Energiebelasting - Politiek akkoord - Hoofdinhoud
RAAD VANBrussel, 27 november 2002 (29.11)
(OR. en, fr)
DE EUROPESE UNIEPUBLIC
14862/02 ADD 1
LIMITE
FISC 301
ADDENDUM BIJ DE NOTA VAN HET VOORZITTERSCHAP
van:
de voorzitter van de ad hoc Groep op hoog niveau energiebelasting
aan: de Raad ECOFIN op 3 december 2002
Betreft: Energiebelasting
-
-Politiek akkoord
Voor de delegaties gaat hierbij de ontwerptekst na de bespreking door de Groep en de ad hoc Groep
op hoog niveau energiebelasting.
Voor de tekstgedeelten tussen vierkante haken gelden nog voorbehouden.
BIJLAGE I
Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot herstructurering van de communautaire regeling
voor de belasting van energieproducten en elektriciteit
(Voor de EER relevante tekst)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 93,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,
[overwegende hetgeen volgt: aan te passen in het licht van de uiteindelijke richtlijn
(1) De werkingssfeer van de Richtlijnen 92/81/EEG 1 en 92/82/EEG 2, betreffende respectievelijk de
harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën en de onderlinge aanpassing van
(3) Voor de goede werking van de interne markt en de verwezenlijking van de doelstellingen van het
communautaire beleid in andere sectoren is het nodig dat op communautair niveau minimum-
belastingniveaus worden vastgesteld voor alle energieproducten, met inbegrip van elektriciteit,
aardgas en kolen.
(4) Aanmerkelijke verschillen tussen de door de lidstaten toegepaste nationale belastingniveaus zijn
nadelig voor de goede werking van de interne markt.
(5) Door vaststelling van passende communautaire minimumniveaus kunnen bestaande verschillen
kleiner worden gemaakt.
(6) Uit hoofde van artikel 174 van het Verdrag moet bij de bepaling en de uitvoering van het
communautair beleid op andere terreinen rekening worden gehouden met eisen inzake milieu-
bescherming.
(7) Als partij bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering heeft de
Europese Unie het protocol van Kyoto bekrachtigd. De belasting van energieproducten is een
van de beschikbare instrumenten om de Kyoto-doelstellingen te verwezenlijken.
(8) De Raad moet op gezette tijden de vrijstellingen en verlagingen en de minimumbelastingniveaus
bestuderen en daarbij aandacht schenken aan de goede werking van de interne markt, de reële
waarde van de minimumbelastingniveaus en de bredere doelstellingen van het Verdrag.
(11) Het staat elke lidstaat vrij te beslissen met welke fiscale regelingen uitvoering wordt gegeven aan
dit communautaire kader voor de belasting van energieproducten. In dit verband zouden de lid-
staten kunnen besluiten de totale belastingdruk niet te verhogen. De toepassing van dit beginsel
van belastingneutraliteit zou kunnen bijdragen tot de herstructurering en modernisering van
belastingstelsels doordat milieubescherming en een betere benutting van de factor arbeid worden
aangemoedigd.
(12) Energieprijzen behoren tot de belangrijkste parameters van het communautaire energie- en
vervoerbeleid.
(13) Belasting bepaalt voor een deel de prijs van energieproducten.
(14) De minimumbelastingniveaus moeten de concurrentiepositie van de verschillende energie-
producten weerspiegelen. In dit verband is het raadzaam de minimumniveaus in de mate van het
mogelijke te berekenen op grond van de energie-inhoud van de producten. Deze methode dient
evenwel niet te worden toegepast op motorbrandstoffen.
(15) In bepaalde omstandigheden moet het toegestaan zijn om, met inachtneming van de commu-
nautaire minimumniveaus en de regels van de interne markt en de mededinging, op eenzelfde
product gedifferentieerde nationale tarieven toe te passen.
(16) Omdat warmte slechts in zeer geringe mate intracommunautair wordt verhandeld, dient output-
(19) Een specifieke belasting op dieselbrandstof die door vervoerders met internationale activiteiten
wordt gebruikt, is nodig ter beperking van de concurrentieverstoringen waarmee zij geconfron-
teerd worden.
(20) De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om te differentiëren tussen commerciële en niet-
commerciële diesel. Zij moeten die mogelijkheid benutten om het verschil tussen het gebruik van
niet-commerciële gasolie voor voortbeweging en benzine kleiner te maken.
(21) Voor zakelijk gebruik van energieproducten mag een lager tarief worden gehanteerd dan voor
niet-zakelijk gebruik.
(22) Op energieproducten moet in wezen een communautair regelgevingskader van toepassing zijn
wanneer deze als verwarmingsbrandstof of als motorbrandstof worden gebruikt. In dat opzicht
gebiedt de aard en de logica van het belastingstelsel om vormen van duaal gebruik van energie-
producten en vormen van gebruik voor andere doeleinden dan als brandstof, alsmede minera-
logische procédés, van de werkingssfeer van dit regelgevingskader uit te sluiten. Elektriciteit die
op vergelijkbare wijze wordt gebruikt, dient op dezelfde wijze te worden behandeld.
(23) Het moet de lidstaten toegestaan zijn desgewenst binnen hun grondgebied bepaalde andere
vrijstellingen of verlagingen toe te passen, mits dit de goede werking van de interne markt niet
schaadt en niet tot concurrentieverstoringen leidt.
(28) Er moet worden voorzien in een procedure waarbij lidstaten voor een bepaalde periode
worden gemachtigd andere belastingvrijstellingen of belastingverlagingen in te voeren.
Dergelijke vrijstellingen en verlagingen moeten geregeld aan toetsing worden onderworpen.
(29) Er moet worden bepaald dat de lidstaten bepaalde nationale maatregelen bij de Commissie
moeten aanmelden; die aanmelding ontslaat de lidstaten niet van de in artikel 88, lid 3, van het
Verdrag neergelegde verplichting bepaalde nationale maatregelen aan te melden. [Deze richtlijn
doet geen afbreuk aan het resultaat van enigerlei toekomstige, uit hoofde van de artikelen 87
en 88 van het Verdrag, ingeleide procedure inzake staatssteun.]
(30) De werkingssfeer van Richtlijn 92/12/EEG van 25 februari 1992 betreffende de algemene
regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles
daarop 1, moet worden uitgebreid tot alle producten en indirecte belastingen die onder deze
richtlijn vallen,]
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
I. Toepassingsgebied
Artikel 1
Voorwerp
De lidstaten heffen belasting op energieproducten en elektriciteit overeenkomstig deze richtlijn.
Artikel 2
Toepassingsgebied
-
1.Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder 'energieproducten' verstaan de hieronder
vermelde producten:
-
a)producten van de GN-codes 1507 tot en met 1518, indien deze zijn bestemd om als verwar-
mings- of motorbrandstof te worden gebruikt;
-
b)producten van de GN-codes 2701, 2702 en 2704 tot en met 2715;
-
c)producten van de GN-codes 2901 en 2902;
-
d)producten van GN-code 2905 11 00 die niet van synthetische oorsprong zijn, indien deze zijn
bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt;
-
e)producten van GN-code 3403;
-
f)producten van GN-code 3811;
-
3.De energieproducten waarvoor in deze richtlijn geen belastingniveau is vastgesteld en die
bestemd zijn voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als motor- of
verwarmingsbrandstof, worden belast tegen het tarief van de gelijkwaardige motor- of verwar-
mingsbrandstof, naar gelang van het gebruik dat ervan gemaakt wordt.
Naast de in lid 1 genoemde belastbare producten wordt tegen het tarief van de gelijkwaardige
motorbrandstof belast, elk product dat bestemd is voor gebruik, wordt aangeboden voor verkoop of
wordt gebruikt als motorbrandstof, als additief of als vulstof in motorbrandstoffen.
Naast de in lid 1 genoemde belastbare producten wordt tegen het tarief van het gelijkwaardige
energieproduct belast elke andere koolwaterstof, turf uitgezonderd, die bestemd is voor gebruik,
wordt aangeboden voor verkoop of wordt gebruikt als verwarmingsbrandstof.
-
4.a) Outputbelasting van verwarming en de belasting van producten van de GN-codes 4401
en 4402 vallen buiten de werkingssfeer van deze richtlijn.
-
b)De volgende vormen van gebruik van energieproducten en elektriciteit vallen buiten de
werkingssfeer van de richtlijn:
-
-energieproducten gebruikt voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof
-
-duaal gebruik van energieproducten
Een energieproduct kent een duaal gebruik wanneer het zowel als verwarmingsbrandstof als
voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof wordt gebruikt. Het gebruik
van energieproducten voor chemische reductie of elektro-lytische, metallurgische en
mineralogische procédés wordt als duaal gebruik beschouwd.
-
-mineralogische procédés
Onder mineralogische procédés wordt verstaan de procédés die in Verordening (EEG)
nr. 3037/90 zijn ondergebracht onder code DI 26 "Vervaardiging van overige niet-
metaalhoudende minerale producten" van de NACE-nomenclatuur.
Op deze energieproducten is artikel 20 evenwel van toepassing.
-
5.De in deze richtlijn vervatte verwijzingen naar codes van de gecombineerde nomenclatuur zijn
verwijzingen naar de versie daarvan die op 1 januari 2002 1 van kracht is.
[Jaarlijks wordt volgens de procedure van artikel 27, lid 2, een besluit genomen tot bijwerking van
de codes van de gecombineerde nomenclatuur voor de producten, vermeld in deze richtlijn. Het
besluit mag niet leiden tot wijzigingen in de minimumbelastingtarieven voor energieproducten en
elektriciteit als bedoeld in deze richtlijn. Middels dit besluit worden er geen producten toegevoegd
aan of verwijderd uit lid 1 en lid 2.]
Artikel 3
Verband met Richtlijn 92/12/EEG
De verwijzingen naar 'minerale oliën' en 'accijnzen' (voorzover van toepassing op minerale oliën) in
Richtlijn 92/12/EEG worden uitgelegd als verwijzingen naar alle energieproducten, elektriciteit en
nationale indirecte belastingen bedoeld in artikel 2, respectievelijk artikel 4, lid 2, van de onder-
II. Belastingniveaus
Artikel 4
Belastingniveaus
-
1.De belastingniveaus die de lidstaten toepassen op de in artikel 2 genoemde energieproducten,
mogen niet onder de in deze richtlijn voorgeschreven minimumniveaus liggen.
-
2.Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder 'belastingniveau' verstaan het totaal van alle
geheven indirecte belastingen (BTW uitgezonderd), rechtstreeks of onrechtstreeks berekend over de
hoeveelheid energieproducten en elektriciteit op het tijdstip van uitslag tot verbruik.
Artikel 5
Differentiëring
De lidstaten kunnen, onder fiscaal toezicht, gedifferentieerde belastingtarieven toepassen in de
volgende gevallen, op voorwaarde dat deze tarieven niet onder de in deze richtlijn vastgestelde
minimumbelastingniveaus liggen en verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht:
-
-wanneer de gedifferentieerde tarieven rechtstreeks gekoppeld zijn aan de kwaliteit van het
Artikel 6
Belastingverlaging en -teruggaaf
Het staat de lidstaten vrij aan de in deze richtlijn bedoelde belastingvrijstellingen of -verlagingen
uitvoering te geven:
-
a)rechtstreeks,
-
b)middels een gedifferentieerd tarief
dan wel
-
c)door het betaalde belastingbedrag geheel of gedeeltelijk terug te geven.
Artikel 7
Motorbrandstoffen
-
1.Met ingang van 1 januari 2004 en vanaf 1 januari 2010 worden de minimumbelastingniveaus
voor motorbrandstoffen vastgesteld zoals omschreven in bijlage 1.A.
-
2.De lidstaten mogen onderscheid maken tussen commerciële en niet-commerciële aanwending van
gasolie gebruikt voor voortbeweging, op voorwaarde dat de communautaire minimumbelasting-
niveaus gerespecteerd worden en het tarief voor commerciële gasolie gebruikt voor voortbeweging
niet onder het op 1 januari 2003 geldende nationale belastingniveau daalt.
-
4.Niettegenstaande lid 2 kunnen lidstaten die een systeem invoeren van wegenbelasting voor
motorvoertuigen of samenstellen van voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het goederen-
vervoer over de weg, op door dergelijke voertuigen gebruikte gasolie een verlaagd tarief toepassen
dat lager is dan het op 1 januari 2003 geldende nationale belastingniveau, zolang de totale belas-
tingdruk grotendeels gelijk blijft en de communautaire minimumbelastingniveaus gerespecteerd
worden.
Artikel 8
Motorbrandstoffen voor industriële en commerciële doeleinden
-
1.Niettegenstaande artikel 7, worden de minimumbelastingniveaus voor producten die als motor-
brandstof worden gebruikt voor de doeleinden van lid 2, met ingang van 1 januari 2004 vastgesteld
zoals vermeld in bijlage 1.B.
-
2.Dit artikel is van toepassing voor de volgende industriële en commerciële doeleinden:
-
a)landbouw, tuinbouw, visteelt of bosbouw;
-
b)stationaire motoren;
-
c)installaties en machines die worden gebruikt in de bouw, de weg- en waterbouw en voor
openbare werken;
-
d)voertuigen bestemd om buiten de openbare weg te worden gebruikt of waarvoor geen vergun-
ning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg.
Artikel 10
Elektriciteit
-
1.Met ingang van 1 januari 2004 worden de minimumbelastingniveaus voor elektriciteit vastgesteld
zoals omschreven in bijlage 1.C.
-
2.Boven de in lid 1 bedoelde minimumbelastingniveaus kunnen de lidstaten de toepasselijke belas-
tinggrondslag bepalen mits zij het bepaalde in Richtlijn 92/12/EEG betreffende de algemene rege-
ling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop,
in acht nemen.
Artikel 11
Zakelijk gebruik
-
1.In deze richtlijn wordt onder zakelijk gebruik verstaan het gebruik door een in overeenstemming
met lid 2 bevonden bedrijf dat onafhankelijk, op ongeacht welke plaats, leveringen van goederen en
diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten.
De economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienst-
verrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of
daarmede gelijkgestelde beroepen.
-
3.Waar gemengd gebruik plaatsvindt, wordt de belasting geheven naar evenredigheid van elk type
gebruik; indien het zakelijk of het niet-zakelijk gebruik niet significant is, kan het evenwel als nul-
gebruik worden behandeld.
-
4.De lidstaten kunnen het toepassingsgebied van het verlaagde belastingniveau voor zakelijk
gebruik beperken.
Artikel 12
Eenheden
-
1.De lidstaten kunnen hun nationale belastingniveaus uitdrukken in andere dan de in de artikelen 7
tot en met 10 vermelde eenheden, op voorwaarde dat de overeenkomstige belastingniveaus na
omrekening in die eenheden niet onder de in deze richtlijn vastgestelde minimumniveaus liggen.
-
2.Voor energieproducten als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 met belastingniveaus op grond
van volumes, wordt het volume gemeten bij een temperatuur van 15 °C.
Artikel 13
Wisselkoersen
-
1.Voor die lidstaten die de euro niet hebben ingevoerd wordt de op de waarde van de belasting-
niveaus toe te passen tegenwaarde van de euro in nationale valuta eenmaal per jaar vastgesteld. De
III. Belastingvrijstelling en -teruggaaf
Artikel 14
Vrijstellingen voor bepaalde producten en bepaalde vormen van gebruik
-
1.Naast de algemene bepalingen van Richtlijn 92/12/EEG inzake vrijgesteld gebruik van belastbare
producten, en onverminderd andere communautaire bepalingen, verlenen de lidstaten voor onder-
staande producten vrijstelling van belasting, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een
juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of mis-
bruik te voorkomen:
-
a)energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en
elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produ-
ceren. De lidstaten kunnen deze producten echter uit milieubeleidsoverwegingen aan belasting
onderwerpen zonder inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelasting-
niveaus. In dat geval wordt de op deze producten geheven belasting niet in aanmerking
genomen voor de inachtneming van het minimumbelastingniveau voor elektriciteit zoals
vastgesteld in artikel 10 van deze richtlijn;
-
b)energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor andere luchtvaart dan
particuliere plezierluchtvaart.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "particuliere pleziervaartuigen" verstaan
vaartuigen die worden gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die
het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en
met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het
verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.
-
2.De lidstaten kunnen de in lid 1, onder b) en c), bedoelde vrijstellingen beperken tot het interna-
tionale en het intracommunautaire vervoer. Daarnaast kan een lidstaat die met een andere lidstaat
een bilaterale overeenkomst heeft gesloten, de in lid 1, onder b) en c), bedoelde vrijstellingen
opschorten. In dergelijke gevallen kunnen de lidstaten een lager belastingniveau dan het in deze
richtlijn vastgestelde minimumniveau toepassen.
Artikel 15
Facultatieve vrijstellingen of verlagingen
-
1.Onverminderd andere communautaire bepalingen, kunnen de lidstaten onder fiscaal toezicht
gehele of gedeeltelijke belastingvrijstellingen of -verlagingen toepassen op:
-
a)belastbare producten die onder fiscaal toezicht worden gebruikt bij proefprojecten voor de
technologische ontwikkeling van milieuvriendelijker producten of met betrekking tot brand-
stoffen uit hernieuwbare bronnen;
-
b)elektriciteit:
-
d)elektriciteit, opgewekt uit warmtekrachtkoppeling, op voorwaarde dat de wkk-installaties
milieuvriendelijk zijn. De lidstaten mogen nationale definities van "milieuvriendelijke"
warmtekrachtkoppeling (of warmtekrachtkoppeling met hoog rendement) toepassen totdat de
Raad op basis van een verslag en een voorstel van de Commissie met eenparigheid van stem-
men een gemeenschappelijke definitie aanneemt;
-
e)energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor het vervoer van goederen en
personen per spoor, metro, tram en trolleybus;
-
f)energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof en elektriciteit voor andere
vaart op de binnenwateren (met inbegrip van visserij) dan pleziervaart, en aan boord van een
vaartuig opgewekte elektriciteit;
-
g)aardgas in lidstaten waar het aandeel van aardgas in 2000 minder dan 15% van het finale
energieverbruik bedroeg.
De gehele of gedeeltelijke vrijstellingen en verlagingen kunnen van toepassing zijn gedurende
een periode van ten hoogste tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn, of totdat het
nationale aandeel van aardgas 25% van het finale energieverbruik bedraagt, indien dat zich het
eerst voordoet. Zodra het nationale aandeel van aardgas evenwel 20% van het finale energie-
verbruik bedraagt, hanteren de betrokken lidstaten een strikt positief belastingniveau, dat
jaarlijks wordt verhoogd zodat het aan het einde van bovengenoemde periode ten minste het
-
j)motorbrandstoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging, de ontwikkeling, het testen en
het onderhoud van luchtvaartuigen en schepen;
-
k)motorbrandstoffen die worden gebruikt bij baggerwerken in bevaarbare waterlopen en in
havens;
-
l)producten van GN-code 2705 die worden gebruikt voor verwarmingsdoeleinden;
-
m)brandstofcellen.
-
2.De lidstaten kunnen het belastingbedrag dat de verbruiker heeft betaald voor de elektriciteit die
wordt opgewekt met de in lid 1, onder b) bedoelde producten, volledig of gedeeltelijk aan de produ-
cent teruggeven.
-
3.De lidstaten kunnen een tot een nultarief verlaagd belastingniveau toepassen op energieproducten
en elektriciteit die worden gebruikt voor de landbouw, de tuinbouw, de visteelt en de bosbouw.
De Raad beziet, op basis van een voorstel van de Commissie vóór 1 januari 2008 of de toepassing
van een tot een nultarief verlaagd belastingniveau wordt ingetrokken.
Artikel 16
Biobrandstoffen en andere van biomassa afkomstige producten
-
1.Onverminderd lid 5, kunnen de lidstaten [van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2012],
onder fiscaal toezicht, vrijstelling van accijns verlenen of een verlaagd accijnstarief hanteren voor
-
-producten van de GN-codes 2207 20 00 en 2905 11 00 die niet van synthetische oorsprong
zijn;
-
-producten afkomstig van biomassa, inclusief de producten van de GN-codes 4401 en 4402.
De lidstaten kunnen, onder fiscaal toezicht, eveneens een verlaagd accijnstarief hanteren voor de in
artikel 2 bedoelde belastbare producten die water bevatten (GN-codes 2201 en 2851 00 10).
Onder "biomassa" wordt verstaan de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en
residuen uit de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aan-
verwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en stedelijk
afval.
-
2.De accijnsvrijstelling of de accijnsverlaging als gevolg van de toepassing van het in lid 1
bedoelde verlaagde tarief mag niet hoger zijn dan het bedrag dat aan accijns verschuldigd zou zijn
op het volume van de in lid 1 bedoelde producten aanwezig in de voor genoemde verlaging in
aanmerking komende producten.
De door de lidstaten gehanteerde belastingniveaus voor de producten die uit de in lid 1 bedoelde
producten zijn samengesteld of deze bevatten, kunnen onder de in artikel 4 vastgestelde minima
In het kader van een meerjarenprogramma waarvoor een overheidsinstantie vóór 31 december 2012
toestemming heeft verleend, kunnen de lidstaten de in lid 1 bedoelde vrijstelling of verlaging na
31 december 2012 blijven toepassen tot de datum waarop dit meerjarenprogramma afloopt, zonder
dat dit nadien nog kan worden verlengd.
-
6.Indien de lidstaten op grond van het Gemeenschapsrecht gedwongen worden tot naleving van
juridisch bindende verplichtingen om een minimumaandeel van de in lid 1 bedoelde producten in de
handel te brengen, is het bepaalde in de leden 1 tot en met 5 niet meer van toepassing vanaf de
datum waarop die verplichtingen voor de lidstaten bindend worden.
-
7.De lidstaten zenden de Commissie uiterlijk 31 december 2004 en vervolgens om de twaalf maan-
den een lijst toe van de overeenkomstig dit artikel toegepaste accijnsvrijstellingen of -verlagingen.
-
8.Uiterlijk 31 december 2009 brengt de Commissie de Raad verslag uit over de fiscale, econo-
mische, landbouwkundige, energie-, industriële en milieuaspecten van de overeenkomstig dit artikel
toegekende verlagingen.
Artikel 17
Specifieke verlagingen voor zakelijk gebruik
-
1.De lidstaten kunnen in de volgende gevallen belastingverlagingen toepassen op het verbruik van
energieproducten die worden gebruikt voor verwarming of voor de doeleinden van artikel 8, lid 2,
De kosten van de aankoop van energieproducten en elektriciteit worden gedefinieerd als de
feitelijke kosten van de door het bedrijf aangekochte of gegenereerde energie. Hieronder
vallen alleen de kosten van elektriciteit, verwarming en de energieproducten die worden
gebruikt voor verwarmingsdoeleinden of voor de doeleinden van artikel 8, lid 2, onder b)
en c). De kosten omvatten alle belastingen, uitgezonderd aftrekbare BTW.
Productiewaarde wordt gedefinieerd als de omzet inclusief rechtstreeks aan de prijs van het
product gekoppelde subsidies, vermeerderd of verminderd met de veranderingen in voorraden
gereed product, onderhanden werk en goederen en diensten, ingekocht voor wederverkoop, en
verminderd met de aankoop van goederen en diensten voor wederverkoop.
Toegevoegde waarde wordt gedefinieerd als de totale aan BTW onderworpen omzet inclusief
uitvoer, verminderd met de totale aan BTW onderworpen inkoop inclusief invoer.
De lidstaten die momenteel nationale energiebelastingsystemen hebben waarbij energie-inten-
sieve bedrijven worden gedefinieerd aan de hand van andere criteria dan de energiekosten in
vergelijking met de productiewaarde en de verschuldigde nationale energiebelasting in verge-
lijking met de toegevoegde waarde, wordt een overgangsperiode tot uiterlijk 1 januari 2002
toegestaan om zich aan de in de vorige alinea opgenomen definitie aan te passen;
-
b)Indien overeenkomsten zijn aangegaan met ondernemingen of ondernemersverenigingen, of
indien regelingen inzake verhandelbare vergunningen of gelijkwaardige regelingen worden
-
4.Bedrijven die gebruik maken van de in lid 2 en lid 3 bedoelde mogelijkheden, gaan
overeenkomsten, regelingen inzake verhandelbare vergunningen of gelijkwaardige regelingen aan
als bedoeld in lid 1, onder b). De overeenkomsten, regelingen inzake verhandelbare vergunningen
of gelijkwaardige regelingen moeten bijdragen tot de verwezenlijking van milieubeschermingsdoel-
stellingen of een grotere energie-efficiëntie die grosso modo gelijkwaardig zijn aan wat zou zijn
bereikt indien de communautaire standaardminimumtarieven gehanteerd waren.
Artikel 18
Overgangsperioden en -regelingen
-
1.In afwijking van de bepalingen van deze richtlijn worden de lidstaten hierbij gemachtigd de in
bijlage 2 vermelde verlagingen van de belastingniveaus of vrijstellingen te blijven toepassen.
Onder voorbehoud van een voorafgaand onderzoek door de Raad op voorstel van de Commissie,
verstrijkt deze machtiging op 31 december 2006 of op de in bijlage 2 vermelde datum.
-
2.Niettegenstaande de in lid 3 tot en met lid 12 bepaalde perioden en op voorwaarde dat de
mededinging niet significant wordt verstoord, krijgen lidstaten die moeilijkheden ondervinden met
de toepassing van de nieuwe minimumbelastingniveaus een overgangsperiode tot 1 januari 2007,
meer bepaald om te vermijden dat de prijsstabiliteit in gevaar wordt gebracht.
-
4.De Republiek Oostenrijk mag tot 1 januari 2007 een overgangsperiode toepassen om het
nationale belastingniveau voor gasolie gebruikt voor voortbeweging aan te passen aan het nieuwe
minimum belastingniveau van 302 euro en tot 1 januari 2012 om tot 330 euro te komen. Tot
31 december 2009 mag zij voorts een speciaal verlaagd tarief hanteren voor de commerciële
aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging, mits dit niet leidt tot een belastingniveau van
minder dan 287 euro per 1000 liter en de op 1 januari 2003 geldende nationale belastingniveaus niet
worden verlaagd. Van 1 januari 2010 tot 1 januari 2012 mag zij een gedifferentieerd tarief hanteren
voor de commerciële aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging, mits dit niet leidt tot
een belastingniveau van minder dan 302 euro per 1000 liter en de op 1 januari 2010 geldende
nationale belastingniveaus niet worden verlaagd.
-
5.Het Koninkrijk België mag tot 1 januari 2007 een overgangsperiode toepassen om het nationale
belastingniveau voor gasolie gebruikt voor voortbeweging aan te passen aan het nieuwe minimum-
belastingniveau van 302 euro en tot 1 januari 2012 om tot 330 euro te komen. Tot
31 december 2009 mag het voorts een speciaal verlaagd tarief hanteren voor de commerciële
aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging, mits dit niet leidt tot een belastingniveau van
minder dan 287 euro per 1000 liter en de op 1 januari 2003 geldende nationale belastingniveaus niet
worden verlaagd. Van 1 januari 2010 tot 1 januari 2012 mag zij een gedifferentieerd tarief hanteren
voor de commerciële aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging, mits dit niet leidt tot
een belastingniveau van minder dan 302 euro per 1000 liter en de op 1 januari 2010 geldende
nationale belastingniveaus niet worden verlaagd.
-
7.De Portugese Republiek mag op in het autonome gebied der Azoren en het autonome gebied
Madeira verbruikte energieproducten en elektriciteit lagere belastingniveaus toepassen dan de bij
deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus, als compensatie voor de vervoerskosten die
uit het insulaire karakter en de geografische versnippering van deze gebieden voortvloeien.
De Portugese Republiek mag tot 1 januari 2009 een overgangsperiode toepassen om het nationale
belastingniveau voor gasolie gebruikt voor voortbeweging aan te passen aan het nieuwe minimum
belastingniveau van 302 euro en tot 1 januari 2012 om tot 330 euro te komen. Tot
31 december 2009 mag zij voorts een gedifferentieerd tarief hanteren voor de commerciële
aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging, mits dit niet leidt tot een belastingniveau van
minder dan 272 euro per 1000 liter en de op 1 januari 2003 geldende nationale belastingniveaus niet
worden verlaagd. Van 1 januari 2010 tot 1 januari 2012 mag zij een gedifferentieerd tarief hanteren
voor de commerciële aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging, mits dit niet leidt tot
een belastingniveau van minder dan 302 euro per 1000 liter en de op 1 januari 2010 geldende
nationale belastingniveaus niet worden verlaagd. Het gedifferentieerde tarief voor de commerciële
aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging mag ook worden toegepast voor taxi's tot
1 januari 2012.
De Portugese Republiek mag tot 1 januari 2010 volledige of gedeeltelijke vrijstellingen van het
belastingniveau voor elektriciteit toepassen.
De Helleense Republiek mag tot 1 januari 2010 een overgangsperiode toepassen om het nationale
belastingniveau voor gasolie gebruikt voor voortbeweging aan te passen aan het nieuwe
minimumbelastingniveau van 302 euro per 1000 liter en tot 1 januari 2012 om te komen tot
330 euro. Tot 31 januari 2009 mag zij voorts een gedifferentieerd tarief hanteren voor de
commerciële aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging, mits dit niet leidt tot een
belastingniveau van minder dan 264 euro per 1000 liter en de op 1 januari 2003 geldende nationale
belastingniveaus niet worden verlaagd. Van 1 januari 2010 tot 1 januari 2012 mag zij een
gedifferentieerd tarief hanteren voor de commerciële aanwending van gasolie gebruikt voor
voortbeweging, mits dit niet leidt tot een belastingniveau van minder dan 302 euro per 1000 liter en
de op 1 januari 2010 geldende nationale belastingniveaus niet worden verlaagd. Het
gedifferentieerde tarief voor de commerciële aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging
mag ook worden toegepast voor taxi's tot 1 januari 2012. Met betrekking tot artikel 7, lid 3,
onder b), mag zij tot 1 januari 2008 een toegestaan totaalgewicht van 3,5 ton of meer toepassen
voor het definiëren van commerciële doeleinden.
-
9.Ierland mag tot 1 januari 2008 volledige of gedeeltelijke vrijstellingen of verlagingen van het
belastingniveau voor elektriciteit toepassen.
Ierland mag tot 1 januari 2008 een toegestaan totaalgewicht van 3,5 ton of meer toepassen voor het
definiëren van commerciële doeleinden als bedoeld in artikel 7, lid 3, onder b).
-
11.De Italiaanse Republiek mag tot 1 januari 2008 een toegestaan totaalgewicht van 3,5 ton of
meer toepassen voor het definiëren van commerciële doeleinden als bedoeld in artikel 7, lid 3,
onder b).
-
12.De Bondsrepubliek Duitsland mag tot 1 januari 2008 een toegestaan totaalgewicht van 12 ton
toepassen voor het definiëren van commerciële doeleinden als bedoeld in artikel 7, lid 3, onder b).
-
13.Het Koninkrijk der Nederlanden mag tot 1 januari 2008 een toegestaan totaalgewicht van 12 ton
toepassen voor het definiëren van commerciële doeleinden als bedoeld in artikel 7, lid 3, onder b).
-
14.Binnen de vastgestelde overgangsperioden verkleinen de lidstaten geleidelijk het verschil met
de nieuwe minimumbelastingniveaus. Wanneer het verschil tussen het nationale niveau en het
minimumniveau niet meer bedraagt dan 3% van dat minimumniveau, kan de lidstaat in kwestie de
aanpassing van zijn nationale niveau evenwel tot het einde van de overgangsperiode uitstellen.
Artikel 19
Specifieke beleidsoverwegingen
-
1.Naast de bepalingen van de voorgaande artikelen, met name de artikelen 5, 15 en 17, kan de Raad
op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen besluiten dat een lidstaat uit speci-
fieke beleidsoverwegingen wordt gemachtigd verdere vrijstellingen of verlagingen in te voeren.
Binnen drie maanden nadat de Commissie alle relevante en benodigde gegevens heeft ontvangen
dient zij een voorstel in voor een beschikking waarbij de Raad de lidstaat in kwestie tot het nemen
van een dergelijke maatregel machtigt of deelt zij de Raad de redenen mee waarom zij een
dergelijke beschikking niet heeft voorgesteld.
-
2.De in lid 1 bedoelde machtigingen worden voor ten hoogste zes jaar verleend, met de mogelijk-
heid tot verlenging volgens de in lid 1 omschreven procedure.
-
3.Indien de Commissie van oordeel is dat de in lid 1 bedoelde vrijstellingen of verlagingen niet
langer aanvaardbaar zijn, met name uit het oogpunt van eerlijke mededinging, verstoring van de
werking van de interne markt, of het communautaire gezondheids-, milieu-, energie- en vervoers-
beleid, dient zij bij de Raad passende voorstellen in. De Raad besluit daarover met eenparigheid van
IV. Het voorhanden hebben en het verkeer van producten
Artikel 20
-
1.De bepalingen inzake controles en verkeer van Richtlijn 92/12/EEG zijn uitsluitend van toepas-
sing op de volgende energieproducten:
-
a)producten van de GN-codes 1507 tot en met 1518, indien deze zijn bestemd voor gebruik als
verwarmings- of motorbrandstof;
-
b)producten van de GN-codes 2707 10, 2707 20, 2707 30 en 2707 50;
-
c)producten van de GN-codes 2710 11 tot en met 2710 19 69. Voor producten van de GN-codes
2710 11 21, 2710 11 25 en 2710 19 29 echter zijn de bepalingen inzake controles en verkeer
uitsluitend van toepassing op commercieel bulkverkeer;
-
d)producten van GN-code 2711 (met uitzondering van 2711 11, 2711 21 en 2711 29);
-
e)producten van GN-code 2901 10;
-
f)producten van de GN-codes 2902 20, 2902 30, 2902 41, 2902 42, 2902 43 en 2902 44;
-
g)producten van GN-code 2905 11 00 die niet van synthetische oorsprong zijn, indien deze zijn
bestemd voor gebruik als verwarmings- of motorbrandstof;
-
h)producten van de GN-code 3824 90 99, indien deze zijn bestemd voor gebruik als verwar-
mings- of motorbrandstof.
-
2.Indien een lidstaat constateert dat andere dan de in lid 1 bedoelde energieproducten zijn bestemd
voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als verwarmings- of motor-
-
3.De lidstaten kunnen uit hoofde van bilaterale overeenkomsten voor sommige of alle bovenge-
noemde producten afzien van sommige of alle in Richtlijn 92/12/EEG genoemde controlemaat-
regelen, voor zover deze producten niet onder artikel 7 tot en met 9 vallen. Dergelijke overeen-
komsten hebben geen gevolgen voor de lidstaten die er geen partij bij zijn. Al deze bilaterale over-
eenkomsten worden medegedeeld aan de Commissie, die de andere lidstaten op de hoogte stelt.
V. Belastbaar feit en verschuldigdheid van de belasting
Artikel 21
-
1.Naast de algemene bepalingen tot omschrijving van het belastbare feit en de bepalingen van
Richtlijn 92/12/EEG die betrekking hebben op de betaling, wordt op energieproducten eveneens
belasting verschuldigd wanneer één van de in artikel 2, lid 3, van deze richtlijn genoemde belast-
bare feiten zich voordoet.
-
2.Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder de term 'productie' in Richtlijn 92/12/EEG,
artikel 4 punt c), en artikel 5, lid 1, in voorkomend geval tevens 'winning' verstaan.
-
3.Het verbruik van energieproducten binnen een bedrijf dat energieproducten produceert, wordt
niet beschouwd als een belastbaar feit waardoor belasting verschuldigd wordt, indien dat verbruik
bestaat in binnen het bedrijf geproduceerde energieproducten. De lidstaten kunnen ook het verbruik
van elektriciteit en andere energieproducten die niet binnen een dergelijk bedrijf worden
geproduceerd en het verbruik van energieproducten en elektriciteit binnen een bedrijf dat voor het
opwekken van elektriciteit te gebruiken brandstoffen produceert, niet als een belastbaar feit
behandelen. Wanneer het verbruik niet voor de productie van energieproducten bestemd is maar
met name voor de voortbeweging van voertuigen, wordt het beschouwd als een belastbaar feit
waardoor belasting verschuldigd wordt.
Niettegenstaande lid 1 heeft een lidstaat ingeval er geen verbinding is tussen de gaspijpleidingen
van de ene naar de andere lidstaat het recht het belastbare feit vast te stellen.
Een organisatie die voor eigen gebruik elektriciteit produceert, wordt beschouwd als distributeur.
Niettegenstaande artikel 14, lid 1, punt a), kunnen de lidstaten dergelijke kleine elektriciteits-
producenten vrijstelling verlenen mits zij belasting heffen op de voor de productie van die elektri-
citeit gebruikte energieproducten.
Voor de toepassing van de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 92/12/EEG worden kolen, cokes en
bruinkool aan belasting onderworpen en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van levering
door vennootschappen die door de betrokken autoriteiten voor dat doel in een register moeten
worden ingeschreven. Die autoriteiten kunnen de producent, de handelaar, de importeur of een
fiscaal vertegenwoordiger toestaan in de plaats te treden van de geregistreerde vennootschap voor
de op haar rustende belastingverplichtingen. De belasting wordt geheven en geïnd volgens de
procedure van iedere lidstaat.
-
6.Als productie van energieproducten hoeven de lidstaten niet te beschouwen:
-
a)handelingen waarbij kleine hoeveelheden energieproduct als bijproduct worden verkregen;
-
b)handelingen waardoor de gebruiker van een energieproduct hergebruik daarvan in zijn eigen
onderneming mogelijk maakt, mits het op dat product reeds betaalde bedrag aan accijns niet
lager is dan het accijns dat verschuldigd zou zijn indien het hergebruikte energieproduct
Artikel 22
Bij wijziging van één of meer belastingtarieven kunnen reeds tot verbruik uitgeslagen voorraden
energieproducten aan een belastingverhoging of -verlaging worden onderworpen.
Artikel 23
Voor verontreinigde of bij toeval vermengde energieproducten die ter verwerking in een
belastingentrepot worden aangeboden, kunnen de lidstaten reeds voldane belastingbedragen
teruggeven.
Artikel 24
-
1.De in een lidstaat tot verbruik uitgeslagen energieproducten die zich bevinden in de normale
reservoirs van bedrijfsmotorvoertuigen en bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof voor
deze voertuigen, en die zich bevinden in bijzondere containers en bestemd zijn om te worden
gebruikt voor de werking, tijdens het vervoer, van systemen waarmee deze containers zijn uitgerust,
worden niet in een andere lidstaat belast.
-
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder
-
-de door de fabrikant blijvend in of aan alle containers van hetzelfde type als de betrokken
container aangebrachte reservoirs, waarvan de blijvende inrichting het rechtstreeks verbruik
van brandstof mogelijk maakt voor de werking tijdens het vervoer van koelsystemen en andere
systemen waarmee containers voor speciale doeleinden zijn uitgerust.
Onder "container voor speciale doeleinden" wordt verstaan elke container die is uitgerust met aan-
gepaste koelsystemen, systemen voor zuurstoftoevoer, thermische isolatiesystemen of andere
VI. Slotbepalingen
Artikel 25
-
1.Op 1 januari van elk jaar en na elke wijziging van de nationale wetgeving stellen de lidstaten de
Commissie in kennis van de belastingniveaus die zij toepassen op de in artikel 2 van deze richtlijn
genoemde producten.
-
2.Indien de door de lidstaten toegepaste belastingniveaus zijn uitgedrukt in andere meeteenheden
dan die welke in de artikelen 7 tot en met 10 voor elk product nader worden omschreven, delen de
lidstaten ook de overeenkomstige belastingniveaus na omrekening in deze eenheden mee.
Artikel 26
-
1.De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de maatregelen die zij uit hoofde van artikel 5,
artikel 14, lid 2, en de artikelen 15 en 17 van deze richtlijn hebben genomen.
-
2.Maatregelen als belastingvrijstelling, -verlaging, -differentiatie en -teruggaaf in de zin van deze
richtlijn kunnen staatssteun inhouden en moeten in dat geval uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het
Verdrag ter kennis van de Commissie worden gebracht.
Het verstrekken van informatie aan de Commissie op basis van deze richtlijn ontslaat de lidstaten
Artikel 27
Comité
-
1.De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 24, lid 1, van Richtlijn 92/12/EEG ingestelde
Accijnscomité.
-
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van
toepassing.
-
3.De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bepaalde termijn wordt vastgesteld op drie
maanden.
Artikel 28
Uitvoering en inwerkingtreding
-
1.De lidstaten dienen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en
bekend te maken om uiterlijk op 31 december 2003 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de
Commissie daarvan onverwijld in kennis.
-
2.Zij passen deze bepalingen toe met ingang van 1 januari 2004 , met uitzondering van de bepa-
lingen in artikel 16 en in artikel 18, lid 3, die de lidstaten met ingang van 1 januari 2003 kunnen
Artikel 29
De Raad bestudeert de in deze richtlijn vastgestelde vrijstellingen, verlagingen en minimum-
belastingniveaus op gezette tijden aan de hand van een verslag en, in voorkomend geval, een
voorstel van de Commissie, en stelt na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid
van stemmen de nodige maatregelen vast. In het verslag van de Commissie en bij de beraadslaging
in de Raad wordt rekening gehouden met de goede werking van de interne markt, de reële waarde
van de minimumbelastingniveaus en de bredere doelstellingen van het Verdrag.
Artikel 30
Niettegenstaande artikel 28, lid 2, worden de Richtlijnen 92/81/EEG en 92/82/EEG met ingang van
31 december 2003 ingetrokken.
Artikel 31
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Bijlage 1 bij BIJLAGE I
A. Minimumbelastingniveaus voor motorbrandstoffen
1 januari 2004 1 januari 2010
Gelode benzine (euro per 1000 l)
GN-codes 2710 11 31, 2710 11 51 en 2710 11 59 421 421
Benzine (euro per 1000 l)
GN-codes 2710 11 31, 2710 11 41, 2710 11 45 en 2710 11 49 359 359
Gasolie (euro per 1000 l)
GN-codes 2710 19 41 tot en met 2710 19 49 302 330
Kerosine (euro per 1000 l)
GN-codes 2710 19 21 en 2710 19 25 302 330
LPG (euro per 1000 kg)
GN-codes 2711 12 11 tot en met 2711 19 00 125 125
Aardgas (euro per gigajoule)
GN-code 2711 11 00 en 2711 21 00 2,6 2,6
B. Minimumbelastingniveaus voor motorbrandstoffen gebruikt voor de in artikel 8, lid 2, genoemde
doeleinden
Gasolie (euro per 1000 l)
GN-codes 2710 19 41 tot en met 2710 19 49 21
Kerosine (euro per 1000 l)
GN-codes 2710 19 21 en 2710 19 25 21
LPG (euro per 1000 kg)
GN-codes 2711 12 11 tot en met 2711 19 00 41
Aardgas (euro per gigajoule)
GN-code 2711 11 00 en 2711 21 00 0,3
C. Minimumbelastingniveaus voor verwarmingsbrandstoffen en elektriciteit
-
zakelijk niet-zakelijk
gebruik gebruik
Gasolie (euro per 1000 l)
GN-codes 2710 19 41 tot en met 2710 19 49 21 21
Zware stookolie (euro per 1000 l)
GN-codes 2710 19 61 tot en met 2710 19 69 15 15
Kerosine (euro per 1000 l)
GN-codes 2710 19 21 tot
en met 2710 19 25
LPG (euro per 1000 kg)
GN-codes 2711 12 11 tot
en met 2711 19 00
Aardgas (euro per gigajoule)
GN-codes 2711 11 00 tot en met 2711 21 00 0,15 0,3
Kolen en cokes (euro per gigajoule)
GN-codes 2701, 2702 en 2704 0,15 0,3
Bijlage 2 bij BIJLAGE I
Accijnsverlagingen en -vrijstellingen als bedoeld in artikel 18, lid 1
-
1.BELGIË:
-
-voor vloeibaar petroleumgas (LPG), aardgas en methaan;
-
-voor voertuigen voor het plaatselijk openbaar personenvervoer;
-
-voor andere luchtvaart dan bedoeld in artikel 14, lid 1, onder b);
-
-voor de particuliere pleziervaart;
-
-voor een verlaagd accijnstarief voor zware stookolie om het gebruik van milieuvriendelijker
brandstoffen aan te moedigen; een dergelijke verlaging wordt specifiek gekoppeld aan het
zwavelgehalte, en het verlaagde tarief mag in geen geval onder de 6,5 euro per ton liggen;
-
-voor afgewerkte olie die wordt hergebruikt als brandstof, hetzij direct na terugwinning, hetzij
na recycling van de afgewerkte olie, op het hergebruik waarvan rechten kunnen worden
geheven.
-
2.DENEMARKEN:
-
-voor een verlaagd accijnstarief voor diesel om het gebruik van milieuvriendelijker brand-
stoffen aan te moedigen, op voorwaarde dat dergelijke stimulansen onderworpen zijn aan
welbepaalde technische kenmerken, zoals densiteit, zwavelgehalte, distillatiepunt en
cetaangetal, en op voorwaarde dat deze tarieven in overeenstemming zijn met de
verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn;
-
-voor de toepassing van gedifferentieerde accijnstarieven naargelang de benzine verkocht
wordt in benzinestations die zijn uitgerust met een terugvloeisysteem voor benzinedampen
-
-voor de toepassing van gedifferentieerde accijnstarieven voor gasolie, op voorwaarde dat de
gedifferentieerde tarieven in overeenstemming zijn met de verplichtingen uit hoofde van deze
richtlijn, met name de in artikel 7 van deze richtlijn bedoelde minimumaccijnstarieven;
-
-voor gedeeltelijke teruggave aan de commerciële sector, op voorwaarde dat de heffingen in
overeenstemming zijn met de communautaire bepalingen en het bedrag van de betaalde en
niet teruggegeven heffingen nooit onder de in de Gemeenschapswetgeving vastgestelde
minimumtarieven van de accijnzen of controleretributies op minerale oliën ligt;
-
-voor ander luchtvaartverkeer dan dat als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder b), van deze
richtlijn;
-
-voor de toepassing van een accijnsverlaging van maximaal 0,03 Deense kroon per liter op
benzine die wordt verkocht door tankstations die aan strengere installatie- en exploitatie-
normen ter beperking van de insijpeling van methyl-tertiair-butylether in het grondwater
voldoen, op voorwaarde dat deze gedifferentieerde accijnstarieven in overeenstemming zijn
met de in deze richtlijn vastgestelde verplichtingen, met name de minimumaccijnstarieven.
-
3.DUITSLAND:
-
-voor het gebruik van koolwaterstofrestgassen als brandstof voor verwarming;
-
-een gedifferentieerd accijnstarief voor minerale oliën die worden gebruikt als brandstof voor
voertuigen voor het plaatselijk openbaar vervoer, op voorwaarde dat een en ander in
overeenstemming is met de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 92/82/EEG;
-
-voor monsters van minerale oliën die bestemd zijn voor onderzoek, productietests of andere
wetenschappelijke doeleinden;
-
-voor de toepassing van gedifferentieerde accijnstarieven voor brandstoffen voor verwarming
die worden gebruikt door ondernemingen in de be- en verwerkende industrie, op voorwaarde
-
4.GRIEKENLAND:
-
-voor gebruik door de nationale strijdkrachten;
-
-voor vrijstelling van de accijns op minerale oliën die als motorbrandstof worden gebruikt voor
de officiële voertuigen van het kabinet van de president en van de rijkspolitie;
-
-voor voertuigen voor het plaatselijk openbaar personenvervoer;
-
-voor naar milieucategorie gedifferentieerde accijnstarieven voor ongelode benzine, op
voorwaarde dat de gedifferentieerde tarieven in overeenstemming zijn met de verplichtingen
uit hoofde van deze richtlijn, met name de in artikel 7 van deze richtlijn bedoelde
minimumaccijnstarieven;
-
-voor vloeibaar petroleumgas (LPG) en methaan die voor industriële doeleinden worden
gebruikt.
-
5.SPANJE:
-
-voor vloeibaar petroleumgas (LPG) dat wordt gebruikt als motorbrandstof voor voertuigen
voor het plaatselijk openbaar personenvervoer;
-
-voor vloeibaar petroleumgas dat als motorbrandstof in taxi's wordt gebruikt;
-
-voor naar milieucategorie gedifferentieerde accijnstarieven voor ongelode benzine, op
voorwaarde dat de gedifferentieerde tarieven in overeenstemming zijn met de verplichtingen
uit hoofde van deze richtlijn, met name de in artikel 7 van deze richtlijn bedoelde
minimumaccijnstarieven;
-
-voor afgewerkte olie die wordt hergebruikt als brandstof, hetzij direct na terugwinning, hetzij
na recycling van de afgewerkte olie, op het hergebruik waarvan rechten kunnen worden
-
-voor de toepassing van gedifferentieerde accijnstarieven voor een nieuwe brandstof,
bestaande uit een emulsie van water/antivries en diesel, die gestabiliseerd wordt door opper-
vlakte-actieve stoffen, op voorwaarde dat de gedifferentieerde tarieven in overeenstemming
zijn met de in deze richtlijn vastgestelde verplichtingen, met name de minimumaccijns-
tarieven;
-
-voor de toepassing van gedifferentieerde accijnstarieven voor ongelode superbenzine die een
additief op basis van kalium bevat dat de kleppen beter tegen corrosie beschermt (dan wel een
ander additief dat een brandstof van vergelijkbare kwaliteit oplevert);
-
-voor motorbrandstof die in taxi's wordt gebruikt, binnen de grenzen van een jaarlijks quotum;
-
-voor vrijstelling van de accijns op gas dat wordt gebruikt als motorbrandstof voor voertuigen
voor het openbaar vervoer, binnen de grenzen van een jaarlijks quotum;
-
-voor vrijstelling van de accijns op gas dat wordt gebruikt als motorbrandstof voor vuilnis-
wagens;
-
-voor een verlaagd accijnstarief voor zware stookolie om het gebruik van milieuvriendelijker
brandstoffen aan te moedigen; deze verlaging wordt specifiek gekoppeld aan het
zwavelgehalte en de accijns mag niet lager zijn dan het minimumbelastingtarief voor zware
stookolie dat in de Gemeenschapswetgeving is vastgesteld;
-
-voor vrijstelling van de accijns op zware stookolie die wordt gebruikt als brandstof bij de
productie van aluminiumoxide in de Gardanne;
-
-voor ander luchtvaartverkeer dan bedoeld in artikel 14, lid 1, onder b);
-
-voor de verkoop van benzine voor pleziervaartuigen in de havens van Corsica;
-
-voor afgewerkte olie die wordt hergebruikt als brandstof, hetzij direct na terugwinning, hetzij
na recycling van de afgewerkte olie, op het hergebruik waarvan rechten kunnen worden
-
-voor de productie van aluminiumoxide in Shannon;
-
-voor ander luchtvaartverkeer dan bedoeld in artikel 14, lid 1, onder b);
-
-voor de particuliere pleziervaart;
-
-voor afgewerkte olie die wordt hergebruikt als brandstof, hetzij direct na terugwinning, hetzij na
recycling van de afgewerkte olie, op het hergebruik waarvan rechten kunnen worden geheven.
-
8.ITALIË:
-
-[afwijking voor biobrandstoffen in te voegen]
-
-voor een verlaagd accijnstarief op diesel die door ondernemers van het wegvervoer wordt gebruikt,
tot 1 januari 2005, dat niet lager mag zijn dan het op 31 december 2002 geldende tarief;
-
-voor koolwaterstofrestgassen die als brandstof worden gebruikt;
-
-voor methaan dat als brandstof in motorvoertuigen wordt gebruikt;
-
-voor gebruik door de nationale strijdkrachten;
-
-voor gebruik in ziekenwagens;
-
-voor voertuigen voor het plaatselijk openbaar personenvervoer;
-
-voor brandstof die in taxi's wordt gebruikt;
-
-voor een verlaagd accijnstarief dat in bepaalde geografisch bijzonder benadeelde gebieden wordt
toegepast op huisbrandolie en vloeibaar petroleumgas voor verwarming, die via netwerken in die
gebieden worden verkocht, op voorwaarde dat de tarieven in overeenstemming zijn met de in deze
richtlijn vastgestelde verplichtingen, met name de minimumaccijnstarieven;
-
-voor het verbruik in de regio's Val d'Aosta en Gorizia;
-
-voor een verlaagd accijnstarief voor benzine die wordt gebruikt op het grondgebied van Friuli-Venezia
Giulia, op voorwaarde dat de tarieven in overeenstemming zijn met de in deze richtlijn vastgestelde
-
-voor ander luchtvaartverkeer dan bedoeld in artikel 14, lid 1, onder b);
-
-voor afgewerkte olie die wordt hergebruikt als brandstof, hetzij direct na terugwinning, hetzij na
recycling van de afgewerkte olie, op het hergebruik waarvan rechten kunnen worden geheven.
-
9.LUXEMBURG:
-
-voor voertuigen voor het plaatselijk openbaar vervoer;
-
-voor vloeibaar petroleumgas (LPG), aardgas en methaan;
-
-voor een verlaagd accijnstarief voor zware stookolie om het gebruik van milieuvriendelijker
brandstoffen aan te moedigen; een dergelijke verlaging wordt specifiek gekoppeld aan het
zwavelgehalte, en het verlaagde tarief mag in geen geval onder de 6,5 euro per ton liggen;
-
-voor afgewerkte olie die wordt hergebruikt als brandstof, hetzij direct na terugwinning, hetzij na
recycling van de afgewerkte olie, op het hergebruik waarvan rechten kunnen worden geheven.
-
10.NEDERLAND:
-
-voor vloeibaar petroleumgas (LPG), aardgas en methaan;
-
-voor monsters van minerale oliën die zijn bestemd voor onderzoek, productietests of andere
wetenschappelijke doeleinden;
-
-voor gebruik door de nationale strijdkrachten
-
-voor de toepassing van gedifferentieerde accijnstarieven voor vloeibaar petroleumgas (LPG) dat wordt
gebruikt als motorbrandstof voor voertuigen voor het openbaar vervoer;
-
-voor de toepassing van gedifferentieerde accijnstarieven voor vloeibaar petroleumgas (LPG) dat wordt
gebruikt als motorbrandstof voor vuilniswagens, kolkenzuigers en straatveegwagens;
-
-voor een gedifferentieerd accijnstarief op laagzwavelige dieselolie (50 ppm) tot en met
-
12.PORTUGAL:
-
-voor de toepassing van naar milieucategorie gedifferentieerde accijnstarieven voor ongelode
benzine, op voorwaarde dat de gedifferentieerde tarieven in overeenstemming zijn met de
verplichtingen die zijn vastgesteld bij deze richtlijn, met name de in artikel 7 bedoelde
minimumaccijnstarieven;
-
-voor vrijstelling van de accijns op vloeibaar petroleumgas (LPG), aardgas en methaan die
worden gebruikt als motorbrandstof voor het plaatselijk openbaar personenvervoer;
-
-voor een verlaagd accijnstarief voor stookolie die wordt verbruikt in de autonome regio
Madeira, op voorwaarde dat deze verlaging niet verder gaat dan de extra kosten die het
vervoer van de stookolie naar die regio met zich brengt;
-
-voor een verlaagd accijnstarief voor zware stookolie om het gebruik van milieuvriendelijker
brandstoffen aan te moedigen; deze verlaging wordt specifiek gekoppeld aan het
zwavelgehalte en de accijns mag niet lager zijn dan het minimumbelastingtarief voor zware
stookolie dat in de Gemeenschapswetgeving is vastgesteld;
-
-voor andere luchtvaart dan bedoeld in artikel 14, lid 1, onder b);
-
-voor afgewerkte olie die wordt hergebruikt als brandstof, hetzij direct na terugwinning, hetzij
na recycling van de afgewerkte olie, op het hergebruik waarvan rechten kunnen worden
geheven.
-
13.FINLAND:
-
-voor aardgas dat wordt gebruikt als brandstof;
-
-voor vrijstelling van de accijns op methaan en vloeibaar petroleumgas (LPG) voor alle
-
14.ZWEDEN:
-
-voor een verlaging van de accijns op diesel naargelang de milieucategorie;
-
-voor de toepassing van naar milieucategorie gedifferentieerde belastingtarieven voor ongelode
benzine, op voorwaarde dat de gedifferentieerde tarieven in overeenstemming zijn met de in
deze richtlijn vastgestelde verplichtingen, met name de minimumaccijnstarieven;
-
-voor de toepassing van een gedifferentieerd tarief voor zijn energieheffing op alkylaatbenzine
voor tweetaktmotoren, op voorwaarde dat het totale toepasselijke accijnstarief in overeen-
stemming is met de bepalingen van deze richtlijn
-
-voor vrijstelling van de accijns op biologisch vervaardigd methaan en andere restgassen;
-
-voor een verlaagd accijnstarief voor minerale oliën die voor industriële doeleinden worden
gebruikt, op voorwaarde dat de tarieven in overeenstemming zijn met de verplichtingen uit
hoofde van deze richtlijn;
-
-voor een verlaagd accijnstarief voor minerale oliën die voor industriële doeleinden worden
gebruikt door gelijktijdige toepassing van een onder het standaardtarief liggend tarief en een
verlaagd tarief voor energie-intensieve ondernemingen, op voorwaarde dat de tarieven in
overeenstemming zijn met de in deze richtlijn vastgestelde verplichtingen en de concurrentie
niet verstoren;
-
-voor andere luchtvaart dan bedoeld in artikel 14, lid 1, onder b).
-
15.VERENIGD KONINKRIJK:
-
-voor de toepassing van een gedifferentieerde accijnstarief op motorbrandstof die biodiesel
bevat en op als zuivere motorbrandstof gebruikte biodiesel, tot 31 maart 2007. De
communautaire minimumtarieven moeten in acht worden genomen en er mag geen
-
-voor andere luchtvaart dan bedoeld in artikel 14, lid 1, onder b);
-
-voor de particuliere pleziervaart;
-
-voor afgewerkte olie die wordt hergebruikt als brandstof, hetzij direct na terugwinning, hetzij
na recycling van de afgewerkte olie, op het hergebruik waarvan rechten kunnen worden
geheven.
BIJLAGE II
VERKLARINGEN VOOR DE RAADSNOTULEN
-
1)Staatssteun
Met het oog op meer rechtszekerheid ten aanzien van de toepassing van de regels inzake
staatssteun, zijn Raad en Commissie het eens over het volgende.
-
-De richtlijn energiebelasting is in overeenstemming met de verbintenissen van de
Gemeenschap aangaande het integreren van milieu-overwegingen in het domein van de
energiebelasting; de richtlijn zal de werking van de interne markt ten goede komen; de
Commissie dient tot het uiterste te gaan om ervoor te zorgen dat de maatregelen die uit hoofde
van de in de richtlijn vastgestelde vrijstellingen en belastingverlagingen door de lidstaten
worden genomen, als verenigbaar met de regels inzake staatssteun worden aangemerkt.
-
-De lidstaten kunnen hun staatssteunstelsels ter goedkeuring aanmelden in de vorm van de
algemene opzet van de regels en voorwaarden die hun autoriteiten zullen toepassen bij de
verlening van steun in verband met de nieuwe richtlijn energiebelasting. Nadat voor de
algemene opzet machtiging is verleend, behoeven afzonderlijke gevallen waarin de algemene
regeling op specifieke sectoren of ondernemingen wordt toegepast niet meer te worden
Voorts verklaart de Raad de juridische situatie die door de vaststelling van deze richtlijn ontstaat
met betrekking tot de Verdragsregels inzake staatssteun, op te vatten op dezelfde wijze als door de
Commissie is uiteengezet in de vergadering van de Groep belastingvraagstukken op
14 november 2002.
-
2)Regeling voor emissiehandel:
De Raad zegt toe zich, op basis van een voorstel van de Commissie, welwillend te buigen over
belastingmaatregelen ter begeleiding van de toekomstige toepassing van een communautaire
regeling voor emissiehandel, met name ter voorkoming van dubbele heffing.
-
3)Ad artikel 4, lid 2
De Raad en de Commissie verklaren dat onder het begrip "indirecte belastingen" als bedoeld in
artikel 4, lid 2, mede moeten worden verstaan de heffingen die rechtstreeks of onrechtstreeks
worden berekend op de hoeveelheid product op het tijdstip van uitslag tot verbruik en die aan de
financiering van de sociale zekerheid worden toegewezen.
-
4)Ad artikel 7
-
-De Commissie verklaart dat de in deze richtlijn vastgestelde, louter op de communautaire
minimumtarieven gestoelde maatregelen geen oplossing bieden voor de problemen in verband
met concurrentieverstoringen waarmee de vervoersmarkten geconfronteerd worden en de
daaruit voortvloeiende gevolgen. De resulterende verstoringen moeten worden opgeheven.
[6) Ad artikel 14, lid 1, punt b)
De Raad en de Commissie zijn het erover eens dat, uit principieel oogpunt en in het belang van een
samenhangend belastingstelsel, de brandstof voor de commerciële luchtvaart op dezelfde wijze
moet worden belast als de andere brandstoffen. Er moet evenwel aandacht worden besteed aan de
concurrentie met derde landen en er mogen geen concurrentievervalsingen met sociaal-economische
gevolgen optreden. De Raad en de Commissie zijn van oordeel dat een passende strategie zou zijn
de bespreking van dit dossier met de ICAO voort te zetten. Wanneer de belasting van de producten
in kwestie op internationaal niveau wordt toegestaan, moet de Raad, op basis van een voorstel van
de Commissie, besluiten of de vrijstelling afgeschaft wordt.]
-
7)Ad artikel 15, lid 1, punt d)
De Raad zegt toe zich, op basis van een voorstel van de Commissie, welwillend te buigen over een
gemeenschappelijke definitie van milieuvriendelijke warmtekrachtkoppeling (of warmtekracht-
koppeling met hoog rendement) met het oog op overeenstemming met "de richtlijn van het
Europees Parlement en de Raad inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de
vraag naar nuttige warmte in de interne energiemarkt".
-
8)Ad artikelen 15 en 16
De Commissie merkt op dat stortgassen, rioolwaterzuiveringsgassen en biogassen door de definitie
van biomassa worden bestreken.
-
11)Ad artikel 24
De Commissie merkt op dat de zinsnede "waarvan de blijvende inrichting het rechtstreeks verbruik
van brandstof mogelijk maakt" niet de aanwezigheid uitsluit van een afsluitklep op de leiding die de
normale reservoirs onderling verbindt.
_______________
| publicatiedatum | 27-11-2002 |
|---|---|
| kenmerk | 14862/02 ADD 1 |
