Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van - een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim - een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verrichting van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim - een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim - een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van het Europese luchtverkeersbeheernetwerk - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

-

RAAD VANBrussel, 2 april 2003 (08.04)

DE EUROPESE UNIE

Interinstitutioneel dossier: 8087/03

2001/0060 (COD) 2001/0235 (COD) 2001/0236 (COD) 2001/0237 (COD)

AVIATION 64 CODEC 404 OC 148

INGEKOMEN DOCUMENT

van:

de heer Sylvain BISARRE, directeur, namens de secretaris-generaal van de Europese Commissie

ingekomen: 26 maart 2003

aan: de heer Javier SOLANA, secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger

Betreft: Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van

  • een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van

een kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim

  • een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de

verrichting van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim

  • een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Brussel, 25.3.2003 SEC(2003) 363 definitief

2001/0060 (COD) 2001/0235 (COD) 2001/0236 (COD) 2001/0237 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

AAN HET EUROPEES PARLEMENT

overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea van het EG-Verdrag

over het

gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van

een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader

voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim

een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verrichting van

luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim

een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de organisatie en

2001/0060 (COD) 2001/0235 (COD) 2001/0236 (COD) 2001/0237 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

AAN HET EUROPEES PARLEMENT

overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea van het EG-Verdrag

over het

gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van

een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader

voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim

een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verrichting van

luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim

een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de organisatie en

het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim

een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de

interoperabiliteit van het Europese luchtverkeersbeheernetwerk

1. PROCEDURE

Op 10 oktober 2001 heeft de Commissie vier wetgevingsvoorstellen inzake de totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim

1 ingediend met het

Op 17 juli 2002 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité gunstig advies uitgebracht.

Op 3 september 2002 heeft het Europees Parlement gunstig advies uitgebracht onder voorbehoud van de in eerste lezing aangenomen amendementen.

Op 26 november 2002 heeft de Commissie een gewijzigd voorstel aangenomen, COM(2002) 658 def., dat op 28 november 2002 aan de Raad is toegezonden.

Op 18 maart 2003 heeft de Raad met eenparigheid van stemmen zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld.

2. DOELSTELLINGEN VAN DE VOORSTELLEN VAN DE COMMISSIE

Het luchtverkeersleidingssysteem in de Gemeenschap heeft zijn capaciteitsgrenzen nagenoeg bereikt. Daardoor ontstaan vertragingen in het luchtverkeer. Deze vertragingen maken het luchtvervoer onvoorspelbaar voor luchtreizigers en exploitanten

en brengen grote economische kosten mee voor de

luchtvaartmaatschappijen en consumenten. Het capaciteitsgebrek van het luchtverkeersleidingssysteem brengt ook de werking van de interne markt in gevaar.

De belangrijkste oorzaak van dit capaciteitsgebrek moet worden gezocht in de versnipperde opzet van het luchtverkeersbeheerssysteem (ATM - Air Traffic Mangement), waaraan bovendien hoge coördinatiekosten zijn verbonden. De interoperabiliteit van de systemen van de verschillende lidstaten moet dan ook worden verbeterd.

Om deze problemen te verhelpen heeft de Commissie in oktober 2001 een wetgevingspakket aangenomen dat tot doel had een gemeenschappelijk Europees luchtruim te creëren. De doelstellingen van de voorgestelde wetgeving zijn:

  • verhoging van de veiligheid,
  • efficiëntere en beter geïntegreerde luchtvaartnavigatiediensten met door de vraag bepaalde dienstverlening,

vaststellen van de regelgeving, terwijl Eurocontrol in voorkomend geval ontwerp- maatregelen opstelt die in het gemeenschapsrecht moeten worden opgenomen, en de lidstaten zorgen voor de handhaving van de regels, onverminderd de rol van de Commissie als hoedster van het Verdrag. Tevens wordt met deze verordening voorgesteld de internationale coördinatie aanzienlijk te verbeteren. De institutionele opzet heeft tot doel de administratieve en organisatorische knelpunten bij de besluitvorming en handhaving op het gebied van ATM weg te nemen.

2.2 Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verrichting van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim (2001/0235 (COD))

Dit voorstel voor een verordening heeft tot doel de veilige en efficiënte levering van luchtvaartnavigatiediensten op naadloze, interoperabele wijze in de gehele Gemeenschap te bevorderen. Het voorstel voorziet in een functionele scheiding tussen de nationale toezichthoudende instanties en de verrichters van luchtvaartnavigatiediensten. Deze scheiding is verenigbaar met zowel publieke als particuliere eigendomsstructuren en dienstverrichting, al naargelang het model dat door de afzonderlijke lidstaten worden gevolgd. De veiligheidsvoorschriften van Eurocontrol worden omgezet in communautaire voorschriften. De verordening voert een certificatiesysteem voor luchtvaartnavigatiediensten in met geharmoniseerde eisen voor de verrichting van deze diensten op communautair niveau. De lidstaten behouden de bevoegdheid om dienstverrichters aan te wijzen die een monopoliepositie innemen (luchtverkeersleidingsdiensten). Tevens biedt de verordening de mogelijkheid om het huidige heffingenstelsel te herzien teneinde een efficiënt gebruik en een efficiënte levering van ATM-infrastructuur te stimuleren.

2.3 Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de organisatie

en

het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim

(2001/0236 (COD))

Dit voorstel voor een verordening heeft tot doel een communautair luchtruim tot stand te brengen dat als een aaneengesloten operationeel luchtruim functioneert en waarbinnen gemeenschappelijke procedures voor het ontwerp, de planning en het beheer van het luchtruim zorg dragen voor een veilig functioneren van het gehele luchtverkeersbeheernetwerk. In de verordening worden de beginselen vastgesteld voor de organisatie en het gebruik van het luchtruim, voor de coördinatie tussen het civiele en militaire luchtverkeer en voor het beheer van de luchtverkeersstromen. De belangrijkste maatregelen betreffen de totstandbrenging van een Europees vluchtinformatiegebied voor het hogere luchtruim, vervanging van de bestaande nationale zones en herconfiguratie van het luchtruim in functionele luchtruimblokken van een geschikt formaat, gebaseerd op veiligheids- en efficiëntiecriteria in plaats van nationale grenzen.

element van deze verordening is de definitie en het beheer van de Europese normalisatieprocedures voor het luchtverkeersbeheer, waaronder de procedures voor conformiteitsbeoordeling, in overeenstemming met het communautaire beleid op dit gebied.

3. OPMERKINGEN OVER HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

De verwijzingen tussen vierkante haken zijn naar de overwegingen en artikelen van het gemeenschappelijk standpunt.

3.1 Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim (2001/0060 (COD))

3.1.1 Algemene opmerkingen

De Raad heeft enkele algemene veranderingen aangebracht in het voorstel van de Commissie. Deze veranderingen betreffen zowel de vorm als de inhoud. Hoewel de Raad een conservatieve benadering heeft gevolgd om rekening te houden met de prerogatieven van de lidstaten in het kader van nationaal defensiebeleid en internationale verplichtingen, zijn deze veranderingen aanvaardbaar, omdat zij ertoe strekken dat de doelstellingen van de verordening worden bereikt.

De eerste wijziging betreft de werkingssfeer van de verordening (artikel [1]). In eerste lezing had het Parlement aanbevolen de bepalingen van de verordening ondergeschikt te maken aan de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het ICAO-Verdrag (amendement 1) en het nationale defensie- en veiligheidsbeleid (amendement 8). De Commissie was van mening dat deze kwestie in haar voorstel al voldoende was geregeld. De Raad heeft bepalingen aangenomen om de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Chicago van 1944 wat betreft de soevereiniteit (artikel [1(2)]) en de rechten en plichten van de lidstaten (artikel [1(3)]) in aanmerking te nemen. De Commissie liet in een unilaterale verklaring weten dat (artikel [1(3)]) alleen van toepassing kan zijn op de verplichtingen van de lidstaten jegens derde landen

de noodzaak van multinationale samenwerking op dit gebied3. Tevens werd de

clausule inzake Gibraltar geïntroduceerd (artikel [1(4) en (5)].

In de tweede plaats besloot de Raad om de artikelen te schrappen waarin de algemene criteria voor de maatregelen op de verschillende actieterreinen werden samengevat. Dit is aanvaardbaar omdat in deze criteria de inhoud van de specifieke verordeningen die op hetzelfde ogenblik worden aangenomen, wordt samengevat. Als gevolg van deze verandering worden de amendementen 2 en 13 van het Parlement overbodig. In het gemeenschappelijk standpunt zijn ook alle definities van de vier verordeningen bijeengebracht in één enkel artikel in deze verordening (artikel [2]).

In de derde plaats heeft de Raad drie artikelen geïntroduceerd in verband met horizontale kwesties die de Commissie in de voorgestelde specifieke verordeningen had behandeld, namelijk de rol van de nationale toezichthoudende instanties (artikel [4]), de relaties met Eurocontrol (artikel [7]) en de raadpleging van belanghebbenden (artikel [8]). In het gemeenschappelijk standpunt zijn ook de bepalingen inzake de procedures van het Comité Gemeenschappelijk Luchtruim van

3 Verklaring van de lidstaten over militaire vraagstukken in verband met het gemeenschappelijk Europees

luchtruim:

"De lidstaten,

  • rekening houdend met het feit dat de verordeningen waarmee wordt beoogd het gemeenschappelijk

Europees luchtruim tot stand te brengen, alleen van toepassing zijn op het algemene luchtverkeer, en niet gelden voor militaire operaties en oefeningen;

  • bevestigend dat het wetgevend kader voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim op een

samenhangende en consequente wijze in de praktijk moet worden gebracht, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de behoeften in verband met het nationale defensie- en veiligheidsbeleid en internationale overeenkomsten;

  • ervan overtuigd dat het luchtruim alleen veilig en doelmatig kan worden gebruikt door nauwe

samenwerking tussen civiele en militaire gebruikers van het luchtruim, voornamelijk op basis van het concept van flexibel gebruik van het luchtruim en effectieve civiel-militaire coördinatie als bepaald door de ICAO;

de specifieke verordening overgebracht naar deze kaderverordening (artikel [5(2) en

(3)]).

Wat de relaties tussen de Gemeenschap en Eurocontrol betreft, achtte het Parlement het noodzakelijk om de samenwerking tussen beide organisaties bij de totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim te versterken. In oktober 2002 is een nieuwe situatie ontstaan met de ondertekening van het protocol waarbij de Gemeenschap tot deze organisatie toetreedt. De Raad heeft een bepaling aangenomen waarin is vastgelegd hoe Eurocontrol in de praktijk bij de wetgevende werkzaamheden zal worden betrokken. Hoewel zij haar recht van initiatief nog eens bevestigt (de Commissie legt in dit verband een unilaterale verklaring af

4), is de

Commissie van mening dat deze benadering gecombineerd met het lidmaatschap van de Gemeenschap aanvaardbaar is. Volgens deze benadering oefent Eurocontrol zijn eigen regelgevende bevoegdheden uit hoofde van het herziene Verdrag van Chicago uit, terwijl de Gemeenschap daarin participeert in haar hoedanigheid van overeenkomstsluitende partij van Eurocontrol. De taken in verband met de technische voorbereiding van communautaire regels en de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging daarvan worden toegewezen op basis van artikel [7]. De nodige administratieve regelingen worden geregeld in een vrijwel voltooide administratieve overeenkomst tussen de Commissie en Eurocontrol.

Wat de raadpleging van belanghebbenden betreft, achtte het Parlement het wenselijk dat een industriële adviesgroep een institutionele rol zou hebben. De Commissie achtte het principe van raadpleging van de sector aanvaardbaar, maar was tegen de oprichting van een orgaan dat bestaande voorzieningen zou dupliceren. De Raad heeft bepalingen aangenomen inzake doelmatige raadplegingsmechanismen en de draagwijdte van die raadpleging.

3.1.2 Gedetailleerde opmerkingen

3.1.2.1 Door de Commissie aanvaarde amendementen van het Europees Parlement die

geheel of gedeeltelijk in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

Amendement 7: in overweging [15] verwijst de Raad naar "economische en sociale belanghebbenden".

Amendement 8: artikel [1(2)] introduceert het beginsel dat rekening moet worden gehouden met de nationale defensiebehoeften.

Amendement 9: sinds de ondertekening van het protocol waarbij de Gemeenschap is toegetreden tot het herziene Eurocontrol-Verdrag op 8 oktober 2002 treedt de Gemeenschap in afwachting van de inwerkingtreding van dat protocol op voorlopige basis op als lid van deze organisatie. Zodoende wordt gezorgd voor synergie op regelgevingsgebied en een consistente aanpak van beide organisaties. Om dubbel werk te vermijden wordt in artikel [7] het beginsel onderschreven van een zo intensief mogelijke samenwerking tussen de Commissie en Eurocontrol bij het vaststellen van uitvoeringsmaatregelen, waarbij wordt voortgebouwd op de ervaring die in andere sectoren (telecommunicatie) is opgedaan met procedures voor het verlenen van mandaten.

Amendement 10 gedeeltelijk: artikel [1(1)] vermeldt als doelstelling de vaststelling van het regelgevingskader voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim voor

31 december 2004.

Amendement 26: in artikel [5] van het gemeenschappelijk standpunt wordt verwezen naar de vaststelling van het reglement van orde door het Comité Gemeenschappelijk Luchtruim.

Amendement 31: artikel [9] voorziet in de participatie van Eurocontrol in de prestatiebeoordeling en vermeldt de verspreiding van de beste praktijken als belangrijke doelstelling.

Amendement 33: artikel [11] vermeldt alle situaties waarvoor

vrijwaringsmaatregelen moeten gelden in verband met belangen op het gebied van het veiligheidsbeleid of het defensiebeleid, waaronder militaire operaties.

3.1.2.3 Door de Commissie verworpen amendementen van het Europees Parlement die

niet geheel of gedeeltelijk in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

Amendement 19: de Raad heeft de overwegingen en artikelen in verband met de algemene criteria voor elk van de specifieke actieterreinen geschrapt. Dit amendement betrof zo'n artikel.

Amendementen 24 en 27: deze amendementen voldoen niet aan de redactionele regels die zijn vastgesteld ter uitvoering van het besluit inzake de comitéprocedure (Besluit 1999/468/EG van de Raad).

Amendement 29: dit amendement verplicht de Commissie het gemeenschappelijk Europees luchtruim uit te breiden tot derde landen.

Amendement 34: dit amendement bevestigt de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van bestaande internationale overeenkomsten.

3.2 Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verrichting van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim (2001/0235 (COD))

3.2.1 Algemene opmerkingen

Een algemene aanbeveling van het Parlement was de veiligheidsaspecten van deze verordening meer te benadrukken. De Commissie heeft deze suggestie in haar gewijzigde voorstel gevolgd. De Raad heeft de verordening eveneens bezien in het licht van de prioriteit die veiligheid heeft boven andere aspecten zoals capaciteit en efficiency. Opsporings- en reddingsdiensten werden uitgezonderd van de werkingssfeer van de verordening, omdat deze in de meeste lidstaten een militair karakter hebben. Voorts heeft de Raad de volgende veranderingen aangebracht.

Ten eerste een meer gedetailleerde specificatie van de rol van de nationale toezichthoudende instanties wat betreft regionale verrichters van diensten of verrichters van diensten die hun diensten verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij zijn gevestigd (artikel [2(3) en (4)]). De Raad heeft een eenvoudiger oplossing gekozen voor erkende organisaties (artikel [3]) door de Commissie geen bevoegdheden te verlenen om procedures en eisen nader te specificeren.

efficiënte operaties te waarborgen en om de sociale dimensie van het gemeenschappelijk Europees luchtruim via een sociale dialoog te ontwikkelen.

Een andere wijziging betreft de regels voor het verrichten van

luchtvaartnavigatiediensten en het verifiëren of de dienstverrichters daaraan voldoen. Het begrip machtigingen uit het voorstel van de Commissie is vervangen door gemeenschappelijke voorschriften (artikel [5]) en certificering (artikel [6]). Dit is geen inhoudelijke wijziging, maar een verschuiving van het zwaartepunt naar de openbare belangen zoals het Parlement had aanbevolen. De Commissie heeft eveneens in een unilaterale verklaring uiteengezet hoe zij de gemeenschappelijke voorschriften denkt op te stellen

  • 6. 
    Het gemeenschappelijk standpunt stelt voorts

militaire dienstverrichters die ook in beperkte mate civiele diensten verrichten, vrij van de certificeringsregeling (artikel [6(5)]).

In verband met de aanwijzing heeft de Raad de exclusieve rol van de lidstaten bij de keuze van de verrichters van luchtvaartnavigatiediensten bevestigd (artikel [7(3)]) en dit prerogatief tevens uitgebreid tot het verrichten van meteorologische diensten (artikel [8]).

Het Parlement had aanbevolen ervoor te zorgen dat het voorgestelde heffingenstelsel en de multilaterale Eurocontrol-Overeenkomst inzake "en route"-heffingen met elkaar stroken. De Commissie had dit aanvaard. De Raad heeft de suggestie van het Parlement gevolgd (artikel [13]). Bovendien zouden de uitvoeringsvoorschriften op dit gebied worden opgesteld in het kader van een mandaat aan Eurocontrol. Wat de kostenbasis voor de heffingen betreft, zijn de bepalingen inzake externe kosten uit het gemeenschappelijk standpunt geschrapt. Tenslotte wordt het besluit over de toepassing van stimulerende mechanismen in de heffingenstelsels overgelaten aan de afzonderlijke lidstaten (artikel [14(3)(e)]).

De door de Raad geïntroduceerde wijzigingen zijn in grote lijnen aanvaardbaar omdat zij ertoe strekken dat de doelstellingen van de verordening worden bereikt. Wat de externe kosten betreft, geeft de Commissie er echter de voorkeur aan deze expliciet op te nemen in het heffingenstelsel, aangezien dat in overeenstemming zou zijn met de doelstelling om milieuheffingen in te voeren binnen de ICAO en met het besluit van het Europees Parlement en de Raad inzake het zesde milieuactieprogramma

luchtvaartnavigatiediensten zo aan te passen dat de milieu-efficiëntie wordt

bevorderd.

3.2.2 Gedetailleerde opmerkingen

3.2.2.1 Door de Commissie aanvaarde amendementen van het Europees Parlement die

geheel of gedeeltelijk in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

Amendement 1: overweging [2] verwijst naar de noodzaak van "bescherming van het algemeen belang, vooral op veiligheidsgebied".

Amendementen 2, 15 en 34 gedeeltelijk: in overweging [7] is bepaald dat erkende organisaties technische ervaring moeten hebben.

Amendementen 6 en 18 gedeeltelijk: in punt [1(e)] van bijlage [II] is bepaald dat certificaten worden verleend onder vermelding van een specifieke door de nationale toezichthoudende instanties vast te stellen periode.

Amendementen 7 en 20: in overweging [10] is verklaard dat certificaten verenigbaar met internationale normen moeten zijn.

Amendementen 8 en 9: in de overwegingen [12 en 19] is de verwijzing naar de veiligheid toegevoegd.

Amendement 11: dit amendement komt tot uiting in overweging [19] van de kaderverordening.

Amendementen 19 en 21. Dit amendement is weerspiegeld in artikel [5] van de verordening.

Amendement 23: artikel [10] voorziet in de verplichting om schriftelijke overeenkomsten tussen civiele en militaire autoriteiten op te stellen.

Amendement 25: artikel [12(1)] bevat de bepaling dat gegevens alleen voor operationele doeleinden mogen worden gebruikt.

Amendement 35: deze kwestie zal worden geregeld op basis van artikel [5] van de verordening.

3.2.2.2 Door de Commissie aanvaarde amendementen van het Europees Parlement die

niet in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

Amendement 3: dit amendement was bedoeld om een overweging op te nemen inzake de toekomstige rol en verantwoordelijkheden van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart.

Amendementen 4, 5 en 16: de Raad heeft de overweging en het artikel inzake machtigingen en opleiding van verkeersleiders geschrapt.

Amendement 10: dit amendement steunt het opbouwen van financiële reserves om een plotselinge afname van het luchtverkeer, waardoor heffingen plotseling zouden moeten worden verhoogd, op te vangen.

Amendement 17: dit amendement vermeldt een van de doelstellingen van het certificeringssysteem, namelijk samenwerking tussen dienstverrichters mogelijk te maken.

Amendement 22: de Raad heeft de bepaling inzake bestaande rechten van gevestigde dienstverrichters geschrapt.

Amendement 24: de Raad heeft het lid van het artikel inzake de verstrekking van informatie aan de Commissie over de regelingen die de lidstaten treffen voor samenwerking tussen civiele en militaire autoriteiten geschrapt.

Amendement 27: in dit amendement zijn de voorwaarden voor de uitwisseling van operationele gegevens nader uiteengezet.

Amendement 31: het betrokken artikel is verplaatst naar de kaderverordening.

3.2.2.3 Door de Commissie verworpen amendementen van het Europees Parlement die

3.3 Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de organisatie

en

het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim

(2001/0236 (COD))

3.3.1 Algemene opmerkingen

De Raad heeft een aantal algemene veranderingen in het voorstel van de Commissie aangebracht. Deze veranderingen zijn aanvaardbaar voor de Commissie. Zij betreurt evenwel dat sommige veranderingen, met name in verband met de functionele luchtruimblokken, zijn aangebracht omdat zij de mogelijkheden beperken die de instellingen van de Gemeenschap hebben om maatregelen te treffen om de doelmatigheid en samenhang van de organisatie van het luchtruim te waarborgen.

De eerste verandering betreft de werkingssfeer van de verordening. Deze omvat het luchtruim onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten dat is opgenomen in de Europese en Afrikaanse ICAO-gebieden (artikel [1(3)]). Bovendien kunnen de lidstaten besluiten om ander luchtruim dat onder hun verantwoordelijkheid valt, op te nemen, met name luchtruim boven open zee, waar zij krachtens een mandaat van de ICAO luchtvaartnavigatiediensten verrichten (artikel [1(3)]).

De Raad heeft de procedure voor het instellen van het Europees vluchtinformatiegebied voor het hogere luchtruim (EUIR - European Upper Information Region) herzien. De Raad heeft besloten een beroep te doen op de procedure van artikel 300 van het Verdrag vanwege de noodzaak om deze aangelegenheid te onderwerpen aan de besluitvormingsprocedure van de ICAO en vanwege de potentiële betrokkenheid van derde landen (artikel [3(1)])

  • 8. 
    Ter

verduidelijking heeft de Raad bepaald dat de instelling van het EUIR geen gevolgen heeft voor de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten opzichte van de ICAO (artikel [3(4)]). Tevens heeft de Raad het wenselijk geacht verschillende maatregelen in de verordening los te koppelen van de instelling van het EUIR.

In tegenstelling tot het voorstel van de Commissie bevat het gemeenschappelijk standpunt geen bepaling inzake directe routering. Een dergelijke bepaling werd achterhaald gevonden als gevolg van recente ontwikkelingen bij Eurocontrol.

De Raad heeft de bepalingen inzake civiel/militaire coördinatie beperkt tot de toepassing van het concept flexibel gebruik van het luchtruim (artikel [7]). De reden hiervoor was dat de Raad wenst de mogelijke gevolgen van de verordening op militair gebied te beperken in overeenstemming met de rechtsgrond van de verordening (gemeenschappelijk vervoersbeleid).

Het gemeenschappelijk standpunt wijkt af van het voorstel van de Commissie wat betreft de uitbreiding van de werkingssfeer van deze verordening tot het lagere luchtruim. Deze uitbreiding is afhankelijk gemaakt van de vooruitgang in het hogere luchtruim (artikel [10]).

Het Parlement had amendementen (56, 60 en 63) voorgesteld waarin werd verwezen naar de rol van Eurocontrol bij het opstellen van toekomstige maatregelen. De Commissie had deze amendementen verworpen omdat zij niet thuis horen in een communautaire wettekst. In het gemeenschappelijk standpunt is het standpunt van het Parlement in zoverre gevolgd dat alle uitvoeringsbepalingen van deze verordening dienen te worden vastgesteld door middel van mandaten aan Eurocontrol (artikel [7] van de kaderverordening).

3.3.2 Gedetailleerde opmerkingen

3.3.2.1 Door de Commissie aanvaarde amendementen van het Europees Parlement die

geheel of gedeeltelijk in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

Amendement 36: overweging [8] verwijst naar de Europese schaal.

Amendement 37: artikel [5(3)] voorziet in de inbreng van Eurocontrol in de planning van functionele luchtruimblokken.

Amendement 41 gedeeltelijk: in overweging [17] wordt de verwijzing naar de rol van Eurocontrol in het beheer van de luchtverkeersstromen geïntroduceerd.

Amendement 47 gedeeltelijk: in artikel [2] zijn afwijkingen die gerechtvaardigd zijn op grond van operationele eisen opgenomen in de definitie van het scheidingsniveau.

3.3.2.2 Door de Commissie aanvaarde amendementen van het Europees Parlement die

niet in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

Amendement 38: dit amendement versterkt de verwijzing naar operationele voorwaarden.

Amendementen 39, 43 en 55: de Raad heeft de bepaling inzake directe routering geschrapt.

Amendement 40: dit amendement betreft de noodzaak van intergouvernementele samenwerking bij militaire aangelegenheden.

Amendement 42: de Raad heeft de definitie waarover dit amendement gaat, geschrapt.

Amendementen 44 en 45: wat de definities betreft volgt het gemeenschappelijk standpunt omwille van de consistentie de ICAO-terminologie.

Amendement 48: dit amendement stelt voor de uitbreiding van het concept van het Europees vluchtinformatiegebied tot het lagere luchtruim een termijn van vijf jaar vast.

Amendement 62: dit amendement versterkt de verwijzing naar een veilige en geordende verkeersstroom.

3.3.2.3 Door de Commissie verworpen amendementen van het Europees Parlement die

niet geheel of gedeeltelijk in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

Amendement 46: dit amendement voorziet in een termijn voor de instelling van het Europees vluchtinformatiegebied voor het hogere luchtruim (EUIR).

Amendement 50: dit amendement specificeert nationale grenzen in horizontale en verticale zin.

3.4 Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit

van het Europese luchtverkeersbeheernetwerk

(2001/0237 (COD))

3.4.1 Algemene opmerkingen

De Raad heeft geen wezenlijke veranderingen aangebracht in het voorstel van de Commissie. De Commissie kan het gemeenschappelijk standpunt inzake deze verordening dan ook volledig onderschrijven.

In het gemeenschappelijk standpunt zijn de overgangsbepalingen meer gedetailleerd. Dit is om de investeringen die de lidstaten hebben gedaan in de periode vóór de inwerkingtreding van de verordening, te beschermen.

Wat de vorm betreft, is het aantal artikelen in het gemeenschappelijk standpunt teruggebracht. De bepalingen van de hoofdstukken II en III van het voorstel van de Commissie zijn in één hoofdstuk samengebracht.

Evenals voor de andere specifieke verordeningen was de Raad van mening dat de raadpleging van de belanghebbenden een horizontale aangelegenheid is en als zodanig beter kan worden behandeld in de kaderverordening (zie 3.1.1).

Tenslotte heeft de Raad besloten om een ad hoc-groep van deskundigen op te richten om de bepalingen van de verschillende bijlagen van de verordening nader te bestuderen. Deze werkzaamheden hebben niet geleid tot ingrijpende wijzigingen.

Wel zijn verfijningen aangebracht op basis van de technische en operationele

ervaring.

3.4.2 Gedetailleerde opmerkingen

3.4.2.1 Door de Commissie aanvaarde amendementen van het Europees Parlement die

geheel of gedeeltelijk in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

Amendement 65: in het gemeenschappelijk standpunt is de inhoud van overweging [7] zo gewijzigd dat er geen misverstand over bestaat dat de verrichters van diensten kunnen kiezen welke communautaire specificaties zij toepassen.

Amendementen 71, 72 en 73 gedeeltelijk: de Raad heeft de raadpleging van de belanghebbenden als horizontale aangelegenheid opgenomen in de kaderverordening (zie 3.1.1). In die verordening wordt verwezen naar beroepsverenigingen en gebruikers van het luchtruim.

3.4.2.2 Door de Commissie aanvaarde amendementen van het Europees Parlement die

niet in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

Amendement 74: dit amendement versterkt de verwijzing naar veiligheidseisen in verband met de milieuaspecten.

Amendement 76: in dit amendement wordt de noodzaak van systematische analyse van incidenten benadrukt.

3.4.2.3 Door de Commissie verworpen amendementen van het Europees Parlement die

niet geheel of gedeeltelijk in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

Amendement 66: dit amendement maakt melding van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart.

Amendement 75: dit amendement heeft tot doel ervoor te zorgen dat de gebruikers van de systemen, namelijk de luchtverkeersleiders, worden betrokken bij de definitie van de systemen.

Amendementen 77, 78 en 79: de Commissie was van mening dat deze amendementen niet nodig waren, aangezien daarin essentiële eisen werden herhaald die reeds in bijlage [II] waren vastgesteld.

4. CONCLUSIES

De Commissie had graag een krachtiger engagement van de Raad ten aanzien van de bevordering van een milieuvriendelijk, efficiënt gebruik van het luchtruim (uitdrukkelijke vermelding van externe kosten in het heffingenstelsel) gezien. Bovendien is het van belang dat de bepalingen inzake de reorganisatie van het luchtruim, met name de totstandbrenging van functionele luchtruimblokken, worden verbeterd. Deze zijn een essentiële stap om een einde te maken aan de huidige versnippering van het communautaire systeem en de totale efficiëntie ervan te verbeteren. Gezien de veranderingen die het gemeenschappelijk standpunt inhoudt, stelt de Commissie vast dat de reorganisatie van het luchtruim afhankelijk is van maatregelen van afzonderlijke lidstaten ten aanzien van het beheer van hun eigen luchtruim en van maatregelen van de instellingen van de Gemeenschap, met name om de eisen waaraan die reorganisatie moet voldoen te harmoniseren. De Raad heeft deze tweeledige benadering voorgesteld om de nationale soevereine rechten te bewaren en daarbij duidelijk gemaakt dat dit onder de huidige omstandigheden de enige haalbare mogelijkheid is om vooruitgang te boeken. Alles afwegend is Commissie van mening dat het op 18 maart 2003 aangenomen gemeenschappelijk standpunt de hoofddoelstellingen van haar voorstellen en de gevolgde benadering niet wezenlijk wijzigt. Zij kan het gemeenschappelijk standpunt dan ook steunen.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

10 okt
'01
COM(2001)123 - Kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim


10 okt
'01
COM(2001)564 - Interoperabiliteit van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer


10 okt
'01
COM(2001)123 - Actieprogramma voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim


10 okt
'01
COM(2001)564 - Totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim


10 okt
'01
COM(2001)564 - Levering van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim


10 okt
'01
COM(2001)564 - Organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim


24 jun
'98
COM(1998)380 - Voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden


 
publicatiedatum 02-04-2003
kenmerk 8087/03

Inhoud