EUROPESE UNIE
HET EUROPEES PARLEMENT DE RAAD
Brussel, 20 april 2004
(OR. en)
2002/0023 (COD)
C5-0154/04 PE-CONS 3639/04
TRANS 132 CODEC 406
WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN
Betreft:
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 96/48/EG van de Raad betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van Richtlijn 2001/16/EG van de Raad en het Europees Parlement betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem
Gemeenschappelijke tekst
goedgekeurd door het Bemiddelingscomité als bedoeld
RICHTLIJN 2004/.../EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van
houdende wijziging van Richtlijn 96/48/EG van de Raad
betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem
en van Richtlijn 2001/16/EG van de Raad en het Europees Parlement
betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71
en 156,
Gezien het voorstel van de Commissie 1,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité 2,
Gezien het advies van het Comité van de Regio's 3,
Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag 4, in het licht van de op 23 maart 2004 door
het Bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke tekst,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Overeenkomstig de artikelen 154 en 155 van het Verdrag draagt de Gemeenschap bij tot de
totstandbrenging en de ontwikkeling van trans-Europese netwerken op het gebied van
vervoer. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, treft de Gemeenschap alle maatregelen
die nodig kunnen blijken om de interoperabiliteit van de netwerken te verzekeren, met name
op het gebied van de harmonisatie van de technische normen.
(2) Met betrekking tot de spoorwegsector is op 23 juli 1996 een eerste maatregel genomen door de
vaststelling van Richtlijn 96/48/EG van de Raad 1. Om de doelstellingen van deze richtlijn te
verwezenlijken, heeft de Europese Associatie voor spoorweginteroperabiliteit (AEIF), die in
het kader van die richtlijn als representatieve gemeenschappelijke instantie is aangewezen,
ontwerpteksten voor Technische Specificaties voor Interoperabiliteit (TSI) opgesteld, die
door de Commissie op 30 mei 2002 zijn aangenomen.
(3) De Commissie heeft op 10 september 1999 een verslag aan het Europees Parlement en de
Raad aangenomen. In dit verslag wordt een eerste evaluatie gegeven van de voortgang die is
geboekt bij de totstandbrenging van de interoperabiliteit van het trans-Europese
hogesnelheidsspoorwegsysteem. In zijn resolutie van 17 mei 2000 2 heeft het Europees
Parlement de Commissie verzocht voorstellen te doen voor een herziening van Richtlijn
96/48/EG aan de hand van het model dat is gebruikt voor Richtlijn 2001/16/EG 3.
(4) In Richtlijn 2001/16/EG zijn, evenals in Richtlijn 96/48/EG, communautaire procedures
opgenomen voor de voorbereiding en vaststelling van TSI's, alsmede gemeenschappelijke
voorschriften voor de beoordeling van de overeenstemming met de TSI's. Een opdracht voor
de ontwikkeling van de eerste groep TSI's is gegeven aan de AEIF, die tevens is aangewezen
als representatieve gemeenschappelijke instantie.
(5) De ontwikkeling van TSI's op het gebied van hoge snelheid, de toepassing van Richtlijn
96/48/EG bij concrete projecten en het werk van het Comité dat is ingesteld overeenkomstig
genoemde richtlijn hebben een aantal bruikbare gegevens opgeleverd, die de Commissie ertoe
hebben gebracht voor te stellen de beide richtlijnen betreffende spoorweginteroperabiliteit op
een aantal punten te wijzigen.
(6) De vaststelling van Verordening (EG) nr. .../2004 tot oprichting van een Europees Spoorweg-
bureau ("Spoorwegbureau-verordening") 1 en van Richtlijn (EG) nr. 2004/.../EG van het
Europees Parlement en de Raad van inzake de veiligheid van de communautaire
spoorwegen ("Spoorwegveiligheidsrichtlijn") 2 maakt het noodzakelijk een aantal bepalingen
uit de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG te wijzigen. Met name zal het bureau, wanneer
het is opgericht, van de Commissie de opdracht krijgen voor het opstellen van alle nieuwe
ontwerp-TSI's en voor het wijzigen van bestaande TSI's.
(7) Het van kracht worden van Richtlijn 2001/12/EG 1 van het Europees Parlement en de Raad
van 26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 91/440/EEG van de Raad betreffende de
ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap, Richtlijn 2001/13/EG 2 van het
Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG
van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen en
Richtlijn 2001/14/EG 3 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake
de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik
van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering heeft gevolgen voor de
implementatie van de interoperabiliteit. De uitbreiding van toegangsrechten dient, zoals dit
ook bij andere vervoerwijzen het geval is, gelijktijdig plaats te vinden met de toepassing van
de noodzakelijke bijbehorende harmonisatiemaatregelen. Derhalve dient de interoperabiliteit
op het gehele net te worden geïmplementeerd en dient het toepassingsgebied van Richtlijn
2001/16/EG in geografische zin geleidelijk te worden uitgebreid. Tevens dient aan de rechts-
grond van Richtlijn 2001/16/EG te worden toegevoegd artikel 71 van het Verdrag, waarop
Richtlijn 2001/12/EG is gebaseerd.
(8) In het Witboek over het Europese vervoersbeleid wordt deze richtlijn aangekondigd. Deze
richtlijn is een onderdeel van de strategie van de Commissie om, in het streven de congestie
op de Europese wegen te verminderen, het railvervoer te revitaliseren door middel van een
nieuw evenwicht tussen vervoerwijzen.
(10) Bij de ontwikkeling van TSI's op het gebied van hoge snelheid is gebleken dat de verhouding
tussen de essentiële eisen uit Richtlijn 96/48/EG en de TSI's enerzijds, en de Europese
normen en andere documenten met een normatief karakter anderzijds, moet worden verduide-
lijkt. Met name dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen de normen of delen
van normen die in ieder geval een verplichtend karakter dienen te krijgen om de doel-
stellingen van die richtlijn te verwezenlijken en de "geharmoniseerde" normen die zijn
ontwikkeld in de geest van de nieuwe benadering op het gebied van technische harmonisatie
en normalisatie.
(11) In het algemeen worden Europese specificaties ontwikkeld in de geest van de nieuwe
benadering op het gebied van technische harmonisatie en normalisatie. Op grond van deze
specificaties kan worden verondersteld dat sprake is van overeenstemming met bepaalde
essentiële eisen uit Richtlijn 96/48/EG, met name in het geval van interoperabiliteits-
onderdelen en interfaces. Deze Europese specificaties (of de van toepassing zijnde delen
daarvan) hebben geen verplichtend karakter en in de TSI's hoeft geen enkele expliciete
verwijzing naar die specificaties te worden opgenomen. De referenties van deze Europese
specificaties worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen
en de lidstaten publiceren de referenties van de nationale normen waarin de Europese normen
worden omgezet.
(12) Wanneer dat in bepaalde gevallen strikt noodzakelijk is om te voldoen aan de doelstellingen
van deze richtlijn, kan in TSI's expliciet worden verwezen naar Europese normen of
(14) Om redenen van veiligheid dient de lidstaten te worden verzocht een identificatiecode toe te
kennen aan elk in dienst gesteld rijtuig. Het rijtuig dient vervolgens te worden geregistreerd in
een nationaal register. De registers dienen door alle lidstaten en door een aantal marktpartijen
in de EU te kunnen worden geraadpleegd. De registers dienen samenhangend te zijn wat
betreft het formaat van de gegevens. Daarom dienen voor deze registers gemeenschappelijke
functionele en technische specificaties te worden opgesteld.
(15) Er dient een nadere omschrijving te worden opgesteld van de procedure die moet worden
gevolgd wanneer essentiële eisen wel van toepassing zijn op een subsysteem maar er voor die
eisen nog geen uitgebreide specificaties zijn opgesteld in de desbetreffende TSI. In dergelijke
gevallen is het wenselijk dat de instanties die zijn belast met de procedures voor beoordeling
van de overeenstemming en de keuringsprocedures de instanties zijn die reeds werden
aangemeld in het kader van artikel 20 van Richtlijn 96/48/EG en Richtlijn 2001/16/EG.
(16) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld
overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de
voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende
uitvoeringsbevoegdheden. 1
(17) De definitie van rollend materieel die is opgenomen in bijlage I van Richtlijn 96/48/EG dient
nader te worden uitgewerkt. De richtlijn dient ook betrekking te hebben op rollend materieel
dat is ontworpen om met snelheden van circa 200 km/u uitsluitend te rijden op voor hoge
(19) Aangezien het doel van de beoogde maatregelen, te weten de interoperabiliteit van het trans-
Europese spoorwegsysteem, door de lidstaten niet in voldoende mate kan worden verwezen-
lijkt en derhalve op grond van zijn in het Verdrag erkende trans-Europese aard beter door de
Gemeenschap verwezenlijkt kan worden, kan de Gemeenschap maatregelen treffen op grond
van het subsidiariteitsbeginsel dat is vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig
het in genoemd artikel omschreven evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan
wat nodig is om dit doel te verwezenlijken.
(20) TSI's voor het hogesnelheidsspoorwegsysteem die betrekking hebben op infrastructuur,
rollend materieel, energie, besturing en seingeving, exploitatie en onderhoud zijn op
30 mei 2002 door de Commissie aangenomen; de in de artikelen 1, punt 5, en 2, punt 5,
genoemde ontwerp-TSI's hebben betrekking op de herziening van deze TSI's of op de
aanneming van nieuwe TSI's.
(21) Overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn 2001/16/EG wordt momenteel een ontwerp-
referentiekader van technische voorschriften ontwikkeld voor het huidige interoperabili-
teitsniveau van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem; deze technische voor-
schriften moeten worden geactualiseerd vanwege de in die richtlijn beoogde verruiming van
de werkingssfeer, alsmede rekening houdend met de eerste reeks, uiterlijk in 2004 aan te
nemen, TSI's.
(22) In weerwil van de uitsluitingen van de werkingssfeer van Richtlijn 2001/16/EG, worden de
lidstaten met het oog op de grotere kosteneffectiviteit en schaalvoordelen in de
constructiesector aangemoedigd om de toepasselijke bepalingen van die richtlijn vrijwillig toe
Artikel 1
Richtlijn 96/48/EG wordt als volgt gewijzigd:
-
1)artikel 1 wordt vervangen door:
"Artikel 1
-
1.Deze richtlijn beoogt de voorwaarden vast te stellen waaraan dient te worden voldaan om
op het grondgebied van de Gemeenschap de interoperabiliteit van het trans-Europese hoge-
snelheidsspoorwegsysteem als omschreven in bijlage I te verwezenlijken.
Deze voorwaarden betreffen het ontwerp, de constructie, de ingebruikneming, de verbetering,
de vernieuwing, de exploitatie en het onderhoud van de onderdelen van dit systeem die na ... *
de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn in gebruik zullen worden genomen, alsmede
de kwalificaties van, en de gezondheids- en veiligheidsvoorschriften voor het personeel dat bij
de exploitatie betrokken is.
-
2.De verwezenlijking van dit doel moet resulteren in de vaststelling van een optimaal niveau
van technische harmonisatie en moet het mogelijk maken dat:
-
2)aan artikel 2 worden de volgende punten toegevoegd:
"j) "fundamentele parameter": elke wettelijke, technische of operationele voorwaarde die
vanuit een oogpunt van interoperabiliteit kritiek van aard is en waarover vóór de uit-
werking van volledige ontwerp-TSI's een besluit moet worden genomen of een aan-
beveling moet worden opgesteld volgens de procedure van artikel 21, lid 2;
-
k)"specifiek geval": elk deel van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem
waarvoor om geografische of topografische redenen of omwille van het stadsmilieu en
de samenhang van het bestaande systeem, bijzondere tijdelijke of definitieve bepalingen
in de TSI's moeten worden opgenomen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om spoorweg-
lijnen en -netwerken die niet verbonden zijn met het netwerk in de rest van de Gemeen-
schap, het profiel, de spoorbreedte of de spoorafstand;
-
l)"verbetering": belangrijke werkzaamheden waarbij een subsysteem of deel van een sub-
systeem wordt gewijzigd en die een verbetering van de algemene prestaties van het sub-
systeem tot gevolg hebben;
-
m)"vervanging in het kader van onderhoud": vervanging van onderdelen door onderdelen
met een identieke functie en identieke prestaties in het kader van preventief onderhoud
-
p)"ingebruikneming": alle handelingen door middel waarvan een subsysteem in zijn
nominale werkingstoestand wordt gebracht.";
-
3)artikel 2, punt h), wordt geschrapt;
-
4)artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
-
a)lid 1 wordt vervangen door:
"1. Elk van de subsystemen wordt bestreken door één TSI. Een subsysteem kan zo
nodig bestreken worden door verscheidene TSI's en één TSI kan verscheidene sub-
systemen betreffen. Voor het besluit om een TSI te ontwikkelen en/of te herzien en voor
de keus van de technische en geografische reikwijdte daarvan is een mandaat overeen-
komstig artikel 6, lid 1, vereist.";
-
b)lid 3 wordt vervangen door:
"3. Voor zover nodig voor de verwezenlijking van de in artikel 1 genoemde doel-
stellingen wordt (worden) in elke TSI:
-
a)de beoogde reikwijdte aangegeven (deel van het netwerk of rollend materieel als
bedoeld in bijlage I, subsysteem of deel van het subsysteem als bedoeld in
-
c)de functionele en technische specificaties vastgesteld waaraan elk subsysteem en de
interfaces ervan met andere subsystemen moeten voldoen. Deze specificaties mogen zo
nodig verschillen naargelang van het gebruik van het subsysteem, bijvoorbeeld
overeenkomstig de categorieën van lijnen, en/of rollend materieel als bedoeld in
bijlage I;
-
d)de interoperabiliteitsonderdelen en interfaces bepaald waarvoor Europese specificaties
moeten worden vastgesteld, waaronder de Europese normen, die noodzakelijk zijn om
de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem tot stand te
brengen;
-
e)per geval de procedures aangegeven die moeten worden gehanteerd voor de beoordeling
van de overeenstemming of de geschiktheid voor gebruik van interoperabiliteits-
onderdelen enerzijds, of de EG-keuring van de subsystemen anderzijds. Die procedures
moeten gebaseerd zijn op de in Besluit 93/465/EEG omschreven modules;
-
f)de uitvoeringsstrategieën voor de TSI aangegeven. Met name dienen de stappen te
worden vermeld via welke de bestaande situatie geleidelijk overgaat in de uiteindelijke
situatie waarin in alle gevallen aan de TSI wordt voldaan;
-
g)voor het betrokken personeel de voorwaarden omschreven voor beroepskwalificaties en
voor gezondheid en veiligheid op het werk die vereist zijn voor de exploitatie en het
-
c)het volgende lid 6 wordt ingevoegd:
"6. Wanneer dat strikt noodzakelijk is om te voldoen aan de doelstellingen van deze
richtlijn, kunnen TSI's expliciet en duidelijk verwijzen naar Europese normen of speci-
ficaties. In dat geval worden die Europese normen of specificaties (of de desbetreffende
delen daarvan) beschouwd als een bijlage van de desbetreffende TSI en krijgen zij een
verplicht karakter op het moment dat de TSI van toepassing is. Indien Europese normen
of specificaties ontbreken en nog ontwikkeld dienen te worden, kan worden verwezen
naar andere, duidelijk geïdentificeerde documenten met een normatief karakter: in dat
geval betreft het eenvoudig toegankelijke documenten uit de openbare sfeer.";
-
5)artikel 6 wordt vervangen door:
"Artikel 6
-
1.De ontwerp-TSI's en latere wijzigingen in TSI's worden opgesteld in opdracht van de
Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 21, lid 2. Zij worden opgesteld onder de
verantwoordelijkheid van het bureau, overeenkomstig de artikelen 3 en 12 van Verordening
(EG) nr. ....../2004 van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees
spoorwegbureau ("de Spoorwegbureauverordening") * en in samenwerking met de in die
artikelen genoemde werkgroepen.
-
2.Het bureau is belast met de voorbereiding van de herziening en bijwerking van de TSI's en het
doen van eventuele aanbevelingen aan het in artikel 21 bedoelde comité, teneinde rekening te
houden met de ontwikkeling van de techniek en de maatschappelijke eisen.
-
3.Elke ontwerp-TSI wordt in twee fasen opgesteld.
Eerst bepaalt het bureau de fundamentele parameters voor deze TSI, alsmede de interfaces met de
andere subsystemen en alle andere noodzakelijke specifieke gevallen. Voor elk van deze parameters
en interfaces worden de meest gunstige alternatieve oplossingen, vergezeld van technische en
economische bewijsstukken, gepresenteerd. Overeenkomstig de procedure van artikel 21, lid 2,
wordt een besluit genomen; indien nodig worden specifieke gevallen vermeld.
Daarna werkt het bureau op basis van deze fundamentele parameters de ontwerp-TSI uit. Eventueel
houdt het bureau rekening met de vooruitgang van de techniek, reeds uitgevoerde normalisatie-
werkzaamheden, de bevindingen van bestaande werkgroepen en aanvaarde onderzoeksresultaten.
Elke ontwerp-TSI gaat vergezeld van een volledige raming van de te verwachten kosten en baten
van de toepassing van de TSI's; daarin worden de verwachte gevolgen voor alle betrokken
exploitanten en economische subjecten vermeld.
-
4.Bij de opstelling, aanneming en herziening van elke TSI (met inbegrip van de fundamentele
parameters) wordt rekening gehouden met de te voorziene kosten en baten van alle voorgestelde
technische oplossingen en van de onderlinge interfaces, teneinde te bepalen welke oplossingen de
-
5.Het in artikel 21 bedoelde comité wordt regelmatig op de hoogte gehouden van de werkzaam-
heden in verband met het opstellen van de TSI's . Het comité kan gedurende deze werkzaamheden
de nodige opdrachten of aanbevelingen formuleren betreffende de opzet van de TSI's, alsmede
betreffende de raming van de kosten en baten. Het comité kan met name op verzoek van een lidstaat
verzoeken alternatieve oplossingen te bestuderen en de raming van de kosten en baten van deze
alternatieve oplossingen op te nemen in het verslag bij de ontwerp-TSI.
-
6.Bij de aanneming van elke TSI wordt volgens de procedure van artikel 21, lid 2, de datum vast-
gesteld waarop die van kracht wordt. Wanneer verschillende subsystemen om redenen van
technische compatibiliteit tegelijkertijd in gebruik moeten worden genomen, moeten de data van
inwerkingtreding van de desbetreffende TSI's overeenstemmen.
-
7.Bij de opstelling, aanneming en herziening van de TSI's wordt rekening gehouden met de mening
van de gebruikers ten aanzien van eigenschappen die rechtstreeks van invloed zijn op het gebruik
van de subsystemen door die gebruikers. Daartoe pleegt het bureau bij de opstelling en herziening
van de TSI's overleg met de representatieve gebruikersverenigingen en -organisaties. Een verslag
van de uitkomst van dit overleg wordt bij de ontwerp-TSI gevoegd.
De lijst van verenigingen en organisaties waarmee overleg moet worden gepleegd, wordt door het
in artikel 21 bedoelde comité opgesteld voordat opdracht wordt gegeven tot herziening van de TSI
en kan op verzoek van een lidstaat of de Commissie worden herzien en bijgewerkt.
De sociale partners worden geraadpleegd in het kader van het Comité voor de sectoriële
dialoog, opgericht bij Besluit 98/500/EG van de Commissie **. Zij brengen binnen drie
maanden advies uit.
__________
-
*PB L
** PB L 255 van 12.8.1998, blz. 27.";
-
6)artikel 7 wordt vervangen door:
"Artikel 7
Het is een lidstaat toegestaan één of meer TSI's, ook met betrekking tot het rollend materieel,
in de volgende gevallen en omstandigheden niet toe te passen:
-
a)een voorgestelde nieuwe lijn, de vernieuwing of verbetering van een bestaande lijn, elk
element als genoemd in artikel 1, lid 1, in een gevorderde ontwikkelingsfase of waar-
voor een uitvoeringsovereenkomst loopt wanneer die TSI's zijn gepubliceerd;
-
b)elk project met betrekking tot de vernieuwing of verbetering van een bestaande lijn,
wanneer het profiel, de spoorbreedte, de spoorafstand of de elektrische voltage in deze
TSI's niet verenigbaar is met die van de bestaande lijnen;
-
d)elke voorgestelde vernieuwing, uitbreiding of verbetering van een bestaande lijn, wan-
neer de toepassing van die TSI's de economische levensvatbaarheid van het project
en/of de verenigbaarheid van het spoorwegsysteem in de andere lidstaat in gevaar zou
brengen;
-
e)wanneer, na een ongeluk of een natuurramp, de voorwaarden voor het snel herstellen
van het netwerk het economisch of technisch niet mogelijk maken de relevante TSI's
gedeeltelijk of geheel toe te passen.
In elk geval stelt de betrokken lidstaat de Commissie vooraf in kennis van zijn voorgenomen
afwijking en zendt hij haar een dossier toe met de TSI's of de delen van TSI's die hij niet toe-
gepast wenst te zien met de overeenkomstige specificaties die hij wel wenst toe te passen. De
Commissie analyseert de door de lidstaten overwogen maatregelen. In de gevallen van b)
en d) neemt de Commissie een besluit overeenkomstig de procedure van artikel 21, lid 2. Zo
nodig wordt een aanbeveling opgesteld met betrekking tot de toe te passen specificaties. In het
geval van punt b) wordt in het besluit van de Commissie evenwel niet verwezen naar het
profiel en de spoorbreedte.";
-
7)aan artikel 9 wordt de volgende alinea toegevoegd:
"In het bijzonder mogen zij geen verificaties verlangen die al zijn verricht in het kader van de
procedure die tot de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik heeft
-
b)lid 3 wordt vervangen door:
"3. De lidstaten gaan ervan uit dat een interoperabiliteitsonderdeel voldoet aan de
essentiële eisen indien het voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de des-
betreffende TSI of aan de Europese specificaties die zijn ontwikkeld om aan die voor-
waarden te voldoen.";
-
c)de leden 4 en 5 worden geschrapt;
-
9)artikel 11 wordt vervangen door:
"Artikel 11
Wanneer een lidstaat of de Commissie van mening is dat bepaalde Europese specificaties die
rechtstreeks of indirect worden gebruikt ten behoeve van deze richtlijn niet voldoen aan de
essentiële eisen, kan volgens de procedure van artikel 21, lid 2, na overleg met het comité dat
is ingesteld bij Richtlijn 98/34/EG van de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatie-
procedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de
diensten van de informatiemaatschappij *, worden besloten deze specificaties geheel of
gedeeltelijk te verwijderen uit de publicaties waarin zij zijn opgenomen, of ze te wijzigen.
-
10)artikel 14 wordt vervangen door:
"Artikel 14
-
1.Het is aan elke lidstaat om toestemming te geven voor de ingebruikneming van de zich op
zijn grondgebied bevindende of aldaar geëxploiteerde subsystemen van structurele aard, die
van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem deel uitmaken.
Te dien einde nemen de lidstaten alle dienstige maatregelen opdat deze subsystemen alleen in
gebruik kunnen worden genomen indien zij zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en
geïnstalleerd dat de inachtneming van de desbetreffende essentiële eisen niet in het gedrang
komt wanneer zij in het hogesnelheidsspoorwegsysteem worden opgenomen.
Elke lidstaat controleert met name of deze subsystemen aansluiten bij het systeem waarin ze
worden opgenomen.
-
2.Het is aan elke lidstaat om bij de ingebruikneming, en daarna op gezette tijden, te verifiëren
dat deze subsystemen overeenkomstig de desbetreffende essentiële eisen worden
geëxploiteerd en onderhouden. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de beoordelings- en
keuringsprocedures die zijn omschreven in de desbetreffende structurele en functionele TSI's.
De hernieuwde toestemming voor ingebruikneming is altijd vereist wanneer de voorgenomen werk-
zaamheden gevolgen kunnen hebben voor de algehele veiligheid van het betrokken subsysteem.
-
4.Indien de lidstaten toestemming geven voor de ingebruikneming van rollend materieel, dragen zij
er tevens zorg voor dat aan elk rijtuig een alfanumerieke identificatiecode wordt toegekend. Deze
code dient op elk rijtuig te worden aangebracht en te worden opgenomen in een nationaal register
dat aan de volgende eisen voldoet:
-
a)het register voldoet aan de gemeenschappelijke specificaties als omschreven in lid 5;
-
b)het register wordt beheerd en bijgehouden door een instantie die onafhankelijk is van enige
spoorwegonderneming;
-
c)het register is toegankelijk voor de veiligheidsinstanties en de onderzoeksorganen die zijn
aangewezen in het kader van de artikelen 16 en 21 van Richtlijn 2004/xxx/EG van het
Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees spoorwegbureau ("de
Spoorwegbureauverordening") * wat betreft de gegevens die betrekking hebben op de
spoorwegveiligheid; het is tevens, voor elk wettig verzoek, toegankelijk voor de toezicht-
houdende instanties die zijn aangewezen in het kader van artikel 30 van Richtlijn 2001/14/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van
spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweg-
infrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering **, voor het bureau, voor spoorweg-
-
5.De gemeenschappelijke specificaties van het register worden bepaald volgens de procedure
van artikel 21, lid 2, op basis van een ontwerp-specificatie van het bureau. Deze ontwerp-
specificaties omvatten: inhoud, dataformaat, functionele en technische architectuur, bedrijfs-
modus en voorschriften voor gegevensinvoer en overleg. In dit register worden in ieder geval
de volgende gegevens opgenomen:
-
a)referenties van de EG-keuringsverklaring en van de dienst die deze verklaring heeft af-
gegeven;
-
b)referenties van het register van rollend materieel als omschreven in artikel 22 bis;
-
c)de gegevens van de eigenaar of de lessee van het rijtuig;
-
d)eventuele beperkingen ten aanzien van de exploitatiewijze van het rijtuig;
-
e)voor de veiligheid relevante gegevens met betrekking tot het onderhoudsschema van het
rijtuig.
______________
-
*PB L
** PB L 75 van 15.03.2001, blz. 29. Richtlijn gewijzigd bij Commissiebeschikking 2002/844/EG (PB L 289 van 26.10.2002, blz. 30)";
-
12)in artikel 16 wordt lid 3 vervangen door:
"3. Bij ontstentenis van TSI's (met inbegrip van de gevallen waarin op grond van artikel 7
kennis is gegeven van een afwijking) zenden de lidstaten aan de andere lidstaten en aan de
Commissie voor elk subsysteem een lijst van de technische voorschriften die gebruikt worden
voor de uitvoering van de essentiële eisen. Daarvan wordt uiterlijk .... * kennis gegeven en
vervolgens telkens wanneer de lijst van technische voorschriften wordt gewijzigd. Bij deze
gelegenheid wijzen de lidstaten tevens de instanties aan die, in het geval van technische voor-
schriften, worden belast met de uitvoering van de keuringsprocedure als bedoeld in
artikel 18.";
-
13)aan artikel 17 wordt de volgende alinea toegevoegd:
"In dergelijke gevallen worden de TSI's herzien overeenkomstig artikel 6, lid 2. Indien
bepaalde technische aspecten die overeenkomen met essentiële eisen niet onmiddellijk en uit-
drukkelijk aan de orde kunnen komen in een TSI, worden zij duidelijk omschreven in een
bijlage van de TSI. Op deze aspecten is artikel 16, lid 3 van toepassing.";
-
14)aan artikel 18, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:
"Tot die taak behoort ook de verificatie van de interfaces van het betrokken subsysteem met
-
15)in artikel 20 wordt lid 5 vervangen door:
"5. De Commissie stelt een coördinatiegroep voor aangemelde instanties in (hierna te noemen
"de coördinatiegroep"), waar alle aangelegenheden worden besproken die verband houden
met de toepassing van de procedures voor beoordeling van de overeenstemming en van de
geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 13 en van de keuringsprocedure als bedoeld
in artikel 18, of met de toepassing van de TSI op dit gebied. Vertegenwoordigers van de lid-
staten kunnen als waarnemer deelnemen aan de werkzaamheden van de coördinatiegroep.
De Commissie en de waarnemers stellen het in artikel 21 bedoelde comité in kennis van de
werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de coördinatiegroep. De Commissie zal, in
voorkomend geval, de maatregelen voorstellen die nodig zijn om de problemen te verhelpen.
Waar nodig wordt het optreden van de aangemelde instanties gecoördineerd in overeenstem-
ming met artikel 21.";
-
16)artikel 21 wordt vervangen door:
"Artikel 21
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie
maanden.
-
3.Het comité stelt zijn reglement van orde vast.
-
4.Het comité kan in voorkomend geval werkgroepen oprichten om zich te laten assisteren bij
de vervulling van zijn taken, met name met het oog op de coördinatie van de aangemelde
instanties.
________________
-
*PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.";
-
17)de volgende artikelen worden ingevoegd:
"Artikel 21 bis
-
1.Het comité kan elke kwestie bespreken die betrekking heeft op de interoperabiliteit van het
trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem, daaronder begrepen kwesties inzake de inter-
operabiliteit van dit systeem met dat van derde landen.
-
2.Het comité stelt volgens de procedure van artikel 21, lid 2, op basis van een Commissie-
voorstel, een werkprogramma op overeenkomstig de doelstellingen van deze richtlijn en die
van Richtlijn 2001/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001
betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem *
Artikel 21 quater
De bijlagen II tot en met VI kunnen worden gewijzigd volgens de procedure van artikel 21,
lid 2.
_______________
-
*PB L 110 van 20.4.2001, blz. 1.";
-
18)het volgende artikel 22 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 22 bis
-
1.De lidstaten zien erop toe dat elk jaar een register van infrastructuurvoorzieningen
(respectievelijk register van rollend materieel) wordt gepubliceerd en bijgewerkt. In dat
register worden voor elk betrokken subsysteem of deel daarvan de belangrijkste kenmerken
aangegeven, waaronder de fundamentele parameters, en de mate waarin deze overeen-
stemmen met de kenmerken die zijn voorgeschreven in de desbetreffende TSI's. Daartoe
-
-
20)bijlage II wordt vervangen door de tekst in bijlage II van deze richtlijn;
-
21)aan bijlage III wordt het volgende punt toegevoegd:
"2.4.3.4 Controle
Treinen moeten worden uitgerust met een registratieapparaat. De met dit apparaat verkregen
gegevens en de verwerking ervan moeten worden geharmoniseerd.";
-
22)in bijlage VII wordt aan punt 2 de volgende alinea toegevoegd:
"Met name dienen de instantie en het met de keuringen belaste personeel vanuit functioneel
oogpunt onafhankelijk te zijn van de overheden die zijn aangewezen voor de afgifte van
vergunningen voor ingebruikneming in het kader van deze richtlijn, van vergunningen in het
kader van Richtlijn 2001/13/EG * van het Europees Parlement en de Raad van
26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening
van vergunningen aan spoorwegondernemingen en van veiligheidscertificaten in het kader
van Richtlijn 2004/xxx/EG van het Europees Parlement en de Raad van ... inzake de veilig-
heid op de communautaire spoorwegen ("Spoorwegveiligheidsrichtlijn") **, alsmede van de
diensten die belast zijn met inspecties bij ongevallen.
-
2)artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
-
a)lid 1 wordt vervangen door:
"Deze richtlijn beoogt de voorwaarden vast te stellen waaraan dient te worden voldaan
om op het grondgebied van de Gemeenschap de interoperabiliteit van het trans-
Europese conventionele spoorwegsysteem als omschreven in bijlage I, te verwezen-
lijken. Deze voorwaarden betreffen het ontwerp, de constructie, de ingebruikneming, de
verbetering, de vernieuwing, de exploitatie en het onderhoud van de onderdelen van dit
systeem die na de datum van inwerkingtreding in gebruik zullen worden genomen,
alsmede de kwalificaties van, en de gezondheids- en veiligheidsvoorschriften voor het
personeel dat bij de exploitatie en het onderhoud betrokken is.";
-
b)de aanhef van lid 2 wordt vervangen door:
"2. De verwezenlijking van dit doel moet resulteren in de vaststelling van een optimaal
niveau van technische harmonisatie en moet het mogelijk maken dat:";
-
c)aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:
"3. Het toepassingsgebied van deze richtlijn wordt geleidelijk uitgebreid tot het gehele
conventionele spoorwegsysteem, met inbegrip van toegang via het spoor tot terminals
en belangrijke haveninstallaties die meer dan één gebruiker bedienen of kunnen
bedienen, met uitzondering van infrastructuurvoorzieningen en rollend materieel,
De Commissie neemt, volgens de procedures van artikel 21, lid 2, vóór 1 januari 2006 een
werkprogramma aan met het oog op de opstelling van nieuwe TSI's en/of de herziening van
reeds aangenomen TSI's, teneinde lijnen en rollend materieel op te nemen waarvoor nog geen
TSI's bestaan.
Dit werkprogramma dient een eerste groep van nieuwe TSI's en/of wijzigingen van TSI's te
omvatten die tegen januari 2009 moeten worden ontwikkeld, zonder afbreuk te doen aan
artikel 5, lid 5, inzake de mogelijkheid om te voorzien in specifieke gevallen, en artikel 7, dat
de mogelijkheid biedt in bepaalde omstandigheden afwijkingen toe te staan. De keuze van de
onderwerpen die onder de TSI's moeten vallen, zal worden gebaseerd op de verwachte
kosteneffectiviteit van elke voorgestelde maatregel en op het beginsel van proportionaliteit
met betrekking tot de op communautair niveau getroffen maatregelen. Te dien einde zal op
passende wijze rekening worden gehouden met Bijlage I, punt 4 en met een noodzakelijk
evenwicht tussen de doelstellingen van een ononderbroken werking van de spoorwegen en
technische harmonisatie enerzijds, en het betrokken trans-Europese, nationale, regionale of
lokale verkeersniveau anderzijds.
Na de ontwikkeling van de eerste reeks TSI's zullen de prioriteiten voor de ontwikkeling van
nieuwe TSI's of de herziening van bestaande TSI's worden vastgesteld volgens de procedure
van artikel 21, lid 2.
Een lidstaat hoeft dit lid niet toe te passen op projecten in een gevorderde ontwikkelingsfase
-
b)de punten l) en m), worden vervangen door:
"l) "verbetering": belangrijke werkzaamheden waarbij een subsysteem of deel van
een subsysteem wordt gewijzigd en die een verbetering van de algemene pres-
taties van het subsysteem tot gevolg hebben;
-
m)"vernieuwing": belangrijke vervangingswerkzaamheden waarbij een subsysteem
of deel van een subsysteem wordt gewijzigd en die geen wijziging van de alge-
mene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben.";
-
c)de volgende punten worden toegevoegd:
"o) "vervanging in het kader van onderhoud": vervanging van onderdelen door onder-
delen met een identieke functie en identieke prestaties in het kader van preventief
onderhoud of herstelwerkzaamheden;
-
p)"ingebruikneming": alle handelingen door middel waarvan een subsysteem in zijn
nominale werkingstoestand wordt gebracht.";
-
4)artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
-
b)in lid 3 wordt punt e) vervangen door:
"e) per geval de procedures aangegeven die moeten worden gehanteerd voor de
beoordeling van de overeenstemming of de geschiktheid voor gebruik van inter-
operabiliteitsonderdelen enerzijds, of de EG-keuring van de subsystemen ander-
zijds. Deze procedures zijn gebaseerd op de modules die zijn omschreven in
Besluit 93/465/EEG";
-
c)het volgende lid wordt toegevoegd:
"7. Wanneer dat strikt noodzakelijk is om te voldoen aan de doelstellingen van deze
richtlijn, kunnen TSI's expliciet en duidelijk verwijzen naar Europese normen of speci-
ficaties. In dat geval worden die Europese normen of specificaties (of de desbetreffende
delen daarvan) beschouwd als een bijlage van de desbetreffende TSI en krijgen zij een
verplicht karakter op het moment dat de TSI van toepassing is. Indien Europese normen
of specificaties ontbreken en nog ontwikkeld dienen te worden, kan worden verwezen
naar andere, duidelijk geïdentificeerde documenten met een normatief karakter; in dat
geval betreft het eenvoudig toegankelijke documenten uit de openbare sfeer.";
-
5)artikel 6 wordt vervangen door:
De ontwerp-TSI's worden opgesteld en herzien volgens de procedure van artikel 21, lid 2. Zij
worden door de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.
-
2.Het bureau is belast met de voorbereiding van de herziening en van de bijwerking van de
TSI's en met het doen van eventuele aanbevelingen aan het in artikel 21 bedoelde comité, ten-
einde rekening te houden met de ontwikkeling van de techniek en de maatschappelijke eisen.
-
3.Elke ontwerp-TSI wordt in twee fasen opgesteld.
Eerst bepaalt het bureau de fundamentele parameters voor de TSI, alsmede de interfaces met
de andere subsystemen en alle andere noodzakelijke specifieke gevallen.
Voor elk van deze parameters en interfaces worden de meest gunstige alternatieve oplos-
singen, vergezeld van technische en economische bewijsstukken, gepresenteerd. Overeen-
komstig de procedure van artikel 21, lid 2, wordt een besluit genomen; indien nodig worden
specifieke gevallen vermeld.
Daarna werkt het bureau op basis van deze fundamentele parameters de ontwerp-TSI uit.
Eventueel houdt het bureau rekening met de vooruitgang van de techniek, reeds uitgevoerde
normalisatiewerkzaamheden, de bevindingen van bestaande werkgroepen en aanvaarde
onderzoeksresultaten. Elke ontwerp-TSI gaat vergezeld van een volledige raming van de te
verwachten kosten en baten van de toepassing van de TSI's; daarin worden de verwachte
gevolgen voor alle betrokken exploitanten en economische subjecten vermeld.
-
5.Het in artikel 21 bedoelde comité wordt regelmatig op de hoogte gesteld van de werk-
zaamheden in verband met het opstellen van de TSI's . Het comité kan gedurende deze werk-
zaamheden de nodige opdrachten of aanbevelingen formuleren betreffende de opzet van de
TSI's, alsmede betreffende de raming van de kosten en baten. Het comité kan met name op
verzoek van een lidstaat verzoeken alternatieve oplossingen te bestuderen en de raming van
de kosten en baten van deze alternatieve oplossingen op te nemen in het verslag bij de
ontwerp-TSI.
-
6.Bij de aanneming van elke TSI wordt volgens de procedure van artikel 21, lid 2, de datum
vastgesteld waarop die van kracht wordt. Wanneer verschillende subsystemen om redenen
van technische compatibiliteit tegelijkertijd in gebruik moeten worden genomen, moeten de
data van inwerkingtreding van de desbetreffende TSI's overeenstemmen.
-
7.Bij de opstelling, aanneming en herziening van de TSI's wordt rekening gehouden met de
mening van de gebruikers ten aanzien van kenmerken die rechtstreeks van invloed zijn op het
gebruik van de subsystemen door die gebruikers. Daartoe pleegt het bureau bij de opstelling
en herziening van de TSI's overleg met de representatieve gebruikersverenigingen en
-organisaties. Een verslag van de uitkomst van dit overleg wordt bij de ontwerp-TSI gevoegd.
De lijst van verenigingen en organisaties waarmee overleg moet worden gepleegd, wordt door
het in artikel 21 bedoelde comité opgesteld voordat opdracht wordt gegeven tot herziening
van de eerste TSI en kan op verzoek van een lidstaat of de Commissie worden herzien en bij-
De sociale partners worden geraadpleegd in het kader van het Comité voor de sectoriële dia-
loog, opgericht bij Besluit 98/500/EG van de Commissie **. De sociale partners brengen hun
advies uit binnen een termijn van drie maanden.
________________
-
*PB L ...
** PB L 225 van 12.8.1998, blz. 27.";
-
6)artikel 7, onder a), wordt vervangen door:
-
a)een voorgestelde nieuwe lijn, de vernieuwing of verbetering van een bestaande lijn, elk
element als genoemd in artikel 1, lid 1, in een gevorderde ontwikkelingsfase of waar-
voor een uitvoeringsovereenkomst loopt wanneer die TSI's worden gepubliceerd;";
-
7)artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
-
a)lid 2 wordt vervangen door:
"2. Voor elk interoperabiliteitsonderdeel dient de procedure te worden gevolgd voor
beoordeling van de overeenstemming en van de geschiktheid voor gebruik zoals
omschreven in de desbetreffende TSI, en voor dat onderdeel dient het desbetreffende
certificaat te zijn afgegeven.";
-
c)de leden 4 en 5 worden geschrapt;
-
8)artikel 11 wordt vervangen door:
"Artikel 11
Wanneer een lidstaat of de Commissie van mening is dat bepaalde Europese specificaties die
rechtstreeks of indirect worden gebruikt ten behoeve van deze richtlijn niet voldoen aan de
essentiële eisen , kan volgens de procedure van artikel 21, lid 2, na overleg met het comité dat
is ingesteld bij Richtlijn 98/34/EG, worden besloten deze specificaties geheel of gedeeltelijk
te verwijderen uit de publicaties waarin zij zijn opgenomen, of ze te wijzigen.
-
9)artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
-
a)aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:
"Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de beoordelings- en keuringsprocedures die zijn
omschreven in de desbetreffende structurele en functionele TSI's.";
-
b)lid 3 wordt vervangen door:
"3. In geval van vernieuwing of verbetering dienen de infrastructuurbeheerder of de
De hernieuwde toestemming voor ingebruikneming is altijd vereist wanneer de voorgenomen
werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor de algehele veiligheid van het betrokken sub-
systeem. Als een nieuwe toestemming nodig is, besluit de lidstaat in hoeverre de TSI's op het
project moeten worden toegepast. De lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten van
dit besluit in kennis.";
-
c)de volgende leden worden toegevoegd:
"4. Indien de lidstaten toestemming geven voor de ingebruikneming van rollend materieel,
dragen zij er tevens zorg voor dat aan elk rijtuig een alfanumerieke identificatiecode wordt
toegekend. Deze code dient op elk rijtuig te worden aangebracht en te worden opgenomen in
een nationaal register dat aan de volgende eisen voldoet:
-
a)het register voldoet aan de gemeenschappelijke specificaties als omschreven in lid 5;
-
b)het register wordt beheerd en bijgehouden door een instantie die onafhankelijk is van
enige spoorwegonderneming;
-
c)het register is toegankelijk voor de veiligheidsinstanties en de onderzoeksorganen die
zijn aangewezen in het kader van de artikelen 16 en 21 van Richtlijn 2004/xxx/EG van
het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees spoorwegbureau
("de Spoorwegbureauverordening") * voor wat betreft de gegevens die betrekking
Wanneer rollend materieel voor het eerst in een derde land in gebruik is genomen, mogen de lid-
staten rijtuigen aanvaarden die duidelijk geïdentificeerd zijn aan de hand van een verschillend code-
systeem. Vanaf het ogenblik waarop een lidstaat toestemming heeft verleend voor de ingebruik-
neming van dergelijke rijtuigen op zijn grondgebied, moet het evenwel mogelijk zijn de hieronder
in lid 5, onder c), d) en e), vermelde overeenkomstige gegevens via het nationaal rijtuigenregister
op te vragen.
-
5.De gemeenschappelijke specificaties van het register worden bepaald volgens de procedure van
artikel 21, lid 2, op basis van een concept-specificatie van het bureau. Deze ontwerp-specificaties
omvatten: inhoud, dataformaat, functionele en technische architectuur, bedrijfsmodus, voorschriften
voor gegevensinvoer en overleg. In dit register worden in ieder geval de volgende gegevens
opgenomen:
-
a)referenties van de EG-keuringsverklaring en van de dienst die deze verklaring heeft
afgegeven;
-
b)referenties van het register van rollend materieel als omschreven in artikel 24;
-
c)de gegevens van de eigenaar of de lessee van het rijtuig;
-
10)in artikel 16 wordt lid 3 vervangen door:
"3. Bij ontstentenis van TSI's (met inbegrip van de gevallen waarin op grond van artikel 7
kennis is gegeven van een afwijking) zenden de lidstaten aan de andere lidstaten en aan de
Commissie voor elk subsysteem een lijst van de technische voorschriften die gebruikt worden
voor de uitvoering van de essentiële eisen. Daarvan wordt uiterlijk op ... ** kennis gegeven en
vervolgens telkens wanneer de lijst van technische voorschriften wordt gewijzigd. Bij deze
gelegenheid wijzen de lidstaten tevens de instanties aan die, in het geval van technische voor-
schriften, worden belast met de uitvoering van de keuringsprocedure als bedoeld in
artikel 18.";
-
11)aan artikel 17 wordt het volgende lid toegevoegd:
"In dergelijke gevallen worden de TSI's herzien overeenkomstig artikel 6, lid 2. Indien
bepaalde technische aspecten die overeenkomen met essentiële eisen niet uitdrukkelijk
worden behandeld in een TSI, worden zij duidelijk omschreven in een bijlage van de TSI. Op
deze aspecten is artikel 16, lid 3 van toepassing.";
-
12)in artikel 20 wordt lid 5 vervangen door:
"5. De Commissie stelt een coördinatiegroep voor aangemelde instanties in, waar alle aange-
De Commissie en de waarnemers stellen het in artikel 21 bedoelde comité in kennis van de
werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de coördinatiegroep. De Commissie zal, in
voorkomend geval, de maatregelen voorstellen die nodig zijn om de problemen te verhelpen.
Waar nodig wordt het optreden van de aangemelde instanties gecoördineerd in overeen-
stemming met artikel 21.";
-
13)aan artikel 21 wordt het volgende lid toegevoegd:
"4. Het comité kan in voorkomend geval werkgroepen oprichten om zich te laten assisteren
bij de vervulling van zijn taken, met name met het oog op de coördinatie van de aangemelde
instanties.";
-
14)de volgende artikelen worden ingevoegd:
"Artikel 21 bis
De Commissie kan aan het Comité elke aangelegenheid voorleggen die verband houdt met de
uitvoering van deze richtlijn. Indien nodig, stelt de Commissie betreffende de uitvoering een
aanbeveling vast op de wijze die is omschreven in artikel 21, lid 2.
-
15)artikel 23 wordt vervangen door:
"Artikel 23
-
1.De volgorde van prioriteit voor de vaststelling van de TSI is als volgt, maar staat los van de
volgorde van aanneming van de opdrachten bedoeld in artikel 6, lid 1:
-
a)de eerste groep TSI's betreft de controle/besturing en de signalering; telematica-
toepassingen ten behoeve van het vrachtvervoer; de exploitatie en het beheer van het
treinverkeer (met inbegrip van kwalificaties van het personeel voor grensover-
schrijdende diensten, met inachtneming van de in de bijlagen II en III neergelegde
criteria); goederenwagons; geluidshinder in verband met het rollend materieel en de
infrastructuur;
Wat het rollend materieel betreft, wordt het materieel voor internationaal gebruik het
eerst ontwikkeld,
-
b)voorts komen de volgende aspecten aan bod naar gelang van de middelen van de
Commissie en het bureau: telematicatoepassingen ten behoeve van het reizigersvervoer,
onderhoud, met bijzondere aandacht voor veiligheid, reizigersrijtuigen, tractievoer-
tuigen, motortreinstellen, infrastructuur, energie, luchtverontreiniging;
Wat het rollend materieel betreft, wordt het materieel voor internationaal gebruik het
-
3.Het werkprogramma omvat de volgende etappes:
-
a)uitwerking, uitgaande van een door het bureau opgesteld plan, van een representatieve
architectuur voor het conventionele spoorwegsysteem op basis van de lijst van sub-
systemen (bijlage II), die de samenhang van de TSI's moet garanderen. Deze architec-
tuur moet met name de verschillende systeemonderdelen en hun interfaces omvatten; zij
dient als referentiekader voor de afbakening van het toepassingsgebied van elke TSI;
-
b)vaststelling van een modelstructuur voor de uitwerking van de TSI's;
-
c)vaststelling van een methodiek voor de kosten-batenanalyse van de met de TSI's
beoogde oplossingen;
-
d)vaststelling van de nodige opdrachten voor de uitwerking van de TSI's;
-
e)vaststelling van de fundamentele parameters voor elke TSI;
-
f)goedkeuring van de ontwerpen voor het normalisatieprogramma;
-
g)beheer van de overgangsperiode, die loopt van de datum van inwerkingtreding van
Richtlijn 2004/.../EG van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van
-
16)artikel 24, lid 2, wordt vervangen door:
"2. Een kopie van deze registers wordt toegezonden aan de betrokken lidstaten en aan het
bureau, en wordt ter beschikking gesteld aan belanghebbenden, waaronder ten minste de
professionele actoren in de sector.";
-
17)artikel 25, lid 1, wordt vervangen door:
"1. Aan de hand van de informatie die de lidstaten verstrekken in het kader van artikel 16,
lid 3, alsmede op basis van de technische vakliteratuur en de teksten van relevante inter-
nationale overeenkomsten stelt het bureau overeenkomstig de artikelen 3 en 12 van Veror-
dening nr. xx/20xx van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees
Spoorwegbureau ("Spoorwegbureauverordening") * een ontwerp op van een referentiekader
van technische voorschriften ter handhaving van het huidige interoperabiliteitsniveau van de
lijnen en het rollend materieel die overeenkomstig artikel 1, lid 3, aan de werkingssfeer van
deze richtlijn worden toegevoegd. Ingevolge de procedure van artikel 21, lid 2, bestudeert de
Commissie dit ontwerp en besluit zij of dit in afwachting van de vaststelling van de TSI's een
referentiekader kan vormen.
_________________
-
*PB L .";
-
-
19)in bijlage VII wordt aan punt 2 de volgende alinea toegevoegd:
"Met name dienen de instantie en het met de keuringen belaste personeel vanuit functioneel
oogpunt onafhankelijk te zijn van de overheden die zijn aangewezen voor de afgifte van
vergunningen voor ingebruikneming in het kader van deze richtlijn, van vergunningen in het
kader van Richtlijn 95/18/EG * van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de verlening van
vergunningen aan spoorwegondernemingen en van veiligheidscertificaten in het kader van
Richtlijn 2004/xxx/EG ++, alsmede van de diensten die belast zijn met onderzoek bij
ongevallen.
_______________
-
*PB L 143 van 27.6.1995, blz.. 70. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/13/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 75 van 15.3.2001, blz. 26.)";
-
20)bijlage VIII wordt geschrapt.
Artikel 3
De Commissie treft alle maatregelen die noodzakelijk zijn om bij de uitvoering van deze richtlijn zo
veel mogelijk recht te doen aan het ontwikkelingswerk van een TSI waarvoor reeds opdracht is
gegeven in het kader van Richtlijn 96/48/EG en Richtlijn 2001/16/EG, en zorgt ervoor dat die maat-
regelen geen gevolgen hebben voor projecten die zich in een gevorderd stadium van uitvoering
bevinden op de dag waarop deze richtlijn van kracht wordt.
Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn
verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels
voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 5
Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de
Europese Unie.
Artikel 6
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
BIJLAGE I
"BIJLAGE I
HET TRANS-EUROPESE HOGESNELHEIDSSPOORWEGSYSTEEM
-
1.INFRASTRUCTUUR
De infrastructuur van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem valt samen met de
lijnen van het trans-Europese vervoersnetwerk die zijn genoemd in Beschikking
nr. 1692/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende commu-
nautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van het trans-Europese vervoersnet *, of die
naderhand zijn opgenomen in een bijwerking van die beschikking in het kader van een
herziening van de richtsnoeren overeenkomstig artikel 21 van die beschikking.
Het hogesnelheidsnet omvat:
-
-de speciaal aangelegde hogesnelheidslijnen, die zijn uitgerust voor snelheden van
gewoonlijk ten minste 250 km/u;
-
-de lijnen die speciaal zijn aangepast voor hoge snelheden en die zijn uitgerust voor
snelheden van ongeveer 200 km/u;
-
2.ROLLEND MATERIEEL
Het in deze richtlijn bedoelde rollend materieel bestaat uit de treinen die zijn ontworpen om te
rijden:
-
-op speciaal voor hoge snelheid aangelegde lijnen, met een snelheid van ten minste
250 km/u, waarbij onder geschikte omstandigheden snelheden van meer dan 300 km/u
kunnen worden bereikt;
-
-of met een snelheid van ongeveer 200 km/u op de in punt 1 genoemde lijnen, voor zover
het prestatieniveau van die lijnen dit toelaat.
-
3.COMPATIBILITEIT BINNEN HET TRANS-EUROPESE HOGESNELHEIDS-
SPOORWEGSYSTEEM
Voor een kwalitatief hoogwaardig Europees spoorvervoer is onder andere een uitstekende
compatibiliteit tussen de kenmerken van de infrastructuur (in de ruime betekenis van het
woord, dus met inbegrip van de vaste componenten van alle betrokken subsystemen) en het
rollend materieel (met inbegrip van de in alle subsystemen opgenomen delen) een rand-
voorwaarde. Deze compatibiliteit is bepalend voor het niveau van de prestaties, de veiligheid,
de kwaliteit van de dienstverlening en voor de kosten daarvan."
BIJLAGE II
"BIJLAGE II
SUBSYSTEMEN
-
1.LIJST VAN SUBSYSTEMEN
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het systeem dat het trans-Europese hogesnel-
heidsspoorwegsysteem vormt, onderverdeeld in subsystemen die overeenkomen met:
-
a)gebieden van structurele aard:
-
-infrastructuur,
-
-energie,
-
-besturing en seingeving,
-
-exploitatie en verkeersleiding,
-
-rollend materieel,
-
b)gebieden van functionele aard:
-
-onderhoud,
Krachtens artikel 6, lid 1, worden deze opdrachten bepaald volgens de procedure van
artikel 21, lid 2.
Voorzover nodig, worden de in de opdrachten vermelde aspecten met betrekking tot de inter-
operabiliteit gepreciseerd door het bureau overeenkomstig artikel 5, lid 3, onder c)."
BIJLAGE III
"BIJLAGE I
HET TRANS-EUROPESE CONVENTIONELE SPOORWEGSYSTEEM
-
1.INFRASTRUCTUUR
De infrastructuur van het trans-Europese conventionele spoorwegsysteem komt overeen met
die van de lijnen van het trans-Europese vervoersnet die zijn genoemd in Beschikking
nr. 1692/96/EG *, of die naderhand zijn opgenomen in een bijwerking van de beschikking in
het kader van een herziening van de richtsnoeren overeenkomstig artikel 21 van de
beschikking.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt dit netwerk onderverdeeld in de volgende
categorieën:
lijnen voor personenvervoer;
-
lijnen voor gemengd vervoer (personen, goederen);
-
lijnen die speciaal zijn ontworpen of aangelegd voor het goederenvervoer;
Deze infrastructuur omvat verkeersleidings-, lokalisatie- en navigatiesystemen: technische
installaties voor gegevensverwerking en telecommunicatie ten behoeve van het langeafstands-
reizigersvervoer en het goederenvervoer over dit net om een veilige en soepele exploitatie van
het net en een efficiënte verkeersleiding te waarborgen.
-
2.ROLLEND MATERIEEL
Het rollend materieel omvat alle uitrusting die geschikt is om te rijden op het gehele of op een
gedeelte van het trans-Europese conventionele spoorwegnet, met inbegrip van:
al dan niet elektrische motortreinstellen;
al dan niet elektrische tractievoertuigen;
-
reizigersrijtuigen;
wagons voor vrachtvervoer, met inbegrip van het rollend materieel dat ontworpen is voor het
vervoer van vrachtwagens.
Uitrusting voor de bouw en het onderhoud van mobiele spoorweginfrastructuur valt hier-
onder, maar is niet de eerste prioriteit.
-
3.COMPATIBILITEIT BINNEN HET CONVENTIONELE TRANS-EUROPESE SPOOR-
WEGSYSTEEM
Voor een kwalitatief hoogwaardig Europees spoorvervoer is onder andere een uitstekende
compatibiliteit tussen de kenmerken van de infrastructuur (in de ruime betekenis van het
woord, dus met inbegrip van de vaste componenten van alle betrokken subsystemen) en het
rollend materieel (met inbegrip van de in alle subsystemen opgenomen delen) een rand-
voorwaarde. Deze compatibiliteit is bepalend voor het niveau van de prestaties, de veiligheid,
de kwaliteit van de dienstverlening en voor de kosten daarvan.
-
4.VERRUIMING VAN DE WERKINGSSFEER
-
1.SUBCATEGORIEËN LIJNEN EN ROLLEND MATERIEEL
Met het oog op een kosteneffectieve interoperabiliteit worden alle in deze bijlage
vermelde categorieën lijnen en rollend materieel indien nodig verder uitgewerkt in sub-
categorieën. Zo nodig mogen de functionele en technische specificaties als bedoeld in
artikel 5, lid 3, verschillen naargelang van de subcategorie.
-
2.KOSTENBEHEERSINGSMAATREGELEN
Bij het bepalen van de kosten-batenanalyse van de voorgenomen maatregelen, dient
-
-daling van de investerings- en de onderhouds-/werkingskosten ten gevolge van
toegenomen concurrentie tussen producenten en onderhoudsfirma's,
-
-milieuvoordelen, ten gevolge van technische verbeteringen van het spoorweg-
systeem,
-
-een verbetering van de bedrijfsveiligheid.
Bovendien worden daarin de verwachte gevolgen voor alle betrokken exploitanten en eco-
nomische subjecten vermeld.
____________
-
*OJ L 228 van 9.9.1996, blz. 1. Beschikking gewijzigd bij Beschikking nr. 1346/2001/EG (PB L 185 van 6.7.2001, blz. 1.)"
________________
| publicatiedatum | 20-04-2004 |
|---|---|
| kenmerk | 3639/04 |
