Gemeenschappelijk standpunt door de Raad vastgesteld op 25 juni 2003 met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 96/48/EG van de Raad betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van Richtlijn 2001/16/EG van de Raad en het Europees Parlement betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem GEMEENSCHAPPELIJKE BELEIDSLIJNEN aanvraagtermijn overleg:9 juni 2003 - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

-

RAAD VANBrussel, 25 juni 2003

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

8556/2/03 REV 2

Interinstitutioneel dossier:

2002/0023 (COD)

TRANS 113 OC 276 CODEC 501 -

WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN

Betreft:

Gemeenschappelijk standpunt door de Raad vastgesteld op 25 juni 2003 met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 96/48/EG van de Raad betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van Richtlijn 2001/16/EG van de Raad en het Europees Parlement betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem

GEMEENSCHAPPELIJKE BELEIDSLIJNEN aanvraagtermijn overleg: 9 juni 2003

RICHTLIJN 2003/.../EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van

houdende wijziging van Richtlijn 96/48/EG van de Raad

betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem

en van Richtlijn 2001/16/EG van de Raad en het Europees Parlement

betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71 en

156,

Gezien het voorstel van de Commissie 1,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité 2,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 3,

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Overeenkomstig de artikelen 154 en 155 van het Verdrag draagt de Gemeenschap bij tot de

totstandbrenging en de ontwikkeling van trans-Europese netwerken op het gebied van

vervoer. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, treft de Gemeenschap alle maatregelen

die nodig kunnen blijken om de interoperabiliteit van de netwerken te verzekeren, met name

op het gebied van de harmonisatie van de technische normen.

(2) Met betrekking tot de spoorwegsector is op 23 juli 1996 een eerste maatregel genomen door de

vaststelling van Richtlijn 96/48/EG van de Raad 1. Om de doelstellingen van deze richtlijn te

verwezenlijken, heeft de Europese Associatie voor spoorweginteroperabiliteit (AEIF), die in

het kader van die richtlijn als representatieve gemeenschappelijke instantie is aangewezen,

ontwerpteksten voor Technische Specificaties voor Interoperabiliteit (TSI) opgesteld, die

door de Commissie op 30 mei 2002 zijn aangenomen.

(3) De Commissie heeft op 10 september 1999 een verslag aan het Europees Parlement en de

Raad aangenomen. In dit verslag wordt een eerste evaluatie gegeven van de voortgang die is

geboekt bij de totstandbrenging van de interoperabiliteit van het trans-Europese

hogesnelheidsspoorwegsysteem. In zijn resolutie van 17 mei 2000 heeft het Europees

Parlement de Commissie verzocht voorstellen te doen voor een herziening van Richtlijn

96/48/EG aan de hand van het model dat is gebruikt voor Richtlijn 2001/16/EG 2.

(4) In Richtlijn 2001/16/EG zijn, evenals in Richtlijn 96/48/EG, communautaire procedures

(5) De ontwikkeling van TSI's op het gebied van hoge snelheid, de toepassing van Richtlijn 96/48/EG

bij concrete projecten en het werk van het Comité dat is ingesteld overeenkomstig genoemde

richtlijn hebben een aantal bruikbare gegevens opgeleverd, die de Commissie ertoe hebben

gebracht voor te stellen de beide richtlijnen betreffende spoorweginteroperabiliteit op een aantal

punten te wijzigen.

(6) De vaststelling van Verordening (EG) nr. .../2003 tot oprichting van een Europees Spoorweg-

bureau ("Spoorwegbureau-verordening") 1 en van Richtlijn (EG) nr. 2003/.../EG van het Europees

Parlement en de Raad van inzake de veiligheid van de communautaire spoorwegen

("Spoorwegveiligheidsverordening") 2 maakt het noodzakelijk een aantal bepalingen uit de

Richtlijnen 96/148/EG en 2001/16/EG te wijzigen. Met name zal het bureau, wanneer het is

opgericht, van de Commissie de opdracht krijgen voor het opstellen van alle nieuwe ontwerp-

TSI's en voor het wijzigen van bestaande TSI's.

(7) Het van kracht worden van Richtlijn 2001/12/EG 3 van het Europees Parlement en de Raad van

26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 91/440/EEG van de Raad betreffende de ontwikkeling

van de spoorwegen in de Gemeenschap, Richtlijn 2001/13/EG 4 van het Europees Parlement en de

Raad van 26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de

verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen en Richtlijn 2001/14/EG 5 van het

Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweg-

infrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur

alsmede inzake veiligheidscertificering heeft gevolgen voor de implementatie van de inter-

operabiliteit. De uitbreiding van toegangsrechten dient, zoals dit ook bij andere vervoerwijzen het

(8) In het Witboek over het Europese vervoersbeleid wordt deze richtlijn aangekondigd. Deze

richtlijn is een onderdeel van de strategie van de Commissie om, in het streven de congestie

op de Europese wegen te verminderen, het railvervoer te revitaliseren door middel van een

nieuw evenwicht tussen vervoerwijzen.

(9) De TSI's die zijn ontwikkeld in het kader van Richtlijn 96/48/EG hebben niet expliciet

betrekking op de vernieuwing van infrastructuurvoorzieningen en rollend materieel, noch op

vervanging die plaatsvindt in het kader van preventief onderhoud. Daarin is wel voorzien in

het kader van Richtlijn 2001/16/EG betreffende het conventionele spoorwegsysteem, en de

beide richtlijnen dienen op dit punt te worden geharmoniseerd.

(10) Bij de ontwikkeling van TSI's op het gebied van hoge snelheid is gebleken dat de verhouding

tussen de essentiële eisen uit Richtlijn 96/48/EG en de TSI's enerzijds, en de Europese

normen en andere documenten met een normatief karakter anderzijds, moet worden

verduidelijkt. Met name dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen de normen

of delen van normen die in ieder geval een verplichtend karakter dienen te krijgen om de

doelstellingen van die richtlijn te verwezenlijken en de "geharmoniseerde" normen die zijn

ontwikkeld in de geest van de nieuwe benadering op het gebied van technische

harmonisatieen normalisatie.

(11) In het algemeen worden Europese specificaties ontwikkeld in de geest van de nieuwe benadering

(12) Wanneer dat in bepaalde gevallen strikt noodzakelijk is om te voldoen aan de doelstellingen

van deze richtlijn, kan in TSI's expliciet worden verwezen naar Europese normen of

specificaties. Deze expliciete verwijzing heeft gevolgen die nader dienen te worden

omschreven; deze Europese normen of specificaties worden met name verplicht vanaf het

moment waarop de TSI van toepassing is.

(13) In een TSI worden alle bepalingen opgenomen waaraan een interoperabiliteitsonderdeel dient

te voldoen, alsmede de met het oog op de beoordeling van de overeenstemming te volgen

procedure. Voorts dient te worden opgemerkt dat voor elk onderdeel de in de TSI's

omschreven procedure dient te worden gevolgd voor beoordeling van de overeenstemming en

van de geschiktheid voor gebruik en dat voor dat onderdeel het desbetreffende certificaat

dient te zijn afgegeven.

(14) Om redenen van veiligheid dient de lidstaten te worden verzocht een identificatiecode toe te

kennen aan elk in dienst gesteld rijtuig. Het rijtuig dient vervolgens te worden geregistreerd in

een nationaal register. De registers dienen door alle lidstaten en door een aantal marktpartijen

in de EU te kunnen worden geraadpleegd. De registers dienen samenhangend te zijn wat

betreft het formaat van de gegevens. Daarom dienen voor deze registers gemeenschappelijke

functionele en technische specificaties te worden opgesteld.

(15) Er dient een nadere omschrijving te worden opgesteld van de procedure die moet worden

gevolgd wanneer essentiële eisen wel van toepassing zijn op een subsysteem maar er voor die

(17) De definitie van rollend materieel die is opgenomen in bijlage I van Richtlijn 96/48/EG dient

nader te worden uitgewerkt. De richtlijn dient ook betrekking te hebben op rollend materieel

dat is ontworpen om met snelheden van circa 200 km/u uitsluitend te rijden op voor hoge

snelheden aangepast spoor.

(18) Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen werkzaamheden die reeds zijn aangevangen in het

kader van de Richtlijn 96/48/EG en Richtlijn 2001/16/EG zo veel mogelijk doorgang te

vinden. Dat geldt eveneens voor de toepassing van deze richtlijnen door de lidstaten in het

kader van projecten die zich bij het van kracht worden van deze richtlijn in een gevorderd

stadium van ontwikkeling bevinden.

(19) Aangezien het doel van de beoogde maatregelen, te weten de interoperabiliteit van het trans-

Europese spoorwegsysteem, door de lidstaten niet in voldoende mate kan worden verwezen-

lijkt en derhalve op grond van zijn in het Verdrag erkende trans-Europese aard beter door de

Gemeenschap verwezenlijkt kan worden, kan de Gemeenschap maatregelen treffen op grond

van het subsidiariteitsbeginsel dat is vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig

het in genoemd artikel omschreven evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan

wat nodig is om dit doel te verwezenlijken.

(20) TSI's voor het hogesnelheidsspoorwegsysteem die betrekking hebben op infrastructuur,

rollend materieel, energie, besturing en seingeving, exploitatie en onderhoud zijn op 30 mei

2002 door de Commissie aangenomen; de in de artikelen 1, punt 5, en 2, punt 5, genoemde

(21) Overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn 2001/16/EG wordt momenteel een ontwerp-

referentiekader van technische voorschriften ontwikkeld voor het huidige interoperabili-

teitsniveau van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem; deze technische voor-

schriften moeten worden geactualiseerd vanwege de in die richtlijn beoogde verruiming van

de werkingssfeer, alsmede rekening houdend met de eerste reeks, uiterlijk in 2004 aan te

nemen, TSI's.

(22) In weerwil van de uitsluitingen van de werkingssfeer van Richtlijn 2001/16/EG, worden de

lidstaten met het oog op de grotere kosteneffectiviteit en schaalvoordelen in de constructie-

sector aangemoedigd om de toepasselijke bepalingen van die richtlijn vrijwillig toe te passen.

(23) Richtlijn 96/48/EG en Richtlijn 2001/16/EG dienen in deze zin te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 96/48/EG wordt als volgt gewijzigd:

  • 1) 
    artikel 1 wordt vervangen door:

"Artikel 1

Deze voorwaarden betreffen het ontwerp, de constructie, de ingebruikneming, de verbetering,

de vernieuwing, de exploitatie en het onderhoud van de onderdelen van dit systeem die na ... *

de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn in gebruik zullen worden genomen, alsmede

de kwalificaties van, en de gezondheids- en veiligheidsvoorschriften voor het personeel dat bij

de exploitatie betrokken is.

  • 2. 
    Dit moet resulteren in de vaststelling van een minimumniveau van technische harmonisatie

en moet het mogelijk maken dat:

  • a) 
    de internationale spoorwegdiensten op het grondgebied van de Gemeenschap en met

derde landen worden vergemakkelijkt, verbeterd en uitgebreid;

  • b) 
    wordt bijgedragen tot de geleidelijke totstandbrenging van de interne markt op het

gebied van de uitrusting en diensten die nodig zijn voor de constructie, werking,

vernieuwing, verbetering en werking van het trans-Europese hogesnelheidsspoorweg-

systeem;

  • c) 
    de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem wordt

bevorderd.

  • 2) 
    aan artikel 2 worden de volgende punten toegevoegd:
  • k) 
    "specifiek geval": elk deel van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem

waarvoor om geografische of topografische redenen of omwille van het stadsmilieu en

de samenhang van het bestaande systeem, bijzondere tijdelijke of definitieve bepalingen

in de TSI's moeten worden opgenomen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om spoorweg-

lijnen en -netwerken die niet verbonden zijn met het netwerk in de rest van de Gemeen-

schap, het profiel, de spoorbreedte of de spoorafstand;

  • l) 
    "verbetering": belangrijke werkzaamheden waarbij een subsysteem of deel van een sub-

systeem wordt gewijzigd en die een verbetering van de algemene prestaties van het sub-

systeem tot gevolg hebben;

  • m) 
    "vervanging in het kader van onderhoud": vervanging van onderdelen door onderdelen

met een identieke functie en identieke prestaties in het kader van preventief onderhoud

of herstelwerkzaamheden;

  • n) 
    "vernieuwing": belangrijke vervangingswerkzaamheden waarbij een subsysteem of deel

van een subsysteem wordt gewijzigd en die geen wijziging van de algemene prestaties

van het subsysteem tot gevolg hebben;

  • o) 
    "bestaand spoorwegsysteem": het geheel van de spoorweginfrastructuur van het

bestaande spoorwegsysteem, bestaande uit de lijnen en vaste installaties en uit het

  • 3) 
    artikel 2, punt h), wordt geschrapt;
  • 4) 
    artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
  • a) 
    lid 1 wordt vervangen door:

"1. Elk van de subsystemen wordt bestreken door één TSI. Een subsysteem kan zo

nodig bestreken worden door verscheidene TSI's en één TSI kan verscheidene sub-

systemen betreffen. Voor het besluit om een TSI te ontwikkelen en/of te herzien en voor

de keus van de technische en geografische reikwijdte daarvan is een mandaat overeen-

komstig artikel 6, lid 1, vereist.";

  • b) 
    lid 3 wordt vervangen door:

"3. Voor zover nodig voor de verwezenlijking van de in artikel 1 genoemde doel-

stellingen wordt (worden) in elke TSI:

  • a) 
    de beoogde reikwijdte aangegeven (deel van het netwerk of rollend materieel als

bedoeld in bijlage I, subsysteem of deel van het subsysteem als bedoeld in

bijlage II);

  • b) 
    de essentiële eisen voor elk betrokken subsysteem vastgesteld alsmede de inter-
  • d) 
    de interoperabiliteitsonderdelen en interfaces bepaald waarvoor Europese specificaties

moeten worden vastgesteld, waaronder de Europese normen, die noodzakelijk zijn om

de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem tot stand te

brengen;

  • e) 
    per geval de procedures aangegeven die moeten worden gehanteerd voor de beoordeling

van de overeenstemming of de geschiktheid voor gebruik van interoperabiliteits-

onderdelen enerzijds, of de EG-keuring van de subsystemen anderzijds. Die procedures

moeten gebaseerd zijn op de in Besluit 93/465/EEG omschreven modules;

  • f) 
    de uitvoeringsstrategieën voor de TSI aangegeven. Met name dienen de stappen te

worden vermeld via welke de bestaande situatie geleidelijk overgaat in de uiteindelijke

situatie waarin in alle gevallen aan de TSI wordt voldaan;

  • g) 
    voor het betrokken personeel de voorwaarden omschreven voor beroepskwalificaties en

voor gezondheid en veiligheid op het werk die vereist zijn voor de exploitatie en het

onderhoud van het subsysteem in kwestie en voor de toepassing van de TSI.";

  • c) 
    het volgende lid 6 wordt ingevoegd:

"6. Wanneer dat strikt noodzakelijk is om te voldoen aan de doelstellingen van deze

richtlijn, kunnen TSI's expliciet en duidelijk verwijzen naar Europese normen of speci-

ficaties. In dat geval worden die Europese normen of specificaties (of de desbetreffende

delen daarvan) beschouwd als een bijlage van de desbetreffende TSI en krijgen zij een

verplicht karakter op het moment dat de TSI van toepassing is. Indien Europese normen

of specificaties ontbreken en nog ontwikkeld dienen te worden, kan worden verwezen

naar andere, duidelijk geïdentificeerde documenten met een normatief karakter: in dat

geval betreft het eenvoudig toegankelijke documenten uit de openbare sfeer.";

  • 5) 
    artikel 6 wordt vervangen door:

"Artikel 6

  • 1. 
    De ontwerp-TSI's en latere wijzigingen in TSI's worden opgesteld in opdracht van de

Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 21, lid 2. Zij worden opgesteld onder de

verantwoordelijkheid van het bureau, overeenkomstig de artikelen 3 en 12 van Verordening

(EG) nr. ....../2003 van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees

spoorwegbureau ("de Spoorwegbureauverordening") en in samenwerking met de in die

artikelen genoemde werkgroepen.

  • 3. 
    Elke ontwerp-TSI wordt in twee fasen opgesteld.

Eerst bepaalt het bureau de fundamentele parameters voor deze TSI, alsmede de interfaces met de

andere subsystemen en alle andere noodzakelijke specifieke gevallen. Voor elk van deze parameters

en interfaces worden de meest gunstige alternatieve oplossingen, vergezeld van technische en

economische bewijsstukken, gepresenteerd. Overeenkomstig de procedure van artikel 21, lid 2,

wordt een besluit genomen; indien nodig worden specifieke gevallen vermeld.

Daarna werkt het bureau op basis van deze fundamentele parameters de ontwerp-TSI uit. Eventueel

houdt het bureau rekening met de vooruitgang van de techniek, reeds uitgevoerde normalisatie-

werkzaamheden, de bevindingen van bestaande werkgroepen en aanvaarde onderzoeksresultaten.

Elke ontwerp-TSI gaat vergezeld van een volledige raming van de te verwachten kosten en baten

van de toepassing van de TSI's; daarin worden de verwachte gevolgen voor alle betrokken

exploitanten en economische subjecten vermeld.

  • 4. 
    Bij de opstelling, aanneming en herziening van elke TSI (met inbegrip van de fundamentele

parameters) wordt rekening gehouden met de te voorziene kosten en baten van alle voorgestelde

technische oplossingen en van de onderlinge interfaces, teneinde te bepalen welke oplossingen de

meest gunstige zijn en die uit te voeren. De lidstaten leveren een bijdrage aan deze raming door de

benodigde gegevens te verstrekken.

  • 6. 
    Bij de aanneming van elke TSI wordt volgens de procedure van artikel 21, lid 2, de datum vast-

gesteld waarop die van kracht wordt. Wanneer verschillende subsystemen om redenen van

technische compatibiliteit tegelijkertijd in gebruik moeten worden genomen, moeten de data van

inwerkingtreding van de desbetreffende TSI's overeenstemmen.

  • 7. 
    Bij de opstelling, aanneming en herziening van de TSI's wordt rekening gehouden met de mening

van de gebruikers ten aanzien van eigenschappen die rechtstreeks van invloed zijn op het gebruik

van de subsystemen door die gebruikers. Daartoe pleegt het bureau bij de opstelling en herziening

van de TSI's overleg met de representatieve gebruikersverenigingen en -organisaties. Een verslag

van de uitkomst van dit overleg wordt bij de ontwerp-TSI gevoegd.

De lijst van verenigingen en organisaties waarmee overleg moet worden gepleegd, wordt door het

in artikel 21 bedoelde comité opgesteld voordat opdracht wordt gegeven tot herziening van de TSI

en kan op verzoek van een lidstaat of de Commissie worden herzien en bijgewerkt.

  • 8. 
    Bij de opstelling, aanneming en herziening van de TSI's wordt rekening gehouden met het advies

van de sociale partners ten aanzien van de voorschriften van artikel 5, lid 3, onder g).

Daartoe worden de sociale partners geraadpleegd voordat de ontwerp-TSI met het oog op de aan-

neming of herziening ervan bij het Comité van artikel 21 wordt ingediend.

  • 6) 
    artikel 7 wordt vervangen door:

"Artikel 7

Het is een lidstaat toegestaan één of meer TSI's, ook met betrekking tot het rollend materieel,

in de volgende gevallen en omstandigheden niet toe te passen:

  • a) 
    een voorgestelde nieuwe lijn, de vernieuwing of verbetering van een bestaande lijn, elk

element als genoemd in artikel 1, lid 1, in een gevorderde ontwikkelingsfase of waar-

voor een uitvoeringsovereenkomst loopt wanneer die TSI's zijn gepubliceerd;

  • b) 
    elk project met betrekking tot de vernieuwing of verbetering van een bestaande lijn,

wanneer het profiel, de spoorbreedte, de spoorafstand of de elektrische voltage in deze

TSI's niet verenigbaar is met die van de bestaande lijnen;

  • c) 
    een voorgestelde nieuwe lijn of de voorgestelde vernieuwing of verbetering van een

bestaande lijn op het grondgebied van die lidstaat, wanneer zijn spoorwegnetwerk is

afgesloten of door de zee geïsoleerd is van het spoorwegnetwerk van de rest van het

grondgebied van de Gemeenschap;

  • d) 
    elke voorgestelde vernieuwing, uitbreiding of verbetering van een bestaande lijn, wan-

In elk geval stelt de betrokken lidstaat de Commissie vooraf in kennis van zijn voorgenomen

afwijking en zendt hij haar een dossier toe met de TSI's of de delen van TSI's die hij niet toe-

gepast wenst te zien met de overeenkomstige specificaties die hij wel wenst toe te passen. De

Commissie analyseert de door de lidstaten overwogen maatregelen. In de gevallen van b) en

  • d) 
    neemt de Commissie een besluit overeenkomstig de procedure van artikel 21, lid 2. Zo

nodig wordt een aanbeveling opgesteld met betrekking tot de toe te passen specificaties. In het

geval van punt b) wordt in het besluit van de Commissie evenwel niet verwezen naar het

profiel en de spoorbreedte.";

  • 7) 
    aan artikel 9 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"In het bijzonder mogen zij geen verificaties verlangen die al zijn verricht in het kader van de

procedure die tot de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik heeft

geleid.";

  • 8) 
    artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
  • a) 
    lid 2 wordt vervangen door:

"2. Voor elk interoperabiliteitsonderdeel dient de procedure te worden gevolgd voor

beoordeling van de overeenstemming en de geschiktheid voor gebruik zoals om-

schreven in de desbetreffende TSI, en voor dat onderdeel dient het desbetreffende

certificaat te zijn afgegeven.";

  • b) 
    lid 3 wordt vervangen door:

"3. De lidstaten gaan ervan uit dat een interoperabiliteitsonderdeel voldoet aan de

essentiële eisen indien het voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de des-

betreffende TSI of aan de Europese specificaties die zijn ontwikkeld om aan die voor-

waarden te voldoen.";

  • c) 
    de leden 4 en 5 worden geschrapt;
  • 9) 
    artikel 11 wordt vervangen door:

"Artikel 11

Wanneer een lidstaat of de Commissie van mening is dat bepaalde Europese specificaties die

rechtstreeks of indirect worden gebruikt ten behoeve van deze richtlijn niet voldoen aan de

essentiële eisen, kan volgens de procedure van artikel 21, lid 2, na overleg met het comité dat

is ingesteld bij Richtlijn 98/34/EG van de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatie-

procedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de

diensten van de informatiemaatschappij *, worden besloten deze specificaties geheel of

gedeeltelijk te verwijderen uit de publicaties waarin zij zijn opgenomen, of ze te wijzigen."

_____________

"Artikel 14

  • 1. 
    Het is aan elke lidstaat om toestemming te geven voor de ingebruikneming van de zich op

zijn grondgebied bevindende of aldaar geëxploiteerde subsystemen van structurele aard, die

van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem deel uitmaken.

Te dien einde nemen de lidstaten alle dienstige maatregelen opdat deze subsystemen alleen in

gebruik kunnen worden genomen indien zij zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en geïn-

stalleerd dat de inachtneming van de desbetreffende essentiële eisen niet in het gedrang komt

wanneer zij in het hogesnelheidsspoorwegsysteem worden opgenomen.

Elke lidstaat controleert met name of deze subsystemen aansluiten bij het systeem waarin ze

worden opgenomen.

  • 2. 
    Het is aan elke lidstaat om bij de ingebruikneming, en daarna op gezette tijden, te verifiëren

dat deze subsystemen overeenkomstig de desbetreffende essentiële eisen worden geëxploi-

teerd en onderhouden. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de beoordelings- en keurings-

procedures die zijn omschreven in de desbetreffende structurele en functionele TSI's.

De hernieuwde toestemming voor ingebruikneming is altijd vereist wanneer de voorgenomen werk-

zaamheden gevolgen kunnen hebben voor de algehele veiligheid van het betrokken subsysteem.

  • 4. 
    Indien de lidstaten toestemming geven voor de ingebruikneming van rollend materieel, dragen zij

er tevens zorg voor dat aan elk rijtuig een alfanumerieke identificatiecode wordt toegekend. Deze

code dient op elk rijtuig te worden aangebracht en te worden opgenomen in een nationaal register

dat aan de volgende eisen voldoet:

  • a) 
    het register voldoet aan de gemeenschappelijke specificaties als omschreven in lid 5;
  • b) 
    het register wordt beheerd en bijgehouden door een instantie die onafhankelijk is van enige

spoorwegonderneming;

  • c) 
    het register is toegankelijk voor de veiligheidsinstanties en de onderzoeksorganen die zijn

aangewezen in het kader van de artikelen 16 en 21 van Richtlijn 200x/xxx/EG van het

Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees spoorwegbureau ("de

Spoorwegbureauverordening") * wat betreft de gegevens die betrekking hebben op de

spoorwegveiligheid; het is tevens, voor elk wettig verzoek, toegankelijk voor de toezicht-

houdende instanties die zijn aangewezen in het kader van artikel 30 van Richtlijn 2001/14/EG

van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van

spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweg-

infrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering **, voor het bureau, voor spoorweg-

  • 5. 
    De gemeenschappelijke specificaties van het register worden bepaald volgens de procedure

van artikel 21, lid 2, op basis van een ontwerp-specificatie van het bureau. Deze ontwerp-

specificaties omvatten: inhoud, dataformaat, functionele en technische architectuur, bedrijfs-

modus en voorschriften voor gegevensinvoer en overleg. In dit register worden in ieder geval

de volgende gegevens opgenomen:

  • a) 
    referenties van de EG-keuringsverklaring en van de dienst die deze verklaring heeft af-

gegeven;

  • b) 
    referenties van het register van rollend materieel als omschreven in artikel 22 bis;
  • c) 
    de gegevens van de eigenaar of de lessee van het rijtuig;
  • d) 
    eventuele beperkingen ten aanzien van de exploitatiewijze van het rijtuig;
  • e) 
    voor de veiligheid relevante gegevens met betrekking tot het onderhoudsschema van het

rijtuig.

______________

  • Nummer van de Spoorwegveiligheidsrichtlijn. PB L

** PB L 75 van 15.03.2001, blz. 29. Richtlijn gewijzigd bij Commissiebeschikking 2002/844/EG (PB L 289 van 26.10.2002, blz. 30)";

  • 11) 
    aan artikel 15 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"In het bijzonder mogen zij geen verificaties verlangen die al zijn verricht in het kader van de

procedure die tot de EG-keuringsverklaring heeft geleid.";

  • 12) 
    in artikel 16 wordt lid 3 vervangen door:

"3. Bij ontstentenis van TSI's (met inbegrip van de gevallen waarin op grond van artikel 7

kennis is gegeven van een afwijking) zenden de lidstaten aan de andere lidstaten en aan de

Commissie voor elk subsysteem een lijst van de technische voorschriften die gebruikt worden

voor de uitvoering van de essentiële eisen. Daarvan wordt uiterlijk .... * kennis gegeven en

vervolgens telkens wanneer de lijst van technische voorschriften wordt gewijzigd. Bij deze

gelegenheid wijzen de lidstaten tevens de instanties aan die, in het geval van technische voor-

schriften, worden belast met de uitvoering van de keuringsprocedure als bedoeld in

artikel 18.";

______________

  • Eén jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn";
  • 13) 
    aan artikel 17 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"In dergelijke gevallen worden de TSI's herzien overeenkomstig artikel 6, lid 2. Indien

bepaalde technische aspecten die overeenkomen met essentiële eisen niet onmiddellijk en uit-

drukkelijk aan de orde kunnen komen in een TSI, worden zij duidelijk omschreven in een

bijlage van de TSI. Op deze aspecten is artikel 16, lid 3 van toepassing.";

  • 15) 
    in artikel 20 wordt lid 5 vervangen door:

"5. De Commissie stelt een coördinatiegroep voor aangemelde instanties in (hierna te noemen

"de coördinatiegroep"), waar alle aangelegenheden worden besproken die verband houden

met de toepassing van de procedures voor beoordeling van de overeenstemming en van de

geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13 en van de keuringsprocedure als bedoeld

in artikel 18, of met de toepassing van de TSI op dit gebied. Vertegenwoordigers van de lid-

staten kunnen als waarnemer deelnemen aan de werkzaamheden van de coördinatiegroep.

De Commissie en de waarnemers stellen het in artikel 21 bedoelde comité in kennis van de

werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de coördinatiegroep. De Commissie zal, in

voorkomend geval, de maatregelen voorstellen die nodig zijn om de problemen te verhelpen.

Waar nodig wordt het optreden van de aangemelde instanties gecoördineerd in overeenstem-

ming met artikel 21.";

  • 16) 
    artikel 21 wordt vervangen door:

"Artikel 21

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie

maanden.

  • 3. 
    Het comité stelt zijn reglement van orde vast.
  • 4. 
    Het comité kan in voorkomend geval werkgroepen oprichten om zich te laten assisteren bij

de vervulling van zijn taken, met name met het oog op de coördinatie van de aangemelde

instanties.

________________

  • PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
  • 17) 
    de volgende artikelen worden ingevoegd:

"Artikel 21 bis

  • 1. 
    Het comité kan elke kwestie bespreken die betrekking heeft op de interoperabiliteit van het

trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem, daaronder begrepen kwesties inzake de inter-

operabiliteit van dit systeem met dat van derde landen.

  • 2. 
    Het comité kan elke kwestie bespreken die betrekking heeft op de uitvoering van deze
  • 2. 
    Het comité stelt volgens de procedure van artikel 21, lid 2, op basis van een Commissie-

voorstel, een werkprogramma op overeenkomstig de doelstellingen van deze richtlijn en die

van Richtlijn 2001/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001

betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem *

Artikel 21 quater

De bijlagen II tot en met VI kunnen worden gewijzigd volgens de procedure van artikel 21,

lid 2.

_______________

  • PB L 110 van 20.4.2001, blz. 1.";
  • 18) 
    het volgende artikel 22 bis wordt ingevoegd:

"Artikel 22 bis

  • 1. 
    De lidstaten zien erop toe dat elk jaar een register van infrastructuurvoorzieningen (respec-

tievelijk register van rollend materieel) wordt gepubliceerd en bijgewerkt. In dat register

worden voor elk betrokken subsysteem of deel daarvan de belangrijkste kenmerken aange-

geven, waaronder de fundamentele parameters, en de mate waarin deze overeenstemmen met

de kenmerken die zijn voorgeschreven in de desbetreffende TSI's. Daartoe wordt in elke TSI

-

  • 19) 
    bijlage I wordt vervangen door de tekst in bijlage I van deze richtlijn;

-

  • 20) 
    bijlage II wordt vervangen door de tekst in bijlage II van deze richtlijn;
  • 21) 
    in bijlage VII wordt aan punt 2 de volgende alinea toegevoegd:

"Met name dienen de instantie en het met de keuringen belaste personeel vanuit functioneel

oogpunt onafhankelijk te zijn van de overheden die zijn aangewezen voor de afgifte van ver-

gunningen voor ingebruikneming in het kader van deze richtlijn, van vergunningen in het

kader van Richtlijn 2001/13/EG * van het Europees Parlement en de Raad van

26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening

van vergunningen aan spoorwegondernemingen en van veiligheidscertificaten in het kader

van Richtlijn 200x/xxx/EG **, alsmede van de diensten die belast zijn met inspecties bij

ongevallen.".

________________

  • PB L 143 van 27.6.1995, blz. 70. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij

Richtlijn 2001/13/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 75 van 15.3.2001,

blz. 26)."

** Nummer van de Spoorwegveiligheidsrichtlijn. PB L ...".

2)

aan artikel 1 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:

"3. Het toepassingsgebied van deze richtlijn wordt geleidelijk uitgebreid tot het gehele conventionele spoorwegsysteem, met inbegrip van toegang via het spoor tot terminals en belangrijke haveninstallaties die meer dan één gebruiker bedienen of kunnen bedienen, met uitzondering van infrastructuurvoorzieningen en rollend materieel, uitsluitend bestemd voor lokaal, historisch of toeristisch gebruik of infrastructuurvoorzieningen die functioneel geïso- leerd zijn van de rest van het spoorwegsysteem, en onverminderd de afwijkingen van de toe- passing van TSI's als vermeld in artikel 7.

Deze richtlijn is van toepassing op die delen van het netwerk welke nog niet door lid 1 van dit artikel worden bestreken, zij het uitsluitend voor de toepassingsgebieden als genoemd in de desbetreffende TSI's, die overeenkomstig de hieronder beschreven procedure worden vastge- steld, en pas vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die TSI's.

De Commissie neemt, volgens de procedures van artikel 21, lid 2, vóór 1 januari 2006 een werkprogramma aan met het oog op de opstelling van nieuwe TSI's en/of de herziening van reeds aangenomen TSI's, teneinde lijnen en rollend materieel op te nemen waarvoor nog geen TSI's bestaan.

Dit werkprogramma dient een eerste groep van nieuwe TSI's en/of wijzigingen van TSI's te omvatten die tegen januari 2009 moeten worden ontwikkeld, zonder afbreuk te doen aan artikel 5, lid 5, inzake de mogelijkheid om te voorzien in specifieke gevallen, en artikel 7, dat de mogelijkheid biedt in bepaalde omstandigheden afwijkingen toe te staan. De keuze van de onderwerpen die onder de TSI's moeten vallen, zal worden gebaseerd op de verwachte kosteneffectiviteit van elke voorgestelde maatregel en op het beginsel van proportionaliteit met betrekking tot de op communautair niveau getroffen maatregelen. Te dien einde zal op passende wijze rekening worden gehouden met Bijlage I, punt 4 en met een noodzakelijk evenwicht tussen de doelstellingen van een ononderbroken werking van de spoorwegen en technische harmonisatie enerzijds, en het betrokken trans-Europese, nationale, regionale of lokale verkeersniveau anderzijds.

Na de ontwikkeling van de eerste reeks TSI's zullen de prioriteiten voor de ontwikkeling van

nieuwe TSI's of de herziening van bestaande TSI's worden vastgesteld volgens de procedure

van artikel 21, lid 2.

Een lidstaat hoeft dit lid niet toe te passen op projecten in een gevorderde ontwikkelingsfase

of waarvoor een uitvoeringsovereenkomst loopt wanneer de desbetreffende reeks TSI's wordt

gepubliceerd.";

  • 3) 
    artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
  • a) 
    punt h), wordt geschrapt;
  • b) 
    de punten l) en m), worden vervangen door:

"l) "verbetering": belangrijke werkzaamheden waarbij een subsysteem of deel van

een subsysteem wordt gewijzigd en die een verbetering van de algemene pres-

taties van het subsysteem tot gevolg hebben;

  • m) 
    "vernieuwing": belangrijke vervangingswerkzaamheden waarbij een subsysteem

of deel van een subsysteem wordt gewijzigd en die geen wijziging van de alge-

mene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben.";

  • 4) 
    artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
  • a) 
    lid 1 wordt vervangen door:

"1. Elk van de subsystemen wordt bestreken door één TSI. Een subsysteem kan zo

nodig bestreken worden door verscheidene TSI's en één TSI kan verscheidene sub-

systemen betreffen. Voor het besluit om een TSI te ontwikkelen en/of te herzien en voor

de keus van de technische en geografische reikwijdte daarvan is een mandaat overeen-

komstig artikel 6, lid 1, vereist.";

  • b) 
    in lid 3 wordt punt e) vervangen door:

"e) per geval de procedures aangegeven die moeten worden gehanteerd voor de

beoordeling van de overeenstemming of de geschiktheid voor gebruik van inter-

operabiliteitsonderdelen enerzijds, of de EG-keuring van de subsystemen

anderzijds. Deze procedures zijn gebaseerd op de modules die zijn omschreven in

Besluit 93/465/EEG";

  • c) 
    het volgende lid wordt toegevoegd:

"7. Wanneer dat strikt noodzakelijk is om te voldoen aan de doelstellingen van deze

richtlijn, kunnen TSI's expliciet en duidelijk verwijzen naar Europese normen of

  • 5) 
    artikel 6 wordt vervangen door:

"Artikel 6

  • 1. 
    De ontwerp-TSI's en latere wijzigingen in TSI's worden in opdracht van de Commissie

opgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 21, lid 2. Zij worden opgesteld onder de

verantwoordelijkheid van het bureau, overeenkomstig de artikelen 3 en 12 van Verordening

(EG) nr. ........ van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees

Spoorwegbureau ("Europees Spoorwegbureauverordening") * en in samenwerking met de in

die artikelen bedoelde werkgroepen.

De ontwerp-TSI's worden opgesteld en herzien volgens de procedure van artikel 21, lid 2. Zij

worden door de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

  • 2. 
    Het bureau is belast met de voorbereiding van de herziening en van de bijwerking van de

TSI's en met het doen van eventuele aanbevelingen aan het in artikel 21 bedoelde comité, ten-

einde rekening te houden met de ontwikkeling van de techniek en de maatschappelijke eisen.

  • 3. 
    Elke ontwerp-TSI wordt in twee fasen opgesteld.

Eerst bepaalt het bureau de fundamentele parameters voor de TSI, alsmede de interfaces met

de andere subsystemen en alle andere noodzakelijke specifieke gevallen.

Daarna werkt het bureau op basis van deze fundamentele parameters de ontwerp-TSI uit.

Eventueel houdt het bureau rekening met de vooruitgang van de techniek, reeds uitgevoerde

normalisatiewerkzaamheden, de bevindingen van bestaande werkgroepen en aanvaarde

onderzoeksresultaten. Elke ontwerp-TSI gaat vergezeld van een volledige raming van de te

verwachten kosten en baten van de toepassing van de TSI's; daarin worden de verwachte

gevolgen voor alle betrokken exploitanten en economische subjecten vermeld.

  • 4. 
    Bij de opstelling, aanneming en herziening van elke TSI (met inbegrip van de fundamentele

parameters) wordt rekening gehouden met de te voorziene kosten en baten van alle voor-

gestelde technische oplossingen en van de onderlinge interfaces, teneinde te bepalen welke

oplossingen de meest gunstige zijn en die uit te voeren. De lidstaten leveren een bijdrage aan

deze raming door de benodigde gegevens te verstrekken.

  • 5. 
    Het in artikel 21 bedoelde comité wordt regelmatig op de hoogte gesteld van de werkzaam-

heden in verband met het opstellen van de TSI's . Het comité kan gedurende deze werk-

zaamheden de nodige opdrachten of aanbevelingen formuleren betreffende de opzet van de

TSI's, alsmede betreffende de raming van de kosten en baten. Het comité kan met name op

verzoek van een lidstaat verzoeken alternatieve oplossingen te bestuderen en de raming van

de kosten en baten van deze alternatieve oplossingen op te nemen in het verslag bij de

ontwerp-TSI.

  • 6. 
    Bij de aanneming van elke TSI wordt volgens de procedure van artikel 21, lid 2, de datum
  • 7. 
    Bij de opstelling, aanneming en herziening van de TSI's wordt rekening gehouden met de mening

van de gebruikers ten aanzien van kenmerken die rechtstreeks van invloed zijn op het gebruik van

de subsystemen door die gebruikers. Daartoe pleegt het bureau bij de opstelling en herziening van

de TSI's overleg met de representatieve gebruikersverenigingen en -organisaties. Een verslag van de

uitkomst van dit overleg wordt bij de ontwerp-TSI gevoegd.

De lijst van verenigingen en organisaties waarmee overleg moet worden gepleegd, wordt door het

in artikel 21 bedoelde comité opgesteld voordat opdracht wordt gegeven tot herziening van de

eerste TSI en kan op verzoek van een lidstaat of de Commissie worden herzien en bijgewerkt.

  • 8. 
    Bij de opstelling, aanneming en herziening van de TSI's wordt rekening gehouden met het advies

van de sociale partners ten aanzien van de voorschriften van artikel 5, lid 3, onder g).

Daartoe worden de sociale partners geraadpleegd voordat de ontwerp-TSI met het oog op de aan-

neming of herziening ervan bij het Comité van artikel 21 wordt ingediend.

De sociale partners worden geraadpleegd in het kader van het Comité voor de sectoriële dialoog,

opgericht bij Besluit 98/500/EG **. De sociale partners brengen hun advies uit binnen een termijn

van drie maanden.";

________________

*

  • 6) 
    artikel 7, onder a), wordt vervangen door:
  • a) 
    een voorgestelde nieuwe lijn, de vernieuwing of verbetering van een bestaande lijn, elk element als genoemd in artikel 1, lid 1, in een gevorderde ontwikkelingsfase of waar- voor een uitvoeringsovereenkomst loopt wanneer die TSI's worden gepubliceerd;";

7)

artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

  • a) 
    lid 2 wordt vervangen door:

"2. Voor elk interoperabiliteitsonderdeel dient de procedure te worden gevolgd voor beoordeling van de overeenstemming en van de geschiktheid voor gebruik zoals omschreven in de desbetreffende TSI, en voor dat onderdeel dient het desbetreffende certificaat te zijn afgegeven.";

  • b) 
    lid 3 wordt vervangen door:

"3. De lidstaten gaan ervan uit dat een interoperabiliteitsonderdeel voldoet aan de essentiële eisen indien het voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de des- betreffende TSI of aan de Europese specificaties die zijn ontwikkeld om aan die voor- waarden te voldoen.";

  • c) 
    de leden 4 en 5 worden geschrapt;
  • 8) 
    artikel 11 wordt vervangen door:

"Artikel 11

Wanneer een lidstaat of de Commissie van mening is dat bepaalde Europese specificaties die

rechtstreeks of indirect worden gebruikt ten behoeve van deze richtlijn niet voldoen aan de

essentiële eisen , kan volgens de procedure van artikel 21, lid 2, na overleg met het comité dat

is ingesteld bij Richtlijn 98/34/EG, worden besloten deze specificaties geheel of gedeeltelijk

te verwijderen uit de publicaties waarin zij zijn opgenomen, of ze te wijzigen.

  • 9) 
    artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
  • a) 
    aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de beoordelings- en keuringsprocedures die zijn

omschreven in de desbetreffende structurele en functionele TSI's.";

  • b) 
    lid 3 wordt vervangen door:

"3. In geval van vernieuwing of verbetering dienen de infrastructuurbeheerder of de

spoorwegondernemingen bij de betrokken lidstaat een dossier in waarin het project

De hernieuwde toestemming voor ingebruikneming is altijd vereist wanneer de voorgenomen

werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor de algehele veiligheid van het betrokken sub-

systeem. Als een nieuwe toestemming nodig is, besluit de lidstaat in hoeverre de TSI's op het

project moeten worden toegepast. De lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten van

dit besluit in kennis.";

  • c) 
    de volgende leden worden toegevoegd:

"4. Indien de lidstaten toestemming geven voor de ingebruikneming van rollend materieel,

dragen zij er tevens zorg voor dat aan elk rijtuig een alfanumerieke identificatiecode wordt

toegekend. Deze code dient op elk rijtuig te worden aangebracht en te worden opgenomen in

een nationaal register dat aan de volgende eisen voldoet:

  • a) 
    het register voldoet aan de gemeenschappelijke specificaties als omschreven in lid 5;
  • b) 
    het register wordt beheerd en bijgehouden door een instantie die onafhankelijk is van

enige spoorwegonderneming;

  • c) 
    het register is toegankelijk voor de veiligheidsinstanties en de onderzoeksorganen die zijn

aangewezen in het kader van de artikelen 16 en 21 van Richtlijn xxx/EG van het Europees

Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees spoorwegbureau ("de Spoorweg-

bureauverordening") voor wat betreft de gegevens die betrekking hebben op de spoorweg-

Wanneer rollend materieel voor het eerst in een derde land in gebruik is genomen, mogen de lid-

staten rijtuigen aanvaarden die duidelijk geïdentificeerd zijn aan de hand van een verschillend code-

systeem. Vanaf het ogenblik waarop een lidstaat toestemming heeft verleend voor de ingebruik-

neming van dergelijke rijtuigen op zijn grondgebied, moet het evenwel mogelijk zijn de hieronder

in lid 5, onder c), d) en e), vermelde overeenkomstige gegevens via het nationaal rijtuigenregister

op te vragen.

  • 5. 
    De gemeenschappelijke specificaties van het register worden bepaald volgens de procedure van

artikel 21, lid 2, op basis van een concept-specificatie van het bureau. Deze ontwerp-specificaties

omvatten: inhoud, dataformaat, functionele en technische architectuur, bedrijfsmodus, voorschriften

voor gegevensinvoer en overleg. In dit register worden in ieder geval de volgende gegevens

opgenomen:

  • a) 
    referenties van de EG-keuringsverklaring en van de dienst die deze verklaring heeft

afgegeven;

  • b) 
    referenties van het register van rollend materieel als omschreven in artikel 24;
  • c) 
    de gegevens van de eigenaar of de lessee van het rijtuig;
  • d) 
    eventuele beperkingen ten aanzien van de exploitatiewijze van het rijtuig;
  • 10) 
    in artikel 16 wordt lid 3 vervangen door:

"3. Bij ontstentenis van TSI's (met inbegrip van de gevallen waarin op grond van artikel 7

kennis is gegeven van een afwijking) zenden de lidstaten aan de andere lidstaten en aan de

Commissie voor elk subsysteem een lijst van de technische voorschriften die gebruikt worden

voor de uitvoering van de essentiële eisen. Daarvan wordt uiterlijk op ... * kennis gegeven en

vervolgens telkens wanneer de lijst van technische voorschriften wordt gewijzigd. Bij deze

gelegenheid wijzen de lidstaten tevens de instanties aan die, in het geval van technische voor-

schriften, worden belast met de uitvoering van de keuringsprocedure als bedoeld in

artikel 18.";

_______________

  • Eén jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.";
  • 11) 
    aan artikel 17 wordt het volgende lid toegevoegd:

"In dergelijke gevallen worden de TSI's herzien overeenkomstig artikel 6, lid 2. Indien

bepaalde technische aspecten die overeenkomen met essentiële eisen niet uitdrukkelijk

worden behandeld in een TSI, worden zij duidelijk omschreven in een bijlage van de TSI. Op

deze aspecten is artikel 16, lid 3 van toepassing.";

  • 12) 
    in artikel 20 wordt lid 5 vervangen door:

"5. De Commissie stelt een coördinatiegroep voor aangemelde instanties in, waar alle aange-

legenheden worden besproken die verband houden met de toepassing van de procedures voor

beoordeling van de overeenstemming of van de geschiktheid voor gebruik als bedoeld in

artikel 13 en van de keuringsprocedure als bedoeld in artikel 18, of met de toepassing van de

TSI op dit gebied. Vertegenwoordigers van de lidstaten kunnen als waarnemer deelnemen aan

de werkzaamheden van de coördinatiegroep.

De Commissie en de waarnemers stellen het in artikel 21 bedoelde comité in kennis van de

werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de coördinatiegroep. De Commissie zal, in

voorkomend geval, de maatregelen voorstellen die nodig zijn om de problemen te verhelpen.

Waar nodig wordt het optreden van de aangemelde instanties gecoördineerd in overeen-

stemming met artikel 21.";

  • 13) 
    aan artikel 21 wordt het volgende lid toegevoegd:

"4. Het comité kan in voorkomend geval werkgroepen oprichten om zich te laten assisteren

bij de vervulling van zijn taken, met name met het oog op de coördinatie van de aangemelde

instanties.";

  • 14) 
    de volgende artikelen worden ingevoegd:

"Artikel 21 bis

De Commissie kan aan het Comité elke aangelegenheid voorleggen die verband houdt met de

uitvoering van deze richtlijn. Indien nodig, stelt de Commissie betreffende de uitvoering een

aanbeveling vast op de wijze die is omschreven in artikel 21, lid 2.

Artikel 21 ter

De bijlagen II tot en met VI kunnen worden gewijzigd volgens de procedure van artikel 21,

lid 2.";

  • 15) 
    artikel 23 wordt vervangen door:

"Artikel 23

  • 1. 
    De volgorde van prioriteit voor de vaststelling van de TSI is als volgt, maar staat los van de

volgorde van aanneming van de opdrachten bedoeld in artikel 6, lid 1:

  • a) 
    de eerste groep TSI's betreft de controle/besturing en de signalering; telematicatoepassingen

ten behoeve van het vrachtvervoer; de exploitatie en het beheer van het treinverkeer (met

inbegrip van kwalificaties van het personeel voor grensoverschrijdende diensten, met inacht-

neming van de in de bijlagen II en III neergelegde criteria); goederenwagons; geluidshinder in

verband met het rollend materieel en de infrastructuur;

Wat het rollend materieel betreft, wordt het materieel voor internationaal gebruik het eerst

ontwikkeld,

  • b) 
    voorts komen de volgende aspecten aan bod naar gelang van de middelen van de Commissie

en het bureau: telematicatoepassingen ten behoeve van het reizigersvervoer, onderhoud, met

bijzondere aandacht voor veiligheid, reizigersrijtuigen, tractievoertuigen, motortreinstellen,

infrastructuur, energie, luchtverontreiniging;

Wat het rollend materieel betreft, wordt het materieel voor internationaal gebruik het eerst

ontwikkeld,

  • c) 
    op verzoek van de Commissie, een lidstaat of het bureau kan het comité volgens de procedure

van artikel 21, lid 2, een TSI opstellen voor een aanvullend onderwerp mits deze een in

bijlage II bedoeld subsysteem betreft en de bovengenoemde orde van prioriteit niet verstoord

wordt.

  • 2. 
    De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 21, lid 2, een werkprogramma op dat de in

lid 1 bedoelde orde van prioriteit volgt, alsmede andere taken die uit hoofde van deze richtlijn tot

  • 3. 
    Het werkprogramma omvat de volgende etappes:
  • a) 
    uitwerking, uitgaande van een door het bureau opgesteld plan, van een representatieve

architectuur voor het conventionele spoorwegsysteem op basis van de lijst van sub-

systemen (bijlage II), die de samenhang van de TSI's moet garanderen. Deze architec-

tuur moet met name de verschillende systeemonderdelen en hun interfaces omvatten; zij

dient als referentiekader voor de afbakening van het toepassingsgebied van elke TSI;

  • b) 
    vaststelling van een modelstructuur voor de uitwerking van de TSI's;
  • c) 
    vaststelling van een methodiek voor de kosten-batenanalyse van de met de TSI's

beoogde oplossingen;

  • d) 
    vaststelling van de nodige opdrachten voor de uitwerking van de TSI's;
  • e) 
    vaststelling van de fundamentele parameters voor elke TSI;
  • f) 
    goedkeuring van de ontwerpen voor het normalisatieprogramma;
  • g) 
    beheer van de overgangsperiode, die loopt van de datum van inwerkingtreding van

Richtlijn 2003/.../EG * tot de bekendmaking van de TSI's, met inbegrip van de

  • 17) 
    artikel 25, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Aan de hand van de informatie die de lidstaten verstrekken in het kader van artikel 16,

lid 3, alsmede op basis van de technische vakliteratuur en de teksten van relevante inter-

nationale overeenkomsten stelt het bureau overeenkomstig de artikelen 3 en 12 van Veror-

dening nr. xx/20xx * een ontwerp op van een referentiekader van technische voorschriften ter

handhaving van het huidige interoperabiliteitsniveau van de lijnen en het rollend materieel die

overeenkomstig artikel 1, lid 3, aan de werkingssfeer van deze richtlijn worden toegevoegd.

Ingevolge de procedure van artikel 21, lid 2, bestudeert de Commissie dit ontwerp en besluit

zij of dit in afwachting van de vaststelling van de TSI's een referentiekader kan vormen.

  • 18) 
    bijlage I wordt vervangen door de tekst in bijlage III van deze richtlijn;
  • 19) 
    in bijlage VII wordt aan punt 2 de volgende alinea toegevoegd:

"Met name dienen de instantie en het met de keuringen belaste personeel vanuit functioneel

oogpunt onafhankelijk te zijn van de overheden die zijn aangewezen voor de afgifte van

vergunningen voor ingebruikneming in het kader van deze richtlijn, van vergunningen in het

kader van Richtlijn 95/18/EG + van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de verlening van

vergunningen aan spoorwegondernemingen en van veiligheidscertificaten in het kader van

Richtlijn xxx/EG ++, alsmede van de diensten die belast zijn met onderzoek bij ongevallen.

Artikel 3

De Commissie treft alle maatregelen die noodzakelijk zijn om bij de uitvoering van deze richtlijn zo

veel mogelijk recht te doen aan het ontwikkelingswerk van een TSI waarvoor reeds opdracht is

gegeven in het kader van Richtlijn 96/48/EG en Richtlijn 2001/16/EG, en zorgt ervoor dat die maat-

regelen geen gevolgen hebben voor projecten die zich in een gevorderd stadium van uitvoering

bevinden op de dag waarop deze richtlijn van kracht wordt.

Artikel 4

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om

uiterlijk op ... * aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in

kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn

verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels

voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

_______________

BIJLAGE I

"BIJLAGE I

HET TRANS-EUROPESE HOGESNELHEIDSSPOORWEGSYSTEEM

  • 1. 
    INFRASTRUCTUUR

De infrastructuur van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem valt samen met de

lijnen van het trans-Europese vervoersnetwerk die zijn genoemd in Beschikking

nr. 1692/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende commu-

nautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van het trans-Europese vervoersnet *, of die

naderhand zijn opgenomen in een bijwerking van die beschikking in het kader van een

herziening van de richtsnoeren overeenkomstig artikel 21 van die beschikking.

Het hogesnelheidsnet omvat:

  • de speciaal aangelegde hogesnelheidslijnen, die zijn uitgerust voor snelheden van

gewoonlijk ten minste 250 km/u;

  • de lijnen die speciaal zijn aangepast voor hoge snelheden en die zijn uitgerust voor

snelheden van ongeveer 200 km/u;

  • de lijnen die speciaal zijn aangepast voor hoge snelheden en die een specifiek karakter

hebben omdat de snelheid per geval moet worden afgestemd op topografische belem-

meringen, het reliëf of de stedelijke bebouwing.

Deze infrastructuur omvat verkeersleidings-, plaatsbepalings- en navigatiesystemen:

technische installaties voor gegevensverwerking en telecommunicatie ten behoeve van het

personenvervoer op deze lijnen, om een veilige en soepele exploitatie van het net en een

efficiënte verkeersleiding te waarborgen.

  • 2. 
    ROLLEND MATERIEEL

Het in deze richtlijn bedoelde rollend materieel bestaat uit de treinen die zijn ontworpen om te

rijden:

  • op speciaal voor hoge snelheid aangelegde lijnen, met een snelheid van ten minste

250 km/u, waarbij onder geschikte omstandigheden snelheden van meer dan 300 km/u

kunnen worden bereikt;

  • of met een snelheid van ongeveer 200 km/u op de in punt 1 genoemde lijnen, voor zover

het prestatieniveau van die lijnen dit toelaat.

  • 3. 
    COMPATIBILITEIT BINNEN HET TRANS-EUROPESE HOGESNELHEIDS-

SPOORWEGSYSTEEM

Voor een kwalitatief hoogwaardig Europees spoorvervoer is onder andere een uitstekende

BIJLAGE II

"BIJLAGE II

SUBSYSTEMEN

  • 1. 
    LIJST VAN SUBSYSTEMEN

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het systeem dat het trans-Europese hogesnel-

heidsspoorwegsysteem vormt, onderverdeeld in subsystemen die overeenkomen met:

  • a) 
    gebieden van structurele aard:
  • infrastructuur
  • energie
  • besturing en seingeving
  • exploitatie en verkeersleiding
  • rollend materieel
  • b) 
    gebieden van functionele aard:
  • onderhoud
  • telematicatoepassingen voor passagiers en vracht.
  • 2. 
    TE BESTRIJKEN GEBIEDEN

Voor elk van de subsystemen worden de aspecten met betrekking tot de interoperabiliteit

vermeld in de aan het bureau gegeven opdrachten voor de opstelling van de TSI's.

Krachtens artikel 6, lid 1, worden deze opdrachten bepaald volgens de procedure van

artikel 21, lid 2.

Voorzover nodig, worden de in de opdrachten vermelde aspecten met betrekking tot de inter-

operabiliteit gepreciseerd door het bureau overeenkomstig artikel 5, lid 3, onder c).

_______________"

BIJLAGE III

"BIJLAGE I

HET TRANS-EUROPESE CONVENTIONELE SPOORWEGSYSTEEM

  • 1. 
    INFRASTRUCTUUR

De infrastructuur van het trans-Europese conventionele spoorwegsysteem komt overeen met

die van de lijnen van het trans-Europese vervoersnet die zijn genoemd in Beschikking nr.

1692/96/EG *, of die naderhand zijn opgenomen in een bijwerking van de beschikking in het

kader van een herziening van de richtsnoeren overeenkomstig artikel 21 van de beschikking.

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt dit netwerk onderverdeeld in de volgende

categorieën:

lijnen voor personenvervoer;

-

lijnen voor gemengd vervoer (personen, goederen);

-

lijnen die speciaal zijn ontworpen of aangelegd voor het goederenvervoer;

Deze infrastructuur omvat verkeersleidings-, lokalisatie- en navigatiesystemen: technische

installaties voor gegevensverwerking en telecommunicatie ten behoeve van het langeafstands-

reizigersvervoer en het goederenvervoer over dit net om een veilige en soepele exploitatie van

het net en een efficiënte verkeersleiding te waarborgen.

  • 2. 
    ROLLEND MATERIEEL

Het rollend materieel omvat alle uitrusting die geschikt is om te rijden op het gehele of op een

gedeelte van het trans-Europese conventionele spoorwegnet, met inbegrip van:

al dan niet elektrische motortreinstellen;

al dan niet elektrische tractievoertuigen;

-

reizigersrijtuigen;

wagons voor vrachtvervoer, met inbegrip van het rollend materieel dat ontworpen is voor het

vervoer van vrachtwagens.

Uitrusting voor de bouw en het onderhoud van mobiele spoorweginfrastructuur valt hier-

onder, maar is niet de eerste prioriteit.

  • 3. 
    COMPATIBILITEIT BINNEN HET CONVENTIONELE TRANS-EUROPESE SPOOR-

WEGSYSTEEM

Voor een kwalitatief hoogwaardig Europees spoorvervoer is onder andere een uitstekende

compatibiliteit tussen de kenmerken van de infrastructuur (in de ruime betekenis van het

woord, dus met inbegrip van de vaste componenten van alle betrokken subsystemen) en het

rollend materieel (met inbegrip van de in alle subsystemen opgenomen delen) een rand-

voorwaarde. Deze compatibiliteit is bepalend voor het niveau van de prestaties, de veiligheid,

de kwaliteit van de dienstverlening en voor de kosten daarvan.

  • 4. 
    VERRUIMING VAN DE WERKINGSSFEER -
  • 1. 
    SUBCATEGORIEËN LIJNEN EN ROLLEND MATERIEEL

Met het oog op een kosteneffectieve interoperabiliteit worden alle in deze bijlage

vermelde categorieën lijnen en rollend materieel indien nodig verder uitgewerkt in sub-

categorieën. Zo nodig mogen de functionele en technische specificaties als bedoeld in

artikel 5, lid 3, verschillen naargelang van de subcategorie.

  • 2. 
    KOSTENBEHEERSINGSMAATREGELEN

Bij het bepalen van de kosten-batenanalyse van de voorgenomen maatregelen, dient

vermindering van de kapitaalkosten en van de lasten ten gevolge van schaalvoordelen

en een beter gebruik van het rollend materieel;

  • daling van de investerings- en de onderhouds-/werkingskosten ten gevolge van

toegenomen concurrentie tussen producenten en onderhoudsfirma's;

  • milieuvoordelen, ten gevolge van technische verbeteringen van het spoorweg-

systeem;

  • een verbetering van de bedrijfsveiligheid.

Bovendien worden daarin de verwachte gevolgen voor alle betrokken exploitanten en eco-

nomische subjecten vermeld.

________________"

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

23 jan
'02
COM(2002)22 - Wijziging van Richtlijn 96/48/EG van Richtlijn 2001/16/EG betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem


25 nov
'99
COM(1999)617 - Interoperabiliteit van het conventionele Trans-Europese spoorwegsysteem


22 jul
'98
COM(1998)480 - Wijziging van Richtlijn 91/440/EEG betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de EG


22 jul
'98
COM(1998)480 - Wijziging van Richtlijn 95/18/EG betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen


22 jul
'98
COM(1998)480 - Toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering


24 jun
'98
COM(1998)380 - Voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden


13 dec
'96
COM(1996)642 - Informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften -


30 aug
'96
COM(1996)392 - Derde wijziging van Richtlijn 83/189/EEG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften


15 apr
'94
COM(1994)107 - Interoperabiliteit van het Europese netwerk voor hogesnelheidstreinen


15 dec
'93
COM(1993)678 - Verlening van exploitatievergunningen aan spoorwegondernemingen


 
 
publicatiedatum 25-06-2003
kenmerk 8556/2/03 REV 2

Inhoud