Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG van de Raad - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VANBrussel, 1 juli 2004 (07.07)

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

10468/04

Interinstitutioneel dossier:

2003/0172 (COD)

ENER 168 ENV 339 MI 188 CODEC 815

NOTA

van:

het secretariaat-generaal van de Raad

aan: de delegaties

nr. vorig doc.: 10473/04 ENER 171 ENV 341 MI 189 CODEC 818

nr. Comv.: 12082/03 ENER 240 ENV 430 CODEC 1095

Betreft: Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG van de Raad

Voor de delegaties gaat hierbij de tekst van het bovengenoemde voorstel na bespreking door de

Groep energie van 30 juni 2004. De tekst wordt aan de juristen-vertalers toegezonden om te worden

Ontwerp

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van voorschriften

inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten en tot wijziging van

de Richtlijnen 92/42/EEG, 96/57/EG en 2000/55/EG van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie *,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité **,

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ***,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De verschillen tussen de door de lidstaten goedgekeurde wetten en bestuursrechtelijke

maatregelen betreffende het ecologische ontwerp van energieverbruikende producten kunnen

in de Gemeenschap handelsbelemmeringen doen ontstaan en de concurrentie verstoren en

aldus een direct effect op de totstandbrenging en de werking van de interne markt hebben. De

harmonisatie van de nationale wetten is het enige middel om dergelijke handels-

belemmeringen en oneerlijke concurrentie te voorkomen.

(2) Energieverbruikende producten (hierna "evp's" genoemd) nemen een groot deel van het

(3) Ecologisch productontwerp is een essentieel element van de communautaire strategie inzake

geïntegreerd productbeleid. Het betreft een preventieve aanpak die erop gericht is de

milieuprestaties van producten te optimaliseren en tegelijk hun functionele kenmerken te

behouden, en die reële nieuwe kansen schept voor fabrikanten, consumenten en de samen-

leving in haar geheel.

(4) De verbetering van de energie-efficiëntie - met als een van de beschikbare opties een

efficiënter eindgebruik van elektriciteit - wordt beschouwd als een substantiële bijdrage tot

het verwezenlijken van de EU-doelstellingen inzake broeikasgasemissies. De vraag naar

elektriciteit is de snelst groeiende categorie van eindgebruik van energie en zal, indien er geen

beleidsmaatregelen worden genomen om deze trend tegen te gaan, naar verwachting in de

komende 20 tot 30 jaar verder toenemen []. Een aanzienlijke reductie van het energieverbruik

zoals die is voorgesteld in het door de Commissie bekendgemaakte Europees programma

inzake klimaatverandering is mogelijk. Klimaatverandering is een van de prioriteiten van het

zesde milieuactieprogramma *. Energiebesparing is de meest kostenefficiënte manier om de

continuïteit van de voorziening te verbeteren en de afhankelijkheid van invoer te reduceren.

Derhalve moeten met betrekking tot de vraagzijde substantiële maatregelen en doelstellingen

worden vastgesteld.

(5) Er moeten maatregelen worden genomen in de ontwerpfase van het energieverbruikende

product, aangezien de tijdens de levenscyclus van een product ontstane verontreiniging en het

merendeel van de milieukosten in die fase worden gegenereerd.

(6) Er moet een samenhangend kader voor de toepassing van communautaire eisen inzake

ook dat naar behoren rekening wordt gehouden met het gezondheids- en het sociale en het

economische effect van de voorgenomen maatregelen. De verbetering van het energie-

rendement van producten draagt bij tot de zekerheid van de energievoorziening, die een

voorwaarde is voor een gezonde economische activiteit en bijgevolg voor duurzame

ontwikkeling.

(9) Om met ontwerpverbetering maximale milieuvoordelen te kunnen behalen kan het nodig zijn

consumenten te informeren omtrent de milieueigenschappen en de milieuprestaties van

energieverbruikende producten en hen van advies te dienen over manieren om op een milieu-

vriendelijke manier met deze producten om te gaan.

(10) De in het Groenboek geïntegreerd productbeleid * beschreven aanpak, die een belangrijk

innovatief element is van het zesde milieuactieprogramma [], heeft tot doel de milieueffecten

van producten gedurende hun gehele levenscyclus te verminderen. Indien er in het ontwerp-

stadium rekening mee wordt gehouden, biedt het milieueffect van een product gedurende de

gehele levenscyclus grote mogelijkheden om de bescherming van het milieu op kosten-

effectieve wijze te bevorderen. Er moet worden gezorgd voor de nodige flexibiliteit om die

factoren in het productontwerp te integreren en tegelijkertijd rekening te houden met

technische, functionele en economische overwegingen.

(11) Hoewel een brede visie op het milieuprestatieconcept wenselijk is, moet, in afwachting van de

aanneming van het werkprogramma, beperking van broeikasgasemissies door verbetering van

de energie-efficiëntie als een prioritaire milieudoelstelling worden aangemerkt.

(12) Het kan noodzakelijk en gerechtvaardigd zijn specifieke gekwantificeerde eisen inzake

ecologisch ontwerp vast te stellen voor sommige producten of milieuaspecten daarvan,

teneinde ervoor te zorgen dat hun milieueffect tot een minimum wordt beperkt. Gelet op de

(13) Het niveau van de eisen inzake ecologisch ontwerp moet normaliter worden vastgesteld op

basis van technische, economische en ecologische analyses. Door flexibiliteit in de methode

voor het vaststellen van het niveau van de eisen kan een snelle verbetering van milieu-

prestaties worden bevorderd. De belanghebbende partijen moeten worden geraadpleegd en

actief aan deze analyse meewerken. Voordat bindende maatregelen wordt vastgesteld, moeten

de betrokken partijen naar behoren worden geraadpleegd. Een dergelijke raadpleging kan aan

het licht brengen dat een geleidelijke invoering nodig is of dat overgangsmaatregelen nood-

zakelijk zijn. De invoering van tussentijdse streefdoelen vergroot de voorspelbaarheid van het

beleid, maakt de aanpassing van de productontwikkelingscyclus mogelijk en maakt het voor

de belanghebbenden gemakkelijker om op lange termijn te plannen.

(14) Er moet prioriteit worden verleend aan alternatieve wijzen van aanpak zoals zelfregulering

door de industrie wanneer de beleidsdoelstellingen met zulke maatregelen sneller of goed-

koper kunnen worden bereikt dan met bindende voorschriften. Wetgevingsmaatregelen

kunnen nodig zijn wanneer de marktkrachten niet in de goede richting of niet snel genoeg

evolueren.

(15) Met zelfregulerende maatregelen, met inbegrip van vrijwillige overeenkomsten zoals uni-

laterale verbintenissen van de industrie, is snelle vooruitgang mogelijk wegens de snelle en

kostenefficiënte uitvoering, en wordt een soepele en gerichte aanpassing aan technologische

keuzemogelijkheden en marktgevoeligheden mogelijk gemaakt.

(16) Hoofdstuk 6 van de mededeling van de Commissie over "Milieuconvenanten op het niveau

van de Gemeenschap binnen het kader van het actieplan inzake de vereenvoudiging en

verbetering van de regelgeving" * kan een goede leidraad zijn bij de beoordeling van zelf-

regulering door de industrie in het kader van deze richtlijn.

(19) Wanneer de Commissie uitvoeringsmaatregelen en het werkplan opstelt, dient zij overleg te

plegen met de vertegenwoordigers van de lidstaten en met de verschillende belanghebbende

partijen van de productgroep, zoals het bedrijfsleven, met inbegrip van het MKB en de

ambachtelijke industrie, vakbonden, handelaars, kleinhandelaars, importeurs, milieu-

organisaties en consumentenorganisaties.

(20) Bij het opstellen van een uitvoeringsmaatregel houdt de Commissie terdege rekening met de

bestaande nationale milieuwetgeving, met name betreffende toxische stoffen, waarvan de

lidstaten vinden dat die moet worden gehandhaafd; bestaande, gerechtvaardigde

beschermingsniveaus in de lidstaten worden niet verlaagd.

(21) Er moet rekening worden gehouden met de voor gebruik in richtlijnen inzake technische

harmonisatie bedoelde modules en voorschriften die zijn vastgesteld bij Besluit 93/465/EEG

van de Raad van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de

overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het

gebruik van de CE-markering van overeenstemming *.

(22) De toezichtautoriteiten moeten informatie uitwisselen over de binnen het toepassingsgebied

van deze richtlijn voorgenomen maatregelen teneinde het markttoezicht te verbeteren. Bij

deze samenwerking moet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van elektronische

communicatiemiddelen en de hierop betrekking hebbende communautaire programma's. De

uitwisseling van informatie over de tijdens de levenscyclus geleverde milieuprestaties en over

de resultaten van de toegepaste ontwerpoplossingen moet worden vergemakkelijkt. De

verzameling en de verspreiding van de kennis die de fabrikanten op het gebied van ecologisch

(25) Een van de belangrijkste functies van geharmoniseerde normen moet zijn, fabrikanten te

helpen bij de toepassing van de uitvoeringsmaatregelen die uit hoofde van deze richtlijn zijn

aangenomen. Die normen kunnen een essentiële rol spelen bij het vaststellen van meet- en

testmethoden. In het geval van de generieke voorschriften inzake ecologisch ontwerp kunnen

geharmoniseerde normen een belangrijke rol spelen als richtsnoer voor de fabrikanten om het

ecologische profiel van hun product op te stellen overeenkomstig het bepaalde in de toe-

passelijke uitvoeringsmaatregel. In deze normen moet duidelijk het verband worden aan-

gegeven tussen hun bepalingen en de voorschriften waaraan moet worden voldaan. Het doel

van geharmoniseerde normen is niet het vaststellen van grenswaarden voor milieuaspecten.

(26) Het is nuttig dat in de in deze richtlijn gebruikte definities wordt verwezen naar toepasselijke

internationale normen zoals ISO 14040.

(27) Deze richtlijn is in overeenstemming met beginselen voor de tenuitvoerlegging van de nieuwe

aanpak zoals beschreven in de resolutie van de Raad van 7 mei 1985 betreffende een nieuwe

aanpak op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie * en van de verwijzingen

naar geharmoniseerde Europese normen. De Resolutie van de Raad van 28 oktober 1999 **

bevatte de aanbeveling dat de Commissie zou onderzoeken of het beginsel van de nieuwe

aanpak tot nog niet bestreken sectoren kon worden uitgebreid, als middel om de wetgeving te

verbeteren en te vereenvoudigen waar dit mogelijk is.

(28) Deze richtlijn is complementair met bestaande communautaire instrumenten zoals Richtlijn

92/75/EEG van de Raad van 22 september 1992 betreffende de vermelding van het energie-

verbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaard-

***

beperking van het op de markt brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en

preparaten *. De synergieën tussen deze richtlijn en de bestaande communautaire

instrumenten moeten bijdragen tot de verhoging van hun respectieve effect en tot de

formulering van coherente, door de fabrikanten toe te passen eisen.

(29) Aangezien Richtlijn 92/42/EEG van de Raad van 21 mei 1992 betreffende de rendements-

eisen voor nieuwe olie- en gasgestookte centraleverwarmingsketels **, Richtlijn 96/57/EG van

het Europees Parlement en de Raad van 3 september 1996 betreffende normen voor de

energie-efficiëntie van huishoudelijke elektrische koelkasten, diepvriezers en combinaties

daarvan *** en Richtlijn 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van

18 september 2000 inzake de energierendementseisen voor voorschakelapparaten voor

fluorescentielampen **** reeds bepalingen bevatten voor de herziening van de energie-

rendementseisen, moeten zij in dit kader worden geïntegreerd.

(30) Richtlijn 92/42/EEG voorziet in een beoordelingssysteem door middel van sterren, dat

bedoeld is om de energieprestaties van centraleverwarmingsketels te bepalen Aangezien de

lidstaten en de industrie het ermee eens zijn dat het beoordelingssysteem met sterren niet het

verwachte resultaat heeft opgeleverd, moet Richtlijn 92/42/EEG dienovereenkomstig worden

gewijzigd om efficiëntere regelingen mogelijk te maken.

(31) De eisen vastgesteld in Richtlijn 78/170/EEG van de Raad van 13 februari 1978 betreffende

het rendement van verwarmingstoestellen die gebruikt worden voor de verwarming van

ruimten en voor de productie van warm water in nieuwe of bestaande niet-industriële

gebouwen, alsmede betreffende de isolatie van netten voor de distributie van warmte en van

warm water voor huishoudelijke doeleinden in nieuwe niet-industriële gebouwen ***** zijn

vervangen door bepalingen van Richtlijn 92/42/EEG, Richtlijn 90/396/EEG van de Raad van

(32) In Richtlijn 86/594/EEG van de Raad van 1 december 1986 betreffende het door huis-

houdelijke apparaten voortgebrachte luchtgeluid *, worden de voorwaarden vastgesteld

waaronder de lidstaten het publiceren van informatie over het door dergelijke apparaten

voortgebrachte geluid verplicht kunnen stellen, en wordt een procedure voor het vaststellen

van het geluidsniveau omschreven. Met het oog op harmonisatie moeten geluidsemissies in

een geïntegreerde beoordeling van de milieuprestaties worden opgenomen. Aangezien deze

richtlijn in een dergelijke geïntegreerde aanpak voorziet, moet Richtlijn 86/594/EEG worden

ingetrokken.

(33) De nodige maatregelen voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn moeten worden goed-

gekeurd overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling

van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoerings-

bevoegdheden **.

(34) De lidstaten moeten de sancties bepalen die moeten worden toegepast in geval van inbreuk op

de krachtens deze richtlijn goedgekeurde nationale bepalingen. Deze sancties dienen doel-

treffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

(35) In punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" (PB C 321 van 31.12.2003)

wordt het volgende bepaald: "De Raad spoort de lidstaten ertoe aan voor zichzelf en in het

belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die, voorzover mogelijk, het

verband weergeven tussen de richtlijnen en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te

maken".

(36) Aangezien de doelstellingen van de voorgestelde maatregel, namelijk het garanderen van de

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

  • 1. 
    Deze richtlijn schept een kader voor de vaststelling van communautaire voorschriften inzake

ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten, teneinde het vrije verkeer van die

producten in de interne markt te garanderen.

  • 2. 
    De richtlijn voorziet in de vaststelling van voorschriften waaraan energieverbruikende

producten die onder uitvoeringsmaatregelen vallen, moeten voldoen om in de handel te

kunnen worden gebracht en/of in gebruik te kunnen worden genomen. Zij draagt bij tot

duurzame ontwikkeling door de energie-efficiëntie en het niveau van milieubescherming te

verhogen en tegelijk de zekerheid van de energievoorziening te vergroten.

  • 3. 
    Deze richtlijn is niet van toepassing op middelen voor het vervoer van personen of goederen.
  • 4. 
    Deze richtlijn en de uitvoeringsmaatregelen uit hoofde van deze richtlijn doen geen afbreuk

aan de communautaire wetgeving inzake afvalbeheer en de communautaire wetgeving inzake

chemische stoffen, met inbegrip van gefluoreerde broeikasgassen.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

(2) "componenten en subeenheden": onderdelen die bedoeld zijn om in evp's te worden

ingebouwd en die niet als losse onderdelen ten behoeve van eindgebruikers in de handel

worden gebracht en/of in gebruik worden genomen of waarvan de milieuprestaties niet

onafhankelijk kunnen worden beoordeeld;

(3) "uitvoeringsmaatregelen": krachtens deze richtlijn goedgekeurde maatregelen tot vaststelling

van ecologische ontwerpvoorschriften voor gedefinieerde evp's of voor milieuaspecten

daarvan;

(4) "in de handel brengen": een evp voor het eerst op de communautaire markt aanbieden, tegen

vergoeding of kosteloos, met het oog op de distributie of het gebruik ervan binnen de

Gemeenschap, ongeacht de verkooptechniek;

(5) "ingebruikneming": eerste gebruik door de eindgebruiker van een evp in de Gemeenschap,

overeenkomstig het gebruiksdoel;

(6) "fabrikant": natuurlijke of rechtspersoon die onder deze richtlijn vallende evp's vervaardigt en

verantwoordelijk is voor de overeenstemming van het evp met deze richtlijn met het oog op

het in de handel brengen en/of het in gebruik nemen ervan onder zijn eigen naam of handels-

merk of voor eigen gebruik. Bij het ontbreken van een fabrikant zoals gedefinieerd in de

eerste zin, wordt een natuurlijke of rechtspersoon die de onder deze richtlijn vallende evp's in

de handel brengt en/of in gebruik neemt, als fabrikant beschouwd;

(7) "gevolmachtigde": elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon

die schriftelijk door de fabrikant is gemachtigd om namens hem alle of een deel van de

verplichtingen en formaliteiten in verband met deze richtlijn te vervullen;

(8) "materialen": alle materialen die tijdens de levenscyclus van de producten gebruikt worden;

(9) "productontwerp": de reeks processen waarbij wettelijke, technische, veiligheids-,

functionele, markt- of andere voorschriften waaraan het product moet voldoen, in de

technische specificatie van een evp worden omgezet;

(14) "recycling": herverwerking van afvalstoffen in een productieproces voor het oorspronkelijke

doel of voor andere doeleinden, met uitsluiting van energieterugwinning. Onder energie-

terugwinning wordt verstaan het gebruik van brandbaar afval als middel om energie op te

wekken door directe verbranding met of zonder ander afval, maar met terugwinning van de

warmte;

(15) "terugwinning": elk van de toepasselijke werkzaamheden vermeld in bijlage II B bij Richtlijn

75/442/EEG van de Raad; *

(16) "afvalstoffen": elke stof of elk voorwerp van de in bijlage I bij Richtlijn 75/442/EEG

vermelde categorieën waarvan de houder zich ontdoet of van plan is zich te ontdoen of zich

moet ontdoen;

(17) "gevaarlijke afvalstoffen": alle afvalstoffen waarop artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EG

van de Raad van toepassing is; **

(18) "ecologisch profiel": een beschrijving, overeenkomstig de op het evp toepasselijke

uitvoeringsmaatregel, van de over de gehele levenscyclus aan een evp verbonden inputs en

outputs (zoals grondstoffen, emissies en afvalstoffen) die uit het oogpunt van hun milieueffect

significant zijn en in meetbare fysische grootheden worden uitgedrukt;

(19) "milieuprestaties" van een evp: de resultaten van het beheer van de milieuaspecten van het

evp door de fabrikant, zoals weergegeven in het technisch documentatiedossier van het evp;

(20) "verbetering van de milieuprestaties": het proces bestaande in het verbeteren van de milieu-

prestaties van een evp over opeenvolgende generaties, hoewel niet noodzakelijkerwijze met

betrekking tot alle milieuaspecten van het product tegelijkertijd;

(21) "ecologisch ontwerp": de integratie van milieuaspecten in het productontwerp met het doel de

milieuprestaties van het evp over zijn gehele levenscyclus te verbeteren;

(22) "voorschrift inzake ecologisch ontwerp": elk voorschrift met betrekking tot een evp of het

ontwerp van een evp dat wordt vastgesteld met het doel de milieuprestaties ervan te

(25) "geharmoniseerde norm": een technische specificatie die op basis van een mandaat van de

Commissie door een erkende normalisatie-instelling is goedgekeurd overeenkomstig de in

Richtlijn 98/34/EG vastgestelde procedures voor het vaststellen van een Europees voorschrift,

waarvan de inachtneming niet verplicht is.

Artikel 3

In de handel brengen en/of in gebruik nemen

  • 1. 
    De lidstaten nemen alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat onder uitvoerings-

maatregelen vallende evp's alleen in de handel kunnen worden gebracht en/of in gebruik

kunnen worden genomen indien zij in overeenstemming zijn met die maatregelen en zij van

de CE-markering overeenkomstig artikel 4 voorzien zijn.

  • 2. 
    De lidstaten wijzen de instanties aan die verantwoordelijk zijn voor het markttoezicht. Zij zien

erop toe dat deze instanties over de nodige bevoegdheden beschikken en deze gebruiken om

de passende maatregelen te nemen die uit hoofde van deze richtlijn tot hun taak behoren. De

lidstaten bepalen de taken, de bevoegdheden en de organisatorische regelingen van de

bevoegde instanties, die het recht hebben:

  • i) 
    op passende schaal de nodige controles te organiseren om vast te stellen of zij aan de

voorschriften voldoen, en de fabrikant of importeur te verplichten producten die niet aan

de voorschriften voldoen, van de markt te halen overeenkomstig artikel 6,

  • ii) 
    te verlangen dat de betrokken partijen alle noodzakelijke gegevens verstrekken, zoals

nader omschreven in de uitvoeringsmaatregelen,

  • iii) 
    monsters van producten te nemen en deze te onderwerpen aan controles op de naleving.
  • 3. 
    De lidstaten houden de Commissie op de hoogte van de resultaten van het markttoezicht, en

indien noodzakelijk geeft de Commissie deze informatie door aan de andere lidstaten.

  • 2. 
    De CE-markering van overeenstemming bestaat uit het opschrift "CE" zoals weergegeven in

bijlage III.

  • 3. 
    De verklaring van overeenstemming bevat de in bijlage VI gespecificeerde elementen en

verwijst naar de relevante uitvoeringsmaatregel.

  • 4. 
    Het is verboden op evp's markeringen aan te brengen die de gebruikers kunnen misleiden

omtrent de betekenis of de vorm van de CE-markering.

  • 5. 
    De lidstaten mogen verlangen dat de overeenkomstig deel 2 van bijlage I te verstrekken

informatie in hun officiële taal of talen is gesteld wanneer het evp in handen van de

eindgebruiker komt.

De lidstaten staan ook toe dat deze informatie in een of meer andere officiële talen van de

Gemeenschap wordt verstrekt.

Bij de toepassing van de eerste alinea houden de lidstaten met name rekening met:

  • a) 
    de vraag of de informatie kan worden verstrekt door middel van geharmoniseerde

symbolen of erkende codes of door toepassing van andere maatregelen;

  • b) 
    het te verwachten type gebruiker van het evp en de aard van de te verstrekken

informatie.

Artikel 5

Vrij verkeer

  • 1. 
    De lidstaten mogen het in de handel brengen en/of in gebruik nemen op hun grondgebied van
  • 3. 
    De lidstaten mogen niet verhinderen dat evp's die niet in overeenstemming zijn met de bepa-

lingen van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel, worden getoond, bijvoorbeeld op handels-

beurzen en tentoonstellingen en tijdens demonstraties, mits zichtbaar is aangegeven dat zij

niet in overeenstemming zijn en dat zij niet in de handel worden gebracht/ in gebruik worden

genomen zolang zij niet in overeenstemming zijn.

Artikel 6

Vrijwaringsclausule

  • 1. 
    Wanneer een lidstaat constateert dat een evp dat voorzien is van de in artikel 4 bedoelde

CE-markering en overeenkomstig het bedoelde gebruik wordt gebruikt, niet aan alle relevante

bepalingen van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel voldoet, wordt de fabrikant of zijn

gemachtigde verplicht om het evp in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de

toepasselijke uitvoeringsmaatregel en/of met de CE-markering en om onder de door de

lidstaat opgelegde voorwaarden een eind te maken aan de inbreuk.

Wanneer de niet-naleving voortduurt, beperkt of verbiedt de lidstaat het in de handel brengen

en/of in gebruik nemen van het evp in kwestie of zorgt hij ervoor dat het product uit de handel

wordt genomen.

  • 2. 
    In elk op grond van deze richtlijn genomen besluit van een lidstaat waardoor het in de handel

brengen en/of in gebruik nemen van een evp wordt beperkt, worden de redenen opgegeven

waarop het is gebaseerd.

Een dergelijk besluit wordt onverwijld ter kennis gebracht van de betrokkene, die tegelijker-

tijd op de hoogte wordt gebracht van de rechtsmiddelen die hem overeenkomstig de in de

  • 4. 
    De Commissie treedt onverwijld in overleg met de betrokken partijen en kan het technisch

advies inwinnen van onafhankelijke externe deskundigen.

Na dat overleg stelt de Commissie de lidstaat die het initiatief heeft genomen en de andere

lidstaten onmiddellijk in kennis van haar zienswijze.

Wanneer de Commissie van oordeel is dat het besluit niet gerechtvaardigd is, stelt zij de

lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis.

  • 5. 
    Indien het in de eerste alinea van lid 1 bedoelde besluit genomen is naar aanleiding van een

tekortkoming in de geharmoniseerde normen, leidt de Commissie onmiddellijk de in artikel 9,

leden 2, 3 en 4, beschreven procedure in. De Commissie brengt tegelijkertijd het in artikel 15,

lid 1, bedoelde comité op de hoogte.

  • 6. 
    De lidstaten en de Commissie nemen de nodige maatregelen om, wanneer dit gerechtvaardigd

is, de geheimhouding van de tijdens die procedure verstrekte informatie te garanderen.

  • 7. 
    De door de lidstaten overeenkomstig dit artikel genomen besluiten worden op transparante

wijze openbaar gemaakt.

Het standpunt van de Commissie ten aanzien van die besluiten wordt in het Publicatieblad

van de Europese Unie bekendgemaakt.

Artikel 7

Overeenstemmingsbeoordeling

ontwerpcontrole en het in bijlage V beschreven beheersysteem. Wanneer dit naar behoren

gerechtvaardigd en evenredig met het risico is, wordt de overeenstemmingsbeoordelings-

procedure gekozen uit de toepasselijke modules zoals beschreven in Besluit 93/465/EEG.

Indien een onder uitvoeringsmaatregelen vallend evp wordt ontworpen door een organisatie

die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad

is geregistreerd en de ontwerpfunctie in het toepassingsgebied van die registratie is

opgenomen, wordt aangenomen dat het beheersysteem van die organisatie aan de eisen van

bijlage V van deze richtlijn voldoet.

Indien een onder uitvoeringsmaatregelen vallend evp wordt ontworpen door een organisatie

die een beheersysteem heeft dat de productontwerpfunctie omvat en dat wordt toegepast

overeenkomstig geharmoniseerde normen waarvan het referentienummer in het Publicatie-

blad van de Europese Unie is bekendgemaakt, wordt aangenomen dat dit beheersysteem aan

de overeenkomstige eisen van bijlage V voldoet.

  • 3. 
    Na het in de handel brengen en/of in gebruik nemen van een onder uitvoeringsmaatregelen

vallend evp, houdt de fabrikant of zijn gemachtigde relevante documenten betreffende de

uitgevoerde overeenstemmingsbeoordeling en de afgegeven verklaringen van overeen-

stemming gedurende een periode van tien jaar na de vervaardiging van het laatste evp

beschikbaar voor inspectie door de lidstaten.

De relevante documenten worden binnen tien dagen na ontvangst van een verzoek van de

bevoegde autoriteit van een lidstaat beschikbaar gesteld.

  • 2. 
    De lidstaten beschouwen evp's waarvoor geharmoniseerde normen zijn toegepast waarvan het

referentienummer in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, als conform

alle relevante voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel waarop die normen

betrekking hebben.

milieukeur is toegekend, wordt aangenomen dat ze voldoen aan de voorschriften inzake

ecologisch ontwerp van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel in zoverre de milieukeur aan

die voorschriften voldoet.

  • 4. 
    Het vermoeden van overeenstemming in de zin van deze richtlijn houdt in dat de Commissie,

handelend volgens de in artikel 15 bedoelde procedure, kan besluiten dat andere milieukeuren

overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1980/2000 voldoen aan voorwaarden die ten opzichte

van de communautaire milieukeur gelijkwaardig zijn. Van evp's waaraan zulk een milieukeur

is toegekend, wordt aangenomen dat zij voldoen aan de voorschriften inzake ecologisch

ontwerp van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel in zoverre de milieukeur aan die voor-

schriften voldoet.

Artikel 9

Geharmoniseerde normen

  • 1. 
    De lidstaten zorgen er voorzover mogelijk voor dat passende maatregelen worden genomen

om de belanghebbenden op nationaal niveau te kunnen raadplegen over het proces van het

opstellen van en het toezicht op de geharmoniseerde normen.

  • 4. 
    De Commissie stelt de desbetreffende Europese normalisatie-instelling hiervan in kennis en

verleent zo nodig een nieuw mandaat ter herziening van de geharmoniseerde norm in kwestie.

Artikel 10

Voorschriften inzake componenten en subeenheden

Op grond van uitvoeringsmaatregelen kunnen fabrikanten of hun gemachtigden die componenten en

subeenheden op de markt brengen en/of in gebruik nemen, worden verplicht aan de fabrikant van

evp's die onder uitvoeringsmaatregelen vallen relevante informatie te verstrekken over de materiaal-

samenstelling en het verbruik van energie, materialen en/of hulpbronnen van de door hen geprodu-

ceerde componenten of subeenheden.

Artikel 11

Administratieve samenwerking en uitwisseling van informatie

  • 1. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat passende maatregelen worden genomen om de voor de uit-

voering van deze richtlijn bevoegde autoriteiten aan te moedigen met elkaar samen te werken

en aan elkaar en aan de Commissie informatie te verstrekken teneinde de werking van deze

richtlijn te ondersteunen, met name wat de uitvoering van artikel 6 betreft.

De administratieve samenwerking en uitwisseling van informatie geschieden met maximale

gebruikmaking van elektronische communicatiemiddelen en kunnen door relevante commu-

nautaire programma's worden ondersteund.

De lidstaten delen de Commissie mee welke autoriteiten bevoegd zijn voor de toepassing van

deze richtlijn.

Artikel 12

Uitvoeringsmaatregelen

  • 1. 
    De Commissie stelt volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsmaatregelen

vast.

  • 2. 
    Een evp waarop een uitvoeringsmaatregel van toepassing moet zijn, voldoet aan de volgende

criteria:

  • a) 
    het evp vertegenwoordigt volgens de laatst beschikbare cijfers in de EG een omzet- en

handelsvolume van meer dan 200.000 eenheden;

  • b) 
    het evp heeft, gelet op de hoeveelheden die in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn

genomen, in de EG een significant milieueffect, zoals bepaald in bij Besluit

nr. 1600/2002/EG vastgestelde prioriteiten van de Gemeenschap;

  • c) 
    het evp biedt een significant potentieel voor verbetering met betrekking tot het milieu-

effect zonder dat dit buitensporige kosten met zich meebrengt. Aan dit criterium wordt

voldaan op de volgende voorwaarden:

  • er is geen andere communautaire wetgeving van toepassing;
  • het probleem wordt niet door marktwerking opgelost;
  • tussen de op de markt beschikbare evp's met een gelijkwaardige functionaliteit

bestaan grote verschillen in milieuprestaties.

  • 3. 
    Wanneer de Commissie overweegt een ontwerp voor een uitvoeringsmaatregel op te stellen,

houdt zij rekening met de standpunten van het comité bedoeld in artikel 15, alsook met

  • a) 
    communautaire milieuprioriteiten zoals die welke vermeld staan in Besluit

nr. 1600/2002/EG of in het Europees Programma inzake klimaatverandering van de

  • b) 
    voert zij een analyse uit waarin de gevolgen voor milieu, consumenten en fabrikanten,

met inbegrip van het midden- en kleinbedrijf, beoordeeld worden vanuit het oogpunt

van concurrentievermogen, innovatie, markttoegang en kosten en baten;

  • c) 
    houdt zij rekening met de bestaande nationale milieuwetgeving die de lidstaten als

relevant beschouwen;

  • d) 
    pleegt zij naar behoren overleg met de belanghebbenden;
  • e) 
    stelt zij, op basis van de onder b) genoemde beoordeling, een toelichting op bij het

ontwerp voor een uitvoeringsmaatregel;

  • f) 
    bepaalt zij de uitvoeringsdatum c.q. data en een eventuele gefaseerde of overgangs-

maatregel of -periode, met inachtneming van met name eventuele consequenties voor

het midden- en kleinbedrijf of voor specifieke productgroepen die in hoofdzaak door het

midden- en kleinbedrijf worden vervaardigd.

  • 5. 
    De uitvoeringsmaatregelen voldoen aan de volgende criteria:
  • a) 
    er is, vanuit het oogpunt van de gebruiker, geen significant nadelig effect voor de

werking van het product;

  • b) 
    er zijn geen schadelijke gevolgen voor de gezondheid, de veiligheid en het milieu;
  • c) 
    er is geen significant nadelig effect voor de consument, met name niet wat de betaal-

baarheid en de levenscycluskosten van het product betreft;

  • d) 
    er is geen significant nadelig effect voor het concurrentievermogen van fabrikanten, ook

niet op markten buiten de Gemeenschap;

  • e) 
    in principe heeft het vaststellen van een ecologisch ontwerpvoorschrift niet tot gevolg

dat een fabrikantgebonden technologie aan producenten wordt opgelegd;

  • f) 
    aan de fabrikant wordt geen overdreven zware administratieve last opgelegd.
  • 7. 
    De voorschriften moeten zodanig worden geformuleerd dat gegarandeerd wordt dat de

instanties voor markttoezicht kunnen nagaan of de evp voldoet aan de eisen van de

uitvoeringsmaatregel. De uitvoeringsmaatregel moet specificeren of de controle direct op het

evp dan wel op basis van de technische documentatie kan plaatsvinden.

  • 8. 
    De uitvoeringsmaatregelen omvatten de in bijlage VII vermelde elementen.
  • 9. 
    De verschillende studies en analyses waarvan de Commissie bij de opstelling van uitvoerings-

maatregelen gebruik maakt, worden ter beschikking gesteld van het publiek.

  • 10. 
    In voorkomend geval gaan uitvoeringsmaatregelen tot vaststelling van de generieke eisen

inzake ecologisch ontwerp vergezeld van richtsnoeren betreffende het afwegen van de

verschillende milieuaspecten, die de Commissie moet aannemen overeenkomstig artikel 15,

lid 2.

Artikel 13

Werkprogramma

  • 1. 
    De Commissie stelt, uiterlijk 2 jaar na de aanneming van deze richtlijn, aan de hand van de

criteria van artikel 12 en na raadpleging van het in artikel 14 genoemde overlegforum, een

werkplan op, dat voor het publiek beschikbaar wordt gesteld.

Het werkplan bevat een indicatieve lijst van productgroepen die de volgende drie jaar voor de

vaststelling van uitvoeringsmaatregelen als prioritair zullen worden beschouwd.

uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor de producten die in het EKP beschouwd worden als

producten die een grote bijdrage kunnen leveren tot de kosteneffectieve beperking van

broeikasgasemissies.

Artikel 14

Overlegforum

De Commissie draagt er zorg voor dat zij bij de uitvoering van haar activiteiten ten aanzien van

iedere uitvoeringsmaatregel oog heeft voor een evenwichtige deelname van vertegenwoordigers van

de lidstaten en alle belanghebbende partijen van dat product/die productgroep zoals het bedrijfs-

leven, met inbegrip van het MKB, de ambachtelijke industrie, handelaars, kleinhandelaars,

importeurs, milieuorganisaties en consumentenorganisaties. Deze partijen komen bijeen in een

overlegforum. De Commissie stelt het reglement van orde van het forum vast.

Artikel 15

Comité

toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie

maanden.

  • 3. 
    Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 17

Wijziging

(1) Artikel 6 wordt geschrapt.

(2) Het volgende artikel wordt ingevoegd na artikel 10:

"Deze richtlijn is een uitvoeringsmaatregel als bedoeld in artikel 12 van Richtlijn xx/xx,

met betrekking tot het energierendement tijdens het gebruik, overeenkomstig die richt-

lijn, en kan conform artikel 14 van Richtlijn xx/xx worden gewijzigd of ingetrokken."

(3) Bijlage I, punt 2, wordt geschrapt.

(4) Bijlage II wordt geschrapt.

Het volgende artikel wordt ingevoegd na artikel 9:

"Deze richtlijn is een uitvoeringsmaatregel als bedoeld in artikel 12 van Richtlijn xx/xx,

met betrekking tot het energierendement tijdens het gebruik, overeenkomstig die richt-

lijn, en kan conform artikel 14 van Richtlijn xx/xx worden gewijzigd of ingetrokken."

Artikel 18

Intrekkingsbepalingen

De Richtlijnen 78/170/EG en 86/594/EEG worden ingetrokken. De lidstaten mogen de bestaande

nationale maatregelen die zijn aangenomen uit hoofde van Richtlijn 86/594/EEG blijven toepassen

totdat uit hoofde van de nieuwe richtlijn nieuwe uitvoeringsmaatregelen voor de betrokken

producten zijn aangenomen.

Artikel 19

Toetsing

Uiterlijk 5 jaar na de aanneming van deze richtlijn evalueert de Commissie, na raadpleging van het

in artikel 14 genoemde overlegforum, de doeltreffendheid van deze richtlijn, met inbegrip van

uitvoeringsmaatregelen en de drempel daarvoor, markttoezichtmechanismen en elke toepasselijk

vorm van zelfregulering die werd gestimuleerd; zij legt zo nodig aan het Europees Parlement en de

Raad voorstellen tot wijziging voor.

Artikel 20

Vertrouwelijkheid

De in artikel 10 en in bijlage I, deel 2, genoemde voorschriften betreffende informatieverstrekking

door de fabrikant en/of zijn gemachtigde zijn evenredig en houden rekening met de rechtmatige

geheimhouding van commercieel gevoelige gegevens.

Artikel 21

  • 2. 
    Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële

bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden

vastgesteld door de lidstaten.

  • 3. 
    De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht

mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van haar bekendmaking in het

Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 23

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I: (als bedoeld in artikel 12)

Methode voor het vaststellen van generieke eisen inzake ecologisch ontwerp

Generieke voorschriften inzake ecologisch ontwerp hebben tot doel de milieuprestatie van het

product te verbeteren; ze zijn gericht op de significante milieuaspecten ervan en stellen geen grens-

waarden vast. Bij de opstelling van ontwerp-maatregelen die moeten worden voorgelegd aan het

Comité als bedoeld in artikel 15, bepaalt de Commissie welke significante milieuaspecten in de

uitvoeringsmaatregelen moeten worden gespecificeerd.

Bij de opstelling van uitvoeringsmaatregelen waarin overeenkomstig artikel 12 generieke

voorschriften inzake ecologisch ontwerp worden vastgesteld, bepaalt de Commissie, voorzover

nodig voor het evp waarop de uitvoeringsmaatregel van toepassing is, welke van de in deel I

vermelde parameters voor ecologisch ontwerp, welke van de in deel 2 vermelde voorschriften

inzake informatieverstrekking en welke van de in deel 3 vermelde voorschriften voor de fabrikant

van toepassing zijn.

DEEL 1. PARAMETERS VOOR ECOLOGISCH ONTWERP VOOR EVP'S

1.1 Bij de vaststelling van de significante milieuaspecten worden de volgende fasen in de levens-

cyclus van het product in aanmerking genomen voorzover zij betrekking hebben op het

productontwerp:

  • a) 
    selectie en gebruik van grondstoffen;
  • b) 
    fabricage;
  • c) 
    verpakking, transport en distributie;
  • d) 
    installatie en onderhoud;
  • c) 
    verwachte verontreiniging door fysische effecten zoals geluid, trillingen, straling of

elektromagnetische velden;

  • d) 
    verwachte productie van afvalstoffen;
  • e) 
    mogelijkheden voor hergebruik, recycling en terugwinning van materialen en/of

energie, rekening houdend met Richtlijn 2002/96/EG betreffende AEEA *.

1.3 Met name de volgende parameters moeten, waar van toepassing en zo nodig aangevuld met

andere, worden gebruikt voor het beoordelen van het potentieel voor verbetering betreffende

de in het vorige punt vermelde milieuaspecten:

  • a) 
    gewicht en omvang van het product;
  • b) 
    gebruik van materialen afkomstig van recyclingactiviteiten;
  • c) 
    verbruik van energie, water en andere hulpbronnen over de gehele levenscyclus;
  • d) 
    gebruik van stoffen die als gevaarlijk voor de gezondheid en/of het milieu zijn

ingedeeld overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG ** en rekening houdend met de

wetgeving inzake het in de handel brengen en het gebruik van specifieke stoffen, zoals

76/769/EEG *** of 2002/95/EG;

  • e) 
    hoeveelheid en aard van de verbruiksgoederen die nodig zijn voor correct gebruik en

onderhoud;

  • f) 
    gemak waarmee hergebruik en recycling plaatsvinden, af te meten aan: aantal gebruikte

materialen en componenten, gebruik van standaardcomponenten, voor demontage

benodigde tijd, complexiteit van de voor demontage benodigde gereedschappen,

gebruik van standaardcodering voor componenten en materialen met het oog op de

identificatie van voor hergebruik en recycling geschikte componenten en materialen

(inclusief ISO-markering van kunststofonderdelen), gebruik van gemakkelijk

  • k) 
    luchtemissies (broeikasgassen, verzurende stoffen, vluchtige organische verbindingen,

stoffen die de ozonlaag aantasten, persistente organische verontreinigende stoffen,

zware metalen, fijne vaste deeltjes en zwevende vaste deeltjes), onverminderd Richtlijn

97/68/EG betreffende maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en

deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de

weg bestemde mobiele machines; *

  • l) 
    wateremissies (zware metalen, stoffen met een ongunstig effect op de zuurstofbalans,

persistente organische verontreinigende stoffen);

  • m) 
    bodememissies (vooral lekkages van gevaarlijke stoffen tijdens de gebruiksfase van

producten, en het risico van uitspoeling bij verwijdering als afval).

DEEL 2. VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE INFORMATIEVERSTREKKING

In het kader van uitvoeringsmaatregelen kan worden verlangd dat door de fabrikant informatie

wordt verstrekt die gevolgen kan hebben voor de wijze waarop het evp door andere partijen dan de

fabrikant wordt behandeld, gebruikt of gerecycleerd, waaronder, in voorkomend geval:

  • informatie van de ontwerper over het fabricageproces;
  • informatie voor de consument over de significante milieukenmerken en -prestaties van een

product, te voegen bij het product wanneer het in de handel wordt gebracht, zodat de

consument deze aspecten van de producten kan vergelijken;

  • informatie voor de consument over de installatie, het gebruik en het onderhoud van het

product teneinde de gevolgen voor het milieu tot een minimum te beperken en te zorgen voor

een optimale levensduur, alsmede over het terugbrengen van het product aan het einde van de

levensduur en waar nodig informatie over de termijn voor de beschikbaarheid van reserve-

DEEL 3. VOORSCHRIFTEN VOOR DE FABRIKANT

  • 1. 
    Aan de hand van de milieuaspecten die in de uitvoeringsmaatregelen als sterk beïnvloedbaar

door het productontwerp zijn aangemerkt, moeten de fabrikanten van evp's een beoordeling

maken van het evp-model over de gehele levenscyclus op basis van realistische veronder-

stellingen ten aanzien van de omstandigheden waaronder en de doeleinden waarvoor het

wordt gebruikt.

Op basis van die beoordeling stellen de fabrikanten het ecologisch profiel van het evp-model

op. Dit wordt gebaseerd op uit milieuoogpunt relevante productkenmerken en over de gehele

levenscyclus van het product plaatsvindende inputs/outputs die in meetbare fysische groot-

heden worden uitgedrukt.

  • 2. 
    De fabrikant gebruikt deze beoordeling om alternatieve ontwerpen en de bereikte milieu-

prestaties van het product te evalueren aan de hand van benchmarks.

Deze benchmarks worden door de Commissie in de uitvoeringsmaatregel vastgesteld op basis

van de tijdens de uitwerking van de maatregel vergaarde informatie.

Bij de keuze van een specifieke ontwerpoplossing moet een redelijk evenwicht worden

bereikt tussen de verschillende milieuaspecten en tussen milieuaspecten en andere relevante

overwegingen, zoals veiligheid en gezondheid, technische eisen inzake functionaliteit,

kwaliteit en prestaties, en economische aspecten, inclusief productiekosten en verkoopbaar-

eid, terwijl alle relevante wetgeving moet worden nageleefd.

BIJLAGE II

Methode voor het bepalen van specifieke eisen inzake ecologisch ontwerp

(als bedoeld in artikel 12)

Specifieke voorschriften inzake ecologisch ontwerp hebben tot doel een bepaald milieuaspect van

het product te verbeteren. Zij kunnen de vorm aannemen van eisen voor een lager verbruik van een

bepaalde hulpbron, zoals limieten voor het gebruik van die hulpbron in de verschillende stadia van

de levenscyclus, waar van toepassing (bijvoorbeeld limieten voor het waterverbruik tijdens de

gebruiksfase of voor de hoeveelheden van een bepaald materiaal die in het product worden

verwerkt, of minimaal vereiste hoeveelheden gerecycled materiaal).

Bij de opstelling van uitvoeringsmaatregelen waarin overeenkomstig artikel 12 specifieke voor-

schriften inzake ecologisch ontwerp worden vastgesteld, bepaalt de Commissie in voorkomend

geval voor de onder de uitvoeringsmaatregel vallende evp's welke van de paramaters inzake

ecologisch ontwerp uit de lijst in bijlage I, deel 1, van toepassing zijn en bepaalt zij als volgt de

niveaus van deze voorschriften overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 15, lid 2:

  • 1. 
    Door middel van een technische, milieutechnische en economische analyse wordt een aantal

in de handel zijnde representatieve modellen van het evp in kwestie geselecteerd en wordt

vastgesteld welke technische opties er zijn om de milieuprestaties van het product te

verbeteren, waarbij rekening wordt gehouden met de economische haalbaarheid van de opties

en wordt vermeden dat de prestaties of het nut voor de consument significant afnemen.

Door middel van de technische, economische en milieuanalyse zal ook worden vastgesteld

welke van de op de markt beschikbare producten en technologie voor de betreffende

in aankoopprijs (die voortvloeien uit de variaties in industriële kosten) en in gebruikskosten,

die het resultaat zijn van de verschillende niveaus van opties voor technische verbetering,

verdisconteerd over de levensduur van de in beschouwing genomen representatieve evp-

modellen. De gebruikskosten zijn voornamelijk het energieverbruik en de extra kosten van

andere hulpbronnen (zoals water of wasmiddel).

Er wordt een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd betreffende de relevante elementen (zoals de

prijs van energie of andere hulpbronnen, de kosten van grondstoffen of de productiekosten,

kortingen) en, waar dit zinvol is, het in aanmerking nemen van externe milieukosten, om na te

gaan of er significante veranderingen zijn en of de algemene conclusies solide zijn. De eis

wordt dienovereenkomstig aangepast.

Een soortgelijke methodologie kan voor andere hulpbronnen zoals water worden toegepast.

  • 2. 
    Voor de ontwikkeling van de technische, milieutechnische en economische analyses kan

gebruik worden gemaakt van informatie die beschikbaar is in het kader van andere commu-

nautaire activiteiten.

Dat geldt ook voor informatie die wordt verkregen via bestaande programma's die in andere

delen van de wereld worden toegepast voor het vaststellen van specifieke voorschriften inzake

ecologisch ontwerp voor evp's die met de economische partners van de EU worden

verhandeld.

  • 3. 
    Bij de bepaling van de datum van inwerkingtreding van het voorschrift wordt rekening

gehouden met de herontwerpcyclus voor het product.

BIJLAGE III

CE-markering

(als bedoeld in artikel 4, lid 2)

De CE-markering moet minimaal 5 mm hoog zijn. Bij vergroting of verkleining van de

CE-markering moeten de verhoudingen van de bovenstaande rastertekening in acht worden

genomen.

De CE-markering moet op het evp worden aangebracht. Indien dit niet mogelijk is, moet zij op de

verpakking en de begeleidende documenten worden aangebracht.

BIJLAGE IV

Interne ontwerpcontrole

(als bedoeld in artikel 7)

  • 1. 
    In deze bijlage wordt de procedure beschreven waarbij de fabrikant of zijn gemachtigde

vertegenwoordiger die zich van de in punt 2 van deze bijlage vastgestelde verplichtingen

kwijt, garandeert en verklaart dat het evp aan de relevante voorschriften van de toepasselijke

uitvoeringsmaatregel voldoet. De verklaring van overeenstemming kan op een of meer

producten betrekking hebben en moet door de fabrikant worden bewaard.

  • 2. 
    Er wordt door de fabrikant een technisch documentatiedossier opgesteld aan de hand waarvan

de overeenstemming van het evp met de eisen van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel kan

worden beoordeeld.

De documentatie bevat met name de volgende elementen:

  • a) 
    een algemene beschrijving van het evp en van het bedoelde gebruik;
  • b) 
    de resultaten van de door de fabrikant uitgevoerde relevante milieubeoordelingsstudies

en/of verwijzingen naar milieubeoordelingsliteratuur of casestudies die door de

fabrikant bij het beoordelen, documenteren en bepalen van productontwerpen worden

gebruikt;

  • c) 
    het ecologisch profiel indien vereist krachtens de uitvoeringsmaatregel;
  • d) 
    elementen van de productontwerpspecificatie betreffende de milieugerichte ontwerp-

aspecten van het product;

  • e) 
    een lijst van de terzake doende documenten als bedoeld in artikel 9, die volledig of

gedeeltelijk worden toegepast, en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen

om aan de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel te voldoen wanneer

de in artikel 9 bedoelde documenten niet zijn toegepast of wanneer deze documenten de

BIJLAGE V

Beheersysteem voor het overeenstemmingsbeoordeling

(als bedoeld in artikel 7)

  • 1. 
    In deze bijlage wordt de procedure beschreven waarbij de fabrikant die zich van de

verplichingen van punt 2 van deze bijlage kwijt, garandeert en verklaart dat het evp aan de

voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel voldoet. De verklaring van overeen-

temming kan op een of meer producten betrekking hebben en moet door de fabrikant worden

bewaard.

  • 2. 
    Voor de beoordeling van de overeenstemming van het evp kan een beheerssysteem worden

gebruikt, mits de fabrikant in punt 3 van deze bijlage opgesomde milieuelementen

implementeert.

  • 3. 
    Milieuelementen van het beheerssysteem

In dit punt worden de elementen van een beheerssysteem opgesomd alsmede de procedures

aan hand waarvan de fabrikant kan aantonen dat de evp aan de voorschriften van de

toepasselijke uitvoeringsmaatregel voldoet.

3.1. Het beleid inzake de milieuprestaties van producten

De fabrikant moet kunnen aantonen dat wordt voldaan aan de voorschriften van de

toepasselijke uitvoeringsmaatregel. De fabrikant moet tevens kunnen voorzien in een kader

voor het bepalen en herzien van doelstellingen en indicatoren voor de milieuprestaties van

  • de lijst van documenten die moeten worden opgesteld om de conformiteit van het evp

aan te tonen en die in voorkomend geval beschikbaar moeten worden gesteld;

  • de doelstellingen en indicatoren voor de milieuprestaties van het product, de

organisatietructuur, de verantwoordelijkheden, de bevoegdheden van het management

en de toewijzing van middelen met betrekking tot de stelselmatige toepassing ervan;

  • de na de fabricage uit te voeren controles en tests om de productprestaties aan de

milieuprestatie-indicatoren te toetsen;

  • de procedures om de voorgeschreven documentatie te controleren en ervoor te zorgen

dat ze wordt bijgewerkt;

  • de methode om de toepassing en de doeltreffendheid van de milieuelementen van het

beheersysteem te verifiëren.

3.2. Planning

De fabrikant draagt zorg voor de vaststelling en handhaving van:

  • a) 
    procedures voor het vaststellen van het ecologisch profiel van het product;
  • b) 
    doelstellingen en indicatoren voor de milieuprestaties van het product, waarbij, rekening

houdend met technische en economische eisen, technologische opties in beschouwing

worden genomen;

  • c) 
    een programma om deze doelstellingen te verwezenlijken.

3.3 Uitvoering en documentatie

3.3.1 De documentatie betreffende het beheersysteem omvat met name het volgende:

  • a) 
    verantwoordelijkheden en bevoegdheden worden vastgelegd en gedocumenteerd

teneinde ervoor te zorgen dat de producten effectieve milieuprestaties leveren en dat

  • b) 
    de resultaten van de door de fabrikant uitgevoerde milieubeoordelingsstudies en/of

verwijzingen naar milieubeoordelingsliteratuur of casestudies die door de fabrikant bij

het beoordelen, documenteren en bepalen van productontwerpen worden gebruikt;

  • c) 
    het ecologisch profiel indien vereist krachtens de uitvoeringsmaatregel;
  • d) 
    documenten waarin de resultaten worden beschreven van metingen die in verband met

de eisen inzake ecologisch ontwerp zijn uitgevoerd, met inbegrip van gegevens

betreffende de overeenstemming van deze metingen met de in de toepasselijke

uitvoeringsmaatregel gestelde eisen inzake ecologisch ontwerp;

  • e) 
    de fabrikant stelt specificaties op waarin met name wordt opgegeven welke normen

werden toegepast, alsmede waar de in artikel 9 bedoelde normen niet worden toegepast

of waar ze de eisen van de relevante uitvoeringsmaatregel niet volledig dekken, en

welke middelen werden gebruikt om de naleving te garanderen;

  • f) 
    een exemplaar van de informatie betreffende de milieugerichte ontwerpaspecten van het

product die overeenkomstig de in bijlage I, deel 2, gespecificeerde voorschriften wordt

verstrekt.

3.4 Controle en corrigerende maatregelen

  • a) 
    de fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het product wordt

vervaardigd overeenkomstig de ontwerpspecificaties en de op het product toepasselijke

eisen van de maatregel;

  • b) 
    de fabrikant zorgt ervoor dat er procedures worden ingesteld en nageleefd om gevallen

van niet-overeenstemming te onderzoeken en te corrigeren, en om uit corrigerende

maatregelen voortvloeiende wijzigingen van de procedurevoorschriften in praktijk te

brengen;

BIJLAGE VI

Verklaring van overeenstemming

(als bedoeld in artikel 4, lid 3)

DE EG-VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING MOET DE VOLGENDE ELEMENTEN BEVATTEN:

  • 1. 
    naam en adres van de fabrikant of zijn gemachtigde;
  • 2. 
    een voldoend nauwkeurige beschrijving van het model om dit op ondubbelzinnige wijze te

kunnen identificeren;

  • 3. 
    in voorkomend geval, de referenties van de toegepaste geharmoniseerde normen;
  • 4. 
    in voorkomend geval, de overige gebruikte technische normen en specificaties;
  • 5. 
    in voorkomend geval, de referentie van andere toegepaste communautaire wetgeving die

voorziet in de aanbrenging van de CE-markering;

  • 6. 
    identiteit en handtekening van de persoon die bevoegd is om de fabrikant of zijn gemachtigde

vertegenwoordiger te binden.

BIJLAGE VII

Inhoud van de uitvoeringsmaatregelen

(als bedoeld in artikel 12, lid 8)

DE UITVOERINGSMAATREGEL MOET MET NAME HET VOLGENDE SPECIFICEREN:

  • 1. 
    de nauwkeurige omschrijving van het type of de typen evp's waarop de maatregel betrekking

heeft;

  • 2. 
    alle ecologische ontwerpvoorschriften voor het evp in kwestie, de toepassingsdatum/-data,

eventuele gefaseerde maatregelen of overgangsmaatregelen of -termijnen;

  • in het geval van een of meer generieke voorschriften inzake ecologisch ontwerp wordt

aangegeven welke fasen en aspecten van bijlage I, delen 1.1 en 1.2, van toepassing zijn,

en welke parameters van bijlage I, deel 1.3, als voorbeeld kunnen dienen bij de

beoordeling van verbeteringen met betrekking tot specifieke milieuaspecten;

  • in het geval van (een) specifieke eis(en) inzake ecologisch ontwerp: het niveau ervan;
  • 3. 
    de in bijlage I, deel 1 bedoelde paramaters inzake ecologisch ontwerp ten aanzien waarvan

geen voorschriften inzake ecologisch ontwerp gelden;

  • 4. 
    de eisen betreffende de installatie van het evp wanneer zulks direct relevant is voor de

milieuprestatie in kwestie;

  • 5. 
    de toe te passen meetnormen en/of meetmethoden; indien beschikbaar moeten geharmoni-

seerde normen worden toegepast waarvan het referentienummer in het Publicatieblad van de

Europese Unie is bekendgemaakt;

  • 6. 
    de gegevens voor de overeenstemmingsbeoordeling overeenkomstig Besluit 93/465/EEG:
  • bij toepassing van (een) andere module(s) dan module A: de factoren die tot de selectie

van die specifieke procedure hebben geleid;

  • indien van toepassing: de criteria voor de goedkeuring en/of certificering van derden.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

1 aug
'03
COM(2003)453 - Totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten


11 mei
'01
COM(2001)226 - Energieprestaties van gebouwen


7 feb
'01
COM(2001)68 - Groenboek geïntegreerd productbeleid


13 jun
'00
COM(2000)347 - Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur


13 jun
'00
COM(2000)347 - Beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur


28 jan
'00
COM(2000)18 - Gemeenschappelijk energie-efficiëntie-etiketteringsprogramma voor kantoor- en communicatieapparatuur


16 jun
'99
COM(1999)296 - Energierendementseisen voor voorschakelapparaten voor fluorescentielampen


30 okt
'98
COM(1998)622 - Vrijwillige deelneming van organisaties aan een gemeenschappelijk milieubeheer- en milieuauditsysteem


24 jun
'98
COM(1998)380 - Voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden


13 dec
'96
COM(1996)642 - Informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften -


 
 
publicatiedatum 01-07-2004
kenmerk 10468/04

Inhoud