Antwoord - Vragen van de leden Teeven en Ten Broeke (beiden VVD) aan de minister van Justitie over een Europees Burgerlijk Wetboek. (Ingezonden 8 oktober 2007) - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2007–2008

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

473

Vragen van de leden Teeven en Te n Broeke (beiden VVD) aan de minister van Justitie over een Europees Burgerlijk Wetboek. (Ingezonden 8 oktober 2007)

1

Kent u het artikel «Europees wetboek

via de achterdeur»?1

2

Hebt u kennisgenomen van het

document waarnaar in het artikel

wordt verwezen? Zo ja, bent u bereid

de Kamer zo spoedig mogelijk te

berichten over de inhoud van dit

document?

3

Indien u niet bekend bent met de inhoud, bent u wel bekend met het bestaan van het document en het project ter voorbereiding van een Europees Burgerlijk Wetboek?

4

Wat vindt u ervan dat vijftien wetenschappers volop werkzaam zijn aan een Europees Burgerlijk Wetboek met verstrekkende gevolgen voor burgers en bedrijfsleven zonder dat de Kamer of de pers hierin inzicht hebben?

5

Bent u het eens met de stelling dat het nieuwe hervormingsverdrag nu juist een einde maakt aan de sluipende bevoegdheidsuitbreiding?

Zo ja, bent u dan ook van mening dat in dat kader het burgerlijk recht een nationale aangelegenheid dient te blijven? Zo ja, kunt u verzekeren dat dit ook zo zal blijven gelden in de toekomst?

6

Bent u voornemens actie te ondernemen op dit punt? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet?

1 NRC Handelsblad, 4 oktober 2007.

Antwoord

Antwoord van minister Hirsch Ballin (Justitie). (Ontvangen 5 november 2007)

1 Ja.

2, 3 en 4

De stukken waarnaar in het artikel worden verwezen, worden opgesteld door een studiegroep die van de Europese Commissie een subsidie heeft ontvangen om een gemeenschappelijk referentiekader (Common Frame of Reference) voor het contractenrecht te maken. De Commissie heeft onder meer bij de voorgenomen herziening van de richtlijnen inzake

consumentenbescherming behoefte aan een overzicht van de gebruikte begrippen in gemeenschapsrechtelijke instrumenten (zoals richtlijnen en verordeningen) op het terrein van het verbintenissenrecht. De herziening is

door de Commissie aangekondigd in de mededelingen COM (2003) 68 def van 12 februari 2003 en COM (2004) 651 def van 11 oktober 2004. De studiegroep heeft gekozen voor een opzet in de vorm van ontwerp-wetsartikelen met toelichtingen. Van de inhoud van de stukken die door de wetenschappers openbaar zijn gemaakt, kan een ieder kennis nemen via www.copecl.org. Op deze website is ook terug te vinden welke wetenschappers aan de studiegroep en de (vele) werkgroepen deelnemen.

De voortgang van het project wordt met enige regelmaat besproken in het Comité Burgerlijk Recht en in de Raden voor Juridische en Binnenlandse Zaken (JBZ) en Concurrentievermogen van de Europese Unie. De inzet van Nederland wordt tevoren besproken met de Kamers. U zie over het gemeenschappelijk referentiekader onder meer het BNC fiche 22 112, 350[4] van 6 juni 2003, de geannoteerde agenda met stukken van 2 april 2007, Kamerstukken II 2006–07, 23 490 nr. 449 met bijlage over het gemeenschappelijk referentiekader en het verslag van de JBZ raad van 11 mei 2007, Kamerstukken II 2006–07, 23 490, nr. 452.

In zijn voortgangsverslag van 25 juli 2007, COM (2007) 447 def deelt de Europese Commissie mee dat het ontwerp-gemeenschappelijk kader

KVR29937 2070801750 0708tkkvr473 ISSN 0921 - 7398 Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 2007

Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, Aanhangsel

1011

eind 2007 gereed zal zijn. De Commissie zal dan die onderdelen van het ontwerp selecteren die aansluiten op de gemeenschappelijke wetgevingsdoelstellingen. Vervolgens worden belanghebbenden geraadpleegd en vindt een zogenaamd «impact assessment» plaats. De resultaten – die ook tot wijziging van het gemeenschappelijk kader kunnen leiden, aldus de Commissie – zullen worden neergelegd in een witboek dat niet voor eind 2008 wordt verwacht.

5 en 6

Het burgerlijk recht is in al zijn geledingen verweven met de Europese rechtsorde. Regels van procesrecht, ondernemingsrecht, auteursrecht, consumentenrecht en vervoersrecht worden in belangrijke mate bepaald door de Europese afspraken. Dat hangt nauw samen met de eenwording van de Europese markt en de mogelijkheden om grensoverschrijdend producten en diensten aan te bieden of af te nemen. Van die eenwording profiteren burgers en bedrijven dagelijks.

Noch het huidige verdrag, noch het hervormingsverdrag biedt een rechtsbasis voor een Europees Burgerlijk Wetboek. Bij de beoordeling van de voornemens van de Commissie die in het witboek worden neergelegd, zal Nederland letten op reikwijdte en betekenis van het gemeenschappelijk referentiekader. De meerwaarde van zo’n kader is gelegen in verduidelijking van de in gemeenschapsinstrumenten neer te leggen verbintenisrechtelijke begrippen en kan aldus nuttig zijn bij de opstelling van nieuwe regelgeving. De vorm die de onderzoekers hebben gekozen, omvat ook modelbepalingen, uitwerkingen en interpretaties van het bestaande acquis.

Het is verstandig in deze fase van het onderzoek aandacht te vragen voor deze ontwikkelingen, opdat over en weer duidelijkheid wordt geschapen over de verwachtingen van de verschillende

Gemeenschapsinstellingen. Er is besproken of de uitleg van begrippen zoals in het referentiekader voorzien voor enige Gemeenschapsinstelling bindend zou kunnen zijn in die zin dat bij het opstellen of de uitleg van richtlijnen niet van het kader mag worden afgeweken. Van een

dergelijke binding kan geen sprake zijn, zo bevestigden de Europese Ministers van Justitie nog dit voorjaar in de JBZ-Raad (zie persmededeling 77 nr. 8364/07 van 19 april 2007, p. 21).

De besprekingen over de mogelijke reikwijdte van het gebruik van het gemeenschappelijk referentiekader zullen de komende jaren intensiveren. Ik verwelkom daarom discussie in wetenschap en praktijk over de voor-en nadelen van het gebruik van zo’n kader, waarover Nederland naar aanleiding van onder meer het witboek en de herziening van het consumentenacquis een standpunt zal moeten bepalen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, Aanhangsel

1012

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

25 jul
'07
COM(2007)447 - Tweede voortgangsverslag over het gemeenschappelijke referentiekader (Common Frame of Reference)


 
publicatiedatum 14-11-2007
nummer KVR29937
kenmerk nr. 473

Inhoud