleidsDG’s |
78,4%) |
beleidsDG’s |
80%) |
beleidsDG’s |
75,9%) |
|
begroting DG of |
|||||||
dienst (input) |
|||||||
Gemiddeld % uitput- |
alle 8 |
88,4% (min |
alle 8 |
83,5% (min |
Alle 8 |
92,65% (min |
|
ting begroting (out- |
onderzochte |
80,6%, max |
onderzochte |
61,8%, max |
onderzochte |
80% max |
|
put) |
beleidsDG’s |
98%) |
beleidsDG’s |
99,1%) |
beleidsDG’s |
100%) |
De resultaten per directoraat-generaal en/of dienst voor deze en volgende tabellen van dit hoofdstuk zijn opgenomen in bijlage 3.
Bron: JMP’s van beleidsDG’s Landbouw, Regio, Werkgelegenheid, Visserij, Onderwijs en Cultuur, Milieu, Transport en Energie, Onderzoek,
alsmede het DG begroting, het Secretariaat-Generaal, de Interne Auditdienst (IAS) en het Europees antifraudebureau (OLAF).
Bron: Activiteitenverslagen 2003–2005 van acht beleidsDG’s (Landbouw, Regionaal beleid, Werkgelegenheid, Visserij, Onderwijs en Cultuur,
Milieu, Transport en Energie, Onderzoek) en Report on budgetary and financial management 2003, 2004 en 2005.
Jaarlijks managementplan
De DG’s voeren de begroting voor hun eigen beleidsterrein uit. Alvorens
dat te doen stellen ze een jaarlijks werkprogramma op, het jaarlijks
managementplan.25
In 2005 waren de managementplannen van negen van de onderzochte twaalf DG’s en diensten openbaar: van Landbouw, Regio, Werkgelegenheid, Visserij, Onderwijs en Cultuur, Milieu, Transport en Energie, Onderzoek, alsmede het DG begroting. Ter vergelijking: in 2003 en 2004 waren minder dan de helft van de managementplannen van de onderzochte twaalf DG’s en diensten openbaar.
Een belangrijk aspect van de managementplannen in het kader van het activiteitengestuurd management is dat ze de strategische en specifieke beleidsdoelen van het DG weergeven. Op die manier wil de Europese Commissie de kwaliteit van de (resultaten van de) werkzaamheden van de DG’s beter zichtbaar maken.
In alle openbaar gepubliceerde managementplannen waren de strategische en specifieke beleidsdoelen beschreven. De jaarlijkse managementplannen van de onderzochte DG’s geven ten opzichte van voorgaande jaren een verbetering te zien van de beschrijving van de bij de activiteiten behorende doelstellingen, output-, outcome- en impactindica-toren.
25 De overige DG’s en diensten hebben hun jaarlijks managementplan niet openbaar gemaakt. «Openbaar» betekent in dit verband dat de stukken voor iedereen beschikbaar zijn, bijvoorbeeld via een algemeen toegankelijke website. Relevante informatie over de doelen van het beleid van alle directoraten-generaal is opgenomen in «Preliminary Draft General Budget of the European Commission of the Financial Year 2007», Working Document Part II, Activity Statements, Financial Statements and Human Resources, mei 2007.
Jaarlijks activiteitenverslag
Alle jaarlijkse activiteitenverslagen over 2005 zijn openbaar gemaakt. Aan het activiteitengestuurd management van de Europese Commissie werd in 2005 inhoud gegeven door de belangrijkste beleids- en implementatieresultaten die zijn bereikt, te presenteren in overeenstemming met de jaarlijkse managementplannen en -procedures, geordend naar de activiteitengestuurde begrotingslijnen. In 2003 en 2004 was dit nog maar bij een deel van DG’s en diensten het geval. Het activiteitenverslag van DG Regio behandelt met name het beheer van
de financiële middelen. Het geeft daarmee een enigszins onevenwichtige indruk van de activiteiten van het DG.
De meeste beleidsDG’s geven in hun activiteitenverslag over 2005 aan welk percentage van hun capaciteit is besteed aan de uitvoering van de begroting, dat wil zeggen de uitvoering van hun beleid. Dit percentage – met een sterke variatie tussen de DG’s – is rondom de 66% gestabiliseerd. Ook geven de meeste beleidsDG’s aan welk percentage van hun budget in 2005 is uitgeput gedurende het begrotingsjaar. Dit percentage, dat tussen 2003 en 2004 afnam, is in 2005 weer gegroeid.
4.2 Maatregelen van controle door Europese Commissie
4.2.1 Maatregelen van interne controle
Onder de noemer «interne controle» hebben wij gekeken naar de toepassing van interne-controlenormen door de DG’s van de Commissie, en naar de controles ter plaatse die de Commissie in 2005 uitvoerde in de lidstaten.
Overzicht 6. Interne controle door Europese Commissie 2003–2005
Onderdeel |
Indicatoren |
Informatie in 2003? |
Waarde 2003 |
Informatie in 2004? |
Waarde 2004 |
Informatie in 2005? |
Waarde 2005 |
Toepasssing |
Oordeel Europese |
Ja |
50% onder- |
Ja |
29% onder- |
Ja |
Bij 29% onder- |
interne-controle- |
Rekenkamer over toe- |
zochte DG’s |
zochte DG’s |
zochte DG’s en |
|||
normen door |
passing internecon- |
en diensten |
en diensten |
diensten wor- |
|||
DG’s* |
trolenormen door |
voldoet aan |
voldoet vol- |
den normen in |
|||
DG’s en diensten |
de onder- |
ledig aan de |
acht genomen |
||||
(output)** |
zochte normen |
onderzochte normen |
|||||
Controles ter |
Gemiddeld % onder- |
Nee |
- |
Beperkt: 2 |
Te beperkt |
Beperkt: 1 |
50 auditors |
plaatse DG’s in |
zoekscapaciteit per |
van de 8 |
en verschil- |
van de 8 |
van Audit |
||
lidstaten*** |
beleidsDG afgezet tegen de totale capaciteit per DG (input) |
beleidsDG’s |
lend om waarde te geven |
beleidsDG’s |
Directorate |
||
Gemiddelde realisa- |
Deels: 4 van |
3 DG’s ieder |
Deels: 5 van |
Te verschil- |
Deels: 6 van |
Te verschillend |
|
tie beleidsDG’s |
de 8 beleids- |
circa 25 con- |
de 8 DG’s |
lend om |
de 8 beleids |
om waarde te |
|
geplande controles in |
DG’s |
troles, 1 DG |
waarde te |
DG’s |
geven; 1 DG |
||
lidstaten (output) |
27% programma’s |
geven |
meer gerealiseerd dan gepland |
||||
Gemiddelde realisa- |
Nee |
- |
Beperkt: 2 |
Te beperkt |
Beperkt: 1 |
Te beperkt om |
|
tie beleidsDG’s |
van de 8 |
en verschil- |
van de 8 |
waarde te ge- |
|||
geplande openbare |
beleidsDG’s |
lend om |
beleidsDG’s |
ven |
|||
rapportages (output) |
waarde te geven |
||||||
Gemiddelde realisa- |
Nee |
- |
Beperkt: 1 |
Te beperkt |
Beperkt: 1 |
Te beperkt om |
|
tie openbare rappor- |
van de 4 |
om waarde |
van de 4 |
waarde te |
|||
tages met expliciet |
te geven |
geven |
|||||
oordeel over lidstaten |
|||||||
door «gedeeld be- |
|||||||
heer»-DG’s (output) |
Onderdeel
Indicatoren
Informatie in 2003?
Waarde 2003
Informatie in 2004?
Waarde 2004
Informatie in 2005?
Waarde 2005
Gemiddelde realisatie openbare rapportages met expliciet oordeel over lidstaten door «intern beleid»-DG’s (output)
Nee
Beperkt: 1 van de 4
Te beperkt om waarde te geven
Nee
Bron: Jaarverslagen 2003–2005 Europese Rekenkamer.
De analyse van de Europese Rekenkamer in haar jaarverslagen betreft de invoering van de acht interne-controlenormen die rechtstreeks verband houden met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen voor de voornaamste directoraten-generaal. In 2003 heeft de Europese Rekenkamer toepassing van deze normen onderzocht bij zestien directoraten-generaal en diensten, in 2004 bij veertien (deels andere) directoraten-generaal en diensten), in 2005 bij veertien (deels weer andere) directoraten-generaal en diensten. Bron: Activiteitenverslagen 2003–2005 van acht beleidsDG’s.
Toepassing interne-controlenormen
In het kader van de administratieve hervorming van de Europese Commissie zijn verschillende maatregelen genomen (Europese Commissie, 2000). Eén daarvan betreft de invoering van interne-controlenormen bij de DG’s en diensten.26 In 2005 onderzocht de Europese Rekenkamer wederom de stand van zaken van acht verschillende controlenormen27 bij veertien DG’s en diensten van de Europese Commissie. Uit het onderzoek in 2005 bleek dat ten opzichte van 2004 het aantal DG’s en diensten dat aan alle (door de Europese Rekenkamer gehanteerde) interne-controlenormen voldoet niet is toegenomen. Wel bleek dat bij vijf van de acht normen de DG’s zich in totaal elf keer verbeterd hebben van 2004 naar 2005, tegen twee gevallen van verslechtering.
Controles ter plaatse in de lidstaten
Het inzicht dat op basis van de activiteitenverslagen 2005 van de onderzochte DG’s kan worden verkregen in de resultaten van de controles ter plaatse in de lidstaten is beperkt en wijkt nauwelijks af van de informatie in 2003 en 2004. De activiteitenverslagen geven – een enkele uitzondering daar gelaten – weinig inzicht in controleresultaten binnen de verschillende lidstaten.
4.2.2 Interne audit door de Europese Commissie
26 De definitie van de Europese Commissie van interne controle omvat alle aspecten van beheersprocedures, van de omgeving waarin de directoraten-generaal en de diensten opereren tot en met reguliere rapportage van de toepassing van procedures en het effect daarvan. Het interne-controleraamwerk is gebaseerd op de 24 interne-controlenormen en basisvereisten gegroepeerd naar vijf gebieden van interne controle: controleomgeving, prestatie- en risico-evaluatie, voorlichting en communicatie, controleactiviteiten, audit en evaluatie.
27 Deze normen betreffen: (1) risicoanalyse en management, (2) adequaatheid van de managementinformatie, (3) melding van misstanden, (4) supervisietaken, (5) registreren van uitzonderingen, (6) registreren en corrigeren van zwakke punten van interne controle, (7) auditverslagen en (8) interne auditdienst.
Binnen de DG’s en diensten van de Europese Commissie zijn er aparte organisatieonderdelen voor het uitvoeren van interne audits, de zogenoemde Internal Audit Capabilities (IAC’s). Zij rapporteren intern aan de directeur-generaal.
De overkoepelende interne audit voor de Commissie als geheel wordt uitgevoerd door de Internal Audit Service (IAS). Deze dienst voert Commissiebrede onderzoeken uit en rapporteert aan het Audit Progress Committee (APC), bestaande uit vijf commissarissen en twee externe leden.
Overzicht 7. Interne audit 2003–2005
Onderdeel |
Indicatoren |
Informatie in 2003? |
Waarde 2003 |
Informatie in 2004? |
Waarde 2004 |
Informatie in 2005? |
Waarde 2005 |
Interne Audit |
Gemiddelde audit- |
Beperkt: 1 |
13,4% |
Beperkt: 2 |
Te verschil- |
Nee |
- |
Capabilities |
capaciteit IAC afgezet |
van de 8 |
van de 8 |
lend om |
|||
(IAC) per DG* |
tegen de totale capaciteit DG (input) |
beleidsDG’s |
beleidsDG’s |
waarde te geven |
|||
Gemiddeld % reali- |
Beperkt: 1 |
5 audits |
Beperkt: 2 |
Te verschil- |
Beperkt: 2 |
2 beleidsDG’s |
|
satie van geplande |
van de 8 |
(100%) |
van de 8 |
lend om |
van de 8 |
hebben alle |
|
audits (output) |
beleidsDG’s |
beleidsDG’s |
waarde te geven |
beleidsDG’s |
geplande audits uitgevoerd (100%) |
||
Gemiddeld % open- |
Beperkt: 1 |
4 rapporten |
Nee |
- |
Nee |
- |
|
bare rapporten IAC |
van de 8 |
||||||
(output) |
beleidsDG’s |
||||||
Interne |
Auditcapaciteit IAS |
Ja |
67% |
Ja |
72% |
Ja |
66,6% |
Auditdienst |
afgezet tegen de |
||||||
(IAS)** |
totale capaciteit IAS (input) |
||||||
% Overgenomen IAS- |
Ja |
88% |
Ja |
85% |
Ja |
99% |
|
aanbevelingen door |
|||||||
DG’s (output) |
|||||||
% Realisatie van |
Ja |
45% (inclu- |
Ja |
Totaal 80% |
Ja |
90% |
|
geplande IAS-audits |
sief 73% van |
||||||
(output) |
high-riskge-vallen) |
||||||
% Auditrapporten IAS |
Nee |
0 |
Nee |
0 |
Nee |
0 |
|
openbaar (output) |
-
*Bron: Jaarlijks activiteitenverslag 2003–2005 van acht beleidsDG’s. ** Bron: Jaarlijks activiteitenverslag 2003–2005 van Interne Auditdienst.
De informatie die in de rapportages uit 2005 beschikbaar is over de inzet en resultaten van de werkzaamheden van de IAC’s van de beleidsDG’s is wederom beperkt. In 2005 hebben twee DG’s gerapporteerd dat ze de geplande audits hebben uitgevoerd.
De DG’s rapporteren in de jaarlijkse activiteitenverslagen over de specifieke controle- en risico-omgeving waarin ze verkeren en over de ontwikkeling van de interne-controlesystemen overeenkomstig (de basisvereisten van) de interne-controlenormen. De IAC’s van de DG’s
onderzoeken dit jaarlijks.28
Uit de activiteitenverslagen blijkt dat zeven van de acht IAC’s oordeelden dat het betreffende DG geheel of nagenoeg geheel voldeed aan de basisvereisten. Eén DG meldde niets over de basisvereisten.
28 Deze activiteit is niet in het overzicht opgenomen. Onze analyse betreft slechts de vaststelling of in de jaarlijkse activiteitenverslagen over de interne-controlenormen is gerapporteerd. De Europese Rekenkamer gaat in haar jaarverslag inhoudelijk daarop in; zie § 4.2.1.
29 In het Syntheseverslag wordt aangegeven dat de Commissie vindt dat IAS dit voorbehoud niet had moeten maken. Zie § 5.1.1 van dit rapport.
Uit het activiteitenverslag 2005 van de Interne Auditdienst (IAS) van de Europese Commissie blijkt dat deze dienst in 2005 66,6% van zijn capaciteit besteedde aan onderzoek binnen de DG’s en diensten. De outputkant van de IAS toont een sterke verbetering. Het percentage geplande onderzoeken dat is afgerond bedroeg respectievelijk 45% en 80% in 2003 en 2004. In 2005 was het percentage 90%. Verder bedroeg het percentage aanbevelingen van de IAS die in 2005 zijn overgenomen door de DG’s en de diensten 99%.
Het in 2003 en 2004 geformuleerde voorbehoud over de agentschappen is in het IAS-activiteitenverslag 2005 herhaald. Ook in 2005 kon geen onderzoek naar de agentschappen worden uitgevoerd vanwege onvoldoende personele capaciteit.29
4.2.3 Opvolgonderzoek naar fraude
De instellingen en lidstaten van de EU hebben de taak om onregelmatigheden op te sporen en te registreren. Deze dienen te worden gemeld aan het Europees bureau voor fraudebestrijding OLAF. Als een verdenking van fraude bestaat, stelt OLAF nader onderzoek in.
Overzicht 8. Opvolgonderzoeken naar fraude door Europese Commissie 2003–2005
Onderdeel |
Indicatoren |
Informatie in 2003? |
Waarde 2003 |
Informatie in 2004? |
Waarde 2004 |
Informatie in 2005? |
Waarde 2005 |
Onderzoek naar |
% onderzoeks- |
Ja |
Van 267 inge- |
Ja |
Van 329 inge- |
Ja |
Niet aan te |
fraude* |
capaciteit afgezet tegen de totale capaciteit OLAF (input) |
vulde posten werken 111 mensen voor onderzoek en operaties = 41,6% |
vulde posten werken 124 mensen voor onderzoek en operaties = 37,7%- |
geven** |
|||
% Realisatie van |
Nee |
- |
Nee |
- |
Nee |
- |
|
geplande con- |
|||||||
troles/rapporten |
|||||||
OLAF (output) |
|||||||
% rapporten |
Nee |
- |
Nee |
- |
Nee |
- |
|
OLAF openbaar |
|||||||
(output) |
Bron: Jaarlijkse activiteitenverslagen 2003–2005 van OLAF.
De in Annex 3 van het activiteitenverslag 2005 opgenomen tabel «Human and financial resources by activity» vermeldt niet de bezetting voor de aldaar genoemde twee activiteiten: (1) «Administrative expenditure in the fight against fraud policy area» (374 mensen) en (2) «Fight against fraud» (13 mensen). In het verslag over 2004 werd de bezetting van de specifieke werkzaamheden zoals HRM, financiën, communicatie, juridisch advies en follow-up, audit enzovoort nog wel aangegeven.
Het jaarlijkse activiteitenverslag van OLAF over 2005 biedt – net als in eerdere jaren – geen inzicht in het aantal onderzoeken dat OLAF realiseert ten opzichte van zijn planning, en welk deel van deze onderzoeken openbaar is.
Het activiteitenverslag van 2005 geeft wel aan welk deel van de personeelscapaciteit van OLAF wordt ingezet voor de externe en interne administratieve onderzoeken naar fraude, corruptie en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad.
OLAF stelt behalve de jaarlijkse activiteitenverslagen ook operationele rapporten samen. Deze rapporten bevatten veel informatie over aantallen potentiële fraudegevallen per beleidsterrein van de EU en de behandel-duur binnen OLAF. Zie hiervoor § 5.1.2 en § 5.1.3 van dit rapport.
4.3 Verantwoording
In hun jaarlijkse activiteitenverslagen leggen de DG’s en diensten van de Commissie verantwoording af over hun verrichte werkzaamheden en de bereikte resultaten. De Commissie maakt op basis van de verschillende activiteitenverslagen het Syntheseverslag.
Wij zijn bij twaalf DG’s en diensten nagegaan welk inzicht de activiteitenverslagen in 2005 geven in de rechtmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde beleid, en in de inzet die geleverd is voor het opstellen van de activiteitenverslagen en het Syntheseverslag.
Overzicht 9. Verantwoording 2003–2005
Onderdeel
Indicatoren
Informatie 2003?
Waarde 2003
Informatie 2004?
Waarde 2004
Informatie 2005?
Waarde 2005
Jaarlijks activi- Gemiddelde capa-
teitenverslag per citeit ingezet voor DG* verantwoording door
activiteitenverslag in DG afgezet tegen de totale capaciteit per DG (input)
Nee
Nee
Nee
Aantal «voorbehou- |
Ja |
24 bij onder- |
Ja |
13 bij onder- |
Ja |
11 bij onder- |
den» van DG’s (out- |
zochte be- |
zochte be- |
zochte be- |
|||
put) |
leids-DG’s (totaal 49) |
leids-DG’s (totaal 32) |
leids-DG’s (totaal 31) |
|||
Aantal «voorbehou- |
Beperkt |
2 van de 24 |
Grotendeels |
11 van de 13 |
Deels |
6 van de 11 |
den» waarvan finan- |
gekwantifi- |
gekwantifi- |
gekwantifi- |
|||
cieel belang gekwan- |
ceerd |
ceerd |
ceerd |
|||
tificeerd (output) |
Aantal DG’s met verantwoordingsinformatie op land-niveau (output)
Beperkt
2 van de 8 beleidsDG’s
Deels
4 van de 8 beleidsDG’s
Deels
4 van de 8 beleidsDG’s
Syntheseverslag**
Capaciteit SG ingezet voor verantwoording door Syntheseverslag afgezet tegen de totale capaciteit SG (input)
Nee
Nee
Nee
Aantal afzonderlijk geadresseerde DG’s in Syntheseverslag (output)
Nee
Nee
Ja
Aantal afzonderlijk geadresseerde lidstaten in Syntheseverslag (output)
Nee
Nee
Ja
Negen (Verschillende DG’s in § 2.3 «Terugkerende voorbehouden»)
Eén (Griekenland in § 2.3 «Terugkerende voorbehouden»)
-
*Bron: Jaarlijkse activiteitenverslagen 2003–2005 van alle onderzochte beleidsDG’s.
** Bron: Jaarlijkse activiteitenverslagen 2003–2005 van het Secretariaat-Generaal en Syntheseverslagen 2003–2005.
De activiteitenverslagen van de DG’s en diensten blijken geen inzicht te geven in het tijdsbeslag dat nodig was om verantwoordingsinformatie zoals deze verslagen op te stellen. Hetzelfde geldt voor het Syntheseverslag.
De activiteitenverslagen bevatten ook in 2005 maar ten dele informatie over de rechtmatigheid van de bestedingen in de lidstaten. Over de doeltreffendheid van het beleid in de lidstaten bevatten ze geen informatie.
Bij de activiteitenverslagen wordt een betrouwbaarheidsverklaring afgegeven, ondertekend door de directeur-generaal. Hierbij vermeldt de directeur-generaal ook hoeveel en welke voorbehouden hij maakt. De dalende trend in het aantal voorbehouden vanaf 2003 heeft zich in 2005 doorgezet. Een kanttekening die wij hierbij moeten maken is dat het aantal voorbehouden waarvan het financieel belang is gekwantificeerd na de aanvankelijk sterke stijging in 2004 in 2005 met ongeveer de helft is afgenomen. Per saldo is de transparantie dus toch verminderd. In § 5.1.1 gaan wij nader in op de voorbehouden van de Commissie.
Het Syntheseverslag is het sluitstuk van de verantwoording van de Europese Commissie. De opmerkingen in het Syntheseverslag 2005 zijn, net als in andere jaren, vrij algemeen geformuleerd. Het verslag gaat niet in op verschillen tussen DG’s en diensten als het gaat om uitgaven, acties en resultaten, maar benoemt wel voor het eerst een aantal DG’s en diensten waarbij sprake is van terugkerende voorbehouden. De rapportage geeft evenmin informatie op het niveau van de lidstaten over rechtmatigheid of doeltreffendheid, met uitzondering van het al jaren terugkerend voorbehoud voor de besteding van landbouwgelden in Griekenland.
Het Syntheseverslag wordt niet ondertekend door één of meer politiek verantwoordelijke EU-commissarissen. Hierdoor is de verantwoordingsketen van de Commissie nog incompleet. Toch heeft het Syntheseverslag 2005 een andere lading dan eerdere Syntheseverslagen. In dit geval verklaart de Commissie namelijk expliciet dat zij verantwoordelijk is voor het management in 2005. De Commissie stelt:
«Following the European Parliament and the European Court of Auditors encouragement, the Commission has further formalised the expression of its political responsibility for management of the EU budget, in accordance with article 274 of the Treaty. Today, with the adoption of its Synthesis report for 2005, the Commission has made it clear beyond any doubt that it fully assumes its duties and obligations in this regard. Overall, the Commission considers that the internal control systems in place provide reasonable assurance on the legality and regularity of operations, with the limitations expressed in the reservations made by the Commission’s Directors-General in their annual activity
reports.»30
De Commissie stelt dat de bestaande interne-controlesystemen redelijke zekerheid geven over de rechtmatigheid van de activiteiten, met inachtneming van de geformuleerde voorbehouden. Gelet juist op die voorbehouden van de DG’s en diensten is het de vraag of deze conclusie gerechtvaardigd is. De Commissie stelt dat de voorbehouden preciezer zijn dan in voorgaande jaren, maar in 2005 nemen we zoals gezegd juist een afname waar in het aantal gekwantificeerde voorbehouden. Daarnaast is er een aantal voorbehouden dat al jaren achtereen terugkomt. Ook is het nog steeds zo, zoals ook gemeld in het EU-trendrapport 2006 , dat de interpretatie van voorbehouden kan verschillen tussen DG’s. De verklaring van de Commissie is er vooral een van politieke verantwoordelijkheid. Het is geen verklaring waaraan een bepaalde mate van zekerheid over de rechtmatigheid van bestedingen kan worden ontleend. Wanneer het financieel beheer van de Unie de komende jaren verder verbetert, zou de verklaring zich wel in die richting kunnen ontwikkelen.
4.4 Externe audit door Europese Rekenkamer
Net als de andere Europese instellingen publiceert ook de Europese Rekenkamer jaarlijks een activiteitenverslag. Wij zijn nagegaan welk inzicht hierin geboden wordt in de capaciteit die de Europese Rekenkamer inzet voor het onderzoek, hoeveel van de geplande werkzaamheden worden gerealiseerd en hoeveel rapporten openbaar worden gepubliceerd.
30
Persbericht nr. IP/06/747 van de Europese
Commissie, 7 juni 2006.
Overzicht 10. Externe audit 2003–2005
Onderdeel |
Indicatoren |
Informatie 2003? |
Waarde 2003 |
Informatie 2004? |
Waarde 2004 |
Informatie 2005? |
Waarde 2005 |
Externe audit |
Capaciteit inge- |
Deels |
Informatie |
Deels |
Informatie |
Deels |
Informatie over |
door Europese |
zet voor externe |
over aantal |
over aantal |
aantal audit- |
|||
Rekenkamer |
audit afgezet |
auditposten = |
audit-posten |
posten = 460 |
|||
tegen de totale |
363 (60% |
|
(59% van totaal |
||||
capaciteit van de |
totaal) waar- |
totaal) waar- |
777), waarvan |
||||
Europese Reken- |
van 48 vacant |
van 57 vacant |
72 vacant |
||||
kamer (input) |
|||||||
% Realisatie |
Nee |
- |
Nee |
- |
Nee |
- |
|
geplande con- |
|||||||
troles ter plaatse |
|||||||
(output) |
|||||||
Aantal openbare |
Ja |
1 Jaarverslag |
Ja |
1 Jaarverslag |
Ja |
1 jaarverslag |
|
rapporten Euro- |
23 specifieke |
25 specifieke |
20 specifieke |
||||
pese Rekenka- |
jaarverslagen |
jaarverslagen |
jaarverslagen |
||||
mer (output) |
15 speciale verslagen 10 opinies |
10 speciale verslagen 2 opinies |
6 speciale verslagen 2 opinies |
Bron: Europese Rekenkamer, Annual Activity Report concerning the financial year 2003 en Rapport annuel d’activités relatifàl’exercice 2004, 2005.
De Europese Rekenkamer geeft in de activiteitenverslagen aan hoeveel mensen er werkzaam zijn in haar auditgroepen. Hieruit blijkt dat het aantal auditposten – maar ook het aantal vacante posten – in de loop der jaren toeneemt. Uit het overzicht blijkt evenwel niet of deze mensen in de praktijk zijn ingezet voor externe audits. Net als in 2003 als in 2004 had de Europese Rekenkamer in 2005 veel openstaande vacatures. De Europese Rekenkamer geeft in haar activiteitenverslagen aan hoeveel rapportages – onderverdeeld naar soort – zij heeft gepubliceerd. Hierbij wordt niet aangegeven of dit ook het geplande aantal was. Ook wordt niet aangegeven hoeveel controles ter plaatse zijn uitgevoerd, afgezet tegen het aantal geplande controles.
5 RECHTMATIGHEID BESTEDING EU-GELDEN
In dit hoofdstuk behandelen we de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden in 2005. Eerst bespreken we de rechtmatigheidsinformatie van de Europese Commissie zelf: de voorbehouden die het management van de DG’s en de diensten van de Commissie hebben gemaakt bij de informatie in de activiteitenverslagen van 2005, en de onregelmatigheden die door de lidstaten zijn gemeld aan de Commissie (§ 5.1). Vervolgens staan we stil bij het rechtmatigheidsoordeel van de Europese Rekenkamer over 2005. We vergelijken dit oordeel met de oordelen over eerdere jaren (§ 5.2).
5.1 Rechtmatigheidsinformatie Europese Commissie
5.1.1 Voorbehouden per directoraat-generaal
De directeuren-generaal en hoofden van diensten van de Europese Commissie geven bij het jaarlijks activiteitenverslag van hun organisatieonderdeel een betrouwbaarheidsverklaring af. Hierin staat dat het verslag een waarheidsgetrouw beeld geeft en dat er een redelijke mate van zekerheid bestaat over de juiste besteding van het budget. Indien van toepassing dienen eventuele voorbehouden in de verklaring te worden opgesomd en toegelicht.
In onderstaand overzicht zijn de aantallen voorbehouden tussen 2003 en 2005 gespecificeerd naar DG en financieel belang.
Overzicht 11. Voorbehouden Europese Commissie 2003–2005
Begrotings- |
DG |
Aantal |
Kwantifice- |
Aantal |
Kwantifice- |
Aantal |
Kwantificering |
hoofdstuk |
voorbehou- |
ring mogelijk |
voorbehou- |
ring mogelijk |
voorbehou- |
mogelijk |
|
den in 2003 |
financieel risico 2003 |
den in 2004 |
financieel risico 2004 |
den in 2005 |
financieel risico 2004 |
||
Samenstelling |
Budget |
3 |
Niet kwantita- |
2 |
Niet kwantita- |
2 |
Niet kwantitatief |
eigen middelen |
tief |
tief |
|||||
Gemeenschap- |
Landbouw |
5 |
Niet kwantita- |
3 |
2 van de 3, |
2 |
1 van de 2. |
pelijk landbouw- |
tief |
samen 0,3% |
Betreft 2% van |
||||
beleid |
begroting DG |
uitgaven GBCS Griekenland |
|||||
Structuurbeleid |
Regionaal beleid |
4 |
Niet kwantitatief |
3 |
1,7% van begroting DG |
3 |
Niet kwantitatief |
Werkgelegen- |
1 |
98% van |
1 |
Niet kwantita- |
1 |
€ 107 miljoen |
|
heid |
begroting |
tief |
|||||
Visserij |
2 |
Niet kwantita- |
1 |
5,7% van FIFG |
0 |
||
tief |
begroting |
||||||
Intern beleid |
Onderwijs en cultuur |
3 |
1 van 3 kwantitatief: € 34 miljoen |
0 |
2 |
In beide gevallen minder dan 2% van de begroting |
|
Transport en |
6 |
Niet kwantita- |
4 |
2 zonder im- |
2 |
1 zonder im- |
|
energie |
tief |
pact, 2 met 1,2% begroting DG |
pact. Andere betreft 11% bovenmatige declaraties |
||||
Milieu |
2 |
Niet kwantita- |
0- 0- |
||||
tief |
|||||||
Onderzoek |
1 |
Niet kwantitatief |
1 |
5,4% van begroting DG |
1 |
2,7% financiële aanpassingen subsidiabele kosten |
|
Begrotingshoofdstuk
DG
Aantal |
Kwantifice- |
Aantal |
Kwantifice- |
Aantal |
Kwantificering |
voorbehou- |
ring mogelijk |
voorbehou- |
ring mogelijk |
voorbehou- |
mogelijk |
den in 2003 |
financieel |
den in 2004 |
financieel |
den in 2005 |
financieel risico |
risico 2003 |
risico 2004 |
2004 |
Overige voorbehouden
22
15
18
Totaal aantal voorbehouden
49
32
31
Bron: Jaarlijkse activiteitenverslagen DG’s 2003–2005.
31 De DG’s stellen in beginsel hun eigen materialiteitscriteria vast. Daarbij baseren zij zich op de beoordeling van het risico en de controleomgeving van het DG. In kwantitatieve termen is de materialiteitsgrens voor een voorbehoud 2%, dat wil zeggen: het bedrag van de verrichting waarop de tekortkoming betrekking heeft moet meer zijn dan 2% van de aan de activiteit van de dienst toegwezen begrotingsmiddelen. In bepaalde gevallen hanteren directoraten-generaal ook andere kwantitatieve niveaus. Deze worden door de DG’s verantwoord in de jaarlijkse activiteitenverslagen. Verder kan een kwalitatieve tekortkoming worden verondersteld van relatief belang (in tegenstelling tot «materieel» belang) te zijn indien deze onder meer betreft: de niet-uitvoering van een of meer interne controlenormen; (waarschijnlijke) aantasting van de reputatie van de Europese Commissie; of een ernstige of belangrijke kwestie die door de Europese Rekenkamer of in de definitieve audits van de dienst Interne audit ter sprake gebracht is.
32 Deze verplichting geldt tot en met 2005 voor alle onregelmatigheden waarmee meer dan € 4 000 gemoeid is (€ 10 000 als het om traditionele eigen middelen gaat). Vanaf 2006 geldt ook voor de structuurfondsen een drempel van € 10 000. Hierbij dient te worden opgemerkt dat «onregelmatigheid» niet synoniem is met «fraude». De overgrote meerderheid van onregelmatigheden betreft geen frauduleuze handelingen.
33 De gegevens in deze en de volgende paragraaf zijn overgenomen uit OLAF-rapportages. De cijfers van OLAF zijn soms onduidelijk en sluiten niet altijd goed op elkaar aan. Omdat de gegevens van OLAF de enige zijn, hebben wij besloten ze – met deze kanttekening – toch te gebruiken.
Overzicht 11 laat zien dat in 2004 en 2005 voor ongeveer de helft van de voorbehouden van de onderzochte beleidsDG’s gerapporteerd werd met een zekere mate van kwantificering. De onderzochte DG’s hebben in de jaren 2003–2005 de criteria benoemd aan de hand waarvan zij bepalen of financiële risico’s substantieel zijn of niet (de «materialiteitscriteria»).31
Van de elf voorbehouden in 2005 waren er negen ook al in de activiteitenverslagen 2003 en 2004 geformuleerd. Omdat deze voorbehouden langer dan een jaar van invloed zijn, betekent dat een aantal tekortkomingen pas op de langere termijn kunnen worden hersteld. Overigens kan de aard en de omvang van de voorbehouden zeer verschillen. Voor de oplossing van onderliggende problemen zijn in sommige gevallen verdere inspanningen van lidstaten nodig (bij gedeeld beheer). Ook kan in sommige gevallen de reikwijdte van voorbehouden jaarlijks kleiner worden. Dit deed zich voor bij het DG Regio voor het EFRO en het Cohesiefonds en bij het DG Landbouw voor het geïntegreerd beheer- en controlesysteem in Griekenland.
Bij een aantal DG’s en diensten deden zich terugkerende punten van voorbehoud voor waarvan de Commissie vindt dat ze niet binnen de reikwijdte van de betrouwbaarheidsverklaring vallen. Het betreft het voorbehoud van de Interne Audit Service voor de onmogelijkheid een jaarlijkse audit ten aanzien van de communautaire organen uit te voeren en het voorbehoud van het DG Energie en Vervoer ten aanzien van de nucleaire veiligheid. De Commissie geeft in het Syntheseverslag aan dat deze voorbehouden in de toekomst beter in de jaarlijkse activiteitenverslagen aan de orde kunnen komen, en derhalve niet meer als voorbehouden moeten worden geformuleerd.
5.1.2 Onregelmatigheden en financiële correcties per begrotingshoofdstuk
Artikel 280 van het EG-Verdrag bepaalt dat de Gemeenschap en de lidstaten fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, dienen te bestrijden. Onder de noemer van «onregelmatigheden» moeten de lidstaten dergelijke gevallen melden aan de Europese Commissie.32 Verordening (EG) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 bepaalt voorts dat iedere onregelmatigheid leidt tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel: terugbetaling van verschuldigde bedragen en wederrechtelijk geïnde bedragen en verlies van zekerheden die zijn gesteld ter ondersteuning van een verzoek om toegekend voordeel verloren.
Overzicht 12 geeft het aantal onregelmatigheden dat is gemeld in 2003–2005, en financiële omvang ervan.33
Overzicht 12. Aantal gemelde onregelmatigheden en financieel belang 2003–2005 per begrotingshoofdstuk (in miljoenen euro’s)*
Indicator onregelmatigheden |
Aantal |
Financieel |
Aantal |
Financieel |
Aantal |
Financieel |
|
gemelde |
belang 2003 |
gemelde |
belang 2004 |
gemelde |
belang |
2005 |
|
onregelma- |
onregelma- |
onregelma- |
|||||
tigheden |
tigheden |
tigheden |
|||||
2003 |
2004 |
2005 |
|||||
Eigen middelen |
2 659 |
276,5 |
2 735 |
205,7 |
4 982 |
322 |
|
Gemeenschappelijk landbouwbeleid |
3 237 |
169,7 |
3 401 |
82,1 |
3 193 |
102 |
|
Structuele acties (inclusief Cohesiefonds) |
2 487 |
482,2 |
3 339** |
695,6 |
3 570 |
601 |
|
Intern beleid |
Onbekend |
- |
Onbekend |
- |
Onbekend |
- |
|
Externe maatregelen |
Onbekend |
- |
Onbekend |
- |
Onbekend |
- |
|
Pre-toetredingsbeleid |
58 |
467 |
240 |
829 |
331 |
17 |
|
Administratieve uitgaven |
Onbekend |
- |
Onbekend |
- |
Onbekend |
- |
|
Totaal |
PM |
PM |
PM |
PM |
PM |
PM |
|
∗ Getallen ontleend aan Report from the Commission Protection of the European Communities’ financial interests and the fight against fraud . SEC(2004) 1059, SEC(2005) 974 en SEC(2006)911. Waar andere getallen zijn gebruikt is dit aangegeven.
** Tabel 2.1 in het Report from the Commission to the Council and the European Parliament, Protection of the financial interests of the Communities–fight against fraud-Commission’s, annual report 2004, COM (2005) 323 final, vermeldt op p. 7 in totaal 3327 zaken.
De gegevens van OLAF over het aantal gemelde onregelmatigheden en het daarbij behorende financiële belang laten een grillig verloop zien. Bij de eigen middelen neemt zowel het aantal onregelmatigheden als het financiële belang toe. Bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid daarentegen neemt het aantal onregelmatigheden af in 2005, maar is het financiële belang wel groter dan in 2004. Maar dit is altijd nog minder groot dan in 2003.
Bij het structuurbeleid is het omgekeerde aan de hand: er zijn méér gemelde onregelmatigheden dan in 2004, maar met een geringer financieel belang dan het jaar ervoor. Dit was echter nog altijd veel groter dan in 2003.
Bij het pre-toetredingsbeleid ten slotte, zijn er in 2005 méér onregelmatigheden dan in 2004, maar met een veel kleiner financieel belang. Dit laatste is waarschijnlijk het gevolg van een sterke afname van het aantal landen dat pre-troetredingsgelden ontvangt.
Net als vorig jaar valt het op dat OLAF noch enig ander DG en/of dienst informatie inzake onregelmatigheden rapporteert over de terreinen waarvoor de Europese Commissie en overige instellingen en organen zelf het beheer voeren. OLAF rapporteert alleen maar gevallen waarvoor de lidstaten medeverantwoordelijk zijn.
Overzicht 13. Terugbetaalde en nog terug te betalen bedragen van in 2003–2005 gemelde onregelmatigheden per begrotingshoofdstuk (in miljoenen euro’s)
Indicator
Informatie 2003?
Financiële waarde 2003
Informatie Financiële
2004? waarde 2004
Informatie 2005?
Financiële waarde 2005
Financiële correcties traditionele eigen
middelen (geïnd)
Financiële correcties gem. landbouwbeleid
(nog te innen)
Financiële correcties structurele acties
(nog te innen)
Financiële correcties intern beleid
Financiële correcties externe maatregelen
Ja |
72,91 (26%) |
Ja |
52,4 (27%) |
Ja |
87,7 (27%)2 |
Ja |
148,2 (87%) |
Ja |
63,8 (78%) |
Ja |
72,4 (71%) |
Ja |
203,9 (42%) |
Ja |
357,5 (51%) |
Ja |
303,4 (51%) |
Nee |
Onbekend |
Nee |
Onbekend |
Nee |
Onbekend |
Nee |
Onbekend |
nee |
Onbekend |
Nee |
Onbekend |
Indicator |
Informatie |
Financiële |
Informatie |
Financiële |
Informatie |
Financiële |
2003? |
waarde 2003 |
2004? |
waarde 2004 |
2005? |
waarde 2005 |
|
Financiële correcties pre-toetreding |
Nee |
Onbekend |
Nee |
Onbekend |
Ja |
3,3 (20%)3 |
Financiële correcties administratieve |
Nee |
Onbekend |
Nee |
Onbekend |
Nee |
Onbekend |
uitgaven |
Bronnen: Report from the Commission, Protection of the European Communities’ financial interests and the fight against fraud, 2003–2005, SEC(2004) 1059, SEC(2005) 974, SEC(2006)911 en 912.
1 OLAF 2004, Annex 2, p. 5.
2 OLAF 2005, Statisticial Annex, p. 6 en p. 62.
3 Het percentage is berekend op het omvang van de onregelmatigheden ten opzichte van de communautaire financiering van de pre-toetredingssteun van € 16,8 miljoen.
Op basis van de cijfers van OLAF blijkt dat op het gebied van de traditionele eigen middelen het geïnde bedrag naar aanleiding van financiële correcties in 2005 is toegenomen tot bijna € 88 miljoen. Ook bij het landbouwbeleid is na de daling van 2004 in 2005 weer sprake van een toename van de (nog te innen) bedragen naar ruim € 72 miljoen. Alleen bij het structuurbeleid is in 2005 ten opzichte van 2004 sprake van een afname – naar € 303 miljoen – maar dit bedrag is altijd nog aanmerkelijk hoger dan de circa € 204 miljoen van 2003.
5.1.3 Fraude
Aantal fraudezaken en financieel risico
Fraude is een opzettelijk begane onregelmatigheid; het is een strafbaar feit.34 OLAF rapporteert jaarlijks over zijn operationele activiteiten bij het onderzoeken van mogelijke fraude.
Het zesde activiteitenrapport van OLAF (over de periode juli 2004–decem-ber 2005) laat zien dat er eind 2005 de werkvoorraad van OLAF 5165 fraudedossiers bedroeg, inclusief de 857 in 2005 nieuw gemelde gevallen (OLAF, 2005).
In 2005 is over 531 nieuwe gevallen besloten welk vervolg ze krijgen: 274 gevallen bleken «non cases», 42 gevallen gaan gemonitord worden en 215 gevallen worden nader onderzocht. Verder is voor 233 lopende zaken besloten hoe verder te gaan: 100 zaken krijgen geen vervolg, 133 wel. Het volgende overzicht laat zien in welke sectoren de in 2005 afgesloten en geopende zaken thuishoren.
Overzicht 14. Door OLAF in 2005 afgesloten en geopende zaken
Sector
34 Het onderscheid tussen «fraude» en «onregelmatigheden» wordt door de lidstaten verschillend gedefinieerd. Daarom wordt in veel meldingen niet aangegeven of het om fraude of om een onregelmatigheid gaat. De Annex bij het Annual Report 2005 from the Commission on the Protection of the European Communities’ financial interests and the fight against fraud van OLAF meldt dat de Commissie en de lidstaten werken aan verbetering van het meldingssysteem voor onregelmatigheden, in het bijzonder om duidelijkheid te verschaffen over beide begrippen.
Landbouw
Alcohol, sigaretten en BTW
Customs
Directe uitgaven
Externe steun
Interne onderzoeken (binnen
EU-instellingen en organen)
Multi-agency-onderzoeken
Structuurfondsen
Eurostat
Handel
«Precursors»
Totaal
In 2005
afgesloten
zaken
In 2005 nieuw
geopende
zaken
233
215
Totaal aantal
«actieve» zaken
eind 2005
44 |
35 |
85 |
23 |
9 |
52 |
25 |
22 |
69 |
24 |
27 |
47 |
38 |
38 |
68 |
26 |
36 |
58 |
3 |
3 |
5 |
30 |
31 |
44 |
10 |
14 |
23 |
3 |
- |
|
7 |
- |
452
Uit overzicht 14 blijkt dat de meeste fraudegevallen zich voordoen bij landbouw, externe steun, interne onderzoeken en structuurfondsen. Op een aantal terreinen werd in 2005 meer zaken afgesloten dan geopend, daarmee leidend tot een lager totaal aantal actieve dossiers: met name bij landbouw, alcohol, sigaretten en BTW. Meer nieuwe fraudegevallen waren er juist bij de interne onderzoeken en Eurostat.
Het totaal aantal openstaande zaken (452) vertegenwoordigt volgens OLAF een geschat financieel belang van € 1,93 miljard. Tot en met 2005 waren ruim 3000 zaken formeel afgesloten. Deze hadden samen een geschat financieel belang van € 4,7 miljard.
Interne onderzoeken
Zoals gezegd is het opmerkelijk dat OLAF noch enig ander DG en/of dienst informatie rapporteert over de terreinen waarvoor de Europese Commissie en overige instellingen en organen zelf verantwoordelijk zijn. Er is wél informatie beschikbaar over mogelijke fraudegevallen op deze terreinen. Onderstaand overzicht toont het aantal interne onderzoeken naar fraude dat door OLAF is uitgevoerd binnen de EU-instellingen en -organen.
Overzicht 15. Interne onderzoeken OLAF naar instellingen en organen van de Gemeenschap (stand eind 2005)
EU-instellingen en organen
In evaluatie
Lopende onderzoeken
Totaal
Europees Parlement
Raad
Europese Rekenkamer
Europese Commissie
Europese Investeringsbank
Comité van de Regio’s
Economisch en Sociaal Comité
EU-agentschappen
4 |
3 |
7 |
0 |
4 |
4 |
0 |
1 |
1 |
27 |
61 |
88 |
2 |
6 |
8 |
1 |
1 |
2 |
1 |
0 |
1 |
2 |
12 |
14 |
Totaal
38
88
126
Bron: Report of the European Anti-Fraud Office , Sixth Activity Report for the period 1 July 2004 to 31 December 2005.
Aan het eind van de verslagperiode 2005 waren er in totaal 88 lopende interne onderzoeken. Daarnaast bevonden er zich 38 interne zaken in de beoordelingsfase.
De tabel laat zien dat – evenals vorig jaar – de Commissie verreweg het grootste deel van alle OLAF-onderzoeken ondergaat. Dit is niet verrassend, aangezien de Commissie het leeuwendeel van de financiële transacties van de Gemeenschap verricht. Na de Commissie zijn het de agentschappen waar het grootste aantal interne onderzoeken plaatsvindt.
5.1.4 Versterking OLAF
35 De Commissie concludeerde onder meer dat de doeltreffendheid van het optreden van OLAF en de samenwerking met de lidstaten voor verbetering vatbaar zijn (Europese Commissie, 2003).
De Europese Commissie wil de operationele efficiëntie van OLAF versterken. Zij wil het antifraudebureau in staat stellen zich te concentreren op zijn prioriteiten. Ook wil zij, door bepaalde procedures te verduidelijken, ervoor zorgen dat de OLAF-onderzoeken sneller kunnen worden uitgevoerd.
Op 4 juli 2006 heeft de Commissie een voorstel van deze strekking aan het Europees Parlement en de Raad van Ministers gestuurd (Europese Commissie, 2006g). Het voorstel houdt rekening met de conclusies van de evaluatie van de Europese Commissie,35 van de audit door de Europese
Rekenkamer36 en met de conclusies van de openbare hoorzitting van juli
2005 van de commissie Begrotingscontrole in het Europees Parlement.37
Het voorstel raakt niet aan de institutionele organisatie van OLAF en is
uitsluitend gericht op verbeteringen in de werkwijze binnen het bestaande
kader.
Het voorstel heeft onder andere betrekking op de volgende elementen:
-
•verscherpte controle van de onderzoeken: garanderen van de naleving van de procedurele waarborgen bij interne en externe onderzoeken door een adviseur-revisor;
-
•betere circulatie van informatie tussen OLAF en de lidstaten;
-
•versterking van de operationele efficiëntie van OLAF door verduidelijking van de procedures voor het instellen en afsluiten van onderzoeken;
-
•verbetering van de doeltreffendheid van OLAF-onderzoeken door verduidelijking van de onderzoeksbevoegdheden.
5.2 Oordeel Europese Rekenkamer over wettigheid en regelmatigheid
5.2.1 Algemeen oordeel 2005
Het oordeel van de Europese Rekenkamer over de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen die ten grondslag liggen aan de uitvoering van de begroting 2005 is wederom grotendeels niet positief. Hieronder volgt een overzicht van de oordelen die de Europese Rekenkamer sinds het begrotingsjaar 1994 in haar jaarlijkse betrouwbaarheids-verklaring (Déclaration d’Assurance; DAS) heeft afgegeven.
Overzicht 16. Overzicht DAS-oordelen Europese Rekenkamer 1994-2005
Begrotingsjaar
Totaaloordeel DAS
Kwantitatief beeld
36 De Europese Rekenkamer was kritisch over het functioneren van OLAF. De tweeslachtige status van het bureau (verrichten van zelfstandig onderzoek, maar voor zijn andere taken onder de Commissie ressorterend) heeft volgens de Europese Rekenkamer geen afbreuk gedaan aan de onafhankelijkheid van de onderzoeksfunctie. Zij vond het niet noodzakelijk voor OLAF een andere status in overweging te nemen (Europese Rekenkamer, 2005a).
37 Tijdens deze hoorzitting bleek dat het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Commissie in dezelfde richting denken als het gaat over de versterking van de rol van OLAF.
2005 |
Geen positieve verklaring. |
2004 |
Geen positieve verklaring. |
2003 |
Geen positieve verklaring. |
2002 |
Geen positieve verklaring. |
2001 |
Geen positieve verklaring. |
2000 |
Geen positieve verklaring. |
1999 |
Geen positieve verklaring. |
1998
1997
1996
1995
1994
Geen positieve verklaring.
Geen positieve verklaring.
Geen positieve verklaring.
Geen positieve verklaring.
Geen positieve verklaring.
Geen kwantitatief oordeel.
Geen kwantitatief oordeel.
Geen kwantitatief oordeel.
Geen kwantitatief oordeel.
Geen kwantitatief oordeel.
Geen kwantitatief oordeel.
Geen kwantitatief oordeel.
Onaanvaardbaar aantal fouten.
Geen kwantitatief oordeel. Percentage
materiële fouten ongeveer even hoog als in
voorgaande jaren.
Geen kwantitatief oordeel. Onaanvaardbaar
groot aantal materiële fouten. Percentage
ongeveer even hoog als in voorgaande jaren.
Materiële fouten 5,4% betalingen. Formele
fouten niet gekwantificeerd. Geen oordeel
mogelijk bij 4,3% betalingen.
Materiële fouten 5,9%. Formele fouten niet
gekwantificeerd. Geen oordeel mogelijk bij
2,3% betalingen.
Materiële fouten 4%. Formele fouten 4,8%.
Over 14% betalingen geen zekerheid.
Bron: Jaarverslagen 1994–2005 Europese Rekenkamer
38 Binnen het GBCS maakt de Commissie voor controles in toenemende mate gebruik gemaakt van het Geografisch Informatiesysteem (GIS). Hiermee wordt met behulp van satelliet-gegevens bijvoorbeeld gecontroleerd of het opgegeven landbouwareaal ook daadwerkelijk gebruikt wordt.
5.2.2 Oordeel per hoofdstuk van de begroting
Figuur 5 (zie volgende bladzijden) geeft op basis van de Jaarverslagen 2003–2005 van de Europese Rekenkamer een kwalitatief beeld voor alle relevante begrotingshoofdstukken (Europese Rekenkamer 2004, 2005b, 2006a).
De Europese Rekenkamer geeft aan dat voor de ontvangsten en voor de vastleggingen en betalingen voor administratieve uitgaven en het grootste deel van het pre-toetredingsbeleid, de verrichtingen over het geheel genomen wettig en regelmatig zijn. Desondanks wijst zij wat het pre-toetredingsbeleid betreft op grote problemen in de lidstaten. Hoewel niet zo expliciet als in haar jaarverslag over 2004, zegt de Europese Rekenkamer verder dat daar waar het geïntegreerd beheer- en controlesysteem (GBCS) in het landbouwbeleid juist wordt toegepast, de controles doeltreffend zijn.38 Wel voegt ze daaraan toe dat de GBCS-con-troleresultaten onvoldoende worden getoetst en gevalideerd door een onafhankelijk controleorgaan en dat bij de landbouwuitgaven over het geheel genomen zich nog steeds fouten van materieel belang voordoen. Over het structuurbeleid, het intern beleid en de externe maatregelen luiden de conclusies van de Europese Rekenkamer hetzelfde als in voorgaande jaren.
Al met al kan op basis van de beoordeling van de resultaten per begrotingshoofdstuk worden geconcludeerd dat er ten opzichte van 2004 geen sprake is van verbetering in de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden in de EU als geheel.
Figuur 5 Oordeel Europese Rekenkamer per hoofdstuk van de EU-begroting 2003-2005
Indicatorenoverzicht
2003
Rechtmatigheid eigen middelen
2004
r*v
In het algemeen geen materiële Over het geheel genomen wettig
fouten, maar een aantal elemen- w en regelmatig.
ten in de toezichtsystemen en
-controles en in de boekhouding
van de traditionele eigen—
middelen behoeft verbetering.
Algemene situatie is stabiel,
maar er zijn vorderingen nodig
in het wegnemen van risico’s
bij de onderliggende statistische
gegevens voor de berekening
van de BTW- en BNI-middelen
en wettigheid en regelmatigheid
van bepaalde verrichtingen.
• •
2005
Over het geheel genomen wettig en regelmatig.
Ontwikkeling
Rechtmatigheid gemeenschappelijk landbouwbeleid
Opnieuw fouten van materieel belang geconstateerd bij betalingen. Betalingen voor akkerbouwgewassen kenden minder risico’s dan betalingen voor dierpremies. Andere categorieën uitgaven die niet aan het geïntegreerd beheer- en controlesysteem (GBCS) zijn onderworpen, vertonen hoger risiconiveau en daarvoor gelden ook . minder doeltreffende controles.
Rechtmatigheid structuurbeleid
Gebreken blijven bestaan in de systemen die op het niveau van de lidstaten moeten zorgen voor toezicht en controle op de uitvoering van de communautaire begroting. Betalingen vertonen dus soortgelijke en evenveel voorkomende fouten als in voorgaande jaren. Bij plattelands-maatregelen moesten nog vorderingen worden gemaakt om de geconstateerde ernstige gebreken in de toezichtsystemen en -controles te verhelpen.
Het GBCS-systeem, mits juist toegepast, is doeltreffend voor de beperking van risico’s van onregelmatige uitgaven. Er zijn opnieuw fouten van materieel belang geconstateerd bij de betalingen. Diverse bewijzen tonen aan dat uitgaven die niet aan het GBCS zijn onderworpen, of waarop het GBCS-systeem niet juist is toegepast, een groter rechtmatigheidsrisico hebben.
Voor zowel de programmaperiode 1994-1999 als voor de programmaperiode 2000-2006 vele fouten in de rechtmatigheid van uitgaven. Beheer- en controlesystemen vertonen gebreken en moeten worden verbeterd.
Uitgaven die niet of pas kort onderworpen zijn aan GBCS, of waar GBCS onjuist wordt toegepast vormen groter risico omdat controlesystemen minder doeltreffend zijn. GBCS-controle-resultaten worden onvoldoende getoetst en gevalideerd door onafhankelijk controleorgaan. Systemen buiten GBCS bieden geen redelijke zekerheid voor naleving communautaire regelgeving. Bij landbouwuitgaven doen zich nog steeds fouten van materieel belang voor.
Commissie houdt niet doeltreffend toezicht op aan lidstaten gedelegeerde controles. Hierdoor bestaat risico dat vergoeding van te hoge of niet-subsidi-abele kosten niet wordt voorkomen. Beide programmaperiodes zijn niet vrij van onregelmatigheden van materieel belang, en een aantal programma’s voor de periode 1994-1999 is zonder goede gronden afgesloten.
—* |
'03 '04 '05
'03 '04 '05
>
'03
'04
'05
Figuur 5 Oordeel Europese Rekenkamer per hoofdstuk van de EU-begroting 2003-2005 (vervolg)
Indicatorenoverzicht
2003
Rechtmatigheid intern beleid
Er zijn gebreken in de werking van de interne-controlesystemen \ van de Commissie en er is sprake van significante fouten bij de verrichtingen op het niveau van de eindbegunstigden.
-5V
f )
Rechtmatigheid extern beleid
Op het niveau van de Commissie slechts een beperkt aantal fouten, wel veel tekortkomingen en onregelmatigheden op niveau van organen die projecten moeten uitvoeren.
2004
Ondanks op bepaalde gebieden geboekte vooruitgang is er onvoldoende zekerheid over wettigheid en regelmatigheid van verrichtingen. Risico van fouten blijft bestaan, tenzij de regelgeving wordt aangepast (vereenvoudiging kostenvergoedingssysteem en verhelderen procedures en voorschriften). *
Verbeteringen van toezicht- en controlesystemen van de A Commissie hebben nog geen effect gesorteerd op het niveau van de uitvoerende organisaties. Relatief groot aantal fouten door ontbreken van alomvattende aanpak van toezicht, controle en audit van deze organisaties.
2005
Ondanks geboekte vooruitgang nog steeds tekortkomingen in toezicht- en controlesystemen, die tot significant foutenpercen-tage in betalingen aan begunstigden leidden. Fouten zijn vooral het gevolg van ingewikkelde kostenvergoedingssystemen en onduidelijke procedures en voorschriften voor de verschillende programma’s.
Verbeteringen van toezichts- en controlesystemen van de Commissie hebben nog geen effect gesorteerd op het niveau van de uitvoerende organisaties. Er is een materieel foutenpercentage dat te wijten is aan ontbreken van alomvattende aanpak van toezicht op en controle en audit van deze organisaties.
Ontwikkeling
M
'03 '04 '05
w
'03 '04 '05
Rechtmatigheid pre-toetreding
De reeds in 2002 gesignaleerde gebreken in de toezichtsystemen en -controles gaven aanleiding tot meer fouten en risico’s bij de verrichtingen in 2003.
Over het geheel genomen wettig en regelmatig, maar voor alle programma’s en instrumenten geldt dat er op het niveau van de uitvoerende instanties in de kandidaatlidstaten grotere of kleinere risico’s bestaan.
Rechtmatigheid administratieve uitgaven
Niet alle wijzigingen die nodig zijn om de door het financieel reglement voorgeschreven interne-controlekader volledig tot stand te brengen zijn door de meeste instellingen aangebracht. Er zijn geen ernstige problemen, maar de instellingen moeten zich nog inspannen om toezichtsystemen en -controles te versterken.
Over het geheel genomen wettig en regelmatig.
Met uitzondering van Sapard-programma over het geheel genomen wettig en regelmatig. Op niveau van uitvoerende organisaties in de toetredende landen en kandidaat-lidstaten bestaan nog steeds significante risico’s.
Over het geheel genomen wettig en regelmatig.
'03
'04 '05
'03
'04 '05
5.2.3 Geconstateerde fouten per hoofdstuk van de begroting
In het EU-trendrapport 2006 hebben wij geconstateerd dat de jaarverslagen over 2003 en 2004 van de Europese Rekenkamer geen kwantitatief overzicht bevatten van het aantal geconstateerde fouten op het niveau van de begrotingshoofdstukken «eigen middelen», «gemeenschappelijk landbouwbeleid», «structuurbeleid» en «intern beleid». Wij zijn nagegaan of dat in het jaarverslag over 2005 wel het geval is.
Overzicht 17. Aantal fouten bij de eigen middelen, gemeenschappelijk landbouwbeleid, structuurbeleid, intern beleid
Indicator Hoofdterrein |
Deelterrein |
Aanwezigheid kwantitatieve informatie in Jaarverslag 2005? |
Aantal fouten 2005 en financieel belang |
Aantal fouten eigen |
Traditionele eigen middelen |
Nee |
N.v.t. |
middelen |
BNI |
Nee |
N.v.t. |
BTW |
Nee |
N.v.t. |
Aantal fouten gemeenschappelijk landbouwbeleid
Oppervlaktesteun, oppervlakte voedergewassen en andere teelten
Nee. Wel overzicht resultaten GBCS-inspecties 2004 Commissie over in 2005 betaalde bedragen
N.v.t.
Dierpremies
Nee. Wel overzichtresultaten GBCS-inspecties 2004 Commissie over in 2005 betaalde bedragen van zoogkoeienpremies
N.v.t.
Subsidies geproduceerde hoeveelheid
Nee. Wel overzicht resultaten GBCS-inspecties 2004 Commissie over in 2005 betaalde bedragen olijfolie
N.v.t.
Overige onderdelen gemeenschappelijk landbouwbeleid
Nee
N.v.t.
Aantal fouten structuurbeleid
Algemeen (geen gegevens per deelterrein)
Deels
In het lopende programma werden 60 materiële fouten geconstateerd bij 95 gecontroleerde projecten. In het programma 1994–1999 werden 33 materiële fouten geconstateerd bij 65 gecontroleerde projecten.
Aantal fouten intern beleid
Onderzoek (KP6)
Deels, naast een overzicht aanpassing subsidiabele kosten ten gunste van Commissie, op basis controles door (of namens) Commissie afgerond in 2005
Tweederde van 16 kostendeclaraties waarbij een goedkeurend controlecertificaat is afgegeven bevatten materiële fouten.
Transport en energie
Nee, wel overzicht aanpassing subsidiabele kosten ten gunste van Commissie, op basis controles door (of namens) Commissie afgerond in 2005
N.v.t.
Milieu
Nee, wel overzicht aanpassing subsidiabele kosten ten gunste van Commissie, op basis controles door (of namens) Commissie afgerond in 2005
N.v.t.
Onderwijs en cultuur
Nee, wel overzicht aanpassing subsidiabele kosten ten gunste van Commissie, op basis controles door (of namens) Commissie afgerond in 2005
N.v.t.
Overzicht 17 laat zien dat het Jaarverslag 2005 van de Europese Rekenkamer iets meer kwantitatief inzicht geeft in het aantal geconstateerde fouten dan eerdere jaarverslagen. Dit geldt vooral voor het structuurbeleid en één onderdeel (het Zesde Kaderprogramma) van het intern beleid, en dan alleen voor het aantal geconstateerde fouten. Het financieel belang ervan wordt niet aangegeven.
Bij de meeste andere beleidsterreinen geeft de Europese Rekenkamer geen eigen informatie over fouten en financieel belang. Bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het intern beleid worden wel overzichten gepresenteerd van resultaten van controles van de Europese Commissie, maar ook hier zonder het financieel belang van de geconstateerde fouten aan te geven.
5.2.4 Overige informatie Europese Rekenkamer
Speciale verslagen
Onderstaand overzicht laat zien over welke onderwerpen de Europese
Rekenkamer de afgelopen jaren speciale verslagen heeft gepubliceerd.
Overzicht 18. Speciale verslagen Europese Rekenkamer 2002–2006
Aantal onderzoeken op terrein: |
2003 |
2004 |
2005 |
2006 |
Eigen middelen/ontvangsten |
1 |
0 |
0 |
0 |
Gemeenschappelijk landbouwbeleid |
4 |
5 |
1 |
2 |
Structurele acties |
2 |
1 |
0 |
2 |
Intern beleid |
1 |
1 |
1 |
0 |
Externe maatregelen |
4 |
1 |
2 |
5 |
Pre-troetreding |
2 |
2 |
0 |
0 |
Administratieve uitgaven |
1 |
0 |
2 |
1 |
Totaal |
15 |
10 |
6 |
10 |
De meeste speciale verslagen die de Europese Rekenkamer publiceerde in 2006 hebben betrekking op externe maatregelen. Op de terreinen van de eigen middelen en het intern beleid publiceerde de Europese Rekenkamer in 2006 geen speciale verslagen.
Op het terrein van het gemeenschappelijk landbouwbeleid publiceerde de Europese Rekenkamer onder andere een onderzoek naar investeringen voor plattelandsontwikkeling (Europese Rekenkamer 2006b). Volgens de Europese Rekenkamer ontbreekt essentiële informatie om vast te stellen of de investeringsmaatregelen daadwerkelijk de problemen van plattelandsgebieden verhelpen. Zo kan niet worden vastgesteld welke middelen hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van welke doelstelling. Dat die informatie niet voorhanden is, zou ten dele te wijten zijn aan de verordening inzake plattelandsontwikkeling die een scala van maatregelen bevat met brede doelstellingen.
Ten aanzien van de resultaten en impact van de ter plaatse onderzochte projecten stelt de Europese Rekenkamer vast dat effecten moeilijk te bepalen zijn. Het toezicht- en evaluatiesysteem verschaft de Commissie en de lidstaten niet voldoende betrouwbare informatie hierover.
Op het terrein van het structuurbeleid publiceerde de Europese Rekenkamer in 2006 een onderzoek naar de bijdrage van het Europees Sociaal Fonds (ESF) tot het terugdringen van vroegtijdig schoolverlaten (VSV) (Europese Rekenkamer, 2006c)
De Europese Rekenkamer stelt vast dat de Commissie beter gebruik moet maken van de beheersinformatie die zij ontvangt om te garanderen dat van de ESF-financiering zuinig, efficiënt en doeltreffend gebruik wordt gemaakt. Anderzijds blijkt dat in de lidstaten de VSV-activiteiten niet altijd worden voorafgegaan door een passende analyse van het probleem. Sommige overheidsinstanties in de lidstaten kunnen het totaalbedrag van de aan VSV-acties toegewezen middelen, of de basis waarop de VSV-finan-ciering aan verschillende regio’s was toegewezen, niet voldoende rechtvaardigen. Er is bovendien weinig kwantitatieve evaluatie-informatie beschikbaar over het effect van dergelijke activiteiten.
Verder publiceerde de Europese Rekenkamer een onderzoek naar evaluaties achteraf van doelstelling 1- en -3-programma’s in de periode 1994–1999 (Europese Rekenkamer, 2006d).
Hierin wordt een aantal tekortkomingen in de evaluatieaanpak en in de kwaliteit van de opgestelde evaluaties vastgesteld. Zo blijkt dat de gestelde doelen niet duidelijk en coherent zijn, dat onvoldoende gedaan is om het gebrek aan prestatie-indicatoren te verhelpen, dat er niet altijd een geschikt evenwicht tussen kwantitatieve en kwalitatieve analyse is bereikt en dat daardoor conclusies getrokken zijn die niet op adequate analyse berustten.
Adviezen
Advies van de Europese Rekenkamer moet worden ingewonnen voordat de financiële reglementen en regels voor fraudebestrijding worden vastgesteld. Andere EU-instellingen kunnen daarnaast uit eigen beweging de Europese Rekenkamer om advies vragen.
De Europese Rekenkamer verstrekte in 2006 op twee terreinen adviezen: ontvangsten en intern beleid.
-
•Ontvangsten. De Europese Rekenkamer concludeert in haar advies over het «voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen» dat dit stelsel nog complexer en ondoorzichtiger dreigt te worden dan het bestaande stelsel. Het voorstel houdt een verdere verschuiving in van een op duidelijke en algemeen toegepaste mechanismen gebaseerd eigen-middelenstelsel naar per land bedongen nationale bijdragen (Europese Rekenkamer, 2006e).
-
•Intern beleid. Op het terrein van het intern beleid heeft de Europese Rekenkamer een advies uitgebracht over het voorstel voor een verordening voor de regels voor deelname aan het Zevende Kaderprogramma. Daarin besteedt zij bijzondere aandacht aan het voorstel tot vereenvoudiging van de systemen voor financieel beheer en financiële controle op «te financieren acties onder contract» (deelname aan en de verspreiding van onderzoeksresultaten). Volgens de Europese Rekenkamer schiet het voorstel tekort bij de totstandbrenging van een doorzichtig, degelijk en eenvoudig te beheren systeem voor het berekenen en declareren van kosten en het vaststellen van de communautaire financiële bijdrage. Met het voorgestelde systeem voor kostenvergoeding ontstaat een te ingewikkelde structuur waarop de Europese Commissie per definitie moeilijk controle zal kunnen uitoefenen (Europese Rekenkamer, 2006f).
6 DOELTREFFENDHEID EU-BELEID
In dit hoofdstuk staat de doeltreffendheid van het beleid van de Unie centraal. Eerst bekijken we de algemene verantwoording die de Commissie heeft afgelegd over resultaten van beleid in 2005 (§ 6.1). Daarna gaan we voor de belangrijkste hoofdstukken van de EU-begroting na of er evaluaties beschikbaar zijn die inzicht geven in de gerealiseerde effecten van het beleid (§ 6.2).
6.1 Algemeen beeld beleidsresultaten 2005
Het Syntheseverslag vormt het sluitstuk van de strategische plannings- en programmeringscyclus van de Europese Commissie. Het verslag is bedoeld om verantwoording af te leggen over de mate waarin de jaarlijkse beleidsstrategie is uitgevoerd, de resultaten die zijn bereikt door de DG’s en de prestaties die zijn geleverd door het management.39 In de loop der jaren is gebleken dat het Syntheseverslag geen informatie over beleidsresultaten bevat. In 2006 heeft de Commissie een aanzet gegeven deze lacune op te vullen door een Mededeling te publiceren over de beleidsresultaten in 2005 (Europese Commissie, 2006h). De Mededeling beschrijft de belangrijkste strategische doelen 2005–2009 van de Commissie, en geeft aan welke beleidsinitiatieven daarbinnen zijn ontwikkeld in de afgelopen jaren; zie overzicht 19.
Overzicht 19. Strategische doelen 2005–2009 en beleidsinitiatieven Europese Commissie
Strategisch doel
Omschrijving doel
Onderdelen/beleidsinitiatieven
Meer welvaart
«...de Europese economie om te vormen tot een van de aantrekkelijkste plaatsen voor investeren, produceren en werken...»
Lissabonstrategie
Het stabiliteits- en groeipact
Concurrentievermogen
Interne markt
Innovatie
Leven Lang Leren
Energie en vervoer
Solidariteit
«...voldoen aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden van komende generaties om in hun behoeften te voorzien, in gevaar te brengen...»
Sociale solidariteit
Duurzaam beheer en gebruik van hulpbronnen en
milieubescherming
Vrijheid en veiligheid
«...de persoonlijke veiligheid van de Europese burger ten overstaan van criminaliteit en terrorisme... en het vermogen van de burger om zijn dagelijks leven op een veilige manier te leiden...»
Justitie en binnenlandse zaken Gezondheid en veiligheid
Een sterker Europa als partner in de wereld
«...de Unie moet in haar externe optreden naar grotere politieke coherentie streven...»
Uitbreiding en Europees nabuurschap Overige landen
39 De website van de Europese Commissie (onderdeel «The commission at work») vermeldt: «In this synthesis report the Commission takes note of how well the annual policy strategy was implemented, as well as of the DGs’ achievements and management performance and decides on the measures necessary to address any major management weaknesses identified.»
De Mededeling over beleidsresultaten bevat een overzicht van de strategische doelen van de Commissie in de periode 2005-2009, en geeft aan welke beleidsinitiatieven in dat verband reeds zijn goedgekeurd respectievelijk nog zullen worden ontplooid. De mededeling bevat echter geen overzicht van de bereikte resultaten van deze beleidsinitiatieven. Als overzicht van beleidsresultaten schiet het document dus voorlopig nog tekort. Verwacht mag worden dat in de komende jaren de Commissie wel in staat zal zijn meer feitelijke beleidsresultaten op te nemen. Het verdient de voorkeur dat het document dan ook inzicht gaat bieden in:
-
•de koppeling van de beleidsresultaten aan de daartoe gespecificeerde doelstellingen;
-
•de koppeling van de beleidsresultaten aan de ingezette geldstromen;
-
•het bereikte totaalresultaat, maar ook de resultaten voor de verschillende lidstaten.
6.2 Beleidsresultaten per begrotingshoofdstuk
Om na te gaan wat de doeltreffendheid van het beleid van de EU is, zijn wij in ons onderzoek voor het vorige EU-trendrapport nagegaan welke streefwaarden of streefrichtingen verbonden waren aan de algemene beleidsdoelstellingen van de EU voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het structuurbeleid en het intern beleid, en wat de uiteindelijke beleidsresultaten waren (Algemene Rekenkamer, 2006). Uit onze analyse bleek toen dat er voor geen enkel beleidsterrein streefwaarden bij de doelstellingen van het beleid geformuleerd waren. Verder bleek dat alleen op het gebied van landbouw in 2003 en 2004 enige informatie beschikbaar was over de bereikte effecten. Deze informatie was niet afgezet tegen een streefwaarde.
In dit trendrapport zijn wij op basis van EU-brede midterm- en ex-poste-valuaties op het terrein van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het structuurbeleid en het intern beleid nagegaan welke informatie over beleidsresultaten in 2005 beschikbaar is.40 We hebben achtereenvolgens bekeken:
-
•welke richtlijnen de Europese Commissie geeft voor evaluaties;
-
•wat de relatie is tussen de omvang van de geldstroom en het aantal evaluaties;
-
•hoeveel informatie de evaluaties bevatten over realisatie van eerder geformuleerde beleiddoelen;
-
•in hoeverre doelen worden bereikt; en
-
•welke factoren (blijkens de evaluaties) de doelrealisatie compliceren.
Voor onze analyse hebben we 23 evaluaties geselecteerd uit het overzicht van het DG begroting van alle uitgevoerde evaluaties in 2005 (Europese Commissie, 2006i). De 171 evaluaties omvatten 81 ex-ante-evaluaties en «impact assessments», 21 ex-postevaluaties en 69 midtermevaluaties. Van de 90 midterm- en ex-postevaluaties hebben er 28 betrekking op landbouwbeleid, regionaal beleid en intern beleid.41 We hebben uit elk van deze categorieën evaluaties in onze selectie opgenomen.42
6.2.1 Voorwaarden en richtlijnen voor evaluaties
40 We hebben gekeken naar programma’s die door Commissie en eindbegunstigden worden uitgevoerd, zonder tussenkomst van de lidstaten.
41 Voor intern beleid hebben we ons beperkt tot het DG Onderwijs en Cultuur, het DG Milieu, het DG Vervoer en Energie en het DG Onderzoek. Bijlage 4 geeft een overzicht van de evaluaties die in het onderzoek zijn betrokken.
42 Vijf evaluaties vielen af vanwege problemen met de beschikbaarheid of grote mate van afwijking qua opzet en uitvoering.
Het DG begroting heeft een coördinerende rol bij het gebruik van evaluaties in de jaarlijkse budgettering, de strategische programmering en de planning- en controlcyclus. Het wordt daarbij bijgestaan door «Evaluation Units» van de andere DG’s.
De basisvereisten voor evaluaties zijn vastgelegd in het financieel reglement en in Mededelingen (Europese Raad, 2002). In het financieel reglement wordt alleen een aantal standaardverplichtingen genoemd. Deze houden in dat programma’s die deel uitmaken van de EU-begroting voorzien moeten zijn van specifieke, meetbare, haalbare en relevante doelstellingen binnen bepaalde tijdspanne. De verwezenlijking van de doelstellingen dient door middel van resultaatindicatoren per doelstelling vastgesteld te worden. Daarnaast heeft de Europese Commissie, in Mededeling 39, evaluatiestandaarden en «good practices» geformuleerd (Europese Commissie, 2002). De evaluatiestandaarden zijn in zoverre bindend, dat de afzonderlijke DG’s wel de vrijheid hebben om te kiezen hoe ze deze implementeren en welke handleidingen ze daarbij gebruiken.
Er is een groot aantal handleidingen met richtlijnen over het opzetten en beoordelen van een evaluatie verschenen.43 Van de 36 handleidingen afkomstig van tien DG’s is bijna de helft afkomstig van het DG Regionaal beleid en het DG Landbouw.
In deze handleidingen ligt de nadruk op het doen van uitspraken over input, prestaties en effecten. Op basis van dataverzameling worden vervolgens uitspraken verwacht over de relevantie, doeltreffendheid, doelmatigheid, duurzaamheid en nut van het programma. Over het gebruik van precieze indicatoren en het gebruik van streefwaarden zijn de handleidingen minder expliciet. De DG’s sluiten met externe onderzoekers per uitgevoerde evaluatie een contract met daarin de inhoudelijke en procesvoorwaarden waaraan de evaluatie moet voldoen.
Het DG begroting heeft voorts richtlijnen opgesteld voor de toetsing van de externe evaluatieverslagen door de DG’s. Deze kwaliteitscontrole is van belang bij het vervolgtraject na de publicatie van de evaluaties. Deze controle is niet bindend en kan per DG op verschillende manieren worden uitgevoerd.
Het DG Landbouw wordt als «good practice» gezien omdat dit DG niet alleen veel «evaluation guidelines» heeft opgesteld, maar ook per evaluatie een «quality grid» heeft gepubliceerd waarin de evaluatie op negen punten een score krijgt toebedeeld. Deze punten betreffen onder andere de informatieverstrekking, de relevantie van de bevindingen, de adequaatheid van de gebruikte gegevens en de validiteit van conclusies.
6.2.2 Verband tussen geldstromen en evaluaties
Het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het structuurbeleid beslaan samen ongeveer 85% van de EU-begroting. Intern beleid, administratieve uitgaven en enige kleinere posten zijn samen goed voor circa 15%. Wij zijn nagegaan in welke mate de geldstromen worden afgedekt met evaluaties. Figuur 6 (zie volgende bladzijde) geeft op basis van de jaarlijkse evaluatieoverzichten van het DG begroting inzicht in het aantal algemene EU-brede midterm en ex-postevaluaties over het landbouwbeleid, structuurbeleid en intern beleid (hiervan de beleidsterreinen onderwijs en cultuur, milieu, vervoer en energie, onderzoek).
We zien in de eerste plaats dat het totaal aantal EU-brede evaluaties vrij constant is gebleven tussen 2000 en 2005.
Verder blijkt dat er voor het structuurbeleid weinig EU-brede evaluaties zijn. Deze geldstroom wordt namelijk grotendeels door de lidstaten zelf geëvalueerd. Ook voor landbouw is het aantal evaluaties relatief laag. In 2005 is het aantal wel gegroeid ten opzichte van eerdere jaren. Bij het intern beleid wisselt het aantal evaluaties sterk per jaar, maar het totale aantal daarvan ligt in alle gevallen hoger dan het aantal evaluaties over landbouw- en structuurbeleid gecombineerd.
43 In oktober 2004 heeft de «Evaluation Unit» van het DG begroting een overzicht opgesteld van alle evaluatiehandleidingen binnen de verschillende DG’s (Europese Commissie, 2004a).
Het aantal evaluaties zegt niet meteen iets over de mate waarin de geldstroom wordt afgedekt. Zo zijn er van het beleidsterrein landbouw vergeleken met het intern beleid weinig evaluaties, maar elke landbouw-evaluatie betreft relatief meer geld dan van de evaluaties van intern beleid. Van het landbouwbeleid is in totaal 47,1% van de uitgaven in 2005 van het DG op EU-niveau geëvalueerd. Bij het intern beleid is door het DG Onderzoek 2,97% van de totale gelden in beleidsevaluaties onderzocht. Bij het DG Onderwijs en Cultuur is 1,36% van de geldstroom afgedekt, en bij het DG Milieu 0,83%.
Figuur 6 Aantallen evaluaties van EU-beleid in de periode 2000-2005
Landbouw Structuurbeleid Intern beleid Totaal
35
30
25
20
15
10
2000
2001
2002
2003
2004 2005
Voor het structuurbeleid is er in 2005 één Europese synthese-evaluatie gepubliceerd. Deze betrof het verband tussen de Lissabonstrategie en alle structuurfondsen. Een percentage van de geldstroom dat werd afgedekt kon op basis daarvan niet worden berekend.
6.2.3 Beschikbare informatie over realisatie van beleidsdoelen
Alle door ons onderzochte evaluaties, met uitzondering van één evaluatie van het DG Landbouw, zijn door externe onderzoeksbureaus uitgevoerd. Vragen over relevantie, effectiviteit, efficiency en duurzaamheid komen in vrijwel alle evaluaties terug, maar de onderzoeksaanpak verschilt. Overzicht 20 laat zien hoeveel informatie over doelrealisatie aanwezig is in
de 23 evaluaties.44
Overzicht 20. Informatie over doelrealisatie per beleidsterrein in 23 evaluaties
Beleidsterrein
Aantal evaluaties
Ruimschoots aanwezig
Gedeeltelijk Niet aanwezig aanwezig
LANDBOUWBELEID |
8 |
3 |
3 |
2 |
STRUCTUURBELEID |
1* |
1 |
- |
- |
INTERN BELEID |
||||
|
4 |
2 |
1 |
1 |
|
2 |
- |
1 |
1 |
|
5 |
- |
1 |
4 |
|
3 |
- |
- |
3 |
44 Bijlage 4 geeft een overzicht van de evaluaties die in ons onderzoek zijn betrokken.
TOTAAL
23
6
6
11
-
*Een evaluatie van het Oriëntatiedeel (plattelandsontwikkeling) van het EOGFL-fonds van landbouw is in onze analyse niet meegenomen, terwijl dit officieel wel onder de structuurfondsen valt. Het Garantiedeel (inkomenssteun) van het EOGFL-fonds is bij de acht evaluaties van het landbouwbeleid meegenomen.
5
0
We zien het volgende:
-
•In zes van de 23 evaluatieverslagen was deze informatie ruimschoots aanwezig. Zes andere verslagen bevatten gedeeltelijk informatie over de doelrealisatie.
-
•In elf van de 23 verslagen (48%) was er geen inhoudelijke informatie over de doelrealisatie te vinden. In deze gevallen is niet bekend in welke mate de doelstellingen zijn gerealiseerd.
Het ontbreken van doelrealisatiegegevens in 48% van de gevallen is mogelijk te wijten aan breed en abstract geformuleerde doelstellingen, die daardoor moeilijk te evalueren zijn. Voorbeelden van dergelijke doelstellingen zijn: «duurzame lokale ontwikkeling bevorderen»; «aanjagen van energiebesparende maatregelen»; «het MKB ondersteunen»; «aantonen dat verantwoorde wetenschap het hart van de beleidsprocessen in Europa vormt»; «bescherming van het milieu».
Het nadeel van brede en/of abstracte doelstellingen is dat deze moeilijk om te zetten zijn in concreet meetbare indicatoren. Het gevolg daarvan is dat het moeilijk is eventuele beleidsresultaten concreet en goed onderbouwd terug te koppelen aan de doelstellingen. De Europese Commissie zal op basis van zulke uitkomsten niet of maar moeilijk in staat zijn om goede beleidskeuzes te maken voor de toekomst.
In de gevallen waar de doelstellingen wél specifiek en meetbaar zijn, is een evaluatie potentieel nuttiger. Dit betekent overigens niet dat in de onderzochte evaluaties aan deze doelstellingen altijd meetbare indicatoren en streefwaarden waren gekoppeld. De nadruk in de evaluatieverslagen lag in deze gevallen over het algemeen wel vaker op outputgegevens, en dus op informatie over resultaten van het beleid.
6.2.4 Mate van doelrealisatie
Op basis van de twaalf evaluaties die informatie bevatten over doelrealisatie zijn wij nagegaan wat de mate van doelrealisatie is.45
Overzicht 21. Mate van doelrealisatie in twaalf evaluaties
Beleidsterrein
Aantal evaluaties
Niet
Grotendeels niet
Helft
Grotendeels wel
Volledig
LANDBOUW STRUCTUURBELEID INTERN BELEID
-
a.Onderwijs en Cultuur
-
b.Milieu
-
c.Energie en Vervoer
-
d.Onderzoek door derden
-411
-111
3
1 - - 1 -
1 - - 1 -
0----
TOTAAL
12
45 In de analyse is de mate van doelrealisatie per evaluatie gecategoriseerd in 5 waarden: niet (0), grotendeels niet (2,5), helft (5), grotendeels wel (7,5) en volledig (10). Bijlage 4 laat zien welke score aan welke evaluatie is toegekend.
Overzicht 21 laat zien dat blijkens tien van de twaalf evaluaties (83%) de doelstellingen van het betreffende beleid voor de helft zijn gerealiseerd. Twee evaluaties geven aan dat de doelstellingen grotendeels zijn bereikt. Opmerkelijk hierbij is dat in vijf van de zes landbouwevaluaties de doelen voor de helft worden bereikt. Datgene wat wordt bereikt heeft steeds betrekking op de algemene doelstelling «garanderen van redelijke inkomsten». Deze doelstelling wordt in bijna alle gevallen gerealiseerd.
0
6.2.5 Knelpunten bij doelrealisatie
Wanneer er sprake is van onvolledige of onvoldoende doelrealisatie worden in de evaluaties vaak belemmerende oorzaken c.q. knelpunten weergegeven. We hebben de knelpunten in vier categorieën onderverdeeld:
-
1.manco’s in de opzet van het programma, inclusief selectie projecten en keuze van instrumenten (29 knelpunten, onder andere: onjuiste koppeling tussen doel en programma, onduidelijkheid over interpretatie, tussentijdse verschuivingen van prioriteiten, abstracte doelstellingen en onduidelijke prioriteiten, ingewikkelde aanmeldingsprocedures, keuze voor ineffectieve instrumenten, overlap tussen instrumenten);
-
2.manco’s in de uitvoering (21 knelpunten, onder andere: administratieve processen te complex, projecten op te kleine schaal, gebrek aan competente experts, hoge managementkosten, late start van het programma);
-
3.manco’s in de evalueerbaarheid (17 knelpunten, onder andere: geen uniform en structureel systeem voor monitoring, verschillende problemen met het verkrijgen van de data, ex-ante-evaluatie afwezig, weinig reacties coördinatoren);
-
4.problemen in de afstemming met andere overheidsprogramma’s en derde private partijen (14 knelpunten, onder andere: gebrek aan coherentie in subprogramma’s, geen duidelijk onderscheid tussen verschillende kaderprogramma’s, hoge mate van overlap tussen programma’s, spanning tussen de beleidsdoelen van programma’s, te weinig private partijen betrokken).
Het is opvallend dat er naast de manco’s in de opzet van het program-ma,46 die onder andere te wijten kunnen zijn aan onduidelijke en te abstracte doelstellingen, vooral veel problemen in de uitvoering worden geconstateerd die de mate van doelrealisatie negatief beïnvloeden. Datzelfde geldt voor knelpunten bij evalueerbaarheid. Een ander belangrijk manco betreft de afstemming op andere overheidsprogramma’s (zowel EU-programma’s als nationale en regionale programma’s).
46 Deze categorie scoorde het hoogst in het onderzoek naar doelrealisatie in het EU-trend-rapport 2006, p. 158–159.
47
De presentatie van het jaarverslag over 2005 van de Europese Rekenkamer heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006.
7 CONCLUSIES EN TRENDS EUROPESE INSTELLINGEN
Beleidsontwikkelingen EU-breed
De Europese Commissie heeft haar eerdere voorstellen ter verbetering
van het financieel management (de «routekaart» naar een positieve DAS)
aangevuld met een Actieplan. Hierin wordt expliciet gestreefd naar
nationale verklaringen in de lidstaten. Dit streven wordt ondersteund door
het Europees Parlement. De steun van de meeste lidstaten is vooralsnog
beperkt.
Er is een interinstitutioneel akkoord gesloten over de financiële perspectieven 2007–2013. Nederland gaat € 1 miljard per jaar minder afdragen aan de EU. In dit akkoord, en ook in het nieuwe financieel reglement, is ook een verwijzing opgenomen naar nationale verklaringen in de lidstaten door aan te geven dat zij jaarlijks op het van toepassing zijnde nationale niveau een samenvatting moeten maken van beschikbare audits en verklaringen.
Op het terrein van de structuurfondsen gaat het akkoord over de nieuwe periode 2007–2013 leiden tot belangrijke wijzigingen in de beheer-, controle- en verantwoordingssystemen.
Systemen voor financieelmanagement EU-breed
De Europese Commissie gaat verder in haar streven om meer en betere informatie openbaar te maken over haar werkzaamheden. Er is een lichte verbetering zichtbaar in de informatievoorziening op het terrein van planning en uitvoering van de begroting en verantwoording.
De verantwoordingsketen over financieel management van de EU is aangevuld met een expliciete verklaring van de Commissie in het Syntheseverslag, waarin zij stelt dat de bestaande interne-controlesystemen redelijke zekerheid geven over de rechtmatigheid van de activiteiten, met inachtneming van de geformuleerde voorbehouden. Juist die voorbehouden van de DG’s en de diensten zijn echter talrijk, waardoor de werkelijke betekenis van de verklaring nog niet erg groot is. In 2005 zijn de voorbehouden bovendien minder vaak gekwantificeerd, hetgeen de transparantie juist vermindert. Daarnaast is er een aantal voorbehouden dat al jaren achtereen terugkomt. En ten slotte verschilt de invulling en onderbouwing van voorbehouden tussen DG’s.
Uit ons onderzoek op basis van openbare Commissiedocumenten blijkt dat de systemen voor het financieel management op een aantal terreinen nog tot weinig inzicht leiden, bijvoorbeeld over de resultaten van controles in de lidstaten en van interne audits bij de DG’s.
RechtmatigheidEU-breed
Het algemene oordeel van de Europese Rekenkamer over de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen in het begrotingsjaar 2005 was wederom niet positief.47 Ook op de beleidsterreinen afzonderlijk is geen verbetering in rechtmatigheid waarneembaar.
Op basis van openbaar beschikbare informatie over «voorbehouden van de Europese Commissie», «onregelmatigheden» en «fouten» kan nog geen kwantitatief totaalbeeld worden gegeven van rechtmatigheid per begrotingshoofdstuk.
De informatie van het Europees antifraudebureau OLAF over onregelmatigheden is soms inconsistent en biedt daardoor geen goede basis voor inhoudelijke analyse op EU-niveau.
Figuur 7 Algemene trendinformatie 2000-2006: inkomsten en ontvangsten EU, beleidsontwikkelingen EU
TRENDINDICATOR
Kerncijfers EU-breed*
Eigen middelen (= inkomsten) EU
ONTWIKKELING SINDS 2000 EN STAND VAN ZAKEN 2003-2006
In 2001: € 80,7 miljard, in 2002 € 77,7 miljard, 2003 € 83,6 miljard, 2004
€ 95,0 miljard, 2005 € 100,8 miljard (bron: jaarverslagen Europese
Rekenkamer).
Het bedrag wordt verhoogd met het overschot van vorig jaar en overige
inkomsten. In 2005 was de totale begroting € 107,1 miljard.
Feitelijke uitgaven EU
In 2001: € 80,0 miljard, in 2002 € 85,1 miljard, 2003 € 90,6 miljard, 2004 € 100,1 miljard, 2005 € 104,8 miljard (bron: jaarverslagen Europese Rekenkamer). De onderbesteding (het verschil tussen ontvangen afdrachten van de lidstaten en feitelijke uitgaven van de Commissie) is in de loop der jaren minder geworden.
Ontwikkelingen in beleid financieel management EU
Aandacht in EU voor beheer, controle en verantwoording
Ontwikkelingen begro-tings- en verantwoordingsproces
Stand van zaken hervorming Europese Commissie
Nieuw EU-beleid met consequenties voor begroting
De beleidsontwikkeling is na het voorstel voor een communautair interne controlekader (‘routekaart’ naar een positieve DAS) doorgezet met een actieplan van de Commissie. Verbetering van het financieel management is ook opgenomen in de financiële perspectieven en het nieuwe financieel reglement. Er is nog steeds relatief weinig verantwoordingsinformatie beschikbaar per begrotingshoofdstuk die iets zegt over rechtmatigheid en doeltreffendheid van de bestedingen.
Hervormingen bij de Europese Commissie in het financieel management (activiteitenverslagen DG’s met verklaringen plus follow-up, activiteitenge-stuurd budgetteren) leiden langzaam tot meer transparantie. In het Syntheseverslag 2005 neemt de Commissie voor het eerst expliciet de (politieke) verantwoordelijkheid voor het geleverde management. Er is een akkoord bereikt over de nieuwe financiële perspectieven voor 2007-2013.
De jaarlijkse activiteitenverslagen van de DG’s en diensten van de Commissie die 2002 met verklaringen worden afgegeven, leiden tot meer inzicht in resultaten per begrotingshoofdstuk, continuering en gebruiken resultaten voor
activiteitengestuurd management.
Het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt voortaan gesubsidieerd uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELG) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). Randvoorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen veranderen, en productiesubsidies worden geleidelijk vervangen door inkomensteun. Verder dienen de lidstaten bij hun declaraties jaarlijks ‘statements of assurance’ te geven. Het aantal structuurfondsen wordt beperkt tot drie: ESF, EFRO en Cohesiefonds, en er wordt een nieuw systeem met management-, audit-, en certificeringsautoriteit ingevoerd. Ook zijn drie nieuwe doelstellingen geformuleerd: convergentie, regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, Europese territoriale samenwerking.
* De hier gegeven trendinformatie loopt niet verder dan 2005 in verband met de publicatiedatum van de bron: het jaarverslag van de Europese Rekenkamer.
01
02
03
04
05
01
02
03
04
05
02
03
04
05
06
Doeltreffendheid EU-breed
De Europese Commissie heeft een belangrijke stap gezet door voor het eerst een rapport uit te brengen over de beleidresultaten van het EU-beleid voor de EU als geheel. Vooralsnog bestaat deze rapportage echter alleen uit het weergeven van beleidsinitiatieven, niet van beleids-resultaten.
Ons eigen onderzoek naar doeltreffendheid op basis van 23 EU-brede evaluaties op de terreinen van landbouw, structuurfondsen en intern beleid laat zien dat slechts in een klein aantal gevallen informatie over doelrealisatie aanwezig is. Daar waar informatie beschikbaar is, is de mate van doelrealisatie in het algemeen beperkt.
Het samenvattend (geaggregeerd) beeld van de in deel 1 van dit EU-trendrapport gebruikte indicatoren is weergegeven in figuur 7 (zie vorige bladzijde).
In figuur 7 hierboven is algemene informatie opgenomen over de trendindicatoren voor de onderwerpen «kerncijfers EU-breed» en «ontwikkeling in beleid financieel management EU». In onderstaand overzicht geven we daarnaast specifieke informatie over de trendindica-toren voor de onderwerpen «systemen», «rechtmatigheid» en doeltref-fendheid«.
Overzicht 22. Specifieke trendinformatie 2003–2005: Financieel management, rechtmatigheid en doeltreffendheid EU-instellingen
Hoofdstuk
Onderdeel
Indicatoren (geaggregeerd niveau)
Mate van inzicht in 2003–2005
Resultaten in 2003–2005
Systemen
Planning en uitvoering begroting
Aanwezigheid openbare jaarlijkse managementplannen (JMP’s)
Neemt toe Achtereenvolgens vier, vijf en negen van
twaalf DG’s hebben openbaar JMP in 2003, 2004 en 2005.
JMP’s met strategische en specifieke doelen
Groot
Controle door Europese Commissie
Verantwoording
Externe audit Europese Rekenkamer
Toepassing interne-controlenormen DG’s (volgens Europese Rekenkamer)
Groot
Inzet en output bij opvolg-onderzoek naar fraude door OLAF
Deels
Inzet en output jaarlijks activiteitenverslag per DG
Deels
Inzet en output SG voor Syntheseverslag
Beperkt
Inzet en output Europese Rekenkamer
Deels
Alle openbare JMP’s bevatten deze doelen.
50% onderzochte DGs voldoet aan onderzochte normen
Inzet en output controles ter |
Beperkt |
Waarden onmogelijk. |
plaatse door DG’s |
||
Inzet en output internal audit |
Beperkt |
Waarden onmogelijk; van slechts twee |
capabilities bij DG’s |
DG’s was in 2005 bekend dat alle audits zijn uitgevoerd. |
|
Inzet en output Interne Audit- |
Groot |
Ingezette capaciteit, overgenomen |
dienst |
aanbevelingen en realisatie controles toegenomen in 2005. |
Ingezette capaciteit voor onderzoek circa 41% in 2003–2004. In 2005 niet aan te geven door minder informatie.
Voorbehouden duidelijk, mate van kwantificering afgenomen, aantal DG’s met landeninformatie gelijk.
Totaalwaarde onmogelijk vast te stellen. Informatiegehalte syntheseverslag toegenomen, alsmede expliciete (politieke) verantwoordelijkheid Commissie.
Auditposten duidelijk, ingezette capaciteit en realisatie van geplande audits niet.
Hoofdstuk
Onderdeel
Indicatoren (geaggregeerd niveau)
Mate van inzicht in 2003–2005
Resultaten in 2003–2005
Rechtmatigheid
Informatie Europese Commissie
Aantal en financieel belang voorbehouden DG’s
Deels
Aantal en financieel belang gemelde onregelmatigheden
Deels
Aantal en financieel belang correcties
Deels
Aantal en financieel belang fraudemeldingen
Groot
Informatie Europese Rekenkamer
Algemeen oordeel over de rekeningen
Deels
Oordeel per begrotingshoofdstuk
Deels
Fouten per begrotingshoofdstuk
Geen
Aantal voorbehouden licht afgenomen, kwantitatief inzicht in financieel belang afgenomen.
Inzicht in vier van zeven begrotingshoofdstukken. Aantal en financieel belang fluctueert.
Inzicht van drie begrotingshoofdstukken in 2004 naar vier in 2005. Aantal en financieel belang fluctueert
Aantal toegenomen. Financieel belang van de 452 openstaande cases in 2005 circa € 1,9 miljard. Informatie van OLAF op punten zeer onduidelijk
Grotendeels geen positieve DAS (betrouwbaarheidsverklaring), opnieuw geen kwantitatief inzicht in 2005
Kwalitatief beeld 2005 per begrotingshoofdstuk wijst op veel hardnekkige gebreken bij belangrijkste beleidsterreinen
Met uitzondering van structuurfondsen in 2005 geen kwantitatieve gegevens over fouten per begrotingshoofdstuk beschikbaar.
Doeltreffendheid
Aansluiten beleid en verantwoording
Aansluiting syntheseverslag op beleidsstrategie
Groot
Effecten
Beoogde en gerealiseerde effecten
Beperkt
Gebrekkige aansluiting. Nieuwe mededeling EC gaat wel in op algemene «policy achievements» maar noemt alleen algemene doelen en voornemens, maar geen resultaten.
Onderzoek naar 23 EU-brede evaluaties laat zien dat in zes gevallen informatie of doelrealisatie aanwezig is. De mate van doelrealisatie is in het algemeen beperkt.
DEEL 2 EU-LIDSTATEN
8 INLEIDING DEEL 2
Deel 2 van het EU-trendrapport 2007 biedt een landenvergelijkend overzicht op het punt van de rechtmatigheid (en voor zover mogelijk ook de doeltreffendheid) van de besteding van EU-gelden in de 25 EU-lidsta-ten.
Onderstaande figuur geeft weer welke onderwerpen uit het EU-trend-rapport in deel 2 aan de orde komen.
Deel 2: Rechtmatigheid en doeltreffendheid EU-beleid in de 25 lidstaten
Ontwikkelingen in beleid EU voor financieel management |
Kwaliteit systemen financieel management EU |
Doeltreffendheid beleid per lidstaat, per hoofdstuk EU-begroting |
||||
Rechtmatigheid bestedingen per lidstaat, per hoofdstuk EU-begroting |
||||||
Aan de orde komen hierbij:
-
•Eigen middelen
-
•Gemeenschappelijk landbouwbeleid
-
•Structuurbeleid
-
•Intern beleid
-
•Pre-toetredingsbeleid
Aan de orde komen hierbij:
-
•Gemeenschappelijk landbouwbeleid
-
•Structuurbeleid
-
•Intern beleid
____| Wordt volledig behandeld, inclusief indicatoren
____I Wordt op hoofdlijnen behandeld, met indicatoren (indien reeds beschikbaar)
I Wordt buiten beschouwing gelaten
_^. Leidt idealiter tot
48 Zie hiervoor artikel 274 van het EG-verdrag. Artikel 280 van het verdrag gaat in op bestrijding en vervolging van fraude in de lidstaten.
In deel 2 ligt de nadruk op de rechtmatigheid van de bestedingen van de EU-gelden per lidstaat, per geldstroom. Dat wil zeggen dat we per lidstaat een overzicht geven van de mate van rechtmatigheid van de bestedingen per hoofdstuk van de EU-begroting. In meer beschrijvende zin geven we ook een beeld van de doeltreffendheid van het EU-beleid per lidstaat. Zoals we ook al aangaven in het EU-trendrapport 2006 hebben de EU-lidstaten zich op basis van het EG-Verdrag verplicht om samen te werken met de Europese Commissie, om zo te waarborgen dat de aan hen toegekende EU-gelden volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.48 De indicatoren die we hanteren in onze analyse van dit financieel beheer, zijn identiek aan de indicatoren die zijn gebruikt in het EU-trendrapport 2006 . We zullen vooral kijken naar de EU-gelden die «in gedeeld beheer» worden besteed binnen de lidstaten (dat wil zeggen, gelden voor beleid dat gezamenlijk wordt uitgevoerd door de Commissie en instanties in de lidstaten). De EU-gelden die in gedeeld beheer worden besteed – hoofdzakelijk het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het structuurbeleid – omvatten in 2005 circa 85% van de totale EU-begroting. Daarnaast besteden we ook aandacht aan het interne beleid en aan de afdrachten van de lidstaten aan de EU.
De indeling van deel 2 is als volgt:
-
•Hoofdstuk 9: kerncijfers over de afdrachten aan en de ontvangsten uit de EU-begroting, voor elk van de lidstaten.
-
•Hoofdstuk 10: beschrijving van (het inzicht in) de mate van rechtmatigheid van de bestedingen van EU-gelden (met name de landbouw-gelden, de structuurfondsgelden en de gelden voor het interne EU-beleid) in elk van de lidstaten.
-
•Hoofdstuk 11: beschrijving van de doeltreffendheid van het EU-beleid (met name het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het structuurbeleid en waar mogelijk het interne beleid) zoals dit in de lidstaten wordt uitgevoerd.
-
•Hoofdstuk 12: conclusies en trends bij deel 2.
9 EU-LIDSTATEN: KERNCIJFERS
In dit hoofdstuk geven we een landenvergelijkend overzicht van de afdrachten die de EU in 2005 heeft ontvangen van de lidstaten (§ 9.1), en van de bedragen die in 2005 vanuit de EU aan daarvoor aangewezen instanties binnen de lidstaten zijn uitgekeerd (§ 9.2). De nettopositie die de lidstaten in 2005 hadden komt ook aan de orde (§ 9.3). Daarna bespreken we de «decommitteringen» bij de structuurfondsen, oftewel de niet-beste-de budgetten die in 2005 zijn komen te vervallen (§ 9.4) en blikken we vooruit op de periode 2007-2013 (§ 9.5).
9.1 Afdrachten aan EU in 2005, per lidstaat
9.1.1 Afdrachten lidstaten aan EU-begroting
De eigen middelen (de inkomsten van de EU) bestonden in 2005 uit:49
-
•traditionele eigen middelen, bestaande uit landbouwrechten, heffingen suiker en douanerechten;
-
•BTW-middelen (een EU-breed vastgesteld percentage van de BTW-grond-slag oftewel het consumptiepeil van de afzonderlijke lidstaten);
-
•afdrachten gerelateerd aan het bruto nationaal inkomen (BNI) van de lidstaten.
Overzicht 23 geeft voor de jaren 2002-2005 een landenvergelijkend overzicht van de gelden die door de lidstaten zijn afgedragen aan de EU.
Overzicht 23. Eigen middelen van de EU, naar afdracht per lidstaat in 2002-2005 (realisatiecijfers, bedragen in miljoenen euro’s)
Lidstaat |
Traditionele eigen middelen 2005* |
BTW-middelen 2005 |
BNI-afdracht 2005 |
Correctie Verenigd Koninkrijk 2005 |
Totaal 2005 |
Totaal 2004 |
Totaal 2003 |
Totaal 2002 |
België |
1 373,2 |
422,6 |
2000,1 |
227,6 |
4 023,7 |
3 848,9 |
3 486,0 |
3 017,9 |
Cyprus |
35,2 |
20,5 |
83,4 |
10,9 |
150,0 |
95,0 |
0,0 |
0,0 |
Denemarken |
298,2 |
253,1 |
1 290,0 |
148,5 |
1 989,9 |
1 940,9 |
1 777,7 |
1 656,1 |
Duitsland |
2 724,4 |
2 888,3 |
14 153,6 |
369,9 |
20 136,2 |
20 229,6 |
19 202,6 |
17 582,2 |
Estland |
16,0 |
14,9 |
61,2 |
7,6 |
99,7 |
55,4 |
0,0 |
0,0 |
Finland |
122,7 |
214,1 |
1 011,4 |
126,7 |
1 464,9 |
1 443,3 |
1 337,9 |
1 184,5 |
Frankrijk |
1 337,3 |
2 655,5 |
11 431,3 |
1 429,9 |
16 854,0 |
16 013,4 |
15 153,7 |
14 152,3 |
Griekenland |
199,6 |
286,1 |
1 173,6 |
142,2 |
1 801,5 |
1 742,3 |
1 533,7 |
1 337,5 |
Hongarije |
113,3 |
108,5 |
540,8 |
70,6 |
833,2 |
537,1 |
0,0 |
0,0 |
Ierland |
182,2 |
229,7 |
923,5 |
107,0 |
1 442,5 |
1 250,5 |
1 127,5 |
1 018,8 |
Italië |
1 341,9 |
2003,8 |
9 092,9 |
1 108,0 |
13 546,6 |
13 785,9 |
11 758,5 |
11 279,5 |
Letland |
20,4 |
17,1 |
82,3 |
10,0 |
129,7 |
67,5 |
0,0 |
0,0 |
Litouwen |
34,1 |
29,8 |
126,9 |
16,2 |
207,0 |
119,3 |
0,0 |
0,0 |
Luxemburg |
15,8 |
37,7 |
153,6 |
19,9 |
227,0 |
231,3 |
204,5 |
183,8 |
Malta |
11,9 |
6,8 |
27,7 |
3,7 |
50,1 |
33,0 |
0,0 |
0,0 |
Nederland |
1484,3 |
758,0 |
3 649,7 |
55,1 |
5 947,0 |
5 268,8 |
4 919,5 |
4 467,4 |
Oostenrijk |
188,5 |
326,3 |
1 588,9 |
40,3 |
2 144,0 |
2 046,5 |
1 935,9 |
1 840,5 |
Polen |
272,0 |
366,1 |
1 495,7 |
193,4 |
2 327,2 |
1 310,7 |
0,0 |
0,0 |
Portugal |
108,0 |
283,7 |
1 025,3 |
110,0 |
1 527,0 |
1 332,2 |
1 292,9 |
1 187,3 |
Slovenië |
28,1 |
43,9 |
179,5 |
23,2 |
274,7 |
170,4 |
0,0 |
0,0 |
Slowakije |
44,1 |
45,3 |
238,8 |
30,8 |
359,0 |
219,6 |
0,0 |
0,0 |
Spanje |
1 097,8 |
1 616,6 |
6 075,3 |
685,1 |
9 474,9 |
8 383,6 |
7 429,4 |
6 551,2 |
49 Zie voor een toelichting op het systeem van eigen middelen het EU-trendrapport 2003,
§ 4.2.1.
Lidstaat |
Traditionele eigen middelen 2005* |
BTW-middelen 2005 |
BNI-afdracht 2005 |
Correctie Verenigd Koninkrijk 2005 |
Totaal 2005 |
Totaal 2004 |
Totaal 2003 |
Totaal 2002 |
Tsjechië |
146,1 |
150,6 |
614,6 |
78,8 |
990,2 |
565,2 |
0,0 |
0,0 |
Verenigd Koninkrijk |
2 526,8 |
2 900,6 |
11 915,3 |
|
12 156,9 |
11 682, 4 |
9 971,2 |
10 152,8 |
Zweden |
351,0 |
338,2 |
1 925,1 |
39,9 |
2 654,3 |
2 680,6 |
2 501,3 |
2 086,2 |
Totaal |
14 063,1 |
16 018,0 |
70 860,6 |
|
100 811,1 |
95 053,3 |
83 632,5 |
77 698,0 |
-
*Betreft landbouwrechten, heffingen suiker en isoglucose en douanerechten, na aftrek van 25% die voor kosten van inning door de lidstaten mag worden ingehouden op de afdracht («perceptiekostenvergoeding»). Bron: Jaarverslagen Europese Rekenkamer 2002–2005.
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat in 2005 ten opzichte van de eerdere jaren de afdrachten verder zijn toegenomen. In vergelijking met 2004 zijn vrijwel alle lidstaten meer gaan afdragen aan de EU, inclusief de in 2004 toegetreden nieuwe lidstaten.
9.1.2 Afdrachten lidstaten aan Europees ontwikkelingsfonds
Het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) maakt geen deel uit van de algemene EU-begroting. De fondsmiddelen bestaan uit directe bijdragen van de lidstaten en worden voor vijf jaar vastgelegd.50 Jaarlijks maken de lidstaten – volgens een vaste verdeelsleutel – hun EOF-bijdrage over aan de Europese Investeringsbank en de Europese Commissie. Zie daarvoor het EU-trendrapport 2006. Het huidige (negende) EOF loopt eind 2007 af. Ook in de begrotingsperiode 2007–2013 zal het fonds buiten de algemene begroting worden gehouden. Het tiende EOF beslaat de periode 2008–2013.
Overzicht 24 geeft de geraamde bijdragen van de vijftien «oude» lidstaten voor 2005 en 2006 (Europese Commissie, 2005c). Aangezien het hier om (herziene) ramingen gaat, kunnen onderstaande cijfers voor 2005 verschillen met die van het overzicht in het EU-trendrapport 2006 .
Overzicht 24. Geraamde bijdragen 15 «oude» lidstaten aan het EOF 2005–2006 (in miljoenen euro’s)*
50 De hoogte van een lidstaatbijdrage wordt onder andere bepaald door de hoogte van het bruto nationaal inkomen van de lidstaat en door de historische bindingen met landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-staten), zoals voormalige koloniën.
Land |
Verdeelsleutel (%)** |
Bijdrage 2005 |
Bijdrage 2006 |
België |
3,92 |
104,272 |
119,168 |
Denemarken |
2,14 |
56,924 |
65,056 |
Duitsland |
23,36 |
621,376 |
710,144 |
Finland |
1,48 |
39,368 |
44,992 |
Frankrijk |
24,3 |
646,380 |
738, 720 |
Griekenland |
1,25 |
33,25 |
38,000 |
Ierland |
0,62 |
16,492 |
18,848 |
Italië |
12,54 |
333,564 |
381,216 |
Luxemburg |
0,29 |
7,714 |
8,816 |
Nederland |
5,22 |
138,852 |
158,688 |
Oostenrijk |
2,65 |
70,49 |
80,56 |
Portugal |
0,97 |
25,802 |
29,488 |
Spanje |
5,84 |
155,344 |
177,536 |
Verenigd Koninkrijk |
12,69 |
337,554 |
385,776 |
Zweden |
2,73 |
72,618 |
82,992 |
Totaal EU-15 |
100% |
2 660,0 |
3 040,0 |
-
*Bron: Europese Commissie, DG Budget, Commissiedocument COM (2005) 542 def van
4 november 2005. ** De hier weergegeven percentages zijn afkomstig uit de verdeelsleutel van het achtste en het
negende EOF.
Aan het negende EOF hebben de lidstaten in totaal € 13,8 miljard bijgedragen. De twee grootste contribuanten zijn Duitsland en Frankrijk met elk een bijdrage van in totaal ruim € 3 miljard.
9.2 Ontvangsten lidstaten vanuit EU in 2005
9.2.1 Toegekende EU-gelden aan de lidstaten
Overzicht 25 laat zien welke EU-subsidies in de jaren 2002–2005 zijn toegekend aan daarvoor aangewezen instanties binnen de lidstaten van de EU. De administratieve uitgaven van de EU zijn hier buiten beschouwing gelaten, omdat deze niet in de lidstaten worden besteed.
Overzicht 25. Ontvangsten per lidstaat per beleidsterrein in 2002–2005 (Realisatiecijfers, bedragen in miljoenen euro’s)
Lidstaat |
Gemeen- |
Structuur- |
Intern |
Extern |
pre-toe- |
Com- Reserves |
Totaal |
Totaal |
Totaal |
Totaal |
schappe- |
beleid |
beleid |
beleid |
tre- |
pensatie |
2005 |
2004 |
2003 |
2002 |
|
lijk land- |
dings- |
|||||||||
bouw- |
steun |
|||||||||
beleid |
||||||||||
België |
1 047,7 |
373,4 |
892,5 |
46,0 |
9,6 |
- |
2 369,4 |
2 393,7 |
1 687,6 |
1 787,3 |
Cyprus |
44,5 |
8,9 |
12,0 |
5,9 |
0,0 |
138,3 |
209,5 |
141,1 |
0,0 |
0,0 |
Denemarken |
1 228,3 |
122,7 |
162,2 |
1,2 |
2,6 |
- |
1 517,0 |
1 537,6 |
1 449,1 |
1 417,2 |
Duitsland |
6 522,3 |
4 597,5 |
901,7 |
16,1 |
19,7 |
- |
12 057,0 |
11 430,3 |
10 371,8 |
11 444,7 |
Estland |
76,5 |
72,0 |
41,3 |
01,1 |
50,4 |
3,2 |
243,6 |
196,8 |
0,0 |
0,0 |
Finland |
904,1 |
290,9 |
123,8 |
2,4 |
0,0 |
- |
1 321,1 |
1 328,5 |
1 303,9 |
1 167,0 |
Frankrijk |
10 011,5 |
2 541,2 |
724,7 |
5,5 |
0,0 |
- |
13 282,9 |
12 508,6 |
13 039,8 |
11 656,1 |
Griekenland |
2 755,7 |
2 655,2 |
136,0 |
0,8 |
0,0 |
- |
5 547,7 |
5 749,3 |
4 801,0 |
4 616,5 |
Hongarije |
651,5 |
338,1 |
99,1 |
0,1 |
230,4 |
31,1 |
1 350,4 |
722,8 |
0,0 |
0,0 |
Ierland |
1 821,5 |
531,4 |
109,2 |
0,4 |
0,0 |
- |
2 462,6 |
2 775,4 |
2 645,7 |
2 562,8 |
Italië |
5 528,1 |
4 325,4 |
742,0 |
21,5 |
2,5 |
- |
10 619,4 |
10 120,3 |
10 438,6 |
8 012,9 |
Letland |
118,4 |
107,3 |
46,2 |
0,1 |
103,2 |
3,8 |
378,9 |
261,1 |
0,0 |
0,0 |
Litouwen |
265,6 |
158,2 |
144,9 |
0,2 |
80,8 |
7,0 |
656,7 |
485,8 |
0,0 |
0,0 |
Luxemburg |
45,4 |
11,1 |
74,9 |
0,1 |
1,2 |
- |
132,7 |
144,1 |
119,1 |
131,7 |
Malta |
9,0 |
5,4 |
8,1 |
4,5 |
- |
103,2 |
130,1 |
75,4 |
0,0 |
0,0 |
Nederland |
1 268,3 |
411,6 |
315,7 |
2,3 |
0,2 |
- |
1 998,1 |
2 028,6 |
1 919,4 |
1 509,1 |
Oostenrijk |
1 237,3 |
337,7 |
175,0 |
6,6 |
0,3 |
- |
1 757,0 |
1 582,8 |
1 555,3 |
1 525,4 |
Polen |
1 542,1 |
787,0 |
218,5 |
0,2 |
886,5 |
612,0 |
4 046,3 |
2 698,5 |
0,0 |
0,0 |
Portugal |
896,5 |
2 877,4 |
87,2 |
0,4 |
- |
- |
3 861,5 |
4 385,7 |
4 744,2 |
3 839,7 |
Slovenië |
102,6 |
53,5 |
63,0 |
0,1 |
44,7 |
93,8 |
357,6 |
283,2 |
0,0 |
0,0 |
Slowakije |
220,6 |
157,3 |
51,1 |
0,0 |
165,8 |
12,6 |
605,4 |
399,8 |
0,0 |
0,0 |
Spanje |
6 432,0 |
7 973,7 |
337,2 |
10,8 |
0,0 |
- |
14 753,7 |
16 262,5 |
15 814,1 |
15 127,1 |
Tsjechië |
428,5 |
151,6 |
45,5 |
0,4 |
131,6 |
300,0 |
1 057,5 |
802,8 |
0,0 |
0,0 |
Verenigd Koninkrijk |
4 347,2 |
3 442,0 |
656,0 |
6,6 |
18,6 |
- |
8 470,5 |
6 903,2 |
6 008,5 |
5 959,8 |
Zweden |
956,9 |
369,9 |
197,0 |
0,4 |
- |
- |
1 542,2 |
1 405,1 |
1 414,8 |
1 191,4 |
Diversen |
3,7 |
62,8 |
1 607,2 |
4 880,5 |
1 238,3 |
140,1 |
7 932,6 |
7 660,3 |
7 791,5 |
7 813,7 |
Totaal |
48 465,8 |
32 736,2 |
7 972,1 |
5 013,1 |
2 984,6 |
1 305,0 140,1 |
98 643,9 |
94 283,1 |
85 252,2 |
79 932,9 |
Bron: Jaarverslagen Europese Rekenkamer 2002–2005.
Behalve de in de tabel genoemde uitkeringen aan de afzonderlijke
lidstaten werden er in 2005 ook administratieve uitgaven gedaan ten laste
van de EU-begroting (ruim € 6 miljard). De totale uitgaven in 2005
bedroegen daarmee bijna € 105 miljard.
De bedragen die zijn uitbetaald onder de noemer «compensatie» zijn
uitgekeerd om ervoor te zorgen dat de nieuwe lidstaten in de eerste jaren
van hun lidmaatschap netto-ontvanger zijn. Voor meer informatie hierover
verwijzen we naar het EU-trendrapport 2005 , § 4.1.1.
De tabel laat zien dat in 2005 de uitgekeerde EU-gelden aan de lidstaten
ten opzichte van eerdere jaren in totaal zijn toegenomen, maar ook dat
deze toename voor een groot deel naar de nieuwe lidstaten is gegaan. De
meeste «oude» lidstaten, met uitzondering van Duitsland, Frankrijk Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zweden, ontvingen minder dan in 2004.
9.2.2 Ontvangen EU-gelden in verhouding tot eigen begroting
In deze paragraaf zetten we de ontvangsten in de lidstaten vanuit de EU af tegen de eigen nationale begroting.
Overzicht 26 geeft een landenvergelijkend overzicht van de EU-gelden die in de jaren 2004 en 2005 zijn toegekend aan de lidstaten. De ontvangen EU-gelden worden gerelateerd aan de nationale overheidsuitgaven.
Overzicht 26. Ontvangsten per lidstaat als percentage van de eigen uitgavenbegroting voor de sector overheid (in miljarden euro’s)
Lidstaat
Nationale overheidsuitgaven*
Totaal ontvangen EU-gelden**
% EU-gelden ten opzichte van nationale overheidsuitgaven
2004
2005
2004
2005
2004
2005
België
Cyprus
Denemarken
Duitsland
Estland
Finland
Frankrijk
Griekenland
Hongarije
Ierland
Italië
Letland
Litouwen
Luxemburg
Malta
Nederland
Oostenrijk
Polen
Portugal
Slovenië
Slowakije
Spanje
Tsjechië
Verenigd Koninkrijk
Zweden
140,0 |
149,5 |
2,4 |
2,4 |
1,7 |
1,6 |
6 |
0,2 |
3,3 |
|||
109.5 |
110,9 |
1,5 |
1,5 |
1,4 |
1,4 |
1 033,9 |
1 049,3 |
11,4 |
12,1 |
1,1 |
1,2 |
3,8 |
0,2 |
5,3 |
|||
75,8 |
78,8 |
1,3 |
1,3 |
1,8 |
1,6 |
886,1 |
919,1 |
12,5 |
13,3 |
1,4 |
1,4 |
85,9 |
83,6 |
5,7 |
5,5 |
6,6 |
6,6 |
44,5 |
1,3 |
2,9 |
|||
50,1 |
55,3 |
2,8 |
2,5 |
5,6 |
4,5 |
655,5 |
683,7 |
10,1 |
10,6 |
1,5 |
1,6 |
4,6 |
0,4 |
8,7 |
|||
6,9 |
0,7 |
10,1 |
|||
11,8 |
12,7 |
0,1 |
0,1 |
1,1 |
0,8 |
2,1 |
0,1 |
4,8 |
|||
226,5 |
229,4 |
2,0 |
2,0 |
0,9 |
0,9 |
119,1 |
122,2 |
1,6 |
1,8 |
1,3 |
1,5 |
104,1 |
4,0 |
3,8 |
|||
65,4 |
70,4 |
4,4 |
3,9 |
6,7 |
5,5 |
12,9 |
0,4 |
3,1 |
|||
14,0 |
0,6 |
4,3 |
|||
323,7 |
345,9 |
16,3 |
14,8 |
5,0 |
4,3 |
43,4 |
1,1 |
2,5 |
|||
750,5 |
804,8 |
6,9 |
8,5 |
0,9 |
1,1 |
159.9 |
162,5 |
1,4 |
1,5 |
0,9 |
0,9 |
-
*Bron: Eurostat Total General Government expenditure 2004/2005. ** Bron: Jaarverslagen 2004 en 2005 van de Europese Rekenkamer.
51 Er zijn verschillende methoden voor de berekening van de nettopositie van lidstaten. Zie voor de toepassing daarvan op Nederland het EU-trendrapport 2005 (deel 3, 14.3). De Algemene Rekenkamer hanteert in de EU-trendrapporten steeds een zuiver boekhoudkundige definitie: alle afgedragen eigen middelen van de lidstaten worden afgezet tegen alle ontvangsten uit de EU-begroting. Daarbij baseren wij ons alleen op extern gecontroleerde informatie, dus informatie uit de jaarverslagen van de Europese Rekenkamer.
Het overzicht laat zien dat voor de meeste oude lidstaten het percentage EU-ontvangsten ten opzichte van de nationale uitgaven in 2005 is gedaald of gelijk gebleven ten opzichte van 2004. Een uitzondering daarop vormen Duitsland, Italië, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk. Het hoogste aandeel EU-ontvangsten uitgedrukt in nationale uitgaven komt terecht in Litouwen en Letland. Daarna volgen Griekenland, Portugal en Estland.
9.3 Nettopositie 2005, per lidstaat
Het verschil tussen het bedrag dat een lidstaat aan de EU betaalt en het bedrag dat een lidstaat uit de EU-begroting ontvangt, wordt ook wel aangeduid als de «nettopositie» van een lidstaat.51 Overzicht 27 geeft een landenvergelijkend overzicht van de nettopositie van de lidstaten in de jaren 2003–2005.
Overzicht 27. Nettopositie per lidstaat van de EU 2003–2005 (in miljoenen euro’s)
Lidstaat |
Afdrachten lidstaten aan EU |
Ontvangsten lidstaten van EU |
Nettopositie |
||||||
2003 |
2004 |
2005 |
2003 |
2004 |
2005 |
2003 |
2004 |
2005 |
|
België |
3 486,0 |
3 848,9 |
4 023,7 |
1 687,6 |
2 393,7 |
2 369,4 |
|
|
|
Cyprus |
95,0 |
150,0 |
141,1 |
209,5 |
46,1 |
59,5 |
|||
Denemarken |
1 777,7 |
1 940,9 |
1 989,7 |
1 449,1 |
1 537,6 |
1 517,0 |
|
|
|
Duitsland |
19 202,6 |
20 229,6 |
20 136,2 |
10 371,8 |
11 430,3 |
12 057,3 |
8 830,8 |
|
|
Estland |
55,4 |
99,7 |
196,8 |
243,6 |
141,4 |
143,9 |
|||
Finland |
1 337,9 |
1 443,3 |
1 464,9 |
1 303,9 |
1 328,5 |
1 321,2 |
|
|
|
Frankrijk |
15 153,7 |
16 013,4 |
16 854,0 |
13 039,8 |
12 508,6 |
13 282,9 |
2 113,9 |
|
|
Griekenland |
1 533,7 |
1 742,3 |
1 801,5 |
4 801,0 |
5 749,3 |
5 547,7 |
3 267,3 |
4 007,0 |
3 746,2 |
Hongarije |
537,1 |
833,2 |
722,8 |
1 350,4 |
185,7 |
517,2 |
|||
Ierland |
1 127,5 |
1 250,5 |
1 442,5 |
2 645,7 |
2 775,4 |
2 462,6 |
1 518,2 |
1 524,9 |
1 020,1 |
Italië |
11 758,5 |
13 785,9 |
13 546,6 |
10 438,6 |
10 120,3 |
10 619,4 |
|
|
|
Letland |
67,5 |
129,7 |
261,1 |
378,9 |
193,6 |
249,2 |
|||
Litouwen |
119,3 |
207,0 |
485,8 |
656,7 |
366,5 |
449,7 |
|||
Luxemburg |
204,5 |
231,3 |
227,0 |
119,1 |
144,1 |
132,7 |
|
|
|
Malta |
33,0 |
50,1 |
75,4 |
130,1 |
42,4 |
80 |
|||
Nederland |
4 919,5 |
5 268,8 |
5 947,0 |
1 919,4 |
2 028,6 |
1 998,1 |
-3 000,1 |
- 3 240,2 |
- 3 948,9 |
Oostenrijk |
1 935,9 |
2 046,5 |
2 144,0 |
1 555,3 |
1 582,8 |
1 757,0 |
- 380,6 |
- 463,7 |
- 387 |
Polen |
1 310,7 |
2 327,2 |
2 698,5 |
4 046,3 |
1 387,8 |
1 719,1 |
|||
Portugal |
1 292,9 |
1 332,3 |
1 527,0 |
4 744,2 |
4 385,7 |
3 861,5 |
3 451,3 |
3 053,4 |
2 334,5 |
Slovenië |
170,4 |
274,7 |
283,2 |
357,6 |
112,8 |
82,9 |
|||
Slowakije |
219,6 |
359,0 |
399,8 |
605,4 |
180,2 |
246,4 |
|||
Spanje |
7 429,4 |
8 383,6 |
9 474,9 |
15 814,1 |
16 262,5 |
14 753,7 |
8 3 84,7 |
7 878,9 |
5 278,8 |
Tsjechië |
565,2 |
990,2 |
802,8 |
1 057,5 |
237,6 |
67,3 |
|||
Verenigd Koninkrijk |
9 971,2 |
11 682,4 |
12 156,9 |
6 008,5 |
6 903,2 |
8 470,5 |
|
|
|
Zweden |
2 501,3 |
2 680,6 |
2 654,3 |
1 414,8 |
1 405,1 |
1 524,2 |
|
|
|
Bron: Jaarverslagen Europese Rekenkamer 2003–2005.
-
*Afrondingsverschillen in de totalen zijn afkomstig van de oorspronkelijke bronnen.
Van de 25 lidstaten ontvingen er in 2005 veertien meer dan ze afdroegen. Van de vijftien oude lidstaten hebben zes hun nettopositie in 2005 zien verslechteren ten opzichte van het jaar ervoor. Voor vijf oude lidstaten is de nettopositie verbeterd.
De tien nieuwe lidstaten ontvingen meer dan zij afdroegen. Voor drie landen (Malta, Slovenië en Cyprus) is dit het gevolg van een compensatie die zij ontvingen. Deze compensatie was destijds ingevoerd om te voorkomen dat de nieuwe lidstaten nettobetaler zouden worden.
9.4 Decommittering structuurfondsbudgetten 2005
Bij de uitvoering van de meerjarige structuurfondsprogramma’s verplicht de «N+2-regel» de lidstaten om de per jaar toegewezen structuurfonds-middelen binnen twee jaar na het jaar van toewijzing te besteden. Niet-bestede budgetten komen automatisch te vervallen («decommit-tering»). De Commissie gaat dan – na kennisgeving aan de lidstaat – over tot ambtshalve annulering van de niet-benutte subsidies. De bijdrage van de structuurfondsen aan het betrokken programma wordt dan verminderd met het niet-benutte bedrag.
Overzicht 28 geeft per structuurfonds de in 2005 gedecommitteerde bedragen per lidstaat weer.52
52 Dit overzicht is exclusief transnationale programma’s zoals Interreg III omdat deze verscheidene landen betreffen.
Overzicht 28. Decommitteringen structuurfondsen 2005* (in duizenden euro’s)
Lidstaat Fondsen**
EOGFL-O FIOV ESF EFRO Totaal
België 1854 8258 2952 43 13107
Denemarken 0 8267 0 0 8267
Duitsland 6838 33044 1010 876 41768
Finland 0 0 0 0 0
Frankrijk 3697 772 10858 1050 16377
Griekenland 14 0 307 0 321
Italië 5894 0 0 0 5894
Ierland 7333 0 0 0 7333
Luxemburg 0 0 0 0 0
Nederland 210 091 896 092 106
Oostenrijk 0 5 0 0 5
Portugal 6320 0 10901 2405 19626
Spanje 5049 0 8339 0 13388
Verenigd Koninkrijk 0 9868 0 0 9868
Zweden 0 7201 0 0 7201
Totaal 37209 67415 126 263 4374 235 261
-
*Bron: Analysis of the budgetary implementation of the CAP en Structural Funds in 2005, May
2006. ** EOGFL-O: Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Oriëntatie;
FIOV: Financieringsinstrument voor de Visserij; ESF: Europees Sociaal Fonds; EFRO:
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling.
Uit het overzicht blijkt dat de Commissie ruim € 235 miljoen aan toegewezen structuurfondskredieten (exclusief Interreg) heeft geannuleerd. Wanneer we de geannuleerde gelden voor het grensoverschrijdende programma Interreg meenemen, komt het totaal aan annuleringen op bijna € 286 miljoen. Deze annulering betrof 0,9% van de oorspronkelijk in 2002 toegekende gelden. Nederland heeft verreweg het hoogste bedrag aan annuleringen; circa € 92 miljoen, oftewel 19% van de corresponderende «committments» uit 2002. De annuleringen hebben vooral betrekking op het ESF-programma in Nederland. De Europese Commissie noemt als redenen voor de intrekking van de gelden de trage start van het programma in Nederland en de eerdere ESF-beheersproblemen in de periode 1994–1999.
Opvallend is ook de ruim € 33 miljoen aan FIOV-annuleringen voor Duitsland en de bijna € 11 miljoen aan ESF-annuleringen die Frankrijk en Portugal ieder kregen opgelegd. De Europese Commissie geeft in haar verslag geen verklaring voor deze annuleringen.
9.5 Begroting in de periode 2007–2013
De Europese instellingen hebben in mei 2007 een interinstitutioneel akkoord gesloten over de financiële perspectieven 2007–2013 (zie deel 1, § 3.1).
De nieuwe financiële perspectieven kennen een andere begrotingsindeling dan voorgaande jaren. Het nieuwe begrotingshoofdstuk 1 («Duurzame groei») is opgedeeld in 1-A en 1-B. De structuurfondsgelden vallen onder hoofdstuk 1-B («Cohesie voor groei en werkgelegenheid») en behelzen 36% (circa € 308,041 miljard) van de totale begroting voor 2007–2013 (circa € 864,316 miljard).
Evenals voorgaande jaren zijn de structuurfondsgelden verdeeld per doelstelling en per deelregio in de lidstaten. Deze indicatieve verdeling per lidstaat voor de begrotingsperiode 2007–2013 is in onderstaand
overzicht weergegeven. Een dergelijk overzicht heeft de Commissie voor de overige begrotingshoofdstukken niet gepubliceerd.
Overzicht 29. Indicatieve verdeling voor de structuurfondsgelden per lidstaat in de periode 2007–2013 (in miljoenen euro’s, prijspeil 2004)
EU-15 |
Convergentiedoelen |
Regionaal concurrentie- |
Europese |
|||||
vermogen en werkgelegen- |
territoriale |
|||||||
heid |
samenwer- |
|||||||
king |
||||||||
Cohesie- |
Convergen- |
Statistische |
Infasering |
Regionaal |
Totaal |
|||
fonds |
tie |
uitfasering |
concurrentievermogen, werkgelegenheid |
|||||
België |
579 |
1 268 |
173 |
2 020 |
||||
Denemarken |
453 |
92 |
545 |
|||||
Duitsland |
10 553 |
3 771 |
8 370 |
756 |
23 450 |
|||
Finland |
491 |
935 |
107 |
1 533 |
||||
Frankrijk |
2 838 |
9 123 |
775 |
12 736 |
||||
Griekenland |
3 289 |
8 379 |
5 779 |
584 |
186 |
18 217 |
||
Ierland |
420 |
261 |
134 |
815 |
||||
Italië |
18 867 |
388 |
879 |
4 761 |
752 |
25 647 |
||
Luxemburg |
45 |
13 |
58 |
|||||
Nederland |
1 477 |
220 |
1 697 |
|||||
Oostenrijk |
159 |
914 |
228 |
1 301 |
||||
Portugal |
2 722 |
15 240 |
254 |
407 |
436 |
88 |
19 147 |
|
Spanje |
3 250 |
18 727 |
1 434 |
4 495 |
3 133 |
497 |
31 536 |
|
Verenigd Koninkrijk |
2 436 |
158 |
883 |
5 349 |
642 |
9 468 |
||
Zweden |
1 446 |
236 |
1 682 |
|||||
Subtotaal EU-15 |
149 852 |
|||||||
EU 10 |
||||||||
Cyprus |
194 |
363 |
25 |
582 |
||||
Hongarije |
7 589 |
12 654 |
1 865 |
344 |
22 452 |
|||
Estland |
1 019 |
1 992 |
47 |
3 058 |
||||
Letland |
1 363 |
2 647 |
80 |
4 090 |
||||
Litouwen |
2 034 |
3 965 |
97 |
6 096 |
||||
Malta |
252 |
495 |
14 |
761 |
||||
Polen |
19 562 |
39 486 |
650 |
59 698 |
||||
Slovenië |
1 239 |
2 407 |
93 |
3 739 |
||||
Slowakije |
3 433 |
6 231 |
399 |
202 |
10 265 |
|||
Tsjechië |
7 830 |
15 149 |
373 |
346 |
23 698 |
|||
Subtotaal EU-10 |
134 439 |
|||||||
Kandidaat-lidstaten |
||||||||
Bulgarije |
2 015 |
3 873 |
6 047 |
|||||
Roemenië |
5 769 |
11 143 |
17 316 |
|||||
Niet verdeeld |
392 |
|||||||
Totaal |
61 560 |
177 082 |
12 522 |
10 387 |
38 743 |
7,752 |
308 046 |
|
N.B. het overzicht kan een afrondingsverschil vertonen met gegevens uit de bron: Europese Commissie, DG Regio, Inforegio factsheet 2006, http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docoffic/of ficial/regulation/pdf/2007/publications/memo_en.pdf
Ter vergelijking geven we in overzicht 30 weer wat de verdeling was van de structuurfondsgelden in de periode 2000–2006. (Voor zover het de tien nieuwe lidstaten betreft heeft het overzicht uitsluitend betrekking op de periode 2004–2006, omdat dat deze landen voor 2004 nog niet tot de EU behoorden).
Overzicht 30. Indicatieve verdeling voor de structuurfondsgelden per lidstaat in de periode 2000–2006 (in miljoenen euro’s, prijspeil 2004)
EU-15 |
Structuurfondsen, inclusief communautaire initiatieven |
||||||
Doelstelling |
Doelstelling |
Doelstelling |
FIFG |
Cohesie- |
Com- |
Totaal |
|
1 |
2 |
3 |
fonds* |
munautaire initiatieven |
|||
België |
690 |
486 |
817 |
33 |
0 |
231 |
2 257 |
Denemarken |
0 |
199 |
397 |
221 |
0 |
92 |
909 |
Duitsland |
22 035 |
3 776 |
5 057 |
121 |
0 |
1 775 |
32 764 |
Finland |
1 008 |
541 |
442 |
33 |
0 |
280 |
2 304 |
Frankrijk |
4 201 |
6 569 |
5 013 |
254 |
0 |
1 155 |
17 192 |
Griekenland |
23 143 |
0 |
0 |
0 |
3 388 |
952 |
27 483 |
Ierland |
3 409 |
0 |
0 |
0 |
584 |
183 |
4 176 |
Italië |
24 424 |
2 749 |
4 129 |
110 |
0 |
1 294 |
32 706 |
Luxemburg |
0 |
44 |
44 |
0 |
0 |
14 |
102 |
Nederland |
136 |
861 |
1 866 |
33 |
0 |
719 |
3 615 |
Oostenrijk |
288 |
740 |
585 |
0 |
0 |
395 |
2 008 |
Portugal |
21 010 |
0 |
0 |
0 |
3 388 |
741 |
25 139 |
Spanje |
42 061 |
2 904 |
2 363 |
221 |
12 357 |
2 162 |
62 068 |
Verenigd Koninkrijk |
6 902 |
5 068 |
5 046 |
132 |
0 |
1 061 |
18 209 |
Zweden |
797 |
431 |
795 |
66 |
0 |
307 |
2 396 |
Subtotaal EU-15 |
150 104 |
24 368 |
26 554 |
1 224 |
19 717 |
11 361 |
233 328 |
EU 10 |
|||||||
Cyprus |
0 |
28 |
22 |
54 |
6 |
113 |
|
Hongarije |
1 996 |
0 |
0 |
1 113 |
99 |
3 207 |
|
Estland |
371 |
0 |
0 |
309 |
15 |
695 |
|
Letland |
626 |
0 |
0 |
515 |
23 |
1 164 |
|
Litouwen |
895 |
0 |
0 |
608 |
34 |
1 538 |
|
Malta |
63 |
0 |
0 |
22 |
4 |
89 |
|
Polen |
8 276 |
0 |
0 |
4 179 |
355 |
12 810 |
|
Slovenië |
238 |
0 |
0 |
189 |
30 |
456 |
|
Slowakije |
1 041 |
37 |
45 |
571 |
64 |
1 757 |
|
Tsjechië |
1 454 |
71 |
59 |
936 |
101 |
2 621 |
|
Subtotaal EU-10 |
14 960 |
136 |
126 |
8 495 |
731 |
24 451 |
|
Pre-accessiegelden |
|||||||
kandidaat-lidstaten |
|||||||
Bulgarije |
1 319 |
||||||
Roemenië |
3 078 |
||||||
Subtotaal pre-accessie |
4 397 |
||||||
Totaal |
262 176 |
||||||
N.B. Het overzicht kan een afrondingsverschil vertonen met gegevens uit de bron: Europese Commissie, DG Regio http://ec.europa.eu/ regional_policy/intro/working4_en.htm< </ref.
Wanneer we beide overzichten vergelijken is te zien dat er voor de 25 lidstaten tezamen (en de twee kandidaat-lidstaten Bulgarije en Roemenië) in de nieuwe periode 2007–2013 méér geld beschikbaar is dan voorheen: circa € 308 miljard versus circa € 262 miljard in de periode 2000–2006 (inclusief pre-toetredingsgelden voor de twee kandidaat-lidstaten). Verder is duidelijk te zien dat de nieuwe lidstaten de komende jaren relatief veel meer gaan ontvangen dan in de huidige periode. Circa 44% van de begroting voor structuurfondsen gaat naar de tien nieuwe lidstaten, circa 7% gaat naar de twee kandidaat-lidstaten die per 2007 toetreden en rond de 49% gaat naar de oudere lidstaten. In de huidige periode zijn die verhoudingen respectievelijk 9% (vanaf 1 mei 2004), 2% (pre-accessie) en 89%.
In de nieuwe begrotingsperiode zijn het Polen, Spanje, Italië, Tsjechië, Duitsland en Hongarije die absoluut gezien het meeste geld ontvangen. Daarna volgen Portugal en Griekenland. In de huidige periode zijn dat Spanje, Duitsland, Italië, Griekenland en Portugal.
10 RECHTMATIGHEID BESTEDING EU-GELDEN IN DE LIDSTATEN
In dit hoofdstuk behandelen we de informatie die binnen de EU beschikbaar is over de mate van rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden in de afzonderlijke lidstaten. We concentreren ons daarbij op de bestedingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het structuurbeleid en het interne beleid van de Unie. Tevens nemen we beschikbare gegevens op over de inkomstenkant van de EU, te weten: de eigen middelen.
Eerst staan we stil bij de aspecten van rechtmatigheid waarover de Europese Commissie zelf rapporteert: voorbehouden en onregelmatigheden (§ 10.1). Daarna gaan we in op wat de Europese Rekenkamer zegt over lidstaten (§ 10.2). Ten slotte geven we een overzicht van de werkzaamheden van de nationale rekenkamers van de EU (§ 10.3).
10.1 Rechtmatigheidsinformatie Europese Commissie
10.1.1 Gegevens in activiteitenverslagen
De Europese Commissie gebruikt de activiteitenverslagen van haar directoraten-generaal (DG’s) en diensten om verantwoording af te leggen over haar beleid, inclusief de besteding van de EU-gelden. Het grootste deel van de EU-gelden wordt binnen de lidstaten besteed. Vanuit dit perspectief is de Algemene Rekenkamer in de activiteitenverslagen over 2003, 2004 en 2005 van acht relevante DG’s nagegaan welk inzicht wordt geboden in de rechtmatigheid van de bestedingen van de EU-gelden in de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het structuurbeleid en het interne beleid van de Unie.53
Overzicht 31. Inzicht in rechtmatigheid van EU-bestedingen in de lidstaten op basis van activiteitenverslagen van DG’s van de Europese Commissie*
2003
2004
2005
Aantal DG’s dat lidstaten bij naam noemt
Aantal DG’s dat informatie op lidstaatniveau geeft zonder
namen te noemen
Aantal DG’s dat geen informatie op niveau lidstaten weergeeft
Totaal
-
*Bron: Activiteitenverslagen 2003–2005 van DG’s Landbouw, Regionaal beleid, Werkgelegenheid, Visserij, Onderwijs en Cultuur, Milieu, Transport en Energie, Onderzoek.
53 De activiteitenverslagen 2003–2005 van de volgende beleids-DG’s zijn bekeken: Landbouw, Regionaal beleid, Werkgelegenheid, Visserij, Onderwijs en Cultuur, Milieu, Transport en Energie, Onderzoek. Hoewel er bij het interne beleid geen sprake is van gedeeld beheer, wordt soms gewerkt met nationale programma’s.
In 2003 en 2004 was het aantal DG’s dat lidstaatinformatie gaf over de rechtmatigheid van onderzochte bestedingen beperkt. Alleen de DG’s Regionaal beleid en Werkgelegenheid gaven concrete landenvergelijkende informatie. Het DG Landbouw noemde uitsluitend bij de formulering van een voorbehoud de betrokken lidstaat (Griekenland). Het DG Visserij benoemde wel geconstateerde onzekerheden, maar sprak in dat verband slechts van «een groep van negen lidstaten». In de activiteitenverslagen over 2005 noemen de vier DG’s voor de structuurfondsen (DG’s Landbouw, Visserij, Regio, en Werkgelegenheid) de lidstaten waar materiële tekortkomingen of financiële risico’s in het beheer- en controlesysteem zijn geconstateerd bij naam. De DG’s voor het interne beleid (DG’s Milieu, Onderwijs en Cultuur, Onderzoek, en Transport en Energie) doen dat niet.
2
3
4
8
8
8
10.1.2 Gegevens lidstaatrapportages in jaarverslag OLAF
Jaarlijks rapporteert de Europese Commissie over de resultaten van de maatregelen die zijn genomen ter bescherming van de financiële belangen en de fraudebestrijding. De basis voor deze rapportages zijn onder andere de jaarlijkse activiteitenverslagen van de afzonderlijke diensten, inclusief het antifraudebureau OLAF, en de meldingen van onregelmatigheden die door de lidstaten zelf worden gedaan.
Melding onregelmatigheden door lidstaten
De lidstaten van de EU zijn verplicht om onregelmatigheden rond de EU-geldstromen die de lidstaat binnenkomen en verlaten, te rapporteren aan de Commissie. Deze rapportageplicht, die geldt voor elk van de begrotingshoofdstukken «Eigen middelen», «Gemeenschappelijk landbouwbeleid», «Structuurbeleid» en «Intern beleid», is vastgelegd in afzonderlijke verordeningen.54 e rapportageplicht houdt in dat de lidstaten periodiek melding moeten doen van fraudegevallen en onregelmatigheden die een bepaald minimumbedrag te boven gaan.55 Met de introductie van het geautomatiseerde meldingssysteem OWNRES (medio 2001) werden de lidstaten verzocht de verschillende onregelmatigheden specifiek te benoemen.
Het jaarverslag van OLAF bevat een overzicht van de belangrijkste inspanningen die de lidstaten in het betreffende jaar gezamenlijk hebben geleverd ter bescherming van de financiële belangen van de EU. Het opstellen van een echte vergelijkende analyse van de activiteiten op lidstaatniveau is volgens de Commissie echter nog moeilijk. Hetzelfde geldt voor het ontdekken van trends.
De Commissie merkt op dat bij de interpretatie van de cijfers de nodige voorzichtigheid in acht moet worden genomen (Europese Commissie, 2006j, p. 5). De lidstaatmeldingen bieden geen volledig en betrouwbaar beeld, want de lidstaten melden niet allemaal op dezelfde wijze. Op basis van de cijfers kunnen volgens de Commissie daarom geen conclusies worden getrokken over de mate van fraude in individuele lidstaten of over de doelmatigheid van de werkzaamheden van de beheer- en controleautoriteiten en de bij de fraudebestrijding betrokken diensten in de lidstaten.
54 Voor de eigen middelen geschiedt dit op basis van het meldingssysteem OWNRES. Krachtens artikel 6, lid 5 van Verordening (EG) nr. 1150/2000 melden de lidstaten aan de Europese Commissie via een webgerelateerde OWNRES-applicatie fraudegevallen en onregelmatigheden die de € 10 000 te boven gaan (Europese Commissie, 2005e, p. 4 e.v.).
55 Dit minimumbedrag ligt voor de uitgaven op € 4 000 en voor de eigen middelen op € 10 000.
Ontwikkeling aantallen meldingen
De figuren 8 en 9 geven op basis van informatie van de Commissie voor de jaren 2003–2005 een lidstaatvergelijkend beeld van het aantal meldingen door respectievelijk de vijftien «oude» en tien «nieuwe»EU-lidstaten (Europese Commissie, 2006j, Annex 7 en 10). De gegevens zijn uitgesplitst naar onregelmatigheidsmeldingen bij: (1) de traditionele eigen middelen (i.e. de door de lidstaten afgedragen landbouwrechten, heffingen suiker en douanerechten), (2) de door de lidstaten ontvangen landbouwgelden en (3) de door de lidstaten ontvangen structuurfondsgelden. Gegevens over onregelmatigheden bij BTW- en BNI-afdrachten (eigen middelen) en uitgaven voor intern beleid zijn niet beschikbaar.
Figuur 8 Aantal meldingen van onregelmatigheden voor traditionele eigen middelen, gemeenschappelijk landbouwbeleid en structuurbeleid*
Per EU-lidstaat in de periode 2003-2005: de 'oude' lidstaten (EU-15)
I Traditionele eigen middelen ] Gemeenschappelijk landbouwbeleid | Structuurfondsen**
België
2500 2000
1500
1000
500
0
2003 2004 2005
Finland
2500 h 2000
1500
2003 2004 2005
Denemarken
2500 ■ 2000 1500 1000 500 0
2003 2004 2005
Frankrijk
2500 h
2000
ÜQ
2003 2004 2005
Duitsland
2500 2000 1500
1000 ^^^ 500 0
2003 2004 2005
Griekenland
2500 2000 1500
2003 2004 2005
2003 2004 2005
Italië
500 0
Luxemburg
2000 1500 |
|||||
1000 500 |
|||||
- |
|||||
2003 2004 2005
2003 2004 2005
Nederland
Oostenrijk
2500 |
||
1500 1000 |
||
500 |
||
2003 2004 2005
2003 2004 2005
Portugal
2500 2000 1500 1000 500 0
Spanje
2003 2004 2005
2003 2004 2005
Verenigd Koninkrijk
Zweden
2000 2000 |
|||||
500 |
500 |
||||
m |
|||||
2003 2004 2005
2003 2004 2005
* Deze cijfers moeten volgens de Europese Commissie voorzichtig worden geïnterpreteerd, omdat de lidstaatgegevens soms nog onvolledig zijn en/of gebaseerd zijn op
verschillende definities van de begrippen fraude en overige onregelmatigheden. ** Voor Griekenland en Portugal 2003-2005: inclusief Cohesiefonds. Ook voor Spanje 2004-2005: inclusief Cohesiefonds.
Bron: Europese Commissie, werkdocument Statistische evaluatie van onregelmatigheden jaren 2003, 2004 en 2005. Voor de tien toegetreden lidstaten is 2004 als het eerste jaar opgenomen waarin meldingen plaatsvinden.
1500
1000
1000
1000
500
500
500
0
0
0
2500
2500
2500
2000
2000
1500
1500
1000
1000
500
0
0
2500
2500
2500
2000
1500
1000
500
0
Figuur 9 Aantal meldingen van onregelmatigheden voor traditionele eigen middelen, gemeenschappelijk landbouwbeleid en structuurbeleid*
Per EU-lidstaat in de periode 2003-2005: de 'nieuwe' lidstaten (EU-10)
I Traditionele eigen middelen ] Gemeenschappelijk landbouwbeleid ] Structuurfondsen**
Cyprus
120 80
Hongarije
2003 2004 2005
Letland
200
160
120 80
2003 2004 2005
Litouwen
200
160
Estland
120 80
Malta
200
160
2003 2004 2005
2003 2004 2005
2003 2004 2005
Polen
200 160 120 80
40
Slovenië
200
160
120 80
40
Slowakije
2003 2004 2005
2003 2004 2005
200
160
2003 2004 2005
Tsjechië
200
160
120 80
40
2003 2004 2005
* Deze cijfers moeten volgens de Europese Commissie voorzichtig worden geïnterpreteerd, omdat de lidstaatgegevens soms nog onvolledig zijn en/of gebaseerd zijn op
verschillende definities van de begrippen fraude en overige onregelmatigheden. ** Voor Estland, Hongarije en Tsjechië 2005: inclusief Cohesiefonds. Ook voor Letland en Polen 2004: inclusief Cohesiefonds.
Bron: Europese Commissie, werkdocument Statistische evaluatie van onregelmatigheden jaren 2003, 2004 en 2005. Voor de tien toegetreden lidstaten is 2004 als het eerste jaar opgenomen waarin meldingen plaatsvinden.
Dit is inclusief het Cohesiefonds.
Volgens de Europese Commissie is het aantal meldingen in 2005 (11 745) met 18% toegenomen ten opzichte van het jaar ervoor (9 945). Het aantal gemelde onregelmatigheden is toegenomen bij de eigen middelen (55%) en bij de structuurfondsgelden (6,9%),56 en afgenomen bij de landbouw-gelden (6,16%).
200
200
200
160
160
160
40
40
40
0
0
0
120
120
120
80
80
80
40
40
40
0
0
0
120
0
0
0
0
56
De grote toename van de onregelmatigheden bij de afdrachten in het kader van de traditionele eigen middelen is deels te verklaren door het gegeven dat de nieuwe lidstaten intussen vertrouwd zijn geraakt met het meldingssysteem OWNRES. Ook zijn er lidstaten geweest die in eerste instantie veel (potentiële) zaken hebben gemeld, waarvan na onderzoek bleek dat er geen sprake was van een onregelmatigheid.
Opvallend is het hoge aantal meldingen van Nederland bij de eigen middelen (1729).57 De Commissie schrijft dit toe aan een verbeterd rapportagesysteem voor onregelmatigheden bij de doorvoer van goederen. Ook Spanje en het Verenigd Koninkrijk hebben in 2005 aanmerkelijk meer onregelmatigheden bij de eigen middelen gemeld dan het jaar ervoor, respectievelijk 89% en 102%. België daarentegen heeft 24% minder meldingen bij de eigen middelen.
Wat de structuurfondsen betreft is vooral een toename van het aantal meldingen waarneembaar rond de besteding van ESF- en FIOV-gelden. De Commissie geeft hier in haar rapport geen specifieke verklaring voor. Uit bovenstaand overzicht blijkt dat zes landen (België, Denemarken, Frankrijk, Ierland, Italië en Portugal) in 2005 minder onregelmatigheden bij de structuurfondsen hebben gemeld dan in 2004. De meeste andere landen hebben juist meer gemeld. Gezien het aantal meldingen in Duitsland en Italië stelt de Commissie zich de vraag of sommige landen, Frankrijk in het bijzonder, niet te weinig onregelmatigheden melden.
Op het terrein van de landbouw zijn het vooral de lidstaten Duitsland, Frankrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Portugal die de meeste onregelmatigheden melden. Uitgedrukt in landbouwuitgaven per lidstaat halen Spanje en Portugal daarbij de hoogste percentages, te weten respectievelijk 0,7% en 0,4%. Ook voor de landbouwuitgaven geldt dat de Commissie vermoedt dat er lidstaten zijn die te weinig onregelmatigheden melden. De afname van de totale hoeveelheid gemelde onregelmatigheden op het terrein van landbouw verklaart de Commissie door te wijzen op de introductie van het nieuwe landbouwsubsidiesysteem (zie deel 1, § 3.3.1) en de invoering van het geïntegreerd beheer- en controlesysteem (GBCS).
Ontwikkeling financieel belang van de meldingen
Overzicht 32 toont het aantal meldingen van onregelmatigheden in 2005
en het daarmee gemoeide financieel belang per lidstaat.
Overzicht 32. Aantal meldingen van onregelmatigheden en het financieel belang in 2005 (in duizenden euro’s, afgerond)
Lidstaat
Traditionele eigen middelen
Gemeenschappelijk landbouwbeleid
Structuurfondsen
Totaal
bedrag
bedrag
bedrag
bedrag
EU-15
België
Denemarken
Duitsland
Finland
Frankrijk
Griekenland
592 |
18 240 |
80 |
1 085 |
26 |
1 040 |
698 |
20 365 |
60 |
5 431 |
44 |
1 584 |
24 |
1 505 |
128 |
8 520 |
379 |
24 357 |
521 |
15 034 |
1 208 |
105 613 |
2 108 |
145 004 |
30 |
1 992 |
20 |
283 |
45 |
1 364 |
95 |
3 639 |
339 |
38 042 |
482 |
8 746 |
61 |
2 292 |
882 |
49 080 |
51 |
7 971 |
64 |
764 |
*340 |
151 150 |
455 |
159 885 |
57 In deel 3, § 17.1 van dit rapport, waarin de lidstaat Nederland centraal staat, geven we een verklaring voor het hoge aantal onregelmatigheden.
#
#
#
#
Lidstaat |
Traditionele eigen |
Gemeenschappelijk |
Structuurfondsen |
Totaal |
||||
middelen |
landbouwbeleid |
|||||||
Ierland |
22 |
674 |
82 |
947 |
*22 |
21 928 |
126 |
23 549 |
Italië |
289 |
33 987 |
105 |
14 664 |
563 |
179 152 |
957 |
227 803 |
Luxemburg |
0 |
0 |
4 |
20 |
3 |
42 |
7 |
62 |
Nederland |
1 729 |
61 906 |
146 |
2 087 |
66 |
9 466 |
1 941 |
73 459 |
Oostenrijk |
80 |
5 833 |
63 |
689 |
67 |
7 169 |
210 |
13 691 |
Portugal |
20 |
1 332 |
302 |
3 542 |
*220 |
22 597 |
542 |
27 471 |
Spanje |
500 |
48 939 |
711 |
45 763 |
*353 |
58 367 |
1 564 |
153 069 |
Verenigd Koninkrijk |
629 |
62 374 |
337 |
4 346 |
275 |
31 954 |
1 241 |
98 674 |
Zweden |
59 |
3 270 |
108 |
1 103 |
172 |
3 306 |
339 |
7 679 |
EU-10 |
||||||||
Cyprus |
14 |
322 |
8 |
50 |
0 |
0 |
22 |
372 |
Hongarije |
38 |
1 535 |
5 |
56 |
*23 |
946 |
66 |
2 537 |
Estland |
3 |
228 |
7 |
41 |
*11 |
777 |
21 |
1 046 |
Letland |
10 |
957 |
1 |
13 |
8 |
1 227 |
19 |
2 197 |
Litouwen |
35 |
1 518 |
32 |
422 |
*5 |
83 |
72 |
2 023 |
Malta |
5 |
856 |
00005 |
856 |
||||
Polen |
55 |
1 328 |
71 |
872 |
67 |
425 |
193 |
2 625 |
Slovenië |
22 |
234 |
0 |
0 |
0 |
0 |
22 |
234 |
Slowakije |
3 |
55 |
00003 |
55 |
||||
Tsjechië |
18 |
503 |
0 |
0 |
*11 |
410 |
29 |
913 |
Totaal |
4 982 |
321 884 |
3 193 |
102 111 |
3 570 |
600 813 |
11 745 |
1 024 808 |
-
*Inclusief het Cohesiefonds.
Het totale volume van de gemelde onregelmatigheden is met 5% toegenomen in 2005 (circa € 1,025 miljard) ten opzichte van 2004. Nederland en het Verenigd Koninkrijk spannen de kroon als het gaat om het financieel belang dat gemoeid is met de in 2005 gemelde onregelmatigheden voor traditionele eigen middelen; in beide gevallen gaat het om circa € 62 miljoen.
Op het terrein van landbouw rapporteerde Spanje het hoogste bedrag aan onregelmatigheden, bijna € 46 miljoen. Italië en Duitsland meldden ieder bijna € 15 miljoen aan onregelmatigheden. Spanje, Italië en Duitsland tezamen hebben meer dan 75% van het totale bedrag gemeld. Voor de structuurfondsen voeren Italië, Duitsland, Griekenland en Spanje de lijst aan met de hoogste bedragen aan gemelde onregelmatigheden. De Griekse meldingen hebben grotendeels betrekking op het Cohesiefonds.
58 In het jaarverslag over 2005 is dit echter niet gebeurd voor structuurfondsen, in tegenstelling tot andere jaren.
59 Het is niet zeker dat de in de tabel vermelde bedragen volledig terugvloeien naar de EU-begroting. Dit is mede afhankelijk van kwaliteit en tijdigheid van rapportages van lidstaten, en van de definitieve uitkomst van (nationale) gerechtelijke procedures tussen eindbegun-stigden en autoriteiten in de lidstaat. Verordening (EG) nr. 438/2001 verplicht lidstaten om voor structuurmaatregelen jaarlijks een actuele stand van zaken aan de Europese Commissie te rapporteren.
Terugvordering van ten onrechte uitbetaalde subsidies De lidstaten dienen alles in het werk te stellen om ten onrechte uitbetaalde subsidies terug te vorderen. Als een lidstaat een ten onrechte gedane betaling tijdig meldt en voldoende inspanningen verricht om de betreffende gelden terug te vorderen, legt de Commissie geen boete op. De Commissie publiceert jaarlijks de (achter)stand van de openstaande vorderingen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de structuur-fondsen58. Een dergelijke rapportage wordt tot heden niet opgesteld voor andere begrotingshoofdstukken.
Overzicht 33 geeft inzage in de status van de terugvorderingen van gemelde onregelmatigheden per lidstaat van landbouwgelden, structuurfondsgelden en eigen middelen.59
Overzicht 33. Openstaande vorderingen, nieuwe vorderingen en reeds gevorderde bedragen bij landbouwsubsidies, structuurfondsen en eigen middelen in 2004 en 2005 (in duizenden euro’s)*
Gemeenschappelijk landbouwbeleid |
Structuurfondsen |
Eigen middelen |
||||||
Openstaan- |
Nog terug |
Openstaan- |
Nog terug |
Nog te |
Nog te |
Terugge- |
Teruggevor- |
|
de vorde- |
te vorde- |
de vorde- |
te vorde- |
vorderen |
vorderen |
vorderde |
derde |
|
ringen uit |
ren over |
ringen uit |
ren over |
bedragen |
bedragen |
bedragen |
bedragen |
|
jaren vóór |
2004 |
jaren vóór |
2005 |
over 2004 |
over 2005 |
over 2004 |
over 2005 |
|
2004 |
2005 |
|||||||
EU-25 |
||||||||
België |
61 192 |
278 |
74 397 |
379 |
11 600 |
556 |
1 517 |
1 835 |
Denemarken |
1 126 |
230 |
1 121 |
705 |
1 598 |
1 136 |
5 585 |
4 666 |
Duitsland |
133 183 |
14 350 |
90 875 |
8 937 |
111 025 |
99 812 |
4 803 |
8 150 |
Cyprus |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
53 |
247 |
Estland |
0 |
0 |
0 |
56 |
0 |
83 |
0 |
25 |
Finland |
177 |
19 |
195 |
110 |
752 |
399 |
333 |
1 696 |
Frankrijk |
70 896 |
6 086 |
74 903 |
6 939 |
2 340 |
1 859 |
7 672 |
14 205 |
Griekenland |
71 951 |
801 |
63 798 |
660 |
57 584 |
14 672 |
162 |
191 |
Hongarije |
0 |
0 |
0 |
32 |
0 |
8 |
829 |
294 |
Ierland |
2 513 |
461 |
1 623 |
116 |
1 191 |
0 |
278 |
613 |
Italië |
1 392 635 |
2 142 |
1 397 133 |
5 503 |
148 025 |
113 930 |
1 936 |
1 793 |
Letland |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
144 |
63 |
293 |
Litouwen |
0 |
0 |
0 |
104 |
0 |
0 |
34 |
1 114 |
Luxemburg |
72 |
9 |
20 |
12 |
110 |
0 |
0 |
0 |
Malta |
0000000 |
0 |
||||||
Nederland |
16 663 |
1 574 |
19 469 |
739 |
1 152 |
4 078 |
13 762 |
7 787 |
Oostenrijk |
2 969 |
185 |
2 581 |
115 |
2 933 |
4 902 |
816 |
848 |
Polen |
0 |
0 |
0 |
220 |
23 |
41 |
237 |
825 |
Portugal |
29 879 |
3 430 |
30 155 |
3 300 |
28 608 |
8 685 |
481 |
115 |
Slovenië |
0000000 |
178 |
||||||
Slowakije |
0000000 |
15 |
||||||
Spanje |
269 431 |
32 754 |
249 320 |
41 292 |
12 942 |
29 880 |
607 |
15 586 |
Verenigd Koninkrijk |
24 566 |
1 235 |
23 723 |
2 874 |
17 716 |
22 811 |
10 338 |
23 470 |
Tsjechië |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
242 |
341 |
Zweden |
385 |
210 |
337 |
264 |
397 |
377 |
2 682 |
3 133 |
Totaal |
2 077 638 |
63 764 |
2 029 650 |
72 357 |
397 996 |
303 373 |
52 430 |
87 420 |
De Europese Commissie geeft in haar verslagen over 2004 en 2005 voor deze drie geldstromen niet hetzelfde type informatie, hetgeen een onderlinge vergelijking bemoeilijkt. Toch kunnen we uit overzicht 35 wel het een en ander afleiden.
Italië blijkt over 2004 en 2005 de hoogste openstaande vorderingen te hebben op het terrein van de landbouwsubsidies en structuurfondsgelden. Ook Spanje, Duitsland en Griekenland hebben in 2004 en 2005 hoge vorderingen openstaan voor landbouw. Als het gaat om de structuurfondsgelden hebben, naast Italië, Duitsland en Griekenland aanzienlijke vorderingen over 2004 en 2005.
In de categorie eigen middelen hebben met name het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Frankrijk, Duitsland en Nederland aanzienlijke bedragen teruggevorderd in 2004 en 2005.
Fraudeonderzoeken door OLAF
Overzicht 34 toont het aantal meldingen van (potentiële) fraudegevallen per lidstaat, inclusief de huidige kandidaat-lidstaten, in 2005 en 2004. (NB: Een fraudegeval dat betrekking heeft op meer dan één lidstaat, wordt in dit overzicht bij alle betrokken lidstaten meegeteld.)
Overzicht 34. Aantal nieuwe meldingen van potentiële fraude aan OLAF in 2005 en 2004 per lidstaat*
EU-25 Land
# meldingen in 2005
# meldingen in 2004
België
Cyprus
Denemarken
Duitsland
Estland
Finland
Frankrijk
Griekenland
Hongarije
Ierland
Italië
Letland
Litouwen
Luxemburg
Malta
Nederland
Oostenrijk
Polen
Portugal
Slovenië
Slowakije
Spanje
Verenigd Koninkrijk
Tsjechië
Zweden
Subtotaal Kandidaat-lidstaten
Bulgarije
Kroatië
Macedonië
Roemenië
Turkije
102 |
42 |
4 |
4 |
7 |
8 |
87 |
83 |
6 |
8 |
7 |
6 |
32 |
31 |
38 |
35 |
10 |
14 |
10 |
13 |
81 |
85 |
6 |
7 |
14 |
14 |
8 |
6 |
4 |
2 |
18 |
25 |
14 |
14 |
36 |
26 |
19 |
8 |
5 |
3 |
9 |
7 |
72 |
47 |
20 |
34 |
39 |
6 |
13 |
6 |
661 |
534 |
15 |
11 |
3 |
Onbekend |
3 |
Onbekend |
61 |
47 |
9 |
7 |
Subtotaal Totaal
91 752
65 599
In 2005 kwamen bij het antifraudebureau OLAF 752 nieuwe meldingen binnen van vermoedelijke frauduleuze praktijken binnen de huidige en de kandidaat-lidstaten.60 Dit betekent een toename van ongeveer 26% ten opzichte van 2004. Van de 752 meldingen hebben er 547 (circa 73%) betrekking op de vijftien «oude» lidstaten en 114 (circa 15%) op de nieuwe lidstaten. Bij 91 (circa 12%) meldingen zijn de kandidaat-lidstaten Bulgarije, Roemenië en Turkije betrokken. Het overgrote deel daarvan is afkomstig van Roemenië (61).
Het relatief hoog aantal meldingen in België heeft met name betrekking op vermoedelijke frauduleuze praktijken binnen de Europese instellingen in Brussel.
Van alle nieuwe fraudemeldingen aan OLAF in 2005 heeft 28% betrekking op interne onderzoeken, 21% op externe hulp, 20% op structuurfondsen, 13% op het gemeenschappelijk landbouwbeleid, 9% op directe uitgaven, 5% op douane, 3% op sigaretten, alcohol en BTW en 1% op onderzoeken bij verscheidene agentschappen.
60 Uit Olaf (2005) wordt niet duidelijk hoe de 752 nieuwe zaken in de lidstaten zich verhouden tot de 857 gevallen van nieuw ontvangen informatie in 2005 (zie deel 1, § 5.1.3).
10.1.3 Correcties gemeenschappelijk landbouwbeleid
De goedkeuring van de rekeningen van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, waaruit landbouwsubsidies worden bekostigd, valt uiteen in twee gedeelten. Het eerste
gedeelte is de boekhoudkundige goedkeuring door de Commissie van de jaarafrekeningen van de lidstaten.
Het tweede gedeelte bestaat uit de «conformiteitsaudits» die de Commissie zelf in de lidstaat uitvoert om te controleren of de uitgaven ook geheel volgens de subsidievoorwaarden zijn gedaan. Naar aanleiding van de conformiteitsaudits kan de Commissie de lidstaten correcties opleggen. Deze conformiteitsaudits kunnen betrekking hebben op betalingen in de boekjaren voorafgaand aan de vaststelling van de einddeclaratie. Overzicht 35 geeft het totaal weer aan correctiebesluiten in 2005 en 2006
naar aanleiding van conformiteitsaudits.61
Overzicht 35. Correcties lidstaten naar aanleiding van conformiteitsaudits in lidstaten in 2005 en 2006 (in miljoenen euro’s)
Correctiebesluiten Correctiebesluiten in
Lidstaten in2005 2006
Oostenrijk
België
Cyprus
Tsjechië
Duitsland
Denemarken
Estland
Griekenland
Spanje
Finland
Frankrijk
Hongarije
Ierland
Italië
Letland
Litouwen
Luxemburg
Malta
Nederland
Polen
Portugal
Slovenië
Slowakije
Zweden
Verenigd Koninkrijk
Totaal 635,37 607,56
-
*Bronnen: IP/05/514 van 29 april 2005, IP/05/951 van 15 juli 2005, IP/05/1003 van 25 juli 2005. ** Bronnen: IP/06/551 van 28 april 2006, IP/06/1068 van 27 juli 2006 en IP/06/1320 van 5 oktober
2006. *** Dit is inclusief een annulering van een eerdere correctie na uitspraak van het Hof van
Justitie. **** Indien rekening wordt gehouden met de reeds verrekende correcties, bedraagt het nog
openstaande saldo € 0,19 miljoen.
Uit het overzicht blijkt dat er in 2005 meer correcties hebben plaatsgevonden dan in 2006. Opvallend zijn de hoge correcties voor Italië in 2006, Spanje in 2005 en voor Frankrijk in 2005 en 2006. Ook Griekenland kent hoge correcties.
Sinds 1996, toen het systeem van tweedelige goedkeuring van de rekening werd geïntroduceerd, zijn er 23 besluiten inzake financiële correcties door de Commissie bekend gemaakt. Het totaal van deze correctiebesluiten bedroeg circa € 4 miljard.
1,58 |
0,00 |
0,65 |
5,85 |
0,00 |
0,00 |
0,00 |
0,40 |
19,16 |
1,00 |
0,22 |
0,00 |
0,00 |
0,00 |
119,17 |
***3,94 |
178,30 |
51,42 |
0,00 |
0,06 |
124,12 |
127,35 |
0,00 |
0,00 |
1,21 |
0,17 |
115,93 |
408,56 |
0,00 |
0,00 |
0,00 |
0,00 |
0,75 |
0,00 |
0,00 |
0,00 |
****1,51 |
0,16 |
0,00 |
0,00 |
13,18 |
3,40 |
0,00 |
0,00 |
0,00 |
0,00 |
0,00 |
0,14 |
***59,59 |
5,11 |
61
In 2005 zijn er drie correctiebesluiten genomen (nr. 18, 19 en 20) en in 2006 zijn er twee genomen (nr. 21 en 22).
10.2 Rechtmatigheidsinformatie Europese Rekenkamer
De Europese Rekenkamer heeft tot taak de inning en besteding van middelen van de Europese Unie te controleren, en te beoordelen hoe de Europese instellingen zich hiervan hebben gekweten. De Europese Rekenkamer geeft geen rechtmatigheidsoordeel over de besteding van EU-gelden in de lidstaten. Dat is ook niet haar taak. De gegevens van de Europese Rekenkamer lenen zich in beginsel niet voor algemene representatieve uitspraken over een lidstaat, gegeven de beperkte omvang van de gehanteerde steekproef en de benadering vanuit de hoofdstukken van de EU-begroting. De resultaten van het DAS-onderzoek per lidstaat zijn daardoor soms meer «toevalstreffers». Met deze kanttekening wordt deze informatie in dit hoofdstuk weergegeven.
Gemeenschappelijk landbouwbeleid
Jaarlijks onderzoekt de Europese Rekenkamer bepaalde landbouw-uitgavensectoren in enkele lidstaten. Daarbij gaat de Europese Rekenkamer na of er sprake is van fouten bij individuele betalingen. Ook onderzoekt zij de kwaliteit van de werking van een of meer controlesystemen. Deze onderzoeken zijn vooral gericht op de detectie van (risico’s voor) eventuele onrechtmatige betalingen en op eventuele tekortkomingen in de werking van de controlesystemen van de lidstaten. Bij de meeste rechtstreekse betalingen uit het gemeenschappelijk landbouwbeleid dienen de lidstaten gebruik te maken van een aantal (administratieve) controlemogelijkheden waarin wordt voorzien door het geïntegreerd beheer- en controlesysteem (GBCS). Elke lidstaat beschikt over een dergelijk controlesysteem.
In 2005 onderzocht de Europese Rekenkamer de resultaten van de GBCS-inspecties van de lidstaten voor de uitgavensectoren «oppervlakte-steun», «dierpremieregelingen» en «productiesteun olijfolie» (Europese Rekenkamer, 2006a).
Voor haar beoordeling van de lidstaatcontroles op verleende oppervlakte-steun bestudeerde de Europese Rekenkamer de oppervlakteaangiften 2004 (voor betalingen in 2005), uit alle lidstaten. Van alle gecontroleerde aanvragen tezamen bleek 40% fouten te bevatten. Deze fouten hadden betrekking op 2,1% van de door de betaalorganen geverifieerde oppervlakte. In de vijftien «oude» lidstaten lag het percentage op 2,2% in 2004, tegen 2,0% voor de «nieuwe» lidstaten.
De Europese Rekenkamer noemt opnieuw Griekenland als het land waar de problemen het grootst zijn, en waar ten opzichte van 2004 geen noemenswaardige verbetering is opgetreden. Verder merkt de Europese Rekenkamer op dat het GBCS in de nieuwe lidstaten nog problemen kent, omdat het register dat nodig is om landbouwgronden te identificeren niet of onvoldoende met de juiste gegevens wordt gevoed. Met name in Polen en Hongarije zijn op dit punt problemen geconstateerd.
Bij de lidstaatinspecties op in 2005 verleende dierpremies constateerde de Europese Rekenkamer verscheidene fouten. Zo stelde zijn vast dat 1,8% van de koeien die in 2005 waren opgegeven in het kader van de regeling voor zoogkoeien, niet bestond of niet-subsidiabel was. Met name voor Italië, Malta en Slovenië was het foutenpercentage hier zeer hoog (voor de zoogkoeienpremie in Italië 11,4%, in Slovenië 48,2%, en voor de speciale rundveepremie op Malta 11,8%, in Italië 21,8%, in Slovenië 56,2 %). Ook bij de schapen- en geitenpremies constateerde de Europese Rekenkamer in Italië en Slovenië hoge foutenpercentages (respectievelijk 10% en 24,1%) tegen 1,2% in de andere lidstaten. Verder bleken er
problemen te zijn in Griekenland, Spanje, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk op het punt van de kudderegisters.
Op het terrein van de olijfolieproductiesteun ten slotte, onderzocht de Europese Rekenkamer aan de hand van de lidstaatcontroles negen steunbetalingen in Spanje, Griekenland en Italië. In alle gevallen bleek sprake van te hoge betalingen en fouten. Volgens de Europese Rekenkamer wijzen de fouten op ernstige gebreken in de controle op de regeling voor productiesteun. Een factor die hierbij meespeelde was dat het Geografisch Informatiesysteem (GIS),62 een belangrijk instrument voor de controle op landbouwsubsidies, in geen enkele lidstaat volledig operationeel was omdat de GIS-gegevens nog niet waren bijgewerkt. Het systeem had operationeel moeten zijn vanaf 2003/2004.
Structuurfondsen
Ook bij de structuurfondsen onderzoekt de Europese Rekenkamer jaarlijks enkele uitgavensectoren. In 2005 betrof het met name onderzoek naar 95 projecten binnen tien programma’s van de lopende financieringsperiode. Hierbij constateerde de Europese Rekenkamer (2006a):
-
•systematische fouten in de projectuitgaven van een EFRO-programma in het Verenigd Koninkrijk (declaratie van EU-subsidie boven cofinancieringspercentage), een ESF-programma in Spanje (te weinig bewijs voor gedeclareerde kosten) en een FIOV-programma in Frankrijk (te weinig onderbouwing van controles voorafgaand aan betaling);
-
•tekortschietende controles van de lidstaten bij het gecontroleerd EFRO-programma in het Verenigd Koninkrijken de ESF-programma’s in Italië, Duitsland, Verenigd Koninkrijk en Spanje (controles voldoen niet aan de vereisten van de verordeningen).
Andere relevante geldstromen
Op basis van het onderzoek van de Europese Rekenkamer naar het intern beleidz ijn geen conclusies te trekken over de lidstaten. Hetzelfde geldt voor de externe maatregelen van de Commissie. Over het pre-toetredingsbeleid bevat het Jaarverslag 2005 van de Europese Rekenkamer enige informatie op het niveau van (kandidaat-lidstaten. Uit het onderzoek kwam onder andere naar voren dat veel van de gecontroleerde verrichtingen van het Sapard-programma fouten bevatten. Die doen zich zowel in Roemenië als Bulgarije voor.
10.3 Werkzaamheden nationale rekenkamers
De Europese Rekenkamer doet geen uitspraken over de rechtmatigheid en doeltreffendheid van het EU-beleid in de lidstaten, en kan dit ook niet doen. De nationale rekenkamers van de EU-lidstaten trachten dit wel zoveel mogelijk te doen, al naargelang hun auditbevoegdheden dit toestaan. Een steeds groter wordende groep van rekenkamers werkt met elkaar samen met als doel het uitwisselen van ervaring en het uitvoeren van gezamenlijke onderzoeksactiviteiten op EU-terrein.
10.3.1 EU-auditactiviteiten nationale rekenkamers
62 Binnen het GBCS maakt de Commissie voor controles in toenemende mate gebruik van GIS. Met behulp van satellietgegevens wordt bijvoorbeeld gecontroleerd of landbouwgrond daadwerkelijk gebruikt wordt voor het opgegeven doel.
De nationale rekenkamers van de lidstaten van de EU hebben als taak hun nationale regeringen te controleren. De manier waarop dit gebeurt verschilt van lidstaat tot lidstaat en is afhankelijk van de positionering van de betreffende rekenkamer in het staatsrechtelijke bestel van het land. In het kader van hun nationale taak controleren de nationale rekenkamers
ook de besteding van EU-geld in eigen land en de afdracht van eigen middelen aan de EU. Ook dit gebeurt op uiteenlopende manieren. Figuur 10 geeft weer welke EU-auditactiviteiten de nationale rekenkamers onder handen hebben in 2005–2006. In het overzicht maken we onderscheid tussen activiteiten in nationaal verband en activiteiten die worden ondernomen in internationaal (werkgroep)verband.
Figuur 10 EU-auditactiviteiten van de nationale rekenkamers van de EU-lidstaten in 2005 en 2006
Geen EU-lidstaat Wel EU-lidstaat, nationale rekenkamer verricht betreffende activiteit niet
Wel EU-lidstaat, nationale rekenkamer verricht betreffende activiteit wel
Nationaal rapport over EU-gelden
Afzonderlijk EU-deel in jaarrapport
Mogelijkheid afzonderlijke EU-audits in overweging
Daadwerkelijke uitvoering van afzonderlijke EU-audits
Alle EU-staten behalve Luxemburg* |
^ |
||
1 ^^^k*" |
|||
- • |
\£ |
||
pRr |
-*.• |
J~^} |
|
Daadwerkelijke uitvoering van parallelle/gecoördineerde EU-audits*
Verenigd Koninkrijk
Tsjechische Republiek
Participatie in systeembeschrijving gemeenschappelijk landbouwbeleid
Verenigd Koninkrijk
£
* De Luxemburgse rekenkamer overweegt een EU-audit in haar werkprogramma voor 2007 op te nemen.
Onderzoeken van nationale rekenkamers worden doorgaans uitgevoerd op basis van een vooraf opgesteld auditprogramma. Bij vrijwel alle nationale rekenkamers worden in dit verband af en toe EU-audits – onderzoeken op EU-gebied – verricht. Een belangrijke ontwikkeling in de nationale context gedurende het afgelopen jaar is het toegenomen aantal overkoepelende nationale rapporten op EU-terrein dat wordt uitgevoerd. In de periode 2005–2006 verschenen voor het eerst overkoepelende rapporten van de Belgische en Hongaarse rekenkamer. In 2007 worden eerste overkoepelende rapporten verwacht van de Estse, Litouwse en Sloveense rekenkamers. Een en ander betekent een verdubbeling van het aantal overkoepelende rekenkamerrapporten op EU-terrein sinds 2004. Bovendien hebben in de afgelopen periode vijf nationale rekenkamers een studie uitgevoerd naar de haalbaarheid van het opstellen van een overkoepelend EU-rapport.
Verder publiceren tien rekenkamers een apart EU-hoofdstuk in hun rapport bij het financieel jaarverslag of hun eigen jaarverslag. Doorgaans is dit een samenvatting van in het betreffende jaar uitgevoerd EU-onder-zoek, maar soms omvat het ook meer. Al met al zijn achttien nationale rekenkamers bezig met het verstrekken van overkoepelende bevindingen op EU-terrein.
Het overgrote deel van de nationale rekenkamers in de EU (21) ontplooit ook in internationale context EU-auditactiviteiten. In de periode 2005–2006 voerden vijftien rekenkamers met anderen parallelle of gecoördineerde audits uit. Daarnaast hebben vijftien rekenkamers in het najaar van 2006 deelgenomen aan een systeembeschrijving op het terrein van de (controle op) landbouwsubsidies.
10.3.2 Publicaties nationale rekenkamers
Wij zijn op basis van openbaar beschikbare informatie en vragen uitgezet bij de rekenkamers nagegaan welke audits op EU-gebied de nationale rekenkamers van de lidstaten van de EU hebben afgerond in 2005. Overzicht 36 laat zien hoeveel rapporten over EU-onderwerpen door de nationale rekenkamers openbaar zijn gemaakt.63
Overzicht 36. Aantal gepubliceerde rapporten nationale rekenkamers van EU-lidstaten in 2005 naar beleidssectoren
Land*
Aantal openbare rapporten per EU-beleidsterrein 2005
Aantal openbare rapporten in 2004
Landbouw
Structuurbeleid
Intern beleid
Overige
(inclusief
pre-accessie)
Overkoepelend/meer terreinen
Totaal aantal 2005
Totaal 2004
België
Cyprus
Denemarken
Duitsland
Estland
Finland
Frankrijk
Griekenland
1-1114
-
-- - - 2 2
-
-- - - 2 2 1---- 1
-
-0
3 - - - 3
6 2 1 2 1 0
63 Deze tabel geeft geen inzicht in eventuele rapporten op EU-terrein aan regeringen en/of parlementen die niet openbaar zijn. Zie bijlage 5 voor titels van de gepubliceerde rapporten.
Land*
Aantal openbare rapporten per EU-beleidsterrein 2005
Aantal openbare rapporten in 2004
Landbouw
Structuurbeleid
Intern beleid
Overige
(inclusief
pre-accessie)
Overkoepelend/meer terreinen
Totaal aantal 2005
Totaal 2004
Hongarije
Ierland
Italië
Letland
Litouwen
Luxemburg
Malta
Nederland
Oostenrijk
Polen
Portugal
Slovenië
Slowaakse
Republiek
Spanje
Tsjechische
Republiek
Verenigd Koninkrijk
Zweden
-
--1214 1---- 1
-
-- - - 2 2 1 - - - 1
1214 -8
-
-0
1 - 1 - - 2 1 1 - 1 3
4 - 1 - - 5
1113 -6
5 - - 1 6
-
-0
2 2 - - 3 7
-
-0
213
-
-- - - 2 2
-
-- 1 - 2 3
TOTAAL
12
15
14
13
18
72
72
– Geen gepubliceerde onderzoeken op EU-terrein in 2005 Deze gegevens zijn volgens opgave van de nationale rekenkamers. De meeste publicaties zijn alleen in de eigen taal.
Het overzicht laat zien dat vrijwel alle nationale rekenkamers van de EU-lidstaten ieder jaar de resultaten van EU-audits publiceren. In 2005 werden 72 EU-audits gepubliceerd; evenveel als in 2004. Per individuele rekenkamer varieert het aantal uitgebrachte rapporten sterk van jaar tot jaar. Dit komt onder meer doordat audits sterk verschillende doorlooptijden kennen.
Wat de verdeling over beleidsterreinen betreft zien wij dat alle terreinen van het EU-beleid onderwerp van controle door nationale rekenkamers zijn. Het blijkt wel dat sommige nationale rekenkamers zich in 2005 sterker hebben gericht op bepaalde beleidsterreinen dan andere: Oostenrijk op landbouwsubsidies, Portugal en Griekenland op structuurfondsen (onder andere het Cohesiefonds) en Cyprus op het interne beleid. Het relatief hoge aantal audits in de categorie overkoepelend/meer terreinen heeft te maken met zowel het groeiende aantal overkoepelende EU-rapporten (België, Denemarken, Italië, Nederland en Verenigd Koninkrijk) als de audits die binnen de nieuwe lidstaten nog worden verricht naar de besteding van pre-accessiegelden op het terrein van landbouw of structurele acties (Slowakije). Ook in de Tsjechische Republiek, Litouwen, Polen en Hongarije zijn in 2005 diverse audits naar pre-accessiegelden verricht.
Het type audit op EU-gebied dat de nationale rekenkamers hebben uitgevoerd voor hun in 2005 gepubliceerde EU-rapporten, varieert. Klassieke «financial audits» (24 van de 72 gepubliceerde audits) worden in overwegende mate gepubliceerd door de rekenkamers van de nieuwe lidstaten. Een financial audit betreft een controle van de rekeningen inclusief de onderliggende transacties. Vooral Cyprus, Litouwen en Slowakije rapporteren veel over dit type audit, bij de laatste twee vooral in het kader van certificeringswerkzaamheden bij (de afronding van)
landbouw- en structuurfondsprogramma’s64. Over dergelijke werkzaamheden wordt door de nationale rekenkamers van de oudere lidstaten minder gepubliceerd. De Litouwse rekenkamer heeft vanaf 2007 deze activiteiten gestaakt.65
Twaalf nationale rekenkamers hebben in 2005 rapporten gepubliceerd over uitgevoerde «compliance audits» op het EU-terrein. Een compliance audit onderzoekt de naleving van voorschriften, regels en wetgeving. In 2005 betrof het vaak analyses van de opzet/werking van beheer- en controlesystemen.
Verder is er een vrij groot aantal gepubliceerde «performance audits» naar de uitvoering/resultaten van EU-beleid uitgebracht (21). Met name de Poolse, Hongaarse en Zweedse rekenkamer hebben diverse van dergelijke audits gepubliceerd in 2005.
De in 2005 gepubliceerde EU-audits van nationale rekenkamers geven nog geen gestructureerd en volledig beeld van de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden in eigen land. Een totaalbeeld kan op basis van deze werkzaamheden nog niet worden samengesteld. Met een toename van het aantal overkoepelende EU-rapporten van nationale rekenkamers in de komende jaren zal naar verwachting op termijn een beter beeld op lidstaatniveau ontstaan.
10.3.3 Participatie in Contactcomité
Op 5 en 6 december 2005 is het Contactcomité van presidenten van de EU-rekenkamers bijeengekomen in Stockholm voor zijn jaarlijkse vergadering. Tijdens de vergadering zijn de volgende onderwerpen aan de orde gekomen:
-
•de verbetering van de verantwoording van EU-gelden en de rol van nationale rekenkamers daarbij (onder meer opstelling van een verklaring over versterking van de rol van externe audit bij de verantwoording van EU-gelden);
-
•de verbetering van het organisatorische kader van de samenwerking tussen EU-rekenkamers (onder meer vaststelling van een mission statement, een communicatieplan en een beschrijving van de rol van de rekenkamerpresident die de komende vergadering voorzit);
-
•recente rapporten van nationale rekenkamers op EU-gebied, zoals het rapport van de Algemene Rekenkamer Gebruik van grenscontroles bij terrorismebestrijding (Algemene Rekenkamer, 2005b);
-
•resultaten van werkgroepen van het Contactcomité, zoals de werkgroep Structuurfondsen en de werkgroep Nationale rapporten over EU-financieel management;
-
•het ontwikkelen en onderhouden van relaties met rekenkamers van kandidaat-lidstaten.
64 Ook de Hongaarse rekenkamer verricht dergelijke certificeringswerkzaamheden. De rapporten die daarover worden gemaakt, zijn echter niet openbaar.
65 Voor meer informatie over de bevoegdheden van de nationale rekenkamers zie NAO (2005).
Naar aanleiding van het seminar dat over het eerste onderwerp is gehouden, heeft het Contactcomité een verklaring over de rol van externe audit bij de verantwoording van EU-gelden opgesteld. Daarin benadrukt het comité de onafhankelijkheid van nationale rekenkamers op dit terrein, en spreekt het zich uit voor de versterking van het financieel management van EU-gelden en een meer effectieve audit daarvan. In de verklaring worden de leden van het Contact Comité opgeroepen de impact van externe controle te vergroten door ondermeer het toepassen door nationale autoriteiten van algemeen aanvaarde professionele standaarden voor beheer en controle te stimuleren en zelf de onderlinge samenwerking verder aan te halen.
Onder leiding van de president van de Poolse rekenkamer, die in 2006
optreedt als voorzitter, worden voorstellen voor concrete activiteiten
voorbereid op het terrein van versterking van de externe auditfunctie
(eerstgenoemde punt uit bovenstaande opsomming).
Op organisatorisch vlak is het Contactcomité doende een eigen site op het
internet in te richten. Verder buigt de taskforce van de Liaison Officers zich
over een systematische methode voor de selectie van toekomstige
activiteiten.
Op 10 en 11 december 2006 is het Contactcomité bijeengekomen in
Warschau.
10.3.4 Werkgroepen
Onder de vlag van het Contactcomité opereerden in 2005 en 2006 vijf (werk)groepen:
-
•de werkgroep Structuurfondsen (Duitsland voorzitter, «core group» met Nederland, Verenigd Koninkrijk en Polen);
-
•de werkgroep Rapporten van nationale rekenkamers over EU-finan-cieel management (Nederland voorzitter);
-
•de werkgroep EU-aanbestedingen (Ierland voorzitter);
-
•de werkgroep BTW (roulerend voorzitterschap);
-
•het landbouwnetwerk (onder leiding van de Europese Rekenkamer).
De werkgroep Structuurfondsen is in 2005 twee keer bijeengekomen om het auditplan en de voortgang van het onderzoek «Onregelmatigheden structuurfondsen» te bespreken. In 2006 zijn er drie bijeenkomsten geweest. Tijdens deze vergaderingen zijn de onderzoeksbevindingen van de nationale rekenkamers gepresenteerd en samengevat in een conceptrapport. Eind september 2006 is de werkgroep bijeengekomen om het conceptrapport en de ontwerpresolutie voor het Contactcomité vast te stellen, en een voorstel te doen voor een nieuw onderzoeksonderwerp voor werkgroep Structuurfondsen III.
In 2006 heeft de werkgroep Rapporten van nationale rekenkamers over EU-financieel management één keer vergaderd. De werkgroep wil nationale rekenkamers stimuleren om overkoepelende rapportages over eigen EU-auditactiviteiten te publiceren. Met dit streven heeft de werkgroep in 2006 vooruitgang geboekt (zie § 10.3.1). Verder heeft de werkgroep in 2006 een format opgesteld voor een systeembeschrijving van het EU-landbouwterrein die in het najaar 2006 door vijftien rekenkamers is ingevuld. Op basis van een analyse hiervan zal de werkgroep tot vervolgactiviteiten komen.
De werkgroep EU-aanbestedingen is in 2006 verder gegaan met de ontwikkeling van haar webpagina’s voor de nieuwe Contactcomité-website. De werkgroep wil de EU-rekenkamers hiermee nuttige informatie verschaffen over EU-aanbestedingsregels en de mogelijkheden om onderzoek te doen naar de toepassing hiervan.
De werkgroep BTW heeft in 2006 op basis van een vragenlijst vergeleken hoe in de lidstaten BTW-verliezen worden gemeten. De werkgroep roept in haar rapport de nationale rekenkamers op om daar waar het BTW-ver-lies nog niet wordt gemeten, hun lidstaten hiertoe aan te sporen. Het komende jaar zal de werkgroep de aandacht richten op de ontwikkeling van een uniforme methode voor het schatten van BTW-fraude.
Ten slotte bestaat er in Contactcomitéverband een Landbouwnetwerk waarin experts van de EU-rekenkamers op het terrein van het gemeenschappelijk landbouwbeleid informatie en ervaringen met elkaar kunnen uitwisselen. In november 2006 is dit netwerk bijeengekomen in Luxemburg om plannen voor de toekomst te ontwikkelen.
11 DOELTREFFENDHEID EU-BELEID IN DE LIDSTATEN
In dit hoofdstuk gaan we in op de doeltreffendheid van het EU-beleid (met name het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het structuurbeleid en het interne beleid) zoals dit in de lidstaten wordt uitgevoerd. We zijn nagegaan welke informatie van de Europese Commissie beschikbaar is over de doeltreffendheid van het EU-beleid in de lidstaten. Eerst besteden we aandacht aan de activiteitenverslagen van directoraten-generaal (DG’s) van de Europese Commissie (§ 11.1), daarna aan de EU-brede beleidsevaluaties (§ 11.2). Na een beschrijving van onze algemene bevindingen, gaan we in op de beschikbare gegevens voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het structuurbeleid, en het interne beleid.
11.1 Doeltreffendheidsinformatie in activiteitenverslagen
Wij zijn nagegaan welke informatie de jaarlijkse activiteitenverslagen 2003–2005 van acht DG’s bieden over de doeltreffendheid van het EU-beleid binnen de lidstaten. We hebben met name gezocht naar doeltref-fendheidsinformatie over het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het structuurbeleid en het interne beleid.
Overzicht 37. Inzicht in doeltreffendheid van EU-beleid in de lidstaten op basis van activiteitenverslagen van DG’s van de Europese Commissie.*
2003
2004
2005
Aantal DG’s dat lidstaten bij naam noemt
Aantal DG’s dat informatie op lidstaatniveau geeft zonder
namen te noemen
Aantal DG’s dat geen informatie op niveau lidstaten weergeeft
Totaal
-
*Bron: Activiteitenverslagen 2003–2005 van DG’s Landbouw, Regionaal beleid, Werkgelegenheid, Visserij, Onderwijs en Cultuur, Milieu, Transport en Energie, Onderzoek.
Het beeld is als volgt: in de activiteitenverslagen van de DG’s wordt geen verantwoording afgelegd over de doeltreffendheid van het beleid en subsidieprogramma’s in de lidstaten. Alleen het DG Transport en Energie meldt in een enkel geval de realisatie van infrastructuurprojecten (prestaties) in een aantal lidstaten, die in dat verband met naam worden genoemd. Er wordt echter niet gerapporteerd over de in deze lidstaten bereikte resultaten in relatie tot de beleidsdoelstellingen.
11.2 Overige informatie Europese Commissie
11.2.1 EU-brede beleidsevaluaties
We zijn nagegaan welke EU-brede beleidsevaluaties recent zijn gepubliceerd. In totaal zijn dit er 23. Van deze 23 hebben we er 21 geanalyseerd op de mate waarin de beleidsdoelen worden gerealiseerd in de lidsta-ten.66
66 We hebben hier gebruikgemaakt van dezelfde evaluaties die ook in hoofdstuk 6 van deel 1 van dit EU-trendrapport aan de orde zijn geweest.
0
0
8
8
8
Overzicht 38. Programma-evaluaties en doelrealisatie in de lidstaten
Beleidsterrein
Totaal aantal evaluaties
Landenverdeling
van projecten en
geldstromen
(input)
Landenvergelijkende resultaten (prestaties)
Landenvergelijkende resultaten (effecten)
Landen-vergelij-kende bevindingen in case studies
Landbouw* Structurele acties Intern beleid
-
a.Onderwijs en Cultuur
-
b.Milieu
-
c.Energie en Vervoer
-
d.Onderzoek door derden
6461 1000
4200 2100 5100 3000
Totaal
21 8 6 1
-
*Van twee landbouwevaluaties was alleen de samenvatting beschikbaar. Deze zijn buiten beschouwing gelaten in de landenvergelijking.
Wij troffen het volgende beeld aan. In dertien evaluaties wordt niet helder
uiteengezet hoeveel geld is besteed aan de projecten in een lidstaat. In
acht gevallen wordt in een tabel het aantal beschikkingen per land of het
percentage committeringen genoemd.
In zes van de 21 evaluaties worden prestaties per lidstaat vermeld, die
gekoppeld zijn aan een deel van de doelstellingen. Deze evaluaties
hebben alle betrekking op de landbouwsector. Enkele genoemde
prestaties zijn: productiecijfers, volumecijfers, inrichting landschap,
verbetering flora en fauna, waterkwaliteit. In de evaluaties van intern
beleid wordt noch iets over prestaties, noch iets over effecten per lidstaat
gerapporteerd.
Slechts in één evaluatie (landbouwsector) zijn gegevens opgenomen over
de beleidseffecten per land, zoals resultaten van de bestrijding van
bodemerosie en een verhoogd opleidingsniveau van de boeren.
In vier evaluaties wordt in de vorm van casestudies ingegaan op nationale
of regionale prestaties en effecten in enkele lidstaten.
11.2.2 Doeltreffendheidsinformatie per geldstroom
Gemeenschappelijk landbouwbeleid
De doeltreffendheid van het landbouwbeleid kan gemeten worden in
termen van volume-, prijs- en markteffecten, en waar het gaat om de
inkomenssteun aan boeren ook in termen van inkomenseffecten.
De informatie van het DG Landbouw in zijn jaarlijkse rapport bevat – op
basis van gegevens van Eurostat – veel gegevens op lidstaatniveau.67
67 De publicatie van deze rapportage vindt afzonderlijk van en veel eerder in het jaar (februari) plaats dan het jaarlijkse activiteitenverslag (juni) van het directoraat-generaal Landbouw. Volgens de Commissie is de reden daarvan het tijdige ter beschikking stellen van actuele informatie.
Figuur 11 Ontwikkeling landbouwinkomens 2005 ten opzichte van 2004 in de EU (in percentages)
Bron: DG Agriculture: Agriculture in the European Union. Statistical and Economical information 2005. Brussels, February 2006.
Uit figuur 11 blijkt dat het gemiddelde landbouwinkomen in de EU in 2005 met 6,3% is afgenomen ten opzichte van het jaar ervoor. Deze daling doet zich zowel voor in de «oude» (– 6,6%) als in de «nieuwe» lidstaten (– 3,8%).
Als we de lidstaten afzonderlijk bezien blijkt dat negen landen hun landbouwinkomen hebben zien stijgen. Daaronder zijn: Litouwen (25,9%), Estland (23%), Ierland (12,8%), Nederland (5,9%) en Letland (5,7%). In negentien lidstaten is het landbouwinkomen gedaald. De grootste dalers zijn: Hongarije (– 19,3%), Slowakije (– 14,9%), Spanje (– 12%), Portugal (– 11%), Frankrijk (– 10,1%) en Italië (– 9,5%). Als voornaamste redenen voor deze inkomensverslechtering in 2005 noemt de Commissie een scherpe afname van de landbouwproductie, de hogere olieprijzen en de daling van het aantal arbeidskrachten.
De gegevens van de Commissie geven deels inzicht in de doeltreffendheid van het beleid. Duidelijk is dat externe factoren mogelijke positieve effecten van directe inkomensondersteuning teniet kunnen doen.
Structuurbeleid
Het structuurbeleid is gericht op het bereiken van positieve regionale
68 De evaluatie van het onderwijs- en cultuurbeleid bevat een case studie waarin concrete voorbeelden uit enkele lidstaten zijn opgenomen.
effecten op werkgelegenheid en economische groei. Aangezien met «regio’s» gebieden binnen lidstaten van de EU worden bedoeld, zou informatie over de doeltreffendheid van het structuurbeleid kunnen worden geformuleerd op het niveau van lidstaten. Op dit moment bestaat de informatie echter vooral uit de midtermevaluaties en de eventuele actualiseringen daarvan op regionaal programmaniveau. Er zijn geen openbare consolidaties per lidstaat. Op basis van deze informatiebronnen kunnen tot op heden onvoldoende conclusies worden getrokken over de mate van doeltreffendheid en effectiviteit van het structuurbeleid in de lidstaten.
Intern beleid
Uit onze analyse blijkt dat er op het terrein van onderwijs en cultuur, milieu, en energie en vervoer wel informatie beschikbaar is over toegewezen subsidies per lidstaat, in een enkel geval voorzien van concrete voorbeelden uit lidstaten.68 Voor het interne beleid van de EU publiceert de Europese Commissie echter geen lidstaatvergelijkende overzichten van behaalde beleidsresultaten en doelen van subsidieprogramma’s. Hierdoor kunnen geen uitspraken worden gedaan over de doeltreffendheid van het EU-beleid in de lidstaten.
12 CONCLUSIES EN TRENDS EU-LIDSTATEN
Rechtmatigheidper lidstaat
Het inzicht in de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden door de EU-lidstaten blijft beperkt. De informatie van antifraudebureau OLAF over onregelmatigheden en fraude in de lidstaten is maar beperkt vergelijkbaar en reconstrueerbaar. De Europese Commissie zou werk moeten maken van de verbetering van de informatievoorziening op dit punt. Verder bevatten rapporten van de Europese Rekenkamer weinig rechtmatigheids-informatie op het niveau van lidstaten.
De ontwikkeling dat in sommige activiteitenverslagen van de Europese Commissie informatie over rechtmatigheid op het niveau van lidstaten wordt opgenomen heeft zich doorgezet. De betrouwbaarheid van deze informatie staat echter niet (per definitie) vast omdat deze informatie niet extern is gecontroleerd.
Steeds meer nationale rekenkamers doen onderzoek, zelfstandig en/of in EU-werkgroepverband, naar aspecten van rechtmatigheid en doeltreffendheid van EU-gelden en -beleid in eigen land. Niet alle nationale publicaties zijn openbaar of worden vertaald. Ook de onderzoeksmetho-diek en -bevoegdheden kunnen per rekenkamer aanzienlijk verschillen. Hoewel er sprake is van een toename van beschikbare informatie per lidstaat, biedt deze informatie op dit moment nog onvoldoende inzicht in de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de besteding van EU-gelden per lidstaat.
Doeltreffendheid per lidstaat
Het inzicht in de doeltreffendheid van het EU-beleid in de lidstaten blijft gering omdat er weinig (openbare) informatie over beschikbaar is. Hoewel de Europese Commissie – en elke lidstaat – mogelijkheden heeft om hierin verandering te brengen, zijn er ook in 2005 nauwelijks openbare publicaties beschikbaar gekomen.
Figuur 12 Algemene trendinformatie 2000-2006: inkomsten en ontvangsten EU-lidstaten, bijdragen nationale rekenkamers van EU-lidstaten
TRENDINDICATOR
Kerncijfers EU-lidstaten*
Afdrachten EU-lidstaten aan eigen middelen EU
ONTWIKKELING SINDS 2000 EN STAND VAN ZAKEN 2003-2006
In 2001: € 80,7 miljard, in 2002 € 77,7 miljard, 2003 € 83,6 miljard, 2004 € 95,0 miljard, 2005 € 100,8 miljard (bron: jaarverslagen Europese Rekenkamer).
Feitelijk
ontvangsten
EU-lidstaten
In 2001: € 80,0 miljard, in 2002 € 79,9 miljard, 2003 € 85,3 miljard, 2004 € 94,3 miljard, 2005 € 98,6 miljard (bron: jaarverslagen Europese ] Rekenkamer).
'01 '02 '03 '04 '05
Rechtmatigheid en doeltreffendheid: bijdragen nationale rekenkamers EU
Onwikkelingen in onderzoeksmandaat nationale rekenkamers
EU-onderzoek
nationale
rekenkamers
>
'02 '03 '04 '05 '06
Samenwerking nationale rekenkamers bij EU-onderzoek
De nationale rekenkamers van de meeste lidstaten hebben op EU-terrein controlebevoegdheden die vergelijkbaar zijn met die van de Europese Rekenkamer.
De meeste nationale rekenkamers van EU-lidstaten publiceren jaarlijks een of meer rapporten over EU-gelden in eigen land. Sommige rekenkamers voeren certificeringsaudits uit ten behoeve van de Europese Commissie, bijvoorbeeld met het oog op het afsluiten van de pre-toetredingssteun die de lidstaten ontvingen.
Het beschikbare materiaal geeft enig inzicht in rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitgaven, maar de dekkingsgraad van dit inzicht kan nog niet worden vastgesteld.
Meer nationale rekenkamers hebben stappen gezet om te komen tot nationale rapporten over het beheer van EU-gelden. Het Contactcomité van presidenten van nationale rekenkamers in de EU publiceerde in december 2006 het tweede rapport van de EU-werkgroep structuurfondsen over ‘onregelmatigheden’.
'02 '03 '04 '05 '06
* De hier gegeven trendinformatie loopt niet verder dan 2005 in verband met de publicatiedatum van de bron: het jaarverslag van de Europese Rekenkamer.
In figuur 12 is algemene informatie opgenomen over de trendindicatoren voor de onderwerpen «afdrachten EU-lidstaten», «feitelijke ontvangsten EU-lidstaten», «ontwikkeling onderzoeksmandaat nationale rekenkamers», «EU-onderzoek nationale rekenkamers» en «samenwerking nationale rekenkamers».
01
02
03 04
05
In onderstaand overzicht geven we daarnaast specifieke informatie over de trendindicatoren voor de onderwerpen «rechtmatigheid» en «doeltreffendheid».
Overzicht 39. Specifieke trendinformatie 2003–2005: financieel management, rechtmatigheid en doeltreffendheid EU-lidstaten
Hoofdstuk
Onderdeel
Indicatoren
(geaggregeerd
niveau)
Mate van inzicht in 2003–2005
Resultaten in 2003–2005
Rechtmatigheid Informatie Euro-
pese Commissie
Informatie Europese Rekenkamer
Doeltreffendheid
Informatie Europese Commissie
Inzicht lidstaten op basis jaarlijkse activiteitenverslagen DG’s
Deels
In tegenstelling tot eerdere jaren gaven in 2005 vier van de acht DG’s lidstaatvergelijkende informatie. Verder zijn door drie DG’s (Landbouw, Regio, Werkgelegenheid) voorbehouden geformuleerd op het niveau van lidstaten.
Per lidstaat: aantal en financieel belang gemelde onregelmatigheden
Deels
Er is inzicht in aantal en volume van gemelde onregelmatigheden bij het landbouwbeleid, het structuurbeleid en de traditionele eigen middelen. Aantal meldingen is toegenomen bij traditionele eigen middelen en structuurbeleid, afgenomen bij landbouw. Financieel belang is ten opzichte van 2004 toegenomen bij traditionele eigen middelen en landbouw, afgenomen bij structuurbeleid. Er is geen inzicht bij intern beleid. Er blijft twijfel aan kwaliteit en vergelijkbaarheid gegevens van OLAF.
Per lidstaat: aantal en financieel belang correcties
Deels
Er is inzicht in aantal en volume van correcties bij twee van de zeven begrotingshoofdstukken, en bij de eigen middelen. Aantal correcties en financieel belang (nog te vorderen bedragen) zijn in 2005 ten opzichte van 2004 stabiel bij landbouw, gedaald bij structuurbeleid en toegenomen bij eigen middelen.
Per lidstaat: aantal Grotendeels Aantal fraudemeldingen is in 2005 met 26% toegenomen.
en financieel Financieel belang openstaande fraudezakenin2005 is
belang fraude- circa€1,9 miljard. Informatie van OLAFopdit punt
meldingen onduidelijk.
Algemeen beeld lidstaten
Geen, maar is geen taak Europese Rekenkamer
Geen informatie over lidstaten.
Beeld per lidstaat, Beperkt, maar is Er is incidenteel lidstaatinformatie, met name over land-per begrotings- geen taak Euro- bouwbeleid. Er is geen kwantitatief beeld per lidstaat, per hoofdstuk pese Rekenkamer begrotingshoofdstuk.
Aantal fouten per Beperkt, maar is Bij onder geïntegreerd beheeren controlesysteem lidstaat, per geen taak Euro- vallende uitgaven van het landbouwbeleid is er kwantita-begrotings- pese Rekenkamer tief inzicht in het aantal fouten (op basis informatie hoofdstuk Europese Commissie)oplidstaatniveau. Percentages
fouten zijn sterk verschillend per onderdeel.
Inzicht lidstaten op basis jaarlijkse activiteitenverslagen DG’s
Zeer beperkt Eén van de acht DG’s heeft enige doeltreffendheidsin-
formatie op lidstaatniveau in het activiteitenverslag opgenomen.
Inzicht lidstaten op basis evaluaties
Beperkt
EU-brede evaluaties bieden weinig aanknopingspunten voor uitspraken over doeltreffendheid EU-beleid in lidstaten.
DEEL 3 NEDERLAND
13 Inleiding deel 3
In deel 3 van het EU-trendrapport 2007 staat het financieel management van EU-gelden in Nederland centraal. We gaan in op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de besteding van EU-gelden in Nederland, en op de rechtmatigheid van de afdrachten van Nederland aan de EU. Onderstaand overzicht geeft aan welke onderwerpen in dit verband aan de orde komen.
Deel 3: Rechtmatigheid en doeltreffendheid EU-beleid in Nederland
Ontwikkelingen in beleid EU voor financieel management in Nederland |
h |
Kwaliteit systemen financieel management EU-gelden in Nederland |
Doeltreffendheid beleid in Nederland, per hoofdstuk EU-begroting |
|||
Rechtmatigheid bestedingen in Nederland per hoofdstuk EU-begroting |
||||||
Aan de orde komen hierbij:
-
•Beleidsontwikkelingen per geldstroom
-
•Ontwikkelingen in financieel management
Aan de orde komen hierbij:
-
•Systemen voor beheer, controle en toezicht
-
•Verantwoording
Aan de orde komen hierbij:
-
•Afdracht eigen middelen
-
•Gemeenschappelijk landbouwbeleid
-
•Structurele acties
-
•Intern beleid
Aan de orde komen
hierbij:
-
•Structurele acties
Wordt volledig behandeld. Inclusief Indicatoren
Wordt op hoofdlijnen behandeld, met Indicatoren (Indien beschikbaar)
Wordt bulten beschouwing gelaten
Leidt idealiter tot
In deel 3 hanteren we bij onze beoordeling van de rechtmatigheid en doeltreffendheid van Nederlandse EU-beleid dezelfde indicatoren als in het EU-trendrapport 2006 . In aanvulling daarop formuleren we nu ook indicatoren voor de kwaliteit van de systemen voor financieel management. Op basis van eigen onderzoek en openbaar beschikbare informatie kennen we daaraan vervolgens waarden toe.
De nieuwste ontwikkelingen op het terrein van financieel management in de EU, zoals besproken in deel 1, hebben implicaties voor Nederland en voor de eisen die in Nederland gesteld worden aan de beschikbaarheid en kwaliteit van informatie over de geldstromen en het financieel management. We plaatsen onze beoordeling van de Nederlandse situatie waar mogelijk binnen de context van deze recente ontwikkelingen.
De indeling van deel 3 is als volgt:
-
•Hoofdstuk 14: kerncijfers over de afdrachten van Nederland aan de EU-begroting en de ontvangsten in Nederland vanuit de EU.
-
•Hoofdstuk 15: beleidsontwikkelingen die implicaties hebben voor het financieel management van EU-geldstromen in Nederland.
Hoofdstuk 16: beoordeling van de financieel-managementsystemen in Nederland voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het structuurbeleid en het intern beleid.
Hoofdstuk 17: beoordeling van het inzicht in en de mate van de rechtmatigheid van de bestedingen van EU-gelden in Nederland, per hoofdstuk van de EU-begroting.
Hoofdstuk 18: beoordeling van de doelen en de resultaten van het EU-beleid in Nederland, aan de hand van de actualiseringen («updates») van de midtermevaluaties van het structuurbeleid. Hoofdstuk 19: conclusies en trends bij deel 3.
14 NEDERLAND: KERNCIJFERS
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de ontvangsten in Nederland uit de EU (§ 14.1) en van de Nederlandse afdrachten aan de EU (§ 14.2), inclusief de betalingen aan het Europees Ontwikkelingsfonds (§ 14.3). Vervolgens beschrijven we het verschil tussen ontvangsten en afdrachten, oftewel de nettopositie van Nederland (§ 14.4).
14.1 Ontvangsten Nederland van de EU
Informatie Europese Rekenkamer
Figuur 13 geeft op basis van de cijfers van de Europese Rekenkamer een overzicht van de bedragen die instanties in Nederland in de periode 2002–2005 vanuit de EU hebben ontvangen in de vorm van EU-subsidies.
Figuur 13 Ontvangsten EU-gelden door Nederlandse instanties (in miljoenen euro's)
2002
Gemeenschappelijk landbouwbeleid
55,0-^ Structuurbeleid
2003
Gemeenschappelijk landbouwbeleid
Pre-toetredings- 1,9
steun 4,4 Externe
maatregelen
Intern beleid
Structuurbeleid
Intern beleid
Pre-toetredings- 0,5 steun
2,8 Externe maatregelen
2004
Gemeenschappelijk landbouwbeleid
Structuurbeleid
Intern beleid
Pre-toetredings- 0,2 steun
3,1 Externe
maatregelen
Gemeenschappelijk landbouwbeleid
Structuurbeleid
Intern beleid
Pre-toetredings- 0,2 steun
2,3 Externe maatregelen
In 2005 ontvingen Nederlandse instanties in totaal bijna € 2 miljard. Dat is € 30 miljoen minder dan in 2004. Binnen de geldstromen zijn er grote verschillen. Vanuit de begroting voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid ontving Nederland in 2005 € 64 miljoen minder dan in 2004, terwijl vanuit de begroting voor het structuurbeleid juist € 56 miljoen méér naar Nederland is gegaan.
69 Zie R. Requena (2006). De brief maakt ook melding van een overzicht van betalingen in 2004, maar dat is niet in de bijlage bij de brief opgenomen.
Informatie Europese Commissie
In april 2006 ontving de Algemene Rekenkamer een brief van het DG Begroting van de Europese Commissie, met als bijlage een overzicht van betalingen door de Gemeenschap verricht aan Nederland in 2005.69 Het gaat daarbij om voorlopige cijfers, aldus de Commissie.
Overzicht 40. EU-betalingen 2005 voor Nederland, uitgesplitst naar DG-bijdrage (in duizenden euro’s)
Staat 1–5 |
Staat 6 (GLB) |
Totaal |
|
DG van de Europese Commissie |
|||
Economische en financiële zaken |
16 |
16 |
|
Ondernemingen en industrie |
77 |
77 |
|
Concurrentie |
5 |
5 |
|
Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen |
228 729 |
228 729 |
|
Landbouw en plattelandsontwikkeling |
13 793 |
1 342 905 |
1 356 698 |
Energie en vervoer |
40 029 |
40 029 |
|
Milieu |
579 |
579 |
|
Onderzoek |
1 733 |
1 733 |
|
Informatiemaatschappij en media |
506 |
506 |
|
Gemeenschappelijk centrum voor onderzoek |
360 |
15 |
375 |
Visserij en maritieme zaken |
2 573 |
2 573 |
|
Interne markt en diensten |
5 |
5 |
|
Regionaal beleid |
168 551 |
|
167 975 |
Belastingen en douane-unie |
425 |
425 |
|
Onderwijs en cultuur |
204 |
204 |
|
Communicatie |
202 |
51 |
253 |
Gezondheidszorg en consumentenbescherming |
11 030 |
11 030 |
|
Justitie, vrijheid en veiligheid |
352 |
352 |
|
Externe betrekkingen |
26 |
26 |
|
Externe handel |
10 |
10 |
|
Uitbreiding |
337 |
337 |
|
Humanitaire hulp |
1 |
1 |
|
Personeelszaken en Algemeen Beheer |
33 |
33 |
|
Begroting |
- |
3 859 |
3 859 |
Dienst – OLAF |
25 |
25 |
|
Dienst – EUROSTAT |
2 |
2 |
|
Totaal |
469 603 |
1 346 254 |
1 815 857 |
Bron: tabel bij brief van het DG Begroting van 12 april 2006; staat 1 t/m 6.
In reactie op de brief van de Commissie hebben wij onze dank uitgesproken voor de ontvangen informatie en de daarmee bereikte transparantie. Wel hebben wij aangetekend dat dergelijke informatie in eerste instantie aan de minister van Financiën zou moeten worden gericht, met een afschrift aan de Algemene Rekenkamer. Verder hebben wij de Commissie gevraagd om het overzicht van de betalingen nader te preciseren naar de respectieve ontvangers.
De Commissie heeft een vergelijkbare brief verzonden aan de overige rekenkamers van de EU-lidstaten.
Wij stellen overigens vast dat deze cijfers van de Commissie en de eerder weergegeven cijfers van de Europese Rekenkamer niet volledig op elkaar aansluiten. Naar de mogelijke oorzaken daarvan hebben wij in het kader van dit rapport geen onderzoek gedaan.
14.2 Afdrachten Nederland aan de EU
Na correcties voor onder meer begrotingsoverschotten uit voorgaande jaren en overlopende posten bedroeg de Nederlandse afdracht over het jaar 2005, volgens de definitieve cijfers in het jaarverslag van de Europese Rekenkamer, ruim € 5,9 miljard (Europese Rekenkamer, 2006a). Overzicht 41 geeft de gerealiseerde afdrachten van Nederland aan de EU in 2004 en 2005, en de geraamde afdrachten voor 2006–2009, op basis van cijfers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Overzicht 41. Ontwikkeling afdrachten Nederland aan de EU 2004–2009 (in miljoenen euro’s)
gerealiseerd |
begroot |
|||||
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
|
Landbouwrechten |
440 |
400 |
202 |
405 |
413 |
422 |
Douanerechten |
1 431 |
1 579 |
1 871 |
2 040 |
2 081 |
2 123 |
Af: perceptiekostenvergoedingen |
|
|
|
|
|
|
BTW-afdracht |
713 |
813 |
884 |
909 |
972 |
374 |
BNI-afdracht |
2 914 |
3 846 |
3 528 |
3 660 |
4 172 |
2 100 |
Totaal EU-afdrachten lidstaat Nederland |
5 032 |
6 127 |
5 967 |
6 603 |
7 016 |
4 382 |
Realisatiecijfers: voor 2004 Rijksjaarverslag 2004 Ministerie van Buitenlandse Zaken . Voor 2005 Slotmemorandumafdrachten eigen middelen EU
2005, accountantsdienst Ministerie van Buitenlandse Zaken .
Begrotingscijfers: Rijksbegroting 2007 Ministerie van Buitenlandse Zaken , p.102. Eventuele afrondingsverschillen zijn overgenomen uit de bronnen.
Het totaal van de Nederlandse afdrachten aan de EU is in 2005 sterk gestegen ten opzichte van 2004. Dat is vooral, maar niet alleen, het gevolg van een sterke toename van de BNI-afdracht.70 De afdrachten zullen tot en met 2008 verder toenemen, omdat de uitgaven van de EU conform de financiële perspectieven groeien. In 2009 ligt het bedrag van de Nederlandse afdrachten fors lager omdat in dat jaar de bij de financiële perspectieven 2007–2013 bedongen korting voor Nederland van € 1 miljard ook voor 2007 en 2008 met terugwerkende kracht wordt verwerkt. Wij vinden het opmerkelijk dat gegevens over de samenstelling van de Nederlandse afdrachten aan de EU niet zijn opgenomen in het Rijks-jaarverslag 2005 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa). Dit komt de transparantie over de Nederlandse afdrachten niet ten goede. Vanuit het Ministerie van BuZa is aangegeven dat men deze informatie in het Rijksjaarverslag 2006 wel weer gaat opnemen.
14.3 Overige betalingen: Europees Ontwikkelingsfonds
Nederland draagt ook bij aan het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). Het negende EOF is op 1 april 2003 in werking getreden. Daaraan draagt Nederland ruim € 720 miljoen bij. De zesde, zevende en achtste EOF’s zijn nog niet afgesloten.
70 BNI-afdrachten zijn afdrachten die gerelateerd zijn aan het bruto nationaal inkomen (BNI) van de lidstaten.
71 Zie EU-trendrapport 2005 (Algemene Rekenkamer, 2005a), p. 110. De Algemene Rekenkamer hanteert een boekhoudkundige definitie: een vergelijking van alle EU-gerela-teerde afdrachten en alle inkomsten van de lidstaat uit de EU. Wij gebruiken daarbij extern gecontroleerde informatie, dat wil zeggen de definitieve cijfers van de Europese Rekenkamer.
In 2004 droeg Nederland € 122 miljoen af, in 2005 was dat bijna € 138 miljoen. Dit laatste bedrag was ruim € 27 miljoen hoger dan begroot. Dit is volgens het Ministerie van BuZa (2006a) het gevolg van verbeterde uitvoering van het EOF. De Europese Commissie had aangegeven dat zij zich zou inspannen om binnen vijf jaar het negende EOF volledig toe te wijzen, wat een stijging van de contributies tot gevolg zou hebben (Ministerie van BuZa, 2004).
In de jaarrekening bij het Rijksjaarverslag Buitenlandse Zaken 2005 is per 31 december 2005 voor het EOF een verplichting van € 911 miljoen opgenomen.
14.4 Nettopositie Nederland
De netto(betalings)positie is het verschil tussen de afdrachten aan en de ontvangsten uit de begroting van de EU.71 Tussen Nederland en de Europese Commissie bestaat een verschil van inzicht over de te hanteren berekeningswijze van de nettopositie.
Nederland neemt bij het bepalen van de nettopositie alle afdrachten aan de EU mee, dus ook de douanerechten die namens de Unie worden geïnd. Dit staat bekend als de boekhoudkundige definitie.
De Europese Commissie hanteert een benadering waarbij de douanerechten die in Nederland worden geïnd, niet als afdrachten van Nederland worden gezien, maar als geld dat aan de Gemeenschap toekomt. Vanuit dit uitgangspunt worden douanerechten niet meegenomen bij het bepalen van de nettopositie.
De nettopositie is voor Nederland negatief. Dat wil zeggen dat Nederland meer aan de EU afdraagt dan het ontvangt. In 2004 bedroeg de Nederlandse negatieve nettopositie (boekhoudkundige definitie) € 3,2 miljard. In 2005 was de Nederlandse nettopositie met € 3,9 miljard hoger dan in 2004.
15 ONTWIKKELINGEN IN BELEID EU-FINANCIEEL MANAGEMENT
In dit hoofdstuk behandelen we de gevolgen van nieuw EU-beleid voor het financieel management in Nederland. Het gaat daarbij vooral om wijzigingen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het structuurbeleid (§ 15.1). Ook bespreken we het Nederlandse standpunt ten aanzien van voorstellen van de Europese Commissie om het financieel management in de EU te verbeteren door middel van onder andere de invoering van lidstaatverklaringen (§ 15.2).
15.1 Beleidsontwikkelingen
15.1.1 Gemeenschappelijk landbouwbeleid
Vanaf 2005 worden in Nederland randvoorwaarden gesteld aan boeren die EU-subsidies aanvragen. Alleen als zij voldoen aan precies omschreven normen en eisen op het gebied van productkwaliteit, milieu, dierenwelzijn, natuur, zorg voor het platteland en dergelijke komen zij in aanmerking voor de volledige Europese subsidie. Als bij controles wordt vastgesteld dat een bepaalde eis of norm niet wordt nageleefd, leidt dat tot een korting op de totale uitkering. De hoogte van die korting hangt af van de ernst van de overtreding.
Het pakket randvoorwaarden wordt in fasen van toepassing. In de meeste gevallen gaat het overigens om zaken die eerder ook al verplicht waren. Nieuw is echter dat overtreding niet alleen leidt tot een proces-verbaal, maar ook direct tot een korting op de inkomenssteun.
Sinds 2005 worden de betalingen van EU-subsidies aan bedrijven stapsgewijs verlaagd. In 2005 is begonnen met een verlaging van 3%, in 2006 gevolgd door een verlaging tot 4%. Vanaf 2007 bedraagt de verlaging 5%. De opbrengst van die verlaging («modulatie») heeft niet tot doel de totale uitgaven te verminderen, maar wordt gebruikt voor de ontwikkeling van het platteland.
Per 1 januari 2006 is een begin gemaakt met het loslaten van de koppeling van de landbouwsubsidies aan de productie. Dit houdt in dat de productie of het aantal gehouden dieren niet meer bepalend is voor de hoogte van de subsidie. De bedoeling hiervan is onder meer om overproductie tegen te gaan.
De datum van ontkoppeling en het aantal subsidiabele gewassen waarvoor de ontkoppeling geldt kan overigens per lidstaat verschillen. Dit heeft te maken met de nationale uitwerking van de gemaakte afspraken op Europees niveau. In Nederland krijgen boeren voortaan een zogenoemde bedrijfstoeslag die geldt voor het hele bedrijf en die gebaseerd is op de verleende subsidies in de periode 2000–2002 (historisch model). Voor een aantal gewassen geldt de ontkoppeling niet: de subsidie voor de teelt van energiegewassen, eiwithoudende gewassen en noten blijft ook in de toekomst gekoppeld aan de daadwerkelijke productie. Ook de slachtpremie voor volwassen runderen en kalveren blijft voorlopig nog gekoppeld aan de productie, net als de steun voor de productie van zaaizaad van vlas. De subsidie voor zetmeelaardappelen blijft voor 60% gekoppeld.
De ons omringende landen (waaronder België en Frankrijk) ontkoppelen ook niet elke steun volledig. Om te voorkomen dat Nederlandse producenten voor de genoemde landbouwproducten een slechtere concurrentiepositie krijgen, heeft het Ministerie van LNV gekozen voor een gedeeltelijke ontkoppeling voor deze producten tot en met 2009.
Wijzigingen bij plattelandsontwikkeling
De uitvoering van het Nederlandse programma voor plattelandsontwikkeling (POP) is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Rijk en een aantal provincies. Met ingang van 16 oktober 2006 valt plattelandsontwikkeling onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Op 1 januari 2007 treedt het nieuwe programma, POP2, in werking. De Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van LNV zal optreden als betaalorgaan
Betaalorganen
Met de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid per 16 oktober 2006 is het aantal betaalorganen beperkt. In de nieuwe situatie zijn dat er nog twee, namelijk de Dienst Landelijk Gebied voor subsidiebetalingen uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), en de Dienst Regelingen voor subsidiebetalingen uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELG).
De productschappen die eerder nog betaalorgaan waren, zijn aangewezen als «delegated body» en hebben hun betaalfunctie ingeleverd. Het hoofd van een betaalorgaan geeft aan het eind van het boekjaar bij de afrekening een «assurance statement» af. De Nederlandse tekst van Verordening (EG) nr. 1290/2005 spreekt van een «borgingsverklaring». De auditdienst van het Ministerie van LNV blijft de certificerende instantie voor Europese landbouwsubsidies.
15.1.2 Structuurbeleid
Beschikbare middelen
Nederland zal volgens de financiële perspectieven in de periode 2007–2013 bijna € 1,7 miljard uit de Europese structuurfondsen ontvan-gen.72 Ter vergelijking: in de vorige structuurfondsperiode (2000–2006) ontving Nederland in totaal € 2,9 miljard voor de drie doelstellingen samen.
Voor de doelstelling 2 «Regionale concurrentiekracht en werkgelegenheid» ontvangt Nederland bijna € 1,5 miljard. Hiervan is € 736,5 miljoen beschikbaar voor vier regionale programma’s en € 736,5 miljoen voor een nationaal programma uit het ESF. Binnen doelstelling 3, «Europese territoriale samenwerking» ontvangt Nederland € 212 miljoen voor grensoverschrijdende programma’s met onze buurlanden.
Om geld te kunnen ontvangen uit de Europese structuurfondsen moet Nederland minimaal een gelijk bedrag bijleggen als nationale cofinanciering. Het kabinet heeft in mei 2006 € 167 miljoen extra beschikbaar gesteld naast de € 77 miljoen die het Ministerie van EZ al had gereserveerd (Ministerie van EZ, 2006a). Ook andere departementen en overheden zullen cofinanciering leveren. Ook in de nieuwe periode kunnen private partijen cofinanciering leveren. Nederland had daarop aangedrongen in Brussel.
Overzicht 42 geeft een nadere verdeling over de regio’s van de beschikbare EFRO-structuurfondsmiddelen voor de doelstelling «Regionale concurrentiekracht en werkgelegenheid» (= doelstelling 2 van het structuurbeleid). De andere doelstellingen zijn landelijk of lidstaat-overstijgend; daarvoor geven we geen onderverdeling.
72
De hier weergegeven cijfers gaan uit van
prijspeil 2004.
Overzicht 42. Verdeling doelstelling 2-EFRO-middelen over de regio’s (bedragen in miljoenen euro’s voor de periode 2007–2013, exclusief cofinanciering)
Regio |
Aandeel in % |
Aandeel in % |
Gemiddeld % |
Totaalbedrag |
2007-2010 |
2011-2013 |
2007-2013 |
||
Noord |
27,5 |
11,6 |
20,7 |
152,4 |
Oost |
19,8 |
19,8 |
19,8 |
145,6 |
West |
33,0 |
42,9 |
37,2 |
274,3 |
Zuid |
19,7 |
25,7 |
22,3 |
164,2 |
Totaal |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
736,5 |
Bron: brief van de staatssecretaris van EZ aan de Tweede Kamer d.d. 6 mei 2006.
In het Nationaal Strategisch Referentiekader (NSR), een overkoepelend programmadocument dat Nederland voor de Commissie heeft opgesteld, heeft het kabinet de strategische keuzes vastgelegd voor de besteding van het geld. In overleg met de Europese Commissie is ervoor gekozen om voor de noordelijke regio van Nederland de huidige verdeling van de structuurfondsen geleidelijk te laten overgaan naar de verdeling voor de nieuwe periode. De staatssecretaris van EZ heeft hierbij de Tweede Kamer schriftelijk gemeld dat de Commissie akkoord is met een transitieperiode voor de drie noordelijke provincies van vier jaar (Ministerie van EZ, 2006b). Op 17 mei 2006 schreef de staatssecretaris van EZ aan de Tweede Kamer welke afwegingen het kabinet heeft gemaakt en wat het resultaat van de gesprekken met de Europese Commissie was over de verdeling van het beschikbare budget (Ministerie van EZ, 2006c).73
Beheer, controle en toezicht
Bij het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) is ervoor gekozen om voor de komende periode (2007-2013) voor elk van de operationele programma’s een managementautoriteit aan te wijzen. Dit zullen zijn:
-
•Noord: Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN);
-
•Zuid: Provincie Noord-Brabant;
-
•Oost: Provincie Gelderland;
-
•West: Ministerie van BZK.
Voor het Europees Sociaal Fonds (ESF) wordt in de komende periode het Agentschap SZW de managementautoriteit.
De Dienst Regelingen van het Ministerie van LNV zal in de periode 2007-2013 optreden als certificeringsautoriteit voor de structuurfondsen (zowel EFRO als ESF).
Er is een plan van aanpak opgesteld om de werkzaamheden die hiermee samenhangen uiterlijk per 1 januari 2008 volledig te integreren in de werkzaamheden van de Dienst Regelingen. Er is een programmateam onder leiding van de Dienst Regelingen waarin de Ministeries van EZ en SZW en de diverse programma’s zijn vertegenwoordigd (Dienst Regelingen, 2006).
73 Het kabinet heeft als uitgangspunt bij de verdeling de zes criteria gehanteerd die door de Europese Raad zijn vastgesteld: bevolkingsomvang, werkloosheid, participatie, opleidingsniveau, bevolkingsdichtheid en bruto regionaal product.
In het NSR is aangegeven dat in de komende structuurfondsperiode de auditfunctie centraal bij ministeries wordt ondergebracht. Tevens heeft het kabinet besloten dat in de nieuwe situatie de centrale auditautoriteit voor zowel EFRO als ESF onder verantwoordelijkheid van de auditdienst van het Ministerie van Financiën zal gaan vallen (Ministerie van Financiën, 2006).
15.2 Ontwikkelingen in beleid financieel management
15.2.1 Actieplan Europese Commissie
De Europese Commissie (2006b) heeft op 17 januari 2006 een Actieplan voor een geïntegreerd interne-controlekader uitgebracht. Het Actieplan bevat zestien acties die in 2006–2007 moeten worden uitgevoerd in het kader van de «routekaart naar een positieve betrouwbaarheidsverklaring» (zie deel 1, § 3.2.1). De acties betreffen onder andere vereenvoudiging van regelgeving en het opstellen van gemeenschappelijke controlebeginselen, beheersverklaringen en controlezekerheid, waaronder lidstaatverklaringen, en de «single audit»-aanpak.
In juli 2006 heeft de Commissie gerapporteerd over de voortgang die is geboekt met de implementatie van het Actieplan (Europese Commissie, 2006c). Deze notitie bevatte een «scorebord» waarop de voortgang op de verschillende acties zichtbaar werden gemaakt. Actie nummer 5 behelsde een verkenning van de mogelijkheden voor het opstellen van een lidstaatverklaring, uit te voeren door het Nederlandse Ministerie van Financiën.
15.2.2 Streven naar een lidstaatverklaring
In reactie op het EU-trendrapport 2006 heeft de minister van Financiën namens het kabinet aangegeven dat hij een haalbaarheidsstudie zou laten uitvoeren naar de mogelijkheden om te komen tot een lidstaatverklaring74 over de verantwoording van besteding van EU-gelden die in gedeeld beheer in Nederland worden besteed (structuurfondsgelden en landbouw-gelden).
De uitwerking van dit initiatief is opgenomen in een brief aan de Tweede Kamer van 4 december 2006, op basis van een besluit van de ministerraad op 17 november 2006 (Ministerie van Financiën, 2006). Deze brief is opgesteld in samenwerking met de betrokken departementen van EZ, SZW, BZK en LNV. Ook de Algemene Rekenkamer is hierbij – met behoud van haar eigen rol en verantwoordelijkheid – betrokken geweest. Volgens de brief zal de minister van Financiën namens het kabinet voor de bedoelde Europese gelden jaarlijks schriftelijk verantwoording afleggen over het functioneren van de financiële systemen in Nederland en de rechtmatigheid van de uitgaven.
74 Overigens spreekt het kabinet van een «nationale verklaring». In dit EU-trendrapport hanteren wij de terminologie die in het Europees Parlement en de Commissie gebruikelijk is, omdat dit verwarring voorkomt in overleggen met deze Europese instellingen en met zusterinstellingen.
Kernpunten lidstaatverklaring
De door het kabinet genoemde kernpunten van de lidstaatverklaring zijn:
-
•Het is een jaarlijkse verklaring van de minister van Financiën namens het kabinet over het op orde zijn van het financiële beheer van de Europese gelden in Nederland. Verklaard wordt dat de uitgaven van EU-gelden zijn besteed in overeenstemming met de regels en wetgeving van de Unie. De verklaring omvat een oordeel over zowel het systeem als de rechtmatigheid van de uitgaven. Hiermee wordt het gehele financiële beheer afgedekt.
-
•De lidstaatverklaring zal EU-gelden afdekken die in gedeeld beheer in Nederland worden besteed. Dat zijn de landbouwgelden en de structuurfondsgelden. Verder zullen de eigen middelen worden afgedekt.
-
•De lidstaatverklaring zal jaarlijks worden opgesteld en opgebouwd uit deelverklaringen van de ministers die eerstverantwoordelijk zijn voor het desbetreffende EU-fonds. Dat zijn: EZ voor EFRO, SZW voor ESF, LNV voor EGL (inclusief fonds voor plattelandsontwikkeling) en
Europees fonds voor de Visserij, VROM voor LIFE + en Financiën voor de afdracht eigen middelen.75
-
•De lidstaatverklaring wordt gericht aan de Europese Commissie. De Commissie blijft eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de EU-begroting en de verantwoording aan het Europese Parlement. De Commissie kan de lidstaatverklaring gebruiken voor de verantwoording aan het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer. De lidstaatverklaring verandert de bevoegdheidsverdeling in de EU niet. De betrokken ministers zullen zich dan ook niet hoeven te verantwoorden richting Europees Parlement.
-
•De lidstaatverklaring wordt ook aan de Tweede Kamer gestuurd. Het kabinet heeft de Algemene Rekenkamer gevraagd hierbij een oordeel te geven, en wij hebben daarin toegestemd. Wij zullen ons oordeel ten aanzien van de lidstaatverklaring baseren op normen ontleend aan de Europese regels. Onze werkzaamheden zullen echter tevens gebaseerd zijn op de Nederlandse toepasselijke normen. Als daartoe aanleiding is zullen we in onze rapportage aan de Staten-Generaal aandacht besteden aan eventuele afwijkingen en overeenkomsten. Zo zullen we ook uitleg geven over de diverse, deels verschillende, begrippen als onrechtmatigheden en onregelmatigheden. Aangezien dit aanleiding geeft tot een nieuwe taak voor de Algemene Rekenkamer, zal dit leiden tot aanpassing van de Comptabiliteitswet.
-
•In het voorjaar van 2007 wordt een lidstaatverklaring afgegeven over landbouwsubsidies uit het verslagjaar 2006. In 2008 en daarna wordt de verklaring afgegeven in het najaar. Vanaf dat moment zal de verklaring ook de structuurfondsmiddelen (over het voorgaande verantwoordingsjaar) en de eigen middelen omvatten. Deze fasering houdt onder andere verband met de inwerkingtreding van de EU-verordening voor de nieuwe programmaperiode structuurfondsen per 1 januari 2007 en de daarmee samenhangende beheerinrichting. De lidstaatverklaring over de structuurfondsen zal betrekking hebben op uitgaven in de nieuwe periode (2007-2013).
Met deze brief is een belangrijke stap gezet in het proces van het verbeteren van het beheer van EU-gelden in Nederland. Het besluit om de lidstaatverklaring vanaf 2008 in het najaar te gaan publiceren is beredeneerd vanuit de systematiek die wordt gehanteerd in de nieuwe structuurfondsenverordening. In de komende periode zullen wij in overleg met de betrokken ministers nagaan wat dit betekent voor de bijdrage van de lidstaatverklaring aan het dechargeproces over de Europese begroting.
15.2.3 Benodigde extra stappen voor lidstaatverklaring
75 LIFE + gaat alleen deel uitmaken van de lidstaatverklaring als het een programma in gedeeld beheer wordt. Dit is nog afhankelijk van Europese besluitvorming (Ministerie van Financiën, 2006).
76 Of (indien geen sprake is van een accountantsverklaring bij de nationale verklaring): accountantsverklaringen over de getrouwheid van de deelverklaringen.
Wij hebben geïnventariseerd wat de basisvereisten zijn voor een lidstaatverklaring. Meer in het bijzonder hebben we in kaart gebracht – op basis van de huidige programma’s – welke stappen nog gezet moeten worden om te komen tot:
-
1.een lidstaatverklaring van de minister van Financiën over (a) de deugdelijkheid/ordelijkheid en controleerbaarheid van het systeem van (financieel) beheer, verantwoording en controle en (b) de rechtmatigheid van de aan de financiële verantwoording onderliggende transacties; en
-
2.een accountantsverklaring over de getrouwheid van de lidstaatverkla-ring76 (eventueel aangevuld met een expliciet eigen oordeel over ordelijkheid en controleerbaarheid van het systeem en rechtmatigheid van de transacties).
77 Uiteraard is er meer nodig om te komen tot een nationale verklaring, zoals het aanpassen van (informatie)systemen, administratief-orga-nisatorische procedures, regelgeving een dergelijke. Hier beperken wij ons tot aanpassingen in de verantwoordings- en controlestructuur.
78 Tot «reikwijdte» rekenen wij: ordelijkheid en controleerbaarheid, getrouwheid en rechtmatigheid.
Op basis van ons onderzoek bevelen wij aan dat voor de totstandkoming van een lidstaatverklaring en bijbehorende accountantsverklaring(en) zoals hierboven beschreven, onder meer77 de volgende typen documenten ontwikkeld worden:
-
•aggregeerbare (uniforme) verantwoordingen per fonds/ministerie;
-
•uniforme (accountants)controles van de systemen en de verantwoordingsdocumenten per fonds/ministerie (met name uniform qua object, reikwijdte,78 nauwkeurigheid en betrouwbaarheid);
-
•uniforme accountantsmededelingen (over systemen) en accountantsverklaringen (over financiële verantwoordingen) per fonds/ministerie, met gelijkluidende oordelen over ordelijkheid en controleerbaarheid, getrouwheid en rechtmatigheid (model-accountantsverklaringen);
-
•gelijksoortige rapportages naar aanleiding van de accountantscontrole per fonds/ministerie;
-
•adequate, qua reikwijdte en diepgang gelijksoortige reviews van de accountantscontrole door de naasthogere overheidslaag of accountant per fonds/ministerie.
Specifieke resultaten van ons onderzoek zijn opgenomen in bijlage 6.
16 SYSTEMEN EU-FINANCIEEL MANAGEMENT NEDERLAND
In dit hoofdstuk kijken we aan de hand van een aantal indicatoren naar de werking van de beheer-, controle- en toezichtsystemen bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de structuurfondsen. Hierbij maken we gebruik van informatie van de betrokken ministeries.79
We geven eerst een overzicht van de geldstromen en de wijze waarop de geldstromen worden geadministreerd door de betrokken ministers (§ 16.1). Daarna gaan we in op de rechtmatigheidscontrole van de geldstromen (§ 16.2). Vervolgens bespreken we de op basis van de indicatoren de werking van de financieel-managementsystemen van twee belangrijke geldstromen: de landbouwsubsidies (§ 16.3) en de structuurfondsgelden (§ 16.4). Ten slotte geven we actueel beeld van het beheer van de gelden die Nederland besteedt voor het interne beleid van de Unie (§ 16.5).
16.1 Geldstromen en wijze van administratie
16.1.1 Betrokken ministeries en geldstromen
Wij hebben bij de ministeries geïnventariseerd welke geldstromen ze onder hun hoede hebben en welke informatie zij tot hun beschikking hebben over de kwaliteit van de systemen waarmee deze gelden worden beheerd en gecontroleerd. De geldstromen staan weergegeven in overzicht 43.
Overzicht 43. Programma’s en geldstromen per ministerie
Verantwoordelijk ministerie Eigen middelen
Landbouw
Structuurbeleid
Intern beleid
BuZa
(via FIN/LNV)*
BNI-afdracht
BTW-afdracht
Landbouwheffingen
Douanerechten
LNV
Gemeenschappelijk landbouwbeleid
D.2 Oost-NL
FIOV
Leader+
LIFE-natuur
EZ
D.1 Flevoland
D.2 Noord-NL
D.2 Zuid-NL
Interreg III A
BZK
D.2 Steden
TEN – telecom
TEN – energie
6e Kaderprogramma (onderzoek)
URBAN-2 |
||
ocw |
Leonardo da Vinci |
|
Socrates |
||
Cultuur 2000 |
||
szw |
D.3 ESF |
|
Equal |
79 De opzet van de systemen is besproken in eerdere EU-trendrapporten. Zie hoofdstuk 10 van het EU-trendrapport 2003 (Algemene Rekenkamer, 2003) en hoofdstuk 16 van het EU-trendrapport2005 (Algemene Rekenkamer, 2005).
Verantwoordelijk ministerie |
Eigen middelen |
Landbouw |
Structuurbeleid |
Intern beleid |
VROM |
Interreg IIIB Interreg IIIC |
LIFE – milieu |
||
VenW |
TEN – transport |
-
*Bij de samenstelling van de afdrachten zijn ook de Ministeries van LNV en Financiën betrokken. Voor de eenvoud worden de afdrachten hier alleen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken weergegeven.
16.1.2 Wijze van administratie
De gelden die Nederland ontvangt van de EU vallen uiteen in drie categorieën, die verschillend worden geadministreerd:
-
1.Bijdragen aan de uitgaven van het Rijk zelf. Deze gelden worden verantwoord in de rekening van uitgaven en ontvangsten in het jaarverslag van het departement dat beleidsverantwoordelijk is voor de specifieke geldstroom.
-
2.Bijdragen aan uitgaven van derden, waarbij het Rijk als centrale ontvanger fungeert en die vervolgens door de staat worden uitbetaald aan de eindbegunstigde (een gemeente, provincie, particulier, enzovoort). Deze ontvangsten en afdrachten worden bij het beleidsverantwoordelijk departement op rekeningen buiten de begroting (ook wel «derdenrekeningen» genoemd) geboekt. Deze uitgaven en ontvangsten worden verantwoord in de departementale saldibalans.
-
3.Directe bijdragen van de EU aan Nederlandse eindbegunstigden. De totale omvang van deze bijdragen is gering vergeleken met de totale Europese geldstroom naar Nederland. Omdat de gelden niet via de departementen worden uitbetaald, komen ze niet voor in de departementale jaarverslagen.
Wij hebben geïnventariseerd welke gelden de ministeries in 2005 uit Brussel ontvingen, en hoe deze gelden werden geadministreerd. De resultaten staan in overzicht 44.
Overzicht 44. EU-bijdragen aan Rijk in 2005 per begrotingshoofdstuk (ontvangsten via de begroting zijn grijs gemarkeerd)
Regelingen/begrotingshoofdstukken
Jus
BZK
OCW
Fin
EZ
LNV
SZW
ISF*
Jus, U 15, IND |
1 200 000 |
|||
Jus, U 15, Vreemdelingen |
2 000 000 |
|||
BZK: EFRO |
27 500 000 |
|||
OCW, U 08: Eurydice network |
17 296 |
|||
OCW, U 14: Nederlands voorzitterschap |
32 833 |
|||
OCW, U 14: Papylum |
37 485 |
|||
OCW, U 14: Interreg IIIB |
27 783 |
|||
OCW, U 14: Leonardo da Vinci |
1 000 |
|||
OCW: Leonardo Socrates |
11 000 000 |
|||
OCW: ESF/praktijkonderwijs 2000-2006 |
11 430 736 |
|||
OCW: ESF/BBL + VSV |
26 979 726 |
|||
Fin, U 01: Fiscalis |
203 814 |
|||
Fin, U 01: Douane |
210 457 |
|||
Fin, U 01: Diverse twinningprojecten |
821 020 |
|||
EZ: IMERA |
56 496 |
|||
LNV, U 01/02: Landinrichting |
9 229 000 |
|||
LNV, U 01: SBL |
782 000 |
|||
LNV, U 02: RBB |
601 000 |
|||
LNV, U 03: Programma Beheer |
16 884 000 |
|||
LNV, U 04: RSG |
1 114 000 |
|||
LNV, U 04: DEMO |
208 000 |
|||
LNV, U 05: RSBP |
1 410 000 |
|||
LNV, U 06: Vogelpest |
3 768 000 |
|||
LNV, U 06: MKZ |
9 472 000 |
Regelingen/begrotingshoofdstukken
Jus
BZK
OCW
Fin
EZ
LNV
SZW
ISF*
LNV: EOGFL-G granen etc
LNV: EOGFL melk en vlees
LNV: EOGFL POP
LNV: Goedkeuring rekeningen
LNV: Afzetbevordering
LNV: EOGFL vis
LNV: EOGFL tabak
LNV: divers
SZW: ESF Doelstelling Equal
SZW: ESF Doelstelling 3
ISF, U 01: Utrechtse Boog
ISF, U 03: HSL
ISF, U 03: Betuweroute
369 669 896
844 043 522
35 959 971
-
-107 041
2 399 065
305 590
0
0
22 418 645 320 320 851
300 000 17 400 000 17 809 286
Totalen
Totaal generaal: 1 755 506.431
3 200 000 27 500 000 49 526 859 1 235 291
56 4961 295 739.003 342 739 496
35 509 286
-
*ISF: Infrastructuurfonds VenW
Een vergoeding aan het Ministerie van VROM voor de organisatie van de internationale Impelconferentie is niet opgenomen.
Overzicht 44 laat zien dat het overgrote deel van de gelden die het Rijk ontvangt van de EU niet via de departementale begrotingen loopt. Van de bijna € 1,8 miljard aan totale ontvangsten die door het Rijk worden geadministreerd, is ruim € 79 miljoen (4,4%) op departementale begrotingen geboekt.
Overzicht 45 geeft een beeld van de herkenbaarheid van de EU-geldstro-men die via de departementale begrotingen lopen in de jaarverslagen 2005.
Overzicht 45. Herkenbaarheid EU-geldstromen binnen departementale begrotingen
Departement |
Bedrag aan EU |
Herkenbaarheid EU |
Herkenbaarheid in |
transacties (te |
gelden binnen |
toelichting bij het |
|
ontlenen aan |
artikel |
artikel * |
|
opgave dep) |
|||
Justitie |
€ 3,2 miljoen |
Nee |
Nee |
OCW |
€ 0,1 miljoen |
Nee |
Nee |
Financiën |
€ 1,2 miljoen |
Nee |
Nee |
LNV |
€ 43,5 miljoen |
Ja |
Ja |
Infrastructuurfonds |
€ 35,5 miljoen |
Nee |
Ja/Nee |
Totaal |
€ 83,5 miljoen |
-
*ISF: Alleen voor de HSL, letterlijke tekst: «De lagere ontvangst is een gevolg van het feit dat
de afwikkeling van de bijdrage van de EU voor de onderbouw van de A15 over de jaargrens
is heengeschoven.» ** LNV: De bedragen staan vrijwel steeds vermeld in de artikeltabel en worden als het om
grotere bedragen gaat ook toegelicht. Bovendien vindt meer uitgebreide toelichting plaats op
alle EU-gelden in een bijlage van de verantwoording.
We zien dat van de op de begrotingen geboekte gelden, alleen het LNV-deel goed zichtbaar is in het begrotingsartikel en de toelichting daarbij. Van de gelden die in het Infrastructuurfonds worden beheerd zijn alleen de EU-gelden voor de hogesnelheidslijn (HSL) zichtbaar in de toelichting bij het begrotingsartikel.
De ontvangsten die niet via de departementale begrotingen lopen, dus de gelden waarvoor het Rijk optreedt als doorgeefloket, worden door het departement verantwoord in de saldibalans. De saldipost van deze rekeningen is het op het eind van het jaar nog openstaande saldo van
schulden (de bedragen die al zijn ontvangen van derden maar nog niet uitbetaald aan eindbegunstigden) of vorderingen (de bedragen die al wel zijn uitbetaald aan eindbegunstigden maar nog niet zijn ontvangen van derden).
Overzicht 46 geeft een beeld van de herkenbaarheid van de EU-geldstro-men in de saldibalansen 2005 van de begrotingshoofdstukken.
Overzicht 46. Herkenbaarheid in de saldibalansen van EU-geldstromen die niet via de departementale begrotingen lopen
Bedrag aan EU |
Herkenbaar- |
Herkenbaar- |
Herkenbaarheid |
|
transacties (te |
heid stand |
heid EU |
in toelichting |
|
ontlenen aan |
van EU- |
transacties |
bij de saldiba- |
|
opgave depar- |
gelden |
lans |
||
tement) |
||||
Departement |
||||
BZK |
€ 27,5 miljoen |
Nee |
Nee |
+ |
OCW |
€ 38,9 miljoen |
Nee |
Nee |
+ |
EZ |
€ 0,056 miljoen |
Nee |
Nee |
- |
LNV |
€ 1 282,5 miljoen |
Ja |
Ja |
+ |
SZW |
€ 342,8 miljoen |
Ja |
Nee |
- |
Totaal |
€ 1,7 miljard |
Deze EU-gelden zijn niet noodzakelijkerwijs zichtbaar in het jaarverslag van een departement. Dat komt doordat veelal volstaan wordt met het rapporteren van de eindejaarstand terwijl bovendien het saldo van EU-uitgaven en ontvangsten vaak opgaat in een grotere post, en ook niet zelfstandig wordt toegelicht in de saldibalans.
Met uitzondering van de gelden die via de begroting van het Ministerie van LNV lopen, zijn deze gelden nauwelijks zichtbaar in de saldibalans. Alleen in de toelichting bij de saldibalans van de Ministeries van BZK en OCW wordt ook informatie gegeven over EU-gelden.
Onze conclusie is dat verreweg de meeste bijdragen vanuit de EU aan de Nederlandse staat nauwelijks herkenbaar zijn in de jaarverslagen van het Rijk. In ons onderzoek naar de departementale jaarverslagen over 2006 zullen wij op deze problematiek terugkomen.
16.2 Rechtmatigheidscontrole ontvangsten en afdrachten
16.2.1 Ontvangsten
Op de begroting geboekte uitgaven en ontvangsten
De op de departementale begrotingen geboekte bedragen worden jaarlijks op rechtmatigheid gecontroleerd door de departementale auditdiensten en de Algemene Rekenkamer. Vanaf 2006 zal de minister in de bedrijfsvoeringsparagraaf per beleidsartikel alle onrechtmatigheden melden die de daarvoor vastgestelde tolerantiegrenzen overschrijden. De departementale auditdiensten blijven verantwoordelijk voor de controle en zullen die conform de bestaande praktijk uitvoeren. De accountantsverklaring zal echter anders worden geformuleerd. Indien de minister alle onrechtmatigheden die de afgesproken tolerantiegrenzen overschrijden in zijn bedrijfsvoeringsparagraaf meldt, kan de accountant een goedkeurende accountantsverklaring afgegeven waarin is aangegeven dat het jaarverslag een «getrouw beeld» geeft.
Niet via de departementale begrotingen lopende uitgaven en ontvangsten Op grond van artikel 66 van de Comptabiliteitswet 2001 (CW2001) dient de auditdienst van ieder ministerie te controleren of de in de departementale saldibalans opgenomen balansposten, met daarin dus ook de eventueel ontvangen en uitgegeven EU-gelden die buiten de departementale begroting zijn gebleven, rechtmatig tot stand zijn gekomen. Het Handboek auditing rijksoverheid 2006 geeft echter nog onvoldoende richting aan de controle van de rechtmatige totstandkoming van de balansposten. De huidige praktijk is dat de accountant primair vast stelt of de uitgaven en ontvangsten terecht op een rekening buiten de begroting zijn geboekt. Hiervoor gelden specifieke voorwaarden. Indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, dienen de gelden alsnog op de begroting geboekt te worden.
De controle van het jaarverslag omvat in het algemeen niet de naleving van alle EU-voorwaarden die aan de uitgaven en ontvangsten zijn verbonden. Deze controle is veelal ingebed in specifieke controles ten behoeve van de Europese Commissie. Hoewel een minister problemen in het beheer van EU-gelden kan rapporteren in de bedrijfsvoeringsparagraaf van zijn jaarverslag, geeft deze paragraaf op dit moment geen integraal beeld van het beheer en de rechtmatigheid van de EU-gelden die via de rekeningen buiten de departementale begrotingen worden verantwoord. Dit kan eenvoudig worden opgelost door alle uitgaven en ontvangsten van EU-gelden binnen de begroting te boeken. Maar ook de komst van een lidstaatverklaring en een bijbehorend verslag van de Algemene Rekenkamer kan een integraal beeld van de rechtmatigheid mogelijk maken.
16.2.2 Afdrachten Nederland aan de EU
De eigen middelen die Nederland afdraagt aan de EU worden via de begroting en het jaarverslag van het Ministerie van BuZa verantwoord. Bij deze geldstroom zijn ook de Ministeries van Financiën en van LNV betrokken. De accountantsdienst van het Ministerie van BuZa voert de integrale controle op de eigen middelen uit. De resultaten van deze controle en andere rechtmatigheidsinformatie staan beschreven in hoofdstuk 17 van dit rapport.
In het EU-trendrapport 2005 concludeerden wij dat door de diverse controles op de afdracht van de eigen middelen redelijk inzicht bestaat in de juistheid van de afdrachten. Op grond van onze analyse dit jaar moeten wij hier echter aan toevoegen dat de rechtmatigheid op transactieniveau door deze controles niet volledig wordt afgedekt. Dit speelt met name bij (a) de vaststelling van de BNI-afdracht en (b) de controle op de landbouw-rechten.
Ad (a). De hoogte van het bruto nationaal inkomen (BNI) van Nederland wordt vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); Eurostat voert daar namens de Europese Commissie controles op uit. Er is geen accountantscontrole op de berekeningen van deze afdrachten. Uit het slotmemorandum van de accountantsdienst van het Ministerie van BuZa blijkt dat de directie Financieel-Economische Zaken (FEZ) van dit departement de relevante berekeningen over eerdere jaren heeft uitgevoerd. Het betreft de afstemming van de afdrachten met de begroting van de EU, de verificatie van de BNI-cijfers van de EU met eerdere opgaven van het CBS en de vaststelling door de EU van bijdragepercentages (Ministerie van BuZa, 2006b).
Ad (b). De landbouwrechten worden voor ongeveer de helft geïnd door de onder het Ministerie van LNV ressorterende productschappen en voor de andere helft door de Douane. De interne accountantscontrole bij de productschappen en de review daarop door de auditdienst van het Ministerie van LNV resulteren geen van beide in een rechtmatigheids-oordeel op transactieniveau bij de landbouwrechten. De door de productschappen gecollecteerde landbouwrechten maken deel uit van de verantwoording van de productschappen. De interne accountantsdiensten van de productschappen geven echter geen verklaring af bij de rechten. Ze brengen alleen een rapport van bevindingen uit bij de jaarverantwoording als geheel. Ook de auditdienst van het Ministerie van LNV doet dit niet; deze beperkt zich tot het vaststellen van de volledigheid, juistheid en tijdigheid van de door de productschappen geïnde rechten. De auditdienst van het Ministerie van Financiën controleert deze landbouw-heffingen als onderdeel van het beheersverslag van de Belastingdienst. De auditdienst geeft sinds 2005 een getrouwbeeldverklaring af bij de bedrijfsvoeringsmededeling.
16.3 Gemeenschappelijk landbouwbeleid
16.3.1 Financiële uitvoering
De minister van LNV is eerstverantwoordelijk voor de uitvoering van de regelingen uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (EOGFL-G). Alleen erkende betaalorganen mogen namens het EOGFL-G uitkeringen verstrekken aan eindbegunstig-den. Er gelden strikte voorwaarden voor de erkenning van deze betaalorganen, zoals vastgelegd in Verordening (EG) 1663/95 (gewijzigd bij Verordening (EG) 2025/2001). Het Ministerie van LNV (directie FEZ) is de instantie die deze erkenningen afgeeft, op basis van de EG-voorwaarden. In Nederland waren er medio 2006 zes erkende betaalorganen, die de EU-regelingen uitvoeren (in medebewind met de ministervan LNV).
In deze paragraaf bespreken we hoe de jaarlijkse begrotings- en verantwoordingscyclus over de EOGFL-G-landbouwsubsidies in 2004-2005 is uitgevoerd. We doen dit aan de hand van de volgende indicatoren:
-
•het aantal jaarlijkse geplande en gerealiseerde landbouwsubsidie-aanvragen door de betaalorganen;
-
•het financieel belang van deze aanvragen;
-
•de (globale) behandelingskosten van deze aanvragen;
-
•de omvang van de door de betaalorganen jaarlijks bij de Europese Commissie ingediende declaratie;
-
•de resultaten van de beoordeling van deze declaratie door de Commissie (terugvorderingen en financiële correcties).
Overzicht 47 vat de ontwikkelingen op bovengenoemde indicatoren samen. Aansluitend geven we een korte toelichting bij de uitkomsten.
Overzicht 47. Uitvoering begrotings- en verantwoordingscyclus landbouwsubsidies 2004 en 2005
Indicatoren
2004
2005
Aanvragen
% Totaal aantal gerealiseerde aanvragen door betaalorganen (waarvan restitutie *)
106% (105%)
201%
(222%)
% gerealiseerde ten opzichte van begrote restitutie uitgaven
122,7%
152,1%
% gemiddelde gerealiseerde ten opzichte van gemiddelde begrote restitutie per aanvraag
116,1%
70,8%
Uitvoeringskosten aanvragen (mede-bewindskosten)
% gerealiseerde ten opzichte van begrote totale personeelsinzet door betaalorganen 91,8% 89,4%
(in mensjaren)
% gemiddeld gerealiseerde ten opzichte van gemiddeld begrote aantal aanvragen
per mensjaar
% gerealiseerde ten opzichte van begrote uitgaven
116,4%
99,7%
223,8%
101,7%
% gemiddeld gerealiseerde ten opzichte van gemiddeld begrote kosten per aanvraag
94,1%
51,1%
Jaaraangiften
Totaal bedrag ingediende jaaraangifte betaalorganen (x € 1 miljoen)
1 265,0
1 256,6
Laagste en hoogste jaaraangifte (x € 1 miljoen)
42,2 - 448,8
46,1 -416,3
Saldo eindafrekening (x € 1 000)
17
-223
Financiële correcties door Europese Commissie (x € 1 miljoen)
4,2
10,5
Terug te vorderen bedrag bij eindbegunstigden door betaalorganen per 15–10 (x € 1miljoen)
35,7
32,8
Bandbreedte terug te vorderen bedrag per betaalorgaan per 15–10 (x€1 miljoen)
0,1 - 14,7
0,1 - 17,3
Bronnen: Jaarverslagen 2004 en 2005 Ministerie van LNV; bijlage Europese geldstromen. Beschikkingen Europese Commissie van 13 mei 2005 (Publicatieblad L127 d.d. 20.5.2005) en van 28 april 2006 (Publicatieblad L118 d.d. 3.5.2006). Gegevens per betaalorgaan, bijlage 7, tabellen 1–3. * Aantal restitutieaanvragen is apart vermeld, omdat alleen de financiële omvang van de interventieregelingen en restituties en niet van de productieregelingen in bijlage Europese geldstromen jaarverslagen 2004 en 2005 zijn opgenomen.
Aanvragen
In 2005 is het totaal aantal door de betaalorganen gerealiseerde aanvragen sterk gestegen ten opzichte van 2004. Dit wordt veroorzaakt door een toename in het aantal «gerealiseerde» (restitutie)aanvragen voor de productgroep Akkerbouw. Bij de andere productgroepen zijn er – met uitzondering van de productgroep Vlees en Eieren – tussen beide jaren geen opvallende verschillen in de aantallen gerealiseerde aanvragen waar te nemen.
Opgebouwd uit verscheidene jaren.
Uitvoeringskosten
De totale personeelsinzet is voor beide jaren ongeveer even groot (2004 en 2005 respectievelijk 393 en 361 mensjaren). In beide jaren werd aanvankelijk meer capaciteit vrijgemaakt (circa 10%) dan daadwerkelijk is gebruikt. Verder blijkt dat er in beide jaren meer aanvragen (per mensjaar) zijn behandeld dan was gepland.
Jaaraangifte en afrekening
De Europese Commissie stelt de EOGFL-G-middelen ter beschikking via voorschotten op de eindafrekening van uitgaven. Maandelijks dienen de betaalorganen een aangifte van de uitgaven in bij de Commissie. Na afloop van het begrotingsjaar dienen de betaalorganen hun jaaraangifte in. Daarin vermelden zij ook het (cumulatieve)80 bedrag aan terug te vorderen subsidies/betalingen van de eindbegunstigden aan het eind van het boekjaar ten opzichte van het vorige boekjaar.
De Commissie stelt de boekhoudkundige juistheid van deze aangiften (op lidstaatniveau) vast. Hiervan doet zij jaarlijks per beschikking mededeling aan de lidstaat. Ook kan de Commissie jaarlijks besluiten om gelden van de lidstaat terug te vorderen. Hiertoe kan de Commissie de lidstaat een financiële correctie («apurement») opleggen.
Nederland heeft zowel in 2004 als 2005 nagenoeg hetzelfde bedrag aan EU-landbouwsubsidies gedeclareerd (€ 1,3 miljard). Ruim 85% van dit
80
bedrag werd door drie betaalorganen ingediend. Na goedkeuring van de jaaraangiften en na verrekening met de verstrekte voorschotten moet Nederland over 2004 en 2005 respectievelijke 17 000 en € 223 000 terugbetalen. Verder leidden «conformiteitsaudits» door de Commissie in 2004 en 2005 tot financiële correcties. In 2005 is hierbij grofweg sprake van een verdubbeling van het bedrag dat van de betaalorganen wordt teruggevorderd ten opzichte van 2004.
16.3.2 Controle en toezicht
In de Europese en nationale regelgeving is opgenomen dat op verschillende niveaus controles moeten worden uitgevoerd om de rechtmatige uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te waarborgen. De technische diensten voeren in opdracht van de betaalorganen administratieve controles en controles ter plaatse uit bij eindbegunstigden (zie bijlage 7; tabel 4). De Europese Commissie kan in de lidstaten op haar beurt zogenaamde conformiteitsaudits uitvoeren om na te gaan of de EU-regelgeving juist wordt toegepast.
Daarnaast zijn de door de Commissie voorgeschreven certificerende audits een belangrijk toezichtsinstrument voor de minister van LNV om te waarborgen dat de betaalorganen de aan hen opgedragen taken uitvoeren in overeenstemming met de geldende EU-regelgeving.
Hieronder bespreken we ontwikkelingen op het gebied van controle en toezicht in 2004 en 2005 aan de hand van de volgende indicatoren:
Controle:
-
•planning en uitvoering van controles door technische diensten;
-
•bevindingen controles door technische diensten;
-
•kosten controles technische diensten;
-
•controles uitgevoerd door de Europese Commissie;
Toezicht:
-
•planning en uitvoering certificerende audits;
-
•bevindingen certificerende audits;
-
•opvolging aanbevelingen certificerende audits;
-
•capaciteitsbeslag certificerende audits.
Overzicht 48 vat de ontwikkelingen op bovengenoemde indicatoren samen. Aansluitend geven we een korte toelichting bij de uitkomsten.
Overzicht 48. Indicatoren voor controle en toezicht 2004 en 2005
Indicatoren
2004
2005
Controle
Aantal technische diensten dat jaarlijks afspraken maakt met betaalorgaan over kwantiteit en kwaliteit van de uit te voeren controles |
Onbekend |
Onbekend |
Aantal technische diensten dat beheersverslag heeft ingediend bij betaalorgaan. |
1 (AID) |
1 (AID) |
% aantal gerealiseerde versus geplande verificaties |
95%* (AID) |
93% (AID) |
Aantal en geldwaarde van aan betaalorganen (en derden in 2004) door de AID gemelde (TAB-) onregelmatigheden |
159 circa € 13,3 miljoen |
109 circa € 2,4 miljoen |
Aantal en geldwaarde > € 4 000 |
108 circa € 13,2 miljoen |
68 circa€2,4 miljoen |
Aantal controles Europese Commissie
5
4
Indicatoren 2004 2005
Toezicht
Aantal uitgevoerde certificerende audits door AD LNV |
6 |
6 |
Totaal aantal aanbevelingen |
9 |
6 |
Aantal A, B- en C-aanbevelingen |
1-0-8 |
0-1-5 |
Aantal betaalorganen waarop de aanbevelingen betrekking hadden |
2 |
2 |
Aantal betaalorganen dat «in control» verklaring afgeeft |
6 |
6 |
Aantal betaalorganen waarover de auditdienst een tussentijds verslag aan FEZ heeft gestuurd over voldoening erkenningscriteria betaalorganen. |
4 |
4 |
Totaal ingezette controlecapaciteit auditdienst Ministerie van LNV (in voltijdbanen) |
6,6 |
9,6 |
Gemiddelde ingezette controlecapaciteit per audit 1,1 1,3
Bron: Gegevens per betaalorgaan en Ministerie LNV, bijlage 7, tabellen 5–11. * Ongewogen gemiddelde gebaseerd op de sectorale beheersverslagen AID.
Controles door technische diensten
Over het aantal en de kwaliteit van de uit te voeren controles maken de
technische diensten en betaalorganen jaarlijks afspraken. De technische
diensten leggen met beheersverslagen verantwoording af aan de
betaalorganen over de uitvoering van de controles. Van de in totaal negen
technische diensten hebben wij alleen voor Algemene Inspectiedienst
(AID) en de Douane deze documenten kunnen inzien.
De beheersverslagen van de AID over 2004 en 2005 geven inzicht in de
planning en uitvoering van de controles. Hieruit blijkt dat de AID in 2005
aanzienlijk meer controles heeft uitgevoerd dan in 2004. Ook de Douane
heeft in 2004 en 2005 de 5%-norm voor het aantal uit te voeren fysieke
controles gerealiseerd (Douane, 2006).
In tegenstelling tot de beheersverslagen van de AID zijn de overzichten
van de Douane niet voorzien van een verklaring van de interne auditdienst
dat de opgegeven aantallen juist zijn.
Controlebevindingen
De AID rapporteert in de beheersverslagen over 2004 en 2005 dat er in die jaren respectievelijk 159 en 109 onregelmatigheidsmeldingen zijn opgemaakt en verzonden aan de betaalorganen en derden. De onregelmatigheden hebben een gezamenlijk financieel belang van € 13,3 miljoen (in 2004) en € 2,5 miljoen.
In de overzichten van de Douane wordt niet gerapporteerd tot welke bevindingen de controles leidden.
Kosten controles technische diensten
Uit de beschikbare informatie van de AID en de Douane kan niet worden herleid hoeveel capaciteit de controles vergen en hoeveel tijd en geld de controles gemiddeld kosten.
Controles Europese Commissie
Zowel in 2004 als 2005 heeft de Commissie controlemissies uitgevoerd
naar de uitvoering van (onderdelen van) het gemeenschappelijk
landbouwbeleid.
Toezicht
De auditdienst van het Ministerie van LNV heeft als certificerende instantie in 2004 en 2005 bij alle betaalorganen een certificerende audit uitgevoerd om vast te stellen of de betaalorganen nog voldeden aan de door de EU gestelde erkenningseisen. Dat was in beide jaren het geval. Voor twee van de zes betaalorganen resulteerde deze audit in aanbevelingen. Het kan hierbij gaan om dringend door de leiding van het betaalorgaan op te volgen aanbevelingen («aanbevelingen A») of in de
loop van het jaar op te volgen aanbevelingen («aanbevelingen B en C»). In 2004 kreeg één betaalorgaan een aanbeveling A. In 2005 was dit niet het geval.
In 2005 hebben alle betaalorganen zich conform de procedure «Toezicht-houden erkenningseisen betaalorganen» aan het Ministerie van LNV verantwoord over de mate waarin zij «in control» waren. De directie FEZ van het ministerie heeft in beide jaren de erkenning van de betaalorganen verlengd.
Capaciteitsbeslag
Gemiddeld wordt door de auditdienst van het Ministerie van LNV 1,2 voltijdbaan per betaalorgaan ingezet voor de certificerende audit. Ten opzichte van 2004 is een stijging te constateren.
16.3.3 Verantwoording
In de begrotings- en verantwoordingscyclus van het gemeenschappelijk landbouwbeleid leggen verschillende actoren verantwoording af over de door hen uitgevoerde werkzaamheden. Hieronder bespreken we drie verantwoordingsdocumenten die binnen deze cyclus een belangrijke informatiebron vormen voor sturing en toezicht.
Overzicht 49. Indicatoren voor verantwoording 2004 en 2005
Indicatoren 2004 2005
Aantal technische diensten dat beheersverslag opstelt 2? 2?
Aantal betaalorganen dat «in control»-verklaring opstelt 6 6
Oordeel departementale auditdienst over «in control»-verklaring – – Aantal betaalorganen dat jaaraangiftes op tijd heeft ingediend bij
de Commissie 6 6
308 146
Aantal en geldswaarde door Ministerie van LNV gemelde circa € 3.7 circa € 2,0
onregelmatigheden aan Europese Commissie miljoen miljoen
Beheersverslagen
In de vorige paragraaf hebben we aangegeven dat we alleen voor de Douane en de AID weten of ze in 2004 en 2005 een beheersverslag hebben opgesteld. Wel blijkt uit de certificerende rapporten over 2004 en 2005 dat de auditdienst van het Ministerie van LNV de kwaliteit en kwantiteit van de door de technische diensten uitgevoerde controles in het algemeen als van voldoende kwaliteit beoordeelt.
«In control»-verklaring betaalorganen
De betaalorganen hebben zowel in 2004 als in 2005 een tussentijdse «in control»-verklaring ingediend bij het Ministerie van LNV. De departementale auditdienst heeft deze verklaring in alle gevallen beoordeeld. Omdat de auditdienst niet als certificerende instantie betrokken geweest is bij de totstandkoming van de verklaring, geeft de dienst aan niet te kunnen instaan voor de kwaliteit ervan. Wel doet de auditdienst in zijn beoordeling een uitspraak over de vraag of het betaalorgaan in voldoende mate vervolg geeft aan in voorgaande certificerende audits geformuleerde aanbevelingen.
Jaaraangiften
Alle betaalorganen hebben in 2004 en 2005 binnen de gestelde termijn hun jaaraangifte ingediend bij de Europese Commissie. In alle gevallen was bij deze aangifte als bijlage een accountantsverklaring opgenomen
van de auditdienst van het Ministerie van LNV (certificerende instantie) waarin de auditdienst verklaart dat de ingediende rekeningen waarheidsgetrouw, volledig en nauwkeurig zijn.
Onregelmatigheidsmeldingen
Het Ministerie van LNV (directie Internationale Zaken) meldt ieder laatste kwartaal van het kalenderjaar onregelmatigheden aan de Europese Commissie. Het aantal meldingen en de daarmee gemoeide bedragen zijn in 2005 ten opzichte van 2004 met circa 50% gedaald. In 2004 was het aantal onder andere hoger omdat er sprake was van een meldingsachterstand die werd ingelopen.
16.3.4 Externe audits
De keten uitvoering-controle-toezicht-verantwoording wordt afgesloten met de zogenoemde externe audit . Onder «externe audits» scharen we hier de onderzoeken uitgevoerd door de Europese Rekenkamer en de Algemene Rekenkamer. Overzicht 50 laat zien welke externe audits zij in de periode 2004–2006 hebben verricht naar de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in Nederland.
Overzicht 50. Ontwikkeling externe audit 2004–2006
2004
2005
2006
Europese Rekenkamer
Terugvordering van onregelmatige betalingen gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Verificatie van de agromilieu-uitgaven.
Investeringen voor plattelandsontwikkeling.
Instelling van de identificatie- en registratieregeling voor runderen in de EU.
Succesvolle oogst? De doeltreffendheid van de EU-steun voor operationele programma’s van groente- en fruittelers.
Beheer en controle door de Commissie van de maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer en de desbetreffende uitgaven.
Algemene Rekenkamer
Rechtmatigheid besteding landbouwsubsidies (in EU-trendrapport)
Recht- en doelmatigheid besteding landbouwsubsidies (in EU-trend-rapport).
Recht- en doelmatigheid besteding landbouwsubsidies (in EU-trendrap-port)
Kosten van controles ter plaatse bij bepaalde EU-landbouwsubsidies.
Fysieke controles op Europese subsidies voor boter.
Bronnen: Speciale verslagen Europese Rekenkamer: 3/2004, 6/2004, 8/2004, 2/2005, 7/2006, 8/2006; EU-trendrapporten Algemene Rekenkamer 2004, 2005, 2006.
De Europese Rekenkamer heeft in 2004–2006 vijf speciale verslagen op het terrein van landbouw gepubliceerd waarin Nederland wordt vermeld. De Algemene Rekenkamer publiceerde in 2004–2006 vijf rapporten die geheel of deels betrekking hadden op Europese landbouwuitgaven voor Nederland.
16.4 Structuurfondsen
16.4.1 Financiële uitvoering
Om de financiële voortgang (uitputting) van de structuurfondsprogramma’s die in Nederland lopen te beoordelen, hebben we gekeken naar de mate waarin het budget in goedgekeurde projectaanvragen is vastgelegd
(committering) en naar de mate waarin de programma’s het budget hebben besteed (realisatie).
Onderstaande overzichten zijn samengesteld op basis van de jaarverslagen van de programma’s over 2005, aanvullende informatie die wij hebben opgevraagd bij de managementautoriteiten en de voortgangsrapportage van het Ministerie van EZ aan de Tweede Kamer (Ministerie van EZ, 2006d).
Overzicht 51. Financiële voortgang structuurfondsen in Nederland, uitgaande van totale publieke uitgaven (in miljoenen euro’s)
Budget |
Totaal overheid cumulatief t/m 2004 |
Totaal overheid cumulatief t/m 2005 |
|||||||
totaal |
|||||||||
overheid |
|||||||||
Gecommitteerd |
Gerealiseerd |
Gecommitteerd |
Gerealiseerd |
||||||
(€ en %) |
(€ en %) |
(€ en %) |
(€ en %) |
||||||
Flevoland |
410,55 |
395,68 |
96% |
228,06 |
56% |
445,21 |
108% |
299,10 |
73% |
Noord-NL |
924,21 |
711,49 |
76% |
329,13 |
35% |
883,71 |
95% |
450,95 |
48% |
Oost-NL |
366,78 |
183,77 |
50% |
139,80 |
38% |
417,77 |
114% |
232,62 |
63% |
Zuid-NL |
332,99 |
292,60 |
88% |
156,90 |
47% |
340,33 |
102% |
229,20 |
69% |
Steden |
563,00 |
517,00 Niet |
92% Niet |
245,00 |
44% |
634,00 Niet |
113% Niet |
345,00 |
61% |
ESF |
2 775,10 |
bekend |
bekend |
535,70 |
19% |
bekend |
bekend |
922,80 |
33% |
Overzicht 52. Financiële voortgang structuurfondsen in Nederland, uitgaande van de EU-bijdrage (in miljoenen euro’s)
EU-bijdrage |
EU-bijdrage cumulatief t/m 2004 |
EU-bijdrage cumulatief t/m 2005 |
|||||||
2000-2006* |
|||||||||
Gecom- |
Gerealiseerd Gedecom- |
Gecom- |
Gerealiseerd Gedecom- |
||||||
mitteerd |
mitteerd |
mitteerd |
mitteerd |
||||||
(€ en |
%) |
(€ en |
%) (€ en %) |
(€ en |
%) |
(€ en |
%) (€ en %) |
||
Flevoland |
131,92 |
106,23 |
81% |
60,96 |
46% 0 0% |
125,08 |
95% |
83,22 |
63% 0 0% |
Noord-NL |
356,60 |
249,28 |
69% |
115,62 |
32% 0,97 0,27% |
321,98 |
90% |
162,47 |
45% 9,248 2,60% |
Oost-NL |
147,96 |
81,02 |
55% |
49,78 |
34% 0,16 0,11% |
138,23 |
93% |
76,73 |
52% 1,65 0,44% |
Zuid-NL |
146,27 |
101,58 |
69% |
53,11 |
36% 0 0% |
118,73 |
81% |
81,14 |
55% 0 0% |
Steden |
208,00 |
160,00 |
77% |
76,00 |
37% 0 0% |
199,00 |
96% |
108,00 |
52% 0 0% |
ESF |
1 532,20 |
1 014,60 |
66% |
335,10 |
22% 294,30 19% |
1 786,50 |
117% |
606,20 |
40% 294,30 19% |
-
*Inclusief prestatiereserve.
De in de overzichten 51 en 52 genoemde budgetten zijn conform de recent (veelal in 2005) afgegeven beschikkingen van de Europese Commissie en zijn exclusief private middelen. We tonen dus de financiële voortgang/ uitputting van het publieke budget en niet die van het gehele programma. Het totaal aan werkelijke bestedingen door de eindbegunstigden en gecertificeerde uitgaven is de «realisatie». In zijn jaarverslag drukt het Agentschap SZW de feitelijke realisatie eveneens uit in het totaal aan voltooide projecten (financieel volume eindbeschikkingen). Ultimo 2005 was dat € 296,5 miljoen en ultimo 2004 € 202,3 miljoen.
Uit de overzichten blijkt dat het merendeel van de programma’s, met uitzondering van Noord-Nederland en ESF, ultimo 2005 meer dan 100% van het totale publieke budget hebben gecommitteerd. Voor de EU-bijdrage ligt dat voor de meeste programma’s, met uitzondering van ESF, nog onder de 100%. Vergeleken met 2004 is de committering van de meeste programma’s toegenomen. Ook de realisatiepercentages zijn voor de meeste programma’s toegenomen.
81 Algemene Rekenkamer, 2006b. Deze schatting is gebaseerd op diverse aannames waarvan de uitkomst nog onzeker is. programma zelf.
De committeringen in het ESF-programma (EU-bijdrage) zijn in 2005 met 27% toegenomen ten opzichte van 2004. Het totaal aan committeringen van € 1 786,5 miljoen per ultimo 2005 is exclusief de nog toe te kennen ESF-subsidie van aanvragen ingediend vlak voor de sluiting van het ESF-loket eind oktober 2005. Eind 2005 waren er nog aanvragen in behandeling voor een bedrag van € 1 051,6 miljoen. We lichten dit hieronder toe.
Sluiting ESF-loket
De minister van SZW heeft op 28 oktober 2005 bekendgemaakt dat aanvragen voor ESF-subsidies niet meer mogelijk waren vanwege de grote kans op uitputting van het beschikbare budget. In de dagen voorafgaand aan de sluiting steeg het aantal subsidieaanvragen sterk. In ons jaarlijkse rechtmatigheidsonderzoek over 2005 hebben wij vastgesteld dat de problemen voor een belangrijk deel werden veroorzaakt door tekortkomingen in de regelgeving (ontbreken van een subsidieplafond) en tekortschietende managementinformatie over de uitputting van het budget. Wij hebben in ons rapport bij het Jaarverslag 2005 van het Ministerie van SZW deze tekortkomingen aangemerkt als een onvolkomenheid in het beheer bij ESF3 (Algemene Rekenkamer, 2006b).
Er bestaat een risico van een forse overschrijding van het ESF3-budget die ten laste komt van de rijksbegroting. Deze overschrijding hebben wij voorlopig geschat op € 200 tot € 250 miljoen.81 De rechtbank van Amsterdam heeft op 7 juli 2006 in een beroepszaak geoordeeld dat de bekendmaking van de sluiting van het ESF-loket op 28 oktober 2005 niet rechtsgeldig is, waardoor de betreffende aanvragen tussen dat moment en 1 november 2005 alsnog in behandeling moeten worden genomen. De minister van SZW is in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak, maar dit is op 3 januari 2007 verworpen door de Raad van State. In ons rechtmatigheidsonderzoek over 2006 (te publiceren op 16 mei 2007) komen wij hier nog op terug.
Overleg over voortgang met Europese Commissie De Europese Commissie stelt zich via verschillende overleggen op de hoogte van de voortgang van de structuurfondsprogramma’s in de lidstaten. Bilateraal contact is er doordat de Commissie is vertegenwoordigd in de comités van toezicht (zie § 16.4.3). Daarnaast komen de programma’s aan de orde in het jaarlijks overleg met de lidstaten. Voor Nederland is dit laatste overleg in tweeën gedeeld: voor de doelstelling 1-en -2-programma’s is er een jaarvergadering met het DG Regio en voor ESF (doelstelling 3) is er een vergadering met het DG Werkgelegenheid.
In het jaarlijks overleg met het DG Regio (najaar 2005) over de doelstelling 1- en -2-programma’s is onder andere gesproken over de stand van zaken rond de afsluiting van programma’s uit de periode 1994–1999, de herziening van de programma’s naar aanleiding van de evaluaties (midtermevaluatie en update), de voortgang van de programma’s, inclusief de uitputting van de budgetten, en de voorbereiding op de nieuwe periode 2007–2013.
Het DG Regio ging in het overleg nadrukkelijk in op controleaspecten als: – de correcte toepassing van de regels rond openbare aanbesteding,
staatsteun, publiciteit en cofinancieringspercentages; – de hoge foutenpercentages die door de Europese Commissie in Nederland worden geconstateerd, ondanks het feit dat alle projecten minstens éénmaal waren gecheckt door de projectaccountant of het
Het DG Regio wees er verder op dat de nationale autoriteiten een belangrijke rol hebben te vervullen bij het ondersteunen van de regio’s en bij het toezicht op documenten die aan de Commissie worden gestuurd.
Het overleg met de Commissie over het ESF3-programma (doelstelling 3) in 2004 ging over de voortgang van het programma, zowel inhoudelijk (evaluaties) als financieel (betalingen). Ook is een door de Commissie uitgevoerde audit besproken. De Commissie deed ten slotte enkele aanbevelingen naar aanleiding van het jaarverslag over ESF3.
16.4.2 Controle
De Europese controleverordening 438/2001 schrijft diverse controles voor (Europese Commissie, 2001). In deze paragraaf komen de volgende controles aan de orde:
-
•Artikel 4-controle: dit is een controle die lidstaten moeten uitvoeren op projecten om te verifiëren dat goederen en diensten zijn geleverd, dat uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan en dat projecten zijn uitgevoerd volgens de voorwaarden zoals vastgelegd in artikel 4 van de verordening.
-
•5%-controle: dit is een steekproefcontrole die lidstaten moeten uitvoeren op het beheer van minimaal 5% van de ontvangen structuurfondsgelden, aan de hand van de controleaspecten die staan vermeld in artikel 10-11 van de verordening.
-
•Systeemcontrole: dit is een controle die lidstaten moeten uitvoeren ter verificatie van de effectiviteit van het beheer- en controlesysteem van projecten, zoals omschreven in artikel 10-11 van de verordening.
-
•Controles Europese Commissie: eigen controles van de Commissie die elk van de bovenstaande aspecten kunnen omvatten.
In overzicht 53 geven we per type controle aan in hoeverre deze bij de zes structuurfondsprogramma’s die in Nederland lopen wordt uitgevoerd, welk bedrag is gecontroleerd en of er gerapporteerd wordt over de resultaten van de controles. Het overzicht geeft ook aan in welke mate er inzicht bestaat in deze aspecten.
Overzicht 53. Controles bij de zes structuurfondsprogramma’s in Nederland (2004–2005)
Onderdeel
Indicatoren
Informatie in 2004?
Waarde 2004
Informatie in 2005?
Waarde 2005
Artikel 4-controles
Gemiddeld aantal projecten gecontroleerd
Beperkt.
Gemiddeld gecontroleerd bedrag
Nee.
Rapportage over bevindingen
Nee.
74 in Noord-Nederland, 659 voor ESF.
Beperkt
Nee.
Nee.
82 in Noord Nederland, 981 voor ESF; 29 in deelprogramma van Zuid Nederland.
5%-controles
Gemiddeld aantal projecten gecontroleerd (met min-max)
Ja.
Gemiddeld gecontroleerd bedrag (met min-max)
Ja.
Gemiddeld gecontroleerd % (met min-max)
Ja.
Conclusie 5% controle
Deels.
6,2 (min 3, max 9)
Ja.
€ 17,7 miljoen (min € 4 miljoen, max € 60 miljoen).
Ja.
5,1% (min 1,8%, max 16,9%).
Ja.
4 van de 6 programma’s positief.
Ja.
6,6 (min 3, max 11).
6,3% (min 3,3%, max 13,2%).
2 van de 6 program ma’s positief.
Onderdeel |
Indicatoren |
Informatie in 2004? |
Waarde 2004 |
Informatie in 2005? |
Waarde 2005 |
Systeemaudits |
Aantal programma’s dat systeemaudits uitvoert |
Ja. |
5 van de 6 |
Ja. |
5 van de 6. |
Gemiddeld aantal |
5 van de 6 |
3,5 (min 0, max 11) |
5 van de 6 |
4 (min 0, max 11). |
|
uitgevoerde systeem- |
programma’s. |
programma’s. |
|||
audits (met min-max) |
|||||
Conclusie systeem- |
Deels |
4 van de 6 |
Deels. |
4 van de 6 |
|
audits |
programma’s positief. |
programma’s positief. |
|||
Controles |
Aantal programma’s |
Ja. |
2 |
Ja. |
2 |
Europese |
bezocht door |
||||
Commissie |
Commissie |
||||
Resultaten controles |
Ja. |
Commissie doet aanbevelingen voor verbetering. |
Deels. |
Commissie constateert onregelmatigheden en doet aanbevelingen voor verbetering. |
Bron: artikel 13-verslagen 2004 en 2005 van de zes Nederlandse structuurfondsprogramma’s.
We lichten het overzicht hieronder kort toe per type controle. In bijlage 7 zijn meer gedetailleerde overzichten opgenomen.
Artikel 4-controles
Wij hebben bij de ministeries informatie op geaggregeerd niveau opgevraagd over artikel 4-controles. De ministeries wisten echter niet in hoeverre deze controles werden uitgevoerd, noch wat de hoofdbevindingen daarvan waren.
Op programmaniveau wordt alleen in de jaarverslagen van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) en ESF3 gerapporteerd over artikel 4-controles. Dit betreft echter alleen het aantal uitgevoerde controles, niet het gecontroleerde bedrag en de resultaten van de controles. Het deeljaarverslag van een deelprogramma van Zuid-Nederland gaf in 2005 ook een overzicht van uitgevoerde controles.
5%-controles
Bij de afloop van de programma’s in 2008 moet per programma minimaal 5% van de bestedingen zijn gecontroleerd. De mate waarin de controles in 2004–2005 zijn uitgevoerd verschilt per programma. Vooral in ESF3 is een hoog percentage van de bestedingen gecontroleerd. De andere programma’s schommelen rond het minimaal verplichte percentage van 5%. Alleen Flevoland voldeed in 2005 niet aan de 5%-norm en zal in de komende jaren een inhaalslag moeten maken. Aangezien de komende jaren de uitgaven nog sterk zullen toenemen, zal de controle-inspanning navenant moeten toenemen.
Wat de bevindingen uit de 5%-controles over 2005 betreft: in NoordNederland zijn enkele fouten en onzekerheden naar voren gekomen rond voldoen aan de regels voor aanbestedingen en de subsidievoorwaarden. Ook in andere programma’s komt dit probleem terug. In Zuid-Nederland is de controle aanleiding voor een aantal kritische bevindingen, hoewel dit verschilt per deelprogramma. Bij ESF3 lag het foutenpercentage op 29,8% van de gecontroleerde gelden. In de overige rapportages worden geen foutenpercentages genoemd; ESF3 is daarmee aanmerkelijk transparanter dan de rest van de structuurfondsprogramma’s.
Systeemaudits
De systeemaudits worden doorgaans door de programma-accountant
uitgevoerd. In het ESF3-programma voeren zowel de auditdienst van het
Ministerie van SZW als de afdeling Interne Controle van het Agentschap SZW systeemaudits uit.
Bij de meeste programma’s zijn systeemaudits uitgevoerd. Het programma Oost-Nederland heeft hierover in 2004–2005 echter niet gerappor-teerd.82 Het programma Flevoland verstrekt in het artikel 13-verslag over 2005 aanmerkelijk meer informatie over de systeemaudits en de bevindingen daarbij dan in 2004; er wordt inhoudelijk gerapporteerd over aantal en aard van de systeemaudits. In het artikel 13-rapport van het programma ESF3 staat dat er wel systeemaudits zijn uitgevoerd, maar er worden geen bevindingen besproken. De rapportage over het programma Noord-Nederland geeft inzicht in de bevindingen van de systeemaudits, maar het blijft onduidelijk hoeveel er in 2005 zijn uitgevoerd. Het programma Zuid-Nederland doet in het rapport over 2005 meer systematisch verslag over bevindingen per audit per subregio dan in 2004. Het rapport van Stedelijke Gebieden Nederland ten slotte, bericht uitgebreid over systeemaudits per stad, hoewel de rapportage qua vorm en inhoud wisselt per stad, vanwege de decentrale opzet van het programma.
Controlemissies Europese Commissie
De Europese Commissie heeft in de jaren 2004–2006 gemiddeld bij twee Nederlandse structuurfondsprogramma’s per jaar controles uitgevoerd. In de periode 2000–2003 heeft de Commissie geen controles uitgevoerd, afgezien van de zogeheten preventieve audits.83
Overzicht 54. Controlemissies Europese Commissie 2004–2006
2004
2005
2006
Zuid-Nederland ESF3
Zuid-Nederland
Stedelijke Gebieden Nederland
Noord-Nederland Oost-Nederland Flevoland (ESF-deel)
82 In de paragraaf «Systeemaudits» van het artikel 13-rapport worden controles genoemd die daar niet toe behoren, zoals de controle door projectaccountants.
83 Controles van de Europese Commissie naar programma’s uit de periode 1994–1999 blijven hier buiten beschouwing.
Tussen 2004 en 2006 heeft de Europese Commissie alle doelstelling 2-programma’s en het doelstelling 3-programma bezocht voor systeem-audits en/of projectcontroles. Bij het ESF-programma maakte de Commissie in 2005 kritische opmerkingen over onder meer de verstrekking van subsidies met terugwerkende kracht (Algemene Rekenkamer, 2006a, § 16.4.1).
In 2005 en 2006 heeft de Commissie een aantal ernstige tekortkomingen gesignaleerd in de EFRO-programma’s (Noord-, Oost- en Zuid-Nederland, Stedelijke Gebieden Nederland). Het betrof tekortkomingen van systematische aard in de systemen voor artikel 4-controles, de certificering van uitgaven en de 5%-controles (Meadows, 2006).
De geconstateerde fouten – waarbij gedacht kan worden aan fouten bij toepassing van aanbestedingsprocedures – leiden ertoe dat de Commissie stelt geen redelijke zekerheid te hebben over de effectiviteit van de Nederlandse beheer- en controlesystemen van de EFRO-programma’s. De ernst van de tekortkomingen en de hoge foutenpercentages zouden volgens de Commissie kunnen leiden tot een voorbehoud in het jaarlijkse activiteitenverslag van het DG Regio over 2006 en, in uiterste geval, tot stopzetting van betaling.
Specifieke fouten worden niet genoemd in de brief; deze worden afzonderlijk aan de betreffende programma’s medegedeeld. Sommige van de geconstateerde fouten worden overigens door de Commissie aangemerkt als «voorlopig», omdat er nog discussie over plaatsvindt tussen het Ministerie van EZ en de Commissie, maar dit zal volgens de Commissie geen invloed hebben op de eindconclusies.
De Commissie stelt voor dat een actieplan wordt opgesteld waarin de zwakheden en de daaruit voortvloeiende risico’s worden aangepakt.84
De staatssecretaris van EZ heeft de Tweede Kamer op 23 oktober 2006 schriftelijk ingelicht over de gerezen problemen en voorgestelde oplossingen. Zij geeft in haar brief aan dat er inderdaad problemen zijn met de uitvoering van controles op programmaniveau en dat aan een verbeterplan wordt gewerkt (Ministerie van EZ, 2006e). De staatssecretaris schrijft ook dat Nederland een principieel verschil van mening heeft met de Commissie over aanbesteden, hetgeen ten grondslag ligt aan een deel van problemen die de Commissie signaleert.
16.4.3 Toezicht
In het toezicht op de Nederlandse structuurfondsprogramma’s staan twee toezichtsinstrumenten centraal:
-
•het comité van toezicht (CvT), dat toeziet op de algehele voortgang in de uitvoering;
-
•de auditdiensten van de betrokken ministeries, die reviews uitvoeren op de accountantsverklaringen van de programma-accountants.
In overzicht 55 geven we voor beide toezichtsinstrumenten aan welke activiteiten er in de periode 2004-2005 zijn verricht bij de zes structuurfondsprogramma’s die in Nederland lopen. Het overzicht geeft ook aan in welke mate er informatie beschikbaar is over deze toezichtsactiviteiten.
Overzicht 55. Toezicht bij zes structuurfondsenprogramma’s in Nederland (2004–2005)
Onderdeel
Indicatoren
Informatie over 2004?
Waarde 2004
Informatie over 2005?
Waarde 2005
Werkzaamheden comités van toezicht
Aantal CvT’s betrokken bij opstelling artikel 13-rapport
Deels.
4 van de 6
Deels.
Aantal CvT’s betrokken bij opstelling Jaarverslag
Ja.
6 van de 6
Grotendeels.
Gemiddeld aantal vergade- Ja.
ringen CvT per kalenderjaar (met min-max)
2,7 (min 1, max 5)
Ja.
Aantal CvT’s waarvan notulen vergaderingen bij jaarverslag gevoegd
Ja.
2 van de 6
Ja.
4 van de 6
5 van de 6
3 (min 1, max 8)
2 van de 6
Reviews door auditdiensten ministeries
Gerealiseerde capaciteit voor reviews, afgezet tegen geplande capaciteit
Beperkt.
Te beperkt om waarde te geven.
Beperkt.
Aantal gerealiseerde reviews afgezet tegen gepland/voorgeschreven aantal reviews
Ja.
4 van de 14 – EZ/LNV 3 van de 4 – BZK 0 van de 9 – SZW 1 van de 1
Ja.
Te beperkt om waarde te geven.
5 van de 14 – EZ/LNV 4 van de 4 – BZK 0 van de 9 – SZW 1 van de 1
Bron: artikel 13-verslagen en uitvoeringsjaarverslagen 2004 en 2005 van de zes Nederlandse structuurfondsprogramma’s.
Hierna lichten we de toezichtsactiviteiten van de CvT’s en de departementale auditdiensten toe; voor meer gedetailleerde overzichten verwijzen wij naar bijlage 6.
84 In de brief van de Commissie wordt ook ingegaan op het BTW-compensatiefonds. Zie
hiervoor § 17.3.1.
Comités van toezicht
Voor elk programma is een CvT ingesteld, dat toezicht houdt op de uitvoering van het programma. In het CvT hebben de beheersautoriteit, regionale overheden, de relevante ministeries, sociale partners en andere
belanghebbenden zitting. De Europese Commissie heeft in de periode
2000–2006 een adviserende stem in het CvT.
Onderwerpen die de comités bespreken zijn de voortgang van het
programma (financieel en inhoudelijk); de uitputting van het budget
(conform de N+2-regel85, de jaarstukken, evaluaties en wijzigingen in het
enkelvoudig programmeringsdocument (zoals budgetverschuivingen) of
het programmacomplement. Verder wordt gesproken over problemen
rond aanbesteding, staatssteun en subsidievoorwaarden.
Het CvT komt doorgaans tweemaal per jaar samen. Het CvT van het
ESF-programma komt aanmerkelijk vaker bijeen. De CvT’s van sommige
programma’s (onder andere die van Stedelijke Gebieden Nederland en
Nederland-Noord) hebben ook nog schriftelijke overlegrondes en andere
overleggen op ambtelijk niveau (Stedelijke Gebieden Nederland).
Bij het programma Flevoland stelt het CvT het artikel 13-verslag een half
jaar na indiening (op 30 juni) bij de Commissie vast. Wij zijn van oordeel
dat het CvT door dit late moment beperkt is in het uitoefenen van effectief
toezicht.
85 De N+2-regel betekent dat jaarbudgetten binnen twee jaar moeten zijn besteed, anders komen ze automatisch te vervallen.
86 Bij het centraal georganiseerde ESF3 is de auditdienst de programma-accountant; deze reviewt jaarlijks de werkzaamheden van de afdeling Interne Controle van het Agentschap SZW.
87 Aan deze vertraging lagen diverse oorzaken ten grondslag, zoals late contractering van de accountant door de provincie Flevoland en problemen bij de controle, leidend tot een afkeurende verklaring over 2002. Zie EU-trend-rapport 2006 (Algemene Rekenkamer, 2006a), § 16.4.1).
Reviews
Bij een review op de accountantscontrole wordt nagegaan of de programma-accountant een deugdelijke grondslag voor zijn oordeel (de accountantsverklaring) heeft en of het ministerie kan steunen op de uitkomsten van zijn controle. Reviews vormen een belangrijk toezichts-instrument voor de ministeries.86
De auditdiensten van de Ministeries van EZ en LNV voerden in 2004 en 2005 het aantal reviews uit zoals gepland, met uitzondering van de review op het programma Flevoland: deze kon niet op tijd plaatsvinden omdat de programma-accountant zijn verklaringen met grote vertraging uitbracht.87 Opgemerkt moet worden dat er een grote tijdspanne zit tussen het rapport van de review en het jaar waarop deze betrekking heeft. Dit staat een snelle benutting en eventuele bijsturing op programmaniveau in de weg en bemoeilijkt adequaat toezicht.
Positief is de snelheid waarmee de auditdienst van het Ministerie van SZW jaarlijks rapporteert over de ESF3-review. Dit bevordert een effectief toezicht door het ministerie.
Verder bleek dat de auditdienst van het Ministerie van BZK in de periode 2000–2006 voor het programma Stedelijke Gebieden Nederland geen reviews heeft uitgevoerd op de (negen) gemeentelijke accountants van de (elf) deelprogramma’s. Deze jaarlijkse reviews zijn wel voorgeschreven in het controleprotocol van het programma (Ministerie van BZK, 2003). De auditdienst geeft jaarlijks accountantsverklaringen af bij het jaarverslag en de artikel 13-rapportage van het programma als geheel, waarbij wordt gesteund op onderliggende accountantsverklaringen op stedelijk niveau. Juist in deze constructie is het van belang dat de auditdienst zich verzekert van de betrouwbaarheid van deze deelverklaringen.
16.4.4 Verantwoording
De beheersautoriteiten van de zes structuurfondsprogramma’s die in Nederland lopen, leggen jaarlijks aan de Europese Commissie verantwoording af (a) over de werking van de beheer- en controlesystemen (in het artikel 13-rapport), en (b) en de uitvoering van de programma’s (in het jaarlijks uitvoeringsverslag).
Overzicht 56 toont in hoeverre deze beide verantwoordingsdocumenten over de periode 2004–2005 hebben voldaan aan de daarvoor geldende vereisten. Het overzicht geeft ook aan in welke mate er informatie beschikbaar is over deze verantwoordingsaspecten.
Overzicht 56. Verantwoording in de artikel 13-rapporten en jaarverslagen van de zes structuurfondsprogramma’s in Nederland (2004–2005)
Indicatoren |
Informatie over 2004? |
Waarde 2004 |
Informatie over 2005? |
Waarde 2005 |
Artikel 13-verslag |
||||
Tijdigheid indiening artikel 13-verslag bij Europese Commissie |
Ja. |
4 van de 6 |
Ja. |
5 van de 6 |
Beoordeling schriftelijk commentaar teruggekoppeld door Europese Commissie? |
Ja. |
6 van de 6 |
Nog niet bekend. |
- |
Accountantsverklaring aanwezig? |
Ja. (nvt ESF) |
alle |
Ja. (nvt ESF) |
alle |
Aandacht voor 5%-controles? |
Ja. |
alle |
Ja. |
alle |
Aandacht voor systeemcontroles? |
Ja. |
4 van de 6 |
Ja. |
5 van de 6 |
Aandacht voor opvolging aanbevelingen uit vorig artikel 13-verslag |
Ja. |
alle |
Ja. |
alle |
Aandacht voor aan te brengen verbeteringen in beheer- en controlesystemen |
Ja. |
alle |
Ja. |
5 van de 6 |
Uitvoeringsjaarverslag |
||||
Tijdigheid indiening Jaarverslag |
Ja. |
3 van de 6 |
Ja. |
3 van de 6 |
Jaarverslag goedgekeurd door Europese Commissie |
Ja. |
1 van de 6 |
Nee. |
- |
Goedkeurende accountantsverklaring bij financiële tabellen |
Ja. (nvt bij ESF) |
4 van de 5 1 met beperking |
Ja. (nvt bij ESF) |
4 van de 5 1 met beperking |
Hieronder volgt een toelichting op de bevindingen uit het overzicht; voor achtergrondgegevens verwijzen we naar bijlage 6.
Artikel 13-verslag
-
•Formele eisen
Met het artikel 13-verslag leggen de beheersautoriteiten van de structuurfondsprogramma’s verantwoording af over de werking van de systemen van beheer en controle. In het verslag moet worden ingegaan op de uitvoering van de voorgeschreven systeemcontroles en 5%-controles. De beheersautoriteiten van alle programma’s hebben in 2004 en 2005 een artikel 13-verslag ingediend bij de Europese Commissie. De Commissie hanteert als eis dat deze rapportage vóór 1 juli moet worden ingediend. In 2004 was dit het geval voor vier van de zes programma’s. De andere twee programma’s dienden de rapportage in de maand juli in, dus met enige vertraging. In 2005 dienden vrijwel alle programma’s de rapportage op tijd in bij de Commissie. Alleen de rapportage over ESF3 werd met een vertraging van anderhalve week ingediend bij de Commissie.
-
•Beoordeling door Europese Commissie
In 2005 heeft de Commissie - volgens opgave van het Ministerie van EZ -aan de beheersautoriteiten van alle programma’s haar reactie op de artikel 13-rapportage over 2004 teruggekoppeld. Wij ontvingen slechts één reactie: de Commissie was op grond van de ingediende rapportage van oordeel dat de controle- en beheersystemen op hoofdlijnen naar behoren werkten. Wel formuleerde de Commissie enkele aanbevelingen.
-
•Accountantsverklaring
Nederland heeft er in de huidige structuurfondsperiode voor gekozen om, aanvullend op de uitvoeringsbepalingen van de Commissie, verplicht te stellen dat bij het artikel 13-verslag van de doelstelling 1- en -2-program-ma’s een accountantsverklaring wordt afgegeven. Hierin verklaart de programma-accountant dat de artikel 13-rapportage voldoet aan de in de verordening gestelde eisen.
In 2004 en 2005 heeft de accountant bij vrijwel alle structuurfondsprogramma’s deze verklaring opgesteld. In 2004 blijkt de verklaring voor twee programma’s echter pas te zijn opgesteld na 30 juni (Flevoland en Oost in de maand juli).
-
•5%-controles
In alle artikel 13-verslagen over 2004 en 2005 is een vaste paragraaf opgenomen over de uitvoering van de verplichte 5%-controles. In alle rapportages wordt gerapporteerd hoeveel controles er in het jaar zijn uitgevoerd, wat het financieel belang van de gecontroleerde projecten was en wat de belangrijkste controlebevindingen waren (bijvoorbeeld geconstateerde onregelmatigheden). Op basis van de bevindingen evalueren de beheersautoriteiten vervolgens of er aanpassingen noodzakelijk zijn in de beheer- en controlesystemen. In 2004 concludeerden de beheersautoriteiten van alle programma’s dat de uitkomsten van de 5%-controles geen tekortkomingen aantoonden in de werking en effectiviteit van de beheer- en controlesystemen. Het jaar 2005 gaf hetzelfde beeld te zien, behalve bij het programma Stedelijke Gebieden Nederland. In tegenstelling tot 2004 werden in de rapportage over 2005 voor dit programma geen expliciete conclusies getrokken over de werking van de beheer- en controlesystemen.
-
•Systeemcontroles
Vast onderdeel van alle artikel 13-rapporten is de paragraaf over systeemcontroles. Daarin moet gerapporteerd worden over de opzet en uitvoering van deze controles en de consequenties die aan de bevindingen van deze controles worden verbonden.
In alle artikel 13-rapportages is deze paragraaf opgenomen. Hieruit blijkt dat de meeste programma’s in beide jaren systeemaudits hebben uitgevoerd. Alleen bij het programma Oost-Nederland zijn in 2004 en 2005 geen systeemaudits uitgevoerd. En bij het programma Flevoland wordt in de artikel 13-rapportage 2004 over verschillende soorten controles gerapporteerd, maar niet over systeemaudits.
Voor de andere programma’s geldt dat de paragraaf over dit onderwerp goed inzicht geeft in de opzet van de controles (selectiemethode, aantallen en onderwerpen). Ook blijkt uit de meeste artikel 13-rapportages welke consequenties de beheersautoriteiten verbinden aan de bevindingen van de systeemaudits. In de meeste gevallen is de (hoofd)conclusie dat de controles geen financiële consequenties hebben. Ten slotte melden alle beheersautoriteiten in de artikel 13-rapportage welke maatregelen zij hebben getroffen om de met de systeemcontroles ontdekte aandachtspunten aan te pakken.
-
•Opvolging aanbevelingen eerdere audits
In alle artikel 13-rapportages wordt aandacht geschonken aan de opvolging van de aanbevelingen uit eerdere audits - een door de Europese Commissie verplicht gesteld onderwerp. Er zijn wel verschillen tussen de programma’s in de mate waarin zij hierover meer of minder gedetailleerd rapporteren. Dit loopt uiteen van het verantwoording afleggen over de opvolging van concrete maatregelen tot het globaal aangeven dat er een audit is uitgevoerd naar een bepaald onderwerp en dat er aandacht bestaat voor de opvolging van aanbevelingen.
-
•Verbeteringen in beheer- en controlesystemen
In vrijwel alle artikel 13-rapportages is een vaste paragraaf opgenomen over verbeteringen in het beheer- en controlesysteem. Deze paragrafen geven een overzicht van doorgevoerde en voorgenomen wijzigingen.
Uitvoeringsjaarverslag
De beheersautoriteiten moeten jaarlijks een uitvoeringsjaarverslag opstellen om de Commissie te informeren over de uitvoering en voortgang van het programma. De Commissie koppelt binnen twee maanden na ontvangst van het jaarverslag een advies terug aan de lidstaat, als zij vindt dat het verslag bevredigend is. Op basis van de beschikbare informatie is bekend dat de Commissie in 2004 één jaarverslag heeft goedgekeurd.
De meeste accountantsverklaringen bij de jaarverslagen over 2005 zijn goedkeurend. De accountants van de programma’s Flevoland en Oost-Nederland geven een korte toelichting bij de (goedkeurende) accountantsverklaring, die verder geen afbreuk doet aan het oordeel. In Zuid-Nederland is in 2005 net als in 2004 een accountantsverklaring met beperking afgegeven. De accountant heeft: «... geconstateerd dat de aard van de bedrijfsactiviteiten en de omvang van de organisatie de interne organisatie niet op economisch verantwoorde wijze zodanig kan worden ingericht dat door accountantscontrole op rationele wijze de vereiste zekerheid kan worden verkregen over de rechtmatigheid van de verantwoorde projectkosten.» Als gevolg hiervan kan bij controle van de afrekening van deze projecten «niet de vereiste zekerheid [...] worden verkregen» (Stimulus, 2006).
16.4.5 Externe audits
Zoals vermeld (zie § 16.3.4) wordt de keten uitvoering-controle-toezicht-verantwoording afgesloten met de externe audits van de Europese Rekenkamer en de Algemene Rekenkamer. Op het gebied van de structuurfondsen zijn de volgende rekenkameronderzoeken uitgevoerd waarin ook Nederland betrokken was.
Overzicht 57. Audits Europese Rekenkamer en Algemene Rekenkamer
2004
2005
2006
Europese Rekenkamer
ESF3 – «Bestrijding voortijdig schoolverlaten» (Europese Rekenkamer, 2006c).
Evaluaties achteraf van de programma’s voor de doelstellingen 1 en 3 (Europese Rekenkamer, 2006d).
Algemene Rekenkamer
Audit trail en 5%-controles bij de programma’s Flevoland, OostNederland, en Stedelijke Gebieden Nederland (Algemene Rekenkamer, 2005a)
Rechtmatigheid besteding structuurfondsen (Algemene Rekenkamer, 2004)
Recht- en doelmatigheid besteding
structuurfondsen
(Algemene Rekenkamer, 2005a)
Recht- en doelmatigheid besteding
structuurfondsen
(Algemene Rekenkamer, 2006a)
De Europese Rekenkamer heeft in de jaren 2004–2006 twee onderzoeken gedaan waarbij verscheidene lidstaten – waaronder Nederland – betrokken waren. Daarmee is Nederland in de laatste jaren maar in beperkte mate onderdeel geweest van de controles van de Europese Rekenkamer op het gebied van de structuurfondsen.
De Algemene Rekenkamer heeft in 2004 onderzoek gedaan naar de audit trail en de 5%-controles; wij hebben daarover gerapporteerd in het EU-trendrapport 2005 . In 2006 hebben wij onderzoek gedaan naar het systeem van opsporing, registratie en melding van onregelmatigheden. De resultaten daarvan zijn opgenomen in dit EU-trendrapport (zie § 17.4).
16.5 Intern beleid
Het interne beleid van de EU wordt in de lidstaten uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Europese Commissie zelf. Voor de projectvoorstellen in het kader van specifieke programma’s binnen het interne beleid die in aanmerking komen voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap sluit de Europese Commissie contracten af waarin de rechten en de verplichtingen van alle deelnemers zijn vastgelegd. Dit betreft in het bijzonder de voorzieningen voor de inhoudelijke en financiële contractsuitvoering en de controle daarop. De Nederlandse ministeries zijn hierbij niet direct betrokken, tenzij ze zelf contractpartij zijn. Op alle terreinen van het intern beleid is tevens nationaal beleid ontwikkeld.
In het EU-trendrapport 2006 hebben we een overzicht gegeven van de informatie die tot en met 2004 beschikbaar was over de beheer- en controlesystemen van de intern-beleidprogramma’s die voor Nederland relevant zijn. In deze paragraaf geven we voor 2005 - alleen als nieuwe informatie beschikbaar is - een actualisering van deze informatie.
16.5.1 Uitvoering intern beleid
Zesde Kaderprogramma
Het Zesde Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP6) is het belangrijkste EU-instrument voorfinanciering van onderzoek in Europa. Gedurende de looptijd van KP6 (2002-2006) is EU-breed in totaal € 17,5 miljard beschikbaar voor onderzoek en technologische ontwikkeling.
Uit cijfers van de Europese Commissie bleek in 2005 dat Nederlandse deelnemers aan KP6 betrokken zijn bij 1380 van de 26 173 projecten. De financiële bijdrage van de EU aan Nederlandse projecten exclusief de zogenaamde «networks of excellence» bedraagt € 335,3 miljoen.88
Trans-Europese netwerken
In Hoofdstuk XII van het EG-verdrag hebben de lidstaten zich verplicht om
bij te dragen aan de ontwikkeling van trans-Europese netwerken (TEN’s)
op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en energie-infrastructuur.
Zie voor een omschrijving van deze programma’s het EU-trendrapport
2006.
-
•TEN-telecom (eTEN)
Het Nederlandse Ministerie van EZ heeft geen informatie over de daadwerkelijke uitbetalingen van de Europese Commissie aan Nederlandse partijen op het gebied van eTEN. Lidstaten hebben volgens het ministerie geen bemoeienis met de betalingen van subsidies. De enige bemoeienis bestaat bij directe contractonderhandelingen als een project vast dreigt te lopen.
88 Zie Europese Commissie (2005d). De peildatum is 11 maart 2005; de cijfers betreffen contracten met status «signed», «final» of «validated». De «networks of excellence» zijn netwerken waarin tientallen tot honderden vertegenwoordigers van kennisinstellingen en ondernemingen tot een duurzame onder-zoekssamenwerking komen.
-
•TEN-energie (TEN-E)
Het Nederlandse Ministerie van EZ gaf aan geen informatie te hebben
over TEN-E-bestedingen in Nederland.
Ter aanvulling hebben we het DG Energie en Vervoer van de Europese
Commissie benaderd met de vraag of men een lijst van Nederlandse
ontvangers van TEN-gelden kon verschaffen met daarbij de financiële
gegevens. Hieruit bleek het volgende.
Overzicht 58. TEN-E ontvangsten in Nederland (in miljoenen euro’s)*
TEN-E** |
2004 |
2005 |
||
verplichting |
RAL*** |
|||
Financiële steun aan projecten van gemeenschappelijk belang van het trans-Europese energienetwerk |
0 |
0,363 |
0,363 |
|
Totaal |
0 |
0,363 |
0,363 |
-
*Dit betreft de financiële steun aan één eindbegunstigde. Het EU-trendrapport 2006 vermeldde voor het jaar 2005 een RAL van € 0,353 miljoen. Dit betrof financiële steun aan twee andere eindbegunstigden.
** Het gaat hier om projecten waarvan een Nederlands ministerie of een Nederlandse onderneming de rechtstreekse begunstigde is. Het omvat niet de onderzoeksprojecten waaraan een Nederlandse onderneming deelneemt als partner.
*** Reste à liquider; betreft het openstaand saldo.
Bron: Europese Commissie, Directoraat-generaal Energie en Vervoer (juni 2006)
-
•TEN-transport (TEN-T)
Het Ministerie van VenW heeft inzicht in het beheer en de controle van het TEN-T-programma in Nederland, voor zover deze door het ministerie worden besteed aan bijvoorbeeld de grote projecten HSL-Zuid en Betuweroute.
Het Ministerie van VenW houdt geen overzicht bij van de betalingen aan Nederland in het kader van TEN-T. Op ons verzoek heeft het ministerie een overzicht voor 2005 samengesteld. Deze informatie is in overzicht 59 vervat. Het betreft vooral subsidies die door het ministerie zelf (of Rijkswaterstaat) zijn ontvangen.
Overzicht 59. TEN-T-ontvangsten in Nederland in 2004 en 2005 (in duizenden euro’s)
TEN-T -project
2004
2005
HSL-Zuid
Aanleg kruising van de HSL en de A4
Boortunnel
Civiele werken tussen Heerjansdam en Lage Zwaluwe
HSL-Zuid
Contract Noord-Holland Noord
Rotterdam Centraal Station
HSL-Zuid totaal
Betuweroute
Betuweroute: Botlek spoortunnel Betuweroute: Sophia spoortunnel Betuweroute: A15-lijn Betuweroute totaal
Overige
Utrechtboog (spoorverbinding Schiphol-Utrecht) TEAMS – Port Infolink Modernisering IVS 90 Hanzelijn
4 398 |
|
10 800 |
3 200 |
2 400 |
#9 000 |
***-3 735 |
|
#3 600 |
|
1 600 |
|
17 598 |
17 400 |
*751 |
|
9 600 |
1 709 |
#16 100 |
|
10 351 |
17 809 |
1 200 |
300 |
723 |
723 |
**341 |
|
1 000 |
TOTAAL31 194
35 232
-
*Het oorspronkelijk toegekende subsidiebedrag werd met € 1 648 868 verlaagd wegens te lage subsidiabele uitgaven. De subsidie zou met de gedane uitgaven boven het maximale subsidiepercentage uitkomen.
** Het oorspronkelijk toegekende subsidiebedrag werd met € 158 699 verlaagd wegens te lage subsidiabele uitgaven. De subsidie zou met de gedane uitgaven boven het maximale subsidiepercentage uitkomen.
*** Betreft terugbetaling als gevolg van audit van de Europese Commissie van een 1999-project.
Bron: Ministerie van VenW.
# De posten met een # zijn bewerkt door de Algemene Rekenkamer.
Wij hebben het DG Energie en Vervoer van de Europese Commissie gevraagd of deze een lijst van Nederlandse ontvangers van TEN-gelden kan verschaffen met daarbij de financiële gegevens. Het DG heeft in aanvulling op de eerder door ons ontvangen gegevens voor de jaren 2003–2005, een overzicht gegeven van in Nederland in 2006 te ontvangen gelden.
Overzicht 60. Toegekende TEN-T-subsidies aan Nederlandse projecten (in miljoenen euro’s)*
TEN-T -project** |
2004 |
2005 |
2006 |
|||
verplichting |
RAL*** |
verplichting |
RAL*** |
verplichting |
RAL*** |
|
Financiële steun aan projecten van gemeen- |
||||||
schappelijk belang van het trans-Europese |
||||||
vervoersnetwerk: uitgaven voor administratief |
||||||
beheer |
0,739 |
0 |
0,523 |
0,196 |
- |
- |
Totaal |
0,739 |
0 |
0,523 |
0,196 |
- |
- |
Financiële steun aan projecten van gemeen- |
||||||
schappelijk belang van het trans-Europese |
||||||
vervoersnetwerk |
||||||
HSL |
10,500 |
6,300 |
17,000 |
10,200 |
- |
- |
Betuweroute |
15,000 |
9,000 |
- |
- |
- |
- |
Centrico |
- |
- |
12,223 |
6,695 |
6,223 |
6,223 |
Overig |
2,000 |
1,200 |
25,300 |
15,049 |
2,000 |
2,000 |
Totaal |
27,500 |
16,500 |
54,523 |
31,944 |
8,223 |
8,223 |
-
*Dit inhoud van dit overzicht is een bewerking door de Algemene Rekenkamer van de ontvangen informatie van de Europese Commissie.
** Het betreft hier de projecten waarvan een Nederlandse ministerie of een Nederlandse onderneming de rechtstreekse begunstigde is, en omvat
niet de projecten waaraan een Nederlandse onderneming deelneemt als partner. *** Reste à liquider; betreft het openstaand saldo. Bron: Europese Commissie, DG Energie en Vervoer (juni 2006).
Het Ministerie van VenW gaf aan over andere cijfers te beschikken. Voor het verschil tussen de cijfers van de Commissie en VenW hebben wij vooralsnog geen verklaring gevonden.
Natuur en milieu
EU-breed heeft het LIFE-programma in de periode 2000–2006 circa 1 030 natuur- en milieuprojecten financieel ondersteund.89 LIFE III zou oorspronkelijk lopen tot en met 2005, maar het programma werd met één jaar verlengd, met een begroting van € 317 miljoen. De verlenging was bedoeld om te voorkomen dat er een wettelijke leemte zou ontstaan tussen de sluiting van LIFE III eind 2004 en de aanvaarding van de nieuwe financiële perspectieven 2007–2013.
Het Ministerie van VROM heeft een overzicht verstrekt van zeven in 2005 gehonoreerde LIFE-milieuprojecten. De toegezegde EU-bijdrage bedraagt € 5,4 miljoen.
Evenals vorig jaar hebben wij informatie over aantallen projecten en ontvangsten opgevraagd bij het DG Milieu van de Europese Commissie. Het DG Milieu heeft een overzicht verstrekt van betalingen aan eindont-vangers van LIFE-gelden in 2005. Hieronder is een geaggregeerd overzicht weergegeven van projecten in Nederland.
89 Bron: http://europa.eu.int/comm/ environment/life/project/index.htm (website Europese Commissie), geraadpleegd op 25 augustus 2006.
Overzicht 61. LIFE-projecten in Nederland: aantal en ontvangsten (in miljoenen euro’s)*
LIFE |
2002 |
2003 |
2004 |
2005 |
Aantal LIFE-milieuprojecten Subtotaal ontvangsten Aantal LIFE-natuurprojecten Subtotaal ontvangsten |
10 6,591 1 1,306 |
12 6,859 **1 0,098 |
7 4,376 4 4,916 |
13 ***2,066 3 1,514 |
Totaalontvangsten |
7,897 |
6,957 |
9,292 |
3,580 |
-
*Volgens opgave van betalingen door de Europese Commissie, DG Milieu; gegevens zijn
bewerkt door de Algemene Rekenkamer. ** Dit is een LIFE-natuur-co-op-project, gericht op het uitwisselen van ervaring tussen
LIFE-natuurprojecten. *** Dit is inclusief een project dat leidt tot een negatieve betaling van € 16,049. Bron: Europese Commissie, DG Milieu.
Onderwijs
Voor een beschrijving van de programma’s Socrates en Leonardo da
Vinci, zie het EU-trendrapport 2006.
Om te achterhalen welke gelden in het kader van Socrates en Leonardo da
Vinci naar Nederlandse begunstigden zijn gegaan hebben wij informatie
opgevraagd bij de Europese Commissie (in casu het DG Onderwijs en
Cultuur) en het Nederlandse Ministerie van OCW.
Op basis van informatie van de Commissie staan in onderstaande twee
tabellen de in 2004 en 2005 toegekende subsidiebedragen vermeld. De
bedragen betreffen gelden die rechtstreeks door de Europese Commissie
aan Nederlandse projectuitvoerders worden verstrekt.90
Overzicht 62. Socrates: direct door de Europese Commissie toegekende subsidiebedragen aan Nederlandse projecten (in miljoenen euro’s)
Socrates
2004
2005
Comenius
Erasmus
Grundtvig
Lingua
Minerva
Observatie en innovatie
1,634 |
0,391 |
1,176 |
1,266 |
0,176 |
0,460 |
0,642 |
0,000 |
0,530 |
0,558 |
0,000 |
0,305 |
Totaal
4,158
2,980
Overzicht 63. Leonardo da Vinci: direct door de Europese Commissie toegekende subsidiebedragen aan Nederlandse projecten (in miljoenen euro’s)
Leonardo da Vinci |
2004 |
2005 |
Projecten in het kader van procedure C* |
0,178 |
0,285 |
Totaal |
0,178 |
0,285 |
-
*Projecten ter ontwikkeling en actualisering van communautair referentiemateriaal, thematische en gezamenlijke acties en projecten van Europese organisaties.
90 Het gaat hier dus niet om reeds gedane betalingen.
In de volgende overzichten zijn de indirecte subsidiebedragen vermeld voor Socrates en Leonardo da Vinci. Het betreft gelden die via Nederlandse intermediairs verstrekt worden aan Nederlandse projectuitvoerders.
Overzicht 64. Socrates en Leonardo da Vinci: via intermediairs toegekende subsidiebedragen aan Nederlandse projecten (in miljoenen euro’s)
Socrates
2004
2005
2006
Comenius 2,500 2,800 3,055
Erasmus 5,200 5,700 6,669
Grundtvig 0,420 0,460 0,515
Observatie van onderwijsstelsels, -beleid en -innovatie 0,082 0,084 0,087
Totaal |
8,202 |
9,044 |
10,326 |
Leonardo da Vinci |
2004 |
2005 |
*2006 |
Projecten in het kader van procedure A Projecten in het kader van procedure B |
3,300 2,300 |
3,900 **2,400 |
4,750 3,900 |
Totaal |
5,600 |
6,300 |
8,650 |
-
*Het vermelde bedrag bij Procedure B betreft raming wegens het ontbreken van beslissing
over de financiering voor projecten. ** Het vermelde bedrag betreft een verwachting; het selectieproces is nog niet beëindigd. Bron: Europese Commissie, DG Onderwijs en Cultuur (juni 2006).
Het Ministerie van OCW heeft de Algemene Rekenkamer een overzicht verstrekt van de EU-gelden die Nederlandse aanvragers via de nationale agentschappen hebben ontvangen voor de onderwijsprogramma’s Socrates II en Leonardo da Vinci II.
Overzicht 65. Socrates II, Leonardo da Vinci II: via intermediairs toegekende subsidiebedragen aan Nederlandse projecten (in miljoenen euro’s)
Socrates
Leonardo
Erasmus
Comenius
Grundvigt
Arion
Vb.CA
Aantal in 2005 lopende projecten Toegekende subsidies in euro’s Aantal in 2005 gestarte projecten Toegekende subsidies in euro’s Aantal in 2005 afgesloten projecten Feitelijke betalingen in euro’s
115 |
1 385 |
185 |
135 |
89 |
215 |
11 078 978 |
3 003 800 |
539 900 |
89 400 |
48 700 |
23 099 262 |
57 |
704 |
102 |
67 |
48 |
78 |
5 904 548 |
2 579 800 |
459 500 |
77 800 |
41 000 |
6 699 014 |
58 |
681 |
83 |
68 |
41 |
56 |
5 174 431 |
424 000 |
80 400 |
11 600 |
7 700 |
2 842 378 |
Cultuur
Financiële ondersteuning in het kader van het EU-programma Cultuur 2000 wordt rechtstreeks door de Europese Commissie aan projectuitvoerders verstrekt, zonder tussenkomst van een nationale intermediair. De Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA) vervult hierbij een ondersteunende en adviserende rol voor (potentiële) Nederlandse subsidieaanvragers.
Het Ministerie van OCW heeft desgevraagd laten weten geen informatie te hebben over welke gelden in het kader van Cultuur 2000 in Nederland zijn betaald.
Overzicht 66 hebben wij samengesteld op basis van gegevens die de Europese Commissie aan de Algemene Rekenkamer heeft verstrekt.
A
B
C
Overzicht 66. Cultuur 2000: toegekende subsidiebedragen aan Nederlandse projecten (in miljoenen euro’s)
Cultuur 2000
2003
2004
2005
Aantal eenjarige projecten Subtotaal
3 0,307
5 0,389
5 0,587
Aantal driejarige projecten Subtotaal
1 0,637
2 1,343
1 0,893
Totaal
0,944
1,732
1,480
Bron: Europese Commissie, DG Onderwijs en Cultuur (juni 2006)
16.5.2 Controle, toezicht en verantwoording
Over de hiervoor genoemde programma’s binnen het intern beleid zijn in 2005 geen nieuwe feiten bekend geworden op het gebied van controle, toezicht en verantwoording van de programma’s. Op basis van de bevindingen uit het EU-trendrapport 2006 kan worden gesteld dat informatie over beheer, controle en toezicht van deze programma’s vrijwel uitsluitend op EU-niveau beschikbaar is. In Nederland is deze informatie niet of nauwelijks voorhanden. Aangezien in Nederland op veel van deze beleidsterreinen zelf ook beleid maakt, kan dit leiden tot inefficiëntie en ineffectiviteit.
17 RECHTMATIGHEID BESTEDING EU-GELDEN IN NEDERLAND
Dit hoofdstuk gaat over de rechtmatigheid van de besteding van Europese subsidies in Nederland en van de Nederlandse afdrachten aan de EU. Analoog aan het EU-trendrapport 2006 hebben we bij onze beoordeling de volgende drie indicatoren gehanteerd: onregelmatigheden gemeld aan de Europese Commissie, financiële correcties door de Europese Commissie en eventuele fouten geconstateerd door de Europese Rekenkamer.91 We presenteren de rechtmatigheidsinformatie per hoofdstuk van de EU-begroting: de afdrachten aan de EU (eigen middelen) (§ 17.1); het landbouwbeleid (§ 17.2) en het structuurbeleid (§ 17.3). Daarna gaan we in op de resultaten van het Nederlandse deel van het onderzoek naar onregelmatigheden van de EU-werkgroep van nationale rekenkamers over onregelmatigheden (§ 17.4). We sluiten het hoofdstuk af met rechtmatigheids-informatie over het intern beleid (§ 17.5).
17.1 Afdrachten aan de EU
Informatie vanNederland
De accountantsdienst van het Ministerie van BuZa heeft bij de integrale controle van de «eigen middelen»-uitgaven (i.e. de Nederlandse afdrachten aan de EU) over 2005 geen onrechtmatigheden, onvolledigheden of onzekerheden vastgesteld (Ministerie van BuZa, 2006b). In het kader van de «eigen middelen»-uitgaven heeft Nederland naast de vaste 25% inningskostenvergoeding tevens een bedrag ontvangen van € 16,8 miljoen in verband met afdrachten van invoerrechten in het buitenland door Nederlandse bedrijven. In Europees verband is afgesproken dat in dergelijke gevallen de inningskostenvergoeding aan de «moederlidstaat» toekomt. Dit bedrag wordt echter niet vermeld in de jaaropgaaf van het Ministerie van Financiën of bevestigd door de auditdienst van dit ministerie. Daarom heeft de accountantsdienst van het Ministerie van BuZa dit bedrag als «onzeker» aangemerkt.
Informatie van de Europese Commissie
Bij de traditionele eigen middelen inNederland is het totaal aantal gemelde gevallen van onregelmatigheden van 2004 naar 2005 sterk toegenomen, van 514 naar 1729. De hoeveelheid geld die gemoeid is met de gemelde onregelmatigheden in Nederland is in dezelfde periode toegenomen met ruim € 17 miljoen naar bijna € 62 miljoen.
Overzicht 67. Onregelmatigheden en financiële correcties Nederlandse afdrachten aan EU, in miljoenen euro’s.
Afdrachten eigen middelen
2003
2004
2005
91 Het controleobject van de Europese Rekenkamer is de begroting van de Europese Commissie (en andere instellingen, organen en agentschappen). De onderzoeksgegevens van de Europese Rekenkamer lenen zich in beginsel niet voor algemeen representatieve uitspraken per lidstaat, gegeven de omvang van de gehanteerde steekproef en de benadering vanuit de hoofdstukken van de EU-begroting. De resultaten van onderzoek zijn daardoor soms meer «toevalstreffers». Met deze kanttekening geven we in dit hoofdstuk de beschikbare informatie van de Europese Rekenkamer weer.
Aantal onregelmatigheden
Financieel belang onregelmatigheden*
Waarde financiële correcties
507 |
514 |
1 729 |
60,7 |
44,2 |
61,9 |
onbekend |
onbekend |
Onbekend |
-
*Bedragen zijn afgerond.
Bron: Europese Commissie (2004b, 2005e, 2006j). Waar andere getallen zijn gebruikt is dit
aangegeven.
Nederland was in 2005 verantwoordelijk voor ruim 19% van het totaalbedrag van de gemelde onregelmatigheden bij de eigen middelen in de EU. Dat percentage is lager dan in 2004 (21,47%). Dit komt mogelijk doordat ook het totaalbedrag van de gemelde onregelmatigheden voor de eigen middelen in de EU sterk is toegenomen. Na het Verenigd Koninkrijk is Nederland het land met de meeste meldingen van onregelmatigheden.
De toename van het aantal onregelmatigheden in Nederland heeft te maken met een inhaalslag van «oudere» meldingen, onder andere bij de Douane, en met een gewijzigde organisatie bij de douanekantoren. Ook in 2004 constateerde de Commissie bij Nederland in vergelijking met andere lidstaten al relatief veel onregelmatigheden. Die hadden betrekking op douane-entrepots (customs warehousing arrangements), «vrij vervoer» (free circulation) en het in het vrije verkeer brengen van goederen en doorvoer (Europese Commissie, 2005e).
Informatie vande Europese Rekenkamer
De Europese Rekenkamer heeft in het kader van de betrouwbaarheids-verklaring over 2005 onderzoek gedaan naar de traditionele eigen middelen. Tevens is onderzoek gedaan naar de regeling communautair douanevervoer. In een brief aan de Algemene Rekenkamer van 29 juni 2006 geeft de Europese Rekenkamer haar voorlopige bevindingen van het controlebezoek weer (Europese Rekenkamer, 2006g). De Europese Rekenkamer constateert dat de opstelling van verklaringen over de traditionele eigen middelen een aantal maanden verkeerd is gegaan, waardoor te veel werd afgedragen aan de Commissie. Dit is later gecorrigeerd. Verder bleek dat er geen nationale instructies zijn voor de manier waarop ramingen moeten worden uitgevoerd van bedragen waarvan het onwaarschijnlijk is dat ze ingevorderd kunnen worden. Dit kan volgens de Europese Rekenkamer leiden tot onderlinge inconsistenties in de gegevens van verschillende douanediensten. Bij de douaneaangiften zelf constateerde de Europese Rekenkamer een aantal lacunes. Het onderzoek naar de regeling communautair douanevervoer liet zien dat de nasporingsprocedures bij vertrek (onderzoeken die tot doel hebben vast te stellen of het douanevervoer correct is beëindigd of dat er een douaneschuld is ontstaan) later zijn gestart dan de termijnen die daarvoor waren vastgesteld. Verder bleek invordering van douaneschuld na niet-afgewikkeld douanevervoer problematisch te zijn, en waren er verschillende gevallen waarin het kantoor van bestemming het douanevervoer ten onrechte had vrijgegeven.
In het Jaarverslag 2005 van de Europese Rekenkamer wordt wel aandacht besteed aan het bovengenoemde onderzoek, maar wordt Nederland verder niet genoemd.
17.2 Gemeenschappelijk landbouwbeleid
17.2.1 Informatie van Nederland
Accountantsverklaringen bij certificerende audits De betaalorganen die Europese landbouwsubsidies verstrekken aan Nederlandse eindbegunstigden, worden jaarlijks onderworpen aan een «certificeringsaudit». Zowel in 2004 als in 2005 resulteerde deze audit bij alle betaalorganen in een goedkeurende accountantsverklaring. Het gaat hierbij om een standaardverklaring waarin staat dat de opzet, het bestaan en de werking van de interne controle en de administratieve organisatie van het betaalorgaan een redelijke mate van zekerheid bieden dat de voor het EOGFL-begrotingsjaar ingediende rekeningen waarheidsgetrouw, volledig en nauwkeurig zijn. Ook staat in deze verklaringen dat de bij de afdeling Garantie in het begrotingsjaar ingediende rekeningen waarheidsgetrouw, volledig en nauwkeurig zijn.
Naar onze mening geven deze verklaringen geen oordeel over de rechtmatigheid van bestedingen op transactieniveau. De rekeningen zijn in 2005 door de Europese Commissie geaccepteerd.
Onregelmatigheden
Nederland meldde in 2005 voor de landbouwuitgaven in totaal 146 onregelmatigheden aan het antifraudebureau OLAF. De meldingen hadden tezamen een financieel volume van ruim € 2 miljoen.
Overzicht 68. Onregelmatigheden en financiële correcties gemeenschappelijk landbouwbeleid in Nederland
Gemeenschappelijk landbouwbeleid
2003
2004
2005
Aantal onregelmatigheden
Financieel belang onregelmatigheden*
Waarde financiële correcties
106 308 146
2 200 000 3700 000 2087 000
Onbekend 23443 525 1510 000
-
*Bedragen zijn afgerond.
Het totaal aantal onregelmatigheden is in 2005 gehalveerd in vergelijking met 2004. Ook het financieel belang dat is gemoeid met de onregelmatigheden is afgenomen. Het gemiddelde financiële belang per onregelmatigheid was in 2005 echter hoger dan in 2004.
De hoogte van de in 2005 door de Commissie opgelegde financiële correcties is vooralsnog onbekend. Wel is bekend dat het gaat om correcties op de volgende onderdelen; zie overzicht 69.
Overzicht 69. Financiële correcties gemeenschappelijk landbouwbeleid, opgesplitst naar onderdelen in 2004 en 2005
Reden
Bedrag (€) 2004*
Bedrag (€) 2005
Runderpremies Varkenspest
Exportrestituties runderen Overhead programmakosten Overschrijding betalingstermijn
1 037 614** |
onbekend |
20 291 540 |
onbekend |
1 064 627 |
onbekend |
147 127 |
onbekend |
763 843 |
onbekend |
TOTAAL
23 443 525
1 510 000
-
*Financiële correcties die door de Commissie zijn opgelegd in 2004 en begin 2005 en die zijn opgenomen in de vier syntheseverslagen van achtereenvolgens: 31-1-2004 DG-AGRI 60619-2004-NL-rev-1; 2-4-2004 DG AGRI 61701-2004-NL-rev1; 31-10-2004 DG AGRI 64 241– 2004-NL-rev1; en 15–2-2005 DG AGR-61234-2005-NL-rev1.
** Dit bedrag betreft een eerdere correctie, die in 2004 werd opgelegd.
Vorderingen
Bij hun jaardeclaratie moeten de betaalorganen ook aangeven wat op
15 oktober van het boekjaar de stand van zaken is rond de bedragen die zij
nog moeten terugvorderen van eindbegunstigden. Overzicht 70 geeft
daarvan een overzicht voor 2004 en 2005.
Overzicht 70. Terug te vorderen bedrag per 15 oktober (bron certificerende audits 2004 en 2005), in euro’s.
2004
2005
Productschap Zuivel
Dienst Laser
Dienst Landelijk Gebied
Productschap Vee en Vlees
Productschap Tuinbouw
Hoofdproductschap Akkerbouw
14 746 959 |
12 501 765 |
7 665 355 |
1 777 912 |
122 703 |
217 540 |
12 071 332 |
17 292 032 |
55 913 |
109 518, |
987 411 |
889 517 |
Totaal
35 649 673
32 788 284
Uit overzicht 70 blijkt dat het te vorderen bedrag bij vier van de zes betaalorganen aan het einde van boekjaar 2005 is toegenomen ten opzichte van 2004. Het terug te vorderen totaalbedrag is echter afgenomen met ruim € 4 miljoen. Een toelichting op deze ontwikkeling wordt niet gegeven in de certificerende audits of de begrotings- en verantwoordingsstukken van het Ministerie van LNV.
17.2.2 Informatie van de Europese Rekenkamer
In het kader van de betrouwbaarheidsverklaring over 2005 heeft de Europese Rekenkamer onderzoek verricht naar de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in Nederland. In een brief aan de Algemene Rekenkamer van 3 mei 2006 geeft de Europese Rekenkamer haar voorlopige bevindingen van het controlebezoek weer. In het onderzoek werden in totaal tien verrichtingen gecontroleerd. Vier daarvan vallen onder het beheer van de Dienst Regelingen, vijf onder het Productschap Tuinbouw, en één onder een betaalorgaan in België (in verband met mogelijke fouten bij de Nederlandse Douane). De voorlopige bevindingen wijzen op twee mogelijke materiële fouten en twee mogelijke formele fouten.
In zijn reactie heeft de minister van LNV aangegeven dat aanvullend onderzoek is gedaan naar de materiële fouten, en dat de subsidie voor beide projecten is verlaagd. Naar één van de twee mogelijke formele fouten heeft de Algemene Inspectiedienst een onderzoek ingesteld; op de andere fout heeft het Ministerie nog niet gereageerd.
17.3 Structuurbeleid
In deze paragraaf gaan we in op de rechtmatigheid van de bestedingen bij de structuurfondsprogramma’s die in Nederland worden uitgevoerd.92
Bij de jaarlijkse verantwoordingen (artikel 13-verslagen en jaarverslagen) worden accountantsverklaringen afgegeven, die doorgaans goedkeurend zijn. De inhoud van deze verklaringen wordt besproken in hoofdstuk 19 van dit EU-trendrapport.
17.3.1 Programma’s doelstellingen 1–3
92 Vanwege het geringe financiële belang en de zeer beperkt beschikbare informatie blijft het FIOV-programma hier buiten beschouwing.
Informatie uit Nederland
In overzicht 71 is voor 2004 en 2005 het aantal gemelde onregelmatigheden voor de zes belangrijkste structuurfondsprogramma’s in Nederland weergegeven, samen met hun financiële belang. Daarnaast is aangegeven voor welk bedrag financiële correcties zijn opgelegd. Overigens zijn
correcties niet noodzakelijk het gevolg van onregelmatigheden, zoals de gegevens over Flevoland laten zien.
Overzicht 71. Onregelmatigheden in 2004–2005 en hun financieel belang, financiële correcties voor de doelstellingen 1–3 (periode 2000–2006)
Programma |
2004 |
2005 |
||||
Aantal onregel- |
Financieel belang |
Waarde finan- |
Aantal onregel- |
Financieel belang |
Waarde financiële |
|
matigheden |
ciële correcties |
matigheden |
correcties |
|||
D1 Flevoland |
0 |
0 |
5 932 044 |
6 |
364 373 |
6 918 |
D2 Noord |
0 |
0 |
0 |
1 |
73 828 |
0 |
D2 Oost |
0 |
0 |
0 |
2 |
60 755 |
0 |
D2 Zuid |
2 |
129 712 |
onbekend |
8 |
3 144 198 |
onbekend |
D2 Steden |
1 |
853 787 |
0 |
2 |
456 333 |
0 |
D3 ESF |
42 |
3 997 100 |
924 097 |
40 |
4 900 000 |
0 |
Totaal |
45 |
59 |
Het totaal aantal gemelde onregelmatigheden bij de zes structuurfondsprogramma’s ligt in 2005 circa 27% hoger dan in 2004. Deze toename is vrijwel geheel op het conto te schrijven van het doelstelling 1-programma Flevoland en het doelstelling 2-programma Zuid-Nederland. Bij het ESF-programma is het aantal gemelde onregelmatigheden licht gedaald ten opzichte van 2004.
Volgens opgave van het Ministerie van EZ zijn er in 2005 voor de programmaperiode 2000–2006 zes onregelmatigheden gemeld voor het doelstelling 1-programma Flevoland.93 Vijf daarvan betroffen faillissementen. Hierdoor is terugvordering van het overgrote deel van het bedrag dat met de onregelmatigheden is gemoeid, onmogelijk. In het artikel 13-verslag wordt gemeld dat de 5%-controles niet hebben geleid tot melding van onregelmatigheden, en dat er geen financiële consequenties zullen zijn. De Algemene Rekenkamer vindt dit prematuur, aangezien bij één van de gecontroleerde projecten sprake is van onjuiste naleving van de aanbestedingsrichtlijnen. De conclusie in het verslag luidt hier: «Het is nog onduidelijk wat hiervan de financiële gevolgen zijn» (Provincie Flevoland, 2006, p. 20). Bij een ander project is geconstateerd dat € 100 000 is opgevoerd aan kosten die niet zijn betaald. De programma-accountant heeft over dit punt geen conclusie geformuleerd. Volgens de beheersautoriteit van het programma Flevoland is de € 100 000 in natura betaald.
93 Overigens werd in 2005 ook nog één onregelmatigheid gemeld die betrekking had op de programmaperiode 1994–1999.
94 Noord-Brabant is nog in onderhandeling met de Europese Commissie over deze onre-gelmatigheidsmeldingen, omdat men het niet eens is met alle bevindingen van de Commissie. Pas nadat de onderhandelingen zijn afgerond, wordt eventueel een te corrigeren bedrag vastgesteld.
Bij het doelstelling 2-programma Zuid-Nederland werden in 2005 in totaal acht onregelmatigheden geconstateerd. Dat gebeurde nadat het DG Regionaal Beleid van de Europese Commissie eind 2005 een controle uitvoerde bij dit programma. Het totale financiële belang van de onregel-matigheidsmeldingen bedraagt (inclusief Nederlandse cofinanciering) voorlopig ruim € 10,7 miljoen.94 De tot en met 2004 geconstateerde onregelmatigheden hadden alle betrekking op faillissementen. De acht nieuwe onregelmatigheden in 2005 hadden betrekking op fouten bij aanbestedingen, staatssteun en niet-subsidiabele kosten. In zowel het artikel 13-verslag over 2005 als het Jaarverslag 2005 worden deze onregelmatigheden niet genoemd. Het artikel 13-verslag laat wel zien dat in 2005 bij de 5%-controle bij verschillende projecten onzekerheden en problemen zijn geconstateerd. Geen van deze bevindingen is gemeld als een onregelmatigheid.
95
In de Rijksbegroting 2006, hoofdstuk G «BTW-compensatiefonds» is een garantstelling opgenomen van € 200 miljoen (verplichtingen) voor 2004 en van 100 miljoen voor elk van de jaren 2005 en 2006. In de Rijksbegroting 2007 is voor de jaren 2007–2011 een bedrag van € 45 miljoen per jaar opgenomen.
Bij het doelstelling 2-programma Stedelijke Gebieden Nederland loopt in verband met de in 2004 gemelde onregelmatigheid van € 853 787 (exclusief cofinanciering) nog een procedure om vast te stellen in hoeverre de melding als onregelmatigheid gegrond was. Pas daarna kan worden vastgesteld of en zo ja welke financiële correctie kan worden opgelegd.
Ook het totale financieel belang van de gemelde onregelmatigheden is sterk toegenomen. Dat ligt deels aan het ESF-programma, waar minder onregelmatigheden een hoger financieel belang vertegenwoordigden, maar vooral aan de geconstateerde onregelmatigheden bij het doelstelling 2-programma Zuid-Nederland.
In deel 2 van dit rapport hebben we aangegeven dat de Commissie in 2005 op basis van de N+2-regel voor € 285,9 miljoen aan toegewezen structuurfondskredieten voor het jaar 2002 heeft geannuleerd, waarvan circa € 92 miljoen (19%) betrekking had op Nederland. Circa 99,8% van de annuleringen betrof het ESF-programma in Nederland.
BTW-compensatiefonds
In de in § 16.4.2 aangehaalde brief van de Commissie (DG Regio) aan de Permanente Vertegenwoordiger van Nederland bij de EU van 8 september 2006, gaat de Commissie in op het probleem dat sommige gemeenten en provincies in het kader van EFRO-projecten BTW bij de EU declareren die nationaal al wordt gecompenseerd via het BTW-compensatiefonds. In het door Nederland op te stellen actieplan om de problemen rond het EFRO op te lossen, dient ook expliciet te worden gemaakt dat alle gedeclareerde BTW-uitgaven die worden gedekt door het BTW-compensatiefonds dienen te worden uitgesloten.
Wij hebben in het EU-trendrapport 2005 over deze kwestie gerapporteerd. Daarin hebben wij aangegeven dat er een risico bestaat dat in Brussel gedeclareerde BTW door Nederland moet worden terugbetaald indien reeds compensatie via het BTW-compensatiefonds heeft plaatsgevonden. Ook hebben wij gesteld dat de garantstelling die is afgegeven door de Ministeries van Financiën en EZ er alleen voor heeft gezorgd dat het financiële risico niet meer voor rekening van de programma’s komt maar voor de genoemde ministeries.95 Het financiële risico is dus niet verminderd maar alleen verplaatst van decentrale overheden naar het Rijk.
17.3.2 Communautaire initiatieven
In overzicht 72 is voor 2004 en 2005 het aantal gemelde onregelmatigheden voor de zes communautaire initiatieven weergegeven, samen met hun financiële belang. Daarnaast is aangegeven voor welk bedrag financiële correcties zijn opgelegd.
Overzicht 72. Onregelmatigheden en hun financieel belang, financiële correcties voor de communautaire initiatieven (2004–2005)
Programma
2004
2005
# onregel- Financieel Waarde #onregel- Financieel
matigheden belang financiële matigheden belang
correcties
Waarde financiële correcties
Urban II
Interreg IIIa / Euregio Maas-Rijn
Equal
Leader +
Interreg IIIb
Interreg IIIc
00000 ***00 4 42567 0 5 546 239
1 12104 12104 4 271 192
-
** * Niet zeker onbekend
***00
0 0
Onbekend 271 192
onbekend 0
-
*Hierover is geen informatie beschikbaar
Het aantal gemelde onregelmatigheden bij de communautaire initiatieven is in 2005 gestegen naar negen, tegen vijf in 2004. In beide jaren zijn er alleen onregelmatigheden geconstateerd bij Equal en Leader+. Ook het met de onregelmatigheden gemoeide financiële belang is significant toegenomen.
In het artikel 13-verslag van het Interreg III-B-Noordzeeprogramma wordt gemeld dat twee Nederlandse projectpartners zijn gecontroleerd. Het voorlopige resultaat bij één daarvan is «dat er onregelmatigheden zijn». Er zijn nog geen onregelmatigheden gemeld aan het antifraudebureau OLAF.
17.4 Onderzoek naar onregelmatigheden
Wij hebben onderzoek gedaan naar de in Nederland gehanteerde systemen van ontdekking, registratie, melding en afwikkeling van onregelmatigheden in de structuurfondsperiode 2000–2006.96 De Europese Rekenkamer en de Europese Commissie/OLAF hebben respectievelijk in 2001 en 2003 tekortkomingen geconstateerd op het punt van de interpretatie, registratie, melding en afwikkeling van onregelmatig-heden.97
96 Hetzelfde onderzoek is ook uitgevoerd in Duitsland, Finland, Hongarije, Italië, Litouwen, Polen, Portugal, Slowakije, Spanje, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk. Een gezamenlijk onderzoeksrapport is in december 2006 vastgesteld door het Contactcomité van presidenten van nationale rekenkamers.
97 Zie Europese Commissie (2003), Europese Rekenkamer (2001).
17.4.1 Onderzoeksaanpak en normenkader
Wij hebben onderzoek gedaan bij drie van de zes Nederlandse programma’s in de structuurfondsperiode 2000-2006: de doelstelling 2-program-ma’s Noord- en Zuid-Nederland en het doelstelling 3-programma ESF. De volgende ministeries zijn, gezien hun verantwoordelijkheden op het terrein van structuurfondsen en de keuze van bovenstaande programma’s, in ons onderzoek betrokken: EZ (voor doelstelling 2 Zuid- en Noord-Nederland) en SZW (voor doelstelling 3 ESF). Voorts hebben we de volgende beheers- en betalingsautoriteiten in ons onderzoek betrokken:
-
•Programma Noord-Nederland: het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN);
-
•Programma Zuid-Nederland: Stimulus en twee van de vier betrokken programmamanagementeenheden (Stimulus voor Noord-Brabant, Provincie Limburg voor Limburg);
-
•Doelstelling 3 ESF-programma: het Agentschap SZW.
Voor het onderzoek hebben we relevante documentatie bestudeerd en gesprekken gevoerd bij de verantwoordelijke ministeries en de beheersen betaalautoriteiten. Daarnaast hebben we een verdiepend onderzoek verricht naar een aantal reeds gemelde onregelmatigheden (43) binnen de
drie onderzochte programma’s. Vervolgens hebben we een aanvullend onderzoek uitgevoerd waarin 36 projectdossiers (12 voor elk programma) zijn bekeken. Het doel daarvan was om te controleren:
-
•of dossiers informatie bevatten over (door anderen ontdekte) fouten of problemen, hoe deze zijn geregistreerd en of ze, indien van toepassing, zijn gemeld als onregelmatigheden;
-
•of de kwaliteit van de projectdossiers in termen van toegankelijkheid en volledigheid in orde was.
Overzicht 73 geeft de onderwerpen van ons onderzoek beknopt weer.98
Overzicht 73. Onderzoeken Algemene Rekenkamer structuurfondsenperiode 2000–2006
Noord-Nederland
Zuid-Nederland
ESF3
Structuurfonds
Doelstelling
Totaal ontvangen EU-subsidie (miljoen €)
Verantwoordelijk departement
Andere betrokken ministeries
EFRO
2
341,9
Ministerie van EZ
EFRO
2
139,9
Ministerie van EZ
Ministerie van LNV
ESF
1 868 Ministerie van SZW
Beheers- en betaalautoriteit
Programmamanagement1
SNN Provincie Noord-Brabant
(Stimulus) SNN 6 Deelprogramma’s met 4
programmanagement-eenheden, coördinatie door Stimulus
Mandaat: Agentschap SZW Agentschap SZW
Aantal projecten in dossieronderzoek
Aantal gemelde onregelmatigheden t/m eind
2005
Financieel belang (EU-bijdrage) van de 43
geselecteerde onregelmatigheden
12 projecten
1
36 914
12 projecten
11
59 495
12 projecten
4 935 868
Het ESF3-programma kent een dergelijke benaming niet.
De normen die wij hebben gehanteerd vinden hun oorsprong in Europese
regelgeving. Voor de structuurfondsen gaat het daarbij om de algemene
verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad.
In Verordening (EG) nr. 1681/1994 van de Raad is meer specifiek
vastgelegd hoe de lidstaten dienen om te gaan met onregelmatigheden
en terugvorderingen. Als bij de uitvoering van de Europese programma’s
problemen worden geconstateerd – financieel, administratief of anders –
dienen deze te worden gemeld aan de Europese Commissie. Deze
problemen worden aangeduid als «onregelmatigheden».
De definitie van een onregelmatigheid staat vermeld in Verordening (EG)
nr. 2988/95 van de Raad, artikel 1, tweede lid:
«elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.»
98 Bijlage 8 geeft een schematisch overzicht van de beheer- en controlestructuren in de drie onderzochte programma’s
Daarnaast omvat het begrip onregelmatigheid volgens de Ministeries van EZ en van LNV (2002) en volgens het Agentschap SZW (2003) ook de volgende aspecten:
-
•zowel opzettelijke als onopzettelijke gebreken;
-
•gebreken die hebben geleid tot negatieve financiële consequenties dan wel die kunnen leiden tot negatieve financiële consequenties;
-
•gebreken die eenmalig dan wel systematisch van aard zijn.
De Europese Commissie spreekt van een systematische onregelmatigheid indien het beheer- en controlesysteem herhaaldelijk hetzelfde gebrek vertoont.
In Verordening (EG) nr. 1260/1999 verwijst artikel 38 naar de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de invoering van een effectief systeem van financiële controle. Artikel 39 legt de verantwoordelijkheid van de lidstaten vast voor het onderzoeken van onregelmatigheden en het uitvoeren van financiële correcties.
Artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1681/1994 van de Commissie stelt dat de lidstaten de Commissie op de hoogte brengen en houden van de inrichting van hun informatiesystemen en procedures om onregelmatigheden te voorkomen, op te sporen en te vervolgen. Artikel 3, lid 1 van dezelfde verordening voorziet in een reguliere (binnen twee maanden na afloop van elk kwartaal) rapportage van onregelmatigheden aan het antifraudebureau OLAF.
De financiële drempel van te rapporteren onregelmatigheden in de onderzochte periode is € 4 000.
De te hanteren procedure voor financiële correcties staat verder beschreven in Verordening (EG) nr. 448/2001 van de Commissie. Artikel 2 beschrijft maatregelen die de lidstaten dienen te nemen om systeemgebonden onregelmatigheden aan te pakken en te voorkomen. Artikel 3 legt het terugvorderingproces van de lidstaten uit. In artikel 4 zijn bepalingen vastgelegd voor financiële correcties door de Europese Commissie.
Artikel 8 van Verordening (EG) nr. 438/2001 bepaalt dat voor (tijdige) terugvordering een effectieve beheer- en controlestructuur is vereist.
In aanvulling op de communautaire verordeningen heeft Nederland een aantal nationale bepalingen in het leven geroepen. Daarbij valt te denken aan de decentralisatieconvenanten tussen de verantwoordelijke ministeries en uitvoerende beheersautoriteiten, de controleprotocollen van de programma’s en draaiboeken van de verantwoordelijke ministeries, en de verplichting dat voor projecten de einddeclaratie vergezeld dient te worden van een goedkeurende accountantsverklaring.99 Deze hebben we eveneens betrokken in ons onderzoek.
17.4.2 Systemen voor ontdekking, melding en afwikkeling
99 Voor EFRO-projecten geldt per (sub)regio een ander drempelbedrag aan subsidiabele kosten, waarover een accountantsverklaring verplicht is. Voor ESF3-projecten is altijd een accountantsverklaring vereist.
100 Recent is de regelgeving gewijzigd: de Verordening (EG) nr. 1681/94 is met ingang van 1 januari 2006 gewijzigd door de verordening (EG) nr. 2035/2005. Meldingen vanaf het eerste kwartaal 2006 moeten hieraan voldoen. Het drempelbedrag gaat omhoog van € 4 000 naar € 10 000. Faillissementen hoeven niet meer als zodanig te worden gemeld.
Interpretatie van regelgeving
De Ministeries van EZ en van LNV hebben in oktober 2002 een «draaiboek
onregelmatigheden structuurfondsen» samengesteld. Het draaiboek dient
om een eenduidige interpretatie en aanpak van onregelmatigheden te
hanteren en een juiste, volledige en tijdige informatievoorziening aan de
Europese Commissie (Ministeries van EZ en LNV, 2002).
Het Agentschap SZW heeft in juni 2003 eveneens een «draaiboek
onregelmatigheden» opgesteld – in dit geval voor de programma’s ESF-3
en Equal. Het draaiboek is door het Ministerie van SZW goedgekeurd en
wordt alleen door het Agentschap SZW gebruikt.
In beide draaiboeken worden dezelfde definities en passages gehanteerd
als in Verordening (EG) nr. 2988/95 en Verordening (EG) nr. 1681/94.100
Uit ons onderzoek is het volgende naar voren gekomen:
-
•Het Ministerie van EZ heeft geen centrale registratie van relevante besluiten en beschikkingen over interpretatie van EU-regelgeving opgezet.
-
•De communicatie met antifraudebureau OLAF over interpretatiekwesties verloopt moeizaam. Hierdoor blijft er voor de betrokken ministeries onduidelijkheid bestaan.
-
•Het Ministerie van EZ beschouwt een onregelmatigheid alleen meldenswaardig als de betreffende EFRO-gelden reeds besteed zijn. Alle fouten die worden ontdekt vóórdat een declaratie aan de Europese Commissie is verzonden en vóórdat definitieve betaling heeft plaatsgevonden, kunnen worden gecorrigeerd en hoeven volgens EZ niet te worden gemeld aan OLAF. SNN en Stimulus hebben deze interpretatie van het Ministerie van EZ overgenomen. Vanwege een gebrek aan eenduidige OLAF-instructies spreekt Stimulus van een «landelijk afwachtende houding» met betrekking tot onregelmatig-heidsmeldingen (Stimulus, 2005, p. 29).
-
•Het Agentschap SZW hanteert de gedragslijn dat alleen fouten die worden ontdekt tussen het moment van ontvangst van de eerste ingediende einddeclaratie van het project en het moment waarop de eindbeschikking van het project wordt opgesteld, als onregelmatigheid worden beschouwd. Volgens het Agentschap SZW kan er namelijk slechts sprake zijn van een onregelmatigheid als er een claim bij het Agentschap SZW ligt. Vóór die tijd is herstel dan wel correctie (door de aanvrager) van door het Agentschap SZW ontdekte fouten en verzuimen nog mogelijk.
Wij beschouwen een eerste voorschot aan een eindbegunstigde als een betaling. Vanaf dat moment kan de EU-begroting worden benadeeld. Melding zou derhalve al plaats moeten vinden zodra wordt ontdekt dat er fouten in de projectdeclaraties zitten, ook als die eventueel worden gecorrigeerd voordat de betalingsclaim bij de Commissie wordt ingediend.
De huidige gedragslijn bij de doelstelling 2-programma’s en de door het Agentschap SZW gekozen werkwijze zijn niet in overeenstemming met de definities van de Europese Verordeningen en met de eigen departementale draaiboeken. In beide gevallen wordt te laat gemeld. Een cruciaal verschil is echter dat het Agentschap SZW alle geconstateerde onregelmatigheden op het moment dat er een definitieve betalingsclaim ligt uiteindelijk wel meldt, terwijl de onregelmatigheden van de regio’s Noord en Zuid worden gecorrigeerd voor het tot een definitieve betaling komt, waardoor er in de praktijk vrijwel geen onregelmatigheden worden gemeld.
Ontdekking en registratie
-
•Ontdekking
Volgens het draaiboek onregelmatigheden van de Ministeries van EZ en van LNV kunnen onregelmatigheden worden ontdekt vanaf de toekenningsbeschikking tot en met indiening van de einddeclaratie, bijvoorbeeld tijdens controles van de voortgangsrapportages, voorschotverzoeken, tijdens projectbezoeken, bij 5%-controles en tijdens reviews door de auditdienst van het Ministerie van EZ. De specifiek in Nederland geldende eis dat projecten met subsidiabele kosten van € 25 000 of hoger hun einddeclaratie vergezeld dienen te laten gaan van een goedkeurende accountantsverklaring, kan ook leiden tot het ontdekken van onregelmatigheden (namelijk door de projectaccountant).
101
Het Ministerie van EZ zoekt zelf niet actief naar onregelmatigheden. SNN legt zelf projectbezoeken af of huurt hiervoor een «verificatieaccountant» in. De resultaten daarvan worden opgenomen in de projectdossiers. De projectbezoeken van Stimulus bestaan voornamelijk uit visuele inspectie. Het DG Regio heeft naar aanleiding van zijn auditbezoeken aangegeven de huidige invulling van dergelijke artikel 4-controles (zie § 16.4.2) onvoldoende te vinden. De controleurs van de Commissie hebben daarom aanbevolen de controles volledig in overeenstemming te brengen met artikel 4 van Verordening (EG) nr. 438/2001.
In de 5%-controles bij Noord-Nederland zijn enkele «fouten» aan het licht gekomen, waarover in samenvatting is gerapporteerd in het artikel 13-verslag over 2004. Daarbij gaat het om aanbestedingsfouten, declaratie van niet-subsidiabele kosten en declaratie van kosten die nog niet gemaakt zijn (SNN, 2005). Deze «fouten» zijn door SNN niet als onregelmatigheden aangemerkt en derhalve heeft geen melding plaatsgevonden. Voor de eerste drie door Zuid-Nederland gemelde onregelmatigheden geldt dat ze niet zijn ontdekt bij eigen controles, maar via de pers, de projectverantwoordelijke of via een ander kanaal.
Het Agentschap SZW besteedt veel aandacht aan het vinden van onregelmatigheden. Zo wordt de ingediende (concept)aanvraag door de afdeling Uitvoering gecontroleerd op onder meer niet-subsidiabele kosten en de wijze van aanbesteding. Gedurende de looptijd van een project beoordeelt deze afdeling de voortgangsrapportages en eventuele tweede voorschotaanvragen op signalen van onregelmatigheid en brengen de consultants van de afdeling een bezoek aan het project.
-
•Registratie
Bij zowel SNN als Stimulus worden eventuele onregelmatigheden op programmaniveau verzameld en vastgelegd. Hiervoor wordt een standaard handgeschreven artikel 3-formulier gebruikt.101 Dit wordt doorgestuurd naar de directie FEZ van het Ministerie van EZ. Dit ministerie werkt sinds 1 januari 2005 met het elektronische systeem AFIS van OLAF. De informatie op de formulieren van SNN en Stimulus wordt door het Ministerie van EZ overgezet in AFIS. Het ministerie kan aanvullingen in het systeem zetten.
Van de onregelmatigheden met een financieel belang van onder de € 4 000, die worden ontdekt na betaling, dient de beheersautoriteit een rapport met controlebevindingen op te maken, waarna de onregelmatigheid administratief wordt vastgelegd. Voor de onregelmatigheden van € 4 000 en hoger geldt een meldingsplicht. De Algemene Rekenkamer heeft niet kunnen constateren dat het Ministerie van EZ en de beheersautoriteit Stimulus over een actueel totaaloverzicht van geconstateerde en/of gemelde onregelmatigheden beschikken. Kopieën van de definitieve artikel 3-meldingen worden in een map bewaard.
Volgens het Agentschap SZW kan, zoals hiervoor al opgemerkt, een onregelmatigheid pas ná ontvangst van de einddeclaratie optreden. Daarom worden onder andere verzuimen, vergissingen, fouten van de aanvrager en opmerkingen in managementletters vóór het moment van ontvangst van de eerste ingediende einddeclaratie niet als onregelmatigheid beschouwd en ook niet als zodanig geregistreerd. Alle - ná ontvangst van de einddeclaratie - ontdekte onregelmatigheden worden De term «artikel 3-formulier» verwijst naar door het Agentschap SZW wel helder en inzichtelijk vastgelegd in onder
artikel 3 van Verordering (EG) nr. 1681/1994. andere «invulformulieren OLAF-melding» en in totaaloverzichten.
Onderzoek en besluitvorming
Het eerste besluit over het al dan niet aanmerken van een geconstateerd probleem als een onregelmatigheid wordt genomen op programmaniveau. De uiteindelijke besluitvorming dient plaats te vinden door de beheersautoriteit. Hiertoe is echter bij Stimulus geen specifieke besluitvormingsprocedure vastgelegd in het handboek AO. Bij SNN wijkt de praktijk af van de AO-beschrijving.
De directie Arbeidsmarkt van het Ministerie van SZW is formeel verantwoordelijk voor de inhoud van de onregelmatigheidsmeldingen aan OLAF. De besluitvorming over onregelmatigheden heeft het Ministerie van SZW gemandateerd aan het Agentschap SZW. Binnen het Agentschap SZW vindt onderzoek naar onregelmatigheden hoofdzakelijk plaats door de afdelingen Uitvoering en Interne Controle/Operational Audit (IC/OA). Volgens het «draaiboek onregelmatigheden» dient de meldingen(lijst) voor verzending naar OLAF ter toetsing te worden voorgelegd aan de directie Arbeidsmarkt. Binnen één week dient de directie Arbeidsmarkt schriftelijk aan te geven of ze akkoord gaat met de meldingen. De directie Arbeidsmarkt voert geen inhoudelijke toetsing uit.
Uit ons onderzoek is het volgende naar voren gekomen:
-
•Bij Stimulus en SNN besluit in de praktijk het programmamanagement (na overleg met de controller) of een geconstateerd probleem dient te worden aangemerkt als onregelmatigheid.
-
•Tijdens controles op voortgangsrapportages ontdekt het programmamanagement van SNN geregeld potentiële onregelmatigheden. Een analyse of onderzoek van potentiële onregelmatigheden wordt niet uitgevoerd. Ook een analyse van (mogelijke) systeemfouten is bij SNN niet uitgevoerd. De enige onregelmatigheid die is gemeld betrof een faillissement. Alleen onregelmatigheden boven de grens van € 4 000 meldt SNN aan het Ministerie van EZ. Dit betekent dat ook meldingen van potentiële fraudegevallen of systematische fouten met een financieel belang van minder dan € 4 000 niet bij het ministerie terechtkomen.
-
•Ook bij Stimulus worden soms fouten en/of potentiële onregelmatigheden geconstateerd, die nooit gemeld worden of als zodanig worden geregistreerd. Na detectie overleggen de betrokkenen onderling over te nemen stappen. De voornaamste redenen om te besluiten potentiële onregelmatigheden en correcties niet te melden is de ermee gepaarde administratieve last, en de gedachte dat het melden van deze gevallen niet verplicht zou zijn.
-
•Bij het Agentschap SZW wordt de melding van onregelmatigheden uitgevoerd conform de opgestelde procedures. Sinds het derde kwartaal van 2004 betekent dit dat de directie Arbeidsmarkt door de stafmedewerker van de afdeling Uitvoering via de vier-, acht- en twaalfmaandsrapportages wordt geïnformeerd over de OLAF-meldin-gen. De inhoudelijke toetsing van onregelmatigheden gebeurt door de teamleiders van de afdeling Uitvoering van het Agentschap SZW (Agentschap SZW, 2003).
Wij hebben aanvullend onderzoek gedaan naar de inhoud van in totaal 36 dossiers (twaalf voor elk programma). Daarbij zijn we nagegaan of dossiers informatie bevatten over (door anderen ontdekte) fouten of problemen, hoe deze zijn geregistreerd en of ze, indien van toepassing, zijn gemeld als onregelmatigheden. Verder hebben we bekeken of de kwaliteitvan de projectdossiers in termen van toegankelijkheid en volledigheid in orde was.
Uit het aanvullende onderzoek kwam naar voren dat de dossiervorming in zijn algemeenheid goed was. Tegelijkertijd bleek echter een groot aantal dossiers bevindingen van programma- en projectaccountants te bevatten die wijzen op mogelijke onregelmatigheden. Hierover hebben wij zowel schriftelijk als mondeling gecommuniceerd met de betrokken beheers-autoriteiten. Overzicht 74 laat daarvan de resultaten zien.
Overzicht 74. Resultaten overleg met beheersautoriteiten over mogelijke onregelmatigheden
Programma
Aantal gecontroleerde dossiers
Aantal dossiers waarin (na Aantal dossiers waarvoor
ambtelijk overleg) mogelijk beheersautoriteit heeft aangegeven
sprake is van één of meer dat nog tot melding zal worden
onregelmatigheden. overgegaan
Doelstelling 2 Noord-Nederland |
12 |
8 |
Beheersautoriteit heeft nog niet aangegeven wat zij gaat doen. |
Doelstelling 2 Zuid-Nederland |
12 |
2 |
Beheersautoriteit heeft nog niet aangegeven wat zij gaat doen. |
Doelstelling 3 ESF |
12 |
5 |
4 |
Totaal |
36 |
15 |
4 |
Bij de doelstelling 2-programma’s duidt ons aanvullende onderzoek op verschillende zwakke schakels:
-
•Op het niveau van projectaccountants worden relatief weinig problemen geconstateerd. Problemen komen pas aan het licht als een andere controleur (zoals de verificatieaccountant van SNN of het DG Regio bij Stimulus) een aantal projecten nog eens doorlicht.
-
•De geconstateerde problemen hebben vooral betrekking op fouten bij aanbesteden, niet-subsidiabele kosten en administratieve fouten. De werkwijze bij aanbesteden kan mogelijk worden aangemerkt als een systeemfout.
-
•Bij geconstateerde problemen worden vaak wel financiële correcties doorgevoerd, maar het daaraan voorafgaande probleem wordt vrijwel nooit gemeld als onregelmatigheid.
Bij de meeste voor het ESF-programma geconstateerde mogelijke onregelmatigheden bleek het overigens te gaan om relatief kleine administratieve onvolkomenheden die gemakkelijk kunnen worden gecorrigeerd.
Melding aan OLAF
Op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1681/94 dienen de lidstaten elk kwartaal onregelmatigheden van meer dan € 4 000 aan de Europese Commissie te melden. Sinds 1 januari 2005 voert de directie FEZ van het Ministerie van EZ de ontvangen gegevens rechtstreeks in het AFIS-systeem van OLAF in. Voorheen gebeurde dit met papieren versies van de artikel 3-formulieren die per post werden verzonden. Eenmaal ingevoerd in AFIS worden de onregelmatigheden niet standaard gecontroleerd door OLAF. Indien echter later blijkt dat gegevens ontbreken of onjuist zijn, is OLAF of het DG Regio niet in staat optimale totaaloverzichten uit te draaien die nodig kunnen zijn voor auditmissies.
Ook het Agentschap SZW maakt ten behoeve van melding aan OLAF gebruik van AFIS. Alle geconstateerde onregelmatigheden, dus ook die van minder dan € 4 000, worden jaarlijks (in vierde kwartaalrapportage) door het Agentschap SZW aan OLAF gemeld.
Afgezien van OLAF en de directie Arbeidsmarkt ontvangen geen andere actoren de kwartaalrapportages. Het DG Werkgelegenheid van de Europese Commissie kan de meldingen opvragen bij OLAF. Controleurs van dit DG kunnen bij controle in Nederland een uitdraai van de lijsten bij het Agentschap SZW opvragen.
In de periode 2000–2005 is er voor het doelstelling 2-programma NoordNederland één onregelmatigheid gemeld. Het doelstelling 2-programma Zuid-Nederland meldde drie onregelmatigheden. Bij beide programma’s ging het om faillissementen.
Vanuit het Ministerie van EZ is aangegeven dat men deze geringe aantallen niet opvallend vindt, omdat de systemen beter op orde zijn in vergelijking met de periode 1994–1999 en omdat er meer wordt gecontro-leerd.102
Tot ultimo 2005 zijn voor het ESF-3-programma bij 86 projecten onregelmatigheden geconstateerd en gemeld. In het vierde kwartaal van 2003 werden de eerste (vijf) onregelmatigheidsmeldingen gedaan. Vanaf het vierde kwartaal 2003 heeft het Agentschap SZW ieder kwartaal onregel-matigheidsmeldingen gestuurd naar OLAF.
Overzicht 75. Aantal meldingen naar jaar (2000–2005)
Jaar van melding
Aantal meldingen
2000-2002 2003 2004 2005
0
5
42
40
Bron: overzichten Agentschap SZW
102 In 2005 heeft het DG Regio het programma Zuid-Nederland aan een controlebezoek onderworpen. Daarbij zijn onder meer acht projectdossiers doorgelicht. Eén van de voorlopige bevindingen was dat een belangrijk deel van de door de eindbegunstigden gedeclareerde uitgaven niet subsidiabel bleek te zijn. Het betrof acht fouten (in ieder onderzocht project één), die nog niet waren gecorrigeerd en gemeld. In het eerste kwartaal van 2006 heeft Stimulus PM, namens de provincie Noord-Brabant, formeel gereageerd op de bevindingen van het DG Regio. Zowel Stimulus als het Ministerie van EZ hebben aangegeven het niet eens te zijn met de conclusies van het DG Regio en menen dat het fouten-percentage lager kan uitvallen. Stimulus heeft wel de acht fouten als onregelmatigheden doorgestuurd naar het Ministerie van EZ. Het betreft vier meldingen uit Noord-Brabant, twee uit Zeeland en twee uit Limburg.
103 De term «artikel 5-melding» verwijst naar artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1681/1994.
Wij hebben de in 2005 aan OLAF gedane meldingen van onregelmatigheden op basis van de «invulformulieren OLAF-melding» geanalyseerd naar soort onregelmatigheid. Hieruit blijkt dat het gros van de geconstateerde onregelmatigheden wordt gevormd door:
-
•het opgeven van niet-subsidiable uitgaven (23);
-
•het ontbreken van bescheiden of onvolledige bescheiden (10);
-
•het overtreden van de openbare aanbestedingsregels (8).
Het totaal aantal onregelmatigheden bij deze meldingen bedraagt 47. Bij een aantal meldingen betrof het namelijk verschillende (soorten) onregelmatigheden tegelijkertijd. Alle gemelde onregelmatigheden zijn ontdekt na ontvangst en controle van de eerst ingediende einddeclaratie.
Vervolgmaatregelen
Over de voortgang van procedures (terugvordering van ten onrechte uitbetaalde bedragen, administratiefrechtelijke en/of strafrechtelijke procedures) die zijn ingesteld naar aanleiding van de artikel 3-meldingen moet worden gecorrespondeerd met OLAF. Dit gebeurt door middel van zogenaamde artikel 5-meldingen.103 De instructies voor de artikel 5-meldingen liggen vast in het draaiboek onregelmatigheden van de Ministeries van EZ en van LNV.
De enige gemelde onregelmatigheid door SNN betreft een faillissement. Daarover is (nog) geen artikel 5-rapport opgestuurd. Vanuit SNN is aangegeven dat het maanden tot jaren kan duren voordat de curator eventueel van zich laat horen.
Om dezelfde reden hebben de deelregio’s van Zuid-Nederland (nog) geen artikel 5-meldingen opgesteld en doorgestuurd naar het Ministerie van EZ. Er hebben volgens de autoriteiten geen meldenswaardige nieuwe ontwikkelingen plaatsgevonden bij de drie faillissementen. Bij geen van deze faillissementen gaan de autoriteiten uit van opzet of frauduleuze handelingen. Stimulus heeft nog geen aanleiding gezien om een onderzoek te starten.104
Het Agentschap SZW heeft eveneens nog geen artikel 5-voortgangs-melding hoeven te doen. Voor één gemelde onregelmatigheid heeft het agentschap recentelijk een invorderings/terugbetalingsprocedure opgestart. Dit kan leiden tot een artikel 5-voortgangsmelding aan OLAF.
Corrigerende maatregelen
Als er onregelmatigheden zijn geconstateerd en gemeld, moet de beheersautoriteit corrigerende maatregelen nemen. Deze kunnen bestaan uit financiële correcties, maar ook uit administratieve sancties. De ministeries worden pas bij financiële correcties betrokken op het moment dat de correcties (ook) betrekking hebben op de door hen verstrekte cofinanciering. SNN en Stimulus hebben in de structuurfondsenperiode 2000-2006 geen corrigerende maatregelen genomen. Het is ook niet voorgekomen dat de Europese Commissie aanvullende maatregelen heeft genomen.
Bij het Agentschap SZW is voor de periode van 2000 tot januari 2006 in vier gevallen sprake geweest van terugvordering van een zogenaamde onverschuldigde betaling. In alle gevallen heeft terugbetaling door de aanvrager plaatsgevonden vóórdat een artikel 3-melding naar OLAF was verzonden.
Conclusie
Uit het onderzoek dat wij hebben uitgevoerd bij twee van de zes doelstelling 2-EFRO-programma’s en het doelstelling 3-ESF-programma blijkt onder andere het volgende:
-
•De ESF- en EFRO-programma’s gaan verschillend om met detectie en melding van onregelmatigheden. De activiteiten voor ESF bieden meer zekerheid dat problemen worden gevonden en gemeld.
-
•Veel fouten en tekortkomingen worden niet als onregelmatigheden gemeld aan «Brussel». Dit geldt vooral voor fouten en tekortkomingen die betrekking hebben op de wijze van aanbesteden en niet-subsidia-bele kosten.
-
•Programma-accountants treffen vaak nog fouten aan in projecten die bij afsluiting wel een goedkeurende accountantsverklaring hebben gekregen van de projectaccountant.
17.5 Intern beleid van de Europese Commissie
104 De curator van één van de failliete subsidieontvangers heeft echter van begin af aan wel vermoedens van fraude geuit en werd daarin deze zomer in het gelijk gesteld door de rechter. De bestuurder van de failliete onderneming is tegen de uitspraak in hoger beroep gegaan.
Zoals opgemerkt in hoofdstuk 16 wordt het interne EU-beleid dat in de lidstaten vormkrijgt, uitgevoerd door de Europese Commissie zelf. Er is in Nederland weinig informatie beschikbaar over de rechtmatigheid van de bestedingen van de Europese subsidies voor het interne beleid van de EU. Ook bij de Europese Commissie is hierover weinig of geen (openbare) informatie op het niveau van lidstaten voorhanden. Hieronder vermelden we alleen de intern-beleidsprogramma’s waarover voor de periode 2003–2005 wél rechtmatigheidsinformatie aanwezig was bij de Nederlandse ministeries. In de Europese documenten die wij hebben bestudeerd, hebben wij geen informatie over onregelmatigheden in Nederland aangetroffen.
17.5.1 TEN-transport
Volgens opgave van het Ministerie van VenW zijn in 2005 geen onregelmatigheden geconstateerd op het gebied van TEN-t. Ook zijn er in 2005 geen financiële correcties opgelegd.
In 2004 werden nog drie correcties uitgevoerd, met een totaal financieel belang van ruim € 5 miljoen. Het betrof projecten die betrekking hadden op de HSL-Oost, HSL-Zuid en de Luchtverkeersleiding. In het EU-trendrap-port 2006 hebben we gemeld dat twee van de drie correcties eind 2004 nog niet waren afgerond. Volgens informatie van het Ministerie van VenW was dat eind 2005 wel het geval.
Overzicht 76. Onregelmatigheden en financiële correcties intern beleid, TEN-transport
TEN-transport
2003
2004
2005
Aantal onregelmatigheden Financieel belang onregelmatigheden Waarde financiële correcties
onbekend |
onbekend |
0 |
onbekend |
onbekend |
0 |
onbekend |
5 179 530 |
0 |
Bron: Ministerie van VenW
17.5.2 Leonardo da Vinci-programma
In de voorgaande jaren is alleen in 2003 een onregelmatigheid gemeld bij een onderwijsinstelling uit de aanvraagronde 2001 «mobiliteit». Het ging om een dubbele declaratie van € 10 411. Onbekend is of de Europese Commissie financiële correcties heeft doorgevoerd.
Overzicht 77. Onregelmatigheden en financiële correcties intern beleid, Leonardo da Vinci
Leonardo da Vinci
2003
2004
2005
Aantal onregelmatigheden Financieel belang onregelmatigheden Waarde financiële correcties
1 |
0 |
Onbekend |
10 411 |
0 |
Onbekend |
onbekend |
onbekend |
Onbekend |
Bron: Ministerie van OCW
Uit het bovenstaande blijkt dat er op dit niveau er weinig zicht is op de rechtmatigheid van de bestedingen van intern-beleidgelden in Nederland.
18 DOELTREFFENDHEID EU-BELEID IN NEDERLAND
In het vorige EU-trendrapport hebben we de tussentijdse evaluaties onderzocht van de programma’s die in Nederland worden uitgevoerd in het kader van het Europese structuurbeleid.105 In dit hoofdstuk belichten we de actualisering van deze tussentijdse evaluaties (in EU-jargon: de «updates van de midtermevaluaties») van de structuurfondsprogram-ma’s.106 De evaluaties vormen een verantwoording aan de Europese Commissie; navraag bij de Commissie leert dat deze geen formele reactie heeft gegeven op de ontvangen stukken.107
We hebben de evaluaties beoordeeld op de volgende drie elementen:
-
1.Meetbaarheid van de doelen Bekeken wordt of de conclusies van het vorige EU-trendrapport nog steeds gelden. Hier worden alleen de eventuele wijzigingen in doelen betrokken.
-
2.Realisatie van de doelen De vraag hierbij is in hoeverre de operationele programmadoelen (de «maatregelen») zijn behaald. De realisatie van elke maatregel is gescoord op een schaal van 0 tot 10. Nadrukkelijk is ook gekeken naar de mate waarin de gepresenteerde informatie daadwerkelijk iets zegt over de doelen. Als bijvoorbeeld geen relevante indicatoren zijn geformuleerd, is de score «onbekend» aangegeven. De «onbekende» scores zijn in de kwantitatieve analyse van de doelrealisatie (uiteraard) buiten beschouwing gelaten. Dit betekent dat we dus niet blindelings zijn afgegaan op de conclusies over de doelrealisatie in de updates.
-
3.Verhouding tussenEuropese programma’s en Nederlands beleid Bij dit derde element is de vraag in hoeverre de updates aandacht besteden aan nationaal beleid dat (inhoudelijk, geografisch) verband houdt met het programma. Daarnaast zijn we ook nagegaan in hoeverre vanuit het Rijk aandacht aan de programma’s wordt geschonken in de departementale begrotingen voor 2006 en de departementale jaarverslagen over 2005. Het belang van deze derde vraag is nagaan of er aandacht is voor coördinatie van beleid en middelen tussen EU beleid en nationaal beleid. Indien hier aandacht voor is kan dat de doeltreffendheid van het beleid vergroten. Zo niet, dan bestaat het risico van tegenstrijdig beleid of van overlap, hetgeen de doeltreffendheid en doelmatigheid niet bevordert.
Na een beschrijving van de aanpak van ons onderzoek (§ 18.1) behandelen we de meetbaarheid in § 18.2; de doelrealisatie in § 18.3 en 18.4; en de verhouding nationaal – EU in § 18.5.
105 Zie EU-trendrapport2006 (Algemene Rekenkamer, 2006a), hoofdstuk 18.
106 Een overzicht van de geanalyseerde evaluaties is opgenomen in bijlage 9. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid blijft hier buiten beschouwing omdat hierover geen recente evaluaties met betrekking tot Nederland zijn verschenen.
107 De actualiseringen zijn besproken in het comité van toezicht van elk programma, waarin de Europese Commissie zitting heeft.
108 Alleen Urban II is niet meegenomen vanwege de relatief geringe financiële omvang. De vier Leader+-programma’s worden in dit hoofdstuk als één programma beschouwd.
18.1 Onderzoeksaanpak
18.1.1 Onderzoeksobject
Onze analyse betreft de «updates» van de eerder uitgevoerde midterme-valuaties. Deze updates vormen op basis van artikel 42, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 een verplichte rapportage aan de Europese Commissie over de voortgang van de structuurfondsprogramma’s. De in Nederland uitgevoerde programma’s in het kader van de «doelstellingen» zijn allemaal meegenomen: Flevoland (doelstelling 1); Stedelijke Gebieden Nederland en Noord-, Oost- en Zuid-Nederland (doelstelling 2); en ESF3 (doelstelling 3). Verder hebben we de meeste programma’s in het kader van de communautaire initiatieven in het onderzoek betrokken: Equal, Leader+ en een aantal Interreg-programma’s.108 In financiële
termen bestrijken de onderzochte programma’s ongeveer 99% van de Europese structuurfondsgelden in Nederland. Daarbij zijn de grensoverschrijdende programma’s (Interreg) niet meegeteld, omdat daar de lidstaatverdeling niet vastligt. Uit Interreg IIIA hebben we twee evaluaties onderzocht: Euregio Maas-Rijn en EUREGIO.109 Van Interreg IIIB is het programma Noordwest-Europa bekeken. De evaluatie van Interreg IIIC West is niet meegenomen omdat deze een EU-brede scope heeft, waardoor het niet past in dit hoofdstuk over EU-beleid in Nederland.110
18.1.2 Definities
De centrale begrippen in dit hoofdstuk worden hier toegelicht:
Term
Omschrijving
Prioriteit*
Maatregel
Indicator
Streefwaarde
Midtermevaluatie (MTE)
Update
Algemeen doel van een structuurfondsprogramma (3 of 4 per
programma)
Specifieker operationeel doel van een programma (doorgaans 2 tot
5 per prioriteit)
Variabele die informatie geeft over het bereiken van een
programmadoel in termen van prestaties of maatschappelijke
effecten.
De waarde (meestal een getal) die aan een indicator is gekoppeld en
de beoogde realisatie weergeeft, waartegen de feitelijke realisatie
kan worden afgezet.
Evaluatie tijdens de looptijd van een structuurfondsprogramma;
uiterlijk eind 2003 aan de Commissie toe te zenden.
Actualisering van de midtermevaluatie; uiterlijk eind 2005 aan de
Commissie toe te zenden.**
Ook «prioritair zwaartepunt» genoemd (Verordening (EG) nr. 1260/1999, artikel 9 sub h). Soms aangeduid als «final evaluation». Dit is enigszins misleidend omdat de programma’s nog niet waren afgerond ten tijde van de actualisering. De update kan ook aanvullend zijn op de MTE en ingaan op aspecten die de MTE niet behandelde.
18.1.3 Vergelijking doelrealisatie update ten opzichte van midtermevaluatie
Aanvankelijk was het de bedoeling om de doelrealisatie uit de updates te vergelijken met die uit de midtermevaluaties (MTE’s). Zo’n vergelijking is echter niet goed mogelijk, doordat er tussen 2003 en 2006 veranderingen in de programma’s en in de evaluaties zijn aangebracht.
109 Dit is een programma dat bestaat uit drie regio’s te weten EUREGIO (de Nederlands-Duitse grensregio ter hoogte van Overijssel en de Achterhoek), Euregio Rijn-Waal en Euregio Rijn-Maas-Noord, met een gezamenlijke update.
110 Nederland neemt deel in Interreg IIIC West. De evaluatie had echter ook betrekking op de andere drie Interreg IIIC-programma’s zonder Nederlandse betrokkenheid.
Veranderingen in de streefwaarden
Vrijwel alle programma’s hebben, met goedkeuring van de Europese Commissie, de afgelopen jaren de financiële middelen anders verdeeld tussen de diverse programmadoelen dan oorspronkelijk gepland. Dit had veelal ook gevolgen voor de streefwaarden, die naar rato werden bijgesteld. Een voorwaarde voor vergelijking is dat de maatstaf waartegen de realisatie wordt afgezet constant is. Als de streefwaarden worden verlaagd, neemt de realisatie (procentueel) automatisch toe zonder dat daar noodzakelijkerwijs een toename in feitelijke realisatie aan is verbonden. Eenzelfde redenering geldt bij verhoging van de streefwaarden. Vergelijking is daardoor weinig zinvol. De reden voor de verschuivingen van budgetten tussen de doelen is vooral om te voorkomen dat subsidiegelden «op de plank» blijven liggen. Subsidies van een jaarbudget die niet binnen twee jaar na afloop (N+2) zijn besteed, komen namelijk automatisch te vervallen. De meeste programma’s zetten dan ook extra geld in op de onderdelen van een programma met een succesvolle financiële voortgang. Bij de onderdelen waar minder subsidies dan
verwacht worden aangevraagd en besteed, worden de budgetten verkleind en de ambities (streefwaarden) verlaagd.
Veranderingen in de evaluatieaanpak
Om tot vergelijkingen tussen de updates en de MTE’s te komen, moeten beide evaluaties op een vergelijkbare wijze zijn uitgevoerd. In veel updates is echter niet duidelijk weergegeven hoe de evaluatie tot stand is gekomen (bijvoorbeeld welke methoden zijn gehanteerd). Positieve voorbeelden zijn de evaluaties van ESF3 en Noord-Nederland, waarin de onderzoeksaanpak wél goed wordt toegelicht. Eén programma (Stedelijke Gebieden Nederland) heeft de update toegespitst op een aantal «kernindicatoren» op het niveau van de algemene programmadoelen (prioriteiten). De Commissie biedt hier overigens ook ruimte toe in haar voorschriften (Europese Commissie, ongedateerd). Het compliceert echter wel de vergelijkbaarheid. Overigens is het ons opgevallen dat een aantal updates door het management van het programma (de beheersautoriteit) zelf zijn uitgevoerd, terwijl de MTE’s zonder uitzondering door externe bureaus waren
uitgevoerd.111
18.1.4 Betrouwbaarheid van de informatie
Met «betrouwbaarheid» wordt bedoeld de juistheid en volledigheid van de informatie uit de evaluaties. Dit aspect hebben wij niet systematisch onderzocht, dus een algemeen oordeel hierover is op basis van het uitgevoerde onderzoek niet mogelijk. Niettemin plaatsen wij vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de evaluatiegegevens.
Ten eerste is de betrouwbaarheid van de informatie over de realisatie in de meeste evaluaties geen (zichtbaar) aandachtspunt. Veel updates gaan uit van monitorgegevens uit een voortgangssysteem; uit de meeste evaluaties is niet op te maken of deze monitorinformatie is gecheckt op betrouwbaarheid. In de updates van Flevoland en Oost-Nederland, uitgevoerd door het programma zelf, is het monitorsysteem de enige bron van informatie; dit is in andere evaluaties (uitgevoerd door externe bureaus) soms ook het geval (bijvoorbeeld Zuid-Nederland).
111 De updates van drie van de zes doelstellingsprogramma’s – Flevoland, Oost-Nederland en Stedelijke Gebieden Nederland – zijn door het programmamanagement zelf opgesteld. De regels van de Commissie bieden hier de mogelijkheid toe.
Ten tweede wordt de voortgangsinformatie over prestaties en resultaten doorgaans door de projectuitvoerders/subsidieaanvragers zelf aangeleverd en deze laatsten kunnen er belang bij hebben de realisatie positief in te schatten. Ook kunnen tussen projectuitvoerders interpretatieverschillen voorkomen. Het valt op dat de doelrealisatie van enkele updates (ESF3, Interreg IIIB Noordwest Europa) deels is verkregen door middel van interviews en/of schriftelijke enquêtes onder projectuitvoerders, die zelf de resultaten van hun projecten en deelnemers moesten evalueren. De projectuitvoerders blijken echter niet altijd de relevante informatie over prestaties en effecten te registreren. Zo houdt in het Equal-programma 40% van de projectuitvoerders niet bij of deelnemers het project (bijvoorbeeld een cursus) afmaken of baat hebben gehad bij het project, terwijl een nog hoger aandeel (60%) niet registreert wat er met deelnemers gebeurt na afronding van het project (SEOR, 2005).
18.2 Meetbaarheid doelen
De structuurfondsen financieren meerjarenprogramma’s voor de periode 2000 tot en met 2006. De besteding en uitvoering van de projecten loopt door tot en met 2008. In beginsel zijn de vooraf vastgestelde doelen voor
de hele periode geldig. De doelen zijn in het vorige EU-trendrapport beoordeeld. Daarin is aangegeven dat de meetbaarheid bij de structuurfondsen beter is dan in andere EU-programma’s, zoals in het kader van het interne beleid van de Unie (onder andere op het gebied van milieu, onderwijs en transport). Het is positief dat in de structuurfondsprogramma’s zowel algemene doelen (prioriteiten) als onderliggende concretere doelen (maatregelen) worden geformuleerd en dat deze vrijwel altijd worden uitgedrukt in een aantal indicatoren met kwantitatieve streefwaarden, voorzien van een tijdshorizon. Wel concludeerden wij in het vorige EU-trendrapport dat het nogal eens lastig is om een duidelijke relatie te leggen tussen meetbare indicatoren en de relevantie van deze indicatoren voor het achterliggende doel.
De vraag is nu of de conclusies van het EU-trendrapport 2006 op basis van de MTE’s nog steeds gelden op basis van de updates. Daarvoor moet worden bepaald in welke mate de doelen zijn veranderd sinds de tussentijdse evaluaties van eind 2003. Uit onze analyse van de updates blijkt dat de doelen van de programma’s in beperkte mate zijn aangepast.
-
•Zo zijn in het ESF3-programma de doelgroepen uitgebreid alsmede de voor subsidie in aanmerking komende activiteiten. De gevolgen voor de meetbaarheid van de doelstellingen (doelformulering) zijn niet groot; het is met name een uitbreiding van de kring van mogelijke aanvragers en uitvoerders. Deze verandering was ingegeven door de veranderde conjunctuur en de achterblijvende benutting met als gevolg onderuitputting van de budgetten (Regioplan, 2005).
-
•In een aantal programma’s zijn de indicatoren deels veranderd in vergelijking met de MTE. Zo vormt bijvoorbeeld in Euregio Maas-Rijn de nieuwe indicatorenset een lichte verbetering door toevoeging van enkele relevante indicatoren en - in een aantal gevallen - aanpassing naar meer realistische streefwaarden. In het programma Noord-Nederland is een nieuwe maatregel toegevoegd en zijn andere herschikt. Ook in het visserijprogramma FIOV zijn veranderingen doorgevoerd in benaming en ordening van de doelen en in de streefwaarden. In Flevoland is een maatregel geschrapt en het bijhorende budget naar andere doelen overgeheveld.
-
•In veel programma’s zijn streefwaarden aangepast vanwege overheveling van budgetten binnen programma’s (zie § 18.1.3); dit heeft geen gevolg voor de kwaliteit van de doelen als zodanig. Wel is het realiteitsgehalte van de streefwaarden soms problematisch. In een aantal programma’s zijn dermate lage initiële streefwaarden opgenomen dat de realisatie met meer dan duizend procent de planning overstijgt (Euregio Maas-Rijn, Leader+, Zuid-Nederland). Dit is geen geschikte maatstaf voor doelbereiking. In Zuid-Nederland is de aanbeveling uit de MTE om een aantal indicatoren en streefwaarden aan te passen niet opgevolgd.
Veranderingen in de programma’s vinden plaats na overleg met en goedkeuring door de Commissie.
Interreg IIIB Noordwest Europa
Het Interreg IIIB-programma Noordwest-Europa is in het vorige EU-trendrapport niet bekeken, dus de conclusies van vorig jaar slaan niet op dit programma. Onze algehele conclusie over de doelformulering is dat deze erg breed en weinig specifiek is. Dit geldt ook voor de indicatoren die aan de doelen zijn gekoppeld, waardoor uitspraken doen over doelrealisatie niet goed mogelijk is (zie § 18.3). De doelen zijn van een grote algemeenheid waardoor ze niet goed te evalueren zijn. Ter illustratie: onder de
prioriteit Regions and Cities is als onderliggend doel opgenomen More attractive metropolitan areas in the global and European context . Wat nu precies wordt verstaan onder een attractiever stedelijk gebied, en voor wie dit gebied dan aantrekkelijker moet worden, blijft onduidelijk. Een tweede doelstelling binnen dezelfde prioriteit is nog algemener geformuleerd: Coherent and polycentric pattern of complementary cities, towns and rural areas, coastal and peripheral areas .
De Europese Rekenkamer kwam in 2004 eveneens tot het oordeel dat de Interreg-programma’s geen concrete doelstellingen hebben. De Europese Rekenkamer concludeert dat daardoor «de geboekte voortgang bijzonder moeilijk meetbaar wordt» (Europese Rekenkamer, 2004b).
De bovengenoemde veranderingen in de structuurfondsprogramma’s zijn, met uitzondering van het programma Noordwest Europa, niet van invloed op de algemene conclusie over de meetbaarheid van de programmadoelen, zoals weergegeven in het vorige EU-trendrapport en verkort herhaald aan het begin van deze paragraaf.
18.3 Kwaliteit van de informatie over doelrealisatie
Volgens de Europese Commissie is de analyse van «outputs and results achieved to date (...) the core element of the update» (Europese Commissie, ongedateerd, § 4.2). In § 18.2 is aangegeven dat het positief is dat er (doorgaans) indicatoren met kwantitatieve streefwaarden zijn opgesteld. Bij de analyse van de updates in dit hoofdstuk hebben wij ook gekeken naar de kwaliteit van de indicatoren en het verband tussen indicatoren en doelen zodat uitspraken over doelrealisatie kunnen worden gedaan.
18.3.1 Algemeen overzicht informatie over doelrealisatie
Overzicht 78 geeft een beeld van de mate waarin informatie over doelrealisatie is opgenomen in de updates. Als bij een doel geen relevante informatie over de feitelijke doelrealisatie was opgenomen, is de score «onbekend» ingevuld. De oorzaken worden toegelicht in § 18.3.3. De doelen zijn op het niveau van de maatregelen bekeken, tenzij anders aangegeven.
Positief scoren de programma’s Stedelijke Gebieden Nederland en het EUREGIO-programma. Op alle doelen kenden deze programma’s geschikte informatie over de doelrealisatie. Van vijf van de twaalf programma’s kan daarentegen geen uitspraak over de doelbereiking worden gedaan.
De totaalscore in het overzicht laat zien dat van ongeveer de helft van de doelen iets kan worden gezegd over de mate waarin ze zijn gehaald. Om uiteenlopende redenen (zie § 18.3.3) is voor de andere helft van de doelen de score niet op te maken uit de updates. De scores op de mate van doelbereiking komen in § 18.4 aan de orde.
Overzicht 78. Aanwezigheid informatie over doelrealisatie (aantal en percentage)
Programma |
# Doelen |
Informatie |
over doel- |
Doelen |
waarvan doel- |
(maatregelen) |
realisatie |
realisatie onbekend |
|||
#% |
# |
% |
|||
Flevoland |
25 |
17 |
68% |
8 |
32% |
Noord |
7 |
0 |
0% |
7 |
100% |
Oost |
8 |
0 |
0% |
8 |
100% |
Zuid |
9 |
8 |
89% |
1 |
11% |
Steden* |
3 |
3 |
100% |
0 |
0% |
ESF-3 |
8 |
5 |
63% |
3 |
37% |
FIOV |
11 |
8 |
73% |
3 |
27% |
Equal |
9 |
0 |
0% |
9 |
100% |
Leader+** |
7 |
0 |
0% |
7 |
100% |
Euregio |
|||||
Maas-Rijn |
12 |
6 |
50% |
6 |
50% |
EUREGIO*** |
10 |
10 |
100% |
0 |
0% |
Noordwest |
|||||
Europa |
10 |
0 |
0% |
10 |
100% |
TOTAAL119 |
57 |
48% |
62 |
52% |
|
De evaluatie van Stedelijke Gebieden Nederland geeft alleen informatie op het niveau van de algemene prioriteiten; niet op het niveau van de operationele maatregelen. Leader+ bestaat uit vier deelprogramma’s die in dit hoofdstuk als een programma worden beschouwd. De doelen van de deelprogramma’s zijn identiek.
Gemeenschappelijke evaluatie voor drie euregio’s met Nederlandse betrokkenheid: EUREGIO, Euregio Rijn-Waal en Euregio Rijn-Maas-Noord.
18.3.2 Voorbeelden van indicatoren
Aantal deelnemers
De indicator «aantal deelnemers» aan cursussen en re-integratietrajecten (ESF3 en Equal) geeft een indruk van de geleverde prestaties. Het is een indicatie van het aantal mensen dat kennis en vaardigheden wordt bijgebracht. Volgens ons zou het beter zijn als ook informatie over de uitval wordt verwerkt. Daarnaast zou het ook goed zijn als op deelnemersniveau effecten bekend zijn zoals een baan of diploma, afgezet tegen de streefwaarden. Bij ESF3 zijn alleen van de prestaties streefwaarden opgenomen in het enkelvoudig programmeringsdocument. De resultaat-en impactindicatoren zijn bij de start van het programma niet gekwantificeerd en daardoor zijn er geen streefcijfers waarmee vergeleken kan worden tussen beoogd en gerealiseerd.
Werkgelegenheid
Werkgelegenheid is een veelgebruikte effect- en prestatie-indicator, die ook door de Europese Commissie als een belangrijke indicator wordt gezien in het Europese cohesiebeleid. Soms is de indicator niet relevant maar vaak ook wel – dit hangt af van het doel. In een update wordt een inschatting gedaan van de netto-effecten van het programma (NoordNederland). Dit is op zichzelf positief en zou navolging verdienen in de overige programma’s. Echter, dan moet wel van realisatiecijfers worden uitgegaan. Zoals aangegeven in § 18.3.3 is de inschatting in Noord-Nederland gebaseerd op informatie over verwachte in plaats van gerealiseerde effecten. De andere programma’s gaan uit van bruto-effecten. Dat wil zeggen dat de causale relatie tussen het programma en het effect niet wordt gelegd.
18.3.3 Oorzaken gebrekkige informatie over doelrealisatie
Overzicht 79 geeft inzicht in de oorzaken van het feit dat naar ons oordeel voor een aantal doelen geen uitspraak kon worden gedaan over de mate waarin ze zijn gehaald. De score in het overzicht geeft het aantal doelen aan dat niet kon worden gescoord om een van de aangegeven oorzaken. Wij hebben de volgende normen gehanteerd:
-
•de indicator zegt iets over prestaties of effecten;
-
•de indicator is specifiek, dat wil zeggen geeft een concrete formulering wat de prestatie of het effect is;
-
•er is een logisch verband tussen prestaties / effecten en het doel;
-
•de doelrealisatie is gebaseerd op gegevens over de feitelijke realisatie.
Een doel kan meermaals zijn gescoord (bijvoorbeeld Euregio Maas-Rijn). Totaalscores per oorzaak geven enigszins een indicatie van de mate waarin deze zich voordoen.
Overzicht 79. Oorzaken van onbekende doelrealisatie (n = 62)
Geen gegevens
over feitelijke
realisatie
Geen logisch verband doel-indicator
Indicator te vaag Geen indicator/geen streefwaarde
Input- in plaats van output-informatie
Flevoland
Noord
Oost
Zuid
Steden
ESF-3
FIOV
Equal
Leader+
Euregio Maas-Rijn
EUREGIO
Noordwest Europa
-
-3 - 2 7---8---
-
-- 1 2
10
TOTAAL15
16
12
13
12
Hieronder geven we per oorzaak een toelichting met enkele voorbeelden.
Geen gegevens over feitelijke realisatie
De programma’s Oost-Nederland en Noord-Nederland hebben de evaluaties geheel gebaseerd op een prognose van de realisatie, te weten op basis van goedgekeurde projectaanvragen («gecommitteerde projecten»). Dat wil zeggen dat de cijfers een indicatie geven van de mogelijke of verwachte realisatie – hetgeen waardevolle managementinformatie kan zijn – maar niet van de feitelijke realisatie van de gestelde doelen. Dit laatste is nu juist de kernfunctie van de updates. Verder is niet zeker hoe realistisch de verwachtingen zijn. Zoals hierboven aangegeven worden in een aantal programma’s de beoogde prestaties en effecten van projecten in de projectaanvragen overschat («overcommittering»). Het is dus de vraag in hoeverre de prognoses werkelijkheid zullen worden.
Geen verband tussen doel en indicator
In Leader+ is geen relatie gelegd tussen de doelen en de indicatoren, hetgeen de evaluator ook aangeeft. De gepresenteerde scores hangen samen met niet nader toegelichte «thema’s» die niet zijn verbonden met de doelen. Uit de updates van Leader+ blijkt derhalve niet of, en zo ja in hoeverre, de doelen worden gehaald. De evaluator doet de aanbeveling
3
9
7
6
6
een relatie te leggen tussen de prioriteiten, maatregelen en indicatoren (Bent, 2005).
Geen logisch verband tussen doel en indicator
In een aantal programma’s is het gebrek aan een logisch verband tussen doel en indicator een belemmering om te komen tot uitspraken over doelrealisatie. Het gaat hier steeds om de vraag: zegt de score op een bepaalde indicator iets over de mate waarin het doel bereikt is? Wij hebben hier alleen «onbekend» gescoord als er geen logische relatie was; bij twijfel is de score toch meegenomen.
De indicator «aantal instellingen/netwerken dat direct aan het project deelneemt» (Euregio Maas-Rijn) heeft geen logisch verband met de doelen «verbeteren werkomgeving» of «bevorderen nieuwe en vernieuwende bedrijvigheid»: het feit dat veel bedrijven deelnemen zegt nog niets over (verbeteringen in) de werkomgeving of de mobiliteit. Daarnaast is het een dubbelzinnige indicator die verschillende grootheden – bedrijven en netwerken – optelt.
De indicator «werkgelegenheid» ontbeert een logisch verband met de maatregel «versterking karakter landelijk gebied» (Flevoland). Is het «karakter versterkt» van het landelijk gebied als de werkgelegenheid toeneemt? De doelformulering is bovendien vaag: het blijft onduidelijk in de evaluatie wat nu precies wordt beoogd met de maatregel.
Te vage indicator
Een indicator zoals «aantal voorzieningen» (Flevoland, Noord-Nederland) is niet specifiek genoeg. Deze wijst er weliswaar op dat er «iets» gerealiseerd is maar geeft geen inzicht in de aard en omvang van de prestatie. Zo is in het programma Noord-Nederland de target van het aantal toeristische voorzieningen niet gehaald omdat in plaats van veel «kleinere», er een minder groot aantal «grote» voorzieningen is gerealiseerd (Ecorys, 2005, p. 29). Zo lijkt het dan dat de doelstelling (versterking toeristische infrastructuur) niet is gehaald maar misschien dragen de «grote» voorzieningen wel meer bij aan het doel dan een groter aantal kleinere. Op basis van deze indicator blijft onbekend of het doel is gehaald.
De indicator «aantal ondernemers dat financiële bijstand ontvangt» wordt in één programma (Zuid-Nederland) bij verschillende maatregelen genoemd, bijvoorbeeld bij het doel «versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven». De indicator zegt echter niets over de aard en omvang: hoe groot is de bijstand per ondernemer, en waaraan wordt deze besteed? Dit blijkt niet uit de indicatoren.
112 De evaluatie geeft general output indicators, specific output indicators en results indicators. De laatste zijn voornamelijk kwalitatief. Elders wordt echter een andere indeling gehanteerd: in § 3.2.3 van de evaluatie wordt vermeld dat het programma-complement onderscheid maakt tussen indicatoren op drie niveaus: outputs (voor operationele doelen); results (voor specifieke doelen) en impacts (voor algemene doelen van het NoordwestEuropa-programma).
Bij één van de ESF3-doelen zijn de indicatoren het percentage projecten met als uitkomst een «bruikbare oplossing» en «de signalering van een relevant knelpunt». Dit zijn erg vage indicatoren (wanneer is iets relevant of bruikbaar). Overigens zegt een percentage alleen nog niet veel: als één project succesvol wordt uitgevoerd is de score al 100%. Het programma Noordwest-Europa kent zeer vage doelen, zoals aangegeven in § 18.2. Zelfs met een goede indicatorenset zou het niet goed mogelijk zijn een uitspraak over de doelrealisatie te doen. Het programma kent een groot aantal – 317 – indicatoren, wat de gebruikswaarde niet ten goede komt. Deze indicatoren zijn onderverdeeld in een aantal categorieën, waartussen het onderscheid niet geheel duidelijk is.112 Veel
indicatoren zijn – ook volgens de evaluatie zelf – erg algemeen geformuleerd en voor meer dan één uitleg vatbaar.
Geen indicator/geen streefwaarde
In het Equal-programma zijn geen streefwaarden gesteld.113 Dit betekent dat geen uitspraak over de doelrealisatie kan worden gedaan. Ook in ESF3 zijn bij twee maatregelen (B.1 en B.2) geen streefwaarden gegeven. Verder komt het voor dat er geen indicator is benoemd (Flevoland en Zuid-Nederland). Ook komt het voor dat de streefwaarde 0 is (Flevoland en Zuid-Nederland); die score wordt ook gehaald als het programma niet zou bestaan.114
Input- in plaats van output-informatie
Een indicator zoals «aantal projecten» (onder andere Flevoland, FIOV) geeft geen inzicht in de aard of de omvang van de prestatie en is eerder als inputinformatie te beschouwen. Een evaluator merkt weliswaar op dat «aantal projecten» geen zinvolle prestatie-indicator is, maar betrekt deze toch in de beoordeling van de doelbereiking (Framian, 2005). In de update van het Interreg-programma Noordwest-Europa wordt bij kwalitatieve indicatoren het aantal projecten als streefwaarde gebruikt. Deze waarde zegt echter nog niets over de inhoudelijke bijdrage aan het doel.
Ook «tijdelijke werkgelegenheid» (Flevoland) is inputinformatie want het gaat om de bij het project ingezette personen. Deze tijdelijke werkgelegenheid is geen doelstelling van het project als zodanig maar een «middel» om een doel te realiseren. De indicator zegt derhalve niets over de mate van succes van het project.
De indicator «aantal deelnemers aan projecten» (onder andere Noordwest-Europa, Euregio Maas-Rijn) kan eveneens als inputinformatie worden gezien. Deze geeft geen inzicht in de doelrealisatie. Van projectdeelnemers wordt geacht dat zij bijdragen aan het leveren van de prestaties; ze zijn niet zelf de prestaties. Overigens is «deelnemers aan cursussen» (zoals bij ESF3 en Equal) wel een indicator voor de prestaties (zie § 18.3.2).
18.4 Doelrealisatie
De analyse van de MTE’s in het vorige EU-trendrapport liet zien dat in de meeste gevallen de doelrealisatie nog achterbleef. De oorzaak was de trage start van de programma’s die formeel in 2000 begonnen, maar pas in 2003–2004 «op stoom» kwamen. Zoals hierboven aangegeven is een vergelijking tussen de meting uit de MTE en de update niet goed mogelijk door verschuivingen in de streefwaarden van de programma’s. De realisatie wordt alleen afgezet tegen in de update opgenomen streefwaarden.
113 Volgens het Ministerie van SZW houdt dit verband met de innovatieve en experimentele aard van het programma.
114 Er zijn overigens situaties denkbaar waarin een nulscore wel zinnig is, met name in de preventieve sfeer. Bijvoorbeeld de indicator «aantal nieuwe arbeidsongeschikten» met streefwaarde 0 bij de doelstelling «voorkomen instroom in arbeidsongeschiktheid». Van dergelijke situaties was in de onderzochte updates echter geen sprake.
De doelrealisatie per programma is in overzicht 80 weergegeven. Tevens is in de kolom ernaast het aandeel doelen met een bekende realisatie weergegeven. Bij de scores is de betrouwbaarheid van de informatie niet meegenomen (zie § 18.1.4).
Overzicht 80. Doelbereiking van de Nederlandse programma’s medegefinancierd uit de structuurfondsen
Programma
Gemiddelde score doelrealisatie (0–10)
% doelen waarover score is berekend
Flevoland
Noord
Oost
Zuid
Steden
ESF-3
FIOV
Equal
Leader+
Euregio Maas-Rijn
EUREGIO
Noordwest-Europa
5 |
68% |
- |
0% |
- |
0% |
7 |
89% |
6 |
100% |
5 |
63% |
2 |
73% |
- |
0% |
- |
0% |
5 |
50% |
6 |
100% |
- |
0% |
Het overzicht laat zien dat in de meeste programma’s geen volledig dekkende uitspraak mogelijk is over de doelrealisatie van het programma omdat van een aantal doelen geen score bekend is.115
Op de peildatum van de updates (eind 2004 of medio 2005; dit wisselt per programma) waren de meeste programma’s ongeveer halverwege, met nog veel projecten die nog niet waren afgerond. De uitvoering van projecten kan nog uitlopen tot en met 2008. Een score van 5 of 6 kan dan ook als redelijk goed worden beschouwd. Positief op doelrealisatie scoren de programma’s Stedelijke Gebieden Nederland en EUREGIO. Ook het programma Zuid-Nederland scoort relatief hoog, hoewel de realisatie binnen het programma sterk wisselt per maatregel.
Het FIOV-programma scoort laag. Voor drie maatregelen binnen de prioriteit «aquacultuur» zijn volgens de update geen projecten gestart (de oorzaak wordt niet in de update vermeld). Het enige project in een andere maatregel is stilgelegd vanwege technische problemen. Van andere projecten zal eerst bij afronding informatie beschikbaar komen over de realisatie.
18.5 Verhouding nationaal – Europees beleid
Het is van belang dat nationaal en Europees beleid zo veel mogelijk wordt afgestemd op elkaar. Dit ter voorkoming van overlap of andere ondoelmatigheden. Een graadmeter hiervoor is de aandacht die in verantwoordingsdocumenten wordt besteed aan het aanpalende Europese of nationale beleid. Wij zijn nagegaan in hoeverre de updates melding maken van nationaal beleid; andersom hebben we bekeken of departementale begrotingen en jaarverslagen aandacht besteden aan de Europese programma’s. De resultaten staan in onderstaand overzicht.
115 Overigens is de afdekking per doel vaak ook onvolledig omdat de score per doel is gebaseerd op een of meer indicatoren terwijl andere niet zijn meegerekend.
Overzicht 81. Verhouding nationaal/Europees beleid in verantwoordingsdocumenten
Programma |
Update |
Ministerie |
Begroting 2006 |
Jaarverslag 2005 |
Flevoland |
+ |
EZ |
+ |
+ |
Noord |
+ |
EZ |
+ |
+ |
Oost |
- |
LNV |
+ |
+ |
Zuid |
- |
EZ |
+ |
- |
Steden |
- |
BZK |
+ |
+ |
ESF-3 |
+ |
SZW |
+ |
+ |
FIOV |
- |
LNV |
+ |
+ |
Equal |
+ |
SZW |
+ |
+ |
Leader+ |
+ |
LNV |
- |
+ |
Euregio Maas-Rijn |
+ |
EZ |
+ |
- |
EUREGIO |
+ |
EZ |
+ |
- |
Interreg IIIB Noordwest- |
Niet van |
|||
Europa |
toepassing |
VROM |
- |
+ |
+ genoemd
– niet genoemd
Het algemene beeld is dat de updates in meerderheid aandacht besteden aan de relatie van het programma met nationaal beleid op hetzelfde terrein. Ook de ministeries maken melding van de EU-programma’s in begroting en/of jaarverslag. Een aantal plus-scores gaat echter niet verder dan het noemen van het nationale of Europese beleidsprogramma, zonder inhoudelijk in te gaan op de verhouding tussen beide. Een positieve uitzondering vormen ESF3 en Equal, die aandacht besteden aan de nationale beleidskaders en andersom besteedt ook het Ministerie van SZW aandacht aan deze programma’s in de departementale begroting en het jaarverslag. Ook in het programma Noord-Nederland (en begroting en jaarverslag van het Ministerie van EZ) is aandacht voor de samenhang tussen nationaal beleid (Kompas-programma) en het Europese beleid.
19 CONCLUSIES EN TRENDS NEDERLAND
Beleidsontwikkelingen Nederland
Het kabinet heeft belangrijke stappen gezet in het streven naar een Nederlandse lidstaatverklaring, die in het voorjaar van 2007 voor het eerst afgegeven zal worden over het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Vanaf het najaar van 2008 zal de lidstaatverklaring ook de structuurfondsgelden en de eigen middelen omvatten.
Wij ondersteunen dit streven en zijn van oordeel dat hiermee op afzienbare termijn beter inzicht zou kunnen ontstaan in de werking van de beheer- en controlesystemen en de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden in Nederland.
Alvorens de verklaring kan worden afgegeven moet nog veel werk worden verzet. Om de inhoud van de Nederlandse lidstaatverklaring goed te verankeren in een «single audit»-aanpak, is het nodig dat hierbij een sterke harmonisatie van controlewerkzaamheden, rapportages en accountantsverklaringen plaatsvindt. Hierbij dient expliciet te worden gemaakt dat de verklaring – en ook de onderliggende deelverklaringen – de rechtmatigheid van de transacties afdekt.
Op de beleidsterreinen gemeenschappelijk landbouwbeleid en structuurbeleid vinden procedurele en organisatorische veranderingen plaats. Naar ons oordeel kunnen deze ontwikkelingen het streven naar een Nederlandse lidstaatverklaring ondersteunen.
Systemen Nederland
Van alle EU-gelden die Nederland ontvangt is maar een klein deel als
zodanig herkenbaar in de Rijksjaarverslagen van de ministeries of elders.
Alleen het Ministerie van LNV heeft voldoende zorggedragen voor de
herkenbaarheid van deze gelden als EU-gelden.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken was vorig jaar minder transparant
over de afdrachten van Nederland aan de EU, maar heeft toegezegd in het
Jaarverslag over 2006 wel weer te laten zien hoe de gerealiseerde
afdrachten zijn opgebouwd.
Voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het structuurbeleid is bij de betreffende ministeries en betaalorganen c.q. programmamanage-ments veel informatie beschikbaar die inzicht geeft in het functioneren van de systemen. Hoewel veel van deze informatie niet openbaar is, kunnen wij deze op grond van onze bevoegdheden wel onderzoeken. Over controle en verantwoording van de intern-beleidprogramma’s is in Nederland vrijwel geen informatie aanwezig.
Op basis van de door ons ontwikkelde systeemindicatoren voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid hebben we vastgesteld dat de door de Europese Commissie vereiste controles in beide jaren werden uitgevoerd. Het Ministerie van LNV toetst jaarlijks of de betaalorganen nog voldoen aan de EU-erkenningscriteria. Vooralsnog is onduidelijk of alle technische diensten periodiek verantwoording afleggen aan het betaalorgaan met een beheersverslag, aan de hand waarvan de leiding van de betaalorganen de kwaliteit en kwantiteit van de uitgevoerde controles kan beoordelen en zonodig kan overgaan tot bijsturing. In 2005 zijn minder onregelmatigheden gemeld dan in 2004; tezamen hebben zij ook een kleiner financieel belang dan het voorgaande jaar. Uit de verantwoording zijn geen feiten naar voren gekomen die wijzen op gebreken in de systemen. De verantwoordingen van de zes Nederlandse
betaalorganen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid over het begrotingsjaar 2005 en de daarbij gevoegde goedkeurende accountantsverklaringen geven een redelijke mate van zekerheid dat de afrekening boekhoudkundig juist is en dat de interne controle en administratieve organisatie op orde zijn. Ze geven geen oordeel over de rechtmatigheid van de landbouwbestedingen op transactieniveau.
Onze indicatoren voor het beheer en voor het controle- en verantwoordingssysteem van de structuurfondsprogramma’s in Nederland laten zien dat de financiële voortgang van de uitvoering wisselt. Eind 2005 hadden vier van de zes programma’s 100% of meer van de middelen gecommitteerd; de uitputting bedraagt circa 60–70%. Een totaalbeeld van de stand van zaken van de financiële uitvoering van de programma’s is echter moeilijk vast te stellen omdat de daarvoor beschikbare informatie verschilt tussen de programma’s. Dit betekent dat de mogelijkheden tot benutting van deze gegevens beperkt zijn.
De vroegtijdige – en aangevochten – sluiting van het ESF-loket laat zien dat er forse (financiële) risico’s voor de lidstaat kunnen zijn als het interne beheer niet zorgvuldig genoeg wordt uitgevoerd.
Uit onze analyse van de controles op programmaniveau bleek dat de conclusie van de 5%-controles in 2005 positief was voor twee van de zes programma’s, tegen vier in 2004. De conclusies van de systeemcontroles over beheer en controle waren zowel in 2004 als 2005 positief voor vier van de zes programma’s. De frequentie van het op programmaniveau uitgeoefende toezicht door de comités van toezicht verschilt sterk tussen de programma’s. Aan het toezicht door de Ministeries van EZ en van LNV door middel van reviews wordt goed invulling gegeven, hoewel de rapportages daarover laat waren. Hierdoor was er geen kans op benutting van de resultaten. Het Ministerie van BZK heeft geen reviews uitgevoerd bij de gemeentelijke accountants. Dit is een belangrijke lacune, omdat het departement zich hierdoor er niet van heeft verzekerd dat ze ten behoeve van haar eigen accountantsverklaringen bij het jaarverslag en de artikel 13-rapportage kan steunen op de deelverklaringen van de gemeentelijke accountants.
Het verantwoordingsdocument richting Brussel – het artikel 13-rapport – wordt in de meeste gevallen op tijd geleverd en bevat de vereiste informatie. De uitvoeringsjaarverslagen van de programma’s worden in de helft van de gevallen op tijd geleverd. Met uitzondering van het ESF-programma ontvingen de programmamanagements hierover geen terugkoppeling van de Commissie.
De bij de artikel 13-rapporten gevoegde accountantsverklaringen voor de structuurfondsprogramma’s zijn positief. Ook hier geldt echter dat ze vooral een uitspraak doen over het functioneren van het systeem, en niet over de rechtmatigheid van de onderliggende transacties. De accountantsverklaring bij de financiële tabellen in de uitvoeringsjaarverslagen waren op één na goedkeurend.
De controles van de Europese Commissie in Nederland hebben ertoe geleid dat het DG Regio een brief heeft gestuurd aan de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de EU. Hierin wordt aangegeven dat een aantal ernstige tekortkomingen van systematische aard in de controlesystemen aan het licht zijn gekomen. Deze fouten leiden ertoe dat de Commissie geen redelijke zekerheid heeft over de effectiviteit van de Nederlandse beheer- en controlesystemen van deze EFRO-programma’s. Dit kan leiden tot het formuleren van een voorbehoud voor Nederland in
het activiteitenverslag van het DG Regio over 2006 en tot stopzetting van betaling. Verder geeft de Commissie aan dat door gemeenten gedeclareerde BTW-uitgaven die gedekt worden door het BTW-compensatiefonds moeten worden uitgesloten van declaratie bij de EU.
Rechtmatigheid Nederland
Ook in 2005 was er alleen informatie beschikbaar over aantal en financiële omvang van de gemelde onregelmatigheden. Aantal en omvang van de onregelmatigheden wijken niet sterk af van 2004, afgezien van een sterke toename van het aantal gemelde onregelmatigheden in Nederland op het terrein van de afdracht van de eigen middelen.
Aanvullend onderzoek naar het systeem van ontdekking, melding en opvolging van onregelmatigheden heeft het volgende laten zien:
-
•Veel fouten en tekortkomingen worden niet als onregelmatigheden gemeld aan «Brussel». Dit geldt vooral voor fouten en tekortkomingen die betrekking hebben op de wijze van aanbesteden en niet-subsidia-bele kosten.
-
•De ESF- en EFRO-programma’s gaan verschillend om met detectie en melding van onregelmatigheden. De activiteiten voor ESF bieden meer zekerheid dat problemen worden gevonden en gemeld.
-
•Programma-accountants treffen vaak nog fouten aan in projecten die bij afsluiting wel een goedkeurende accountantsverklaring hebben gekregen van de projectaccountant.
Doeltreffendheid Nederland
Op basis van onderzoek naar de updates van de midtermevaluaties van de structuurfondsprogramma’s is naar voren gekomen dat de kwaliteit van de informatie over doelrealisatie te wensen over laat: de indicatoren die worden gebruikt om effecten te meten hebben niet altijd betrekking op doelrealisatie. Verder blijkt dat enkele evaluaties in het geheel geen realisatiegegevens bevatten en slechts uitspraken doen op basis van prognoses. Voor die programma’s waarvan informatie over doelrealisatie van voldoende kwaliteit was, is de mate van doelrealisatie medio 2005 redelijk.
Het samenvattend (geaggregeerd) beeld van de in deel 3 van dit EU-trendrapport gebruikte indicatoren is weergegeven in figuur 14.
Figuur 14 Algemene trendinformatie 2000-2006: inkomsten en ontvangsten Nederland, beleidsontwikkelingen op EU-terrein
TRENDINDICATOR
Kerncijfers Nederland*
ONTWIKKELING SINDS 2000 EN STAND VAN ZAKEN 2003-2006
Inkomsten Nederland van de EU
In 2001 ongeveer € 1,6 miljard, in 2002 ongeveer € 1,5 miljard, in 2003 ongeveer € 1,9 miljard, in 2004 ongeveer € 2,0 miljard, en in 2005 ongeveer € 2,0 miljard (cijfers Europese Rekenkamer).
Afdrachten Nederland aan de EU
In 2001 ongeveer € 5,5 miljard, in 2002 ongeveer € 4,5 miljard, in 2003 ongeveer ^4,9 miljard, in 2004 ongeveer € 5,3 miljard, en in 2005 ongeveer € 5,9 miljard (cijfers Europese Rekenkamer).
Netto positie Nederland
Nederland is nettobetaler. Het verschil tussen afdrachten aan de EU en ontvangsten uit de EU bedroeg in 2002 en 2003 ongeveer € 3 miljard negatief. In 2004 was het circa € 3,2 miljard en in 2005 ongeveer € 3,9 miljard.
Ontwikkelingen in EU beleid financieel management relevant voor Nederland
Beleidsontwikkeling bij gemeenschappelijk landbouwbeleid en structuurbeleid**
'01 '02 '03 '04 '05 '06
Met de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is per 16 oktober 2006 het aantal betaalorganen beperkt tot twee: de Dienst Landelijk Gebied voor subsidiebetalingen uit het Europees Plattelandsfonds en de Dienst Regelingen voor subsidiebetalingen uit het Landbouwgarantiefonds. Het hoofd van een betaalorgaan geeft aan het eind van het boekjaar bij de afrekening een ‘assurance statement’ af.
In de periode 2007-2013 zijn er voor het EFRO vier regionale management-autoriteiten voor vier operationele programma’s. De vier management-autoriteiten worden: Noord: Samenwerkingsverband Noord-Nederland, Zuid: provincie Noord-Brabant, Oost: provincie Gelderland, West: Ministerie van BZK. Voor het ESF wordt het Agentschap SZW de managementautoriteit. De Dienst Regelingen van het Ministerie van LNV gaat optreden als certificeringsautoriteit voor de structuurfondsen (zowel EFRO als ESF). Verder is auditfunctie voor de structuur-fondsen gecentraliseerd. In de nieuwe situatie wordt de auditdienst van Financiën verantwoordelijk voor zowel EFRO als ESF.
Beleidsontwikkelingen financieel management**
'01 '02 '03 '04 '05 '06
Het kabinet heeft ingestemd met het ontwikkelen van een Nederlandse lidstaatverklaring over ontvangsten van EU-gelden in gedeeld beheer en de Nederlandse afdrachten aan de EU. De eerste verklaring, die alleen betrekking heeft op de landbouwgelden, zal in het voorjaar van 2007 worden afgegeven. Vanaf het najaar van 2008 zal de verklaring ook de structuurfondsgelden en de eigen middelen omvatten. De minister van Financiën zal de lidstaatverkla-ring afgeven, opgebouwd uit deelverklaringen van de betrokken ministers. De auditdiensten van de betrokken ministeries gaan een getrouwbeeldverklaring afgeven. De Algemene Rekenkamer is gevraagd hierbij een extern oordeel te geven, dat naar de Tweede Kamer wordt gestuurd.
* De hier gegeven trendinformatie loopt niet verder dan 2005 in verband met de publicatiedatum van de bron: het jaarverslag van de Europese Rekenkamer. ** Dit betreft indicatoren die wij vanaf het EU-trendrapport 2006 in het onderzoek hebben betrokken. Daarom ontbreekt trendinformatie over 2001-2003.
In figuur 14 is algemene informatie opgenomen over de trendindicatoren voor de onderwerpen «inkomsten Nederland», «afdrachten Nederland», «nettopositie Nederland», «beleidsontwikkelingen gemeenschappelijk landbouwbeleid en structuurbeleid» en «beleidsontwikkelingen financieel management».
In onderstaand overzicht geven we daarnaast specifieke informatie over de trendindicatoren voor de onderwerpen «rechtmatigheid» en «doeltreffendheid».
Overzicht 82. Specifieke trendinformatie 2003–2005 Nederland: rechtmatigheid en doeltreffendheid
Hoofdstuk
Onderdeel
Indicatoren
(geaggregeerd
niveau)
Mate van inzicht in 2003–2005
Resultaten in 2003–2005
Systemen Planning en
gemeenschap- uitvoering
pelijk landbouwbeleid
Financiële voortgang Hoog
Aantal gerealiseerde aanvragen ten opzichte van gepland in 2005 met 201% hoger dan de 106% van 2004. Gedeclareerd bedrag landbouwsubsidies met circa € 1,2 miljard nagenoeg gelijk.
Controle en toezicht
Aantal gerealiseerde versus geplande controles en bevindingen
Grotendeels
Aantal uitgevoerde certificerende audits en afgegeven aanbevelingen
Hoog
Verantwoording
Aantal betaalorganen Hoog dat «in control»-ver-klaring opstelt en jaaraangiftes tijdig heeft ingediend bij Europese Commissie
Externe audit
Aantal rapportages Europese Rekenkamer en Algemene Rekenkamer met aandacht voor Nederland
Hoog
Realisatie ten opzichten van planning in 2005 iets lager dan in 2004 (93% tegen 94%). In 2005 minder onregelmatigheden gemeld dan in 2004 (109 tegen 159) met lager financieel belang.
Certificerende audits voor elk betaalorgaan (6). Aantal zware (A) aanbevelingen van 1 in 2004 naar 0 in 2005.
Alle (6) betaalorganen hebben een «in control»-verklaring opgesteld en tijdig jaaraangiftes ingediend.
In 2004 publiceerde de Europese Rekenkamer drie rapporten waarin Nederland aan de orde komt, in 2005 één keer. Ook de Algemene Rekenkamer publiceerde in 2004 drie rapporten waarin Nederland aan de orde komt, in 2005 één.
Systemen structuurfondsen
Planning en uitvoering
Financiële voortgang Hoog
Het merendeel van de EFRO-programma’s heeft ultimo 2005 meer dan 100% van het totale nationale budget hebben gecommitteerd. Voor de EU-bijdrage ligt dat voor de meeste programma’s onder de 100%. Vergeleken met 2004 zijn zowel de committeringen als realisatie van de meeste programma’s toegenomen. De committeringen in het ESF-programma (EU-bijdrage) zijn in 2005 met 27% toegenomen ten opzichte van 2004. Het totaal aan committeringen van € 1 786,5 miljoen per ultimo 2005 is exclusief de nog toe te kennen ESF-subsidie van aanvragen ingediend vlak voor de sluiting van het ESF-loket eind oktober 2005.
Controle en toezicht
Gerealiseerde versus geplande controles
Grotendeels
Over artikel 4-controles is in Nederland beperkt informatie beschikbaar. Zowel in 2004 als 2005 gemiddels circa zes projecten gecontroleerd in kader 5%-controles, met in 2004 positieve conclusie voor vier van de zes programma’s tegen twee van de zes in 2005. Systeemaudits door meeste programma’s uitgevoerd.
Hoofdstuk
Onderdeel
Indicatoren
(geaggregeerd
niveau)
Mate van inzicht in 2003–2005
Resultaten in 2003–2005
Werkzaamheden comités van toezicht (CvT’s) en auditdien-sten
Hoog
CvT’s van meeste programma’s betrokken bij artikel 13 verslag en jaarverslag. CvT’s vergaderen gemiddeld bijna drie keer per jaar. Over ingezette capaciteit auditdiensten is weinig informatie beschikbaar. In 2004 vier van de veertien geplande reviews gerealiseerd; in 2005 vijf van de veertien.
Verantwoording
Tijdigheid en informatie in artikel 13-verslagen van de programma’s
Hoog
In 2004 vier van de zes artikel 13-verslagen op tijd, in 2005 vijf van de zes. Gemiddeld vijf van de verslagen bevatten zowel in 2004 als 2005 de vereiste informatie. Alle zijn voorzien van goedkeurende accountantsverklaring. ESF heeft geen accountantsverklaring bij artikel 13-verslag.
Tijdigheid en informatie in Jaarverslag programma’s
Hoog
Zowel in 2004 als 2005 publiceerden drie van de zes programma’s tijdig het uitvoeringsjaarverslag. Vier van de vijf zijn voorzien van goedkeurende accountantsverklaring, één met beperkingen. ESF had geen accountantsverklaring bij jaarverslag, maar dat is ook niet vereist.
Externe audit
Aantal rapportages Europese Rekenkamer en Algemene Rekenkamer waarin Nederland aan de orde komt.
Hoog
In 2004 en 2005 publiceerde de Europese Rekenkamer geen rapporten over structuurfondsen waarin Nederland aan de orde komt. De Algemene Rekenkamer publiceerde in 2004 één rapport waarin dit het geval is en in 2005 twee.
Rechtmatigheid
Informatie Europese Commissie
Inzicht op basis jaarlijkse activiteitenverslagen DG’s
Niet in 2003, beperkt in 2004 en 2005
Nederland komt weinig voor in de jaarverslagen van de DG’s van de Commissie.
Informatie Nederland en Europese Commissie
Aantal en financieel belang gemelde onregelmatigheden
Deels
Aantal gemelde onregelmatigheden voor de eigen middelen sterk toegenomen naar 1 729, na stabiel aantal in 2003–2004 (circa 500). Financieel belang van € 60 miljoen in 2003, via € 44 miljoen in 2004 naar € 62 miljoen in 2005. Voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid is aantal onregelmatigheden na stijging tot 308 in 2004 gedaald in 2005 tot 146. Financieel belang ook gedaald van € 3,7 miljoen naar € 2 miljoen in 2005.
Bij structuurfondsen is aantal gemelde onregelmatigheden gestegen van 45 in 2004 naar 59 in 2005. Financieel belang is met circa € 4 miljoen toegenomen. Onderzoeken van de Algemene Rekenkamer en de Europese Commissie laten zien dat niet alle onregelmatigheden worden gemeld.
Aantal en financieel belang opgelegde financiële correcties
Deels
Aantal en waarde van financiële correcties bij eigen middelen onbekend. Bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid is de waarde van de financiële correcties gedaald van circa€ 23 miljoen naar circa € 1,5 miljoen.
Bij structuurfondsen is de waarde van financiële correcties voor de helft van de programma’s bekend.
Informatie Europese Rekenkamer
Algemene conclusie over Nederland
Geen, maar is geen taak Europese Rekenkamer
Geen.
Conclusie per begrotingshoofdstuk voor Nederland
Geen, maar is geen taak Europese Rekenkamer
Geen.
Fouten per begrotingshoofdstuk
Beperkt, maar is Bij DAS-controles voor Jaarverslag 2005 is een
geen taak Europese beperkt aantal fouten geconstateerd bij eigen
Rekenkamer middelen (aantal onduidelijk) en gemeenschap-
pelijk landbouwbeleid (4).
Hoofdstuk
Onderdeel
Indicatoren
(geaggregeerd
niveau)
Mate van inzicht in 2003–2005
Resultaten in 2003–2005
Doeltreffendheid Informatie van Inzicht op basis jaar-
Nederland en lijkse activiteiten-
Europese Commissie verslagen DG’s
Geen
Inzicht op basis van (updates van) midtermevaluaties
Deels
Niet van toepassing.
Kwaliteit van informatie over doelrealisatie laat te wensen over.
Enkele evaluaties bevatten geen realisatiegegevens, maar alleen uitspraken deden op basis van prognoses. Voor die programma’s waarvan informatie over doelrealisatie van voldoende kwaliteit was, is de mate van doelrealisatie medio 2005 redelijk.
DEEL 4 CONCLUSIES, AANBEVELINGEN EN REACTIES
20 CONCLUSIES
20.1 Hoofdconclusies
Nederland zet positieve stappen in de richting van een lidstaatverklaring De eerste hoofdconclusie uit onze bevindingen over de afgelopen periode is dat Nederland – als een van de weinige EU-lidstaten – een belangrijke stap heeft gezet naar een betere verantwoording over EU-gelden. Nederland gaat namelijk in het voorjaar van 2007 voor het eerst een «lidstaatverklaring» naar Brussel en naar het parlement sturen. In zo’n verklaring legt een nationale regering verantwoording af over de juiste besteding van ontvangen EU-gelden en over de afdracht van gelden aan de EU.
In 2007 zal de verklaring betrekking hebben op de ontvangen landbouw-gelden. Vanaf 2008 zal de verklaring behalve de landbouwgelden ook de structuurfondsgelden en de eigen middelen omvatten. De verklaring zal vanaf dat jaar steeds in het najaar worden afgegeven. Het kabinet heeft de Algemene Rekenkamer gevraagd hierbij een oordeel te geven, en wij hebben daarin toegestemd. Wij zullen ons oordeel over de lidstaatverklaring baseren op normen ontleend aan de Europese regels. Onze werkzaamheden zullen echter tevens gebaseerd zijn op de relevante Nederlandse normen. Als daartoe aanleiding is zullen we in onze rapportage aan de Staten-Generaal aandacht besteden aan eventuele afwijkingen en overeenkomsten.
Met de opstelling van een lidstaatverklaring bevindt Nederland zich – samen met het Verenigd Koninkrijk en Denemarken – in de voorhoede van de ontwikkeling naar een betere financiële verantwoording, op basis waarvan EU-burgers te weten kunnen komen of hun geld goed besteed wordt.
Het begin van de nieuwe structuurfondsperiode 2007–2013 biedt kansen om de inhoud van de Nederlandse verklaring op dit vlak goed te verankeren in een «single audit»-aanpak, waarin benutting van gegevens van anderen – mits van voldoende kwaliteit – vooropstaat. Hiervoor is het wenselijk dat een harmonisatie plaatsvindt van controlewerkzaamheden en van rapportages daarover op het niveau van de programmaautoriteiten.
Nog steeds geen zicht in Brussel op rechtmatigheid besteding EU-gelden Onze tweede hoofdconclusie is minder positief: het inzicht in en de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden op EU-niveau is in 2005 niet of nauwelijks verbeterd. De Europese Rekenkamer heeft voor begrotingsjaar 2005 opnieuw geen betrouwbaarheidsverklaring af kunnen geven. Er bestaat op het niveau van de begrotingshoofdstukken geen gespecificeerd beeld van de mate waarin de EU-gelden rechtmatig worden toegekend en uitgegeven. Europese burgers kunnen dus nog niet achterhalen of hun gelden juist worden besteed binnen de EU. De door ons geïdentificeerde rechtmatigheidsindicatoren konden ook voor 2005 maar beperkt worden ingevuld. De kwaliteit van de bestaande informatie – met name over onregelmatigheden – vertoont gebreken.
Enige verbetering in het Europese financieel management is wel zichtbaar op het niveau van de Europese Commissie. De jaarlijkse activiteitenverslagen van de directoraten-generaal (DG’s) en diensten van de Commissie gaven in 2005 weer iets meer inzicht in hun resultaten dan in voorgaande jaren. Maar de activiteitenverslagen zijn nog steeds beperkt als het gaat om informatie over bijvoorbeeld controles in de lidstaten. Door de
expliciete verklaring die de Commissie tegenwoordig afgeeft bij het overkoepelende Syntheseverslag, is de verantwoordingsketen van de EU verder aangevuld. De Commissie verklaart namelijk expliciet dat zij verantwoordelijk is voor het management in 2005. In de bedoelde verklaring stelt de Commissie dat de bestaande interne controlesystemen redelijke zekerheid geven over de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden (ook in de lidstaten), met inachtneming van de geformuleerde voorbehouden. Juist die voorbehouden van de DG’s en de diensten (hoewel licht afgenomen in 2005) zijn nog steeds talrijk, waardoor de werkelijke betekenis van de verklaring vooralsnog beperkt is.
In Nederland voldoende informatie over bestedingen, maar financiële risico’s bij structuurfondsgelden
Onze derde hoofdconclusie luidt dat er in Nederland voldoende informatie beschikbaar is over de besteding van Europese landbouw- en structuurfondsgelden om vast te kunnen stellen of de systemen voor financieel management goed werken. De systemen blijken in het algemeen ook redelijk te functioneren.
Maar: een volledig beeld van de rechtmatigheid van de bestedingen in het kader van het EU-beleid was er in 2005 niet, evenmin als in voorgaande jaren. De zichtbaarheid van EU-gelden in verantwoordingen van ministeries is beperkt. Verder blijken er aan de manier waarop in Nederland wordt omgegaan met onregelmatigheden bij de uitvoering van EU-pro-gramma’s financiële risico’s te zijn verbonden. Dit geldt vooral voor de programma’s die worden gefinancierd vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Ook aan het declareren bij de EU door gemeenten en provincies van BTW die al gedekt wordt door het BTW-compensatiefonds zijn mogelijk grote financiële risico’s verbonden.
Over de doeltreffendheid van het EU-beleid in Nederland is weinig informatie beschikbaar. Alleen over de doeltreffendheid van het structuurbeleid zijn er gegevens. De kwaliteit daarvan is wisselend. Zo zijn vraagtekens te plaatsen bij de kwaliteit van de informatie over doelrealisatie. Voor de programma’s waarover informatie van voldoende kwaliteit beschikbaar is, geldt dat de mate van doelrealisatie medio 2005 redelijk genoemd kan worden.
De verantwoording die de betrokken ministers aan de Tweede Kamer afleggen over de resultaten van het EU-beleid in Nederland, is tamelijk diffuus en onvolledig: de weinige rapportages komen laat en gaan vooral in op besteding van gelden, niet op beleidsresultaten.
20.2 Scores op hoofdindicatoren 2003–2006
Op basis van de bevindingen in het rapport en de meest relevante beleidsontwikkelingen hebben we de vijf hoofdindicatoren van het EU-trendrapport geactualiseerd.
Indicator 1: kwaliteit EU-systemen voor financieel management
Elk jaar geeft de informatie in de jaarlijkse activiteitenverslagen van de
DG’s en diensten van de Europese Commissie iets meer inzicht in de
resultaten van het gevoerde beleid en de inzet die daarvoor is gepleegd.
De informatie is echter nog steeds beperkt als het gaat om de resultaten
van controles ter plaatse in de lidstaten en van interne audits binnen de
DG’s van de Commissie.
Het blijkt bovendien lastig om van jaar op jaar gegevens van de
Commissie te actualiseren: wat hierover wordt vermeld wisselt nogal
eens, en met name in de informatie van het Europees antifraudebureau OLAF nemen wij onduidelijkheden en omissies waar. Het Syntheseverslag wordt niet ondertekend door één of meer politiek verantwoordelijke EU-commissarissen. Hierdoor is de verantwoordingsketen van de Commissie nog incompleet. Toch heeft het Syntheseverslag 2005 een andere lading dan eerdere Syntheseverslagen. In dit geval verklaart de Commissie namelijk expliciet dat zij verantwoordelijk is voor het management in 2005. Dat de Commissie politieke verantwoordelijkheid neemt voor het jaarlijkse overkoepelende Syntheseverslag kan op termijn tot een versterking van de Europese verantwoordingsketen leiden. Het Syntheseverslag gaat echter op dit moment nog vergezeld van zo veel voorbehouden, dat de werkelijke betekenis van de begeleidende Commissieverklaring die stelt dat de bestaande interne controlesystemen redelijke zekerheid geven over de rechtmatigheid van de bestedingen (ook in de lidstaten), beperkt is.
Indicator 2: inzicht in rechtmatige besteding EU-gelden in de EU Het inzicht in de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden binnen de EU als geheel is in 2005 niet verbeterd. Het jaarverslag van de Europese Rekenkamer geeft geen gekwantificeerd totaalbeeld voor de EU.
De beschikbare gegevens uit de EU-lidstaten zijn nog niet voldoende om tot een beeld per lidstaat te komen. Hoopgevend is dat inmiddels drie lidstaten, waaronder Nederland, zich inzetten voor het ontwikkelen van een lidstaatverklaring over de besteding van EU-gelden in eigen land.
Indicator 3: mate van rechtmatigheid besteding EU-gelden in de EU De Europese Rekenkamer heeft ook voor begrotingsjaar 2005 geen positieve betrouwbaarheidsverklaring kunnen afgeven. Op alle belangrijke beleidsterreinen van de EU zijn er in meer of mindere mate problemen met de wettigheid en regelmatigheid van de bestedingen van EU-gelden vastgesteld. De gegevens van de Europese Commissie over onregelmatigheden en fraude, en de informatie die af te leiden is uit de betrouwbaarheids-verklaringen van de DG’s en diensten van de Commissie, blijven tezamen onvoldoende basis bieden tot het doen van uitspraken over rechtmatigheid.
Indicator 4: inzicht in recht- en doelmatige besteding EU-gelden in Nederland
De trend dat er in Nederland wel informatie aanwezig is over het functioneren van de systemen van financieel management voor Europese landbouw- en structuurfondsgelden, maar niet volledig voor de rechtmatigheid van de besteding daarvan, heeft zich in 2005 doorgezet. Bij de ministeries bestaat vrijwel geen inzicht in de besteding van gelden voor het intern beleid van de EU.
Over de doeltreffendheid van het Europees beleid zoals dat in Nederland wordt uitgevoerd was in 2005 wel enige informatie beschikbaar – althans voor zover het gaat om het beleid dat wordt gefinancierd vanuit de structuurfondsen. De updates van de midtermevaluaties verschaffen hier enig inzicht. De verantwoording aan de Tweede Kamer over de resultaten van het EU-beleid is echter beperkt: de rapportages komen laat en gaan nauwelijks in op beleidsresultaten.
Indicator 5: mate van recht- en doelmatigheid besteding EU-gelden in
Nederland
Rechtmatigheidsinformatie over de besteding van EU-gelden in
Nederland beperkt zich tot informatie over onregelmatigheden en de
financiële consequenties daarvan. Daaruit komt een beeld naar voren van een toename van de gemelde onregelmatigheden bij de «eigen middelen» (de bijdragen van Nederland aan de begroting van de EU), een afname van de gemelde onregelmatigheden bij de landbouwgelden en een constant aantal gemelde onregelmatigheden bij de structuurfondsgelden. De lidstaatverklaring die Nederland vanaf 2007 gaat opstellen over de nationale besteding van EU-gelden zou op termijn tot een beter totaalbeeld moeten gaan leiden.
Ons eigen onderzoek naar de uitvoering van het structuurbeleid bij drie van de zes Nederlandse structuurfondsprogramma’s heeft laten zien dat er financiële risico’s verbonden zijn aan de werkwijze die Nederland hanteert bij het opsporen en melden van onregelmatigheden. Bepaalde problemen die regelmatig voorkomen bij met name de EFRO-programma’s, worden consequent níet gemeld aan Brussel. De Europese Commissie, die dit onlangs ook zelf heeft vastgesteld, heeft haar afkeuring hierover uitgesproken. Zij is het tevens oneens met de werkwijze van gemeenten en provincies in Nederland bij het BTW-compensatiefonds. De Commissie heeft Nederland gemaand snel orde op zaken te stellen.
20.3 Aanbevelingen
De ministers van Financiën en Buitenlandse Zaken leggen we de volgende aanbevelingen voor:
-
•De genoemde ministers zouden de overige EU-lidstaten actief moeten blijven informeren over de ervaringen met de Nederlandse lidstaatverklaring.
-
•Belangrijk is ook dat de genoemde ministers de Europese Commissie blijven vragen om transparantie over de besteding van EU-gelden in de lidstaten verder te bevorderen. Het kabinet zou eurocommissaris Kallas kunnen vragen zijn brief over de besteding van EU-gelden in de lidstaten niet naar de nationale rekenkamers te sturen maar naar de nationale ministeries van Financiën (en in afschrift naar de nationale rekenkamers), zodat zij deze informatie kunnen gebruiken bij (het ontwikkelen van) hun lidstaatverklaring.
-
•Verder zouden de beide bewindspersonen bij de Commissie moeten aandringen op verdere versterking van de verantwoordingsketen van de EU. In dat verband zouden zij de Commissie onder meer moeten vragen om transparant te maken hoe haar verklaring over redelijke zekerheid in het Syntheseverslag verankerd is in de onderliggende verklaringen van de DG’s.
-
•Tot slot zouden de beide ministers de Commissie moeten verzoeken om systematischer de beschikbare informatie te publiceren over rechtmatigheid op het niveau van individuele lidstaten, de kwaliteit van de informatie van OLAF te verbeteren en inzicht te geven in de resultaten en benutting van controles van de DG’s in de lidstaten.
Eén aanbeveling richten wij tot de minister van Financiën afzonderlijk:
-
•De minister zou moeten bevorderen dat de inhoud van de Nederlandse lidstaatverklaring wordt verankerd in een «single audit»-aanpak- een systeem dus waarbij elk controleniveau voortbouwt op het voorgaande - inclusief harmonisatie van controlewerkzaamheden, rapportage en formulering van deelverklaringen.
Onze aanbevelingen aan de ministers van Economische Zaken (EZ), van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en van Financiën luiden:
-
•De genoemde ministers zouden de uitvoering van ontdekking en melding van onregelmatigheden moeten verbeteren, zodat Nederland in de nieuwe structuurfondsperiode (2007-2013) niet met dezelfde problemen geconfronteerd zal worden. Van belang hierbij is dat als onregelmatigheden worden geconstateerd, deze altijd worden gemeld aan OLAF.
-
•De genoemde ministers zouden in de nieuwe structuurfondsperiode moeten zorgen voor een betere aansluiting van beleidsdoelen, -indicatoren en -prestaties. Bovendien zouden alle evaluaties gebaseerd moeten zijn op realisatiegegevens, niet op prognoses, en zou meer belang moeten worden gehecht aan het bruikbaar maken van informatie over (resultaten van) EU-beleid voor de Tweede Kamer.
De ministers van BZK, EZ, SZW, OCW, VenW, Justitie en Financiën doen we de volgende aanbeveling:
-
•De genoemde ministers zouden - om de transparantie van de EU-gelden in Nederland te vergroten - alle EU-gelden die bij hun ministerie geadministreerd worden als zodanig herkenbaar in de verantwoording moeten opnemen.
Ten slotte richten we de volgende aanbeveling aan de minister van SZW:
-
•De minister zou het beheer van het ESF-programma moeten versterken. Dat in één en hetzelfde jaar (te weten 2005) enerzijds ESF-gelden zijn gedecommitteerd (geschrapt wegens niet-besteding) en anderzijds het ESF-loket vroegtijdig is gesloten, roept vragen op. Een betere monitoring en de invoering van een subsidieplafond zijn mogelijke manieren om het beheer te verbeteren.
116
De integrale tekst van de kabinetsreactie is te vinden op de website van de Algemene Rekenkamer: www.rekenkamer.nl.
21 REACTIE KABINET EN NAWOORD ALGEMENE REKENKAMER
Op 24 januari 2007 heeft de minister van Financiën mede namens de minister van Buitenlandse Zaken de Algemene Rekenkamer de kabinetsreactie op het EU-trendrapport 2007 gestuurd. In de brief geeft het kabinet eerst een reactie op onze hoofdconclusies en vervolgens een afzonderlijke reactie bij elk van onze aanbevelingen (zoals samengevat in bijlage 1). Hieronder is een samengevatte weergave van de kabinetsreactie opgenomen, per onderdeel aangevuld met ons nawoord.116
21.1 Reactie op de hoofdconclusies
Het kabinet geeft aan dat het de Algemene Rekenkamer erkentelijk is voor de conclusie dat Nederland positieve stappen zet in de richting van een nationale verklaring (lidstaatverklaring). De invoering hiervan is volgens het kabinet een belangrijke stap om de verantwoording over de EU-fond-sen in gedeeld beheer te verbeteren en op termijn te komen tot een positieve betrouwbaarheidsverklaring over de EU-begroting. Verder geeft het kabinet aan verheugd te zijn dat wij positief hebben gereageerd op het verzoek van het kabinet om een jaarlijks oordeel af te geven bij de nationale verklaring. Het onafhankelijke oordeel van de Algemene Rekenkamer vormt volgens het kabinet een belangrijk onderdeel van de extra zekerheid die Nederland geeft over het financieel beheer van de Europese fondsen in gedeeld beheer in Nederland.
Bij de totstandkoming van de nationale verklaring zal volgens het kabinet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van het principe van «single audit». Verder meent het kabinet dat met de centralisatie van de audit-functie en de certificeringsfunctie voor structuurfondsen naar respectievelijk de Audit Dienst Financiën (AdF) en de Dienst Regelingen van het Ministerie van LNV, in de nieuwe programmaperiode 2007–2013 een belangrijke stap is gezet in de richting van meer uniformiteit in het financieel beheer van EU-gelden. Hiermee is een reductie van het aantal betrokken instanties en uniformering van procedures te realiseren die de daadwerkelijke invoering van het «single audit»-principe in de praktijk zal vergemakkelijken.
In reactie op onze tweede hoofdconclusie, te weten dat het inzicht in de rechtmatigheid van de bestedingen van EU-gelden op EU-niveau in 2005 niet of nauwelijks is verbeterd, geeft het kabinet aan te betreuren dat de Europese Rekenkamer ook dit jaar niet staat is geweest om in haar jaarverslag over de EU-begroting 2005 tot een positieve betrouwbaar-heidsverklaring te komen.
Verder zegt het kabinet toe er bij de Europese Commissie op te zullen aandringen dat deze het financieel beheer zodanig verbetert dat dergelijke voorbehouden in de toekomst zullen afnemen.
Over onze constatering dat ook in Nederland geen volledig beeld bestaat van de rechtmatigheid van de bestedingen van EU-gelden, merkt het kabinet op dat met de invoering van de nationale verklaring een nieuwe verantwoordingslijn wordt gecreëerd naar de Tweede Kamer over de rechtmatige besteding van EU-gelden in gedeeld beheer. De nationale verklaring is ingevoerd met de bedoeling de rechtmatigheid van de EU-bestedingen te kunnen waarborgen een daarmee een betrouwbaar beeld te creëren van de rechtmatigheid van de besteding van de EU-fondsen in gedeeld beheer in Nederland.
Over de door ons geschetste risico’s voor programma’s gefinancierd uit het EFRO (te weten het probleem dat sommige gemeenten en provincies in het kader van EFRO-projecten BTW bij de EU declareren die nationaal al wordt gecompenseerd via het BTW-compensatiefonds), geeft het kabinet aan hierover principieel van mening te verschillen met de Europese Commissie. Over de uitleg van de verordening op dit specifieke punt zijn nog gesprekken gaande; het kabinet streeft ernaar op korte termijn hierover duidelijkheid te krijgen.
In reactie op onze conclusie dat de rapportage over de resultaten van EU-beleid onvolledig en tamelijk diffuus is, en dat de weinige rapportages laat komen en vooral ingaan op de besteding en niet op de beleidsresulta-ten, schrijft het kabinet dat in de huidige verantwoording over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het structuurbeleid een goed beeld wordt gegeven van de resultaten van EU-beleid in Nederland. Het kabinet geeft echter ook aan met de Algemene Rekenkamer de overtuiging te delen dat verbetering van de verantwoording over de resultaten mogelijk is.
Nawoord Algemene Rekenkamer
Wij zijn van mening dat de ontwikkeling van de lidstaatverklaring over de besteding van EU-gelden in gedeeld beheer in Nederland de belangrijkste stap is die de laatste jaren is gezet in de richting van verbetering van het financieel management van EU-gelden. Wij hopen dat hiermee inderdaad de rechtmatigheid van de EU-bestedingen kan worden gewaarborgd, waardoor ook burgers meer zekerheid krijgen over de juiste besteding van Europese gelden.
De Algemene Rekenkamer zal, aanvullend op het jaarlijks afgeven van een extern oordeel bij de lidstaatverklaring, de verdere ontwikkeling van de verklaring nauwlettend blijven volgen en waar mogelijk daaraan constructief bijdragen. In dit verband spreken wij de hoop uit dat de lidstaatverklaring vanaf 2008 niet alleen de gelden in gedeeld beheer zal bevatten, maar ook de Nederlandse afdracht aan de eigen middelen van de EU.
Wij zullen de kwestie rond het BTW-compensatiefonds blijven volgen, aangezien deze aanzienlijke financiële gevolgen kan hebben. Indien nodig komen wij op dit onderwerp terug in volgende EU-trendrapporten. Verder zijn wij verheugd dat het kabinet onze overtuiging deelt dat verbetering van de verantwoording over de resultaten van EU-beleid in Nederland mogelijk is. Wij zullen met belangstelling volgen hoe het kabinet hieraan invulling gaat geven.
21.2 Reactie per aanbeveling
Lidstaatverklaring, transparantie en versterking Europese verantwoordingsketen
In reactie op onze aanbevelingen aan de ministers van Financiën en Buitenlandse Zaken over het extern informatie geven over de Nederlandse lidstaatverklaring, de verbetering van transparantie en versterking van de verantwoordingsketen in de EU deelde het kabinet het volgende mee. • De ministers van Financiën en Buitenlandse Zaken hebben in nauwe onderlinge samenwerking en in de geëigende fora de overige lidstaten in de voorbereidingen voor de invoering van een nationale verklaring uitgebreid geïnformeerd over het Nederlandse initiatief en zijn voornemens dat te blijven doen. Ook is er intensief samengewerkt met de Britse en Deense EU-partners die vergelijkbare initiatieven hebben genomen. Het kabinet wil deze samenwerking in de directe toekomst
verder intensiveren om gezamenlijk de overige EU-lidstaten te stimuleren om vergelijkbare initiatieven te ontplooien.
-
•De ministers van Financiën en Buitenlandse Zaken zullen er bij de Europese Commissie op blijven aandringen dat zij de transparantie van de uitgaven in de lidstaten blijft bevorderen. Er zal bij de Commissie (DG-Budget) op worden aangedrongen dat ook in het vervolg de brief (over de besteding van EU-gelden in een gegeven jaar, AR) direct aan de ministeries van Financiën wordt gestuurd met een afschrift aan de nationale rekenkamers.
-
•De ministers van Financiën en Buitenlandse Zaken zullen blijven aandringen op een versterking van de verantwoordingsketen van de EU. Integraal onderdeel van de opzet van de nationale verklaring is het streven deze te verankeren in de verantwoording van de Europese Commissie. Hierdoor kan de Commissie de door de nationale verklaring gegeven mate van zekerheid meenemen in haar verantwoording jegens de Europese begrotingsautoriteiten. Het Ministerie van Financiën voert overleg met de Commissie om een dergelijke verankering zo effectief mogelijk te laten aansluiten op de door de Commissie en Europese wetgeving gehanteerde rapportagemomenten.
-
•De Commissie zal worden verzocht om in het Syntheserapport de beschikbare informatie te publiceren over rechtmatigheid op het niveau van individuele lidstaten, en inzicht te geven in de resultaten en benutting van controles van de DG’s in de lidstaten. Een dergelijk inzicht in de resultaten van controles bij de lidstaten wordt al langer door het kabinet onderschreven. Tevens deelt het kabinet de zorg van de Algemene Rekenkamer over de kwaliteit van de informatie van OLAF en zal zij OLAF oproepen de kwaliteit van zijn informatievoorziening te verbeteren. Zo zou OLAF zijn gegevens duidelijker op jaarbasis kunnen baseren in plaats van gebruik te maken van een cumulatieve database. Dit zou het inzicht in ontwikkeling van onregelmatigheden door de looptijd van de programmaperiodes heen verbeteren.
Nawoord Algemene Rekenkamer
Wij zijn content met de toezeggingen van de ministers. Wij zijn het met de ministers eens dat verdere intensivering van relaties met Denemarken en het Verenigd Koninkrijk van groot belang is om gezamenlijk de overige EU-lidstaten te stimuleren om vergelijkbare initiatieven te ontplooien. Verder ondersteunen wij het streven van de ministers om de lidstaatverklaring te verankeren in de Europese verantwoordingscyclus, waarbij de Nederlandse informatie door de Europese Commissie en vervolgens door de Europese Rekenkamer gebruikt moet kunnen worden.
Verankering lidstaatverklaring in «single audit»-aanpak
Op onze aanbeveling aan de ministervan Financiën om te bevorderen dat de inhoud van de Nederlandse nationale verklaring (lidstaatverklaring) wordt verankerd in een «single audit»-aanpak, reageert het kabinet als volgt.
-
•In het kabinetsbesluit over de invoering van de nationale verklaring is bij de ontwikkeling van het rapportagemodel voor de nationale verklaring zoveel mogelijk uitgegaan van de single-audit-gedachte. Het uitgangspunt voor de inrichting van de nationale verklaring sluit daarmee volgens het kabinet naadloos aan bij de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer. De hiervoor genoemde centralisatie van de auditfunctie en de certificeringsfunctie vergemakkelijkt een inrichting van de rapportageketen conform de single-audit-gedachte.
Nawoord Algemene Rekenkamer
Wij stemmen in met de reactie van de minister van Financiën en wij zullen
de verdere ontwikkelingen op dit vlak met belangstelling volgen.
Structuurfondsen: onregelmatigheden en beleidsresultaten
Het kabinet heeft ook een reactie gegeven op onze aanbevelingen aan de ministers van EZ, van BZK, van SZW, van LNV en van Financiën om (a) de uitvoering van ontdekking en melding van onregelmatigheden te verbeteren, (b) in de nieuwe structuurfondsperiode te zorgen voor een betere aansluiting van beleidsdoelen, -indicatoren en -prestaties, (c) evaluaties te baseren op realisatiegegevens, niet op prognoses, en (d) informatie over resultaten beter bruikbaar te maken voor de Tweede Kamer.
-
•In algemene zin onderschrijft het kabinet de aanbeveling tot detectie-verbeteringen voor onregelmatigheden. In het inmiddels geformaliseerde en door de Europese Commissie goedgekeurde Actieplan EFRO zijn maatregelen aangegeven die bijdragen tot betere en eerdere detectie en vastlegging van onregelmatigheden. Tevens is het draaiboek voor onregelmatigheden aangepast en worden er trainingen verzorgd voor de beheersautoriteiten. Hiermee wordt voor een groot deel tegemoet gekomen aan de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer, aldus het kabinet. De Algemene Rekenkamer stelt terecht dat onregelmatigheden te allen tijde gemeld dienen te worden, ook al betreft het nog niet aan de Europese Commissie gedeclareerde bedragen. Dit is overeenkomstig de voor de periode 2000-2006 geldende verordeningen. Daarbij zij echter aangetekend, schrijft het kabinet, dat de vraag is of dergelijke meldingen wanneer zij vooraf hersteld en gecorrigeerd zijn en wanneer zij geen effect hebben op de Europese begroting, niet bijdragen aan de administratieve lasten en bureaucratie voor de lidstaat en de Commissie. In de implementatieverordeningen voor de nieuwe periode 2007-2013 is dit overigens aangepast, aldus het kabinet. Melding is in de nieuwe periode pas vereist als de onregelmatigheid effect heeft op een reeds bij de Commissie gedeclareerd bedrag.
-
•Het kabinet is verheugd dat de Algemene Rekenkamer in het EU-trend-rapport de doelrealisatie van het ESF-programma als «redelijk goed» beoordeelt, en de evaluatieaanpakvan het ESF-programma als positief voorbeeld noemt. Ook voor de periode 2007-2013 is in het operationeel programma ruim aandacht besteed aan de opzet van de evaluatie. Voor het doelstelling 2-programma EFRO geldt dat het Ministerie van EZ voor alle vier de operationele programma’s 2007-2013 in 2006 een ex-ante-evaluatie heeft laten uitvoeren. Hieruit kwam naar voren dat de relatie tussen de indicatoren niet concreet genoeg is, en dat de realisaties vaak pas op lange termijn zichtbaar zijn waardoor er vaak met prognoses moet worden gewerkt. Het ministerie heeft de afgelopen periode veel energie gestoken in onderzoek naar de echte werkgelegenheidseffecten van de structuurfondsprogramma’s. In dit verband heeft het ministerie kritiek geleverd op de midtermevaluaties van de beheersautoriteiten van EPD Oost en EPD Zuid. Echter, de sanctiemiddelen zijn beperkt. Niettemin zal het Ministerie van EZ als beleidsverantwoordelijk ministerie voor de doelstelling 2-EFRO-structuurfondsen zijn inspanningen conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer opvoeren. Hiermee is al concreet begonnen door de invoering van een nieuw monitorsysteem voor het bruikbaar maken van de resultaten van het EU-beleid.
Nawoord Algemene Rekenkamer
Wij zijn ingenomen met de toezeggingen van het kabinet om de systemen
voor ontdekking en melding van onregelmatigheden te verbeteren, en
zullen de opvolging van deze toezeggingen blijven volgen.
Wij kunnen ons voorstellen dat het kabinet vraagtekens heeft bij de
melding van onregelmatigheden die al vooraf hersteld en gecorrigeerd
zijn. Wij willen echter in herinnering roepen dat het in de periode
2000-2006 altijd zo was dat de gelden die betrokken waren bij een door de
lidstaat gemelde en gecorrigeerde onregelmatigheid behouden bleven
voor het programma, terwijl dit voor onregelmatigheden die niet gemeld
waren, niet het geval was.
Wij nemen met instemming kennis van de aandacht die voor de periode 2007-2013 in het operationeel programma voor ESF besteed is aan de opzet van de evaluatie. Wij zijn verder verheugd met de toezegging dat het Ministerie van EZ als beleidsverantwoordelijk ministerie voor het doelstelling 2-programma EFRO zijn inspanningen zal opvoeren om de realisatie van EU-beleid beter inzichtelijk te maken. Het invoeren van een monitorsysteem zien wij daarbij als een positieve stap. Wij gaan ervan uit dat dit dan vervolgens bruikbare informatie zal opleveren voor de Tweede Kamer.
Transparantie EU-gelden in Nederland
In reactie op onze aanbeveling aan de ministers van BZK, EZ, SZW, OCW, VenW, Justitie en Financiën om de transparantie van de EU-gelden in Nederland te vergroten door alle EU-gelden die bij hun ministerie geadministreerd worden als zodanig herkenbaar in de verantwoording moeten op te nemen, stelt het kabinet het volgende. • Het kabinet meent dat met de invoering van de nationale verklaring een gedegen, specifiek verantwoordingsinstrument wordt gecreëerd voor de EU-fondsen in gedeeld beheer en dat de aanwending van deze fondsen hiermee voldoende transparant wordt gemaakt. Voor de EU-fondsen gelden de door de EU-wetgeving voorgeschreven verantwoordingsregels en niet de nationale verantwoordingsregels. De nationale verklaring baseert zich dan ook op deze Europese verantwoordingsregelgeving. Daarom is het niet wenselijk de fondsen in gedeeld beheer op te nemen in het begrotingsverantwoording van de betrokken departementen. Voor de fondsen in direct beheer zoals de fondsen die vallen onder het interne beleid van de Europese Commissie, meent het kabinet dat deze onder de verantwoordelijkheid vallen van de Commissie en dat het daarom aan de Commissie is om aan het vereiste van transparantie te voldoen.
Nawoord Algemene Rekenkamer
Wij zijn het eens met het kabinet dat met de invoering van de nationale verklaring een gedegen, specifiek verantwoordingsinstrument wordt gecreëerd voor de EU-fondsen in gedeeld beheer. Indien het kabinet voornemens is om daarin ook expliciet een overzicht te geven van alle EU-gelden die de ministeries in Nederland jaarlijks ontvangen - of deze nu binnen of buiten de begroting worden geboekt - en waarvoor ze bestemd zijn, dan stemmen wij in met de reactie van het kabinet dat de aanwending van deze fondsen voldoende transparant wordt gemaakt. Indien dit echter niet het geval is, blijft de huidige situatie bestaan dat maar een klein deel van de ontvangen EU-gelden als zodanig herkenbaar is in de jaarverslagen van de ministeries of elders. Dat is onwenselijk en onnodig; uit de rapportages van het Ministerie van LNV blijkt dat het goed mogelijk is om tot een transparante weergave van EU-gelden te komen.
Voor de fondsen in direct beheer die vallen onder het interne EU-beleid is het inderdaad ook de verantwoordelijkheid van de Commissie om voor haar kant van de zaak aan het vereiste van transparantie te voldoen. Echter, vaak dragen deze Europese gelden bij aan projecten waarin ook nationale geld wordt besteed. Wij vinden dan ook dat inzichtelijk zou moeten zijn bij welke projecten en in welke mate dat het geval is. Juist de rijksoverheid is daarbij de aangewezen entiteit om een dergelijk totaalbeeld te verschaffen.
Beheer ESF-programma
Op onze aanbeveling aan de minister van SZW om het beheer van het ESF-programma verder te versterken, reageerde het kabinet als volgt. • Het kabinet heeft na de vroegtijdige sluiting van het ESF-loket direct een aantal aanvullende maatregelen getroffen die overeenkomen met de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer. De maandelijkse rapportage over de uitvoering van het ESF-programma is volledig geherstructureerd en voorziet in de beoogde verbeterde monitoring, zodat steeds een actueel beeld bestaat van de benutting van de ESF-gelden en de budgettaire risico’s die daarbij worden gelopen. In de programmaperiode 2007-2013 voor ESF worden budgetplafonds ingesteld, zodat budgettaire risico’s zoals die zich met de vroegtijdige loketsluiting voordeden, kunnen worden voorkomen. De koppeling die de Algemene Rekenkamer legt tussen decommit-tering en vroegtijdige loketsluiting in één jaar behoeft volgens het kabinet nuancering, aangezien in het jaar dat het ESF-loket is gesloten (2005), er geen ESF-doelstelling-3-middelen zijn gedecommitteerd (jaartranche 2003). Daarnaast wijst het kabinet erop dat tot vroegtijdige sluiting van het ESF-loket is besloten met het oog op toekomstige overschrijding van het budget terwijl de decommittering de resultante is van onvoldoende aanvragen in eerdere jaren.
Nawoord Algemene Rekenkamer
De Algemene Rekenkamer stemt in met de genomen maatregelen om een herhaling van de in 2005 ontstane situatie rond de sluiting van het ESF-loket in de toekomst te voorkomen. Wij zullen de ontwikkelingen op dit punt met belangstelling blijven volgen. In ons rapport bij het Jaarverslag 2006 van het Ministerie van SZW zullen we hierop nog terugkomen.
BIJLAGEN EU-TRENDRAPPORT 2007
BIJLAGE 1
OVERZICHT VAN BELANGRIJKSTE CONCLUSIES, AANBEVELINGEN EN TOEZEGGINGEN
Conclusie
Aanbeveling
Toezegging kabinet
Nawoord Algemene Rekenkamer
Met het besluit om in het voorjaar 2007 voor het eerst een «lidstaatverklaring» over de besteding van EU-gelden naar Brussel te sturen, heeft Nederland een belangrijke stap gezet naar een betere verantwoording over EU-gelden. Vanaf 2008 wordt de verklaring in het najaar afgegeven. Deze omvat dan behalve landbouw- ook structuurfondsgelden en eigen middelen.
De ministers van Financiën en van Buitenlandse Zaken zouden de overige EU-lidstaten actief moeten blijven informeren over de ervaringen met de Nederlandse lidstaatverklaring.
De ministers van Financiën en Buitenlandse Zaken hebben de overige lidstaten in de voorbereidingen voor de invoering van een nationale verklaring geïnformeerd over het Nederlandse initiatief en zijn voornemens dat te blijven doen. Ook is er samengewerkt met de Britse en Deense EU-partners die vergelijkbare initiatieven hebben genomen. Het kabinet wil deze samenwerking in de directe toekomst intensiveren om gezamenlijk de overige EU-lidstaten te stimuleren om vergelijkbare initiatieven te ontplooien.
De Algemene Rekenkamer is content met de toezeggingen van de ministers.
Het begin van de nieuwe structuurfondsperiode 2007–2013 biedt kansen om de inhoud van de Nederlandse verklaring op dit vlak te verankeren in een «single audit»-aanpak. Hiervoor is nodig dat harmonisatie zal plaatsvinden van controlewerkzaamheden en rapportage daarover op het niveau van de programmaautoriteiten.
De minister van Financiën zou moeten bevorderen dat de inhoud van de Nederlandse lidstaatverklaring wordt verankerd in een «single audit»-aanpak – een systeem dus waarbij elk controleniveau voortbouwt op het voorgaande – inclusief harmonisatie van controlewerkzaamheden, rapportage en formulering van deelverklaringen.
Bij de ontwikkeling van het rapportagemodel voor de nationale verklaring is zoveel mogelijk uitgegaan van de single-audit-gedachte. Dit sluit aan bij de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer.
De Algemene Rekenkamer stemt in met de reactie van de minister van Financiën.
Het inzicht in en de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden op EU-niveau is in 2005 niet of nauwelijks verbeterd. Europese burgers kunnen dus nog niet achterhalen of hun gelden goed worden besteed binnen de EU.
De ministers van Financiën en BuZa moeten de Europese Commissie blijven vragen de transparantie over de besteding van EU-gelden in de lidstaten verder te bevorderen. Het kabinet zou eurocommissaris Kallas kunnen vragen zijn brief over de besteding van EU-gelden in de lidstaten niet naar de nationale rekenkamers te sturen maar naar de nationale ministers van Financiën (en in afschrift naar de nationale rekenkamers), zodat zij deze informatie kunnen gebruiken bij (het ontwikkelen van) hun lidstaatverklaring.
De ministers van Financiën en BuZa zullen er bij de Commissie op blijven aandringen dat zij de transparantie van de uitgaven in de lidstaten blijft bevorderen. Er zal bij de Commissie (DG-Bud-get) op worden aangedrongen dat ook in het vervolg de brief direct aan de ministers van Financiën wordt gestuurd met een afschrift aan de nationale rekenkamers.
De Algemene Rekenkamer is content met de toezeggingen van de ministers.
Er is geringe verbetering zichtbaar in het Europese financieel management op het niveau van de Europese Commissie. Maar de activiteitenverslagen zijn nog steeds beperkt als het gaat om informatie over bijvoorbeeld controles in de lidstaten.
De ministers van Financiën en BuZa zouden de Commissie moeten verzoeken om systematischer beschikbare informatie te publiceren over rechtmatigheid op het niveau van individuele lidstaten, de kwaliteit van de informatie van OLAF te verbeteren en inzicht te geven in de resultaten en benutting van controles van de DG’s in de lidstaten.
De Commissie zal worden verzocht om in het Syntheserapport de beschikbare informatie te publiceren over rechtmatigheid op het niveau van individuele lidstaten, en inzicht te geven in de resultaten en benutting van controles van de DG’s in de lidstaten. Het kabinet deelt de zorg over de kwaliteit van de informatie van OLAF en zal OLAF oproepen de kwaliteit van zijn informatievoorziening te verbeteren.
De Algemene Rekenkamer is content met de toezeggingen van de ministers.
Conclusie
Aanbeveling
Toezegging kabinet
Nawoord Algemene Rekenkamer
Door de expliciete verklaring die de Commissie tegenwoordig geeft bij het overkoepelende Syntheseverslag, is de verantwoordingsketen van de EU aangevuld. In de verklaring stelt de Commissie dat de bestaande interne-controlesystemen redelijke zekerheid geven over de rechtmatigheid van de besteding van EU-gelden (in de lidstaten), met inachtneming van de geformuleerde voorbehouden, juist die voorbehouden (van de DG’s) zijn echter nog steeds talrijk. Daardoor is de werkelijke betekenis van de verklaring beperkt.
De ministers van Financiën en BuZa moeten bij de Commissie blijven aandringen op verdere versterking van de verantwoordingsketen van de EU. Zij moeten de Commissie vragen om transparant te maken hoe haar verklaring over redelijke zekerheid in het Syntheseverslag verankerd is in de onderliggende verklaringen van de DG’s.
De ministers van Financiën en BuZa zullen blijven aandringen op een versterking van de verantwoordingsketen van de EU. Het streven is om de nationale verklaring te verankeren in de verantwoording van de Commis sie. Het Ministerie van Financiën voert hierover overleg met de Commissie.
De Algemene Rekenkamer is content met de toezeggingen van de ministers. Wij ondersteunen het streven om de nationale verklaring te verankeren in de Europese verantwoordingscyclus, waarbij de Nederlandse informatie zowel door de Commissie als de Europese Rekenkamer gebruikt moet kunnen worden.
Er is in Nederland voldoende informatie over de besteding van Europese landbouw- en structuurfondsgelden om vast te kunnen stellen of de systemen voor financieel management goed werken. De systemen blijken redelijk te functioneren. Maar: een volledig beeld van de rechtmatigheid van de bestedingen was er in 2005 niet, evenmin als in voorgaande jaren. Ook de zichtbaarheid van EU-gelden in verantwoordingen van ministeries is beperkt.
De ministers van BZK, EZ, SZW, OCW, VenW, Justitie en Financiën moeten – om de transparantie van de EU-gelden in Nederland te vergroten – alle EU-gel-den die bij hun ministerie geadministreerd worden als zodanig herkenbaar in de verantwoording opnemen.
Het kabinet meent dat met de invoering van de nationale verklaring de aanwending van de bedoelde EU-fondsen voldoende transparant wordt gemaakt. Voor deze fondsen, die in gedeeld beheer worden besteed, gelden de Europese verantwoordingsregels en niet de nationale verantwoordingsregels. Daarom is het niet wenselijk om de fondsen op te nemen in het begrotingsverantwoording van de betrokken departementen. De fondsen in direct beheer vallen onder de verantwoordelijkheid van de Europese Commissie en het is aan de Commissie om aan het vereiste van transparantie over de aanwending daarvan te voldoen.
Als het kabinet in de nationale verklaring een overzicht gaat geven van alle EU-gelden die ministeries in Nederland jaarlijks ontvangen en waarvoor ze bestemd zijn, stemmen wij in met de kabinetsreactie. Zo niet, dan blijft de onwenselijke situatie bestaan dat maar een klein deel van de ontvangen EU-gelden herkenbaar is in de rijksjaarverslagen van de ministeries of elders. Voor fondsen in direct beheer is inderdaad de Commissie verantwoordelijk om voor haar kant van de zaak transparantie te verschaffen. Maar vaak dragen deze Europese gelden bij aan Nederlandse projecten waarin ook Nederlands geld wordt besteed. Dit zou de rijksoverheid dan inzichtelijk moeten maken in een totaalbeeld.
Aan de manier waarop in Nederland wordt omgegaan met onregelmatigheden bij EU-program-ma’s kleven financiële risico’s. Dit geldt vooral voor de programma’s die worden gefinancierd vanuit het EFRO. Ook aan het bij de EU declareren van BTW die al gedekt wordt door het BTW-compensa-tiefonds zijn grote financiële risico’s verbonden.
De ministers van EZ, BZK, SZW, LNV en Financiën moeten de opsporing en melding van onregelmatigheden verbeteren, zodat Nederland in de nieuwe structuurfondsperiode (2007– 2013) niet met dezelfde problemen geconfronteerd wordt. Van belang is dat als onregelmatigheden worden geconstateerd, dezealtijd worden gemeld aan OLAF.
Het kabinet onderschrijft de aanbeveling. Het Actieplan EFRO bevat maatregelen die bijdragen aan betere en eerdere opsporing en vastlegging van onregelmatigheden. Ook is het draaiboek voor onregelmatigheden aangepast en worden er trainingen verzorgd voor de beheersautori-teiten. De Algemene Rekenkamer stelt terecht dat onregelmatigheden te allen tijde gemeld dienen te worden, ook al betreft het nog niet aan de Commissie gedeclareerde bedragen. De vraag is echter of dergelijke meldingen niet bijdragen aan de administratieve lasten en bureaucratie voor de lidstaat en de Commissie.
Melding is in de nieuwe EFRO-periode overigens pas vereist als de onregelmatigheid effect heeft op een reeds bij de Commissie gedeclareerd bedrag.
Wij zijn ingenomen met de toezeggingen van het kabinet en zullen de opvolging ervan blijven volgen. Wij kunnen ons voorstellen dat het kabinet vraagtekens heeft bij de melding van onregelmatigheden die vooraf hersteld en gecorrigeerd zijn. Wij roepen echter in herinnering dat in de periode 2000–2006 gelden die betrokken waren bij een door de lidstaat gemelde en gecorrigeerde onregelmatigheid behouden bleven voor het programma, terwijl dit voor onregelmatigheden die niet gemeld waren niet het geval was.
Conclusie
Aanbeveling
Toezegging kabinet
Nawoord Algemene Rekenkamer
Dat in één en hetzelfde jaar enerzijds ESF-gelden zijn gede-committeerd (geschrapt wegens niet-besteding) en anderzijds het ESF-loket vroegtijdig is gesloten, roept vragen op.
De minister van SZW moet het beheer van het ESF-programma verder versterken. Een betere monitoring en de invoering van een subsidieplafond zijn mogelijke manieren om het beheer te verbeteren.
Na de vroegtijdige sluiting van het ESF-loket zijn direct aanvullende maatregelen getroffen. De maandelijkse rapportage over de uitvoering van het ESF-program-ma is geherstructureerd en voorziet in verbeterde monitoring, zodat steeds een actueel beeld bestaat van de benutting van de ESF-gelden en de budgettaire risico’s.
In de programmaperiode 2007–2013 worden voor ESF budgetplafonds ingesteld, zodat vroegtijdige loketsluiting kan worden voorkomen. Overigens is in 2005 tot vroegtijdige sluiting van het ESF-loket besloten met het oog op toekomstige overschrijding van het budget, terwijl de decommitte-ring de resultante was van onvoldoende aanvragen in eerdere jaren.
Wij stemmen in met de genomen maatregelen om herhaling van de in 2005 ontstane situatie in de toekomst te voorkomen. Wij zullen de ontwikkelingen hieromtrent met belangstelling blijven volgen. In ons rechtmatigheidsonderzoek over 2006 zullen we hierop terugkomen.
Gegevens over de doeltreffendheid van EU-beleid zijn er alleen ter zake van het structuurbeleid. De kwaliteit daarvan is wisselend. Zo zijn vraagtekens te plaatsen bij de kwaliteit van de informatie over doelrealisatie. Voor de programma’s waarover informatie van voldoende kwaliteit beschikbaar is, geldt dat de mate van doelrealisatie medio 2005 redelijk genoemd kan worden.
De ministers van EZ, BZK, SZW, LNV en Financiën moeten in de nieuwe structuurfondsperiode zorgen voor betere aansluiting van beleidsdoelen,- indicatoren en -prestaties. Bovendien moeten alle evaluaties gebaseerd zijn op realisatiegegevens, niet op prognoses, en moet er meer belang worden gehecht aan het bruikbaar maken van informatie over (resultaten van) EU-beleid voor de Tweede Kamer.
Het kabinet is verheugd dat de Algemene Rekenkamer de doelrealisatie van het ESF-pro-gramma als redelijk goed beoordeelt, en de evaluatie-aanpak van het ESF-programma als positief voorbeeld noemt. Ook voor de periode 2007–2013 besteedt het operationeel programma aandacht aan de opzet van de evaluatie. Voor alle vier de operationele EFRO-programma’s 2007–2013 heeft het Ministerie van EZ in 2006 een ex-ante-evaluatie laten uitvoeren. Op basis van de negatieve bevindingen die daaruit naar voren kwamen heeft het ministerie de afgelopen periode energie gestoken in onderzoek naar de echte werkgelegenheidseffecten van de programma’s. In dit verband heeft het ministerie kritiek geleverd op de midterme-valuaties van de beheersautori-teiten van EPD Oost en EPD Zuid. Maar de sanctiemiddelen zijn beperkt. Niettemin zal het ministerie zijn inspanningen opvoeren. Hiermee is al concreet begonnen door de invoering van een nieuw monitorsysteem voor het bruikbaar maken van de resultaten van het EU-beleid.
Wij nemen met instemming kennis van de aandacht die voor de periode 2007–2013 bij ESF besteed is aan de opzet van de evaluatie. Wij zijn ook verheugd met de toezegging dat het Ministerie van EZ als beleidsverantwoordelijk ministerie voor de EFRO-structuurfondsen zijn inspanningen zal opvoeren om de realisatie van EU-beleid beter inzichtelijk te maken. Het invoeren van een monitorsysteem zien wij daarbij als een positieve stap. Wij gaan ervan uit dat dit vervolgens bruikbare informatie zal opleveren voor de Tweede Kamer.
BIJLAGE 2
GEBRUIKTE AFKORTINGEN EN VERKLARENDE WOORDENLIJST
Gebruikte afkortingen
Afkorting
Betekenis
ACS Afrika, Caribisch gebied en Stille Oceaan
AID Algemene Inspectiedienst
AO/IC (Beschrijving van de) administratieve organisatie/interne controle
APC Audit Progress Committee (Europese Commissie)
B&W College van burgemeester en wethouders
BBP Bruto binnenlands product
BNI Bruto nationaal inkomen
BNP Bruto nationaal product
BTW Belasting toegevoegde waarde (omzetbelasting)
BuZa (Ministerie van) Buitenlandse Zaken
BZK (Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
CoCo Coördinatiecommissie voor Europese integratie- en associatieproblemen
COREPER Comité van Permanente Vertegenwoordigers
CvT Comité van Toezicht
DAS Déclaration d’assurance (betrouwbaarheidsverklaring Europese Rekenkamer)
DG Directoraat-generaal
Ecofin Raad voor Economische Zaken en Financiën
EEG Europese Economische Gemeenschap
EFRO Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
EG Europese Gemeenschap (EEG en Euratom samen)
ELFPO Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (vanaf 2007)
ELG Europees Landbouw Garantiefonds (vanaf 2007)
EMR Euregio Maas-Rijn
EMU EconomischeenMonetaire Unie
EOF Europees Ontwikkelingsfonds
EOGFL-G Europees Oriëntatie en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie
EOGFL-O Europees Oriëntatie en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Oriëntatie
EPD Enkelvoudig programmeringsdocument
ESF Europees Sociaal Fonds
EU Europese Unie
Euratom Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
EZ (Ministerie van) Economische Zaken
FIOV Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij
GBCS Geïntegreerd beheers- en controlesysteem
GLB Gemeenschappelijk landbouwbeleid
IAC Internal Audit Capabilities (directoraten-generaal Europese Commissie)
IAS Internal Audit Service (Europese Commissie)
IPO Interprovinciaal Overleg
JAV Jaarlijks activiteitenverslag (directoraten-generaal en diensten Europese
Commissie)
JMP Jaarlijks managementplan (directoraten-generaal en diensten Europese
Commissie)
JBZ JustitieenBinnenlandse Zaken
KP5/KP6 Vijfde en Zesde Kaderprogramma (Intern Beleid Europese Commissie)
Laser (Agentschap) Landelijke service bij regelingen
LNV (Ministerie van) Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
M&O-beleid Beleid tegen misbruik en oneigenlijk gebruik
MTE Midtermevaluatie
OCW (Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
OLAF Office européen de lutte antifraude (Europees bureau voor fraudebestrijding)
OP Operationeel programma
POP Plattelandsontwikkelingsplan
Sapard Special Accession Programme for Rural and Agricultural Development
SG Secretariaat-Generaal (Europese Commissie)
SNN Samenwerkingsverband Noord Nederland
SZW (Ministerie van) Sociale Zaken en Werkgelegenheid
TEN Trans-Europese Netwerken
VenW (Ministerie van) Verkeer een Waterstaat
VROM (Ministerie van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VWS (Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Verklarende woordenlijst
Activiteitengestuurd management
Vorm van bestuur waarbij de activiteiten van de organisatie, ook voor het budget, bepalend zijn. De administratieve uitgaven van de Commissie worden daarbij gekoppeld aan beleidsuitgaven.
Activiteitenverslag
Een verslag dat alle directeuren-generaal van de Europese Commissie jaarlijks moeten opstellen over de uitvoering van hun (deel) managementplan. Elk DG voorziet een dergelijk verslag van een verklaring.
Artikel 13-rapportage
Een jaarlijkse rapportage over de opzet, bestaan en werking van het beheers- en controlesysteem in het kader van de structuurfondsen. Dit is een verplichting op grond van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 438/2001 uiterlijk 30 juni door de beheersautoriteit moet worden opgesteld en moet zijn ingediend bij de Europese Commisie.
Auditautoriteit
Een auditautoriteit is een instantie die functioneel onafhankelijk is van de beheersautoriteit en van de betalingsautoriteit, die door de lidstaat is aangewezen voor elk structuurfondsprogramma en verantwoordelijk is voor het verifiëren van de goede werking van het beheers- en controlesysteem. Deze autoriteit is voorgesteld voor de structuurfondsperiode 2007–2013.
Baten-lastenstelsel
Boekhoud- en verantwoordingssysteem waarbij opbrengsten en kosten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben.
Beheersautoriteit
Overheidsorgaan verantwoordelijk voor de uitvoering van een structuurfondsprogramma. Hierbij onder meer verantwoordelijk voor de verzameling van financiële en statistische informatie en de verslaglegging over de uitvoering van het programma (30 juni-rapportage), de interne controle op de doeltreffendheid en transparantie van de programma-uitgaven, de organisatie van de evaluatie halverwege de looptijd en bijsturing van de uitvoering op eigen initiatief of op verzoek van het Comité van Toezicht.
Betalingsautoriteit
Overheidsorgaan dat in een structuurfondsprogramma zorgdraagt voor het opstellen en toezenden van de betalingsaanvraag aan de Commissie, certificering van de tussentijdse uitgavendeclaraties en de einddeclaratie, het ontvangen van de betalingen van de Commissie en de daaropvolgende betaling aan de eindbegunstigden.
Betaalorgaan
Orgaan dat namens de Europese Commissie betalingen verricht in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Hiertoe moet dit orgaan erkend worden. De criteria voor erkenning zijn door de Commissie vastgesteld.
Betalingskrediet
Budgettaire term die de maximale hoogte aangeeft van het bedrag dat in de begroting is opgenomen voor betalingsverplichtingen die in het begrotingsjaar en/of vorige begrotingsjaren zijn aangegaan.
Betrouwbaarheidsverklaring
Op grond van artikel 248 van het EG-Verdrag moet de Europese Rekenkamer jaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad een verklaring voorleggen waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen van de EU en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen wordt bevestigd. Deze verklaring wordt wel aangeduid als «Verklaring van Betrouwbaarheid» of «Déclaration d’Assurance» kortweg DAS.
Certificerende instantie of certificeringsautoriteit
Een instantie die door de lidstaat is aangewezen om de betaalorganen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid te certificeren en de uitgavendeclaraties en betalingsaanvragen te certificeren voordat zij aan de Commissie worden toegezonden. In Nederland is dit de auditdienst van het Ministerie van LNV.
(Generiek) correctiemechanisme
Een mechanisme waarbij een lidstaat die relatief (te) veel bijdraagt aan de begroting van de EU hiervoor gecompenseerd wordt.
Comité van toezicht
Voor elk structuurfondsprogramma wordt een toezichtcomité opgericht. Het toezichtcomité vergewist zich van de doeltreffendheid en de kwaliteit van de uitvoering van het operationeel programma. Het toezichtcomité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat of van de beheersautoriteit. Een vertegenwoordiger van de Commissie met raadgevende stem kan aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deelnemen. De lidstaat beslist over de samenstelling van het toezichtcomité.
Communautair initiatief
Uit de structuurfondsen worden behalve het beleid gericht op de hoofddoelstellingen van het structuurbeleid, ook de zogenoemde Communautaire Initiatieven (mede) gefinancierd. Dit zijn kleinere programma’s waartoe de Commissie het initiatief neemt. Er zijn vier initiatieven: Interreg III, Leader+, Equal en Urban II.
COREPER
Comité van Permanente Vertegenwoordigers. Het is samengesteld uit de ambassadeurs van de lidstaten van de Europese Unie («Permanente Vertegenwoordigers»). Het heeft tot taak de Raad van de Europese Unie terzijde te staan door de dossiers voor te bereiden die op de Raadsagenda staan (zoals door de Commissie ingediende voorstellen en ontwerpbesluiten).
Decommittering
Voor de structuurfondsen geldt als regel dat de door de Europese Commissie in het jaar n gecommitteerde (toegekende) middelen, aan het einde van jaar n+2 moeten zijn besteed binnen de kaders van de programma’s. Als dit niet het geval is, zal de Commissie overgaan tot automatische annulering (decommittering) van de niet-aangewende middelen. Dat betekent dat de gelden terugvloeien naar de EU-begroting.
Directoraat-generaal
Benaming voor de grootste zelfstandige eenheid binnen het ondersteunend apparaat van de Commissie. De directoraten-generaal zijn onderverdeeld in directoraten, die weer zijn onderverdeeld in administratieve eenheden. De secretaris-generaal is het hoofd van de administratie van de Commissie. Naast het secretariaat-generaal en de directoraten-generaal telt de Commissie nog een aantal diensten, zoals de juridische dienst en de Interne Auditdienst.
Eigen middelen
Benaming voor de inkomsten van de EG. De Europese Gemeenschap beschikt sinds 1970 over
eigen middelen (daarvoor gold een stelsel van financiële bijdragen van de lidstaten). De term
«eigen middelen» geeft weer dat het niet gaat om geregelde bijdragen van de EU-landen, maar
om door de lidstaten expliciet voor de EU-begroting bestemde gelden. Als eigen middelen
worden beschouwd:
– de douanerechten die in de lidstaten worden geheven op invoer uit derde landen;
– de landbouwheffingen op producten uit derde landen en producentenbijdragen voor bepaalde
landbouwproducten;
– een percentage van de BTW-opbrengsten; deze afdracht wordt verminderd wanneer de
BTW-opbrengsten meer bedragen dan 50 procent van het bnp;
– de zogenoemde «vierde bron», in de vorm van een jaarlijks vast te stellen percentage van het
bnp van de lidstaten.
Erkennende instantie
Instantie die – op basis van de door de Commissie vastgestelde criteria – betaalorganen die betalingen verrichten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid erkent.
Financiële correctie
Financiële perspectieven/vooruitzichten
Terugboeking, annulering of aanpassing van een eerder toegekend subsidiebedrag.
De financiële vooruitzichten vormen het raamwerk van de communautaire uitgaven over een periode van verschillende jaren. Zij zijn het resultaat van een interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, en geven de maximumomvang en de samenstelling van de te verwachten Europese uitgaven aan. Zij worden ook wel aangeduid als «meerjarenbegroting», hoewel dit formeel niet juist is.
Fraude
Onder fraude wordt in de communautaire regelgeving verstaan:
– wat de uitgaven betreft: elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waarbij valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat middelen afkomstig van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen of van de door of voor de Europese Gemeenschappen beheerde begrotingen wederrechtelijk worden verminderd of in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden of wanneer deze middelen worden misbruikt door ze voor andere doelen aan te wenden dan die waarvoor zij oorspronkelijk zijn toegekend;
– wat de ontvangsten betreft: elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waarbij valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat de middelen van de algemene begroting van de EG of van de door of voor de EG beheerde begrotingen wederrechtelijk worden verminderd of wanneer in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden of van een rechtmatig verkregen voordeel misbruik wordt gemaakt.
Krediet Kwijting
De Europese term voor begrotingsbedrag.
Op grond van artikel 276 van het EG-verdrag verleent het Europees Parlement, op aanbeveling van de Raad aan de Commissie goedkeuring voor de in het voorgaande jaar uitgevoerde begroting.
Nettopositie
Het verschil tussen afdrachten van een lidstaat aan de begroting van de EU en de ontvangsten van die lidstaat uit de EU-begroting. Voor de berekening van deze nettopositie zijn verschillende berekeningsmethoden.
Onregelmatigheid
Elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.
Openbaarmakingsverklaring Review
Nederlandse vertaling van «closure statement» (= de routekaart van eurocommissaris Kallas).
Het primaire doel van een review is vast te stellen of de uitkomsten (de rapportage over) een bepaalde controle bruikbaar zijn als basis voor de eigen bevindingen en voor de oordeelsvorming. Het secundaire doel van de review is het doen van aanbevelingen ter verbetering van de bedrijfsvoering, het jaarverslag, de saldibalans, en/of de (wettelijke) controle. De review heeft het karakter van een beoordeling.
Routekaart
Mededeling van de Commissie (in casu eurocommissaris Kallas) aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer inzake een routekaart naar een geïntegreerd interne controle raamwerk. Ook wel aangeduid als «roadmap». COM(2005) 252 final van 15 juni 2005.
Single audit-model
De basisgedachte is dat één controle toereikend is om te voorzien in de behoefte van alle belanghebbenden. Uitgangspunt is dus het vermijden van dubbele controles.
Structuurfonds
Structuurfondsen zijn het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV). Voor de periode 2000–2006 is in totaal € 195 miljard beschikbaar voor de structuurfondsen en € 18 miljard voor het Cohesiefonds.
Voor de tien nieuwe lidstaten die in 2004 toetraden, wordt voor de periode 2004–2006 € 24 miljard ter beschikking gesteld uit de structuurfondsen en het Cohesiefonds. Het overgrote deel van het geld zal verdeeld worden via doelstelling 1-programma’s en ongeveer eenderde deel zal via het Cohesiefonds lopen.
Systeemaudit Syntheseverslag
Een audit waarbij niet zozeer de individuele transacties, als wel (de werking van) het controle- en beheersysteem onderwerp van onderzoek zijn.
De Commissie brengt jaarlijks op grond van artikel 60 van het Financieel Reglement een «Syntheseverslag» uit waarin de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal worden besproken. Dit Syntheseverslag wordt aan het Europees Parlement en aan de Raad van Ministers aangeboden.
Vastleggingskrediet
De begrotingsterm die de limiet aangeeft van het bedrag waarvoor de Commissie voor een bepaald project over verschillende jaren financiële verplichtingen mag aangaan.
Wettigheid en regelmatigheid
Europese term voor het Nederlandse begrip «rechtmatigheid». Inhoudelijk is er geen verschil tussen de begrippen.
BIJLAGE 3
SCORES INDICATOREN PER ONDERZOCHTE DG EN DIENST VAN DE EUROPESE COMMISSIE
In all overviews we used the following definition of «staff capacity»: Staff capacity (permanent as well as temporary staff ) for «policy strategy and coordination» and «Administrative support» was excluded in the staff-numbers mentioned in this table. Staff-capacity for all other DG-activities are considered «budget-execution related activities». Budget execution rates are generally calculated in terms of payment-appropriations.
DG Agriculture
Indicator EU-financial management
2003
2004
2005
Commitments (in mln. euros)*
€ 47,904
€ 50,460
€ 53,186
Budget plan and -execution
– AMP: mentions strategic and specific objectives. – AAR: publicly available and attention for ABB. – utilized staff capacity for budget drafting is unknown. – staff capacity utilized for budget execution is 51,8%. – budget implementation-rate (in payment-credits and payments executed) was 98%. – budget implementation-rate vs. planned implementation-level is unknown.
– AMP: mentions strategic and specific objectives. – AAR: publicly available and attention for ABB. – utilized staff capacity for budget drafting is unknown. – staff capacity utilized for budget execution is 49,8%. – budget implementation-rate (in payment-credits and payments executed) is 99,1%. – budget implementation-rate vs. planned implementation-level is 99,1%.
– AMP: mentions strategic and
specific objectives.
– AAR: publicly available and
attention for ABB.
– utilized staff capacity for budget
drafting is unknown.
– staff capacity utilized for budget
execution is 51,6%.
– budget implementation-rate (in
payment-credits and payments
executed) is 98,3%.
– budget implementation-rate vs.
planned implementation-level is
unknown.
Audit and control by the Commission
– utilized DG-capacity for audit
and control in member states is
unknown.
– audit performance rate in 2003
is unknown.
– utilized average DG-capacity for all audits and control audits in member states is 11,3%. – audit performance rate in 2004 was 109% (281 vs. 257 planned).
– utilized average DG-capacity for all audits and control audits in member states is unknown. – audit performance rate in 2004 was 123% (282 vs. 229 planned).
Internal Audit DG
– In compliance with baseline
requirements of IC-standards for
95% (Febr. 2004).
– planned audit-capacity was
13,4% (utilized audit-capacity
unknown).
– 4 IAC-reports were publicly
available.
– In full compliance with baseline requirements of IC-standards. – utilized audit-capacity is 11,3%
of total DG-capacity.1
– In formal compliance with (75)
baseline requirements of
ICstandards.
– utilized audit-capacity of total
DG-capacity is unknown.
– 6 planned audits performed
(100%).
Accountability information
– Utilized capacity for drawing the AAR as part of total DG-capacity in 2003 is unknown. – Number of reservations made: 5.
– Number of reservations with any quantification of monetary materiality/impact in 2003: 3.2
– Utilized capacity for drawing the AAR as part of total DG-capacity in 2004 is unknown. – Number of reservations made: 3