Nota

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VAN Brussel, 28 april 2006 (03.05)

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

8751/06

Interinstitutioneel dossier:

2004/0167 (COD)

FSTR 25 REGIO 19 CADREFIN 109 CODEC 392 OC 319

NOTA

van:

de Groep structuurmaatregelen

aan: het Coreper/de Raad

nr. vorig doc.: 7176/06 FSTR 9 REGIO 8 CADREFIN 56 CODEC 231 15942/05 FSTR 65 REGIO 58 CADREFIN 270 CODEC 1199 11940/05 FSTR 55 REGIO 49 CADREFIN 163 CODEC 698 11939/05 FSTR 54 REGIO 48 CADREFIN 162 CODEC 697 9716/05 FSTR 42 REGIO 34 CADREFIN 119 CODEC 461 8775/05 FSTR 36 REGIO 30 CADREFIN 103 CODEC 333 8468/05 FSTR 32 REGIO 28 CADREFIN 91 CODEC 292 7920/05 FSTR 24 REGIO 20 CADREFIN 64 CODEC 230 14863/04 FSTR 44 REGIO 32 CADREFIN 135 CODEC 1250 + COR 1

nr. Comv.: COM(2004) 495 def. (11688/04 FSTR 18 REGIO 5 CADREFIN 25)

BIJLAGE

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de eerste alinea

van artikel 162 en op de tweede alinea van artikel 299, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie1,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité2,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's3,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Op grond van artikel 160 van het Verdrag is het Europees Fonds voor Regionale

Ontwikkeling (EFRO) bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de

belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Gemeenschap. Het EFRO draagt er dan

ook toe bij de kloof tussen de ontwikkelingsniveaus van de verschillende regio's en de

achterstand van de zwakkere regio's, met inbegrip van stedelijke en plattelandsgebieden,

industriegebieden met afnemende economische activiteit, gebieden met een geografische of

natuurlijke handicap zoals eilanden, berggebieden, dunbevolkte gebieden en grensregio's, te

verkleinen.

(2) De gemeenschappelijke bepalingen voor de Structuurfondsen en het Cohesiefonds zijn

opgenomen in Verordening (EG) nr. (...)1 van de Raad van (...) houdende algemene

bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal

Fonds en het Cohesiefonds. Er dienen specifieke bepalingen te worden vastgesteld met

betrekking tot het soort activiteiten dat door het EFRO kan worden gefinancierd in het kader

van de in die verordening gespecificeerde doelstellingen.

(3) Het EFRO dient steun te verlenen in het kader van een algemene strategie voor het

cohesiebeleid waarbij een sterkere concentratie van de steun op de prioriteiten van de

Gemeenschap wordt gegarandeerd.

(4) In Verordening (EG) nr. (...) is bepaald dat de regels betreffende subsidiabiliteit van de

uitgaven op nationaal niveau moeten worden vastgesteld, met bepaalde uitzonderingen,

waarvoor in specifieke bepalingen moet worden voorzien. De uitzonderingen met betrekking

(6) Er moet vastgelegd worden dat de bijdragen uit het EFRO aan uitgaven voor huisvesting

betrekking moeten hebben op het verstrekken van woonruimte van goede kwaliteit voor

lagere-inkomengroepen, met inbegrip van recentelijk geprivatiseerde woningen, en

woonruimte voor kwetsbare sociale groepen.

(7) Een efficiënte en doeltreffende uitvoering van door het EFRO gesteunde acties berust op

goed bestuur en partnerschap tussen alle betrokken territoriale en sociaal-economische

actoren, en in het bijzonder de regionale en lokale autoriteiten alsmede elk ander bevoegd

orgaan, tijdens de verschillende stadia van de uitvoering van de door het EFRO

gecofinancierde operationele programma's.

(8) De lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat er niet wordt gediscrimineerd op

grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of levensbeschouwing, handicap,

leeftijd of seksuele geaardheid in de verschillende stadia van de uitvoering van de door het

EFRO gecofinancierde operationele programma's.

(9) Voortbouwend op de ervaringen met, en de sterke punten van, het communautair initiatief

URBAN als bedoeld in artikel 20, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van

de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen1, moet

de duurzame stadsontwikkeling worden versterkt door de activiteiten op dat gebied volledig

te integreren in de door het EFRO medegefinancierde operationele programma's, met

bijzondere aandacht voor plaatselijke ontwikkelings- en werkgelegenheidsinitiatieven en het

daarmee verband houdende innovatiepotentieel.

(10) In het bijzonder dient te worden toegezien op de complementariteit en de consistentie met

andere communautaire beleidsvormen, en in het bijzonder met het zevende kaderprogramma

voor onderzoek en technologische ontwikkeling en het kaderprogramma inzake

concurrentievermogen en innovatie. Voorts moet er synergie zijn tussen de steun uit het

EFRO en de steun uit het Europees Sociaal Fonds ingevolge Verordening (EG) nr. (...)1, uit

het Cohesiefonds ingevolge Verordening (EG) nr. (...)2, uit het Europees Landbouwfonds

voor Plattelandsontwikkeling ingevolge Verordening (EG) nr. 1698/20053 en uit het

Europees Visserijfonds ingevolge Verordening (EG) nr. (...)4.

(11) Het is noodzakelijk ervoor te zorgen dat bij de door het EFRO gesteunde acties ten behoeve

van het midden- en kleinbedrijf rekening wordt gehouden met de uitvoering van het door de

Europese Raad in 2000 te Santa Maria da Feira opgestelde Europese Handvest voor het

midden- en kleinbedrijf.

(12) Specifieke aandacht dient te gaan naar de ultraperifere regio's, namelijk door, bij wijze van

uitzondering, de werkingssfeer van het EFRO te verruimen tot de financiering van steun

voor de bedrijfsvoering ter vergoeding van de extra kosten die voortvloeien uit hun

specifieke economische en sociale situatie, die mede het gevolg is van hun verafgelegen

en/of insulaire ligging, gering oppervlak, problematische topografie, ongunstig klimaat en

hun economische afhankelijkheid van een beperkt aantal producten, kenmerken die in

combinatie met elkaar en door hun blijvende karakter de ontwikkeling van deze regio's

bemoeilijken. Voor dergelijke specifieke maatregelen moet artikel 299, lid 2, van het

Verdrag als rechtsgrondslag worden gebruikt.

(13) Het EFRO moet de toegankelijkheidsproblemen, alsmede de problemen wegens de afstand

tot de grote markten, van gebieden met een extreem lage bevolkingsdichtheid als bedoeld in

Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, aanpakken.

Het EFRO moet tevens de specifieke problemen aanpakken waarmee bepaalde eilanden,

berggebieden, grensregio's en dunbevolkte gebieden die door hun geografische ligging in

hun ontwikkeling worden geremd, te kampen hebben, teneinde aldus hun duurzame

ontwikkeling te ondersteunen.

(14) Er dienen specifieke bepalingen te worden vastgesteld met betrekking tot de programmering

en het beheer van, en het toezicht en de controle op, operationele programma's in het kader

van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking".

(15) Het is noodzakelijk een doeltreffende grensoverschrijdende, transnationale en interregionale

samenwerking met buurlanden van de Gemeenschap te steunen wanneer dat nodig is om te

garanderen dat de regio's van de lidstaten die aan derde landen grenzen, op doeltreffende

wijze in hun ontwikkeling kunnen worden bijgestaan. Bijgevolg dient, bij wijze van

uitzondering, de financiering van EFRO-bijstand voor projecten op het grondgebied van

derde landen te worden toegestaan als die projecten in het belang zijn van de regio's van de

Gemeenschap.

(16) Verordening (EG) nr. 1783/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 1999

met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling 1 dient te worden

ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMEEN

Artikel 1

Onderwerp

  • 1. 
    Bij deze verordening worden de taken van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

(EFRO) en de reikwijdte van de bijstandsverlening uit het EFRO met betrekking tot de

doelstellingen "convergentie", "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid", en

"Europese territoriale samenwerking" als omschreven in artikel 3 van Verordening (EG)

nr. (...) houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale

Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, alsmede de regels voor

subsidiabiliteit van bijstand, vastgesteld.

  • 2. 
    Voor het EFRO gelden de bepalingen van Verordening (EG) nr. (...) en de bepalingen van

deze verordening.

  • 2. 
    Daarbij geeft het EFRO uitvoering aan de prioriteiten van de Gemeenschap, met name de

noodzaak van vergroting van concurrentiekracht en innovatie, het creëren en instandhouden

van duurzame werkgelegenheid en het zorgen voor duurzame ontwikkeling.

Artikel 3

Reikwijdte van de bijstandsverlening

  • 1. 
    Het EFRO concentreert zijn bijstandsverlening op thematische prioriteiten. Het soort en de

omvang van de acties die binnen elke prioriteit moeten worden gefinancierd weerspiegelen de

verschillen tussen de doelstellingen "convergentie", "regionaal concurrentievermogen en

werkgelegenheid" en "Europese territoriale samenwerking" als omschreven in de artikelen 4,

5 en 6 van deze verordening.

  • 2. 
    Het EFRO draagt bij in de financiering van:
  • a) 
    productieve investeringen die bijdragen tot de ontwikkeling en het behoud van

duurzame werkgelegenheid, hoofdzakelijk via directe investeringssteun, voornamelijk

aan het midden- en kleinbedrijf (MKB);

  • b) 
    infrastructuurinvesteringen;

Artikel 4

Convergentie

In het kader van de convergentiedoelstelling concentreert het EFRO zijn bijstandsverlening op de

ondersteuning van duurzame geïntegreerde regionale en lokale economische ontwikkeling en

werkgelegenheid door eigen capaciteiten in te zetten en te versterken met behulp van operationele

programma's die zijn gericht op de modernisering en diversificatie van de regionale en lokale

economische structuren en het scheppen en het behoud van duurzame werkgelegenheid. Dit moet

voornamelijk worden bereikt via de volgende prioriteiten, waarbij de juiste beleidsmix afhangt van

de specifieke kenmerken van iedere lidstaat:

  • 1) 
    onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO), innovatie en ondernemerschap:

versterking van de capaciteiten voor onderzoek en technologische ontwikkeling en hun

integratie in de Europese onderzoeksruimte, met inbegrip van de infrastructuur; steun voor

OTO met name in het MKB en voor technologieoverdracht; verbetering van de contacten

tussen het MKB enerzijds en het hoger onderwijs, onderzoeksinstellingen en centra voor

onderzoek en technologie anderzijds; ontwikkeling van bedrijvennetwerken; publiek-private

partnerschappen en clusters; steun voor het ter beschikking stellen van bedrijfs- en

technologiediensten aan groepen MKB-bedrijven; stimulering van ondernemerschap en

innovatiefinanciering voor het MKB met behulp van financiële engineeringsinstrumenten;

  • 2) 
    informatiemaatschappij: ontwikkeling van elektronische communicatie-infrastructuur, lokale
  • 4) 
    milieu: investeringen die verband houden met watervoorziening en water- en afvalbeheer,

behandeling van afvalwater en luchtkwaliteit; voorkoming, controle en bestrijding van

woestijnvorming; geïntegreerde verontreinigingspreventie en -bestrijding; steun ter

verlichting van de effecten van klimaatverandering; herstel van de fysieke omgeving,

waaronder de sanering van verontreinigde terreinen en gronden en de herinrichting van oude

industrieterreinen; bevordering van de biodiversiteit en van natuurbescherming, waaronder

investeringen in NATURA 2000-gebieden, steun aan het MKB ter bevordering van duurzame

productiepatronen via de invoering van kostenefficiënte systemen voor milieubeheer, en

ontwikkeling en toepassing van technologie voor verontreinigingspreventie;

  • 5) 
    risicopreventie: ontwikkeling en uitvoering van plannen om natuurlijke en technologische

risico's te voorkomen of op te vangen;

  • 6) 
    bescherming en opwaardering van het natuurlijk erfgoed ter ondersteuning van de sociaal-

economische ontwikkeling en bevordering van de natuurlijke rijkdom als potentieel voor de

ontwikkeling van duurzaam toerisme. steun ter verbetering van de toeristische dienstverlening

via nieuwe diensten met een hogere meerwaarde en aanmoediging van nieuwe, duurzamere

vormen van toerisme;

  • 7) 
    investeringen in cultuur: bescherming, bevordering en behoud van het cultureel erfgoed,

ontwikkeling van culturele infrastructuur ter ondersteuning van de sociaal-economische

ontwikkeling, duurzaam toerisme en verbeterde regionale aantrekkingskracht en steun ter

  • 10) 
    onderwijsinvesteringen, ook in beroepsopleiding, die bijdragen tot een vergroting van de

aantrekkingskracht en de kwaliteit van het leven;

  • 11) 
    investeringen in gezondheids- en sociale infrastructuur die bijdragen tot regionale en lokale

ontwikkeling en verhoging van de levenskwaliteit.

Artikel 5

Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid

In het kader van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" concentreert

het EFRO zijn bijstandsverlening, terwijl het de werkgelegenheid bevordert, in de context van

strategieën voor duurzame ontwikkeling, in hoofdzaak op de volgende drie prioriteiten:

  • 1) 
    innovatie en de kenniseconomie, mede door de oprichting en de versterking van efficiënte

regionale innovatie-economieën, stelselmatige betrekkingen tussen de particuliere en de

openbare sector, universiteiten en technologiecentra, die rekening houden met lokale

behoeften, met name:

  • a) 
    vergroting van de regionale OTO- en innovatiecapaciteiten die rechtstreeks verband

houden met de doelstellingen voor regionale economische ontwikkeling, door

ondersteuning van industrie- of technologiespecifieke expertisecentra, bevordering van

  • b) 
    stimulering van innovatie en ondernemerschap in alle sectoren van de regionale en

lokale economie, door het op de markt brengen van nieuwe of verbeterde producten,

processen en diensten door het MKB te steunen, bedrijvennetwerken en clusters van

bedrijven te steunen, door de toegang tot financiering door het MKB te verbeteren, door

samenwerkingsnetwerken tussen bedrijven en passende hoger-onderwijsinstellingen en

onderzoeksinstellingen te bevorderen, de toegang van het MKB tot bedrijfs-

ondersteunende diensten te vergemakkelijken, en de invoering van schonere en

innovatieve technologie in het MKB te steunen;

  • c) 
    bevordering van het ondernemerschap, met name door vergemakkelijking van de

economische exploitatie van nieuwe ideeën, en door aanmoediging van het creëren van

nieuwe bedrijven door passende hoger-onderwijsinstellingen en onderzoeksinstellingen

en bestaande bedrijven;

  • d) 
    ontwikkeling van financiële engineeringsinstrumenten en incubatiecentra die bijdragen

tot de OTO-capaciteit van het MKB en tot aanmoediging van het ondernemerschap en

de oprichting van nieuwe bedrijven, met name kennisintensieve MKB-bedrijven;

  • 2) 
    milieu en risicopreventie, en in het bijzonder:
  • a) 
    stimulering van investeringen voor het herstel van de fysieke omgeving, waaronder de

sanering van verontreinigde of door woestijnvorming getroffen terreinen en gronden en

  • d) 
    bevordering van schoon en duurzaam openbaar vervoer, met name in stedelijke

gebieden;

  • e) 
    ontwikkeling van plannen en maatregelen om natuurlijke (bv. woestijnvorming,

droogtes, branden en overstromingen) en technologische risico's te voorkomen of op te

vangen;

  • f) 
    bescherming en opwaardering van het natuurlijk en cultureel erfgoed ter ondersteuning

van de sociaal-economische ontwikkeling en bevordering van de natuurlijke en culturele

rijkdom als potentieel voor de ontwikkeling van duurzaam toerisme;

  • 3) 
    toegang tot vervoers- en telecommunicatiediensten van algemeen economisch belang, en in

het bijzonder:

  • a) 
    versterking van secundaire vervoersnetwerken door de verbindingen met

TEN-vervoersnetwerken, regionale spoorwegknooppunten, luchthavens en havens of

multimodale centra te verbeteren, door dwarsverbindingen met belangrijke spoorlijnen

te realiseren en door de regionale en plaatselijke binnenvaart en de korte vaart te

stimuleren;

  • b) 
    verbetering van de toegang van het MKB tot ICT en de invoering van en het efficiënte

gebruik van ICT in die bedrijfscategorie, door de toegang tot netwerken, de installatie

Artikel 6

Europese territoriale samenwerking

In het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" richt het EFRO zijn

bijstandsverlening op de volgende prioriteiten:

  • 1) 
    ontwikkeling van grensoverschrijdende economische, sociale en ecologische activiteiten via

gezamenlijke strategieën voor duurzame territoriale ontwikkeling, met name door:

  • a) 
    stimulering van het ondernemerschap, in het bijzonder van de ontwikkeling van het

MKB, toerisme, cultuur, en grensoverschrijdende handel;

  • b) 
    stimulering en verbetering van de gezamenlijke bescherming en het gezamenlijk beheer

van natuurlijke en culturele hulpbronnen, en preventie van natuurlijke en technologische

risico's;

  • c) 
    ondersteuning van de banden tussen stedelijke gebieden en plattelandsgebieden;
  • d) 
    vermindering van isolement via een betere toegang tot vervoers-, informatie- en

communicatienetwerken en -diensten, en grensoverschrijdende systemen en

voorzieningen op het gebied van water, afval en energie;

Wat betreft het PEACE-programma tussen Noord-Ierland en de grensgebieden van Ierland als

bedoeld in de bepalingen van punt 22 van bijlage II van de algemene verordening {nr. ...}

draagt het EFRO naast de hierboven genoemde acties bij aan de bevordering van economische

en sociale stabiliteit in de betrokken regio, met name door middel van acties ter bevordering

van de cohesie tussen de gemeenschappen.

  • 2) 
    totstandbrenging en ontwikkeling van transnationale samenwerking, en met name van de

bilaterale samenwerking tussen maritieme regio's die niet onder lid 1 vallen, door financiering

van netwerken en van acties die bijdragen tot geïntegreerde territoriale ontwikkeling, met

betrekking tot hoofdzakelijk de volgende prioriteiten:

  • a) 
    innovatie: opzet en ontwikkeling van wetenschappelijke en technologische netwerken,

en verbetering van regionale capaciteiten voor OTO en innovatie wanneer deze een

rechtstreekse bijdrage leveren tot de evenwichtige economische ontwikkeling van

transnationale gebieden. Acties kunnen betrekking hebben op: het opzetten van

netwerken tussen passende hoger-onderwijsinstellingen en onderzoeksinstellingen en

het MKB; verbindingen ter verbetering van de toegang tot wetenschappelijke kennis en

technologieoverdracht tussen OTO-installaties en internationale kenniscentra op het

gebied van OTO; twinning tussen instellingen voor technologieoverdracht; en

ontwikkeling van gezamenlijke financiële instrumentatie die gericht is op ondersteuning

van OTO in het MKB;

  • c) 
    toegankelijkheid: activiteiten ter verbetering van de toegang tot en de kwaliteit van

vervoer- en telecommunicatiediensten met een duidelijke transnationale dimensie.

Acties kunnen betrekking hebben op: investeringen in grensoverschrijdende secties van

de trans-Europese netwerken; verbetering van de lokale en regionale toegang tot

nationale en transnationale netwerken; vergroting van de interoperabiliteit van nationale

en regionale systemen; en bevordering van geavanceerde informatie- en

communicatietechnologieën;

  • d) 
    duurzame stadsontwikkeling: versterking van de polycentrische ontwikkeling op

transnationaal, nationaal en regionaal niveau, met een duidelijk transnationaal effect.

Acties kunnen betrekking hebben op: het opzetten en verbeteren van stedelijke

netwerken en verbanden tussen de stad en het platteland; strategieën om gemeen-

schappelijke stedelijke/plattelandsproblemen aan te pakken; behoud en bevordering van

het cultureel erfgoed, alsmede strategische integratie van ontwikkelingszones op een

transnationale basis.

De bijstand voor bilaterale samenwerking tussen maritieme regio's kan worden uitgebreid tot

de prioriteiten bedoeld in punt 1);

  • 3) 
    vergroting van de doeltreffendheid van het regionaal beleid door stimulering van:
  • a) 
    interregionale samenwerking die gericht is op innovatie en de kenniseconomie en milieu

Artikel 7

Subsidiabiliteit van de uitgaven

  • 1. 
    De volgende uitgaven komen niet voor steun uit het EFRO in aanmerking:
  • a) 
    debetrente;
  • b) 
    de aankoop van grond voor een bedrag van meer dan 10% van de totale voor steun in

aanmerking komende uitgaven van de betrokken concrete actie. In behoorlijk

gemotiveerde uitzonderlijke gevallen kan de beheersautoriteit een hoger percentage

toestaan voor concrete acties inzake milieubehoud;

  • c) 
    de ontmanteling van kerncentrales;
  • d) 
    terugvorderbare BTW.
  • 2. 
    De uitgaven voor huisvesting komen alleen voor steun in aanmerking voor de lidstaten die op

of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, en in de volgende omstandigheden:

  • a) 
    de uitgaven worden geprogrammeerd in het kader van een geïntegreerde aanpak

voor stadsontwikkeling of een prioritair zwaartepunt voor gebieden die te maken

hebben met of bedreigd worden door materiële achteruitgang en sociale

uitsluiting;

  • b) 
    de toewijzing voor uitgaven voor huisvesting bedraagt hetzij ten hoogste 3% van

De Commissie stelt de lijst van criteria voor het bepalen van de onder a) bedoelde gebieden

en de lijst van subsidiabele interventies vast volgens de procedure van artikel 104, lid 3.

  • 3. 
    De subsidiabiliteitsregels die zijn vastgesteld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. (...)

[betreffende het ESF], zijn van toepassing op door het EFRO gecofinancierde acties die

binnen de werkingssfeer van artikel 3 van Verordening (EG) nr. (...) [betreffende het ESF]

vallen.

HOOFDSTUK II

SPECIFIEKE BEPALINGEN INZAKE DE BEHANDELING VAN

BIJZONDERE TERRITORIALE KENMERKEN

Artikel 8

Duurzame stadsontwikkeling

Naast de activiteiten opgesomd in de artikelen 4 en 5 van deze verordening kan het EFRO, wat de

acties op het gebied van duurzame stadsontwikkeling bedoeld in artikel 36, lid 4, onder a), van

Verordening (EG) nr. (...) betreft, waar passend de ontwikkeling steunen van participatieve,

geïntegreerde en duurzame strategieën om de hoge concentratie van economische, ecologische en

maatschappelijke problemen waarmee stedelijke gebieden te kampen hebben, aan te pakken.

In afwijking van artikel 33, lid 2, van Verordening (EG) nr. (...) en voorzover deze activiteiten

worden uitgevoerd in het kader van een specifiek operationeel programma of een prioritair

zwaartepunt binnen een operationeel programma, kan de EFRO-financiering van maatregelen in het

kader van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" binnen de

werkingssfeer van Verordening (EG) nr. (...) betreffende het Europees Sociaal Fonds, verhoogd

worden tot 15% van het betrokken programma of prioritair zwaartepunt.

Artikel 9

Coördinatie met het ELFPO en het EVF

Wanneer een door het EFRO gesteund operationeel programma gericht is op concrete acties die ook

subsidiabel zijn in het kader van een ander communautair ondersteuningsinstrument, waaronder

prioritair zwaartepunt 3 van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

en de duurzame ontwikkeling van kustgebieden met visserij van het Europees Visserijfonds (EVF),

stelt de lidstaat in elk operationeel programma de afbakeningscriteria vast voor de acties die door

het EFRO moeten worden gesteund en die welke door de andere communautaire ondersteunings-

instrumenten moeten worden gesteund.

Artikel 10

Gebieden met geografische en natuurlijke handicaps

Artikel 11

Ultraperifere gebieden

  • 1. 
    De specifieke extra toewijzing als bedoeld in punt 20 van bijlage II bij Verordening (EG)

nr. (...) wordt gebruikt ter compensatie van de met de in artikel 299, lid 2, van het EG-

Verdrag omschreven handicaps verband houdende extra kosten in de ultraperifere gebieden

bij de ondersteuning van:

  • a) 
    de in artikel 4 en/of artikel 5 genoemde prioriteiten, indien opportuun;
  • b) 
    goederenvervoerdiensten en starterssteun voor vervoerdiensten;
  • c) 
    acties die verband houden met opslagproblemen, overdimensionering en onderhoud van

productiemiddelen, en gebrek aan menselijk kapitaal op de plaatselijke arbeidsmarkt.

  • 2. 
    Binnen de reikwijdte van artikel 3 kunnen met de specifieke toewijzing investeringskosten

worden gefinancierd. Daarnaast wordt de specifieke extra toewijzing tot een minimum van

50% gebruikt om de exploitatiesteun en uitgaven voor openbaredienstverplichtingen en

overheidsopdrachten voor dienstverlening te helpen financieren in de ultraperifere gebieden.

  • 3. 
    Het bedrag waarvoor het cofinancieringspercentage geldt, is, uitsluitend in het geval van

exploitatiesteun en uitgaven voor openbaredienstverplichtingen en overheidsopdrachten voor

HOOFDSTUK III

SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE DOELSTELLING

"EUROPESE TERRITORIALE SAMENWERKING"

AFDELING 1

OPERATIONELE PROGRAMMA'S

Artikel 12

Inhoud

Elk operationeel programma in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"

bevat de volgende gegevens:

  • 1) 
    een analyse van de situatie op samenwerkingsgebied wat de sterke en de zwakke punten

betreft en de strategie die op basis daarvan is gekozen;

  • 2) 
    een lijst van de NUTS III-gebieden in het programmagebied, met inbegrip van, wat

programma's voor grensoverschrijdende samenwerking betreft, de flexibiliteitsgebieden

bedoeld in artikel 21, lid 1;

  • 5) 
    alleen ter informatie, een indicatieve uitsplitsing per categorie van het geprogrammeerde

gebruik van de bijdrage uit de Fondsen aan het operationele programma overeenkomstig de

uitvoeringsbepalingen die de Commissie volgens de in artikel 104, lid 3, van Verordening

(EG) nr. (...) bedoelde procedure heeft aangenomen;

  • 6) 
    één enkel financieringsplan, zonder onderverdeling naar lidstaat, met twee tabellen:
  • a) 
    een eerste tabel waarin het voor de bijdrage uit het EFRO beoogde totaalbedrag

overeenkomstig de artikelen 50 tot en met 53 van Verordening (EG) nr. (...) per jaar

wordt uitgesplitst. De per jaar geplande bijdrage uit het EFRO moet verenigbaar zijn

met de toepasselijke financiële vooruitzichten;

  • b) 
    een tweede tabel waarin voor de hele programmeringsperiode, voor het operationele

programma en voor elk prioritair zwaartepunt het bedrag van de totale financiële

bijdrage van de Gemeenschap en van de corresponderende nationale bijdragen wordt

aangegeven, alsmede het percentage dat uit het EFRO wordt bijgedragen. Wanneer

overeenkomstig artikel 51 de nationale bijdrage bestaat uit particuliere en

overheidsuitgaven, wordt in de tabel de indicatieve verdeling tussen de particuliere en

de overheidsuitgaven vermeld. Wanneer overeenkomstig artikel 51 de nationale

bijdrage bestaat uit overheidsuitgaven, wordt in de tabel het bedrag van de nationale

overheidsbijdrage vermeld;

  • c) 
    inlichtingen over de instantie die bevoegd is voor het ontvangen van de door de

Commissie verrichte betalingen en een of meer instanties die verantwoordelijk zijn voor

het verrichten van de betalingen aan de begunstigden;

  • d) 
    een omschrijving van de procedures voor de beschikbaarstelling en de overmaking van

de financiële middelen, om de doorzichtigheid van deze geldstromen te verzekeren;

  • e) 
    de elementen die tot doel hebben te zorgen voor de voorlichting en de informatie over

het operationele programma als bedoeld in artikel 68 van Verordening (EG) nr. (...);

  • f) 
    een beschrijving van de tussen de Commissie en de lidstaten overeengekomen

procedures voor de uitwisseling van computergegevens om te kunnen voldoen aan de in

Verordening (EG) nr. (...) gestelde eisen met betrekking tot de betaling, het toezicht en

de evaluatie;

  • 9) 
    een indicatieve lijst van de grote projecten in de zin van artikel 38 van Verordening (EG)

nr. (...) die naar verwacht in de programmeringsperiode ter goedkeuring bij de Commissie

zullen worden ingediend.

AFDELING 2

SUBSIDIABILITEIT

De Commissie stelt, overeenkomstig artikel 55, lid 3, van Verordening (EG) nr. ... en

onverminderd artikel 7 van deze verordening, gemeenschappelijke regels inzake de subsidiabiliteit

van de uitgaven vast volgens de procedure van artikel 104, lid 3, van Verordening (EG) nr. .../....

In gevallen waarin artikel 7 voorziet in verschillende regels inzake de subsidiabiliteit van uitgaven

in verschillende lidstaten die deelnemen aan een operationeel programma in het kader van de

doelstelling "Europese territoriale samenwerking", gelden in het gehele programmagebied de

ruimste subsidiabiliteitsregels.

AFDELING 3

BEHEER, TOEZICHT EN CONTROLE

Artikel 14

Aanwijzing van autoriteiten

  • 1. 
    De lidstaten die deelnemen aan een operationeel programma wijzen één enkele

beheersautoriteit, één enkele certificerende autoriteit en één enkele auditautoriteit aan;

laatstgenoemde is gevestigd in de lidstaat van de beheersautoriteit. De certificeringsautoriteit

neemt de betalingen van de Commissie in ontvangst en verricht, normaliter, de betalingen aan

de eerstverantwoordelijke begunstigde.

De beheersautoriteit stelt na overleg met de in het programmagebied vertegenwoordigde lid-

  • 2. 
    De auditautoriteit voor het operationele programma wordt bij het uitvoeren van de in

artikel 61 van Verordening (EG) nr. (...) bedoelde taken bijgestaan door een groep auditors

bestaande uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat die bijdraagt aan het operationele

programma. De groep auditors wordt drie maanden na de beschikking tot goedkeuring van het

operationele programma opgericht. Zij stelt haar reglement van orde vast. Zij wordt

voorgezeten door de auditautoriteit voor het operationele programma.

De deelnemende lidstaat kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de auditautoriteit

gemachtigd wordt om de taken bedoeld in artikel 61 van Verordening (EG) nr. (...)

rechtstreeks in het hele door het programma bestreken grondgebied uit te oefenen, zonder dat

een groep auditors als omschreven in de eerste alinea nodig is.

De auditors zijn onafhankelijk van het in artikel 16, lid 1, bedoelde controlesysteem.

  • 3. 
    Elke aan een operationeel programma deelnemende lidstaat wijst vertegenwoordigers aan die

zitting hebben in het in artikel 62 van Verordening (EG) nr. (...) bedoelde toezichtcomité.

Artikel 15

Functie van de beheersautoriteit

  • 1. 
    De beheersautoriteit verricht de in artikel 59 van Verordening (EG) nr. (...) bedoelde taken,

met uitzondering van die welke betrekking hebben op de rechtmatigheid, in relatie tot de

Artikel 16

Controlesysteem

  • 1. 
    Voor de validering van de uitgaven, zet elke lidstaat een controlesysteem op aan de hand

waarvan kan worden nagegaan of de medegefinancierde goederen en diensten zijn geleverd,

of de uitgaven die voor op zijn grondgebied uitgevoerde concrete acties of delen van concrete

acties zijn gedeclareerd, juist zijn, en of die uitgaven en daarmee samenhangende concrete

acties of delen van concrete acties in overeenstemming zijn met de nationale en de

Gemeenschapsregels.

Daartoe wijst elke lidstaat de controleurs aan die belast zijn met de controle van de wettigheid

en de rechtmatigheid van de uitgaven die worden gedeclareerd door elke begunstigde die aan

de concrete actie deelneemt. De lidstaten kunnen besluiten één controleur voor het hele

programmagebied aan te wijzen.

Als alleen voor de volledige concrete actie kan worden nagegaan of de medegefinancierde

goederen en diensten zijn geleverd, wordt die controle verricht door de controleur van de

lidstaat waar de eerstverantwoordelijke begunstigde gevestigd is of door de beheersautoriteit.

  • 2. 
    Elke lidstaat ziet erop toe dat de uitgaven binnen een termijn van drie maanden door de

controleurs kunnen worden gevalideerd.

  • 2. 
    Onverminderd de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor het opsporen en corrigeren van

onregelmatigheden en voor het terugvorderen van onterecht betaalde bedragen zorgt de

certificerende autoriteit ervoor dat alle ten gevolge van een onregelmatigheid betaalde

bedragen van de eerstverantwoordelijke begunstigde teruggevorderd worden. De

begunstigden betalen de eerstverantwoordelijke begunstigde de onverschuldigd betaalde

bedragen terug volgens de tussen hen gesloten overeenkomst.

  • 3. 
    Als de eerstverantwoordelijke begunstigde er niet in slaagt terugbetaling van een begunstigde

te verkrijgen, betalen de lidstaten op het grondgebied waarvan de betrokken begunstigde is

gevestigd het bedrag dat onverschuldigd aan die begunstigde is betaald, aan de certificerende

autoriteit terug.

Artikel 18

Europese groepering voor territoriale samenwerking

De lidstaten die deelnemen aan een operationeel programma in het kader van de doelstelling

"Europese territoriale samenwerking" kunnen gebruik maken van het bij Verordening (EG) nr. (...)

ingestelde wettelijk samenwerkingsinstrument, teneinde dat instrument de verantwoordelijkheid te

geven voor het beheer van het operationele programma door de bevoegdheden van de

beheersautoriteit en van het gezamenlijk technisch secretariaat er aan over te dragen. In deze

context behoudt elke lidstaat zijn financiële aansprakelijkheid.

AFDELING 4

CONCRETE ACTIES

Artikel 19

Selectie van concrete acties

  • 1. 
    Bij concrete acties die zijn geselecteerd voor operationele programma's welke zijn gericht op

de ontwikkeling van grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 6, lid 1, en voor

operationele programma's welke zijn gericht op de totstandbrenging en ontwikkeling van

transnationale samenwerking als bedoeld in artikel 6, lid 2, moeten begunstigden uit ten

minste twee landen, waaronder ten minste één lidstaat, zijn betrokken, die voor elke concrete

actie op ten minste twee van de volgende manieren samenwerken: gezamenlijke

ontwikkeling, gezamenlijke tenuitvoerlegging, gezamenlijk gebruik van personeel en

gezamenlijke financiering.

De geselecteerde concrete acties die aan de bovenstaande voorwaarden voldoen kunnen in één

enkel land worden uitgevoerd mits zij zijn ingediend door instanties die tot ten minste twee

landen behoren.

De bovenstaande voorwaarden gelden niet voor de in artikel 6, lid 1, laatste alinea, bedoelde

acties uit hoofde van het PEACE-programma.

Bij voor operationele programma's geselecteerde concrete acties als bedoeld in artikel 6, lid 3,

onder b), worden, waar mogelijk volgens het soort concrete actie, de bovengenoemde

voorwaarden toegepast.

Die begunstigden werken voor elke concrete actie op de volgende manier samen:

gezamenlijke ontwikkeling, gezamenlijke tenuitvoerlegging, gezamenlijk gebruik van

personeel en gezamenlijke financiering.

  • 3. 
    Naast de in artikel 64 van Verordening (EG) nr. (...) bedoelde taken is het toezichtcomité of

een aan hem rapporterende stuurgroep belast met de selectie van de concrete acties.

Artikel 20

Verantwoordelijkheden van de eerstverantwoordelijke begunstigde en andere begunstigden

  • 1. 
    Voor elke concrete actie wijzen de begunstigden in eigen midden een eerstverantwoordelijke

begunstigde aan. De eerstverantwoordelijke begunstigde heeft de volgende taken:

  • a) 
    hij stelt de regelingen vast voor zijn betrekkingen met de begunstigden die aan de

concrete actie deelnemen, en wel in de vorm van een overeenkomst waarin, onder meer,

bepalingen zijn opgenomen die een goed financieel beheer van de voor de concrete actie

toegewezen middelen garanderen, met inbegrip van regelingen voor de terugvordering

  • d) 
    hij gaat na of de uitgaven die door de aan de concrete actie deelnemende begunstigden

zijn ingediend, zijn gevalideerd door de controleurs;

  • e) 
    hij is verantwoordelijk voor het doorgeven van de EFRO-bijdrage aan de begunstigden

die deelnemen aan de concrete actie.

  • 2. 
    Elke aan de concrete actie deelnemende begunstigde:
  • a) 
    is aansprakelijk in geval van onregelmatigheid van de door hem gedeclareerde uitgaven;
  • b) 
    stelt de lidstaat waar hij is gevestigd in kennis van zijn deelname aan een concrete actie

wanneer deze lidstaat als zodanig niet deelneemt aan het betrokken operationele

programma.

Artikel 21

Bijzondere voorwaarden betreffende de plaats van uitvoering van de concrete acties

  • 1. 
    In de context van grensoverschrijdende samenwerking kan het EFRO in behoorlijk

gemotiveerde gevallen uitgaven die zijn gedaan bij de uitvoering van concrete acties of delen

van concrete acties financieren tot 20% van het bedrag van zijn bijdrage aan het operationele

programma in NUTS III-gebieden grenzend aan de gebieden die voor dat programma

  • 2. 
    In de context van transnationale samenwerking kan het EFRO in behoorlijk gemotiveerde

gevallen uitgaven van buiten het gebied gevestigde partners die aan acties deelnemen,

financieren tot 20% van het bedrag van zijn bijdrage aan het operationele programma, als die

uitgaven de regio's in het gebied van de ontwikkelingsdoelstelling ten goede komen.

  • 3. 
    In de context van grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking kan

het EFRO uitgaven die zijn gedaan bij de tenuitvoerlegging van concrete acties of delen van

concrete acties op het grondgebied van landen buiten de Europese Gemeenschap, financieren

tot 10% van het bedrag van zijn bijdrage aan het operationele programma, als die uitgaven de

regio's van de Gemeenschap ten goede komen.

  • 4. 
    De lidstaten zien toe op de wettigheid en rechtmatigheid van deze uitgaven. De

beheersautoriteit bevestigt de selectie van concrete acties buiten de voor steun in aanmerking

komende gebieden als bedoeld in de leden 1 tot en met 3.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Overgangsbepalingen

Artikel 23

Intrekkingen

Onverminderd het bepaalde in artikel 22, lid 1, van deze verordening, wordt Verordening (EG)

nr. 1783/99 met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken.

Verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 1783/99 moeten als verwijzingen naar deze verordening

worden beschouwd.

Artikel 24

Herzieningsclausule

Het Europees Parlement en de Raad bezien deze verordening vóór 31 december 2013 opnieuw,

overeenkomstig de procedure in artikel 162 van het Verdrag.

Artikel 25

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het

Publicatieblad van de Europese Unie.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

13 okt
'04
COM(2004)631 - Wijziging van Verordening 1260/1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen, met betrekking tot de verlenging van de duur van het Peace-programma en de toekenning van nieuwe vastleggingskredieten


14 jul
'04
COM(2004)495 - Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling


14 jul
'04
COM(2004)490 - Steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)


18 mrt
'98
COM(1998)131 - Algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen


18 mrt
'98
COM(1998)131 - Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling


Steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)


 
publicatiedatum 28-04-2006
kenmerk 8751/06

Inhoud