Besluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VANBrussel, 2 mei 2006

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

8668/06

Interinstitutioneel dossier:

2005/0268 (CNS)

CULT 36 COMER 89 COMPET 89 DEVGEN 110 MI 90

WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN

Betreft:

Besluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen

-

BESLUIT VAN DE RAAD

van

inzake de sluiting, namens de Europese Gemeenschap,

van het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering

van de diversiteit van cultuuruitingen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de

artikelen 133, 151, 181 en 181A, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, tweede zin, en artikel 300,

lid 3, eerste alinea,

Gelet op het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In november 2004 heeft de Raad de Commissie gemachtigd om namens de Gemeenschap deel

te nemen aan de onderhandelingen over een UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en

de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen ("het verdrag"). De Commissie heeft

samen met de lidstaten aan deze onderhandelingen deelgenomen.

(2) Het verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuur-

uitingen is op 20 oktober 2005 te Parijs tijdens de Algemene Conferentie van de UNESCO

aangenomen.

(3) Dit verdrag is een relevant en doeltreffend instrument voor de bevordering van culturele

diversiteit en culturele uitwisselingen, die zowel de Europese Gemeenschap blijkens

artikel 151, lid 4, van het Verdrag van de Europese Gemeenschap, als haar lidstaten van het

grootste belang achten. Het draagt bij tot het wederzijdse respect en het begrip van andere

culturen op mondiaal niveau.

(4) Het verdrag dient zo spoedig mogelijk te worden goedgekeurd.

(5) Zowel de Gemeenschap als haar lidstaten zijn bevoegd op de gebieden die onder het verdrag

vallen. Het is bijgevolg wenselijk dat de Gemeenschap en haar lidstaten partij worden bij het

verdrag, zodat, in het geval van een gedeelde bevoegdheid, alle in het verdrag vastgestelde

verplichtingen worden nagekomen, en alle rechten die het verdrag verleent op een coherente

manier worden uitgeoefend,

BESLUIT:

Artikel 1

  • 1. 
    Het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van

cultuuruitingen wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.

  • 2. 
    De tekst van het verdrag is als bijlage 1.a) aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

  • 1. 
    De voorzitter van de Raad wijst de persoon/personen aan die gemachtigd is/zijn om de akte van

toetreding namens de Gemeenschap bij de directeur-generaal van de UNESCO neder te leggen

overeenkomstig artikel 27, lid 4, van het verdrag.

  • 2. 
    De voorzitter van de Raad wijst de persoon/personen aan die gemachtigd is/zijn om de in

bijlage 1.b) bij dit besluit opgenomen bevoegdheidsverklaring overeenkomstig artikel 27, lid 3,

onder c), van het verdrag namens de Gemeenschap neder te leggen.

  • 3. 
    De voorzitter van de Raad wijst de persoon/personen aan die gemachtigd is/zijn om bij de

nederlegging van de akte van toetreding de in bijlage 2 bij dit besluit opgenomen unilaterale

verklaring af te leggen.

Artikel 3

Met betrekking tot aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Gemeenschap behoren,

vertegenwoordigt de Commissie de Gemeenschap tijdens de vergaderingen van de bij het verdrag

ingestelde organen, in het bijzonder de in artikel 22 bedoelde Conferentie van de partijen, en

onderhandelt zij namens de Gemeenschap over de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van die

organen behoren.

Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel,

BIJLAGE 1.a)

UNESCO-VERDRAG BETREFFENDE DE BESCHERMING EN DE BEVORDERING

VAN DE DIVERSITEIT VAN CULTUURUITINGEN

De Algemene Conferentie van de UNESCO, de Organisatie van de Verenigde Naties voor

onderwijs, wetenschap en cultuur, tijdens de 33e zitting te Parijs van 3 tot en met 21 oktober 2005

bijeen,

Bevestigend dat culturele diversiteit inherent is aan de mensheid,

Zich ervan bewust dat de culturele diversiteit tot het gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid

behoort en tot ieders voordeel moet worden gekoesterd en bewaard,

In het besef dat culturele diversiteit een rijke, gevarieerde wereld creëert, die het aantal keuzes

vergroot en menselijke capaciteiten en waarden bevordert, en dus een drijfveer is voor de duurzame

ontwikkeling van gemeenschappen, volkeren en naties,

Eraan herinnerend dat culturele diversiteit, die zich in een kader van democratie, tolerantie, sociale

gerechtigheid en wederzijds respect tussen volkeren en culturen kan ontplooien, een noodzakelijke

voorwaarde is voor lokale, nationale en internationale vrede en veiligheid,

De nadruk leggend op het belang van culturele diversiteit voor de volledige verwezenlijking van de

mensenrechten en de fundamentele vrijheden die zijn afgekondigd in de Universele Verklaring van

Erkennend dat traditionele kennis als bron van immateriële en materiële rijkdom, en in het

bijzonder de kennissystemen van autochtone volkeren, van groot belang zijn, een positieve bijdrage

leveren tot duurzame ontwikkeling, en doelmatig moeten worden beschermd en bevorderd,

Erkennend dat er maatregelen moeten worden genomen om de diversiteit van cultuuruitingen,

inclusief van hun inhoud, te beschermen, in het bijzonder in situaties waar cultuuruitingen mogelijk

met verdwijning of ernstige aantasting worden bedreigd,

Onderstrepend dat cultuur van belang is voor de sociale cohesie in het algemeen, en in het

bijzonder een bijdrage levert tot de verbetering van de status en de rol van de vrouw in de

samenleving,

Zich ervan bewust dat culturele diversiteit wordt versterkt door het vrije verkeer van ideeën, en

wordt gevoed door permanente uitwisselingen en wisselwerkingen tussen de culturen,

Nogmaals bevestigend dat de vrijheid van denken, meningsuiting en informatie, alsook de

diversiteit van de media, het mogelijk maken dat cultuuruitingen zich in de samenlevingen

ontplooien,

Erkennend dat de diversiteit van cultuuruitingen, en ook van traditionele cultuuruitingen, een

belangrijke factor is waardoor individuen en volkeren zich kunnen uiten, en hun ideeën en waarden

met anderen kunnen delen,

Eraan herinnerend dat taalkundige diversiteit een essentieel element van de culturele diversiteit is,

Onderstrepend dat de wisselwerking tussen culturen en de culturele creativiteit een essentiële rol

vervullen: zij voeden en vernieuwen cultuuruitingen en versterken de rol van wie ijvert voor de

ontwikkeling van de cultuur voor de vooruitgang van de samenleving in haar geheel,

Erkennend dat intellectuele eigendomsrechten van belang zijn voor de ondersteuning van personen

die cultureel creatief zijn,

Ervan overtuigd dat culturele activiteiten, goederen en diensten zowel een economisch als een

cultureel aspect hebben omdat zij dragers zijn van identiteiten, waarden en betekenissen, en

bijgevolg niet mogen worden behandeld alsof zij uitsluitend een commerciële waarde hebben,

Vaststellend dat de mondialiseringsprocessen, in de hand gewerkt door de snelle ontwikkeling van

de informatie- en communicatietechnologieën, weliswaar nooit geziene omstandigheden scheppen

voor een versterkte wisselwerking tussen de culturen, maar ook een uitdaging vormen voor de

culturele diversiteit, met name wat de gevaren van ongelijkheid tussen rijke en arme landen betreft,

Zich bewust van het specifieke mandaat dat aan de UNESCO is toevertrouwd om het respect voor

de diversiteit van de culturen te verzekeren en aanbevelingen te doen voor de internationale

akkoorden die zij nuttig acht om het vrije verkeer van ideeën via woord en beeld te bevorderen,

Verwijzend naar de bepalingen van de door de UNESCO goedgekeurde internationale instrumenten

in verband met culturele diversiteit en de uitoefening van culturele rechten, en in het bijzonder naar

I. Doelstellingen en leidende beginselen

Artikel 1 - Doelstellingen

Dit verdrag heeft tot doel:

(a) de diversiteit van cultuuruitingen te beschermen en te bevorderen;

(b) de voorwaarden te scheppen waarin culturen zich kunnen ontplooien en vrij met elkaar

in wisselwerking kunnen staan, en elkaar aldus wederzijds kunnen verrijken;

(c) de dialoog tussen culturen aan te moedigen om in de wereld intensere en evenwichtiger

culturele uitwisselingen te verzekeren, die het intercultureel respect en een vredescultuur

ten goede komen;

(d) de interculturaliteit te stimuleren om de culturele wisselwerking te ontwikkelen en

zodoende bruggen tussen volkeren te slaan;

(e) het respect voor de diversiteit van cultuuruitingen te bevorderen, alsook de bewust-

wording op lokaal, nationaal en internationaal vlak van de waarde van die diversiteit;

(f) nogmaals het belang te bevestigen van het verband tussen cultuur en ontwikkeling voor

alle landen, in het bijzonder voor de ontwikkelingslanden, en nationale en internationale

maatregelen met het oog op de erkenning van de werkelijke waarde van dat verband aan

te moedigen;

(g) de specifieke aard te erkennen van culturele activiteiten, goederen en diensten als

dragers van identiteiten, waarden en betekenissen;

(h) nogmaals het soevereine recht van de staten te bevestigen om een beleid en maatregelen

te handhaven, goed te keuren en uit te voeren die zij passend achten voor de bescher-

ming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen op hun grondgebied;

(i) de internationale samenwerking en solidariteit in een geest van partnerschap te ver-

Artikel 2 - Leidende beginselen

  • 1. 
    Respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden

Culturele diversiteit kan pas worden beschermd en bevorderd wanneer mensenrechten en funda-

mentele vrijheden, zoals de vrijheid van meningsuiting, van informatie en van communicatie,

alsook de mogelijkheid voor het individu om cultuuruitingen te kiezen, gewaarborgd zijn. Niemand

mag zich op de bepalingen van dit verdrag beroepen om de mensenrechten en de fundamentele

vrijheden zoals die zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens of door

het internationale recht worden gewaarborgd, te schenden of de werkingssfeer ervan te beperken.

  • 2. 
    Soevereiniteit

De staten hebben overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en de internationale

rechtsbeginselen het soevereine recht om maatregelen te nemen en een beleid te voeren ter

bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen op hun grondgebied.

  • 3. 
    Gelijke waardigheid van en gelijk respect voor alle culturen

De bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen impliceert de erkenning

van de gelijke waardigheid van en het gelijke respect voor alle culturen, met inbegrip van die van

personen die tot minderheden behoren en van autochtone volkeren.

  • 4. 
    Internationale solidariteit en samenwerking

Internationale samenwerking en solidariteit moet het alle landen, en in het bijzonder de ontwik-

  • 6. 
    Duurzame ontwikkeling

Culturele diversiteit is een grote rijkdom voor mens en samenleving. Bescherming, bevordering en

behoud van culturele diversiteit zijn essentiële voorwaarden voor een duurzame ontwikkeling ten

gunste van de huidige en de toekomstige generaties.

  • 7. 
    Billijke toegang

De billijke toegang tot een rijk en gediversifieerd scala van cultuuruitingen van over de hele wereld

en de toegang van de culturen tot de middelen om zich uit te drukken en hun uitingen te ver-

spreiden, zijn belangrijke elementen om de culturele diversiteit te versterken en het wederzijds

begrip te bevorderen.

  • 8. 
    Openheid en evenwicht

Wanneer staten maatregelen nemen om de diversiteit van cultuuruitingen te bevorderen, horen zij

op een passende manier de openheid voor de andere culturen in de wereld te bevorderen en zich

ervan te vergewissen dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met de door dit verdrag

nagestreefde doelstellingen.

II. Toepassingsgebied

Artikel 3 - Toepassingsgebied

Dit verdrag is van toepassing op de maatregelen en het beleid van de partijen met betrekking tot de

III. Definities

Artikel 4 - Definities

In dit verdrag worden de volgende definities gehanteerd:

  • 1. 
    Culturele diversiteit

Onder "culturele diversiteit" wordt verstaan: de veelheid aan vormen waardoor de culturen van

groepen en samenlevingen tot uiting komen. Deze uitingen worden binnen en tussen de groepen en

samenlevingen overgebracht.

Culturele diversiteit komt niet alleen tot uiting in de uiteenlopende vormen waarin het cultureel

erfgoed van de mensheid dankzij de diversiteit van cultuuruitingen wordt geopenbaard, verrijkt en

overgebracht, maar, ongeacht de gebruikte middelen en technologieën, ook via de verschillende

wijzen om cultuuruitingen te scheppen, te produceren, te verspreiden, te distribueren en te genieten.

  • 2. 
    Culturele inhoud

Onder "culturele inhoud" wordt verstaan: de symbolische betekenis, de artistieke dimensie en de

culturele waarden waaraan culturele identiteiten ten grondslag liggen of die deze tot uiting brengen.

  • 3. 
    Cultuuruitingen

"Cultuuruitingen" zijn uitingen die het resultaat zijn van de creativiteit van individuen, groepen en

samenlevingen, en die een culturele inhoud hebben.

  • 6. 
    Cultuurbeleid en culturele maatregelen

Onder "cultuurbeleid en culturele maatregelen" wordt verstaan: het beleid en de maatregelen op

cultuurgebied op lokaal, nationaal, regionaal of internationaal niveau, ongeacht of deze op de

eigenlijke cultuur zijn toegespitst, dan wel bedoeld zijn om een rechtstreekse uitwerking te hebben

op cultuuruitingen van individuen, groepen of samenlevingen, inclusief op het scheppen,

produceren, verspreiden en distribueren van culturele activiteiten, goederen en diensten, alsook op

de toegang daartoe.

  • 7. 
    Bescherming

Onder "bescherming" wordt verstaan: het nemen van maatregelen met het oog op het behoud, de

vrijwaring en de versterking van de diversiteit van cultuuruitingen.

Onder "beschermen" wordt verstaan: dergelijke maatregelen nemen.

  • 8. 
    Interculturaliteit

Onder "interculturaliteit" wordt verstaan: het bestaan van en de billijke wisselwerking tussen

verschillende culturen, alsook de mogelijkheid om via dialoog en wederzijds respect tot gezamen-

lijke cultuuruitingen te komen.

IV. Rechten en verplichtingen van de partijen

Artikel 5 - Algemene regel inzake rechten en verplichtingen

Artikel 6 - Rechten van de partijen op nationaal vlak

  • 1. 
    Elke partij kan in het kader van haar in artikel 4, punt 6, beschreven cultuurbeleid en culturele

maatregelen, en rekening houdend met de eigen omstandigheden en behoeften, maatregelen

nemen ter bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen op haar grond-

gebied.

  • 2. 
    Het kan daarbij gaan om:

(a) regelgeving ter bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen;

(b) maatregelen die de nationale culturele activiteiten, goederen en diensten passende kansen

bieden om hun plaats te vinden tussen alle activiteiten, goederen en diensten die op haar

grondgebied beschikbaar zijn voor hun schepping, productie, verspreiding, distributie en

genot, met inbegrip van maatregelen met betrekking tot de taal die voor deze activiteiten,

goederen en diensten wordt gebruikt;

(c) maatregelen die ertoe strekken de onafhankelijke nationale cultuurindustrie en de activi-

teiten van de informele sector effectieve toegang te verstrekken tot de middelen om culturele

activiteiten, goederen en diensten te produceren, te verspreiden en te distribueren;

(d) maatregelen om financiële overheidssteun toe te kennen;

(e) maatregelen om non-profitorganisaties, overheids- en privé-instellingen, kunstenaars en

andere professionals uit de cultuursector ertoe aan te moedigen de vrije uitwisseling en het

vrije verkeer van ideeën en cultuuruitingen, alsook van culturele activiteiten, goederen en

diensten te ontwikkelen en te bevorderen, en de creativiteit en de ondernemingsgeest bij hun

activiteiten te stimuleren;

(f) maatregelen om op passende wijze openbare instellingen op te richten en te ondersteunen;

(g) maatregelen om kunstenaars en al wie bij het scheppen van cultuuruitingen is betrokken, aan

(b) toegang te hebben tot diverse cultuuruitingen uit hun grondgebied en uit andere landen in

de wereld.

  • 2. 
    De partijen streven er eveneens naar de belangrijke bijdrage te erkennen van kunstenaars en van

al wie bij het scheppingsproces betrokken is, van culturele gemeenschappen en van organisaties

die hen in hun werk steunen, alsook hun centrale rol die erin bestaat de diversiteit van cultuur-

uitingen te bevorderen.

Artikel 8 - Maatregelen ter bescherming van cultuuruitingen

  • 1. 
    Onverminderd de artikelen 5 en 6 kan een partij vaststellen dat zich speciale situaties voordoen

waarin cultuuruitingen op haar grondgebied gevaar lopen te verdwijnen, ernstig bedreigd

worden of op de ene of andere manier dringend moeten worden gevrijwaard.

  • 2. 
    De partijen kunnen in de in lid 1 genoemde situaties alle nodige maatregelen nemen om cultuur-

uitingen in overeenstemming met dit verdrag te beschermen en te behouden.

  • 3. 
    De partijen brengen bij het in artikel 23 bedoelde Intergouvernementeel Comité verslag uit over

alle maatregelen die zijn genomen om de situatie te verhelpen, en het Comité kan passende

aanbevelingen doen.

Artikel 9 - Uitwisseling van informatie en transparantie

Artikel 10 - Voorlichting en bewustmaking van het publiek

De partijen:

(a) bevorderen en ontwikkelen, onder meer door voorlichtings- en bewustmakingsprogramma's

voor het publiek, het inzicht dat de bescherming en de bevordering van de diversiteit van

cultuuruitingen van belang zijn;

(b) werken samen met andere partijen en internationale en regionale organisaties om het doel

van dit artikel te verwezenlijken;

(c) zetten zich ervoor in om creativiteit aan te moedigen en productiecapaciteiten te versterken

door op het gebied van de cultuurindustrie voorlichtings-, opleidings- en uitwisselings-

programma's in te stellen. Deze maatregelen moeten op zodanige wijze worden toegepast

dat zij geen negatieve gevolgen hebben voor traditionele productievormen.

Artikel 11 - Participatie van het maatschappelijk middenveld

De partijen erkennen de essentiële rol van het maatschappelijk middenveld in de bescherming en de

bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen. Zij moedigen het maatschappelijk middenveld

ertoe aan actief te participeren in hun inspanningen om de doelstellingen van dit verdrag te

verwezenlijken.

Artikel 12 - Bevordering van de internationale samenwerking

De partijen streven ernaar hun bilaterale, regionale en internationale samenwerking te versterken

om gunstige voorwaarden te scheppen voor de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, in

Artikel 13 - Integratie van cultuur in duurzame ontwikkeling

De partijen streven ernaar cultuur op alle niveaus in hun ontwikkelingsbeleid te integreren om

gunstige voorwaarden voor duurzame ontwikkeling te scheppen, en in dat kader aspecten die

verband houden met de bescherming en de bevordering van cultuuruitingen te stimuleren.

Artikel 14 - Ontwikkelingssamenwerking

De partijen beijveren zich ervoor de samenwerking met het oog op duurzame ontwikkeling en

armoedebestrijding te steunen, in het bijzonder wat de specifieke behoeften van de ontwikkelings-

landen betreft, teneinde onder meer met de volgende middelen het ontluiken van een dynamische

culturele sector te bevorderen:

(a) versterking van de cultuurindustrie van de ontwikkelingslanden:

(i) door in ontwikkelingslanden culturele productie- en distributiecapaciteit te

scheppen en te versterken;

(ii) door een betere toegang van hun culturele activiteiten, goederen en diensten tot de

wereldmarkt en de internationale distributienetwerken te bevorderen;

(iii) door het ontstaan van levensvatbare lokale en regionale markten mogelijk te

maken;

(iv) door in de ontwikkelde landen, waar mogelijk, passende maatregelen te nemen om

de toegang tot hun grondgebied van culturele activiteiten, goederen en diensten uit

ontwikkelingslanden te bevorderen;

(v) door creatief werk te steunen en, voorzover mogelijk, de mobiliteit van

kunstenaars uit ontwikkelingslanden te bevorderen;

(d) financiële steun door:

(j) de oprichting van een Internationaal Fonds voor culturele diversiteit, zoalsbepaald

in artikel 18;

(ii) de toekenning van passende officiële ontwikkelingshulp, onder meer van tech-

nische bijstand, om creativiteit te stimuleren en te steunen;

(iii) andere vormen van financiële hulp zoals laagrentende leningen, subsidies en

andere financieringsmechanismen.

Artikel 15 - Invulling van de samenwerking

De partijen stimuleren de ontwikkeling van partnerschappen tussen en in de overheidssector, de

privé-sector en non-profitorganisaties, die tot doel hebben met ontwikkelingslanden samen te

werken aan de versterking van hun capaciteit om de diversiteit van cultuuruitingen te beschermen

en te bevorderen. Inspelend op de concrete behoeften van de ontwikkelingslanden zullen deze

vernieuwende partnerschappen de nadruk leggen op de verdere ontwikkeling van infrastructuur,

menselijk potentieel en beleidsmaatregelen, alsook op de uitwisseling van culturele activiteiten,

goederen en diensten.

Artikel 16 - Voorkeursbehandeling voor ontwikkelingslanden

De ontwikkelde landen bevorderen de culturele uitwisselingen met de ontwikkelingslanden door

hun kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars, alsook hun

culturele goederen en diensten door middel van een passend institutioneel en juridisch kader een

voorkeursbehandeling te geven.

  • 3. 
    De middelen van het fonds omvatten:

(a) de vrijwillige bijdragen van de partijen;

(b) de fondsen die met dit doel door de Algemene Conferentie van de UNESCO zijn toege-

wezen;

(c) de stortingen, giften of legaten van andere staten, organisaties en programma's van de

Verenigde Naties, andere regionale of internationale organisaties, en overheids- of privé-

instellingen of privé-personen;

(d) verschuldigde rente op de middelen van het fonds;

(e) de opbrengst van inzamelingen en ontvangsten van manifestaties die ten gunste van het

fonds werden georganiseerd;

(f) alle andere middelen die het reglement van het fonds toestaat.

  • 4. 
    Het Intergouvernementeel Comité beslist over de aanwending van de middelen van het fonds op

grond van de richtsnoeren van de in artikel 22 bedoelde Conferentie van de partijen.

  • 5. 
    Het Intergouvernementeel Comité kan voor algemene of specifieke doelstellingen in verband

met welomschreven projecten bijdragen en andere vormen van steun aanvaarden, op voor-

waarde dat die projecten door het Intergouvernementeel Comité zijn goedgekeurd.

  • 6. 
    Aan de bijdragen tot het fonds mogen geen politieke, economische of andere voorwaarden zijn

verbonden die onverenigbaar zijn met de doelstellingen van dit verdrag.

  • 7. 
    De partijen streven ernaar op gezette tijden vrijwillige bijdragen te storten voor de uitvoering

van dit verdrag.

  • 3. 
    Voorts creëert en actualiseert de UNESCO een gegevensbank over verschillende sectoren en

gouvernementele, particuliere en non-profitorganisaties die actief zijn op het gebied van

cultuuruitingen.

  • 4. 
    Teneinde het verzamelen van de gegevens te bevorderen, besteedt de UNESCO bijzondere

aandacht aan de versterking van de capaciteit en de deskundigheid van de partijen die op dat

gebied om bijstand vragen.

  • 5. 
    De in dit artikel beschreven verzameling van informatie vult de in artikel 9 bedoelde informatie

aan.

V. Verhouding tot andere instrumenten

Artikel 20 - Verhouding tot andere instrumenten:wederzijdse steun,

complementariteit en non-subordinatie

  • 1. 
    De partijen erkennen dat zij hun verplichtingen krachtens dit en alle andere verdragen waarbij

zij partij zijn, te goeder trouw moeten nakomen. Zonder dit verdrag aan andere verdragen onder-

geschikt te maken,

(a) bevorderen zij de wederzijdse ondersteuning van dit en de andere verdragen waarbij zij

partij zijn; en

(b) houden zij bij de interpretatie en de toepassing van andere verdragen waarbij zij partij zijn

VI. Organen van het verdrag

Artikel 22 - Conferentie van de partijen

  • 1. 
    Er wordt een Conferentie van de partijen ingesteld. Deze Conferentie is het plenaire en hoogste

orgaan van dit verdrag.

  • 2. 
    De Conferentie van de partijen komt, voorzover mogelijk, om de twee jaar in gewone zitting

bijeenin het kader van de Algemene Conferentie van de UNESCO. Zij kan in buitengewone

zitting bijeenkomen wanneer zij daartoe beslist, of wanneer het Intergouvernementeel Comité

daartoe van minstens een derde van de partijen een verzoek ontvangt.

  • 3. 
    De Conferentie van de partijen stelt haar reglement van orde vast.
  • 4. 
    De Conferentie van de partijen heeft onder meer de taak:

(a) de leden van het Intergouvernementeel Comité te verkiezen;

(b) de door het Intergouvernementeel Comité doorgestuurde verslagen van de partijen bij het

verdrag in ontvangst te nemen en te bespreken;

(c) de operationele richtsnoeren, die het Intergouvernementeel Comité op haar verzoek heeft

opgesteld, goed te keuren;

(d) alle nodige maatregelen te nemen die zij nodig acht voor de verwezenlijking van de doel-

stellingen van dit verdrag.

  • 4. 
    Het aantal leden van het Intergouvernementeel Comité wordt op 24 gebracht zodra er

50 partijen zijn bij het verdrag.

  • 5. 
    De verkiezing van de leden van het Intergouvernementeel Comité is gebaseerd op de beginselen

van een billijke geografische spreiding en roulering.

  • 6. 
    Onverminderd de andere bevoegdheden die dit verdrag het Intergouvernementeel Comité

verleent, heeft dat Comité volgende taken:

(a) de verwezenlijking van de doelstellingen van dit verdrag bevorderen, en de uitvoering ervan

stimuleren en hierop toezicht houden;

(b) op verzoek van de Conferentie van de partijen de operationele richtsnoeren voor de uit-

voering en de toepassing van de bepalingen van het verdrag opstellen, en haar die ter

goedkeuring voorleggen;

(c) de verslagen van de partijen bij het verdrag, samen met zijn opmerkingen en een samen-

vatting van de inhoud ervan, doen toekomen aan de Conferentie van de partijen;

(d) passende aanbevelingen doen in situaties die de partijen hem overeenkomstig de relevante

bepalingen van het verdrag, en in het bijzonder artikel 8, ter kennis brengen;

(e) raadplegingsprocedures en -mechanismen instellen om de verwezenlijking van de doel-

stellingen en de naleving van de beginselen van dit verdrag in andere internationale fora te

bevorderen;

(f) alle taken uit te voeren waarom de Conferentie van de partijen verzoekt.

Artikel 24 - Secretariaat van de UNESCO

  • 1. 
    De organen van het verdrag worden bijgestaan door het secretariaat van de UNESCO.
  • 2. 
    Het secretariaat stelt de documentatie van de Conferentie van de partijen en van het Inter-

gouvernementeel Comité samen, stelt de ontwerp-agenda van hun vergaderingen op, helpt hun

beslissingen uit te voeren en brengt er verslag over uit.

VII. Slotbepalingen

Artikel 25 - Geschillenregeling

  • 1. 
    Wanneer de partijen het oneens zijn over de interpretatie of de toepassing van dit verdrag,

proberen zij door overleg een oplossing te vinden.

  • 2. 
    Wanneer de betrokken partijen niet door overleg tot overeenstemming kunnen komen, kunnen

zij in onderlinge overeenstemming een beroep doen op de bijstand of bemiddeling van een

derde.

  • 3. 
    Wanneer er geen bijstand is verleend of er geen bemiddeling heeft plaatsgevonden, of wanneer

het geschil niet kon worden geregeld door overleg, bijstand of bemiddeling, kan één van de

partijen een beroep doen op de verzoeningsprocedure in de bijlage bij dit verdrag. De partijen

overwegen te goeder trouw het voorstel van de verzoeningscommissie voor de regeling van het

geschil.

Artikel 27 - Toetreding

  • 1. 
    Tot dit verdrag kunnen staten toetreden die geen lid zijn van de UNESCO, maar wel van de

Verenigde Naties of van één van haar gespecialiseerde instellingen, en die door de Algemene

Conferentie van de UNESCO tot toetreding worden uitgenodigd.

  • 2. 
    Tot dit verdrag kunnen eveneens gebieden toetreden die een door de Verenigde Naties als

dusdanig erkende volledige interne autonomie genieten, maar niet volledig onafhankelijk zijn

overeenkomstig Resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering, en die bevoegd zijn voor

de aangelegenheden die in dit verdrag worden geregeld, alsook om over deze aangelegenheden

verdragen te sluiten.

  • 3. 
    De volgende bepalingen zijn van toepassing op de organisaties voor regionale economische

integratie:

(a) tot dit verdrag kan eveneens elke organisatie voor regionale economische integratie

toetreden die, onder voorbehoud van het onderstaande, net als de staten die er partij bij

zijn volledig gebonden is door dit verdrag;

(b) wanneer één of meer lidstaten van een dergelijke organisatie ook partij zijn bij het

verdrag, stellen die organisatie of die lidstaat/lidstaten hun verantwoordelijkheid bij het

nakomen van hun verplichtingen krachtens dit verdrag vast. Deze verdeling van de

verantwoordelijkheid wordt van kracht wanneer de onder c) beschreven kennisgevings-

procedure is voltooid. De organisatie en de lidstaten zijn niet gemachtigd om de uit dit

verdrag voortvloeiende rechten tegelijkertijd uit te oefenen. Voorts beschikken de

organisaties voor regionale economische integratie op hun bevoegdheidsgebieden voor

  • ii) 
    wanneer de respectieve verantwoordelijkheden nadien worden gewijzigd, licht de

organisatie voor regionale economische integratie de depositaris in over elk

voorstel om deze verantwoordelijkheden te wijzigen; de depositaris licht op zijn

beurt de partijen over deze wijziging in;

(d) de lidstaten van een organisatie voor regionale economische integratie die partij worden

bij het verdrag, worden geacht bevoegd te blijven voor alle gebieden waarvoor er geen

uitdrukkelijk aan de depositaris gemelde of gesignaleerde bevoegdheidsoverdracht aan

de organisatie heeft plaatsgevonden;

(e) onder "organisatie voor regionale economische integratie" wordt een organisatie

verstaan die bestaat uit soevereine staten die lid zijn van de Verenigde Naties of van één

van haar gespecialiseerde instellingen, waaraan deze staten hun bevoegdheid op

gebieden die onder dit verdrag vallen hebben overgedragen, en waaraan volgens haar

interne procedures toestemming is verleend om partij te worden bij dit verdrag.

  • 4. 
    De akte van toetreding wordt bij de directeur-generaal van de UNESCO nedergelegd.

Artikel 28 - Contactpunt

Elke partij die lid wordt bij dit verdrag wijst een contactpunt aan als bedoeld in artikel 9.

Artikel 29 - Inwerkingtreding

  • 2. 
    Voor de toepassing van dit artikel wordt een akte die door een organisatie voor regionale eco-

nomische integratie wordt nedergelegd niet beschouwd als een bijkomende akte naast de akten

die haar lidstaten reeds hebben nedergelegd.

Artikel 30 - Federale of niet-unitaire grondwettelijke stelsels

Erkennende dat de internationale overeenkomsten de partijen, ongeacht hun grondwettelijke

stelsels, verbinden, gelden de onderstaande bepalingen voor de partijen met een federaal of niet-

unitair grondwettelijk stelsel:

(a) wat de bepalingen van dit verdrag betreft, waarvan de toepassing tot de bevoegdheid van

de federale of centrale wetgevende macht behoort, heeft de federale of centrale regering

dezelfde verplichtingen als de partijen die geen federale staat zijn;

(b) wat de bepalingen van dit verdrag betreft, waarvan de toepassing tot de bevoegdheid

behoort van elk van de samenstellende delen zoals staten, districten, provincies of

kantons, die krachtens het grondwettelijk stelsel van de federatie niet gehouden zijn

wetgevingsmaatregelen te nemen, brengt de federale overheid deze bepalingen, indien

nodig, ter kennis van de bevoegde autoriteiten van de samenstellende delen zoals staten,

districten, provincies of kantons, samen met haar aanbeveling voor goedkeuring.

Artikel 31 - Opzegging

  • 1. 
    Elk van de partijen kan dit verdrag opzeggen.

Artikel 32 - Taken van de depositaris

In zijn hoedanigheid van depositaris van dit verdrag licht de directeur-generaal van de UNESCO de

lidstaten van de organisatie, de in artikel 27 bedoelde niet-lidstaten en organisaties voor regionale

economische integratie, alsook de Verenigde Naties, in over de nederlegging van alle in artikelen 26

en 27 bedoelde akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, en over de in

artikel 31 bedoelde opzeggingen.

Artikel 33 - Amendementen

  • 1. 
    Elke partij kan bij schriftelijke mededeling aan de directeur-generaal amendementen op dit

verdrag voorstellen. De directeur-generaal doet deze mededeling aan alle partijen toekomen.

Indien, binnen zes maanden na de datum waarop de mededeling is toegestuurd, minstens de

helft van de partijen een gunstig antwoord heeft gegeven, presenteert de directeur-generaal dit

voorstel ter bespreking en eventuele aanneming op de volgende zitting van de Conferentie van

de partijen.

  • 2. 
    De amendementen worden aangenomen met een tweederde meerderheid van de aanwezige

stemgerechtigde partijen.

  • 3. 
    Wanneer de amendementen op dit verdrag zijn aangenomen, worden zij ter aanvaarding,

instemming, goedkeuring of toetreding aan de partijen voorgelegd.

  • 5. 
    De in de leden 3 en 4 vastgestelde procedure is niet van toepassing op de amendementen op

artikel 23 betreffende het aantal leden van het Intergouvernementeel Comité.

Deze amendementen treden in werking op het ogenblik van hun aanneming.

  • 6. 
    Een in artikel 27 bedoelde staat of organisatie voor regionale economische integratie die partij

wordt bij dit verdrag na de inwerkingtreding van amendementen conform lid 4 van dit artikel,

wordt, indien geen blijk werd gegeven van een andere intentie, geacht:

(a) partij te zijn bij het aldus geamendeerde verdrag; en

(b) partij te zijn bij het niet geamendeerde verdrag ten aanzien van alle partijen die niet

door deze amendementen gebonden zijn.

Artikel 34 - Authentieke teksten

Dit verdrag is opgesteld in het Arabisch, het Chinees, het Engels, het Frans, het Russisch en het

Spaans. De zes teksten zijn gelijkelijk authentiek.

Artikel 35 - Registratie

Overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties wordt dit verdrag op

verzoek van de directeur-generaal van de UNESCO geregistreerd bij het secretariaat van de

Verenigde Naties.

BIJLAGE

Verzoeningsprocedure

Artikel 1 - Verzoeningscommissie

Op verzoek van één van de partijen bij het geschil wordt een verzoeningscommissie opgericht.

Tenzij de partijen er anders over beslissen, is de commissie samengesteld uit vijf leden: elke

betrokken partij wijst twee leden aan, en de voorzitter wordt door de aldus aangewezen leden in

onderlinge overeenstemming gekozen.

Artikel 2 - Leden van de commissie

Bij een geschil tussen meer dan twee partijen wijzen de partijen met dezelfde belangen hun leden

van de commissie in onderlinge overeenstemming aan. Wanneer minstens twee partijen onafhanke-

lijke belangen hebben of het er niet over eens zijn of zij dezelfde belangen hebben, wijzen zij hun

leden afzonderlijk aan.

Artikel 3 - Aanwijzing

Wanneer de partijen twee maanden na het verzoek tot oprichting van een verzoeningscommissie

niet alle leden hebben aangewezen, wijst de directeur-generaal van de UNESCO op vraag van de

partij die het verzoek heeft ingediend binnen een nieuwe termijn van twee maanden alle leden van

de commissie aan die niet door de partijen zijn aangewezen.

Artikel 4 - Voorzitter van de commissie

Wanneer de leden van de commissie binnen een termijn van twee maanden na de aanwijzing van

het laatste lid van de commissie geen voorzitter hebben gekozen, wijst de directeur-generaal van de

UNESCO op verzoek van een partij binnen een nieuwe termijn van twee maanden de voorzitter aan.

BIJLAGE 1.b)

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP OVEREENKOMSTIG

ARTIKEL 27, LID 3, ONDER C), VAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE

BESCHERMING EN DE BEVORDERING VAN DE DIVERSITEIT VAN

CULTUURUITINGEN

De huidige leden van de Europese Gemeenschap zijn het Koninkrijk België, de Tsjechische

Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de

Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek,

de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom

Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de

Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de

Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk

van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Deze verklaring geeft aan welke bevoegdheden de lidstaten krachtens de Verdragen aan de

Gemeenschap hebben overgedragen met betrekking tot de aangelegenheden die in dit UNESCO-

Verdrag worden geregeld.

De Gemeenschap is exclusief bevoegd voor de gemeenschappelijke handelspolitiek (artikelen 131

tot en met 134 van het Verdrag), behalve voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom

Uit de hieronder opgesomde communautaire besluiten blijkt de reikwijdte van de bevoegdheden van

de Gemeenschap overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese

Gemeenschap.

Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese

Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de

multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende

overeenkomsten (PB L 336 van 23.12.1994).

Verordening (EG) nr. 2501/2001 van de Raad van 10 december 2001 houdende toepassing van een

schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2002 tot en met

31 december 2004 - Verklaringen bij de verordening van de Raad houdende toepassing van een

schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2002 tot en met

31 december 2004 (PB L 346 van 31.12.2001, blz. 1).

Besluit 2005/599/EG van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de ondertekening namens de

Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst

tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan,

enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op

23 juni 2000 (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 26).

Verordening (EG) nr. 2698/2000 van de Raad van 27 november 2000 tot wijziging van Verordening

(EG) nr. 1488/96 inzake financiële en technische maatregelen ter ondersteuning van de hervorming

van de economische en maatschappelijke structuren in het kader van het Europees-mediterrane

Verordening (EEG) nr. 443/92 van de Raad van 25 februari 1992 inzake financiële en technische

hulp en economische samenwerking met de ontwikkelingslanden in Latijns- Amerika en in Azië

(PB L 52 van 27.2.1992, blz. 1).

Verordening (EG, Euratom) nr. 99/2000 van de Raad van 29 december 1999 betreffende bijstand

aan de partnerstaten in Oost-Europa en Centraal-Azië (PB L 12 van 18.1.2000, blz. 1).

Besluit nr. 792/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling

van een communautair actieprogramma ter ondersteuning van organisaties die op Europees niveau

op cultuurgebied actief zijn (PB L 138 van 30.4.2004, blz. 40).

Besluit nr. 508/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 februari 2000 tot instelling

van het programma "Cultuur 2000" (PB L 63 van 10.3.2000, blz. 1).

Besluit 1419/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 tot vaststelling van

een communautaire actie voor het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" voor het tijdvak

2005 tot 2019 (PB L 166 van 1.7.1999, blz. 1).

Besluit van de Raad van 22 september 1997 betreffende de toekomst van het culturele optreden in

Europees verband (PB C 305 van 7.10.1997, blz. 1).

Besluit van de Raad van 22 september 1997 betreffende grensoverschrijdende vaste boekenprijzen

Besluit 2000/821/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende de uitvoering van een

programma ter aanmoediging van de ontwikkeling, de distributie en de promotie van Europese

audiovisuele werken (Media Plus - Ontwikkeling, distributie en promotie) (2001-2005) (PB L 336

van 30.12.2000, blz. 82).

Besluit nr. 163/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 januari 2001 betreffende de

uitvoering van een opleidingsprogramma voor vakmensen van de Europese audiovisuele

programma-industrie (Media-opleiding) (2001-2005) (PB L 26 van 27.1.2001, blz. 1).

Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere

bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1),

inzake staatssteun.

Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de

handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45).

Richtln 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de

harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatie-

maatschapp (PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10).

Richtln 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende

het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelk kunstwerk (PB L 272 van

Richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het

uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 346 van

27.11.1992, blz. 61).

De uitoefening van de communautaire bevoegdheden is van nature voortdurend in ontwikkeling. De

Gemeenschap behoudt zich in dit verband bijgevolg het recht voor om in de toekomst andere

verklaringen betreffende de verdeling van bevoegdheden tussen de Europese Gemeenschap en de

lidstaten te notificeren.

o o

o

BIJLAGE 2

UNILATERALE VERKLARING NAMENS DE GEMEENSCHAP BIJ DE

NEDERLEGGING VAN DE AKTE VAN TOETREDING

"Wat de communautaire bevoegdheden betreft die zijn beschreven in de verklaring overeenkomstig

artikel 27, lid 3, onder c), van het verdrag, is de Gemeenschap door het verdrag gebonden en zal zij

zorgen voor de correcte toepassing ervan. De lidstaten van de Gemeenschap die partij zijn bij dit

verdrag passen in hun wederzijdse betrekkingen de regels van het verdrag bijgevolg toe overeen-

komstig de interne regels regels van de Gemeenschap, onverminderd passende wijzigingen die

daarin worden aangebracht."

_____________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

21 dec
'05
COM(2005)678 - Sluiting van het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen


3 mei
'05
COM(2005)185 - Ondertekening van de wijziging van de ACS/EG-Partnerschapsovereenkomst (Overeenkomst van Cotonou)


30 jan
'03
COM(2003)46 - Maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele eigendomsrechten te waarborgen


12 jun
'01
COM(2001)293 - Toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004


10 mei
'00
COM(2000)281 - Bijstand aan Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Joegoslavië en Macedonië


14 dec
'99
COM(1999)658 - Tenuitvoerlegging van een programma ter bevordering van de ontwikkeling, de distributie en de bevordering van Europese audiovisuele werken (Media Plus - Ontwikkeling, distributie en bevordering) (2001-2005)


20 okt
'99
COM(1999)494 - Wijziging van Verordening (EG) nr. 1488/96 inzake financiële en technische maatregelen ter ondersteuning van de hervorming van de economische en maatschappelijke structuren in het kader van het Europees-mediterrane partnerschap (MEDA) (ingediend door de Commissie)


17 jul
'98
COM(1998)454 - Goedkeuring van de derde fase van het Trans-Europees Mobiliteitsprogramma voor universiteitsstudies - Tempus III (2000 - 2006)


18 feb
'98
COM(1998)73 - Nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag


13 nov
'96
COM(1996)586 - Garantie van de EG voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen voor projecten buiten de EG - (Midden- en Oost-Europa, mediterrane derde landen, Azië en Latijns-Amerika, Zuid- Afrika)


 
 
publicatiedatum 02-05-2006
kenmerk 8668/06

Inhoud