Verordening van de Raad tot beëindiging van de antidumping- en antisubsidieprocedure betreffende gekweekte Atlantische zalm uit Noorwegen en van de antidumpingprocedure betreffende gekweekte Atlantische zalm uit Chili en de Faeröer - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

-

RAAD VANBrussel, 16 mei 2003

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

8723/03

-

COMER 67 -

WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN

Betreft:

Verordening van de Raad tot beëindiging van de antidumping- en antisubsidie- procedure betreffende gekweekte Atlantische zalm uit Noorwegen en van de anti- dumpingprocedure betreffende gekweekte Atlantische zalm uit Chili en de Faeröer

-

VERORDENING (EG) Nr. .../2003 VAN DE RAAD

van

tot beëindiging van de antidumping- en antisubsidieprocedure betreffende gekweekte

Atlantische zalm uit Noorwegen en van de antidumpingprocedure betreffende

gekweekte Atlantische zalm uit Chili en de Faeröer

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende

beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese

Gemeenschap ("de basisantidumpingverordening") 1 en met name op artikel 5, artikel 9, artikel 11,

lid 3, en artikel 11, lid 7,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende bescherming

tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn 2 ("de

basisantisubsidieverordening"), en met name op artikel 14, artikel 19 en artikel 22, lid 3,

Gelet op het voorstel dat de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

1. Eerdere procedures en thans geldende maatregelen ten aanzien van gekweekte

Atlantische zalm uit Noorwegen

(1) In september 1997 heeft de Raad bij de Verordeningen (EG) nr. 1890/97 1 en nr. 1891/97 2,

definitieve antidumpingrechten respectievelijk compenserende rechten ingesteld op

gekweekte Atlantische zalm uit Noorwegen. Bij Besluit 97/634/EG 3, laatstelijk gewijzigd

bij Besluit 2003/119/EG, heeft de Commissie verbintenissen aanvaard van een groot aantal

producenten/exporteurs in Noorwegen, volgens welke zij onder andere minimuminvoer-

prijzen in acht zouden nemen. In december 1998 heeft de Commissie met een bericht in het

Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen 4 aangekondigd dat zij op eigen initiatief

een procedure inleidde ingevolge artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 384/96 (hierna

"de basisantidumpingverordening" genoemd) en artikel 19, lid 1, van Verordening (EG)

nr. 2026/97 (hierna "de basisantisubsidieverordening" genoemd) om een eventuele wijziging

in de vorm van de rechten te onderzoeken om te voorkomen dat zalm nog langer tegen

schadeveroorzakende prijzen werd ingevoerd. Vervolgens heeft de Raad Verordening (EG)

nr. 1890/97 en (EG) nr. 1891/97 ingetrokken en deze vervangen door een enkele verorde-

ning van de Raad (EG) nr. 772/19995, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG)

nr. 321/2003.

2. Tussentijdse herzieningsprocedure en procedure bij het vervallen van de antidumping-

maatregelen betreffende de invoer uit Noorwegen

(3) Op grond van de gegevens die de Commissie in het kader van de zalmovereenkomst en die

zij in 2001 uit verscheidene andere bronnen had verkregen, was zij van oordeel dat er

voldoende redenen waren om over te gaan tot de inleiding van een tussentijdse procedure

voor een eventuele herziening van de bestaande maatregelen. Het waren met name aan-

wijzingen dat de maatregelen (waaronder verbintenissen) door verstoringen op de EG-markt

niet langer de gepaste vorm hadden om een einde te maken aan de schadelijke gevolgen van

dumping en subsidiëring. Het bewijsmateriaal dat de Noorse autoriteiten over de normale

waarde hadden voorgelegd en de gegevens over de exportprijzen waarover de Gemeenschap

beschikte wezen er ook op dat de dumpingmarges aanzienlijk konden zijn gewijzigd. Gezien

de informatie die de Noorse autoriteiten over wijzigingen in de uitvoerheffing hebben

verstrekt en informatie die afkomstig was van producenten van gekweekte Atlantische zalm

in de Gemeenschap, werd het bovendien passend geacht een parallel onderzoek in te stellen

naar de doeltreffendheid van de vorm en de hoogte van de compenserende maatregelen.

Tenslotte waren er gegevens over ontwikkelingen in de eigendomsstructuur van de zalm-

producerende bedrijven in de Gemeenschap en over de productiekosten en de weder-

verkoopprijzen van zalm uit Noorwegen, waarvan aanzienlijke hoeveelheden werden

ingevoerd, op grond waarvan het nodig werd geacht de bevindingen inzake schade van de

antidumping- en antisubsidieprocedure opnieuw te bezien.

(4) Na overleg in het Raadgevend Comité was de Commissie van oordeel dat er voldoende

bewijsmateriaal was om tot de inleiding van een tussentijdse herzieningsprocedure over te

gaan en heeft zij met een bericht (hierna "bericht van inleiding" genoemd) in het Publicatie-

blad van de Europese Gemeenschappen 1 de inleiding aangekondigd van een herzienings-

procedure ingevolge artikel 11, lid 3, van de basisantidumpingverordening en artikel 19, lid

1, van de basisantisubsidieverordening, in verband met de invoer in de Gemeenschap van

gekweekte Atlantische zalm uit Noorwegen, welke procedure zowel betrekking zou hebben

op de vorm als op het niveau van de antidumping- en compenserende maatregelen.

(5) Volgens artikel 11, lid 7, van de basisantidumpingverordening en artikel 22, lid 3, van de

basisantisubsidieverordening moet, wanneer tegen de tijd dat de maatregelen vervallen,

reeds een tussentijdse herzieningsprocedure loopt, deze tussentijdse herzieningsprocedure

ook betrekking hebben op die aspecten die in andere omstandigheden behandeld zouden zijn

in het kader van een herzieningsprocedure bij het vervallen van de maatregelen ingevolge

artikel 11, lid 2, van de basisantidumpingverordening en artikel 18, lid 1, van de basis-

antisubsidieverordening. De Commissie moest derhalve ook onderzoeken of het waarschijn-

lijk was dat het vervallen van de maatregelen tot een voortzetting dan wel herhaling van

dumping, subsidiëring en schade zou leiden. De Commissie heeft alle belanghebbenden in

kennis gesteld van het ruimere bereik van de herzieningsprocedure en heeft om reacties

verzocht op de vraag of het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot de voortzetting

of herhaling van dumping en schade en/of de voortzetting of herhaling van de subsidiëring

3. Inleiding van een antidumpingprocedure inzake Chili en de Faeröer

(6) Op 18 juli 2002 heeft de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van

de Europese Gemeenschappen 1 de inleiding aangekondigd van een antidumpingprocedure

betreffende de invoer van gekweekte Atlantische zalm uit Chili en de Faeröer.

(7) De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die was ingediend op 3 juni 2002

door de "EU Salmon Producers Group", namens producenten die goed waren voor een groot

deel van de productie van gekweekte Atlantische zalm in de Gemeenschap, in de zin van

artikel 4 van de basisantidumpingverordening. De klacht bevatte voldoende bewijsmateriaal

inzake dumping en daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade om tot de inleiding van een

antidumpingprocedure over te gaan.

  • 4. 

    Belanghebbenden bij het onderzoek

(8) De Commissie heeft de haar bekende belanghebbende producenten/exporteurs en

importeurs/handelaren alsmede hun organisaties, de Noorse en Chileense autoriteiten en de

Landsregering van de Faeröer, de verwerkende bedrijven, leveranciers en EG-producenten

van de opening van het onderzoek in kennis gesteld. De belanghebbenden konden binnen de

(9) Een aantal producenten/exporteurs en handelaren in Noorwegen, Chili en de Faeröer, in de

Gemeenschap gevestigde producenten en leveranciers alsmede representatieve organisaties

van visimporteurs, -verwerkers en de consument hebben hun standpunt schriftelijk bekend-

gemaakt. Alle partijen die dit binnen de gestelde termijn hadden verzocht en hadden aan-

getoond dat er bijzondere redenen waren om hen te horen, werden in de gelegenheid gesteld

te worden gehoord.

(10) Gezien het kennelijk grote aantal producenten/exporteurs van het betrokken product in

Noorwegen, Chili en de Faeröer en het grote aantal producenten van het betrokken product

in de Gemeenschap, werd in de berichten van inleiding bekendgemaakt dat de Commissie

voornemens was van steekproeven gebruik te maken, zowel in het kader van het

herzieningsonderzoek naar dumping en subsidiëring van het betrokken product uit

Noorwegen als in het kader van de antidumpingprocedure ten aanzien van Chili en de

Faeröer.

(11) De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de onderzoeken nodig had verzameld en

geverifieerd. Wat het onderzoek naar de invoer uit Chili en de Faeröer betreft waren dit de

gegevens die relevant waren voor de vaststelling van dumping, schade en het belang van de

Gemeenschap. Wat het onderzoek naar de invoer uit Noorwegen betreft waren dit de

gegevens die relevant waren voor de vaststelling van dumping, subsidiëring en schade en

voor de beantwoording van de vraag of het waarschijnlijk was dat de schadeveroorzakende

dumping en subsidiëring zouden worden voortgezet en/of zich weer zouden voordoen

alsmede de gegevens die relevant waren voor de beoordeling van het belang van de

Gemeenschap. Bij de volgende bedrijven en instanties werden controles ter plaatse verricht:

(a) De Noorse overheid en andere Noorse instanties

  • Ministerie van Visserij, Oslo,
  • Ministerie van Plaatselijk Bestuur en Regionale Ontwikkeling, Oslo,
  • Ministerie van Handel en Industrie, Oslo,
  • Noors Fonds voor Industriële en Regionale ontwikkeling (SND), Oslo,
  • De Noorse onderzoeksraad, Oslo.

(b) EG-producenten

  • Orkney Sea Farms Ltd. Glasgow, Verenigd Koninkrijk,
  • Muirachmhainní Teo, Co. Galway, Ierland,
  • Ardvar Salmon Ltd, Saffron Walden, Verenigd Koninkrijk,
  • Hoganess Salmon Ltd, Wester Sound Salmon Ltd, Shetland, Verenigd Koninkrijk,
  • Cro Lax Ltd, Shetland, Verenigd Koninkrijk,
  • Bressay Salmon Ltd, Shetland, Verenigd Koninkrijk,
  • West Minch Salmon Ltd, Atlantic West Salmon Ltd, Sidinish Salmon Ltd, South Uist,

Verenigd Koninkrijk,

  • Loch Duart Ltd, Edinburgh, Verenigd Koninkrijk,
  • Hoove Salmon Ltd, Shetland, Verenigd Koninkrijk,
  • North Atlantic Salmon Ltd, Shetland, Verenigd Koninkrijk,
  • Ayre Salmon Ltd, Shetland, Verenigd Koninkrijk.

(c) Producenten/exporteurs en gelieerde handelsmaatschappijen

Noorwegen

  • Midt-Norsk Havbruk AS, Rørvik,
  • Lofoten Sjøprodukter AS, Leknes,
  • Follalaks AS, Nordfold,

Chili

  • Marine Harvest Chile S.A., Puerto Montt,
  • Salmones Multiexport Ltda, Puerto Montt,
  • Pesca Chile S.A., Santiago,
  • Invertec Pesquera Mar de Chiloé S.A., Santiago,
  • Cultivos Yadran S.A., and Yadran Quellķn S.A., Quellķn, Chiloé Island,
  • De Faeröer,
  • P/F Vestlax, and P/F Vestsalmon, Kollafjørđur,
  • P/F East Salmon, Klaksvík,
  • P/F Faeroe Seafood, Tķrshavn,
  • P/F Bakkafrost, Glyvrar.

(d) Importeurs in de Gemeenschap die banden hebben met de exporteurs

(e) Onafhankelijke importeurs in de Gemeenschap

  • Moulin de la Marche, Bretagne, Frankrijk.

(f) Toeleveranciers

  • Landcatch Ltd, Argyll, Verenigd Koninkrijk.

(12) Het onderzoek naar dumping en schade in het kader van de herzieningsprocedure

betreffende Noorwegen had betrekking op de periode van 1 januari tot en met

31 december 2001 (hierna "het onderzoektijdvak" genoemd). Dezelfde periode werd bij

wijze van uitzondering in aanmerking genomen voor het onderzoek naar dumping in het

kader van de antidumpingprocedure betreffende Chili en de Faeröer om de analyse van

schade en oorzakelijk verband ten behoeve van beide procedures te kunnen combineren. Het

onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant waren voor de schadebeoordeling in het

kader van beide procedures had betrekking op de periode van januari 1998 tot het einde van

het onderzoektijdvak (hierna "de beoordelingsperiode" genoemd).

(13) Overeenkomstig artikel 20 van de basisantidumpingverordening en artikel 30 van de basis-

antisubsidieverordening werden alle belanghebbenden in kennis gesteld van de voornaamste

feiten en overwegingen op grond waarvan het voornemen bestond de onderzoeken te

beëindigen. De belanghebbende konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen

(14) De Commissie is voortgegaan met het inwinnen en controleren van alle gegevens die zij

voor de onderzoeken nodig had. De schriftelijke opmerkingen van de partijen werden in

overweging genomen en de bevindingen werden op grond hiervan zo nodig gewijzigd.

B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1. Betrokken product

(15) De onderzoeken hebben betrekking op gekweekte Atlantische zalm, al dan niet gefileerd,

vers, gekoeld of bevroren. Zij hebben geen betrekking op andere vergelijkbare gekweekte

visproducten, zoals grote (zalm)forel, andere zalmsoorten zoals Pacifische zalm, wilde zalm

en verdere verwerkte soorten zoals gerookte zalm.

(16) Het betrokken product is ingedeeld onder de GN-codes 0302 12 00, 0303 22 00, 0304 10 13

en 0304 20 13, die overeenstemmen met de verschillende wijzen waarop het product wordt

aangeboden (verse of gekoelde hele vis, verse of gekoelde filets, bevroren hele vis en

bevroren filets). Al deze aanbiedingsvormen bleken voldoende vergelijkbaar te zijn om in

het kader van deze procedure als een enkel product te worden beschouwd.

2. Soortgelijk product

(17) Onderzocht werd of het betrokken product dat in Noorwegen, Chili en de Faeröer werd

geproduceerd en naar de Gemeenschap uitgevoerd identiek was, dit wil zeggen in alle

opzichten vergelijkbaar, met de in de Gemeenschap geproduceerde en daar verkochte

gekweekte Atlantische zalm in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisantidumping-

verordening en artikel 1, lid 5, van de basisantisubsidieverordening.

(18) Een partij voerde aan dat in het kader van het onderzoek een onderscheid moest worden

gemaakt tussen verse en bevroren zalm, omdat bevroren zalm, die in de Gemeenschap niet

in grote hoeveelheden wordt geproduceerd, voor andere afnemers en markten bestemd was

dan verse zalm. Opgemerkt werd dat bij een eerder onderzoek van de Commissie naar

gekweekte Atlantische zalm dat in 1990 was ingeleid en dat zonder de instelling van maat-

regelen was beëindigd, bevroren zalm van het onderzoek was uitgesloten. Ook werd

opgemerkt dat de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika in antidumping- en

antisubsidieprocedures betreffende zalm consequent een onderscheid hebben gemaakt tussen

verse en bevroren zalm. De partij was van oordeel dat het bevriezen van zalm heel wat

meerwaarde toevoegde die door bepaalde verwerkende bedrijven op prijs werd gesteld.

Bevroren zalm zou een verder bewerkt product zijn waarvoor verse zalm als grondstof had

gediend. De consumenten in de Gemeenschap zouden een duidelijke voorkeur hebben voor

verse zalm en dit bleek uit de meerprijs die zij bereid waren hiervoor te betalen. Op grond

(19) Om te beoordelen of bevroren Atlantische zalm en in de Gemeenschap geproduceerde

gekweekte Atlantische zalm als soortgelijke producten konden worden beschouwd, werd

eerst nagegaan of de verschillende soorten gekweekte Atlantische zalm en de vormen waarin

deze werd aangeboden, dat wil zeggen als filets of hele vis, vers of bevroren, dezelfde

fysieke, technische en/of chemische basiskenmerken vertoonden. Argumenten in verband

met de door de Verenigde Staten toegepaste praktijken en een vorige procedure die zonder

het nemen van maatregelen was beëindigd, werden in dit verband niet relevant geacht. In het

kader van de meest recente procedures betreffende gekweekte Atlantische zalm uit

Noorwegen die tot het nemen van maatregelen hadden geleid, was juist bepaald dat het

betrokken product, ook hele vis, van ingewanden ontdane vis en verschillende stukken,

delen en filets omvatte die vers, gekoeld of bevroren konden worden aangeboden en dat het,

ondanks al deze aanbiedingsvormen, om een enkel product ging dat op zich in alle opzichten

vergelijkbaar was met het product dat in de Gemeenschap werd geproduceerd en in de

Gemeenschap verkocht. Het invriezen van de zalm was niet voldoende om de basis-

kenmerken van het product te wijzigen. Het invriezen, dat door sommige verwerkende

bedrijven werd geapprecieerd, verleende geen meerwaarde aan het product, maar gebeurde

slechts om het vervoer naar de Gemeenschap te vergemakkelijken. Bevroren zalm kon in het

kader van deze procedure dan ook niet als een van zalm afgeleid, maar verder verwerkt

product dan zalm worden beschouwd - de vergelijking met wijn, als een een druiven

afgeleid, maar verder bewerkt product dan druiven - kon niet worden aanvaard.

(20) Bij onderhavige onderzoeken bleek dat verse en bevroren zalm tot op zekere hoogte onder-

ling verwisselbaar zijn. Aangezien het aandeel van bevroren zalm in het totale verbruik in

het onderzoektijdvak steeds groter is geworden, moet worden aangenomen dat bepaalde

verwerkende bedrijven die niet aan het onderzoek medewerkten verse zalm in hun

productieproces door bevroren zalm kunnen vervangen. Tevens wordt erop gewezen dat

gekweekte Atlantische zalm in de Gemeenschap duidelijk de voorkeur geniet boven andere

zalmsoorten, zoals Pacifische zalm en wilde zalm. Dit blijkt uit de hoeveelheden gekweekte

Atlantische zalm die in de Gemeenschap worden verbruikt (zie overweging 164). Andere

zalmsoorten dan het betrokken product zijn derhalve niet van veel invloed op de markt voor

gekweekte Atlantische zalm.

C. STEEKPROEF VOOR DE VASTSTELLING VAN DUMPING

(21) Om de Commissie in staat te stellen een steekproef samen te stellen ingevolge artikel 17,

lid 2, van de basisantidumpingverordening, werden exporteurs, producenten en

producenten/exporteurs uitgenodigd zich binnen drie weken na de inleiding van de

herzieningsprocedure en de antidumpingprocedure bekend te maken en basisgegevens te

verstrekken over hun verkoop in binnen- en buitenland, een nauwkeurige beschrijving te

geven van hun activiteiten in verband met het betrokken product en de naam en activiteiten

te vermelden van alle ondernemingen waarmee zij banden hadden voor de productie en/of

de verkoop van gekweekte Atlantische zalm. De Commissie heeft ook contact opgenomen

1. Preselectie van medewerkende ondernemingen

Chili

(22) 59 Chileense entiteiten die samen 42 afzonderlijke ondernemingen of groepen van onder-

nemingen vormen (hierna "ondernemingen" genoemd) hebben zich aangemeld en binnen de

gestelde termijn de gevraagde gegevens verstrekt. Zij waren goed voor bijna 100% van de

uitvoer van het betrokken product uit Chili naar de Gemeenschap. Slechts 28 waren

producenten die het betrokken product in het onderzoektijdvak naar de Gemeenschap

hadden uitgevoerd en voor de steekproef in aanmerking konden worden genomen. Van de

overige 14 ondernemingen waren acht handelaren die niet voor de steekproef geselecteerd

konden worden; drie waren producenten die in het onderzoektijdvak niet naar de Gemeen-

schap hadden uitgevoerd en drie ondernemingen verwerkten het betrokken product maar

produceerden het zelf niet.

De Faeröer

(23) 26 ondernemingen op de Faeröer, gegroepeerd in 13 groepen van ondernemingen, hebben

zich aangemeld en binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens verstrekt. Al deze

ondernemingen waren bereid aan het onderzoek mede te werken. Zij waren goed voor 100%

van de uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap. Zeven van de 13 groepen

hadden het betrokken product in het onderzoektijdvak zowel geproduceerd als naar de

Noorwegen

(24) 228 ondernemingen in Noorwegen hebben de minivragenlijst met het oog op de samen-

stelling van de steekproef binnen de gestelde termijn beantwoord. Zij waren goed voor bijna

100% van de uitvoer van het betrokken product uit Noorwegen naar de Gemeenschap.

2. Samenstelling van de steekproef

Chili

(25) In Chili wordt het betrokken product in het algemeen door geīntegreerde ondernemingen

zowel geproduceerd als verkocht. Voor Chili werd derhalve een steekproef van geīnte-

greerde producenten/exporteurs samengesteld. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de

basisantidumpingverordening werd de samenstelling van steekproef gebaseerd op de

grootste representatieve uitgevoerde hoeveelheid die binnen de beschikbare tijd redelijker-

wijs kon worden onderzocht. Criteria die ook belangrijk werden geacht bij de samenstelling

van de steekproef van Chileense ondernemingen waren een representatieve omvang van de

verkoop op de binnenlandse markt en een aanzienlijke productie.

(26) Aldus werden, in overleg met de Chileense Associatie van Zalm- en Forelkwekers en de

Chileense autoriteiten die geen van beide bezwaar maakten tegen het voorstel van de

Commissie, vier producenten/exporteurs voor de steekproef geselecteerd. De vier in de

(27) De medewerkende producenten/exporteurs die uiteindelijk niet in de steekproef werden

opgenomen, werd medegedeeld dat een eventueel antidumpingrecht op hun product

berekend zou worden overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisantidumpingverordening.

Enkele van deze ondernemingen waren aanvankelijk voornemens een individuele behande-

ling aan te vragen overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisantidumpingverordening,

indien zij niet in de steekproef zouden worden opgenomen. Er werden evenwel slechts twee

met bewijsmateriaal gesteunde verzoeken ontvangen binnen de in het bericht van inleiding

vermelde termijn.

(28) Een van de twee ondernemingen die een verzoek om individuele behandeling hadden

ingediend, heeft de Commissie later medegedeeld dat zij haar verzoek wilde intrekken

omdat haar antwoorden op de vragenlijst ernstige fouten bevatten en zij niet over de

personele middelen beschikte om de fouten te corrigeren of verder aan het onderzoek mede

te werken.

(29) Voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen die volledig aan het onderzoek hebben

medegewerkt en de enige onderneming die om een individuele behandeling heeft verzocht,

werd een afzonderlijke dumpingmarge berekend.

(30) Er werden vragenlijsten gezonden aan de vier in de steekproef opgenomen ondernemingen

en aan de ondernemingen die aanvankelijk voornemens waren een individuele behandeling

De Faeröer

(31) Zoals in Chili hielden ook in de Faeröer geīntegreerde ondernemingen zich bezig met zowel

de productie als de verkoop van het betrokken product. Derhalve werd slechts een steekproef

van geīntegreerde producenten/exporteurs samengesteld. Overeenkomstig artikel 17, lid 1,

van de basisantidumpingverordening werd de samenstelling van steekproef gebaseerd op de

grootste representatieve uitgevoerde hoeveelheid die binnen de beschikbare tijd redelijker-

wijs kon worden onderzocht. Drie producenten/exporteurs werden voor de steekproef

geselecteerd in overleg met en met instemming van de Viskwekersorganisatie en de Lands-

regering van de Faeröer. De drie voor de steekproef geselecteerde ondernemingen zijn

volgens de antwoorden op de minivragenlijst goed voor ongeveer 54% van zowel de

productie van het betrokken product op de Faeröer als de uitvoer uit de Faeröer naar de

Gemeenschap.

(32) Geen enkele van de overige producenten/exporteurs heeft om een individuele behandeling

overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisantidumpingverordening verzocht. De mede-

werkende producenten/exporteurs die geen deel uitmaakten van de steekproef werd derhalve

medegedeeld dat indien een antidumpingrecht op hun product werd ingesteld, dit berekend

zou worden overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisantidumpingverordening.

(33) Voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen die volledig aan het onderzoek hebben

Noorwegen

(34) De steekproef voor Noorwegen werd samengesteld in overleg met en met instemming van

de Noorse autoriteiten en de Noorse Visserij- en Aquacultuurfederatie.

(35) Zoals bij het onderzoek dat tot de instelling van de oorspronkelijke maatregelen heeft geleid

(hierna "oorspronkelijk onderzoek" genoemd), werd vastgesteld dat er een strikt onderscheid

is tussen zalmkwekers, die de zalm produceren, en de handelaren (hierna "de exporteurs"

genoemd) die de zalm op de binnenlandse markt verkopen of uitvoeren. Daarom werd

besloten twee steekproeven samen te stellen, een van zalmkwekers en een van exporteurs.

(36) Omdat het onmogelijk was gebleken om per onderneming een recht in te stellen dat door de

douaneautoriteiten kon worden afgedwongen, omdat de identiteit van de kweker nooit

gecontroleerd kon worden, werd besloten dat het doel van de steekproeven was een voor het

gehele land geldend recht vast te stellen. Omdat bovendien bij Verordening (EG)

nr. 772/1999 slechts een recht voor Noorwegen als geheel was vastgesteld, was een

eventuele herziening van dit ene recht het doel van onderhavig onderzoek.

(37) Als gevolg hiervan heeft een onderneming die met het oog op de vaststelling van een

individuele dumpingmarge uitdrukkelijk had verzocht in de steekproef te worden

opgenomen, haar verzoek ingetrokken

(38) De ondernemingen werden aan de hand van de volgende criteria geselecteerd:

Voor de zalmkwekers:

(i) de door hen gekweekte hoeveelheden, en

(ii) hun plaats van vestiging, met het oog op een goede geografische spreiding.

Voor de exporteurs (handelaren):

(i) de door hen uitgevoerde hoeveelheden, en

(ii) hun betrokkenheid bij activiteiten die representatief zijn voor de diverse functies die

Noorse exporteurs vervullen.

(39) De aldus samengestelde steekproeven omvatten tien ondernemingen. Uit de antwoorden op

de vragenlijsten die de ondernemingen met het oog op de samenstelling van de steekproeven

waren toegezonden, bleek dat deze ondernemingen samen goed waren voor 17% van de

uitvoer uit Noorwegen naar de Gemeenschap, voor 20% van de binnenlandse verkoop in

Noorwegen en voor 15% van de productie van het betrokken product in Noorwegen. Aan

alle in de steekproef opgenomen ondernemingen werden vragenlijsten gezonden.

(40) Na de bekendmaking van de resultaten van het onderzoek stelde een partij dat de Noorse

steekproef van exporteurs niet representatief was en tot onbetrouwbare resultaten had geleid,

vooral omdat daarin een onderneming was opgenomen dat deel uitmaakte van een multi-

nationale groep met wereldwijde belangen. Er wordt op gewezen dat de steekproef in een

vroeg stadium van het herzieningsonderzoek was samengesteld en dat belanghebbenden op

dat tijdstip opmerkingen hadden kunnen maken en dit toen niet hadden gedaan. Bovendien

werd de bewering dat de Noorse exporteur tot een multinationale groep behoorde en dat

diens gegevens daarom niet bruikbaar waren voor het onderzoek niet met argumenten

onderbouwd. De claim van deze partij werd daarom afgewezen

D. DUMPING

1. Chili

(a) Normale waarde

(41) Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisantidumpingverordening is de Commissie eerst

nagegaan of de binnenlandse verkoop van gekweekte Atlantische zalm door iedere

producent/exporteur aan onafhankelijke afnemers representatief was, met andere woorden of

de totale omvang van de binnenlandse verkoop gelijk was aan of hoger dan 5% van de totale

omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap;

(42) Alle producenten/exporteurs bleken in het onderzoektijdvak representatieve hoeveelheden

gekweekte zalm op de binnenlandse markt te hebben verkocht.

(43) Vervolgens heeft de Commissie onderzocht of de op de binnenlandse markt verkochte en de

uitgevoerde productsoorten dezelfde kwaliteit hadden, dezelfde aanbiedingsvorm

(vers/gekoeld of bevoren, van ingewanden ontdaan met kop, van ingewanden ontdaan

zonder kop, hele filets, delen, enz.). Zij is tot de conclusie gekomen dat deze soorten

identiek of rechtstreeks vergelijkbaar waren.

(44) Bovendien werd voor elke productsoort die door een producent/exporteur op de binnen-

landse markt was verkocht en die rechtstreeks vergelijkbaar was met een naar de Gemeen-

schap uitgevoerde soort, vastgesteld of de binnenlandse verkoop voldoende representatief

was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisantidumpingverordening. De binnenlandse

verkoop van een bepaalde productsoort werd voldoende representatief geacht indien de

totale omvang van de verkoop van die soort op de binnenlandse markt in het onderzoek-

tijdvak 5% of meer bedroeg van de totale omvang van de uitvoer van die soort naar de

Gemeenschap;

(45) Vervolgens is de Commissie nagegaan of de binnenlandse verkoop van iedere onderneming

had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties overeenkomstig artikel 2,

lid 4, van de basisantidumpingverordening.

Hiertoe werd voor iedere uitgevoerde productsoort vastgesteld hoe groot in het onderzoek-

tijdvak het aandeel was van de binnenlandse verkoop van die soort aan onafhankelijke

  • Indien tenminste 10% maar niet meer dan 80% van een bepaalde productsoort op de

binnenlandse markt niet onder de kostprijs was verkocht, was de normale waarde van

die productsoort gelijk aan het gewogen gemiddelde van de verkoopprijzen van die

soort op de binnenlandse markt die gelijk waren aan of hoger dan de kostprijs van die

soort.

  • Indien minder dan 10% van een bepaalde productsoort op de binnenlandse markt niet

onder de kostprijs was verkocht, werd ervan uitgegaan dat die soort niet in het kader

van normale handelstransacties was verkocht en werd een normale waarde aan-

genomen.

(46) Voor enkele naar de Gemeenschap uitgevoerde soorten werd voor drie onderzochte onder-

nemingen vastgesteld dat de binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstrans-

acties had plaatsgevonden. Voor die productsoorten werd de normale waarde gebaseerd op

de door onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt van Chili in het onderzoektijd-

vak werkelijk betaalde of te betalen prijzen, overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basis-

antidumpingverordening.

(47) Voor productsoorten die niet in het kader van normale handelstransacties waren verkocht en

voor productsoorten die op de binnenlandse markt niet in representatieve hoeveelheden

waren verkocht, moest de normale waarde worden aangenomen. De vijf onderzochte onder-

(48) Om een aangenomen normale waarde vast te stellen ingevolge artikel 2, lid 6, van de basis-

antidumpingverordening werden de verkoopkosten, de administratiekosten en de algemene

kosten (de VAA-kosten) en de gewogen gemiddelde winst van de betrokken medewerkende

producenten/exporteurs bij verkoop van het betrokken product op de binnenlandse markt in

het kader van normale handelstransacties in het onderzoektijdvak toegevoegd aan hun

gemiddelde productiekosten in het onderzoektijdvak. Waar nodig werden de opgegeven

productie- en VAA-kosten gecorrigeerd, alvorens werd nagegaan of de verkoop in het kader

van normale handelstransacties had plaatsgevonden en alvorens een normale waarde werd

aangenomen.

(b) Exportprijs

(49) Enkele Chileense producenten/exporteurs hadden het betrokken product bij uitvoer naar de

Gemeenschap zowel aan onafhankelijke als aan gelieerde afnemers verkocht. Twee onder-

nemingen voerden uit via onafhankelijke handelaren in Uruguay en de Verenigde Staten. In

deze gevallen kon worden aangetoond dat het betrokken product naar de Gemeenschap was

verzonden.

(50) De prijs bij rechtstreekse uitvoer van het betrokken product aan onafhankelijke afnemers in

de Gemeenschap werd, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisantidumping-

verordening, vastgesteld aan de hand van de door de onafhankelijke afnemers in de

(51) Bij verkoop via gelieerde importeurs werd de exportprijs berekend aan de hand van de prijs

waartegen het product aan onafhankelijke afnemers was doorverkocht. Er werden correcties

toegepast voor alle kosten die deze importeurs tussen de invoer en de wederverkoop hadden

gemaakt, waaronder de VAA-kosten en een redelijke winst, overeenkomstig artikel 2, lid 9,

van de basisantidumpingverordening.

(c) Vergelijking

(52) De normale waarde en de exportprijs werden in het stadium af fabriek met elkaar

vergeleken. Voor een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de exportprijs

werden correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op

de vergelijkbaarheid van de prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisanti-

dumpingverordening. Op verzoek van de onderzochte producenten/exporteurs werden, waar

dit nodig en gerechtvaardigd was, correcties toegepast voor verschillen in de kosten van

vervoer, zeevracht, verzekering, laden, lossen, op- en overslag en aanverwante kosten, voor

invoerheffingen, kredietkosten, kosten na verkoop, commissielonen, kortingen en wissel-

koersverschillen.

(d) Dumpingmarges

(53) Voor de onderzochte ondernemingen werd voor iedere productsoort een dumpingmarge

vastgesteld door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen

(54) Aangezien dumpingmarges van 0% werden vastgesteld voor drie van de vier in de steek-

proef opgenomen Chileense producenten/exporteurs, werd de dumpingmarge voor

producenten/exporteurs die zich overeenkomstig artikel 17 van de basisantidumping-

verordening hadden aangemeld, maar die niet individueel waren onderzocht, overeen-

komstig artikel 9, lid 6, van de basisantidumpingverordening, vastgesteld aan de hand van

de dumpingmarge van de in de steekproef opgenomen onderneming waarvoor dumping was

vastgesteld. Bovendien werd het, gezien het hoge niveau van medewerking, passend geacht

de residuele dumpingmarge voor niet-medewerkende ondernemingen op hetzelfde niveau

vast te stellen.

(55) De dumpingmarges, in procenten van de cif-invoerprijs, grens Gemeenschap, vķķr inklaring,

zijn:

In de steekproef opgenomen ondernemingen

  • Marine Harvest Chile SA 29,4 %
  • Salmones Multiexport Ltda 0 %
  • Invertec Pesquara Mar de Chiloé SA 0 %
  • Pesca Chile SA

0 %

Onderneming die een individuele behandeling heeft verkregen

  • Cultivos Yadran S.A. en haar gelieerde exporteur Yadran

Quellķn S.A 10,3 %

2. De Faeröer

(a) Normale waarde

(56) Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisantidumpingverordening is de Commissie eerst

nagegaan of de binnenlandse verkoop van het betrokken product door iedere

producent/exporteur aan onafhankelijke afnemers representatief was, m.a.w. of de totale

omvang van de binnenlandse verkoop gelijk was aan of hoger dan 5% van de totale omvang

van de uitvoer naar de Gemeenschap.

(57) Geen van de onderzochte producenten/exporteurs bleek in het onderzoektijdvak representa-

tieve hoeveelheden gekweekte Atlantische zalm op de binnenlandse markt te hebben

verkocht.

(58) Overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisantidumpingverordening werd de normale

waarde daarom gebaseerd, hetzij op de productiekosten van de in de steekproef opgenomen

ondernemingen, vermeerderd met een redelijk bedrag voor VAA-kosten en winst, hetzij op

de verkoopprijzen die in het kader van normale handelstransacties waren aangerekend bij de

uitvoer naar een geschikt derde land, mits deze verkoop representatief was.

(59) Vastgesteld werd dat geen enkele producent/exporteur representatieve hoeveelheden naar

een derde land had uitgevoerd. Daarom moest de Commissie de normale waarde baseren op

(60) In afwezigheid van een representatieve verkoop van het betrokken product en van producten

van dezelfde algemene categorie op de binnenlandse markt, diende gebruik te worden

gemaakt van een andere redelijke methode voor de berekening van de VAA-kosten en de

winst die toegevoegd moesten worden aan de productiekosten van de in de steekproef

opgenomen producenten/exporteurs.

(61) Derhalve werd besloten, ingevolge artikel 2, lid 6, onder c), van de basisantidumping-

verordening om de normale waarde voor de in de steekproef opgenomen

producenten/exporteurs vast te stellen door aan de productiekosten van deze

producenten/exporteurs de gewogen gemiddelde VAA-kosten en winst toe te voegen van de

in de steekproef opgenomen Chileense producenten/exporteurs bij verkoop op de binnen-

landse markt. Deze methode werd in deze omstandigheden als de meest redelijke beschouwd

omdat Chili partij is bij dezelfde procedure als de Faeröer en de productie- en verkoop-

structuur van de zalmindustrie in de Faeröer en Chili vergelijkbaar zijn, in die zin dat zowel

in Chili als op de Faeröer de zalm door grote geīntegreerde ondernemingen wordt geprodu-

ceerd en verkocht.

(62) Na de bekendmakingen van de resultaten van het onderzoek maakte een partij bezwaar tegen

deze werkwijze en stelde dat de Commissie geen gebruik had moeten maken van de VAA-

kosten en de winst in Chili voor het aannemen van een normale waarde voor de Faeröer,

daar de Chileense markt niet te vergelijken is met de markt van de Faeröer, noch in omvang

(63) In antwoord op deze opmerkingen wordt erop gewezen dat de kwestie van de vergelijkbaar-

heid van de binnenlandse markt niet relevant is, daar er op de Faeröer geen binnenlandse

markt is voor het betrokken product is. De Commissie blijft er daarom bij dat, gezien de

afwezigheid van een binnenlandse markt op de Faeröer voor het betrokken of een soortgelijk

product, het gebruik van de gewogen gemiddelde VAA-kosten en winst van de in de steek-

proef opgenomen Chileense producenten/exporteurs de meest passende methode was om

voor de Faeröer een normale waarde vast te stellen. Zoals in overweging 61 vermeld, werd

dit als de meest redelijke methode beschouwd gezien de vergelijkbare structuur van de

zalmindustrie in beide gebieden. Wat de winstmarge betreft wordt erop gewezen dat de

winstmarge die bij het oorspronkelijke onderzoek betreffende Noorwegen voor de bereke-

ning van de schademarge was gebruikt (15%) niet dient te worden verward met de winst-

marge die in het kader van de dumpingberekeningen van deze onderzoeken voor het aan-

nemen van een normale waarde is gebruikt. De Commissie kan daarom haar werkwijze niet

wijzigen, als door de partij voorgesteld.

(b) Exportprijs

(64) Vastgesteld werd dat de producenten/exporteurs van de Faeröer rechtstreeks naar

onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap hadden uitgevoerd. Derhalve werd de export-

prijs, ingevolge artikel 2, lid 8, van de basisantidumpingverordening, vastgesteld aan de

hand van de werkelijk betaalde of te betalen exportprijzen.

(c) Vergelijking

(65) De normale waarde en de exportprijs werden in het stadium af fabriek met elkaar

vergeleken. Voor een billijke vergelijking van de normale waarde met de exportprijs werden

correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed waren op de

vergelijkbaarheid van de prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisantidumping-

verordening.

(66) Waar nodig en gerechtvaardigd werden voor alle onderzochte producenten/exporteurs

correcties toegestaan voor verschillen in de kosten van vervoer, zeevracht, verzekering,

krediet en kortingen.

(d) Dumpingmarges

(67) De dumpingmarge werd voor iedere productsoort vastgesteld door vergelijking van de

gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde exportprijs. Bij deze

vergelijking werden voor de drie in de steekproef opgenomen ondernemingen dumping-

marges van 0% vastgesteld. Gezien het hoge niveau van medewerking in de Faeröer, werd

het passend geacht om voor alle andere producenten/exporteurs van de Faeröer eveneens een

dumpingmarge van 0% toe te passen.

3. Noorwegen

(a) Algemeen

(68) Bij het oorspronkelijk onderzoek werd de dumping beoordeeld op het niveau van de

exporteurs, omdat de zalmkwekers destijds hun volledige productie aan exporteurs

verkochten en in het algemeen niet van de eindbestemming van het product op de hoogte

waren. Omdat deze situatie sinds het oorspronkelijk onderzoek niet wezenlijk is veranderd,

werd in het kader van dit onderzoek dezelfde werkwijze gevolgd.

(69) Ten tijde van het oorspronkelijk onderzoek werd het redelijk geacht om een representatieve

steekproef van Noorse zalmkwekers te samen te stellen en de "aankoopkosten" - die waren

gebruikt om vast te stellen of de binnenlandse verkoop van iedere exporteur winstgevend

was en om een normale waarde aan te nemen - te baseren op de gewogen gemiddelde

verkoopprijs van de in de steekproef opgenomen zalmkwekers op de binnenlandse markt. In

het kader van dit onderzoek werd dezelfde werkwijze gevolgd om de in overweging 68

vermelde redenen.

(70) Bij het oorspronkelijk onderzoek was het onderzoek naar de dumping beperkt tot twee

productsoorten (namelijk verse/gekoelde zalm, van ingewanden ontdaan, met kop, van

eerste kwaliteit en verse/gekoelde zalm, van ingewanden ontdaan, met kop, van gewone

kwaliteit) die voor elk van de zes in de steekproef opgenomen exporteurs 72% uitmaakten

(71) Daar onderhavig onderzoek ten doel had een enkel, voor geheel Noorwegen geldend anti-

dumpingrecht vast te stellen, werden een gewogen gemiddelde normale waarde en een

gewogen gemiddelde exportprijs voor Noorwegen als geheel berekend aan de hand van de

gegevens die de in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben verstrekt.

(b) Normale waarde

(72) Eerst werd nagegaan of ieder exporteur op de binnenlandse markt representatieve hoeveel-

heden had verkocht - in totaal, en van elk van de twee betrokken productsoorten. Bij het

oorspronkelijk onderzoek was geen rekening gehouden met de hoeveelheden die aan andere

exporteurs waren verkocht en waarvan de verkoper de eindbestemming niet kon weten.

Gezien de bijzondere kenmerken van de Noorse binnenlandse markt werd een omvang van

de verkoop op de binnenlandse markt van ten minste 4% van de omvang van de uitvoer naar

de Gemeenschap (in plaats van de gebruikelijke 5%) als representatief beschouwd. Omdat

de situatie in dit opzicht niet wezenlijk was gewijzigd, werden deze methodes ook in het

kader van onderhavig onderzoek toegepast.

(73) Een partij stelde dat de Commissie geen gebruik had mogen maken van de cijfers over de

verkoop op de binnenlandse markt, daar deze minder was dan 5% van de uitvoer naar de

Gemeenschap en binnenlandse afnemers naar de Gemeenschap hadden kunnen door-

verkopen. Wat het eerste argument betreft wordt opgemerkt dat de basisantidumping-

verordening duidelijk in de mogelijkheid voorziet gebruik te maken van de cijfers over de

verkoop op de binnenlandse markt, indien deze minder dan 5% van de uitvoer bedraagt,

indien de prijzen als representatief voor de betrokken markt kunnen worden beschouwd,

overeenkomstig artikel 2, lid 2. Daar het binnenlandse verbruik in Noorwegen sinds het

oorspronkelijke onderzoek in wezen niet is veranderd, moet deze claim worden afgewezen.

Wat de tweede claim betreft, heeft de Commissie de binnenlandse aard van de verkoop in

aanmerking genomen en slechts gebruik gemaakt van de cijfers over verkoop aan binnen-

landse eindafnemers.

(74) Voor slechts één exporteur werd vastgesteld dat de binnenlandse verkoop - in totaal en van

elk van de twee betrokken productsoorten - ten minste 4% bedroeg van de uitvoer naar de

Gemeenschap. De andere in de steekproef opgenomen exporteurs verkochten niet op de

binnenlandse markt of hun verkoop op de binnenlandse markt was aanzienlijk minder dan

genoemd percentage.

(75) Voor de enige exporteur met een representatieve binnenlandse verkoop werd vervolgens

nagegaan of deze verkoop in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden

(76) Gezien het bovenstaande was de normale waarde van iedere productsoort gelijk aan het

gewogen gemiddelde van uitsluitend die binnenlandse verkoopprijzen die gelijk waren aan

of hoger dan de kostprijs van de productsoort in kwestie.

(77) De kostprijs aan de hand waarvan was bepaald of de binnenlandse verkoop in het kader van

normale handelstransacties had plaatsgevonden, was berekend door aan de "aankoopprijs"

per eenheid de VAA-kosten per eenheid toe te voegen die de betrokken exporteur bij de

binnenlandse verkoop van het betrokken product had gemaakt. De "aankoopprijs" per

eenheid was voor iedere productsoort het gewogen gemiddelde van de prijzen van de in de

steekproef opgenomen zalmkwekers bij verkoop aan onafhankelijke binnenlandse afnemers

in het kader van normale handelstransacties.

(78) Daar de vier overige in de steekproef opgenomen exporteurs het betrokken product niet in

representatieve hoeveelheden hadden verkocht, werd voor hen een normale waarde aan-

genomen aan de hand van de "aankoopprijs", zoals hierboven vastgesteld, vermeerderd met

een redelijk bedrag voor VAA-kosten en winst overeenkomstig artikel 2, lid 3 en lid 6,

onder c), van de basisantidumpingverordening. De gebruikte VAA-kosten en winst waren

gebaseerd op de VAA-kosten en winst die waren berekend voor de enige exporteur wiens

normale waarde op zijn binnenlandse verkoop was gebaseerd.

(79) Een partij stelde dat het niet juist was de VAA-kosten en de winst van slechts een exporteur

te gebruiken en klaagde erover dat deze bedragen niet waren bekendgemaakt. Volgens deze

partij waren de gebruikte percentages lager dan bij het oorspronkelijke onderzoek. In

antwoord op deze beweringen wordt allereerst opgemerkt dat deze partij geen alternatief

heeft voorgesteld en dat het gebruik van de percentages die voor Chili waren vastgesteld

voor hem geen gunstiger resultaat zou hebben opgeleverd. Voorts waren er geen redenen om

de percentages van het oorspronkelijke onderzoek toe te passen, daar volgens artikel 11,

lid 9, van de basisantidumpingverordening voor de dumpingberekeningen gebruik moet

worden gemaakt van dezelfde werkwijze als bij het oorspronkelijke onderzoek (indien de

omstandigheden niet zijn gewijzigd) en niet van dezelfde feitelijke gegevens. Deze claim

werd daarom afgewezen. Daar de bedragen van de VAA-kosten en de winst slechts

betrekking hadden op één exporteur, konden deze om redenen van vertrouwelijkheid niet

worden bekendgemaakt.

(80) Tenslotte werden de normale waarden die voor iedere in de steekproef opgenomen exporteur

waren vastgesteld zoals hierboven beschreven, gewogen aan de hand van de hoeveelheden

die elke exporteur aan afnemers in de Gemeenschap had verkocht om een gewogen

gemiddelde normale waarde voor Noorwegen te verkrijgen.

(c) Exportprijs

(81) Wanneer naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap was uitgevoerd, werd de export-

prijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisantidumpingverordening vastgesteld aan de

hand van de werkelijk betaalde of te betalen exportprijzen.

(82) In enkele gevallen was het product in de Gemeenschap ingevoerd door een gelieerde onder-

neming die het verder verwerkte en vervolgens als gerookte of gemarineerde zalm verkocht.

In deze gevallen zouden normalerwijze betrouwbare exportprijzen zijn verkregen door van

de prijs die de eerste onafhankelijke afnemer wordt aangerekend alle kosten af te trekken die

tussen de invoer en de wederverkoop zijn ontstaan, overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de

basisantidumpingverordening. Er werd evenwel vastgesteld dat alle exporteurs, op een na,

bij hun verkoop aan gelieerde verwerkende bedrijven prijzen hadden toegepast die volledig

overeenstemden met de prijzen die de in de steekproef opgenomen exporteurs aan

onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap aanrekenden. In deze gevallen werd aan-

getoond dat zowel de exporteurs als de gelieerde verwerkende bedrijven een redelijke winst

hadden gemaakt en dat de verwerkende bedrijven geen financiële steun leken te krijgen van

de Noorse exporteurs waarmee zij banden hadden. Derhalve werd geoordeeld dat de prijzen

die deze gelieerde verwerkende bedrijven hadden betaald betrouwbaar waren en gebruikt

konden worden om de exportprijs aan de hand van werkelijk betaalde of te betalen prijzen

vast te stellen.

(84) Een partij stelde dat voor de exportprijzen van alle exporteurs een aangenomen waarde had

moeten worden vastgesteld. Deze claim werd afgewezen omdat artikel 2, lid 9, van de basis-

antidumpingverordening slechts wordt toegepast wanneer de exportprijzen als onbetrouw-

baar worden beschouwd, hetgeen slechts voor een exporteur het geval was.

(85) Tenslotte werden de exportprijzen die voor iedere in de steekproef opgenomen exporteur op

de hierboven beschreven wijze waren vastgesteld, gewogen aan de hand van de hoeveel-

heden die zij aan afnemers in de Gemeenschap hadden verkocht om een gewogen

gemiddelde exportprijs voor Noorwegen te verkrijgen.

(d) Vergelijking

(86) De gemiddelde normale waarde en de gemiddelde exportprijs werden vervolgens vergeleken

in het stadium af fabriek. Voor een billijke vergelijking van de normale waarde met de

exportprijs werden correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van

invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 10, van

de basisverordening. Bijgevolg werden, indien van toepassing en met gecontroleerde

gegevens gestaafd, correcties op de exportprijs toegepast voor verschillen in de kosten van

kortingen, vervoer, verzekering, laden, lossen, op- en overslag en aanverwante kosten,

krediet, en de kosten na verkoop en voor de heffing die bij de uitvoer van zalm naar de

Gemeenschap wordt geheven. Op de normale waarde werden op dezelfde voorwaarden

(87) Een partij maakte bezwaar tegen het feit dat de bedragen van de correcties niet waren mede-

gedeeld. Deze bedragen konden evenwel om redenen van vertrouwelijkheid niet worden

bekendgemaakt.

(e) Dumpingmarge

(88) De dumpingmarge werd vastgesteld door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale

waarde met de gewogen gemiddelde exportprijs overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12,

van de basisantidumpingverordening.

(89) Bij deze vergelijking bleek dat de voor het gehele land geldende dumpingmarge 0% was.

(90) Een partij stelde dat dumping zou zijn aangetoond indien een vergelijking was gemaakt

tussen de gewogen gemiddelde normale waarde en de prijzen van afzonderlijke export-

transacties, wat naar zijn mening had moeten worden gedaan. Om zeker te zijn had de

Commissie de dumpingmarge voor Noorwegen ook vastgesteld door vergelijking van de

gewogen gemiddelde normale waarde met de prijzen van afzonderlijke exporttransacties. Bij

deze vergelijking bleek dat de dumpingmarge voor Noorwegen minimaal was, hetgeen

betekende dat de dumpingmarge geheel tot uiting was gekomen bij de vergelijking van de

gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde exportprijzen. De claim

werd daarom afgewezen.

(91) Een partij stelde dat de berekeningen tot de vaststelling van een dumpingmarge hadden

moeten leiden door op het feit te wijzen dat sommige grote Noorse bedrijven in het onder-

zoektijdvak verlies hadden gemaakt. Deze partij stelde ook dat de prijsverbintenissen door

veel Noorse exporteurs waren ontdoken en dat dit op dumping wees. In dit verband moet er

in de eerste plaats op worden gewezen dat de economische situatie van enkele Noorse

bedrijven niet de algemene situatie van de Noorse zalmindustrie weergeeft. De Noorse

zalmbedrijven verkeerden in het onderzoektijdvak niet allemaal in dezelfde situatie. Zoals in

de meeste bedrijfstakken het geval is, maken sommige bedrijven winst en andere verlies.

Bovendien, daar bedrijven om verschillende redenen verlies kunnen lijden (bijv. buiten-

gewone saneringskosten, verliezen door investeringen in andere producten of landen), wijst

het loutere feit dat zij verlies lijden er niet noodzakelijkerwijs op dat zij hun producten

dumpen. Het argument dat de prijsverbintenissen niet werden nagekomen werd niet met

bewijsmateriaal gesteund. Hoewel enkele verbintenissen niet in acht werden genomen, wat

tot de intrekking van die verbintenissen heeft geleid, zijn de meeste verbintenissen van

kracht gebleven. Bij het onderzoek is niet gebleken dat de betrokken ondernemingen deze

verbintenissen niet in acht namen. Deze claims werden derhalve afgewezen.

(f) Waarschijnlijkheid van het weer optreden van dumping

(i) Productiecapaciteit

(92) Alle in de steekproef opgenomen Noorse zalmkwekers, op een na, werkten in het onder-

zoektijdvak op volle capaciteit.

(93) De productiecapaciteit in Noorwegen is afhankelijk van het verlenen van extra vergunningen

door de Noorse overheid en ook van de door de overheid vastgestelde voederquota. De

Noorse bedrijven voerden aan dat een stijging van het aantal vergunningen en van de

voederquota afhankelijk is van een duurzame groei van de markt.

(94) Een partij voerde aan dat Noorwegen zijn productiecapaciteit weldra met meer dan 10% zou

verhogen, als gevolg van de afgifte van 90 extra productievergunningen in november 2002

en dat alleen dit feit het al waarschijnlijk maakt dat de bedrijfstak van de Gemeenschap

schade zal blijven leiden door invoer met dumping van het betrokken product uit

Noorwegen.

(95) Een stijging van het aantal productievergunningen alleen behoeft evenwel niet tot een

stijging van de productie te leiden omdat deze ook afhankelijk is van de voederquota. Door

de lengte van de productiecyclus van het betrokken product, die ten minste twee jaar

bedraagt, zou een mogelijke stijging eerst vanaf eind 2004 voelbaar zijn op de EG-markt.

(ii) Uitvoer naar andere landen (prijzen, hoeveelheden, dumping)

(96) De ontwikkeling van de prijzen en de hoeveelheden bij uitvoer naar andere landen werd

onderzocht zowel aan de hand van statistische gegevens als aan de hand van de gegevens die

de in de steekproef opgenomen ondernemingen hadden verstrekt.

(97) De analyse van de statistische gegevens werd bemoeilijkt doordat bij de registratie van de

uitvoer van zalm geen onderscheid was gemaakt naar productsoort, terwijl de prijzen naar

gelang van de productsoort sterk kunnen verschillen. Bij het onderzoek naar de uitgevoerde

hoeveelheden bleek dat (in de tijd vķķr het instellen van de maatregelen en het onderzoek-

tijdvak) de uitvoer vanuit Noorwegen naar sommige "nieuwe markten", zoals Rusland en

Polen, zeer sterk was gestegen, terwijl de uitvoer naar andere, meer "traditionele markten"

zoals Japan, Hongkong en Taiwan op vergelijkbare wijze was gestegen als de uitvoer naar

de Gemeenschap, die ook als een traditionele markt wordt beschouwd. Grotere hoeveel-

heden die als gevolg van een grotere productiecapaciteit voor export beschikbaar komen,

zullen naar verwachting eerder naar de steeds groeiende "nieuwe markten" worden

uitgevoerd dan naar "traditionele" markten zoals de Gemeenschap die reeds een zekere

stabiliteit hebben bereikt.

(98) In dezelfde periode zijn de prijzen op de "traditionele markten" grotendeels constant

gebleven, terwijl de prijzen bij uitvoer naar landen buiten de Gemeenschap gemiddeld hoger

waren dan bij uitvoer naar de Gemeenschap. De prijzen bij uitvoer naar de "nieuwe

markten" zijn iets gedaald, hetgeen op sterk groeiende markten te verwachten was.

(99) De gegevens die de in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben verstrekt,

bevestigden dat zalm uit Noorwegen naar landen buiten de Gemeenschap werd uitgevoerd

tegen prijzen die gemiddeld hoger waren dan de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap.

(100) Daar de Gemeenschap lange tijd de belangrijkste exportmarkt voor zalm uit Noorwegen

was, mag worden aangenomen dat indien de maatregelen vervallen, de omvang van de uit-

voer naar de Gemeenschap en de prijzen in de Gemeenschap zich op vergelijkbare wijze

zullen ontwikkelen als op andere "traditionele markten", terwijl de vergelijking met markten

zoals die van Polen en Rusland minder opgaat. Indien de maatregelen vervallen, zullen de

prijzen dus waarschijnlijk stabiel blijven en zal de omvang van de uitvoer waarschijnlijk

slechts in de mate stijgen als in de periode na de instelling van de maatregelen. Er wordt ook

op gewezen dat de uitvoer naar andere traditionele markten zoals Japan, Hongkong en

Taiwan in het onderzoektijdvak niet tegen dumpingprijzen lijkt te hebben plaatsgevonden.

(101) Na de bekendmaking van de resultaten van het onderzoek hebben een aantal partijen aan-

gevoerd dat de analyse inzake de waarschijnlijkheid van een weer optreden van dumping op

optimistische veronderstellingen was gebaseerd die heel goed niet waar konden blijken. Met

name werd gesteld dat Polen en Rusland niet werkelijk eindbestemmingen waren van

Noorse zalm, maar vandaar uit slechts naar de Gemeenschap werden doorverzonden.

Volgens de handelsstatistieken worden vanuit die landen slechts onbeduidende hoeveel-

heden van het betrokken product naar de Gemeenschap uitgevoerd. Bovendien hebben

(iii) Conclusies

(102) Gezien de hierboven uiteengezette marktsituatie wordt het onwaarschijnlijk geacht, ten

minste op korte termijn, dat aanzienlijke hoeveelheden van het betrokken product de

Gemeenschap zullen binnenkomen indien de maatregelen vervallen. Hoewel niet kan

worden uitgesloten dat de situatie vanaf eind 2004 anders zal worden als gevolg van de pas

afgegeven nieuwe productievergunningen, wordt ervan uitgegaan dat bijkomende hoeveel-

heden eerder naar de groeiende "nieuwe markten" dan naar de Gemeenschap zullen gaan.

Omdat bij het onderzoek is gebleken dat het betrokken product uit Noorwegen in het onder-

zoektijdvak niet tegen dumpingprijzen naar traditionele markten, waaronder de Gemeen-

schap, is uitgevoerd, kan redelijkerwijze worden verwacht dat de prijzen stabiel zullen

blijven en geen dumpingprijzen zullen worden, ook indien de productie in Noorwegen stijgt,

zoals aangegeven in overweging 100.

(103) Derhalve wordt geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat het betrokken product uit

Noorwegen weer tegen dumpingprijzen in de Gemeenschap zal worden ingevoerd, indien de

maatregelen ten aanzien van dit land vervallen.

E. SUBSIDIES

1. Inleiding

(105) De Commissie heeft in dit verband onderzocht of overheidsinstellingen, met inbegrip van

openbare of particuliere organen die onder toezicht van de Noorse overheid staan, een

financiële bijdrage in de zin van artikel 2, lid 1, van de basisantisubsidieverordening aan

zalmkwekers in Noorwegen hebben geleverd. Voorts werd onderzocht of de ontvangers

hierdoor een voordeel hebben verkregen.

(106) Hoewel, met instemming van de Noorse autoriteiten, slechts een klein aantal representatieve

ondernemingen is onderzocht, werd het, zoals in het oorspronkelijk onderzoek, passend

geacht om een enkele subsidiemarge voor het gehele land vast te stellen.

(107) Bij het onderzoek werd ook nagegaan of het vervallen van de maatregelen al dan niet tot een

voortzetting of herhaling van de subsidiëring zou leiden.

2. Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-

overeenkomst)

(108) De Noorse overheid herhaalde het argument dat zij in het kader van het oorspronkelijk

onderzoek had aangevoerd, namelijk dat de toepassing van compenserende maatregelen in

de visserijsector overwogen en beoordeeld moest worden in het licht van Protocol 9 bij de

EER-overeenkomst en de gemeenschappelijke verklaring betreffende de overeengekomen

interpretatie van artikel 4, leden 1 en 2, van het protocol.

(109) De Noorse overheid verwees naar artikel 4, lid 1, van protocol 9 waarin is bepaald dat uit

overheidsmiddelen verstrekte steun aan de visserijsector die de mededinging vervalst, wordt

afgeschaft. Bovendien werd verwezen naar de gemeenschappelijke verklaring waarin het

volgende wordt gesteld: "hoewel de EVA-staten het "acquis communautaire" betreffende het

visserijbeleid niet overnemen, wordt overeengekomen dat, wanneer wordt verwezen naar

met staatsmiddelen bekostigde steunmaatregelen, elke concurrentievervalsing door de

overeenkomstsluitende partijen moet worden beoordeeld in de context van de artikelen 92

en 93 van het EEG-Verdrag en met inachtneming van de relevante bepalingen van het

"acquis communautaire" inzake het visserijbeleid en de inhoud van de gemeenschappelijke

verklaring betreffende artikel 61, lid 3, onder c) van de overeenkomst". De Noorse overheid

voert met andere woorden aan dat elke concurrentievervalsing moet worden beoordeeld aan

de hand van een vergelijking van de steunmaatregelen van de betrokken EVA/EER-staten

met die van de Gemeenschap en indien concurrentievervalsing wordt vastgesteld, moet de

uit overheidsmiddelen verstrekte steun worden afgeschaft.

(110) Zoals in het oorspronkelijk onderzoek wordt eraan herinnerd dat artikel 26 van de EER-

overeenkomst de toepassing van compenserende maatregelen verbiedt, tenzij in de overeen-

komst anders is bepaald. In artikel 20 van de EER-overeenkomstig is uitdrukkelijk bepaald

dat protocol 9 de bepalingen en regelingen bevat die van toepassing zijn op vis. Artikel 4,

lid 3, van Protocol 9 laat uitdrukkelijk toe dat compenserende maatregelen worden toegepast

om de schadelijke gevolgen van subsidiëring in de visserijsector te verhelpen. Protocol 13

3. Regelingen die volgens het oorspronkelijk onderzoek aanleiding gaven tot

compenserende maatregelen -

(a) Verschillen in socialezekerheidspremies

(111) In Noorwegen zijn de door werkgevers te betalen socialezekerheidpremies afhankelijk van de

woonplaats van de werknemer. Zoals in het oorspronkelijk onderzoek was vastgesteld, zijn er

vijf geografische zones waarvoor verschillende premies gelden. De premies verschillen van

14,1% van het brutoloon van werknemers in zone 1 tot 0% voor werknemers die in zone 5

woonachtig zijn:

Zone 1 14,1%

Zone 2 10,6%

Zone 3 6,4%

Zone 4 5,1%

Zone 5 0%

(112) Volgens de Noorse overheid werden de zones in 1999 herzien, maar er vonden slechts kleine

aanpassingen plaats. Sommige sectoren werden uit het systeem van de gedifferentieerde

socialezekerheidspremies gehaald, bijvoorbeeld mijnbouw en telecommunicatie. Voor deze

(113) Het stelsel van gedifferentieerde socialezekerheidpremies voor werkgevers is een subsidie in

de zin van artikel 2 van de basisantisubsidieverordening. De conclusies in verband met deze

regeling zijn dezelfde als bij het oorspronkelijk onderzoek.

(114) Het verlaging of vrijstelling van socialezekerheidspremies voor werkgevers is een financiële

bijdrage van de Noorse overheid. Door deze regeling doet de overheid afstand van

inkomsten of int zij deze niet. Door de verlaging of vrijstelling van socialezekerheids-

premies voor werkgevers, in alle zones behalve zone 1, heeft de overheid minder inkomsten.

De definitie van subsidie in artikel 2, lid 1, onder a) ii), van de basisantisubsidieverordening,

is dus op deze regeling van toepassing.

(115) De regeling kent de werkgevers duidelijk een voordeel toe in de zin van artikel 2, lid 2, van

de basisantisubsidieverordening. Door werknemers in dienst te nemen die hun woonplaats

hebben in de zones 2 tot 5 verkrijgen de werkgevers een voordeel dat zij niet zouden hebben

als zij werknemers in dienst hadden die in zone 1 woonachtig zijn, waarvoor het tarief van

14,1% geldt. De regeling kent feitelijk een voordeel toe aan werkgevers op basis van hun

woonplaats, aangezien de meeste werknemers in dezelfde zone wonen als de werkgever. Het

voordeel voor werkgevers met werknemers uit de zones 2 tot 5 is gelijk aan het verschil

tussen de werkelijk betaalde socialezekerheidspremies en het bedrag van deze premies tegen

het basistarief van 14,1%. Voor de berekening van het subsidiebedrag werd derhalve, zoals

bij het oorspronkelijke onderzoek, uitgegaan van bovengenoemd basispremietarief.

(116) Werkgevers in de zones 2 tot en met 5 betalen minder dan het basistarief dat in zone 1 van

toepassing is en het voordeel dat hierdoor wordt verkregen is derhalve beperkt tot onder-

nemingen in de zones 2 tot en met 5. Deze subsidie is dus specifiek in de zin van artikel 3,

lid 2, onder a), van de basisantisubsidieverordening.

(117) Zoals bij het oorspronkelijke onderzoek kon de Noorse overheid geen cijfers verstrekken

over de socialezekerheidspremies die door de zalmindustrie in haar geheel zijn betaald. Het

voordeel werd derhalve berekend aan de hand van de socialezekerheidspremies van de

onderzochte zalmkwekers die in diverse zones waren gevestigd. De subsidie werd berekend

door de werkelijk betaalde socialezekerheidspremies te vergelijken met het bedrag dat

betaald zou zijn indien het basistarief van 14,1% was toegepast.

(118) Het aldus verkregen verschil werd beschouwd als het voordeel voor de zalmkwekers. De

totale subsidiemarge bedraagt 0,84% van de omzet van de onderzochte zalmkwekers

(inclusief die in zone 1).

(b) Het Noorse Industriële en Regionale Ontwikkelingsfonds (SND)

(119) Het SND is bij wet nr. 97 van 3 juli 1992 opgericht en werd op 1 januari 1993 operationeel.

Het SND, dat onder het Ministerie van Handel en Industrie ressorteert, is belast met de

tenuitvoerlegging van het overheidsbeleid. Doel van het SND is de bevordering van het

bedrijfsleven en de economische ontwikkeling in geheel Noorwegen door bij te dragen aan

(120) Het SND moedigt ondernemingen aan door middel van subsidies, leningen en krediet-

garanties.

(i) Subsidies

(121) De regelingen waarop de zalmkwekers een beroep kunnen doen worden gefinancierd uit de

begroting van het Ministerie van Handel en Industrie en het Ministerie van Plaatselijk

Bestuur en Regionale Ontwikkeling. De regelingen die door deze ministeries worden

gefinancierd zijn sedert 1996 in werking. Twee nieuwe regelingen die door het Ministerie

van Visserij worden gefinancierd, NUMARIO en de regeling voor de ontwikkeling van de

mariene sector, werden respectievelijk in 1997 en 2001 in het leven geroepen. De zalm-

kwekers hebben tot dusverre geen gebruik gemaakt van deze regelingen die derhalve niet

werden onderzocht.

(122) De zalmkwekers kunnen een beroep doen op de volgende regelingen:

  • 1. 
    Subsidies voor ontwikkeling.
  • 2. 
    Subsidies voor de regionale ontwikkeling.

(123) Regeling 2 is tot bepaalde steunbehoevende regio's beperkt, maar voor regeling 1 geldt deze

geografische beperking niet; op laatstgenoemde regeling wordt hoofdzakelijk een beroep

gedaan door andere dan de steunbehoevende regio's. Beide regelingen zijn al van toepassing

(124) Het SND is ook verantwoordelijk voor verscheidene andere regelingen. Hiervan werd

evenwel door de zalmkwekers geen gebruik gemaakt.

(125) Het totale bedrag aan subsidies dat de zalmkwekers hebben ontvangen bleek sedert het

oorspronkelijke onderzoek te zijn gedaald.

Bestaan van een subsidie

(126) De regeling voorziet in een financiële bijdrage, daar er een rechtstreekse overdracht is van

overheidsmiddelen aan de ontvangers in de zin van artikel 2, lid 1, onder a) i), van de basis-

antisubsidieverordening. De zalmkwekers verkrijgen een voordeel, daar investeringskosten

met het bedrag van de subsidie worden verlaagd. De SND-regeling is daarom een subsidie-

regeling.

Specificiteit

(127) Bij het oorspronkelijk onderzoek werd aangetoond dat de SND-regeling in twee opzichten

specifiek was:

  • er was een regionale specificiteit en,
  • er waren geen objectieve criteria en de niet-regionale regelingen werden niet auto-

matisch toegekend.

(128) De zalmkwekerijen hebben in het onderzoektijdvak geen voor het gehele land geldende

subsidies (regeling 1) ontvangen. Of deze subsidies specifiek waren behoeft dus niet te

worden onderzocht.

(129) De subsidies in het kader van regeling 2 zijn beperkt tot ondernemingen in bepaalde regio's,

hoewel niet alleen tot zalmkwekerijen, en zijn derhalve specifiek in de zin van artikel 3,

lid 2, onder a), en artikel 3, lid 3, van de basisantisubsidieverordening.

Berekening van het voordeel

(130) Hoewel de SND-subsidies in het algemeen gebruikt werden voor de aanschaf van vaste

activa, zijn het periodieke subsidies die de ontvanger op regelmatige basis verkrijgt. Boven-

dien werden ze niet toegekend in de vorm van grote eenmalige bedragen zoals bij het oor-

spronkelijke onderzoek het geval bleek te zijn, maar ging het om betrekkelijk geringe

bedragen. Deze bedragen konden in het onderzoektijdvak worden uitgegeven.

(131) In het onderzoektijdvak hebben de Noorse zalmkwekers subsidies ontvangen ter waarde van

0,26% van hun totale omzet. Zoals in overweging 153 vermeld, kon echter niet met zeker-

heid worden vastgesteld of het gehele bedrag van deze subsidie een voordeel inhield voor de

zalmkwekerij.

(ii) Leningen

(132) Bij het oorspronkelijk onderzoek werd vastgesteld dat de SND-leningen tot compenserende

maatregelen aanleiding gaven. Er was een financiële bijdrage van de overheid en er werd

een voordeel verkregen; er werden bijvoorbeeld leningen verstrekt tegen een rente die lager

was dan de rente voor soortgelijke leningen op de commerciële markt. Bovendien leed het

SND ernstige verliezen op de leningen die het aan de viskwekers had toegekend.

(133) Om na te gaan of de onderzochte zalmkwekers nog steeds voordeel hadden bij de SND-

leningen, werd de in het onderzoektijdvak op de leningen betaalde rente vergeleken met de

normale commerciële rente. De commerciële lening waarmee werd vergeleken is een lening

van eenzelfde bedrag met eenzelfde looptijd die de ontvanger kan verkrijgen bij een

representatieve particuliere bank op de binnenlandse markt. Hierbij bleek dat de SND-

leningen, inclusief de aangerekende rente, vergelijkbaar waren met die van de particuliere

sector. De onderzochte kwekers hadden dus geen voordeel verkregen.

(134) Het SND bleek slechts weinig verlies te lijden tengevolge van niet-terugbetaalde leningen.

Bovendien omvatte het rentetarief een risico-element voor andere leningen dan die met een

laag risico.

(135) In het kader van deze regeling bleek geen subsidie te zijn toegekend.

(iii) Kredietgaranties

(136) Bij het oorspronkelijk onderzoek was vastgesteld dat deze SND-regeling een subsidie was.

Er was toen een financiële bijdrage van het SND en een voordeel voor de zalmkwekers wier

krediet gegarandeerd was voor zover dit niet op commerciële basis was.

(137) De verliezen die het SND door deze regeling leed waren na het onderzoektijdvak van het

oorspronkelijk procedure zeer gering en in het huidige onderzoektijdvak zelfs onbestaande

voor de gehele viskwekerijsector (waaronder de zalmkwekerijen). Bovendien kon niet

worden aangetoond dat de tarieven van dien aard waren dat zij de noodlijdende leningen niet

konden dekken.

(138) In deze omstandigheden werd geoordeeld dat in het kader van deze regeling geen subsidies

zijn verleend.

(c) Vervoerssubsidies

(139) Bij het oorspronkelijk onderzoek werd geoordeeld dat de subsidie voor vervoer specifiek

was en derhalve aanleiding gaf tot compenserende maatregelen. De subsidiemarge bedroeg

evenwel slechts 0,01%.

(140) In het kader van deze herzieningsprocedure werd vastgesteld dat een subsidie voor vervoer

slechts in vier van de 19 districten was toegekend en dat het totale bedrag aan subsidies voor

(141) De subsidie werd uitgedrukt in procenten van de totale waarde van de zalmverkoop in het

onderzoektijdvak. Het bedrag van de subsidie was te verwaarlozen. De regeling werd in het

kader van deze herzieningsprocedure derhalve niet verder onderzocht.

(d) Regionale Commissie voor Noord-Noorwegen en Noord-Trondelag

(142) De zalmsector bleek na 1998 geen nieuwe subsidies te hebben ontvangen. Deze regeling

werd in het kader van deze herzieningsprocedure derhalve niet verder onderzocht.

(e) FOS/Rødfisk

(143) In november 1991 heeft Rødfisk, een consortium van banken dat was opgezet om over te

gaan tot de liquidering van FOS, de organisatie die het monopolie had op de export van zalm

uit Noorwegen, een lening van 400 miljoen Noorse kroon van de overheid ontvangen. Deze

lening werd later afgeschreven en in een schenking omgezet. Bij het oorspronkelijk onder-

zoek was gebleken dat het voordeel van deze afgeschreven lening aan de zalmkwekers was

overgedragen om hun vorderingen jegens FOS te regelen. Deze schenking bleek tot

compenserende maatregelen aanleiding te geven en het voordeel van deze schenking werd

toegerekend aan de normale afschrijvingsperiode voor vaste activa in de betrokken bedrijfs-

tak. Deze periode eindigde in 1998 en derhalve is nu geen subsidie ontvangen.

(144) Bovendien werd vastgesteld dat na het oorspronkelijk onderzoek geen steunprogramma's

4. Andere regelingen

(145) Ook de regelingen van de Onderzoekraad van Noorwegen werden onderzocht. De Onder-

zoekraad verleent steun voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) aan diverse sectoren. Het

doel van de regeling is de ontwikkeling van nieuwe kennis door O&O. Universiteiten,

onderzoekinstellingen en ondernemingen kunnen voor deze regeling in aanmerking komen.

Alle deelnemers kunnen subsidievoorstellen doen en de subsidies zijn niet beperkt tot

bepaalde regio's in Noorwegen. Sommige zalmkwekers bleken in het kader van deze

regeling steun voor O&O te hebben ontvangen.

(146) De Noorse overheid voerde aan dat deze steun aan producenten van het betrokken product

ten behoeve van door de gebruiker gecontroleerde O&O-projecten een toegelaten subsidie

was, daar deze steun aan de criteria van artikel 4, lid 2, van de basisantisubsidieverordening

voldeed. Subsidies voor O&O zijn evenwel niet specifiek, omdat alle sectoren van de

economie er een beroep op kunnen doen.

(147) Geconcludeerd werd dat subsidies voor O&O van de Onderzoekraad geen aanleiding geven

tot compenserende maatregelen, omdat zij niet specifiek zijn; de vraag of deze subsidies

toegestane subsidies zijn behoefde derhalve niet te worden beantwoord.

(148) Er werden geen andere regelingen gevonden die tot compenserende maatregelen aanleiding

konden geven. Tot slot werd vastgesteld dat geen andere instellingen financiële steun

5. Conclusie

(149) De volgende regelingen bleken overeenkomstig de basisantisubsidieverordening tot

compenserende maatregelen aanleiding te geven; de subsidiemarge is in deze gevallen:

  • Gedifferentieerde socialezekerheidspremies 0,84%
  • Subsidies van het Regionaal Ontwikkelingsfonds 0,26%

(SND)

De totale subsidiemarge is 1,1%, slechts 0,1% hoger dan minimaal. Bovendien werd dit

percentage van 1,1 slechts bereikt in de veronderstelling dat alle SND-subsidies de zalm-

productie ten goede zijn gekomen, hetgeen, zoals in overweging 153 vermeld, hoogst-

waarschijnlijk niet met de werkelijkheid overeenstemt.

6. Voortzetting dan wel herhaling van subsidiëring

(150) Overeenkomstig artikel 18 van de basisantisubsidieverordening is de Commissie nagegaan

of het vervallen van maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting dan wel herhaling van

subsidiëring zal leiden. Volgens dit artikel moet worden beoordeeld hoe hoog de

subsidiëring in een redelijk afzienbare tijd waarschijnlijk zal zijn, rekening houdend met de

bevindingen voor het onderzoektijdvak.

(151) De totale overheidssteun die de Noorse zalmkwekers hadden ontvangen bleek sinds het

oorspronkelijk onderzoek sterk te zijn gedaald. Bij het oorspronkelijke onderzoek werd een

totale subsidiemarge van 3,8% vastgesteld. Verscheidene regelingen waarvan bij het

oorspronkelijk onderzoek was gebleken dat zij tot compenserende maatregelen aanleiding

gaven, waren afgeschaft (zoals de hierboven genoemde FOS/Rødfisk-subsidies) of boden de

zalmkwekers geen voordeel meer (subsidies voor vervoer en leningen/kredietgaranties van

het SND). Bovendien heeft de Noorse overheid geen nieuwe regelingen ingevoerd die een

voordeel inhielden voor de zalmkwekers.

(152) Slechts voor twee van de regelingen waarvan bij het oorspronkelijke onderzoek werd vast-

gesteld dat zij tot compenserende maatregelen aanleiding gaven werd bij dit herzienings-

onderzoek vastgesteld dat op grond daarvan een voordeel was verkregen. In dit verband

moeten evenwel de volgende twee opmerkingen worden gemaakt.

(153) Ten eerste: de subsidies op grond van het stelsel van de gedifferentieerde socialezekerheids-

premies (met een voordeel van 0,84% voor de zalmkwekers), een algemene, niet specifiek

voor zalmkwekers bestemde regionale regeling, zijn sinds het oorspronkelijke onderzoek

iets minder geworden. Ten tweede: het bedrag aan SND-subsidies dat de zalmkwekers

hebben ontvangen is gedaald van 0,48% bij het oorspronkelijke onderzoek tot 0,26% bij

onderhavig onderzoek. Het is evenwel bijna zeker dat het vastgestelde bedrag aan SND-

subsidies te hoog is, daar de Noorse overheid slechts cijfers kon verstrekken over subsidies

aan ondernemingen die zich onder meer bezig houden met de productie of de verkoop van

zalm. Bij gebrek aan meer nauwkeurige gegevens werden deze bedragen als basis voor dit

onderzoek gebruikt, ongeacht het feit of de subsidies feitelijk voor de zalmproductie zijn

gebruikt. Bij controles bij de zalmkwekers bleek evenwel dat de meeste subsidies waren

gebruikt voor investeringen die geen verband hielden met zalm, bv. voor de opslag van

andere vissoorten en voor verpakkingsafdelingen die ook voor andere vissoorten werden

gebruikt. Het was niet mogelijk de investeringen voor andere vissoorten te kwantificeren.

Het is in ieder geval duidelijk dat een aantal van de opgegeven subsidies waarschijnlijk geen

rechtstreeks verband houdt met het betrokken product. Zelfs indien alle subsidies met het

betrokken product verband hielden, is de subsidiemarge voor deze regeling ten hoogste

0,26%. In aanmerking genomen dat de subsidies ten voordele van zalm in werkelijkheid

lager waren, is de feitelijke subsidiemarge over het geheel genomen minimaal.

(154) De subsidiemarge van de SND-regeling werd vastgesteld aan de hand van de in het

onderzoektijdvak aan de zalmkwekers werkelijk betaalde bedragen. Het totaalbedrag aan

subsidies voor zalmkwekers waarvoor de Noorse overheid in het onderzoektijdvak een

betalingsverplichting was aangegaan, was evenwel beduidend lager dan het uitbetaalde

bedrag dat tot de hierboven vermelde subsidiemarge van 0,26% had geleid. Uitgaande van

het totaalbedrag aan subsidies voor zalmkwekers waarvoor in het onderzoektijdvak een

betalingsverplichting is aangegaan (in tegenstelling tot de bedragen die zijn uitbetaald),

wordt een algemene subsidiemarge verkregen die minimaal is. Om deze reden en omdat er

geen aanwijzingen zijn dat het subsidieniveau zal stijgen is het niet waarschijnlijk dat de

subsidiëring zal worden voortgezet of zich weer opnieuw zal voordoen op een meer dan

minimaal niveau. Bovendien bevestigen de officiële cijfers over betalingsverplichtingen en

uitbetaalde bedragen aan zalmkwekers in 2002 dat het subsidieniveau minimaal is.

(155) Als conclusie kan worden gesteld dat het niet waarschijnlijk is dat de subsidiëring zal

worden voortgezet of zich opnieuw zal voordoen omdat het huidige subsidiëringsniveau

bijna minimaal is en het waarschijnlijk is dat het subsidieniveau in de nabije toekomst nog

lager zal zijn. De antisubsidieprocedure moet derhalve worden beëindigd.

F. BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

(156) Overeenkomstig artikel 11, lid 9, van de basisantidumpingverordening en artikel 22, lid 4,

van de basisantisubsidieverordening moet bij een herzieningsonderzoek normalerwijze

dezelfde werkwijze worden gevolgd als bij het oorspronkelijke onderzoek. Vanwege wijzi-

(157) EG-producenten die banden hadden met exporteurs in Noorwegen, Chili en de Faeröer

werden uitgesloten van de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, overeenkomstig

artikel 4, lid 2, van de basisantidumpingverordening en artikel 9, lid 2, van de basis-

antisubsidieverordening. Twee EG-producenten waren teleurgesteld over deze interpretatie.

Zij merkten op dat zij weliswaar deel uitmaakten van een multinationale groep die zalm-

kwekerijen had in Noorwegen, Chili en andere derde landen, maar dat de moeder-

maatschappij van de groep een in Nederland gevestigde beursgenoteerde onderneming was.

Zij dienden daarom als onderdeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap te worden

beschouwd. Om grond van voornoemde bepalingen kon deze claim evenwel niet worden

aanvaard.

(158) Rekening houdend met het bovenstaande werd vastgesteld dat ondernemingen die geen

banden hadden met exporteurs in de bij deze procedure betrokken landen goed waren voor

een groot deel (meer dan 80%) van de productie van gekweekte Atlantische zalm in de

Gemeenschap en daarom de bedrijfstak van de Gemeenschap vormden in de zin van

artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisantidumpingverordening en artikel 9, lid 1, en

artikel 10, lid 8, van de basisantisubsidieverordening.

G. SCHADE

1. Inleiding

(159) Gezien het grote aantal producenten van gekweekte Atlantische zalm in de Gemeenschap

werd in het bericht van inleiding vermeld dat voor de beoordeling van de schade van een

steekproef gebruik zou worden gemaakt. Bij het samenstellen van de steekproef van EG-

producenten werd uitgegaan van de grootste representatieve omvang van de productie en de

verkoop die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijze kon worden onderzocht, overeen-

komstig artikel 17 van de basisantidumpingverordening en artikel 27 van de basis-

antisubsidieverordening. Alle EG-producenten van gekweekte Atlantische zalm werd

derhalve in het bericht van inleiding verzocht bepaalde gegevens te verstrekken over hun

activiteiten in de periode van 1 juli tot en met 31 december 2001.

(160) Aan de hand van de informatie die de Commissie werd verstrekt, werden de volgende

17 ondernemingen aanvankelijk voor de steekproef geselecteerd:

  • Gaelic Seafoods (Ireland) Ltd, Co. Galway, Ierland,
  • Johnson Seawell Ltd, Johnson Seafarms Ltd, Shetland, Verenigd Koninkrijk,
  • Orkney Sea Farms Ltd. Glasgow, Verenigd Koninkrijk,
  • Muirachmhainní Teo, Co. Galway, Ierland,
  • Ardvar Salmon Ltd, Saffron Walden, Verenigd Koninkrijk,

(161) Alle belanghebbenden bij de herzieningsprocedure betreffende de invoer uit Noorwegen

werden in kennis gesteld van de samenstelling van de steekproef en konden hierover

opmerkingen maken. Gaelic Seafoods (Ireland) Ltd had haar activiteiten op 21 maart 2002

gestaakt als gevolg van financiële moeilijkheden en heeft verder niet aan het herzienings-

onderzoek deelgenomen. Johnson Seawell Ltd en Johnson Seafarms Ltd verleenden

vervolgens geen medewerking meer en hebben evenmin verder deelgenomen aan de

procedure. Vervolgens werd vastgesteld dat Muirachmhainní Teoranta een joint venture was

aangegaan met een onderneming die banden had met exporteurs in Noorwegen en derhalve

niet als een onderdeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap kon worden beschouwd. De

hieronder besproken schade-indicatoren zijn derhalve vastgesteld aan de hand van de

gecontroleerde informatie die was verstrekt door de in overweging 160 vermelde overige

ondernemingen.

(162) Omdat de schadebeoordelingsperiode in het kader van de antidumpingprocedure betreffende

Chili en de Faeröer dezelfde is die in het kader van de herzieningsprocedure betreffende

Noorwegen heeft de Commissie de belanghebbenden in kennis gesteld van haar voornemen

gebruik te maken van dezelfde steekproef van onafhankelijke EG-producenten, met inacht-

neming van de in de vorige overweging genoemde ontwikkelingen. De belanghebbenden

werden in de gelegenheid gesteld hierover opmerkingen te maken. Overeenkomstig

artikel 19, lid 6, van de basisantidumpingverordening en artikel 29, lid 6, van de basis-

antisubsidieverordeningen mag de op grond van een van deze verordeningen verkregen

2. Verbruik in de Gemeenschap

(163) Grootschalige kwekerijen van Atlantische zalm in de Gemeenschap komen alleen in het

Verenigd Koninkrijk (Schotland) en Ierland voor. Het zichtbare verbruik in de Gemeen-

schap van gekweekte Atlantische zalm werd derhalve vastgesteld aan de hand van de

productiecijfers van producenten in deze twee landen die werden verstrekt door de Fisheries

Research Services van de Schotse Landsregering en de Irish Sea Fisheries Board en aan de

hand van de in- en uitvoergegevens van Eurostat. Evenals bij het oorspronkelijke onderzoek

met betrekking tot Noorwegen werden bepaalde correcties toegepast om het nettogewicht in

de Eurostat-gegevens om te zetten in levend gewicht of "hele-visequivalenten" zoals gebrui-

kelijk bij vergelijkingen in deze bedrijfstak. De invoercijfers voor verse, gekoelde en

bevroren zalm, met uitzondering van filets, en voor verse, gekoelde en bevroren zalmfilets

werden gedeeld door respectievelijk 0,90 en 0,65. De GN-codes 0302 12 00, 0304 10 13 en

0304 20 13 hebben overigens ook betrekking op producten die niet onder deze herzienings-

procedure vallen zoals Pacifische zalm en Donauzalm. Gezien de opgegeven oorsprong kan

de invoer van die soorten echter als te verwaarlozen worden beschouwd.

(164) Aan de hand van deze gegevens bedroeg het verbruik in de Gemeenschap van gekweekte

Atlantische zalm in het onderzoektijdvak bijna 500.000 ton. Dit cijfer was bijna 25% hoger

dan aan het begin van de beoordelingsperiode.

Verbruik 1998 1999 2000 2001

3. Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de betrokken invoer

(165) Cumulatie was in dit geval niet aan de orde omdat de invoer uit de Faeröer en Noorwegen

niet met dumping had plaatsgevonden en het in het geval van Noorwegen niet waarschijnlijk

was dat opnieuw dumping of subsidiëring zou plaatsvinden. De analyse hieronder heeft dan

ook uitsluitend betrekking op de invoer uit Chili.

  • 4. 

    Omvang van de invoer en marktaandeel

(166) Na bewerking van de Eurostatgegevens over de omvang van de invoer uit Chili volgens de

in overweging 163 beschreven methode, bleek de invoer te zijn gestegen van ongeveer

9.000 ton in 1998 tot meer dan 26.000 ton in het onderzoektijdvak. In dezelfde periode steeg

het marktaandeel van het betrokken product uit Chili van 2,4% in 1998 tot 5,4% in het

onderzoektijdvak. -

1998 1999 2000 2001

(Ond.tijdv.)

Ton 9.336 8.173 12.323 26.360

Index 100 88 132 282

Marktaandeel 2,4% 1,8% 2,6% 5,4%

5. Prijzen

(a) Prijsontwikkeling

(167) Informatie over de prijzen van het betrokken product uit Chili was afkomstig van Eurostat,

uitgaande van de omvang van de invoer en de in overweging 163 beschreven methode. Uit

deze informatie bleek dat de gemiddelde prijs van het betrokken product uit Chili was

gestegen van 3 per kg in 1998 tot 3,75 per kg in 2000, alvorens in het onderzoektijdvak

te dalen tot 2,93 per kg. -

1998 1999 2000 2001

(Ond.tijdv.)

Prijs per kg 3,00 3,14 3,75 2,93

Index 100 105 125 98

(b) Prijsonderbieding

(168) Voor de berekening van de prijsonderbieding in het onderzoektijdvak werden de prijzen van

de in de steekproef opgenomen EG-producenten vergeleken met de prijzen van het

betrokken product uit Chili. De prijzen van de in de steekproef opgenomen EG-producenten

waren de prijzen af fabriek (na bewerking) en in handelsstadia die vergelijkbaar waren met

die van de betrokken invoer. Voor de in de steekproef opgenomen EG-producenten die hun

vis "in het vat" verkopen (dat wil zeggen af kwekerij zonder enige bewerking) werd een

correctie naar boven van 29 pence (47 cent) per kilo toegepast om rekening te houden met

de kosten van bewerking en verpakking. Deze correctie geschiedde aan de hand van de

kosten van andere in de steekproef opgenomen producenten voor deze activiteiten.

(169) De invoer uit Chili bleek in het onderzoektijdvak vrijwel volledig uit ingevroren filets te

bestaan. Omdat de in de steekproef opgenomen EG-producenten geen zalm in deze aan-

biedingsvorm produceerden en verkochten, werd een correctie toegepast om rekening te

houden met verschillen tussen deze aanbiedingsvorm en de verse filets die door de in de

steekproef opgenomen EG-producenten werden geproduceerd en verkocht. Alle aan-

biedingsvormen van filets maakten in het onderzoektijdvak overigens slechts 1% uit van de

omvang van de verkoop van de in de steekproef opgenomen EG-producenten.

(170) Volgens de indiener van de klacht zou de prijs van verse zalm 10% hoger moeten zijn dan

die van ingevroren zalm. Uit informatie afkomstig van medewerkende exporteurs in

Noorwegen en de Faeröer die zowel verse als ingevroren zalm in dezelfde aanbiedingsvorm

verkopen bleek dat ingevroren zalm stelselmatig duurder was dan de equivalente

aanbiedingsvorm van verse zalm. Aan de hand van cijfers die medewerkende exporteurs in

Noorwegen en de Faeröer hebben verstrekt, werd derhalve een gewogen gemiddelde premie

berekend voor ingevroren zalm die werd toegepast op de prijzen van zalm uit Chili, grens

Gemeenschap, na inklaring. Uit deze vergelijking bleek dat de prijsonderbieding 20% ā 30%

bedroeg.

6. Economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(a) Inleiding

Gebruik van steekproeven

(171) Gezien de termijn die bij artikel 5, lid 9, en artikel 11, lid 5, van de basisantidumping-

verordening voor het onderzoek is vastgesteld en het grote aantal producenten van

gekweekte Atlantische zalm in de Gemeenschap werd gebruik gemaakt van een steekproef

om de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap te beoordelen. De hier-

onder weergegeven schade-indicatoren zijn dan ook vastgesteld aan de hand van een

representatieve steekproef van EG-producenten zoals beschreven in overweging 160. Tevens

(172) Een van de in de steekproef opgenomen ondernemingen, Loch Duart Ltd., is in 1999 met

haar activiteiten begonnen toen zij bepaalde onderdelen van de zalmkwekerij van een andere

onderneming overnam. Hoewel laatstgenoemde onderneming geen deel uitmaakt van de

steekproef, is de Commissie van oordeel dat dit geen gevolgen van betekenis heeft voor de

trends die voor de beoordelingsperiode zijn vastgesteld.

(b) Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(173) De in de steekproef opgenomen EG-producenten hebben hun productie in de beoordelings-

periode verhoogd van ongeveer 7.000 ton in 1998 tot meer dan 15.000 ton in het onderzoek-

tijdvak. De cijfers voor productiecapaciteit die zijn gebruikt in het kader van het oor-

spronkelijke onderzoek dat tot de thans geldende maatregelen heeft geleid, waren gebaseerd

op milieuvergunningen die waren afgegeven door de Scottish Environment Protection

Agency (SEPA). Het SEPA is een overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor milieu-

bescherming in Schotland en die de zalmkweek in Schotland reglementeert door het

verlenen van vergunningen voor het lozen van afval in getijdewater. In deze vergunningen

worden doorgaans de grootte van de kooien en de biomassa (het gewicht van de levende

vissen) per locatie vastgesteld. Omdat vis in een bepaalde kooi over een langere periode kan

worden geoogst, is het mogelijk dat de totale productie van die kooi groter is dan de

maximum biomassa zonder dat deze ooit wordt overschreden. Omdat er geen ander redelijk

uitgangspunt was om de capaciteit van de in de steekproef opgenomen ondernemingen te

-

1998 1999 2000 2001

(Ond.tijdv.)

Productie (ton) 7 067 8 962 11 645 15 251

Index 100 127 165 216

Productiecapaciteit (ton) 7 231 8 199 13 025 29 632

Index 100 113 180 410

Bezettingsgraad 98% 109% 89% 51%

(c) Voorraden

(174) Gekweekte Atlantische zalm is een bederflijk product dat, tenzij het ingevroren is, een

houdbaarheidstermijn heeft van minder dan twee weken. Omdat de in de steekproef

opgenomen EG-producenten geen voorraden aanleggen van verse zalm na de oogst en hun

productie niet invriezen is het niveau van de voorraden in het kader van deze onderzoeken

geen zinvolle schade-indicator.

(d) Omvang van de verkoop, marktaandeel en groei

(175) In de beoordelingsperiode steeg de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de

Gemeenschap in de Gemeenschap van ongeveer 10.500 ton in 1998 tot meer dan 21.000 ton

in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg in

-

1998 1999 2000 2001 (Ond.tijdv.)

Verkoop van de bedrijfs- tak van de Gemeenschap (ton) 10.686 13.543 16.263 21.129

Aandeel van de in de steekproef opgenomen EG-producenten 6.245 8.372 10.911 15.143

Index 100 134 175 242

Marktaandeel bedrijfstak van de Gemeenschap 2,7% 3,0% 3,5% 4,3%

Marktaandeel van de in de steekproef opgenomen EG-producenten 1,6% 1,8% 2,3% 3,1%

(e) Verkoopprijzen en kosten

(176) De gemiddelde verkoopprijs van de in de steekproef opgenomen EG-producenten steeg van

3,31 per kg in 1998 tot een piek van 3,93 in 2000. In het onderzoektijdvak daalde de

prijs sterk, namelijk tot 3,13 per kilo. In dezelfde periode slaagden de in de steekproef

opgenomen EG-producenten erin hun gemiddelde productiekosten met ongeveer 10% te

verlagen tot 3,11 per kilo. -

1998 1999 2000 2001 (ond.tijdv.)

(f) Winstgevendheid

(177) Nadat in 1997 maatregelen waren genomen, steeg de netto-opbrengst van de verkoop van de

in de steekproef opgenomen EG-producenten in de Gemeenschap, vķķr belasting, tot meer

dan 10% in 2000. Ondanks hun voortdurende inspanningen om efficiënter te werken, zagen

de in de steekproef opgenomen EG-producenten hun winstgevendheid in het onderzoek-

tijdvak over de gehele lijn aanzienlijk achteruitgaan als gevolg van de lage prijzen op de

markt. Het lukte deze EG-producenten niet om in de beoordelingsperiode de winst van ten

minste 15% te boeken die bij het oorspronkelijke onderzoek als noodzakelijk was

beschouwd. Deze winstmarge was bij het oorspronkelijke onderzoek vastgesteld gezien de

hoge risico's van deze bedrijfstak die zeer gevoelig is voor onzekere factoren zoals het weer,

ziektes en ontsnappingen. Er kan niet worden uitgesloten dat de combinatie van deze

factoren en de sanering en consolidatie van de bedrijfstak in de afgelopen jaren mede de

oorzaak zijn geweest van de hieronder weergegeven sterke schommelingen in de winst-

gevenheid. Omdat evenwel niet op overtuigende wijze kon worden aangetoond dat de

omstandigheden in de tussenliggende periode aanzienlijk zijn gewijzigd en rekening

houdend met de opmerkingen van de producentenorganisaties in de Gemeenschap die achter

dit percentage stonden, werd overeenkomstig artikel 11, lid 9, van de basisantidumping-

verordening opnieuw een winstmarge van 15% aangehouden.

(g) Investeringen en rendement van de investeringen

(178) Het niveau van de investeringen van de in de steekproef opgenomen EG-producenten steeg

in de beoordelingsperiode van 2,5 miljoen in 1998 tot meer dan 4,5 miljoen in het onder-

zoektijdvak. Afgezien van de vervanging van de bestaande activa en de aankoop van nieuw

materieel in verband met de uitbreiding van de productie hadden de belangrijkste uitgaven

betrekking op de aankoop van automatische visvoedervaartuigen. Met deze vaartuigen kan

de zalm in de kooien op zee op geautomatiseerde basis worden gevoerd, zodat hiervoor

minder personeel moet worden ingezet.

(179) Het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen EG-producenten, na

belasting, in procenten van de gemiddelde netto-boekwaarde aan het begin en het einde van

het boekjaar van de activa die voor de zalmkweek werden gebruikt, was in 1998 negatief,

omdat de producenten verlies hadden gemaakt. In de overige jaren was het rendement van de

investeringen positief omdat de in de steekproef opgenomen EG-producenten winst hadden

gemaakt. -

1998 1999 2000 2001 (Ond.tijdv.)

Investeringen ( 1.000) 2.448 2.207 3.312 4.659

Index 100 282 423 595

Rendement van de investeringen -18,3% 16,1% 51,4% 2,1%

(h) Kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken

(180) De in de steekproef opgenomen EG-producenten noteerden in de beoordelingsperiode een

nettokasinstroom voor hun bedrijfsactiviteiten. In procenten van de omzet liet de netto-

kasinstroom echter een sterke daling zien.

(181) De in de steekproef opgenomen EG-producenten ondervonden moeilijkheden bij het aan-

trekken van kapitaal uit externe bronnen zoals banken en moesten in bepaalde gevallen voor

extra middelen een beroep doen op de aandeelhouders. Gezien de risico's in deze bedrijfstak

zijn traditionele geldschieters onwillig om meer middelen te verstrekken wanneer geen aan-

zienlijke zekerheden worden gesteld. Druk van de geldschieters, gekoppeld aan kasstroom-

problemen op korte termijn betekenden dat de producenten niet altijd optimale oogst-

schema's konden aanhouden. Een meer uitgebreide kredietverlening door de voederprodu-

centen begint een steeds grotere rol te spelen bij de bedrijfsfinanciering. In een aantal

gevallen verstrekken voederleveranciers ook middelen voor de aankoop van visvoederboten.

Deze regelingen brengen echter altijd extra kosten met zich. -

1998 1999 2000 2001 (Ond.tijdv.)

Kasstroom ( 1000) 783 1.233 2.022 403

Index 100 158 258 52

Kastroom in % van de omzet 3,8% 4,5% 4,7% 0,9%

(i) Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

(182) Het aantal werknemers van de in de steekproef opgenomen EG-producenten steeg over de

gehele beoordelingsperiode tot 175 in het onderzoektijdvak. Deze stijging moet worden

gezien in het licht van een sterke stijging van de productie, zoals vermeld in over-

weging 173. Geschat wordt dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel ongeveer

250 werknemers telt.

(183) Omdat het aantal werknemers minder sterk steeg dan de productie, steeg de productiviteit

van de in de steekproef opgenomen EG-producenten, uitgedrukt in het aantal tonnen dat

jaarlijks per werknemer wordt geproduceerd, van ongeveer 70 ton in 1998 tot meer dan

85 ton in het onderzoektijdvak.

(184) De arbeidskosten voor de in de steekproef opgenomen EG-producenten stegen in de beoor-

delingsperiode in absolute cijfers. Ook het gemiddelde loon per werknemer steeg in die

periode. -

1998 1999 2000 2001 (Ond.tijdv.)

Aantal werknemers 98 126 161 175

Index 100 129 164 179

Loon per werknemer ( 1.000) 27 27 31 32

(j) Omvang van dumping en herstel van dumping en subsidiëring in het

verleden

(185) Gezien de omvang van de invoer uit Chili en de prijzen waartegen het Chileense product

wordt verkocht, kunnen de gevolgen van de dumpingmarge voor de bedrijfstak van de

Gemeenschap niet als te verwaarlozen worden beschouwd.

(186) De economische situatie van de in de steekproef opgenomen EG-producenten liet een

verbetering zien nadat antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen waren

genomen ten aanzien van zalm uit Noorwegen. Deze producenten konden hun productie,

verkoop en marktaandeel verhogen en in 1999 weer winst maken. Door de aanzienlijke

verstoring van de EG-markt in het onderzoektijdvak daalde de opbrengst van veel produ-

centen echter en ging de economische situatie van de in de steekproef opgenomen EG-

producenten achteruit. De in de steekproef opgenomen EG-producenten konden zich niet

volledig herstellen van de nadelige gevolgen van dumping en subsidiëring in het verleden en

hun economische situatie blijft zwak.

  • 7. 

    Conclusie

(187) Ondanks de aanhoudende inspanningen van de bedrijfstak van de Gemeenschap om zijn

prestaties te verbeteren, zoals blijkt uit de investeringen in nieuwe voedertechnieken en de

verbeterde productiviteit, slaagde deze bedrijfstak er in de beoordelingsperiode niet in de

rentabiliteit te bereiken die voor deze bedrijfstak nodig wordt geacht. Hoewel vanaf 1999

(188) De bedrijfstak van de Gemeenschap kon de stijging van het verbruik in de beoordelings-

periode benutten om zijn productie, capaciteit en verkoop uit te breiden. Deze groei ging

gepaard met een uitbreiding van de werkgelegenheid en een toename van de investeringen.

Ondanks pogingen om zijn productiviteit te verbeteren slaagde de bedrijfstak van de

Gemeenschap er niet in het hoofd te bieden aan de sterke druk op de prijzen in het onder-

zoektijdvak. De winstgevendheid daalde sterk evenals het rendement van de investeringen.

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft derhalve aanmerkelijke schade geleden, die tot

uiting is gekomen in een druk op de prijzen, een dalende winstgevendheid en onvoldoende

rendement van de investeringen, in de zin van artikel 3, van de basisantidumping-

verordening.

H. OORZAAK VAN DE SCHADE

1. Inleiding

(189) Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisantidumpingverordening werd onder-

zocht of de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping uit Chili schade

heeft geleden die als aanmerkelijk kan worden beschouwd. Ook andere bekende factoren

dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap schade had

kunnen lijden, werden onderzocht om te voorkomen dat schade die eventueel door deze

andere factoren is veroorzaakt ten onrechte wordt toegeschreven aan de invoer met

2. Gevolgen van de invoer met dumping

(190) De omvang van de invoer met dumping uit Chili verdrievoudigde bijna in de beoordelings-

periode. Het marktaandeel van zalm uit Chili steeg in die periode van 2,4% in 1998 tot 5,4%

in het onderzoektijdvak. De toename was vooral sterk in het onderzoektijdvak toen er meer

dan een verdubbeling was ten opzichte van 2000. De prijzen van de met dumping

ingevoerde zalm was meer dan 20% lager dan de prijzen van de in de steekproef opgenomen

EG-producenten.

(191) In dezelfde periode moest de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn prijzen met gemiddeld

5% verlagen. Hoewel de winst tot 2000 een positieve ontwikkeling liet zien, daalde deze in

het onderzoektijdvak tot het punt waarop slechts de kosten werden gedekt, terwijl het

rendement van de investeringen 2,1% bedroeg. Er waren echter ook veel positieve ontwik-

kelingen: de bedrijfstak van de Gemeenschap kon zijn verkoop verdubbelen en zijn

marktaandeel uitbreiden, investeren in capaciteitsuitbreiding en zijn productiekosten met

10% terugschroeven.

(192) Bij een meer toegespitst onderzoek van de ontwikkelingen in 2000 en het onderzoektijdvak

komt een complexer en minder eenduidig beeld naar voren. Het marktaandeel van zalm uit

Chili steeg van 2,6% tot 5,4% en de Chileense prijzen daalden van een vrij hoog niveau, met

27 procentpunten, tot iets onder het peil van 1998. Het marktaandeel van de bedrijfstak van

(193) Het product van drie Chileense ondernemingen bleek niet met dumping te zijn ingevoerd.

Wanneer het onderzoek naar het oorzakelijk verband zou worden beperkt tot de invoer met

dumping, zou het beeld van de omvang van de verkoop, het marktaandeel en de prijzen van

de zalm uit Chili, aan de hand van de gegevens van Eurostat en de steekproef zijn zoals

hieronder weergegeven. Opgemerkt wordt dat het nettogewicht werd omgezet in hele-

visequivalenten door gebruik te maken van een omrekeningsfactor 0,65 en de gemiddelde

prijzen per kg zijn eveneens gebaseerd op hele-visequivalenten waarbij de situatie in het

onderzoektijdvak werd geëxtrapoleerd voor eerdere jaren van de beoordelingsperiode. -

1998 1999 2000 2001 (Ond.tijdv.)

Invoer (ton) 7.965 7.038 10.675 22.784

Marktaandeel 2,0% 1,5% 2,3% 4,7%

Prijs per eenheid 2,98 3,09 3,66 2,62

(194) De omvang van de invoer verdubbelde in het onderzoektijdvak evenals het marktaandeel.

De Chileense prijzen waren in de beoordelingsperiode lager dan de prijzen van de bedrijfs-

tak van de Gemeenschap. De prijsonderbieding in het onderzoektijdvak door de in de steek-

proef opgenomen ondernemingen die zich aan dumping hadden schuldig gemaakt bedroeg

meer dan 30%. De stijging van de invoer met dumping en de aanzienlijke prijsonderbieding

(195) Na de bekendmaking van de resultaten van het onderzoek voerde een partij aan dat de

Commissie geen goed begrip had van de interactie tussen verse en ingevroren zalm op de

markt. Hoewel bij het onderzoek was gebleken dat uit Chili voornamelijk ingevroren zalm

werd ingevoerd, terwijl de bedrijfstak van de Gemeenschap slechts verse zalm verkocht,

stelde deze partij dat veel verwerkende bedrijven geen onderscheid maakte tussen deze twee

soorten zalm en eerder ingevroren zalm zouden kopen indien deze goedkoper was dan verse

zalm. Dit zou blijken uit het feit dat zalm uit Chili een deel van het marktaandeel van

Noorse en Schotse zalm had ingenomen en dat deze tendens werd voortgezet.

(196) Bij het onderzoek bleek evenwel dat er in het onderzoektijdvak slechts een geringe

concurrentie was tussen verse en ingevroren zalm. Alleen bepaalde verwerkende bedrijven

maakten geen onderscheid tussen de twee soorten en konden zowel verse als ingevroren

zalm gebruiken. In het algemeen bestond op de markt een duidelijke voorkeur voor verse

zalm. Wat het argument betreft dat zalm uit Chili een deel van het marktaandeel van Noorse

en Schotse zalm heeft ingenomen, wordt erkend dat Noorse zalm in het onderzoektijdvak

enig marktaandeel heeft verloren. De productie van Schotse zalm bereikte in het onderzoek-

tijdvak evenwel een piek. In dezelfde periode nam het marktaandeel van alle EG-

producenten tezamen en van de bedrijfstak van de Gemeenschap afzonderlijk ook toe. Het

was daarom duidelijk dat de partij zich vergiste wat de daling van het marktaandeel van de

Schotse producenten betrof. Wat de toekomstige ontwikkeling van de invoer uit Chili en het

marktaandeel van Chileense zalm betreft, wordt erop gewezen dat, overeenkomstig artikel 6,

3. Gevolgen van andere factoren

(a) Invoer uit andere derde landen

(197) Noorwegen is marktleider op de EG-markt voor zalm. De omvang van de invoer uit

Noorwegen steeg in de periode 1998-2000, alvorens in het onderzoektijdvak te dalen.

Omdat de invoer in de periode 1998-2000 trager steeg dan het zichtbare verbruik in de

Gemeenschap daalde het marktaandeel van Noorwegen van ongeveer 64% in 1998 tot 60%

in 2000. Daar het verbruik in de Gemeenschap in het onderzoektijdvak bleef stijgen en de

invoer uit Noorwegen bleef dalen, ging het marktaandeel van Noorse zalm nog meer

omlaag, tot ongeveer 53%. Volgens de Eurostat-gegevens was de gemiddelde prijs van zalm

uit Noorwegen in 1998 en 1999 stabiel op 3,18 per kg, alvorens in 2000 te stijgen tot

3,71 per kg. In het onderzoektijdvak daalde de gemiddelde prijs van Noorse zalm tot

3,16 per kg, wat niet veel verschilde van het prijsniveau van de bedrijfstak van de

Gemeenschap. De prijzen van Noorse zalm onderboden de prijzen van de bedrijfstak van de

Gemeenschap niet.

(198) De omvang van de invoer uit de Faeröer steeg van 1998 op 1999 alvorens in 2000 te dalen.

Vervolgens deed zich in het onderzoektijdvak een forse stijging voor tot meer dan

40.000 ton. Op dat moment werd tevens het grootste marktaandeel in de

beoordelingsperiode bereikt van iets meer dan 8%. Volgens de Eurostat-gegevens steeg de

(199) Na de bekendmaking van de resultaten van het onderzoek stelde een partij vragen bij de

wijze waarop de Commissie de schade had beoordeeld die de bedrijfstak van de Gemeen-

schap had geleden ten gevolge van de invoer van zalm uit Noorwegen en de Faeröer. Met

name de prijsonderbiedingsberekening zou volgens deze partij niet correct zijn, daar de

kosten van levering aan de eerste afnemer niet waren begrepen in de prijzen van de

bedrijfstak van de Gemeenschap. Deze partij stelde voorts dat bij de schadebeoordeling te

weinig waarde was gehecht aan de invoer uit de Faeröer, gezien het marktaandeel en de

prijzen van zalm uit de Faeröer.

(200) Het argument betreffende de berekening van de prijsonderbieding door zalm uit Noorwegen

moest om twee redenen worden afgewezen. Ten eerste was de vergelijking gemaakt in

hetzelfde handelsstadium en voor dezelfde aanbiedingsvormen. Dit betekende dat de prijzen

van de EG-producenten die zalm "in het vat" verkochten (dat wil zeggen af kwekerij) met

0,47 per kg waren verhoogd om rekening te houden met de kosten van logistiek,

bewerking en verpakking voor levering aan de eerste afnemer. Ten tweede stemde deze

werkwijze overeen met die welke in het oorspronkelijke onderzoek was gebruikt.

(201) De prijsonderbieding door zalm uit de Faeröer werd op dezelfde wijze berekend als voor

zalm uit Noorwegen, zoals hierboven beschreven. Er wordt aan herinnerd dat zalm uit de

Faeröer niet met dumping bleek te zijn ingevoerd. De prijsonderbieding is dus niet het

gevolg van dumping. De Commissie is zich ervan bewust dat de invoer uit de Faeröer ook

(202) De invoer uit de overige derde landen (dat wil zeggen met uitzondering van Noorwegen, Chili

en de Faeröer) steeg in de beoordelingsperiode van ongeveer 9.000 ton in 1998 tot 15.000 ton

in het onderzoektijdvak. In dezelfde periode steeg hun marktaandeel van 2,3% in 1998 tot

3,1% in het onderzoektijdvak. Meer dan 85% van deze zalm, per gewicht (op basis van hele-

visequivalenten) bestond uit ingevroren filets (GN-code ex 0304 20 13) met als belangrijkste

landen van oorsprong de Volksrepubliek China en de Verenigde Staten van Amerika. De

gemiddelde prijs van alle soorten van het betrokken product uit deze overige derde landen

steeg van 2,36 per kg in 1998 tot 2,57 per kg in het onderzoektijdvak. De prijzen van die

producten waren in de beoordelingsperiode altijd lager dan de prijzen van de producten van

de in de steekproef opgenomen EG-producenten en van de producenten in Noorwegen, Chili

en de Faeröer, doch dit kan ook het gevolg zijn van de aard en kwaliteit van het product. Bij

onderhavig onderzoek werd niet aangetoond dat Atlantische zalm in de Volksrepubliek China

wordt gekweekt. De zalm die wordt aangegeven onder de GN-codes waarop dit onderzoek

betrekking heeft zou wellicht een andere zalmsoort kunnen zijn (Pacifische of Donau) of

verwerkte Atlantische zalm die oorspronkelijk in een ander derde land werd gekweekt. -

1998 1999 2000 2001 (Ond.tijdv.)

Noorwegen (ton) 252.267 273.375 281.376 258.389

Index 100 108 112 102

Marktaandeel 63,6% 59,7% 59,8% 53,0%

Gemiddelde prijs ( per kg) 3,18 3,18 3,71 3,16

de Faeröer (ton) 15.187 28.236 23.962 40.414

Index 100 186 158 266

(203) Uit het bovenstaande blijkt dat zowel het betrokken product van de bedrijfstak van de

Gemeenschap als uit Chili een ondergeschikte rol spelen op de EG-markt. Het kan niet

worden uitgesloten dat de invoer uit de in overweging 202 genoemde landen mede de

oorzaak is geweest van de prijsdaling en de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap

heeft geleden.

(b) Veranderingen in het consumptiepatroon

(204) Het verbruik van gekweekte Atlantische zalm in de Gemeenschap steeg in de beoordelings-

periode met 25% tot bijna 500.000 ton in het onderzoektijdvak. De bedrijfstak van de

Gemeenschap profiteerde hiervan door zijn productie en verkoop te verhogen. De bedrijfstak

van de Gemeenschap kon zijn marktaandeel, met name in het onderzoektijdvak, ook

vergroten omdat de invoer uit Noorwegen terugliep. De ontwikkeling van het verbruik kan

derhalve niet mede de oorzaak zijn geweest van de schade die de bedrijfstak van de

Gemeenschap heeft geleden.

(c) Aard van de markt voor zalm

(205) Onderzocht werd tevens of andere factoren die van invloed waren op de EG-markt voor

zalm mede de oorzaak kunnen zijn geweest van de schade die de bedrijfstak van de

Gemeenschap heeft geleden.

(206) Volgens de Viskwekerijenassociatie van de Faeröer waren er een aantal factoren die erop

wezen dat er geen oorzakelijk verband was tussen de invoer van gekweekte Atlantische zalm

uit de Faeröer en de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap zou hebben geleden. De

prijzen op korte termijn werden volgens hen beīnvloed door factoren zoals het weer, ziektes

en het aanbod van jonge zalm, terwijl de prijzen op lange termijn afhingen van de

productiekosten. Gezien de lengte van de productiecyclus voor gekweekte Atlantische zalm

(2 ā 3 jaar) zouden de prijzen over een vergelijkbare periode moeten worden onderzocht en

niet over een periode van 6 maanden tot een jaar. Voorts zou volgens hen bij het onderzoek

rekening moeten worden gehouden met andere soorten zalm zoals wilde zalm en gekweekte

Pacifische zalm omdat het aanbod van deze soorten van invloed zou kunnen zijn op de prijs

van gekweekte Atlantische zalm in de Gemeenschap.

(207) Korte-termijn-factoren zoals ziektes kunnen gevolgen hebben voor het aanbod op de zalm-

markt. Het uitbreken van ziektes zoals besmettelijke zalmanemie (infectious salmon

anaemie of ISA) in de Gemeenschap betekent dat vis uit de besmette gebieden moet worden

verwijderd en dat gedurende een daaropvolgende periode van zes maanden in die gebieden

geen zalm kan worden gekweekt. In 1998 werd bij een aantal kwekerijen in Schotland,

Noorwegen en Canada, en recentelijk in de Faeröer, gevallen van ISA geconstateerd. Het

verwijderen van de vis uit de besmette locaties betekent dat zij voor de geplande datum

moeten worden geoogst zodat hun gewicht niet voldoet aan de eisen van bepaalde afnemers.

Deze gedwongen oogst betekent tevens een vermindering van de totale biomassa vis die in

(208) Het tweede punt dat deze partij naar voren bracht, namelijk dat het niet correct was de

prijzen over een beperkte periode zoals het onderzoektijdvak te onderzoeken, werd niet aan-

vaardbaar geacht. De levenscyclus van de gekweekte Atlantische zalm is weliswaar 2 ā

3 jaar, doch productcycli vormen geen excuus voor het dumpen van vis.

(209) Het laatste argument van deze belanghebbende betreffende de invloed van andere zalm-

soorten op de EG-markt voor gekweekte Atlantische zalm werd niet gestaafd met bewijs-

materiaal. Volgens dit argument zouden gekweekte Pacifische zalm en wilde zalm producten

van dezelfde soort zijn als en verwisselbaar zijn met gekweekte Atlantische zalm, hetgeen

bij het onderzoek echter niet werd bevestigd. Gezien de hoeveelheid in de Gemeenschap

verkochte gekweekte Atlantische zalm, wordt echter geoordeeld dat de hoeveelheden andere

soorten zalm die in de Gemeenschap zijn verkocht niet van dien aard zijn dat deze aanzien-

lijke gevolgen hadden voor de prijs van gekweekte Atlantische zalm in de Gemeenschap.

(d) De structuur van de zalmkwekerijen in de Gemeenschap

(210) De Viskwekerijassociatie van de Faeröer wees op mogelijke gevolgen voor de bedrijfstak

van de Gemeenschap van de productiestijging in de beoordelingsperiode bij andere EG-

producenten die geen deel uitmaken van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Het consolide-

ringsproces van EG-producenten betekent volgens hen dat de bedrijfstak van de Gemeen-

schap, die nu qua omvang is gekrompen, te maken heeft gekregen met een sterkere

(211) Bij de onderzoeken bleek dat de door de Viskwekerij-associatie van de Faeröer bedoelde

categorie producenten in de beoordelingsperiode goed was voor het grootste deel van de

Atlantische zalm die binnen de Gemeenschap werd gekweekt. Deze ondernemingen zijn

over het algemeen groter dan de ondernemingen die in de huidige onderzoeken als de

bedrijfstak van de Gemeenschap worden beschouwd en zijn meer verticaal geīntegreerd met

bedrijven die jonge zalm vermeerderen (het zoetwaterstadium van de levenscyclus van

zalm), het voeder produceren en het product verwerken. Tezamen bezitten zij een marktaan-

deel van ongeveer 25%. Als onderdeel van grote multinationale groeperingen die vaak zijn

genoteerd op de aandelenbeurzen hebben zij verder een betere toegang tot de kapitaal-

markten en financiële steun. Ook kunnen zij hun productie beter plannen om tegemoet te

komen aan de specifieke eisen van belangrijke afnemers zoals supermarktketens, met oogst-

programma's van zeven dagen. Zij hebben vaak ook korte- tot middellange-termijn-

contracten met belangrijke afnemers die doorgaans een zekere bescherming bieden tegen de

sterke prijsschommelingen die zich voordoen op de niet-contractuele markt of de spotmarkt

waarop andere bedrijven actief zijn.

(212) Uit informatie van verwerkende bedrijven/rokerijen van het betrokken product in het kader

van de herzieningsprocedure betreffende de invoer uit Noorwegen bleek bovendien dat

bepaalde EG-producenten werden beīnvloed door de wijze waarop de verwerkende

bedrijfstak werkt. Onderzocht werd tegen welke prijs de verwerkende ondernemingen het

betrokken product in het onderzoektijdvak aankochten en tegen welke prijs zij de zalm na

verwerking weer verkochten. Deze ondernemingen bleken in de Gemeenschap geprodu-

ceerde zalm in het onderzoektijdvak tegen prijzen te kopen die gelijk waren aan of zelfs

lager waren dan de prijzen van zalm uit Noorwegen. Na verwerking/roken werd de zalm

doorverkocht waarbij de prijzen van producten die waren gemaakt van in de Gemeenschap

geproduceerde zalm aanzienlijk hoger waren dan die van producten die gemaakt waren van

Noorse zalm. Producten gemaakt van in de Gemeenschap geproduceerde zalm bleken

ongeveer 10% duurder te zijn dan soortgelijke producten die waren gemaakt van Noorse

zalm. Bepaalde verwerkende bedrijven/rokerijen lijken derhalve hogere prijzen voor hun

producten te kunnen vragen, terwijl hun leveranciers hiervan niet altijd kunnen

meeprofiteren. Een deel van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden

kan derhalve worden toegeschreven aan de machtspositie van bepaalde grote afnemers.

(e) Conclusie

(213) Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat niet met de nodige zekerheid kan worden

gesteld dat er een oorzakelijk verband is tussen de invoer uit Chili en de aanmerkelijke

(214) De stijging van de invoer uit Chili en de prijsonderbieding door de Chileense zalm enerzijds

en de negatieve ontwikkelingen van de bedrijfstak van de Gemeenschap wat betreft

verkoopprijzen en financiële prestaties anderzijds, zijn onvoldoende om vast te stellen dat er

een oorzakelijk verband is. Enkele andere factoren hadden een grotere invloed op de situatie

van de bedrijfstak van de Gemeenschap dan de invoer uit Chili. De invoer uit andere landen

vond plaats tegen prijzen die, in het geval van Noorwegen, gelijk waren aan die van de

bedrijfstak van de Gemeenschap of in het geval van andere derde landen, lager waren. De

prijzen van andere EG-producenten waren eveneens op dit niveau. Dat betekent dat niet

alleen het betrokken product uit Chili, maar ook het betrokken product van andere EG-

producenten en uit de Faeröer, die tezamen goed waren voor een marktaandeel van 30%,

tegen prijzen werden verkocht die duidelijk ontoereikend waren voor de bedrijfstak van de

Gemeenschap. In deze omstandigheden kan moeilijk worden beweerd dat de invoer uit

Chili, op zich, aanmerkelijke gevolgen heeft gehad voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(215) Na de bekendmaking van de resultaten van het onderzoek heeft een partij kritiek geuit op de

wijze waarop de kwestie van het oorzakelijk verband is behandeld. Deze partij voerde aan

dat invoer uit Chili, Noorwegen en de Faeröer cumulatief had moeten worden beoordeeld

overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisantidumpingverordening. Artikel 3, lid 4, bevat

evenwel een aantal criteria waaraan moet zijn voldaan voordat de gevolgen van de invoer uit

verschillende gebieden cumulatief kan worden beoordeeld. Daar bij dit onderzoek geen

dumping was vastgesteld bij invoer uit Noorwegen en de Faeröer, was er geen rechtsgrond

(216) Omdat een oorzakelijk verband niet met absolute zekerheid kon worden uitgesloten, werd

geoordeeld dat het aanbeveling verdiende na te gaan of de vaststelling van maatregelen ten

aanzien van de invoer uit Chili in het belang van de Gemeenschap was, indien men ervan

zou uitgaan dat er een oorzakelijk verband was, ondanks de hierboven uiteengezette

argumenten die op het tegendeel wezen.

I. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1. Inleiding

(217) Onderzocht werd of er, ondanks de conclusies inzake schadelijke dumping, dwingende

redenen bestaan die tot de conclusie leiden dat het niet in het belang van de Gemeenschap is

om maatregelen te nemen tegen de invoer uit Chili. Overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de

basisantidumpingverordening werd dan ook, aan de hand van het voorgelegde bewijs-

materiaal, onderzocht welke gevolgen het al dan niet nemen van maatregelen zou hebben

voor alle betrokkenen.

(218) Om het belang van de Gemeenschap te kunnen vaststellen werd alle bekende belang-

hebbenden en de bedrijven die zich binnen de in het bericht tot inleiding vermelde termijn

hadden bekendgemaakt om informatie verzocht.

(219) Afgezien van de antwoorden van de in de steekproef opgenomen EG-producenten werden

tevens antwoorden ontvangen van de volgende ondernemingen:

  • twee andere EG-producenten van gekweekte Atlantische zalm - Marine Harvest

(Scotland) Ltd en Marine Harvest Ireland,

  • vijf toeleveranciers van zalmkwekerijen in de Gemeenschap, waaronder vier voeder-

producenten- Trouw (UK) Ltd, Trouw Aquaculture Ltd, Ewos Ltd en Biomar Ltd, en

een leverancier van jonge zalm- Landcatch Ltd, in het kader van de herzienings-

procedure betreffende Noorwegen,

  • twee importeurs/verwerkende bedrijven in het kader van de herzieningsprocedure

betreffende Noorwegen die geen banden hebben met exporteurs in Noorwegen -

Moulin de la Marche S.A. en Le Borvo SA - en twee onafhankelijke

importeurs/verwerkende bedrijven in het kader van de procedure betreffende Chili en

de Faeröer - Cogesal Miko en Royal Greenland Seafood A/S.

(220) Daarnaast werden opmerkingen ontvangen van de volgende organisaties en instanties:

  • de Scottish Salmon Producers' Organisation,
  • de Shetland Salmon Farmers' Association,
  • de Irish Salmon Growers' Association,
  • BEUC - Europees Bureau van de Consumentenverenigingen,
  • AIPCE/CEP - de Federatie van Nationale Organisaties van Visimporteurs en -

exporteurs

  • de Deense Associatie van Visverwerkende bedrijven en exporteurs,
  • het Franse Syndicat National de l'Industrie du Saumon Fumé,
  • Nutreco Aquaculture,
  • SA Direct Ocean.

(221) Ook werd informatie ontvangen van een buiten de Gemeenschap gevestigde leverancier van

voer, namelijk Havsbrun van de Faeröer. Deze informatie werd bij de beoordeling van het

belang van de Gemeenschap buiten beschouwing gelaten.

(222) De indiener van de klacht betreffende Chili en de Faeröer was van oordeel dat geen rekening

moest worden gehouden met de opmerkingen van de Nutreco-groep en het Syndicat

National de l'Industrie du Saumon Fumé. Volgens hem lagen de belangen van de Nutreco-

groep hoofdzakelijk buiten de Gemeenschap, terwijl het Syndicat National de l'Industrie du

Saumon Fumé ook een aantal ondernemingen telde die banden hadden met Noorse onder-

nemingen. De beoordeling van het belang van de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 21

van de basisantidumpingverordening, is echter gebaseerd op een beoordeling van de

belangen van alle betrokkenen, waaronder de binnenlandse producenten, de verwerkende

bedrijven en de consument. Daarom moest rekening worden gehouden met de opmerkingen

van al deze belanghebbenden.

2. Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(223) De voornaamste productiegebieden in de Gemeenschap zijn gelegen in Schotland en Ierland

waar de omstandigheden zich goed lenen voor de zalmkwekerij. Sedert het oorspronkelijke

onderzoek hebben zich belangrijke veranderingen voorgedaan in de structuur van de zalm-

kwekerij in de Gemeenschap: er heeft namelijk een ontwikkeling plaatsgevonden naar

minder, maar grotere ondernemingen. Enkele kleinere producenten hebben hun activiteiten

gestaakt of overgedaan aan andere bedrijven, vaak grote multinationale groepen met

wereldwijde belangen in de zalmkwekerij. Veel van de ondernemingen die samen de

bedrijfstak van de Gemeenschap vormen hebben, gelet op de steeds sterkere concurrentie,

maatregelen getroffen om hun prestaties te verhogen en de kosten te verlagen door

regelingen te treffen voor de gezamenlijke inkoop van voer. Zo konden zij hun positie ten

opzichte van toeleveranciers versterken. Tevens heeft een aantal ondernemingen die deel

uitmaken van de bedrijfstak van de Gemeenschap overeenkomsten gesloten voor de

gezamenlijke marketing en verkoop van hun producten, in de hoop hun producten op die

manier op de markt te onderscheiden.

(224) Uit de bij het herzieningsonderzoek ingewonnen informatie over Noorwegen (zie over-

weging 212) blijkt dat de zalmkwekers in de Gemeenschap niet ten volle konden profiteren

van de hogere prijs die consumenten voor het eindproduct betaalden. Ook wordt eraan

herinnerd dat de ingevroren zalm uit Chili slechts in geringe mate met de verse zalm van de

bedrijfstak van de Gemeenschap concurreerde. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de

Gemeenschap bedroeg in het onderzoektijdvak minder dan 5%, terwijl het betrokken

product uit andere landen dan Chili (Noorwegen, de Faeröer enz.) een marktaandeel hadden

van meer dan 60%. Willen maatregelen ten aanzien van zalm uit Chili gunstige gevolgen

hebben voor de bedrijfstak van de Gemeenschap, dan moeten de prijzen van het betrokken

product uit andere bronnen en van andere EG-producenten dan die welke deel uitmaken van

de bedrijfstak van de Gemeenschap ook worden verhoogd. Gezien het relatief kleine

marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap in vergelijking met andere aanbieders

op de EG-markt zouden maatregelen ten aanzien van Chili tot een netto-overdracht van

middelen aan leveranciers in derde landen kunnen leiden die groter zou zijn dan de voor-

delen van de maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Het is echter zeer

twijfelachtig of antidumpingmaatregelen ten aanzien van zalm uit Chili tot een prijsstijging

van zalm uit alle bronnen zal leiden en dat de bedrijfstak van de Gemeenschap hierbij baat

zal hebben, gelet op het kleine marktaandeel van zalm uit Chili.

3. Belang van andere EG-producenten

(225) De twee overige EG-producenten die medewerking verleenden aan het onderzoek hadden in

het onderzoektijdvak bijna 800 mensen in dienst die zich bezighielden met de zalmproductie

en aanverwante activiteiten en hadden tezamen een omzet van meer dan 120 miljoen. De

economische situatie van deze ondernemingen ging in het onderzoektijdvak sterk achteruit

als gevolg van de verstoring van de EG-markt. Zij wezen op het belang van de zalmkwekerij

in tal van afgelegen en betrekkelijk achtergebleven gebieden van de Gemeenschap. Zij

merkten op dat veel problemen op de markt het gevolg waren van een onevenwicht tussen

vraag en aanbod. 2000 was volgens hen een goed jaar geweest, wat de prijzen betrof, door

een combinatie van factoren, zoals ziektes in Schotland, die het aanbod hadden beperkt.

Vervolgens had het overaanbod van tal van productielanden, waaronder Schotland, tot een

scherpe daling van de prijzen geleid. Een evenwicht tussen vraag en aanbod zou nog het

meest in het belang zijn van de EG-producenten van zalm en hun leveranciers. Dit zou

kunnen worden verwezenlijkt door de vraag verder te stimuleren en het aanbod hierop af te

stemmen en door de EG-producenten middelen ter beschikking te stellen om het

concurrentienadeel en de verschillen in de regelgeving ten aanzien van andere productie-

landen aan te pakken.

(226) Volgens Nutreco Aquaculture (de divisie van de Nutreco-groep waartoe beide Marine-

Harvest-ondernemingen behoren) waren antidumpingmaatregelen niet de beste oplossing

4. Belang van importeurs, verwerkende bedrijven en de consument

(227) De twee importeurs die medewerking verleenden aan het onderzoek ten aanzien van Chili en

de Faeröer hebben geen opmerkingen gemaakt over het belang van de Gemeenschap, omdat

de verkoop van gekweekte Atlantische zalm een onbetekend deel van hun totale omzet

uitmaakte.

(228) Opmerkingen werden ontvangen namens SA Direct Ocean. Deze onderneming gebruikt

ingevroren zalm uit Chili voor haar productie van kant-en-klaarmaaltijden die gericht zijn op

consumenten in het segment lage en modale inkomens. Deze producten concurreerden

volgens haar niet met verse zalm uit Schotland. Maatregelen ten aanzien van Chili zouden

niet in het belang zijn van de Gemeenschap omdat de Schotse zalmkwekers geen ingevroren

zalm konden leveren. Bovendien zouden duizenden banen in de voedselverwerkende

industrie in gevaar komen indien maatregelen werden genomen ten aanzien van gekweekte

Atlantische zalm uit Chili.

(229) De Federatie van Nationale Organisaties van Visimporteurs en -exporteurs (AIPCE/CEP)

was gekant tegen iedere regeling die van invloed was op vraag en aanbod, indien die tot een

verhoging van de prijzen en een beperking van het aanbod zou leiden. Wanneer de prijzen

sterker zouden stijgen dan het natuurlijke prijspeil van de markt, zou dit volgens hen zowel

voor de EG-producenten als de consument nadelig zijn in termen van concurrentie. De

(230) De Deense Vereniging van Visverwerkende Bedrijven en Exporteurs maakte bezwaar tegen

elke vorm van marktregulering die de prijzen en de normale concurrentieregels verstoort. De

bestaande maatregelen hadden volgens deze organisatie de markt voor zalm in de Gemeen-

schap verstoord en ertoe geleid dat in Noorwegen buitensporige winsten waren gemaakt.

Deze hoge winsten waren aanleiding geweest om meer te investeren in de zalmkwekerij

waardoor het evenwicht tussen vraag en aanbod over de gehele wereld was ontregeld. De

organisatie benadrukte het belang van de verwerkende industrie in de Gemeenschap, zowel

wat betreft de werkgelegenheid als de toegevoegde waarde.

(231) Het Syndicat National de l'Industrie du Saumon Fumé vertegenwoordigt vijftien onder-

nemingen in Frankrijk die betrokken zijn bij de productie van gerookte zalm. Bij deze

ondernemingen, die 2.800 werknemers tellen, werd in het onderzoektijdvak ongeveer

36.000 ton verse zalm verwerkt. De antidumpingwetgeving was volgens deze organisatie

niet het juiste instrument om de handel in landbouwproducten te reguleren die aan sterke

prijsschommelingen onderhevig waren en waren de zalmkwekerijen voor hun groei

afhankelijk van de ontwikkelingen op de wereldmarkt.

(232) De Europese Organisatie van Consumentenverenigen (BEUC) merkte op dat de EG-markt

voor zalm zich sterk had uitgebreid, hetgeen volgens deze organisatie grotendeels het gevolg

was van de toegenomen concurrentie door producenten in Noorwegen en meer recent Chili

en de Faeröer. Deze concurrentie had volgens hen tot een prijsdaling geleid, waardoor de

consumptie van zalm door de Europese consument had kunnen stijgen. Dit viel toe te

juichen omdat zalm als gezond bekend staat. Tevens werd aangevoerd dat de economische

belangen van importeurs, verwerkende ondernemingen en kleinhandelaren van zalm in de

Gemeenschap veel zwaarder doorwogen dan de eventuele voordelen op korte termijn van

maatregelen ten behoeve van een relatief klein aantal onafhankelijke zalmproducenten in de

Gemeenschap. De BEUC was dan ook gekant tegen maatregelen ten aanzien van de invoer

van gekweekte Atlantische zalm in de Gemeenschap.

(233) In het licht van de opmerkingen van de drie vertegenwoordigende organisaties werd tevens

onderzocht of antidumpingmaatregelen voor bepaalde verwerkende bedrijven aanleiding

zouden kunnen zijn om hun productiefaciliteiten naar landen buiten de Gemeenschap te

verplaatsen. Het conventionele douanerecht van de Gemeenschap op verse en bevroren

Atlantische zalm bedroeg in het onderzoektijdvak en in 2002 2%, terwijl het conventionele

douanerecht op gerookte zalm normalerwijze 13% bedraagt. Volgens de Eurostat-gegevens

over de beoordelingsperiode (zie tabel hieronder) was bijna de helft van de invoer die in het

onderzoektijdvak aangegeven onder de GN-code 0305 41 00 (Pacifische, Atlantische en

Donauzalm, gerookt, met inbegrip van filets) van oorsprong uit Polen, terwijl Noorwegen en

de Faeröer daarna de meest belangrijke landen van oorsprong waren. De invoer uit andere

landen was te verwaarlozen. Op het eerste oog zou uit deze gegevens kunnen worden afgeleid

dat de maatregelen die momenteel van toepassing zijn op Noorwegen nauwelijks van invloed

zijn op de handelsstroom van gerookte zalm. De maatregelen ten aanzien van Noorwegen

werden echter in 1997 ingesteld. Er moet dan ook rekening worden gehouden met de invoer

van gerookte zalm in dat jaar en in 1996 om een beter beeld van de situatie te verkrijgen. Uit

deze cijfers blijkt dat de invoer uit Polen toen veel lager was, namelijk 302 ton in 1996 en

229 ton in 1997. De cijfers voor de invoer uit Noorwegen voor dezelfde jaren waren

respectievelijk 771 en 900 ton en voor de Faeröer respectievelijk 566 en 493 ton. Het is dan

ook duidelijk dat de maatregelen ten aanzien van Noorwegen tot een aanzienlijke stijging van

de invoer van gerookte zalm uit Polen hebben geleid die in de plaats kan zijn gekomen van

gerookte zalm uit Denemarken omdat de hoeveelheid die van Denemarken naar de rest van de

(234) Voorts wordt opgemerkt dat de Europese Unie en haar lidstaten onlangs een vrijhandels-

overeenkomst met Chili hebben gesloten. Volgens deze overeenkomst zal het conventionele

douanerecht van 2% op het betrokken product worden afgeschaft op de datum waarop de

overeenkomst van kracht wordt. Verder bepaalt de overeenkomst, wat de handel in uit zalm

verkregen producten zoals gerookte zalm betreft, dat het bestaande recht geleidelijk zal

worden opgeheven over een periode van 10 jaar en dat tegelijkertijd een systeem van

geaggregeerde contingenten van 40 ton zal worden gehanteerd voor producten van post

0305 41 00 (gerookt) en post 0305 30 30 (gezouten of gepekeld). Gezien de hoeveelheden

waar het bij deze contingenten om gaat, de toekomstige toetreding van Polen tot de

Europese Unie en het voorstel om de maatregelen ten aanzien van Noorwegen niet voort te

zetten, is de Commissie van oordeel dat maatregelen ten aanzien van Chili er niet toe zullen

leiden dat zalmverwerkende bedrijven hun activiteiten naar derde landen zullen verplaatsen.

(235) Bij het onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de maatregelen voor de consument werd

gebruik gemaakt van de gegevens van de Noorse Federatie voor Visproducten over de

kleinhandelsprijzen van Atlantische zalmfilet in 150 supermarkten in Frankrijk. Volgens

deze gegevens vertoonden de gemiddelde prijzen slechts lichte schommelingen, zoals blijkt

uit onderstaande tabel. De EG-consument heeft derhalve niet kunnen profiteren van de

verlaging van de productiekosten van de producenten. Dit werd bevestigd door de Salmon

Producers Group van de EG die tevens aanvoerde dat de zalmovereenkomst en de bestaande

maatregelen geen duidelijke gevolgen hebben gehad voor de consumentenprijzen en dat het

-

1998 1999 2000 2001 (Ond.tijdv.)

per kilogram 11,03 10,81 11,64 11,30

Index 100 98 106 102

(236) Het belang van de zalmverwerkende sector wat betreft werkgelegenheid en toegevoegde

waarde wordt erkend, doch op grond van de beschikbare gegevens wordt niet geoordeeld dat

maatregelen ertoe zullen leiden dat de verwerkende bedrijven naar locaties buiten de

Gemeenschap worden verplaatst. Importeurs/verwerkende bedrijven zullen evenwel nadeel

ondervinden van de maatregelen, omdat zij aanvullende rechten zullen moeten betalen bij de

invoer van zalm uit Chili.

5. Belangen van de toeleveranciers

(237) De vijf medewerkende toeleveranciers hebben zich aangemeld in het kader van de herzie-

ningsprocedure betreffende Noorwegen en hebben daarom geen uitgebreid commentaar

geleverd over de mogelijke gevolgen voor hun activiteiten van maatregelen ten aanzien van

Chili. Twee toeleveranciers merkten evenwel op dat het nemen van antidumpingmaatregelen

of compenserende maatregelen niet de meest passende manier was om de problemen van de

zalmproducenten in de Gemeenschap op te lossen.

6. Conclusie

(238) Dankzij de thans geldende maatregelen ten aanzien van de invoer uit Noorwegen slaagden

de in de steekproef opgenomen EG-producenten er aanvankelijk in hun economische situatie

te verbeteren wat betreft omvang van de productie, omvang van de verkoop, winstgevend-

heid en marktaandeel. Omdat het evenwel niet waarschijnlijk is, wat zalm uit Noorwegen

betreft, dat dumping en subsidiëring zullen worden voortgezet of zich opnieuw zullen voor-

doen, kunnen de maatregelen ten aanzien van zalm uit Noorwegen niet worden gehandhaafd.

Maatregelen ten aanzien van de invoer uit Chili, in de veronderstelling dat de invoer uit

Chili schade veroorzaakt, zullen zeer waarschijnlijk niet doelmatig zijn, gezien de geringe

prijsconcurrentie tussen verse en ingevroren zalm en (zie overweging 212) omdat de

bedrijfstak van de Gemeenschap waarschijnlijk weinig baat zal hebben bij een eventuele

prijsstijging. Zelfs indien maatregelen ten aanzien van de invoer uit Chili tot een prijs-

stijging van verse zalm op de EG-markt leidt, die verondersteld wordt in het voordeel van de

bedrijfstak van de Gemeenschap te zijn, dan zouden er toch nog grotere voordelen zijn voor

producenten/exporteurs in landen die niet aan maatregelen zijn onderworpen dan voor de

bedrijfstak van de Gemeenschap en sommige andere belanghebbenden. Tevens zou een

dergelijke prijsstijging in het nadeel zijn van importeurs, verwerkende bedrijven en de

consument.

(239) Na de bekendmaking van de resultaten van het onderzoek heeft een partij de wijze bekriti-

seerd waarop de Commissie het belang van de Gemeenschap had beoordeeld. Volgens deze

partij was niet voldoende rekening gehouden met het belang van de bedrijfstak van de

Gemeenschap. Hoewel de bedrijfstak van de Gemeenschap niet groot was, was dit volgens

deze partij geen reden om geen beschermingsmaatregelen te nemen. Deze werkwijze was in

strijd met die in vergelijkbare omstandigheden in het verleden, met name ten tijde van het

nemen van de oorspronkelijke maatregelen ten aanzien van Noorwegen.

(240) Dezelfde partij voerde aan dat de beoordeling van het standpunt van andere belang-

hebbenden niet juist was. Zij merkte met name op dat het standpunt van EG-producenten die

wel aan de onderzoeken meewerkten, maar namens welke de klacht niet was ingediend, niet

als representatief kon worden beschouwd voor het standpunt van de andere EG-producenten,

waarvan vele zich niet bij de Commissie hadden aangemeld. Volgens deze partij hadden in

de Gemeenschap gevestigde zalmkwekerijen die in Noorse handen waren de instructie

gekregen geen medewerking te verlenen aan het onderzoek van de Commissie en zouden

8000 arbeidsplaatsen in de nabije toekomst kunnen verdwijnen indien niet met spoed maat-

regelen werden genomen. Deze partij stelde voorts dat de situatie op de EG-markt waar-

schijnlijk nog zou verslechteren, daar de Verenigde Staten handelsbeschermingsmaatregelen

hadden genomen, waardoor Chili de export van zalm van de Verenigde Staten naar de

Gemeenschap zou verleggen.

(241) Opgemerkt wordt dat het belang van de Gemeenschap beoordeeld werd op grond van alle

verstrekte informatie. Het standpunt van alle belanghebbenden werd onderzocht, met

inbegrip van die welke ervaring hadden met de bestaande maatregelen ten aanzien van

Noorwegen. Ontkend wordt dat de situatie in onderhavig geval vergelijkbaar is met de

situatie ten tijde van het vorige onderzoek betreffende Noorwegen. Toen was het marktaan-

deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap meer dan 25% en dat van de Noorse zalm-

kwekers meer dan 65%. De maatregelen die op dat tijdstip werden genomen hadden

betrekking op het grootste deel van de invoer van het betrokken product in de Gemeenschap

en beschermden een bedrijfstak van de Gemeenschap die een groot marktaandeel had. In

onderhavig geval is de beoordeling van het belang van de Gemeenschap beperkt tot de

gevolgen van maatregelen ten aanzien van invoer met dumping uit Chili. Deze invoer was in

het onderzoektijdvak goed voor een marktaandeel van 5% en voor minder dan 7% van de

totale invoer van het betrokken product. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de

Gemeenschap is ondertussen veel kleiner geworden, namelijk minder dan 5%, terwijl het

proces van sanering en consolidering van de markt werd voortgezet.

(242) Wat de andere opmerkingen van deze partij over het belang van de Gemeenschap betreft: er

werd duidelijk vermeld dat de ondernemingen van de Nutreco-groep, naast de bedrijfstak

van de Gemeenschap, de enige andere producenten waren die aan de onderzoeken hebben

meegewerkt. Hoewel het niet de bedoeling was het standpunt van Nutreco als representatief

weer te geven voor het standpunt van alle andere zalmproducenten in de Gemeenschap,

(243) Erkend wordt dat de zalmkwekerijen werkgelegenheid verschaffen in afgelegen gebieden

van de Gemeenschap waar andere werkgelegenheid dikwijls schaars is. Het cijfer van

8000 arbeidsplaatsen, waarvoor geen bewijsmateriaal werd verstrekt, lijkt evenwel

overdreven. Uit cijfers van de Schotse Landsregering blijkt dat in 2001 1257 personen zich

rechtstreeks met de zalmproductie bezig hielden (hetzij voltijds hetzij deeltijds). Gezien de

veel lagere productiecijfers voor Ierland wordt verondersteld dat het aantal personen dat zich

daar rechtstreeks met de zalmproductie bezighoudt, veel lager is. Er wordt op gewezen dat

het antidumpinginstrument op de eerste plaats ten doel heeft oneerlijke handelspraktijken

tegen te gaan. Bij het onderzoek van het algemene belang van de Gemeenschap wordt op de

eerste plaats nagegaan of er dwingende redenen zijn om geen maatregelen te nemen,

ondanks het feit dat schadeveroorzakende dumping is aangetoond. In verband hiermee

moeten alle betrokken economische belangen worden beoordeeld.

(244) Wat het laatste punt van deze partij betreft dat verband houdt met de handelsbeschermings-

maatregelen van de Verenigde Staten en de mogelijke gevolgen daarvan voor de EG-markt

voor zalm, wordt opgemerkt dat de Amerikaanse autoriteiten deze maatregelen reeds in

1998 hebben genomen en niet in 2001 zoals deze partij vermeldde. De maatregelen gelden

overigens uitsluitend voor verse zalm, hetgeen betekent dat zij geen invloed hebben op de

uitvoer van ingevroren zalm (en nagenoeg alle zalm die uit Chili wordt uitgevoerd is

ingevroren) uit Chili naar de Gemeenschap. Daarnaast hebben de Verenigde Staten de

rechten voor de meeste Chileense exporteurs verlaagd in het kader van een procedure van de

herziening van de oorspronkelijke antidumpingmaatregelen. Daarom wordt geoordeeld dat

(245) Op basis van alle voorgelegde informatie wordt geconcludeerd dat het niet in het belang van

de Gemeenschap is maatregelen te nemen.

J. BEËINDIGING VAN DE PROCEDURES

(246) Gezien het bovenstaande is de conclusie dat de procedures betreffende de invoer van het

betrokken product uit Noorwegen moeten worden beëindigd en dat de antidumpingmaat-

regelen en compenserende maatregelen die aanvankelijk bij Verordening (EG) nr. 1890/97

en Verordening (EG) nr. 1891/97 werden vastgesteld, kunnen vervallen.

(247) Tevens wordt op grond van het bovenstaande geconcludeerd dat de antidumpingprocedure

betreffende de invoer van het betrokken product uit Chili en de Faeröer moet worden

beëindigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De antidumping- en antisubsidieprocedure betreffende de invoer van gekweekte Atlantische zalm,

ingedeeld onder de GN-codes ex 0302 12 00, ex 0303 22 00, ex 0304 10 13 en ex 0304 20 13, van

oorsprong uit Noorwegen, worden hierbij beëindigd.

Artikel 2

De antidumpingprocedure betreffende de invoer van gekweekte Atlantische zalm, ingedeeld onder

de GN-codes ex 0302 12 00, ex 0303 22 00, ex 0304 10 13 en ex 0304 20 13, van oorsprong uit

Chili en de Faeröer, wordt hierbij beëindigd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op haar bekendmaking in het Publicatieblad

van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks van toepassing in alle

lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

22 jan
'03
COM(2003)22 - Wijziging van Verordening (EG) nr. 772/1999 tot instelling van definitieve antidumpingrechten en compenserende rechten op gekweekte Atlantische zalm uit Noorwegen


19 aug
'02
COM(2002)467 - Wijziging van Verordening 384/1996 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de EG


19 aug
'02
COM(2002)468 - Wijziging van Verordening 2026/1997 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de EG zijn


2 sep
'97
COM(1997)444 - Instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van gekweekte Atlantische zalm uit Noorwegen


2 sep
'97
COM(1997)445 - Instelling van een definitief antisubsidierecht op de invoer van gekweekte Atlantische zalm uit Noorwegen


17 feb
'97
COM(1997)46 - Bescherming van tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de EG zijn


18 jul
'95
COM(1995)363 - Beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de EG


Aanvaardiging van verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumping- en antisubsidieprocedures betreffende de invoer van gekweekte Atlantische zalm uit Noorwegen


Wijziging van Besluit 97/634/EG tot aanvaarding van verbintenissen in het kader van de antidumping- en antisubsidieprocedure betreffende gekweekte Atlantische zalm uit Noorwegen


 
publicatiedatum 16-05-2003
kenmerk 8723/03

Inhoud