RAAD VANBrussel, 26 januari 2004
(OR. fr)
DE EUROPESE UNIE
5637/04
Interinstitutioneel dossier:
2004/0003 (CNS)
AGRI 15 AGRIORG 6 AGRIFIN 10
INGEKOMEN DOCUMENT
van:
mevrouw Patricia BUGNOT, directeur, namens de secretaris-generaal van de Europese Commissie
ingekomen: 23 januari 2004
aan: de heer Javier SOLANA, secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger
Betreft: - Tweede verslag van de Commissie aan de Raad en aan het Europees
Parlement over de toepassing van Verordening (EG) nr. 1221/97 van de Raad houdende algemene regels voor de uitvoering van de maatregelen tot verbetering van de productie en de afzet van honing
-
-Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende maatregelen op het
gebied van de bijenteelt
Hierbij gaat voor de delegaties Commissiedocument COM(2004) 30 def.
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
Brussel, 23.01.2004 COM(2004) 30 definitief
2004/0003 (CNS)
TWEEDE VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD
EN AAN HET EUROPEES PARLEMENT
over de toepassing van Verordening (EG) nr. 1221/97 van de Raad
houdende algemene regels voor de uitvoering van de maatregelen
tot verbetering van de productie en de afzet van honing
Voorstel voor een
VERORDENING VAN DE RAAD
betreffende maatregelen op het gebied van de bijenteelt
TOELICHTING
In artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1221/97 van de Raad is bepaald dat de Commissie om de drie jaar een verslag over de toepassing van de regeling inzake steun aan de bijenteelt moet overleggen aan de Raad en het Europees Parlement.
Met het onderhavige verslag voldoet de Commissie voor de tweede keer aan die verplichting.
In de conclusies van dit verslag stelt de Commissie voor dat een nieuwe verordening wordt vastgesteld teneinde de doelstellingen in de bijenteeltsector aan de huidige situatie aan te passen.
Het voorstel is gericht op een verbetering van de omstandigheden waarin producten van de bijenteelt in de Europese Unie worden geproduceerd en afgezet. Deze doelstelling kan worden bereikt aan de hand van nationale driejarenprogramma's met maatregelen inzake technische bijstand, bestrijding van de varroamijtziekte, rationalisatie van de transhumance, herbevolking van het bijenbestand en toegepast onderzoek op het gebied van de bijenteelt en de producten daarvan.
De maatregel inzake de bestrijding van de varroamijtziekte is niet gericht op de uitroeiing van deze parasitaire ziekte, maar op een vermindering van de economische impact ervan op de rentabiliteit van de productie.
Om voor communautaire medefinanciering van de nationale programma's in aanmerking te komen, moeten de lidstaten bij de Commissie een studie indienen over de structuur van de sector, de productie en de afzet van de producten en de maatregelen die zij voornemens zijn te treffen.
Bovendien moeten de lidstaten de statistische gegevens betreffende deze programma's aan de Commissie meedelen.
TWEEDE VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD
EN AAN HET EUROPEES PARLEMENT
over de toepassing van Verordening (EG) nr. 1221/97 van de Raad
houdende algemene regels voor de uitvoering van de maatregelen
tot verbetering van de productie en de afzet van honing
INHOUDSOPGAVE
-
1.Inleiding ....................................................................................................................... 4
-
2.Situatie op wereldvlak.................................................................................................. 4
2.1. Productie ...................................................................................................................... 4
2.2. Handelsverkeer............................................................................................................. 5
2.2.1. Uitvoer.......................................................................................................................... 5
2.2.2. Invoer ........................................................................................................................... 5
-
3.Situatie in de Europese Unie ........................................................................................ 5
3.1. Voorzieningsbalans ...................................................................................................... 5
3.2. Telling .......................................................................................................................... 6
-
4.Toepassing van de bijenteeltprogramma's................................................................... 6
4.1. Raming van de uitgaven............................................................................................... 7
4.2. Uitvoering van de uitgaven .......................................................................................... 7
4.3. Evaluatie....................................................................................................................... 8
-
1.INLEIDING
In februari 2001 heeft de Commissie haar eerste verslag over de toepassing van Verordening (EG) nr. 1221/97 van de Raad
1 aangenomen, waarin wordt geëvalueerd hoe deze verordening
tijdens de eerste drie jaar na haar inwerkingtreding is toegepast.
De Raad heeft in juni 1997 Verordening (EG) nr. 1221/972 vastgesteld met het oog op de
verbetering van de productie en de afzet van honing in de Europese Unie. In het kader van die verordening hebben de lidstaten op vrijwillige basis nationale jaarprogramma's opgesteld (hierna "bijenteeltprogramma's" genoemd) waarin één of meer van de vijf volgende prioritaire acties centraal stonden: technische bijstand, bestrding van de varroamtziekte, rationalisatie van de transhumance, steun voor de laboratoria voor analyse van de honing en toegepast onderzoek voor de verbetering van de honingkwaliteit.
In november 1997 heeft de Commissie bij Verordening (EG) nr. 2300/973 de
uitvoeringsbepalingen van de bovengenoemde verordening vastgesteld, waarin onder meer is bepaald welke elementen de bijenteeltprogramma's moeten bevatten, binnen welke termijn zij bij de Commissie moeten worden ingediend, hoe de communautaire middelen voor de medefinanciering van de programma's moeten worden verdeeld, en op welke onderwerpen de studie over de structuur van de honingsector betrekking moet hebben.
De lidstaten hebben in studies over de structuur van de sector met name de structuur van de productie, de afzet en de prijsvorming belicht.
Overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1221/97 moet om de drie jaar b het Europees Parlement en de Raad een verslag worden ingediend over de toepassing van deze verordening. Met dit verslag wordt aan deze verplichting voldaan.
-
2.SITUATIE OP WERELDVLAK
Azië is het belangrijkste productiegebied in de wereld, gevolgd door Europa en Noord- en Midden-Amerika (tabel 1). Wat de wereldhandel betreft, is China de grootste exporteur en de Europese Unie de grootste importeur.
2.2. Handelsverkeer
In de internationale handel gaat, volgens cijfer van de FAO en Comext, ongeveer één derde van de totale wereldproductie van honing om.
2.2.1. Uitvoer
In 2001 bedroeg de honinguitvoer in de wereld 360 000 ton (tabel 3). China heeft in 2001
41
% van zijn honingproductie uitgevoerd, wat overeenstemt met 30 % van de totale
wereldhandel.
De grootste importeurs van Chinese honing zijn, in afnemende volgorde van grootte, Japan, de Verenigde Staten en Duitsland. Er zij op gewezen dat zich met betrekking tot de werelduitvoer wijzigingen in de handelsstromen hebben voorgedaan ten gevolge van enerzijds een daling van de oogst tijdens de afgelopen verkoopseizoenen en anderzijds de veterinairrechtelijke beperkingen die aan de Chinese honing zijn opgelegd vanwege de aanwezigheid van verboden stoffen in producten van dierlijke oorsprong, afkomstig uit dat land.
2.2.2. Invoer
De invoer van honing op wereldniveau bedroeg in 2001 bijna 360 000 ton (tabel 4). De Europese Unie is de belangrijkste invoermarkt, waar in dat jaar 44
% van de wereldinvoer is
afgezet. De invoer in Duitsland (92 000 ton) en in het Verenigd Koninkrijk (23 000 ton) is goed voor bijna 75
% van de totale hoeveelheid die in 2001 in de Europese Unie is ingevoerd
(tabel 6).
De invoer op wereldniveau is sinds het einde van de jaren '70 continu gestegen (fig. 2) vanwege de toegenomen consumptie van natuur- en dieetproducten, vanwege de dynamische maatregelen van bepaalde marktdeelnemers om speciale of goedkope honing, doorgaans in de vorm van mengsels, op de markt te brengen, en vanwege het toegenomen industriële gebruik van honing in bepaalde landen.
3.2. Telling
Volgens de door de lidstaten meegedeelde gegevens telde de Gemeenschap in 1999 in totaal 460 000 bijenhouders, waarvan 14 350 als beroepsbijenhouders waren geregistreerd. Om als beroepsbijenhouder te worden beschouwd, moet een producent ten minste 150 bijenkasten exploiteren.
In 2003 waren er volgens dezelfde bronnen 470 000 bijenhouders en werd het aantal beroepsbijenhouders geraamd op 15 270, wat neerkomt op een stijging van het totale aantal bijenhouders met 2
% en van het aantal beroepsbijenhouders met 6,4 % (tabel 8). Daar staat
tegenover dat er in de periode 1992 1999 in totaal 25 010 bijenhouders zijn bijgekomen, wat gelijkstaat met een stijging van 5,7
%.
In de periode 1999 2003 is het aantal bijenkasten met 2,5 % gestegen tot 8 877 209. De
beroepsbijenhouders exploiteren meer dan 3 880 000 bijenkasten, zijnde 43,7 % van het totale
aantal bijenkasten in de Europese Unie. Koploper is Spanje waar bijna 2 400 000 kasten werden geteld, gevolgd door Griekenland met 1 380 000 en Frankrijk met bijna
1 300 000 kasten.
Wanneer de verhouding tussen het aantal door beroepsbijenhouders geëxploiteerde kasten en het totale aantal kasten als indicator voor de professionalisering van de bijenhouderij wordt aangemerkt, heeft Spanje met 74
% de meest professionele bijenhouderij, gevolgd door
Griekenland en Portugal met elk meer dan 50 %. In die drie lidstaten (Griekenland, Spanje en
Portugal) bevindt zich 74 % van het totale aantal door beroepsbijenhouders geëxploiteerde
kasten in de Europese Unie.
In absolute cijfers blijken de beroepsbijenhouders vooral gevestigd te zijn in drie lidstaten, namelijk in Spanje (29
% van alle beroepsbijenhouders), Griekenland (26 %) en Frankrijk
(19 %).
Samenvattend kan dus worden gesteld dat er sprake is van een reële stijging in de sector, hoewel bepaalde deskundigen deze veeleer toeschrijven aan een betere inzameling van de statistische informatie over de sector. Het aantal professioneel geëxploiteerde bijenkasten in de Europese Unie is in de periode 1999 2003 met 5,7
4.1. Raming van de uitgaven
Overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2300/97 delen de lidstaten de Commissie vóór 15 april van elk jaar de programma's mee. De meegedeelde programma's moeten met name een raming van de kosten en een financieringsplan bevatten.
Op basis van de mededelingen van de lidstaten over de geraamde uitgaven worden de beschikbare middelen verdeeld op basis van het in bijlage I van Verordening (EG) nr. 2300/97 vervatte overzicht van het communautaire bijenbestand. De besluiten tot goedkeuring van de bijenteeltprogramma's treden op 1 september van elk jaar in werking.
In de periode 2001 2003 hebben de vier lidstaten met het grootste bijenbestand, namelijk Spanje, Frankrijk, Griekenland en Italië, meer dan 70
% van de jaarlijks beschikbare
communautaire middelen ontvangen. Voor het programma voor 2003 verwacht Spanje 26,5 %
van de communautaire middelen uit te geven, Frankrijk 16,2 % en Griekenland en Italië elk
14 % (tabel 11).
Op Europees niveau gaat het grootste deel van de geprogrammeerde uitgaven, namelijk 41 %,
naar de bestrijding van de varroamijtziekte, en dit geldt voor de meeste lidstaten. Op de tweede plaats komt technische bijstand (26
%), daarna transhumance (20 %), honinganalyses
(6 %) en projecten voor toegepast onderzoek (7 %).
In de periode 2001 2003 zijn er gemiddeld genomen geen belangrijke veranderingen merkbaar in de ontwikkeling van de geraamde uitgaven voor de vijf communautaire maatregelen (fig. 3). Er zij evenwel gewezen op de geprononceerde stijging voor technische bijstand en transhumance, op de lichte stijging voor de bestrijding van de varroamijtziekte en op de daling voor analyses en toegepast onderzoek.
In 2003 hebben Griekenland en Italië aanvragen ingediend ten belope van respectievelijk
34
% en 17 % van de totale communautaire uitgaven voor technische bijstand aan
bijenhouders. Van het totale in 2003 aangevraagde bedrag voor de bestrijding van de varroamijtziekte neemt Spanje 28
% voor zijn rekening, Portugal 14 % en Frankrijk 11 %.
Voor de rationalisatie van de transhumance gaat volgens de ramingen 50 % van de totale
4.3. Evaluatie
4.3.1. Doelstellingen van de maatregel
De algemene doelstelling is de verbetering van de productie en de afzet van honing. De specifieke doelstellingen verschillen per prioritaire maatregel.
Zo is de technische bijstand bedoeld om de productie en de afzet door toepassing van betere technieken efficiënter te maken. De cursussen en andere opleidingsmaatregelen voor bijenhouders en leidinggevenden van groeperingen en coöperaties hebben met name betrekking op de bijenkweek, ziektepreventie, de wijze van oogsten en het verpakken, opslaan, vervoeren en afzetten van honing. De belangstelling voor deze cursussen is groot en de meeste lidstaten achtten het noodzakelijk de bijenhoudersverenigingen meer middelen te verstrekken om beter aan de vraag te kunnen voldoen.
De maatregelen ter bestrijding van de varroamijtziekte en aanverwante ziekten zijn erop gericht de kosten voor de behandeling van de bijenkasten te verminderen. Deze parasitaire ziekte leidt momenteel tot een sterke daling van de communautaire honingproductie, en tot het verlies van bijenvolken indien de kast niet behandeld wordt. De verzwakking van de volken door de varroamijtziekte is één van de redenen voor het opkomen van aanverwante ziekten
-
5.De
varroamijtziekte kan niet volledig worden uitgeroeid en de behandeling van de kasten met toegelaten producten (die geen residuen achterlaten in de honing) is het enige middel om de gevolgen van deze ziekte te voorkomen. Financiële steun werd ook nodig geacht om te voorkomen dat een beroep wordt gedaan op niet-toegelaten chemische producten of weinig doeltreffende behandelingen.
Met de steun voor de rationalisatie van de transhumance wil men het verplaatsen van de bijenkasten binnen de Gemeenschap beter beheren en de beschikbare plaatsen waar in het bloeiseizoen veel bijenhouders hun kasten willen neerzetten, beter inrichten. Een transhumanceregister, investeringen in apparatuur, de opstelling van bijenhouderijkaarten en andere maatregelen kunnen bijdragen tot een beter beheer van de transhumance.
De steun voor de uitvoering van honinganalyses is erop gericht de afzet van dit product te verbeteren. Met de resultaten van de analyses van de fysische en chemische kenmerken van de honing naargelang van zijn botanische herkomst, kan de bijenhouder de kwaliteit van de geoogste honing precies bepalen en daardoor zijn product een hogere marktwaarde geven.
Bij bestudering van de uitvoering van de uitgaven per type maatregel (tabel 13) blijkt dat in 2002 46
% van de in het kader van de nationale programma's verrichte uitgaven naar de
bestrijding van de varroamijtziekte is gegaan, 23 % naar technische bijstand en 19 % naar de
rationalisatie van de transhumance. De projecten voor toegepast onderzoek nemen 7 % van de
totale uitgaven voor hun rekening, en de honinganalyses 5 %.
Een vergelijking van de uitvoering van de uitgaven in de periode 1998 2002 toont aan dat het niveau van de uitgaven die met de tenuitvoerlegging van de bijenteeltprogramma's gepaard gaan, na een veeleer instabiele beginfase inmiddels is gestabiliseerd. Zoals reeds vermeld, gaan de begrotingsmiddelen grotendeels naar de bestrijding van de varroamijtziekte, gevolgd door de technische bijstand en de rationalisatie van de transhumance.
Aan de hand van de door de lidstaten gemelde weliswaar onvolledige gegevens kunnen de tendensen die zich in het kader van de maatregelen aftekenen, in kaart worden gebracht.
Technische bijstand is opgenomen in 11 van de 15 door de lidstaten ingediende programma's.
De belangrijkste maatregelen in dit verband betreffen de opleiding van bijenhouders en technische adviseurs, de verspreiding van informatie en studies of praktische demonstraties van bijenteelttechnieken (tabel 14-A).
Van de vier lidstaten die verwachten meer middelen voor deze maatregel uit te geven (Griekenland, Italië, Frankrijk en Spanje) hebben alleen Italië en Spanje vergelijkbare gegevens voor de periodes 1998 2000 en 2001 2003 gemeld. Uit deze gegevens blijkt dat het aantal cursussen en informatiebrochures in Spanje is afgenomen en in Italië is toegenomen.
Wat de bestrijding van de varroamijtziekte betreft, kunnen de uiteenlopende maatregelen van de lidstaten in drie categorieën worden ondergebracht: steun voor chemische behandelingen, experimenten en onderzoek naar alternatieve bestrijdingsmethoden, en follow-up ter plaatse door deskundigen op het gebied van de bijenhouderij (tableau 14-B). In Spanje en Duitsland zijn in de periode 2001 2003 gemiddeld drie keer meer bijenkasten behandeld dan in de periode 1998 2000. In Oostenrijk en Portugal daarentegen is dit aantal gedaald, met respectievelijk 16
Hieronder volgt een overzicht van de voornaamste suggesties van de lidstaten:
-
-verbetering van de statistieken over de sector (Spanje, Frankrijk, Italië). Men mag evenwel niet uit het oog verliezen dat, om voor medefinanciering op grond van deze regeling in aanmerking te komen, een studie over de sector moet worden ingediend;
hiervoor zijn specifieke criteria vastgesteld in de uitvoeringsverordening. Het kan evenwel nuttig zijn om bepaalde criteria bij te stellen, nadat de regeling enkele jaren
is toegepast;
-
-bestrijding van andere bijenziekten (Griekenland, Spanje, Italië, Nederland). Het is niet de bedoeling om via deze regeling een beleidskader van sanitaire maatregelen in de sector te introduceren. Bevoegdheden in dit verband berusten overigens bij het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming (DG SANCO);
-
-meerjarig beheer van de bijenteeltprogramma's (Griekenland, Ierland, Italië) met het oog op een eenvoudiger toepassing van de programma's. Aangezien deze regeling deel uitmaakt van het marktbeleid en de begroting in dat kader in jaarlijkse perioden wordt beheerd, moet vastgehouden worden aan de praktijk om de uitgaven op jaarbasis te ramen en uit te voeren;
-
-steun voor het kweken van bijen (Griekenland, Frankrijk, Nederland). Vanwege de jarenlange toename van de bijensterfte is in een aantal programma's steun voor de vernieuwing van het bijenbestand opgenomen. De capaciteit van de Europese bijenhouders om de sector van voldoende reproductiedieren te voorzien, is niet volledig benut. Door het reeds genoemde specialisme aan de hand van steun te bevorderen, kan in de behoeften in dit verband worden voorzien;
-
-opname van alle producten van de bijenteelt in de regeling en uitbreiding van het toepassingsgebied van het toegepast onderzoek (Spanje, Italië). Na meerdere jaren ervaring met de toepassing van de bijenteeltprogramma's lijkt het dienstig ook de andere producten van de bijenteelt in de regeling op te nemen om zo de problemen van de bijenteeltsector meer algemeen te kunnen aanpakken;
De prijzen van ingevoerde honing en de productieprijzen van Europese kwaliteitshoning liggen zeer ver uit elkaar; dit verschil kan door de openstelling van de markten (toetreding van China tot de WTO, preferentiële overeenkomsten) nog groter worden.
In dergelijke omstandigheden zal de bijenteelt er niet in slagen mensen aan te trekken, hoe noodzakelijk dat ook is in een sector waar de communautaire productie minder dan 50
% van
de interne vraag dekt. Zelfs de bijenhouders die halftijds in de sector actief zijn, geraken gedemotiveerd.
De sector heeft de volgende suggesties naar voren geschoven:
Verordening (EG) nr. 1221/97 dient als volgt te worden gewijzigd:
-
-de periode voor de uitvoering van de subsidiabele maatregelen moet worden verlengd;
-
-de vernieuwing en de uitbouw van de bijenbestanden moeten worden gegarandeerd;
-
-er moet een bestuivingspremie worden ingesteld;
-
-de statistieken betreffende de telling, de prijzen en de productiekosten moeten worden verbeterd;
-
-deze verordening moet verplicht worden toegepast met een financiering ten belope van 100
% en er dient een handleiding te worden gepubliceerd om de verschillen
tussen de lidstaten te verminderen;
-
-de procedure voor de goedkeuring van gewasbeschermingsmiddelen moet worden herzien, waarbij meer rekening dient te worden gehouden met het voorzorgsbeginsel en met de impact van deze middelen op de bijenbestanden;
-
-ter compensatie van het door de invoer veroorzaakte inkomensverlies moet een inkomenspremie worden ingesteld.
Voorts moet de kwaliteitshoning uit de Europese Unie worden gepromoot in het kader van het communautaire beleid inzake afzetbevordering en via het gebruik van benamingen als BOB, BGA en GTS.
neemt 44 % van de honing die op wereldvlak wordt ingevoerd, af en is daarmee de grootste
importeur van honing ter wereld.
In de sector is een tendens naar concentratie van bedrijven merkbaar: het aantal door beroepsbijenhouders geëxploiteerde kasten neemt sneller toe dan het totale aantal kasten in de Europese Unie. Het aantal bijenkasten is hoe dan ook gestegen.
De bestrijding van de varroamijtziekte blijft de belangrijkste taak van de sector. De hiervoor vastgestelde
maatregelen mogen evenwel niet worden verward
6met sanitaire
beleidsmaatregelen. Uit de conclusies van de deskundigengroep Bijenteelt blijkt:
-
-dat de chemische behandelingen doeltreffend zijn, mits een bepaald rotatiesysteem wordt toegepast;
-
-dat voor de goedkeuring van nieuwe werkzame stoffen geharmoniseerde en vereenvoudigde procedures nodig zijn;
-
-dat de toepassing van alternatieve behandelingen afhankelijk is van de klimaatomstandigheden en van het productiesysteem, en
-
-dat het onderzoek naar de selectie van bijen die resistent zijn tegen de varroamijtziekte, moet worden verruimd.
6.2. Voorstellen
Verordening (EG) nr. 1221/97 houdende algemene regels voor de uitvoering van maatregelen tot verbetering van de productie en de afzet van honing in de Europese Unie lijkt positieve resultaten op te leveren voor de bijenhouderij. Deze sector wordt gekenmerkt door grote verschillen in productieomstandigheden en door de versnippering en heterogeniteit van zowel de productie als de afzet.
De bij de genoemde verordening vastgestelde prioritaire maatregelen hebben, ondanks de beperkte begrotingsmiddelen, een reële kwalitatieve waarde voor de bijenhouderij gehad. De maatregelen waarvoor de meeste aanvragen zijn ingediend, zijn, in afnemende volgorde van belangrijkheid, de bestrijding van de varroamijtziekte, technische bijstand en de rationalisatie van de transhumance.
2004/0003 (CNS)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN DE RAAD
betreffende maatregelen op het gebied van de bijenteelt
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 36 en 37,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Overwegende hetgeen volgt :
(1) Naar aanleiding van de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de situatie van de communautaire bijenteelt in 1994 heeft de Raad geconcludeerd dat een kaderverordening over de bijenteelt moest worden voorgesteld
7.
(2) De Raad is in juni 1997 overgegaan tot de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1221/97 houdende algemene regels voor de uitvoering van de maatregelen tot verbetering van de productie en de afzet van honing
8.
(3) De Commissie heeft in februari 20019 en in januari 200410 aan de Raad en het
(5) De bijenteelt wordt gekenmerkt door grote verschillen in productieomstandigheden en opbrengsten en door de versnippering en de heterogeniteit van zowel de productie als
de afzet.
(6) Gezien de uitbreiding van de varroamijtziekte in verscheidene lidstaten in de afgelopen jaren en de moeilijkheden die deze ziekte met zich brengt voor de honingproductie, blijkt een actie op communautair niveau noodzakelijk, aangezien deze ziekte niet volledig kan worden uitgeroeid en de behandeling ervan met toegelaten producten wordt aanbevolen.
(7) Om de productie en de afzet van honing in de Gemeenschap te verbeteren, moeten derhalve om de drie jaar nationale programma's worden opgesteld die maatregelen omvatten inzake technische bijstand, de bestrijding van de varroamijtziekte, de rationalisatie van de transhumance, het beheer van de herbevolking van het communautaire
bijenbestand en de samenwerking in het kader van
onderzoeksprogramma's inzake de bijenteelt en de producten daarvan.
(8) Om de statistische gegevens betreffende de bijenteeltsector te vervolledigen, is het dienstig dat de lidstaten een studie over de structuur van de sector uitvoeren, waarin de productie, de afzet en de prijsvorming worden onderzocht.
(9) De uitgaven die door de lidstaten worden gedaan om te voldoen aan de verplichtingen die uit deze verordening voortvloeien, komen overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
11, voor rekening van de
Gemeenschap.
(10) Er zij op gewezen dat de bepalingen van artikel 4 van Verordening nr. 26 van de Raad inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten
12, van toepassing blijven op
andere staatssteun dan die bedoeld in de nationale programma's die in het kader van deze verordening worden goedgekeurd.
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :
Artikel 1
-
1.Bij deze verordening worden maatregelen vastgesteld voor de verbetering van de productie en de afzet van honing.
De lidstaten kunnen te dien einde voor een periode van drie jaar een nationaal programma opstellen, hierna "bijenteeltprogramma" genoemd.
-
2.Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
-
a)"honing": het product dat voldoet aan de vereisten van bijlage I bij Richtlijn 2001/110/EG van de Raad
15.
-
b)"producten van de bijenteelt": de producten als omschreven in punt 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad
16.
Artikel 2
De maatregelen die in de bijenteeltprogramma's kunnen worden opgenomen, hebben betrekking op:
-
a)technische bijstand voor bijenhouders en bijenhoudersgroeperingen,
-
b)bestrijding van de varroamijtziekte,
-
c)rationalisatie van de transhumance,
-
d)steun voor de herbevolking van het communautaire bijenbestand,
Artikel 4
-
1.De op grond van deze verordening gedane uitgaven worden beschouwd als uitgaven in de zin van artikel 2, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1258/1999.
-
2.De Gemeenschap financiert de bijenteeltprogramma's ten belope van 50 % van de
uitgaven van de lidstaten.
-
3.De uitgaven voor de in het kader van de bijenteeltprogramma's uitgevoerde maatregelen moeten door de lidstaten uiterlijk op 15 oktober van elk jaar zijn gedaan.
Artikel 5
De bijenteeltprogramma's worden opgesteld in nauwe samenwerking met de representatieve beroepsorganisaties en de coöperaties van de bijenhouderijsector. Zij worden meegedeeld aan de Commissie, die over hun goedkeuring beslist volgens de procedure van artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 2771/75.
Artikel 6
De bepalingen ter uitvoering van deze verordening, en met name die inzake de controlemaatregelen en de melding van de gegevens, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 2771/75.
Artikel 7
De Commissie dient om de drie jaar een verslag over de toepassing van deze verordening in bij het Europees Parlement en de Raad.
FINANCIEEL MEMORANDUM
-
1.BEGROTINGSPOST:
05.03.04.07 (oude nomenclatuur B1-2320). KREDIETEN (begroting 2004): 16,5 mln euro
-
2.TITEL VAN DE MAATREGEL: Verordening van de Raad betreffende maatregelen op het gebied van de bijenteelt
-
3.RECHTSGROND
De artikelen 36 en 37 van het EG-Verdrag
-
4.DOEL VAN DE MAATREGEL: Vaststelling van maatregelen voor de verbetering van de productie en de afzet van producten van de bijenteelt, voor een periode van telkens drie jaar.
-
5.FINANCIËLE CONSEQUENTIES: PERIODE LOPEND VOLGEND
12 MAANDEN BEGROTINGS-BEGROTINGS-
JAAR 2004 JAAR 2005
(mln euro) (mln euro) (mln euro)
5.0 UITGAVEN TEN LASTE VAN
p.m. p.m. p.m.
DE BEGROTING EG
(RESTITUTIES/INTERVENTIES)
NAT. BEGROTINGEN
-
-ANDERE
5.1 ONTVANGSTEN
EIGEN MIDDELEN EG
(HEFFINGEN/DOUANERECHTEN)
OP NATIONAAL VLAK
2006 2007 2008 2009
5.0.1 RAMING VAN DE UITGAVEN
5.1.1 RAMING VAN DE ONTVANGSTEN
5.2 BEREKENINGSMETHODE:
| publicatiedatum | 26-01-2004 |
|---|---|
| kenmerk | 5637/04 |
