RAAD VAN Brussel, 6 juni 2006
(OR. en)
DE EUROPESE UNIE
9077/06
Interinstitutioneel dossier:
2004/0163 (AVC)
FSTR 32 FC 18 REGIO 25 SOC 216 CADREFIN 138 OC 347
WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN
Betreft:
VERORDENING VAN DE RAAD houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999
GEMEENSCHAPPELIJKE BELEIDSLIJNEN Aanvraagtermijn overleg Bulgarije en Roemenië: 06.06.2006
VERORDENING (EG) Nr. .../2006 VAN DE RAAD
van
houdende algemene bepalingen inzake
het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling,
het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds
en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 161,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien de instemming van het Europees Parlement1,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité2,
Gezien het advies van het Comité van de Regio's3,
Gezien het advies van de Rekenkamer4,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) In artikel 158 van het Verdrag is bepaald dat de Gemeenschap zich met het oog op de
versterking van de economische en sociale samenhang tot doel stelt de verschillen tussen
de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst
begunstigde regio's of eilanden, met inbegrip van de plattelandsgebieden, te verkleinen. In
artikel 159 is bepaald dat de verwezenlijking van dat doel moet worden ondersteund door
het optreden van de Gemeenschap via de Structuurfondsen, de Europese Investeringsbank
(EIB) en de andere bestaande financieringsinstrumenten.
(2) Het cohesiebeleid moet bijdragen tot een toename van de groei, het concurrentievermogen
en de werkgelegenheid door de integratie van de prioriteiten van de Gemeenschap voor
duurzame ontwikkeling die zijn omschreven tijdens de Europese Raad van Lissabon van
23 en 24 maart 2000 en die van Göteborg van 15 en 16 juni 2001.
(3) In de uitgebreide Unie zijn de economische, sociale en territoriale ongelijkheden op
regionaal en nationaal niveau groter geworden. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat
de acties ter verbetering van de convergentie, het concurrentievermogen en de werk-
gelegenheid in de hele Gemeenschap toenemen.
(4) De stijging van het aantal land- en zeegrenzen van de Gemeenschap en de uitbreiding van
haar grondgebied impliceren dat de toegevoegde waarde van grensoverschrijdende, trans-
nationale en interregionale samenwerking in de Gemeenschap moet worden verhoogd.
(6) De rol van de instrumenten in het kader waarvan steun wordt verleend voor plattelands-
ontwikkeling, namelijk het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling,
opgericht bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 van 20 september 2005 inzake steun voor
plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling
(ELFPO)1 en voor de visserijsector, namelijk een Europees Visserijfonds (EVF), moet
worden gespecificeerd en deze instrumenten moeten worden geïntegreerd in die van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid; deze
instrumenten moeten worden gecoördineerd met die van het cohesiebeleid.
(7) Bijgevolg wordt het aantal Fondsen waaruit bijstand wordt verleend in het kader van het
cohesiebeleid, beperkt tot drie, namelijk het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
(EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds. De voorschriften voor elk
Fonds moeten worden gespecificeerd in uitvoeringsverordeningen die overeenkomstig de
artikelen 148, 161 en 162 van het Verdrag worden vastgesteld.
(8) Op grond van artikel 55 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van
21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen2 moet de Raad
die verordening uiterlijk op 31 december 2006 op voorstel van de Commissie opnieuw
bezien. Met het oog op de uitvoering van de hervorming van de Fondsen die in onder-
havige verordening wordt voorgesteld, moet Verordening (EG) nr. 1260/99 worden
(9) Om de toegevoegde waarde van het communautaire cohesiebeleid te verhogen moeten de
werkzaamheden van de Structuurfondsen en van het Cohesiefonds worden geconcentreerd
en vereenvoudigd, en bijgevolg moeten de doelstellingen die in Verordening (EG)
nr. 1260/1999 zijn omschreven, worden geherdefinieerd. Zij moeten dan ook als volgt
worden omschreven: streven naar convergentie tussen de lidstaten en de regio's, regionaal
concurrentievermogen en werkgelegenheid, en Europese territoriale samenwerking.
(10) Binnen deze drie doelstellingen moet op passende wijze rekening worden gehouden met de
economische en sociale kenmerken en met de territoriale bijzonderheden.
(11) De ultraperifere regio's moeten in aanmerking komen voor specifieke maatregelen en extra
financiering om de handicaps te compenseren die voortvloeien uit de factoren die zijn
vermeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag.
(12) De problemen van toegankelijkheid en de problemen wegens de afstand tot de grote
markten, van gebieden met een extreem lage bevolkingsdichtheid als bedoeld in Protocol
nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994, vergen een passende financiële behandeling om
de gevolgen van die handicap te compenseren.
(13) Gelet op het belang van duurzame stadsontwikkeling en op de bijdrage van de steden en
gemeenten, vooral die van middelgrote omvang, tot de regionale ontwikkeling, moet met
de steden en gemeenten meer rekening worden gehouden door hun een grotere rol toe te
kennen bij de programmering van acties ter bevordering van het stadsherstel.
(14) Uit de Fondsen moeten, ter aanvulling van de acties van het ELFPO en het EVF,
bijzondere, aanvullende acties worden gefinancierd om de economische diversifiëring van
de plattelandsgebieden en van de zones die van de visserij afhankelijk zijn, te bevorderen.
(15) De acties voor gebieden met een natuurlijke handicap, d.w.z. sommige eilanden, berg-
gebieden en dunbevolkte gebieden, moeten worden versterkt om een oplossing te vinden
voor hun specifieke ontwikkelingsproblemen, en hetzelfde moet gebeuren voor sommige
gebieden die na de uitbreiding grensgebieden van de Gemeenschap zijn geworden.
(16) Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en zones
subsidiabel zijn. In dit verband moet voor de afbakening van de op communautair niveau
als prioritair aan te merken regio's en zones gebruik worden gemaakt van de gemeen-
schappelijke indeling van de regio's die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003
van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een
gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS)1.
(17) Er moet een doelstelling "convergentie" worden vastgesteld voor de lidstaten en regio's
met een ontwikkelingsachterstand; de regio's waarvoor deze convergentiedoelstelling
bedoeld is, zijn regio's waarvan het bruto binnenlands product (BBP) per inwoner, gemeten
in koopkrachtpariteiten, lager is dan 75% van het communautaire gemiddelde. De regio's
die worden getroffen door het statistische effect van de verlaging van het communautaire
gemiddelde als gevolg van de uitbreiding van de Unie, zullen om die reden aanzienlijke
overgangssteun krijgen om hun convergentieproces te voltooien. Aan deze steun komt een
einde in 2013 en er volgt geen nieuwe overgangsperiode. De lidstaten waarvoor de
convergentiedoelstelling bedoeld is, hebben een bruto nationaal inkomen (BNI) per
inwoner dat lager is dan 90% van het communautaire gemiddelde, en zij zullen bijstand
krijgen uit het Cohesiefonds.
(18) Er moet een doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" worden
vastgesteld voor het grondgebied van de Gemeenschap dat niet onder de convergentie-
doelstelling valt. Hiervoor komen de regio's in aanmerking die in de programmerings-
periode 2000-2006 onder doelstelling 1 vielen maar niet langer aan de regionale subsi-
diabiliteitscriteria van de convergentiedoelstelling voldoen en daarom overgangssteun
krijgen, alsmede alle andere regio's van de Gemeenschap.
(19) Er moet een doelstelling "Europese territoriale samenwerking" worden vastgesteld voor
regio's met land- of zeegrenzen, voor de zones voor transnationale samenwerking die
zullen worden afgebakend met het oog op acties ter bevordering van geïntegreerde
(20) Om de samenwerking langs de buitengrenzen van de Gemeenschap te verbeteren en te
vereenvoudigen zal een beroep moeten worden gedaan op de instrumenten voor externe
bijstand van de Gemeenschap, met name het bij Verordening (EG) nr. .../... van het
Europees Parlement en de Raad van ...
1 ingestelde Europees Nabuurschaps- en Partner-
schapsinstrument en het bij Verordening (EG) nr. .../... van de Raad van ...
2 ingestelde
pretoetredingsinstrument voor bijstand van de Gemeenschap aan kandidaat-lidstaten en
mogelijke kandidaat-lidstaten.
(21) De inbreng van het EFRO in een dergelijke samenwerking langs de buitengrenzen van de
Gemeenschap draagt bij aan het rechttrekken van de belangrijkste regionale ongelijkheden
in de Gemeenschap en aldus aan de versterking van haar economische en sociale
samenhang.
(22) Het optreden van de Fondsen en de concrete acties die zij helpen financieren, moeten
coherent zijn met het Gemeenschapsbeleid op andere gebieden en moeten in overeen-
stemming zijn met de communautaire wetgeving.
(23) Het optreden van de Gemeenschap moet complementair zijn aan dat van de lidstaten, of de
bedoeling hebben daartoe bij te dragen. Het partnerschap moet worden versterkt door
bepalingen inzake de deelname van de verschillende soorten partners, met name van de
regionale en plaatselijke autoriteiten, en die bepalingen moeten volledig stroken met de
institutionele regelingen van de lidstaten.
(25) Aangezien de doelstellingen "convergentie", "regionaal concurrentievermogen en werk-
gelegenheid" en "Europese territoriale samenwerking" niet voldoende door de lidstaten
kunnen worden gerealiseerd wegens de grootte van de ongelijkheden en de beperktheid
van de financiële middelen van de lidstaten en de regio's die onder de convergentie-
doelstelling vallen, en daarom beter op communautair niveau kunnen worden verwezen-
lijkt via de meerjarengarantie van de communautaire financiering, die het mogelijk maakt
het cohesiebeleid te concentreren op de prioriteiten van de Gemeenschap, kan de
Gemeenschap maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neer-
gelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in het bovengenoemde artikel vast-
gestelde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze
doelstellingen te verwezenlijken.
(26) Het is passend meetbare doelstellingen vast te stellen waarnaar de lidstaten van de
Europese Unie vóór 1 mei 2004 via uitgaven uit hoofde van de doelstellingen
"convergentie" en "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" zullen streven
met het oog op het bevorderen van het concurrentievermogen en het scheppen van banen.
Er moet een oplossing worden gevonden om te bepalen in hoeverre deze doelstellingen
zijn bereikt en hoe daarover verslag moet worden uitgebracht.
(27) Het is dienstig de subsidiariteit en de evenredigheid van de bijstandsverlening uit de
Structuurfondsen en uit het Cohesiefonds te versterken.
(28) Overeenkomstig artikel 274 van het Verdrag moeten, in de context van gedeeld beheer, de
voorwaarden worden vastgesteld die de Commissie in staat stellen haar verantwoorde-
lijkheid voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie op te nemen,
en moet de verantwoordelijkheid voor de samenwerking met de lidstaten worden ver-
duidelijkt. Als deze voorwaarden worden toegepast, zal de Commissie zich ervan kunnen
vergewissen dat de lidstaten de middelen van de Fondsen aanwenden op een legale en
regelmatige wijze en in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer als
omschreven in het financieel reglement.
(29) Om een reëel economisch effect te sorteren mogen de bijdragen uit de Structuurfondsen
niet in de plaats komen van de overheidsuitgaven die de lidstaten in het kader van deze
verordening moeten doen. De verifiëring, in het kader van het partnerschap, van het
additionaliteitsbeginsel moet vooral gericht zijn op de regio's die onder de convergentie-
doelstelling vallen, aangezien die regio's zeer omvangrijke middelen krijgen, en kan
resulteren in een financiële correctie als de additionaliteit niet in acht wordt genomen.
(30) In de context van haar inspanningen ten behoeve van de economische en sociale samen-
hang steunt de Gemeenschap in alle fasen van de uitvoering van het Fonds de in de
artikelen 2 en 3 van het Verdrag omschreven doelstelling de ongelijkheden tussen mannen
en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, alsmede
discriminatie op basis van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging,
handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, te voorkomen.
(31) De Commissie moet via een objectieve en transparante methode de beschikbare vast-
leggingskredieten op indicatieve wijze verdelen, rekening houdend met het voorstel van de
Commissie, de conclusies van de Europese Raad van 15-16 december 2005 en het
Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de
Commissie, betreffende de begrotingsdiscipline en gezond financieel beheer1, om ervoor te
zorgen dat deze kredieten grotendeels terechtkomen in de regio's met een ontwikkelings-
achterstand, inclusief de regio's die overgangssteun krijgen wegens het statistische effect.
(32) De financiële middelen moeten in grotere mate worden geconcentreerd op de conver-
gentiedoelstelling aangezien de ongelijkheden in de uitgebreide Unie zijn toegenomen. De
inspanningen ten behoeve van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werk-
gelegenheid" om het concurrentievermogen en de werkgelegenheid in de rest van de
Gemeenschap te verbeteren, moeten worden gehandhaafd en de middelen voor de doel-
stelling "Europese territoriale samenwerking" moeten worden verhoogd gelet op de
specifieke toegevoegde waarde ervan.
(33) De jaarlijkse kredieten die uit de Fondsen aan een lidstaat worden toegewezen, moeten
worden beperkt tot een plafond dat wordt vastgesteld op basis van de absorptiecapaciteit
van die lidstaat.
(34) 3% van de kredieten van de Structuurfondsen die aan de lidstaten worden toegewezen voor
de doelstellingen "convergentie" en "regionaal concurrentievermogen en werkgelegen-
heid", kan worden opgenomen in een nationale reserve die dient om prestaties te belonen.
(35) Met het oog op de programmering moeten de beschikbare kredieten van de Fondsen
forfaitair worden geïndexeerd.
(36) Om het strategische gehalte van het cohesiebeleid te verhogen door er de prioriteiten van
de Gemeenschap in te integreren en zo de transparantie van dat beleid te bevorderen, dient
de Raad op voorstel van de Commissie strategische richtsnoeren vast te stellen; de Raad
dient op basis van een strategisch verslag van de Commissie na te gaan of de lidstaten deze
richtsnoeren uitvoeren.
(37) Het is passend dat elke lidstaat op basis van de door de Raad vastgestelde strategische
richtsnoeren in dialoog met de Commissie een nationaal referentiedocument over zijn
ontwikkelingsstrategie opstelt, dat het kader voor de opstelling van de operationele
programma's moet vormen. Op basis van de nationale strategie neemt de Commissie nota
van het nationaal strategisch referentiekader en neemt hij een besluit betreffende bepaalde
elementen van dit document.
(38) De programmering en het beheer van de Structuurfondsen moeten, gelet op de specifieke
kenmerken ervan, worden vereenvoudigd door te bepalen dat de operationele programma's
hetzij uit het EFRO, hetzij uit het ESF worden gefinancierd, waarbij elk Fonds op aan-
vullende en beperkte wijze acties kan financieren die onder de werkingssfeer van het
andere Fonds vallen.
(39) De bijstandsverlening uit het Cohesiefonds en uit het EFRO wordt, om de complementa-
(40) Bij de programmering moet worden gezorgd voor de coördinatie van de Fondsen onderling
en met de andere bestaande financieringsinstrumenten, de EIB en het Europees
Investeringsfonds. Die coördinatie heeft ook betrekking op de opstelling van complexe
financieringsschema's en het oprichten van publiek-private partnerschappen.
(41) Het is passend dat vooral voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en voor
investeringen in publiek-private partnerschappen en andere projecten die deel uitmaken
van een geïntegreerd plan voor duurzame stadsontwikkeling, wordt gezorgd voor een
betere toegang tot financiering en vernieuwende financiële instrumenten. De lidstaten
kunnen besluiten een holdingfonds te kiezen via de toekenning van overheidsopdrachten
krachtens het toepasselijke recht inzake overheidsopdrachten, daaronder begrepen met het
Gemeenschapsrecht verenigbare afwijkingen van het nationale recht. In andere gevallen,
wanneer de lidstaten ervan overtuigd zijn dat het recht inzake overheidsopdrachten niet van
toepassing is, rechtvaardigt de taakomschrijving van het EIF en de EIB dat de lidstaten
deze instanties een subsidie verlenen, d.w.z. een rechtstreekse financiële bijdrage bij wijze
van schenking; onder dezelfde voorwaarden kan het nationale recht voorzien in de
mogelijkheid andere financiële instellingen een subsidie te verlenen zonder een oproep tot
het indienen van voorstellen.
(42) Bij de beoordeling van belangrijke productieve investeringsprojecten moet de Commissie
over alle nodige informatie beschikken om na te gaan of de financiële bijdrage uit de
Fondsen niet leidt tot een aanzienlijk banenverlies op bestaande locaties in de Europese
(43) De programmeringsperiode moet één enkele periode van zeven jaar bestrijken opdat de bij
Verordening (EG) nr. 1260/1999 vastgestelde vereenvoudiging van het beheerssysteem
kan worden gehandhaafd.
(44) De lidstaten en de beheersautoriteiten kunnen in het kader van de uit het EFRO gecofinan-
cierde operationele programma's regelingen treffen voor interregionale samenwerking en
kunnen rekening houden met de specifieke kenmerken van de gebieden met natuurlijke
handicaps.
(45) Met het oog op de noodzakelijke vereenvoudiging en decentralisering moeten de
programmering en het financieel beheer uitsluitend op het niveau van de operationele
programma's en de prioritaire zwaartepunten plaatsvinden, en wordt niet langer gewerkt
met de communautaire bestekken en programmacomplementen waarin Verordening (EG)
nr. 1260/1999 voorziet.
(46) De lidstaten, de regio's en de beheersautoriteiten kunnen bepalen hoe in het kader van de
uit het EFRO gecofinancierde operationele programma's voor de doelstellingen
"convergentie" en "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" bevoegdheden
aan de stedelijke autoriteiten moeten worden gesubdelegeerd voor de prioriteiten op het
gebied van het herstel van steden en gemeenten.
(47) De aanvullende toewijzing om de extra kosten ten laste van de ultraperifere regio's te
compenseren, moet worden geïntegreerd in de uit het EFRO gecofinancierde operationele
(49) De Commissie moet, indien nodig in overleg met de EIB, grote projecten die een onderdeel
zijn van een operationeel programma, kunnen goedkeuren om de opzet en de impact ervan,
alsmede de voorschriften voor het geplande gebruik van de communautaire middelen, te
evalueren.
(50) Het is nuttig te preciseren voor welke soorten acties uit de Fondsen steun wordt verleend
als technische bijstand.
(51) Er moet worden gezorgd dat voldoende middelen worden uitgetrokken om de lidstaten bij
te staan bij de projectvoorbereiding en -beoordeling. De EIB speelt een rol bij het verlenen
van deze bijstand en kan daarvoor een subsidie krijgen van de Commissie.
(52) In het verlengde daarvan is het passend te bepalen dat door de Commissie aan het EIF een
subsidie kan worden verleend om de behoefte aan vernieuwende acties op het gebied van
financiële instrumenten voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen te beoordelen.
(53) Om dezelfde als de bovengenoemde redenen moet door de Commissie aan de EIB en het
EIF een subsidie worden verleend voor het ondernemen van acties op het gebied van
technische bijstand inzake duurzame stadsontwikkeling of voor de ondersteuning van
maatregelen ter bevordering van duurzame economische activiteit in zwaar door een
economische crisis getroffen regio's.
(54) Voor de doeltreffendheid van de bijstandsverlening uit de Fondsen is het ook van belang
dat bij de programmering en het toezicht met betrouwbare evaluaties wordt gewerkt; er
(55) De lidstaten kunnen met een deel van hun nationale middelen voor de doelstellingen
"convergentie" en "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" een kleine
reserve aanleggen om snel het hoofd te kunnen bieden aan onverwachte sectorale of lokale
crises die het gevolg zijn van sociaal-economische herstructureringen of van handels-
overeenkomsten.
(56) Het is passend te bepalen welke uitgaven in een lidstaat als overheidsuitgaven kunnen
worden beschouwd voor de berekening van de totale nationale overheidsbijdrage aan een
operationeel programma; te dien einde is het passend te verwijzen naar de bijdrage van de
"publiekrechtelijke instellingen" in de zin van de richtlijnen van de Gemeenschap inzake
overheidsopdrachten, omdat onder deze categorie instellingen diverse soorten openbare of
particuliere instanties vallen die zijn opgericht met het specifieke doel te voorzien in
behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn en
waarop toezicht wordt uitgeoefend door de staat of door regionale of lokale instanties.
(57) Er moet worden bepaald aan de hand van welke elementen de bijdrage van de Fondsen aan
de operationele programma's wordt gedifferentieerd, met name om het multiplicatoreffect
van de communautaire middelen te verhogen. Het is ook passend om op basis van het soort
Fonds en doelstelling de maxima te bepalen die de bijdrage uit de Fondsen niet mag
(58) Het is tevens noodzakelijk het begrip "inkomstengenererend project" te definiëren te
bepalen op basis van welke beginselen en voorschriften de bijdrage van de Fondsen wordt
berekend; voor sommige investeringen is het feitelijk niet mogelijk de inkomsten van
tevoren te ramen en derhalve moet vooraf de methode worden vastgesteld om ervoor te
zorgen dat deze inkomsten niet met overheidsmiddelen gefinancierd worden.
(59) De begin- en einddata voor de subsidiabiliteit moeten worden bepaald, zodat de bijstands-
verlening uit de Fondsen in de gehele Gemeenschap op eenvormige en billijke wijze wordt
toegepast; ter vergemakkelijking van de uitvoering van de operationele programma's dient
te worden bepaald dat de begindatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven vóór
1 januari 2007 kan vallen indien de lidstaat vóór die datum een operationeel programma
indient.
(60) In overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel moeten, behoudens in de uitzonde-
ringen waarin is voorzien bij de Verordeningen (EG) nr. .../... van het Europees Parlement
en de Raad van ... betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling1,
(EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende het Europees
Sociaal Fonds2 en (EG) nr. .../... van ... tot oprichting van het Cohesiefonds3, nationale
regels over de subsidiabiliteit van de uitgaven worden toegepast.
(61) Om ervoor te kunnen zorgen dat het optreden van de Fondsen doeltreffend en billijk is en
een duurzaam effect sorteert, zijn bepalingen nodig die het duurzame karakter van
investeringen in ondernemingen garanderen en voorkomen dat middelen uit de Fondsen
worden gebruikt voor het creëren van een onrechtmatig voordeel. Er moet worden
gegarandeerd dat de investeringen waarvoor bijstand uit de Fondsen wordt verleend, over
een voldoende lange periode kunnen worden afgeschreven.
(62) De lidstaten moeten passende maatregelen vaststellen om te garanderen dat de beheers- en
controlesystemen goed functioneren. Daartoe moeten de algemene beginselen waaraan de
systemen van alle operationele programma's moeten voldoen en de noodzakelijke functies
die zij moeten vervullen, worden vastgesteld op basis van het communautaire recht dat van
kracht is voor de programmeringsperiode 2000-2006.
(63) In dit verband moet worden vastgehouden aan de aanwijzing van een enkele beheers-
autoriteit voor elk operationeel programma en moeten de verantwoordelijkheden van die
autoriteit en de functies van de auditautoriteit nader worden omschreven. Er moet ook
worden gegarandeerd dat de uitgaven en de betalingsaanvragen volgens eenvormige
kwaliteitsnormen worden gecertificeerd voordat ze aan de Commissie worden toegestuurd;
de aard en de kwaliteit van de gegevens waarop deze aanvragen worden gebaseerd, moeten
worden verduidelijkt en in dit verband moet worden bepaald wat de functies van de
certificeringsautoriteit zijn.
(64) Er moet toezicht worden gehouden op de operationele programma's om de kwaliteit van de
uitvoering ervan te garanderen. In dit verband moet de verantwoordelijkheid van de
toezichtcomités worden omschreven en moet worden bepaald welke gegevens aan de
Commissie moeten worden verstrekt en binnen welk kader deze gegevens moeten worden
onderzocht. Ter verbetering van de uitwisseling van gegevens over de operationele
programma's moet worden bepaald dat deze gegevens in beginsel in elektronische vorm
worden uitgewisseld.
(65) Overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel zijn in de eerste plaats
de lidstaten verantwoordelijk voor de uitvoering van en de controle op de bijstands-
verlening.
(66) Om de efficiënte en correcte uitvoering van de operationele programma's te garanderen
moet worden bepaald aan welke verplichtingen de lidstaten moeten voldoen wat betreft de
beheers- en controlesystemen, de certificering van de uitgaven en de preventie, opsporing
en correctie van onregelmatigheden of inbreuken op de communautaire wetgeving. Met
name moet voor het beheer en de controle worden bepaald op welke wijze de lidstaten
moeten garanderen dat de systemen aanwezig zijn en naar behoren functioneren.
(67) Zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de Commissie op het gebied van de
financiële controle, moeten de lidstaten en de Commissie op dit vlak meer samenwerken en
moeten criteria worden vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie, in de context van
haar strategie voor de controle van de nationale systemen, kan bepalen welke niveau van
(68) De omvang en de intensiteit van de communautaire controles moeten in verhouding staan
tot de omvang van de bijdrage van de Gemeenschap. Als een lidstaat het grootste deel van
de financiering van een programma voor zijn rekening neemt, dient hij de mogelijkheid te
hebben sommige elementen van de controle volgens de nationale regels te organiseren.
Voorts moet worden bepaald dat de Commissie in die omstandigheden de middelen die de
lidstaten moeten inzetten voor de certificering van de uitgaven en de verifiëring van de
beheers- en controlesystemen, differentieert, en moeten de voorwaarden worden vast-
gesteld waaronder de Commissie haar eigen audits kan beperken en mag vertrouwen op de
garanties van de nationale instanties.
(69) Als bij het begin van de operationele programma's een voorschot wordt betaald, wordt een
normale kasstroom gecreëerd die de betalingen aan de begunstigden tijdens de uitvoering
van het operationele programma vergemakkelijkt. Derhalve zullen voorschotten uit de
Structuurfondsen van 5% (voor de lidstaten van de Europese Unie vóór 1 mei 2004)
respectievelijk 7% (voor de lidstaten die in of na 2004 tot de Unie zijn toegetreden) en uit
het Cohesiefonds van 7,5%, respectievelijk 10,5%, de uitvoering van de operationele
(70) Ter aanvulling van de mogelijkheid de betalingen te schorsen als in de beheers- en
controlesystemen een ernstige tekortkoming wordt geconstateerd, moet worden voorzien in
de mogelijkheid dat de gedelegeerd ordonnateur de betalingen uitstelt als er aanwijzingen
zijn dat deze systemen niet naar behoren functioneren.
(71) De regel over het ambtshalve doorhalen draagt bij tot een snellere uitvoering van de
programma's. Het is dan ook dienstig de bepalingen voor de toepassing daarvan vast te
stellen en te bepalen welke delen van de vastleggingen van deze regel kunnen worden
uitgesloten, met name wanneer de vertraging bij de uitvoering het gevolg is van omstan-
digheden die onafhankelijk zijn van de persoon die zich daarop beroept, abnormaal of niet
te voorzien zijn en gevolgen hebben die ondanks de geleverde inspanningen niet kunnen
worden vermeden.
(72) De procedures voor de afsluiting moeten worden vereenvoudigd door de lidstaten die dit
wensen, de mogelijkheid te geven om volgens een door hen gekozen schema operationele
programma's gedeeltelijk af te sluiten ten aanzien van voltooide concrete acties; hiertoe
moet een passend kader worden geboden.
(73) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste bepalingen moeten worden vast-
gesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling
van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoerings-
bevoegdheden1. De Commissie moet de maatregelen tot uitvoering van deze verordening
vaststellen om de transparantie te waarborgen en de op het beheer van de operationele
programma's toepasselijke bepalingen te verduidelijken wat betreft de indeling van de
uitgaven, de financiële instrumenten, beheer en controle, elektronische uitwisseling van
gegevens en publiciteit na het advies van het Coördinatiecomité van de Fondsen, dat als
Comité van beheer optreedt; het is passend dat de Commissie de lijst van zones publiceert
die ingevolge de toepassing van de criteria van deze Verordening voor de doelstelling
inzake Europese territoriale samenwerking in aanmerking komen, alsmede de indicatieve
richtsnoeren inzake kosten-batenanalyse die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding en de
indiening van grote projecten en inkomstengenererende projecten, de indicatieve richt-
snoeren inzake evaluatie en de lijst van de projecten die op initiatief van de Commissie en
na overleg met het als comité van beheer optredend Coördinatiecomité van de Fondsen uit
hoofde van de technische bijstand in aanmerking komen,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
INHOUDSOPGAVE
TITEL I Doelstellingen en algemene bepalingen inzake de bijstandsverlening................................ 32
HOOFDSTUK I TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES .......................................................... 32
Artikel 1 Toepassingsgebied.............................................................................................................. 32
Artikel 2 Definities............................................................................................................................. 33
HOOFDSTUK II DOELSTELLINGEN EN TAKEN....................................................................... 35
Artikel 3 Doelstellingen ..................................................................................................................... 35
Artikel 4 Instrumenten en taken......................................................................................................... 37
HOOFDSTUK III GEOGRAFISCHE SUBSIDIABILITEIT ........................................................... 38
Artikel 5 Convergentie....................................................................................................................... 38
Artikel 6 Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid ...................................................... 39
Artikel 7 Europese territoriale samenwerking ................................................................................... 40
Artikel 8 Overgangssteun................................................................................................................... 41
HOOFDSTUK IV BEGINSELEN VAN DE BIJSTANDSVERLENING ....................................... 42
Artikel 13 Evenredige bijstandsverlening.......................................................................................... 47
Artikel 14 Gedeeld beheer ................................................................................................................. 48
Artikel 15 Additionaliteit ................................................................................................................... 49
Artikel 16 Gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie ............................................... 51
Artikel 17 Duurzame ontwikkeling.................................................................................................... 52
HOOFDSTUK V FINANCIEEL KADER ........................................................................................ 52
Artikel 18 Totale middelen ................................................................................................................ 52
Artikel 19 Middelen voor de convergentiedoelstelling...................................................................... 53
Artikel 20 Middelen voor de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en
werkgelegenheid"............................................................................................................................... 54
Artikel 21 Middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"............................. 55
Artikel 22 Niet-overdraagbaarheid van de middelen......................................................................... 58
Artikel 23 Middelen voor de prestatiereserve.................................................................................... 58
Artikel 24 Middelen voor technische bijstand ................................................................................... 59
HOOFDSTUK II NATIONAAL STRATEGISCH REFERENTIEKADER .................................... 61
Artikel 27 Inhoud ............................................................................................................................... 61
Artikel 28 Opstelling en goedkeuring................................................................................................ 64
HOOFDSTUK III STRATEGISCHE FOLLOW-UP........................................................................ 65
Artikel 29 Strategische rapportage door de lidstaten ......................................................................... 65
Artikel 30 Strategische rapportage door de Commissie en gedachtewisseling over
het cohesiebeleid ................................................................................................................................ 67
Artikel 31 Cohesieverslag.................................................................................................................. 68
TITEL III Programmering ................................................................................................................. 69
HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE STRUCTUURFONDSEN EN
HET COHESIEFONDS ..................................................................................................................... 69
Artikel 32 Opstelling en goedkeuring van operationele programma's............................................... 69
Artikel 33 Herziening van operationele programma's ....................................................................... 71
Artikel 34 Specifiek karakter van de Fondsen ................................................................................... 72
Artikel 35 Geografisch toepassingsgebied......................................................................................... 72
Artikel 38 Operationele programma's voor de doelstelling "Europese territoriale
samenwerking"................................................................................................................................... 80
DEEL 2 Grote projecten .................................................................................................................... 81
Artikel 39 Inhoud ............................................................................................................................... 81
Artikel 40 Aan de Commissie te verstrekken gegevens .................................................................... 81
Artikel 41 Besluit van de Commissie ................................................................................................ 83
DEEL 3 Globale subsidies ................................................................................................................. 84
Artikel 42 Algemene bepalingen ....................................................................................................... 84
Artikel 43 Uitvoeringsregels .............................................................................................................. 85
DEEL 4 Financiële instrumentering .................................................................................................. 86
Artikel 44 Acties op het gebied van financiële instrumentering........................................................ 86
DEEL 5 Technische bijstand.............................................................................................................. 87
Artikel 45 Technische bijstand op initiatief van de Commissie ........................................................ 87
Artikel 46 Technische bijstand van de lidstaten ................................................................................ 89
HOOFDSTUK II RESERVES........................................................................................................... 94
Artikel 50 Nationale prestatiereserve................................................................................................. 94
Artikel 51 Nationale reserve voor onvoorziene uitgaven .................................................................. 95
TITEL V Financiële bijdrage uit de Fondsen .................................................................................... 96
HOOFDSTUK I BIJDRAGE UIT DE FONDSEN ........................................................................... 96
Artikel 52 Differentiëring van de bijdragepercentages...................................................................... 96
Artikel 53 Bijdrage uit de Fondsen .................................................................................................... 98
Artikel 54 Overige bepalingen ......................................................................................................... 100
HOOFDSTUK II INKOMSTENGENERERENDE PROJECTEN................................................. 101
Artikel 55 Inkomstengenererende projecten .................................................................................... 101
HOOFDSTUK III SUBSIDIABILITEIT VAN DE UITGAVEN................................................... 103
Artikel 56 Subsidiabiliteit van de uitgaven...................................................................................... 103
HOOFDSTUK IV DUURZAAMHEID VAN DE CONCRETE ACTIES ..................................... 105
Artikel 57 Duurzaamheid van de concrete acties............................................................................. 105
Artikel 60 Functies van de beheersautoriteit.................................................................................... 109
Artikel 61 Functies van de certificeringsautoriteit........................................................................... 111
Artikel 62 Functies van de auditautoriteit........................................................................................ 112
HOOFDSTUK II TOEZICHT ......................................................................................................... 115
Artikel 63 Toezichtcomité ............................................................................................................... 115
Artikel 64 Samenstelling.................................................................................................................. 116
Artikel 65 Taken .............................................................................................................................. 116
Artikel 66 Nadere voorschriften voor het toezicht........................................................................... 117
Artikel 67 Jaarverslag en eindverslag over de uitvoering................................................................ 118
Artikel 68 Jaarlijks onderzoek van de programma's ........................................................................ 121
HOOFDSTUK III VOORLICHTING EN PUBLICITEIT.............................................................. 122
Artikel 69 Voorlichting en publiciteit.............................................................................................. 122
HOOFDSTUK IV VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE LIDSTATEN EN
VAN DE COMMISSIE ................................................................................................................... 123
DEEL 2 Verantwoordelijkheden van de Commissie ....................................................................... 126
Artikel 72 Verantwoordelijkheden van de Commissie .................................................................... 126
Artikel 73 Samenwerking met de auditautoriteiten van de lidstaten ............................................... 128
DEEL 3 EVENREDIGHEID IN DE CONTROLE VAN OPERATIONELE
PROGRAMMA'S ............................................................................................................................ 129
Artikel 74 Proportionele controleregelingen.................................................................................... 129
TITEL VII FINANCIEEL BEHEER ............................................................................................... 131
HOOFDSTUK I FINANCIEEL BEHEER ...................................................................................... 131
DEEL 1 VASTLEGGINGEN.......................................................................................................... 131
Artikel 75 Vastleggingen ................................................................................................................. 131
DEEL 2 GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE BETALINGEN ....... 132
Artikel 76 Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de betalingen........................................... 132
Artikel 77 Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de berekening van de tussentijdse
betalingen en de saldobetalingen ..................................................................................................... 133
Artikel 78 Uitgavenstaat .................................................................................................................. 134
DEEL 3 Voorfinanciering................................................................................................................ 138
Artikel 82 Betaling........................................................................................................................... 138
Artikel 83 Rente ............................................................................................................................... 140
Artikel 84 Goedkeuring van de rekeningen ..................................................................................... 140
DEEL 4 TUSSENTIJDSE BETALINGEN ..................................................................................... 141
Artikel 85 Tussentijdse betalingen................................................................................................... 141
Artikel 86 Ontvankelijkheid van de betalingsaanvragen ................................................................. 141
Artikel 87 Termijn voor de indiening van de betalingsaanvragen en voor de betalingen ............... 142
DEEL 5 AFSLUITING VAN HET PROGRAMMA EN BETALING VAN
HET EINDSALDO .......................................................................................................................... 143
Artikel 88 Gedeeltelijke afsluiting................................................................................................... 143
Artikel 89 Voorwaarden voor de betaling van het eindsaldo........................................................... 144
Artikel 90 Beschikbaarheid van documenten .................................................................................. 146
DEEL 6 UITSTEL EN SCHORSING VAN BETALINGEN ......................................................... 147
Artikel 95 Schorsingstermijn voor gerechtelijke procedures en administratief beroep.................. 151
Artikel 96 Uitzonderingen op de ambtshalve te verrichten doorhaling ........................................... 152
Artikel 97 Procedure ........................................................................................................................ 152
HOOFDSTUK II FINANCIËLE CORRECTIES............................................................................ 153
DEEL 1 Financiële correcties door de lidstaten............................................................................... 153
Artikel 98 Financiële correcties door de lidstaten ........................................................................... 153
DEEL 2 Financiële correcties door de Commissie .......................................................................... 155
Artikel 99 Criteria voor de correcties .............................................................................................. 155
Artikel 100 Procedure ...................................................................................................................... 156
Artikel 101 Verplichtingen van de lidstaten .................................................................................... 158
Artikel 102 Terugbetaling................................................................................................................ 158
TITEL VIII Comités ........................................................................................................................ 159
HOOFDSTUK I COÖRDINATIECOMITÉ VAN DE FONDSEN ................................................ 159
Artikel 103 Comité en procedures ................................................................................................... 159
TITEL IX Slotbepalingen ................................................................................................................ 162
Artikel 105 Overgangsbepalingen ................................................................................................... 162
Artikel 106 Herzieningsclausule...................................................................................................... 163
Artikel 107 Intrekking...................................................................................................................... 164
Artikel 108 Inwerkingtreding........................................................................................................... 164
BIJLAGE I ........................................................................................................................................... 1
BIJLAGE II.......................................................................................................................................... 1
BIJLAGE III ........................................................................................................................................ 1
BIJLAGE IV ........................................................................................................................................ 1
TITEL I
DOELSTELLINGEN EN ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE BIJSTANDSVERLENING
HOOFDSTUK I
TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
Artikel 1
Toepassingsgebied
Bij deze verordening worden de algemene bepalingen vastgesteld met betrekking tot het Europees
Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) (hierna de
"Structuurfondsen" genoemd) en het Cohesiefonds, onverminderd de specifieke bepalingen die in
Verordeningen (EG) nr. .../... , (EG) nr. .../...
en (EG) nr. .../... zijn vastgesteld.
Bij deze verordening worden de doelstellingen vastgesteld waartoe de Structuurfondsen en het
Cohesiefonds (hierna de "Fondsen" genoemd) moeten bijdragen, de criteria waaraan de lidstaten en
de regio's moeten voldoen om voor bijstand uit deze Fondsen in aanmerking te komen, de beschik-
bare financiële middelen en de criteria voor de toewijzing daarvan.
Bij deze verordening wordt het kader voor het cohesiebeleid vastgesteld, met inbegrip van de
methode voor de vaststelling van de strategische richtsnoeren van de Gemeenschap inzake cohesie,
Te dien einde worden bij deze verordening de op een verdeling van de verantwoordelijkheden
tussen de lidstaten en de Commissie gebaseerde beginselen en bepalingen betreffende het partner-
schap, de programmering, de evaluatie, het beheer, met inbegrip van het financiële beheer, het
toezicht en de controle vastgesteld.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
-
1)"operationeel programma": het document dat door een lidstaat is ingediend en door de
Commissie is goedgekeurd, waarin een ontwikkelingsstrategie wordt uiteengezet die
gebaseerd is op een coherent geheel van prioriteiten, en voor de realisatie waarvan een
beroep wordt gedaan op bijstand uit een Fonds, of, in het geval van de convergentie-
doelstelling, uit het Cohesiefonds en het EFRO;
-
2)"prioritair zwaartepunt": een van de prioriteiten van de in een operationeel programma
uiteengezette strategie, die bestaat uit een groep concrete acties die met elkaar verband
houden en specifieke, meetbare doelstellingen hebben;
-
3)"concrete actie": een project dat, of een groep projecten die door de beheersautoriteit van
het betrokken operationele programma of onder haar verantwoordelijkheid volgens de door
het toezichtcomité vastgestelde criteria is gekozen en dat/die door een of meer begun-
-
4)"begunstigde": een actor, instantie of onderneming uit de overheids- of de privé-sector die
belast is met het initiatief nemen tot of het initiatief nemen tot en de tenuitvoerlegging van
concrete acties. In het kader van de steunmaatregelen als bedoeld in artikel 87 van het
Verdrag zijn begunstigden overheids- of privé-bedrijven die een afzonderlijk project
uitvoeren en overheidssteun ontvangen;
-
5)"overheidsuitgaven": elke overheidsbijdrage aan de financiering van concrete acties die
afkomstig is uit de begroting van de staat of van een regionale of plaatselijke overheid of
van de Europese Gemeenschappen en verband houdt met de Structuurfondsen en het
Cohesiefonds, alsmede elke soortgelijke uitgave. Elke bijdrage aan de financiering van
concrete acties die afkomstig is uit de begroting van publiekrechtelijke instellingen of
verenigingen van een of meer regionale of plaatselijke overheden of publiekrechtelijke
instellingen overeenkomstig Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van
overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten1, wordt beschouwd als een
-
soortgelijke uitgave;
-
6)"bemiddelende instantie": elke publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instantie of dienst
die handelt onder de verantwoordelijkheid van een beheers- of certificeringsautoriteit of
die namens een dergelijke autoriteit taken verricht ten behoeve van begunstigden die
concrete acties uitvoeren;
HOOFDSTUK II
DOELSTELLINGEN EN TAKEN
Artikel 3
Doelstellingen
-
1.Het optreden van de Gemeenschap op grond van artikel 158 van het Verdrag is erop
gericht de economische en sociale samenhang van de uitgebreide Unie te versterken om
de harmonieuze, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de Gemeenschap te
bevorderen. Voor dit optreden wordt bijstand verleend uit de Fondsen, de Europese
Investeringsbank (EIB) en de andere bestaande financieringsinstrumenten. Doel van dit
optreden is het hoofd te bieden aan uitdagingen die samenhangen met de economische,
sociale en territoriale ongelijkheden die zich vooral in landen en regio's met een
ontwikkelingsachterstand voordoen, en in verband met de economische en sociale
herstructurering, aan de veroudering van de bevolking.
Het optreden in het kader van de Fondsen geeft, op nationaal en regionaal niveau, vorm
aan de prioriteiten van de Gemeenschap ten gunste van een duurzame ontwikkeling
doordat de groei, het concurrentievermogen en de werkgelegenheid, de sociale insluiting
en de milieubescherming en -kwaliteit worden bevorderd.
-
2.In dit verband dragen het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, de Europese Investeringsbank
(EIB) en de andere bestaande financieringsinstrumenten van de Gemeenschap elk op
passende wijze bij tot de verwezenlijking van de volgende drie doelstellingen:
-
a)de convergentiedoelstelling, waarmee wordt beoogd de convergentie van de minst
ontwikkelde lidstaten en regio's te versnellen door de verbetering van de voor-
waarden voor groei en werkgelegenheid via de toename en kwalitatieve verbetering
van de investeringen in fysiek en menselijk kapitaal, de ontwikkeling van de
innovatie en van de kennismaatschappij, het vermogen zich aan economische en
sociale veranderingen aan te passen, milieubescherming en -verbetering en
bestuurlijke efficiëntie. Deze doelstelling vormt de prioriteit van de Fondsen;
-
b)de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid", die geldt voor
andere dan de minst ontwikkelde regio's en waarmee wordt beoogd het concurrentie-
vermogen en de aantrekkingskracht van de regio's alsmede de werkgelegenheid te
vergroten door op economische en sociale veranderingen, inclusief die welke met de
vrijmaking van de handel verband houden, te anticiperen via innovatie en de
bevordering van de kennismaatschappij, ondernemerschap, milieubescherming en
-verbetering, de verbetering van de toegankelijkheid, het aanpassingsvermogen van
werknemers en bedrijven, en de ontwikkeling van inclusieve arbeidsmarkten;
-
c)de doelstelling "Europese territoriale samenwerking", waarmee wordt beoogd de
grensoverschrijdende samenwerking te intensiveren door gezamenlijke lokale en
regionale initiatieven, de transnationale samenwerking te intensiveren door met de
prioriteiten van de Gemeenschap verband houdende acties die bevorderlijk zijn voor
de geïntegreerde territoriale ontwikkeling, en de interregionale samenwerking en de
uitwisseling van ervaringen op het passende territoriale niveau te intensiveren.
-
3.Bij de bijstandsverlening uit de Fondsen in het kader van de drie in lid 2 vermelde doel-
stellingen wordt, in overeenstemming met de aard van de Fondsen, rekening gehouden,
enerzijds, met de specifieke economische en sociale kenmerken en, anderzijds, met de
specifieke territoriale kenmerken. Met de bijstand wordt op passende wijze ondersteuning
geboden voor duurzame stadsontwikkeling, met name als onderdeel van de regionale
ontwikkeling, en, via economische diversifiëring, voor de vernieuwing van plattelands-
gebieden en van gebieden die afhankelijk zijn van de visserij. Voorts wordt bijstand
verleend voor de gebieden die te kampen hebben met geografische of natuurlijke handicaps
waardoor de ontwikkelingsproblemen nog groter worden, met name in de ultraperifere
regio's als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag en voor de zeer dunbevolkte
noordelijke gebieden, sommige eilanden en eiland-lidstaten, en berggebieden.
Artikel 4
-
2.Het Cohesiefonds treedt ook op in de regio's die niet in aanmerking komen voor steun uit
hoofde van de convergentiedoelstelling volgens de criteria van artikel 5, lid 1, maar wel
gelegen zijn in:
-
a)een lidstaat die in aanmerking komt voor steun uit het Cohesiefonds volgens de
criteria van artikel 5, lid 2, of
-
b)een lidstaat die in aanmerking komt voor steun uit het Cohesiefonds volgens de
criteria van artikel 8, lid 3.
-
3.De Fondsen dragen bij tot de financiering van technische bijstand die wordt verleend op
initiatief van de lidstaten en de Commissie.
HOOFDSTUK III
GEOGRAFISCHE SUBSIDIABILITEIT
Artikel 5
Convergentie
-
1.Voor financiering uit de Structuurfondsen in het kader van de convergentiedoelstelling
komen de regio's in aanmerking die behoren tot niveau II van de gemeenschappelijke
nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (hierna "NUTS II" genoemd) in
-
2.De lidstaten die in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds zijn de lidstaten met
een bruto nationaal inkomen (BNI) per inwoner, uitgedrukt in koopkrachtpariteit en
berekend aan de hand van de communautaire gegevens voor de periode 2001-2003, dat
lager is dan 90% van het gemiddelde BNI van de EU-25 en die een programma hebben om
te voldoen aan de in artikel 104 van het Verdrag vervatte voorwaarden voor economische
convergentie.
-
3.Onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie de lijst vast
van de regio's die voldoen aan de in de lid 1 van dit artikel genoemde criteria, en van de
lidstaten die voldoen aan de in lid 2 van dit artikel genoemde criteria. Deze lijst geldt van
1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.
De lijst van lidstaten die in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds zal in 2010
worden herzien op basis van de door de Gemeenschap opgestelde BBP-cijfers ten opzichte
van het cijfer voor de EU-25.
Artikel 6
Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid
Voor financiering uit de Structuurfondsen in het kader van de doelstelling "regionaal concurrentie-
vermogen en werkgelegenheid" komen de regio's in aanmerking die niet onder artikel 5, lid 1, en
artikel 8, leden 1 en 2, vallen.
Artikel 7
Europese territoriale samenwerking
-
1.Voor de grensoverschrijdende samenwerking kan financiële bijstand worden verleend aan
de NUTS III-regio's van de Gemeenschap die zich langs interne (ongeacht welke) en/of
bepaalde externe landgrenzen bevinden, en aan alle NUTS III-regio's van de Gemeenschap
die zich langs maritieme grenzen bevinden en in de regel ten hoogste 150 km van elkaar
verwijderd zijn, rekening houdend met mogelijke aanpassingen die nodig kunnen zijn om
de coherentie en de continuïteit van de samenwerkingsactie te garanderen.
Onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie volgens de
in artikel 103, lid 2, bedoelde procedure de lijst vast van de in aanmerking komende
regio's. Deze lijst geldt van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.
-
2.Voor de transnationale samenwerking stelt de Commissie, volgens de in artikel 103, lid 2,
bedoelde procedure, de lijst vast van de in aanmerking komende transnationale gebieden,
uitgesplitst per programma. Deze lijst geldt van 1 januari 2007 tot en met
31 december 2013.
-
3.Voor de interregionale samenwerking, de samenwerkingsnetwerken en de uitwisseling van
ervaringen komt het hele grondgebied van de Gemeenschap in aanmerking.
Artikel 8
Overgangssteun
-
1.De NUTS II-regio's die voor steun in het kader van de convergentiedoelstelling uit hoofde
van artikel 5, lid 1, in aanmerking zouden zijn gekomen indien de subsidiabiliteitsdrempel
op 75% van het gemiddelde BBP van de EU-15 zou zijn gehandhaafd, doch niet langer in
aanmerking komen omdat hun nominaal BBP per inwoner meer zal bedragen dan 75% van
het gemiddelde BBP van de EU-25, gemeten en berekend overeenkomstig artikel 5, lid 1,
komen, bij wijze van specifieke overgangsmaatregel, in aanmerking voor financiering uit
de Structuurfondsen uit hoofde van de convergentiedoelstelling.
-
2.De NUTS II-regio's die krachtens Verordening (EG) nr. 1260/1999 in 2006 volledig onder
doelstelling 1 vallen en waarvan het nominale BBP, gemeten en berekend overeenkomstig
artikel 5, lid 1, 75% van het gemiddelde BBP van de EU-15 te boven zal gaan, komen, bij
wijze van specifieke overgangsmaatregel, in aanmerking voor financiering uit de
Structuurfondsen uit hoofde van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en
werkgelegenheid".
Aangezien Cyprus op basis van de herziene cijfers voor de periode 1997-1999 in
2004-2006 in aanmerking had moeten komen voor doelstelling 1, zal Cyprus in de periode
2007-2013 in aanmerking komen voor de overgangsfinanciering die voor de in lid 1
-
3.De lidstaten die in 2006 voor financiering uit het Cohesiefonds in aanmerking komen en
daarvoor in aanmerking zouden blijven komen indien de subsidiabiliteitsdrempel op 90%
van het gemiddelde BNI van de EU-15 zou zijn gehandhaafd, doch niet langer in aan-
merking komen omdat hun nominaal BNI per inwoner meer zal bedragen dan 90% van het
gemiddelde BNI van de EU-25, gemeten en berekend overeenkomstig artikel 5, lid 1,
komen bij wijze van specifieke overgangsmaatregel in aanmerking voor financiering uit
het Cohesiefonds uit hoofde van de convergentiedoelstelling.
-
4.Onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie de lijst vast
van de regio's die voldoen aan de in de leden 1 en 2 genoemde criteria, en van de lidstaten
die voldoen aan de in lid 3 genoemde criteria. Deze lijst geldt van 1 januari 2007 tot en met
31 december 2013.
HOOFDSTUK IV
BEGINSELEN VAN DE BIJSTANDSVERLENING
Artikel 9
Complementariteit, coherentie, coördinatie en conformiteit
-
1.De Fondsen verlenen bijstand die een aanvulling vormt op nationale acties, met inbegrip
van regionale en plaatselijke acties, waarin de prioriteiten van de Gemeenschap worden
-
2.De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat de bijstand van de Fondsen coherent is
met de activiteiten, beleidstakken en prioriteiten van de Gemeenschap en complementair is
met de andere financiële instrumenten van de Gemeenschap. Deze coherentie en comple-
mentariteit wordt met name aangegeven in de communautaire strategische richtsnoeren
inzake cohesie, in het nationale strategische referentiekader en in de operationele
programma's.
-
3.De bijstand met cofinanciering uit de Fondsen zal worden gericht op de prioriteiten van de
EU inzake bevordering van het concurrentievermogen en schepping van werkgelegenheid,
inclusief het bereiken van de doelstellingen van de geïntegreerde richtsnoeren voor groei
en werkgelegenheid (2005-2008) als bedoeld in Besluit 2005/600/EG van de Raad van
12 juli 20051. Te dien einde zorgen de Commissie en de lidstaten, overeenkomstig hun
respectieve bevoegdheden, ervoor dat 60% van de uitgaven voor de convergentie-
doelstelling en 75% van de uitgaven voor de doelstelling inzake regionaal concurrentie-
vermogen en werkgelegenheid voor alle lidstaten van de Europese Unie vóór 1 mei 2004
overeenkomstig de bovengenoemde prioriteiten worden vastgesteld. Deze op de
categorieën uitgaven in bijlage IV gebaseerde doelstellingen gelden als gemiddelde tijdens
de volledige programmeringsperiode.
Teneinde te waarborgen dat met concrete nationale omstandigheden en met de in het
nationale hervormingsprogramma vastgestelde prioriteiten rekening wordt gehouden,
kunnen de Commissie en de betrokken lidstaten besluiten de lijst van categorieën in
Alle betrokken lidstaten dragen bij tot de verwezenlijking van deze doelstellingen.
De lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Unie zijn toegetreden, kunnen besluiten deze
bepalingen eigener beweging toe te passen.
-
4.Overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden zorgen de Commissie en de lidstaten voor
de coördinatie tussen de bijstand uit de verschillende Fondsen, het ELFPO en het EVF en
de bijdragen uit de EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten.
-
5.De uit de Fondsen gefinancierde concrete acties zijn in overeenstemming met het Verdrag
en met alle krachtens het Verdrag vastgestelde besluiten.
Artikel 10
Programmering
De doelstellingen van de Fondsen worden nagestreefd in het kader van een systeem voor meer-
jarenprogrammering dat in verschillende stadia is georganiseerd, met inbegrip van prioriteiten-
stelling, financiering en een beheers- en controlesysteem.
Artikel 11
Partnerschap
-
1.De doelstellingen van de Fondsen worden nagestreefd in het kader van nauwe samen-
werking, hierna partnerschap te noemen, tussen de Commissie en de lidstaat. De lidstaat
organiseert in voorkomend geval, overeenkomstig de huidige nationale voorschriften en
gebruiken, een partnerschap met autoriteiten en instanties als:
-
a)de bevoegde regionale, plaatselijke, stedelijke en andere overheden;
-
b)de economische en sociale partners;
-
c)andere geschikte instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen,
milieupartners, niet-gouvernementele organisaties, en instanties die tot taak hebben
de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen.
Elke lidstaat wijst de meest representatieve partners op nationaal, regionaal en plaatselijk
niveau en op economisch, sociaal-maatschappelijk en milieugebied en andere gebieden
aan, hierna "partners" genoemd, in overeenstemming met de nationale voorschriften en
gebruiken, waarbij hij er rekening mee houdt dat de gelijkheid van vrouwen en mannen
moet worden bevorderd, en dat tot duurzame ontwikkeling moet worden bijgedragen door
integratie van de eisen betreffende milieubescherming- en verbetering.
-
2.Het partnerschap wordt uitgeoefend met volledige inachtneming van de respectieve institu-
tionele, juridische en financiële bevoegdheden van elke afzonderlijke categorie partners als
bedoeld in lid 1.
Het partnerschap heeft betrekking op de voorbereiding en de uitvoering van, het toezicht
op en de evaluatie van de operationele programma's. De lidstaten betrekken in voorkomend
geval alle relevante partners, en met name de regio's, bij de verschillende stadia van de
programmering, met inachtneming van de voor elk stadium vastgestelde termijn.
-
3.Elk jaar raadpleegt de Commissie de verenigingen die de economische en sociale partners
op Europees niveau vertegenwoordigen, over de bijstandsverlening uit de Fondsen.
Artikel 12
Territoriaal niveau van bijstandverlening
Voor de uitvoering van de in artikel 32 bedoelde operationele programma's zijn de lidstaten verant-
woordelijk, en wel op het passende territoriale niveau en in overeenstemming met het institutionele
stelsel dat specifiek is voor elke lidstaat. Die verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend in overeen-
stemming met deze verordening.
Artikel 13
Evenredige bijstandsverlening
-
1.De financiële en administratieve middelen die door de Commissie en de lidstaten worden
aangewend ter uitvoering van de Fondsen in verband met:
-
a)het bepalen van de indicatoren als bedoeld in artikel 37, lid 1, onder c)
-
b)de in de artikelen 47 en 48 bedoelde evaluatie
-
c)de algemene beginselen van de beheers- en controlesystemen als bedoeld in
artikel 58, onder e) en f)
-
d)de in artikel 67 bedoelde rapportage
zijn evenredig met het totaalbedrag van de aan een operationeel programma toegewezen
uitgaven.
-
2.Voorts zijn in artikel 74 specifieke bepalingen opgenomen over proportionele controle-
Artikel 14
Gedeeld beheer
-
1.De aan de Fondsen toegewezen begroting van de Unie wordt onder gedeeld beheer door de
lidstaten en de Commissie uitgevoerd overeenkomstig artikel 53, lid 1, onder b), van
Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het
Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeen-
schappen1, met uitzondering van de begroting voor de in artikel 45 van deze verordening
bedoelde technische bijstand.
Het beginsel van goed financieel beheer is van toepassing overeenkomstig artikel 48, lid 2,
van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.
-
2.De Commissie oefent haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de algemene
begroting van de Europese Gemeenschapen als volgt uit:
-
a)zij controleert of er in de lidstaten beheers- en controlesystemen bestaan en goed
functioneren overeenkomstig de artikelen 71, 72 en 73;
-
b)zij stelt de betalingen volledig of gedeeltelijk uit of schorst de betalingen volledig of
gedeeltelijk overeenkomstig de artikelen 91 en 92 als de nationale beheers- en
controlesystemen niet naar behoren functioneren, en past elke andere noodzakelijke
financiële correctie toe volgens de procedures van de artikelen 100 en 101;
-
c)zij controleert de terugbetaling van als voorfinanciering uitgekeerde bedragen en
haalt ambtshalve vastleggingen door overeenkomstig de procedures van artikel 82,
lid 2, en de artikelen 93 tot en met artikel 97.
Artikel 15
Additionaliteit
-
1.De bijdragen uit de Structuurfondsen mogen niet in de plaats komen van de structurele
overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven van de lidstaten.
-
2.Voor de regio's die onder de convergentiedoelstelling vallen, stellen de Commissie en de
lidstaat het peil van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele
uitgaven vast dat de lidstaat gedurende de programmeringsperiode in alle betrokken regio's
moet handhaven.
Het uitgavenpeil van de lidstaten is opgenomen in het in artikel 28, lid 3, bedoelde besluit
van de Commissie inzake het nationaal strategisch referentiekader. In de overeenkomstig
de procedure van artikel 103, lid 3, opgestelde methodologische nota van de Commissie
-
3.Als algemene regel is het in lid 2 bedoelde uitgavenpeil ten minste gelijk aan het bedrag
van de jaarlijkse gemiddelde uitgaven in reële termen dat in de voorgaande program-
meringsperiode is bereikt.
Voorts wordt het uitgavenpeil vastgesteld in het licht van de algemene macro-economische
omstandigheden waarin de financiering plaatsvindt en rekening houdend met bepaalde
specifieke of uitzonderlijke economische situaties, zoals privatiseringen of een uitzonder-
lijk peil van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele
uitgaven van de lidstaat tijdens de vorige programmeringsperiode.
-
4.In samenwerking met elke lidstaat gaat de Commissie halverwege de looptijd (in 2011) na
of de additionaliteit voor de convergentiedoelstelling in acht is genomen. Als onderdeel
van deze toetsing halverwege kan de Commissie in overleg met de lidstaat besluiten het
vereiste peil van de structuuruitgaven te wijzigen, indien de economische situatie in de
betrokken lidstaat aanmerkelijk verschilt van die op het tijdstip van de vaststelling van het
peil van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structuuruitgaven als
bedoeld in lid 2. Het in artikel 28, lid 3, bedoelde besluit van de Commissie wordt
gewijzigd om rekening te houden met deze aanpassing.
In samenwerking met elke lidstaat gaat de Commissie achteraf op 31 december 2016 na of
de additionaliteit voor de convergentiedoelstelling in acht is genomen.
De lidstaat verstrekt de Commissie de informatie die nodig is om na te gaan of de vooraf
vastgestelde structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structuuruitgaven
worden gerespecteerd. Indien nodig wordt gebruik gemaakt van statistische ramings-
technieken.
De Commissie publiceert, per lidstaat, de resultaten van de toetsing van de additionaliteit,
inclusief de methodologie en de informatiebronnen, na de afronding van elk van de drie
toetsingsstadia.
Artikel 16
Gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie
De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de gelijkheid van mannen en vrouwen en de
integratie van het genderperspectief worden bevorderd in de opeenvolgende fasen van de uitvoering
van de Fondsen.
De lidstaten en de Commissie nemen passende maatregelen om discriminatie op grond van geslacht,
ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te
voorkomen in de verschillende fasen van de uitvoering van de Fondsen, met name de toegang ertoe.
Vooral de toegangelijkheid voor personen met een handicap is één van de criteria die bij de
omschrijving van door de Fondsen medegefinancierde acties in acht moeten worden genomen en
waarmee in de diverse fasen van uitvoering rekening moet worden gehouden.
Artikel 17
Duurzame ontwikkeling
De doelstellingen van de Fondsen worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en
van de bevordering door de Gemeenschap van de in artikel 6 van het Verdrag verankerde doel-
stelling inzake bescherming en verbetering van het milieu.
HOOFDSTUK V
FINANCIEEL KADER
Artikel 18
Totale middelen
-
1.Voor vastlegging ten laste van de Fondsen is voor de periode 2007 tot en met 2013 een
bedrag van 308.041.000.000 euro, uitgedrukt in prijzen van 2004, beschikbaar, dat over de
betrokken jaren wordt verdeeld overeenkomstig bijlage I.
De in lid 1 bedoelde bedragen worden met het oog op de programmering en de daarop-
volgende opvoering ervan op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen
met 2% per jaar geïndexeerd.
De begrotingsmiddelen worden zodanig over de in artikel 3, lid 2, omschreven doel-
-
2.De Commissie maakt elk jaar een indicatieve verdeling per lidstaat volgens de in bijlage II
beschreven criteria en methode en onverminderd de bepalingen van de artikelen 23 en 24.
-
3.De in de punten 12 tot en met 30 van bijlage II genoemde bedragen zijn begrepen in de in
de artikelen 19, 20 en 21 genoemde bedragen en moeten duidelijk in de programmerings-
documenten worden vermeld.
Artikel 19
Middelen voor de convergentiedoelstelling
De totale middelen voor de convergentiedoelstelling bedragen 81,54% van de in artikel 18, lid 1,
genoemde middelen (d.w.z. in totaal 251.163.134.221 euro) en worden als volgt over de
verschillende onderdelen verdeeld:
-
a)70,51% (d.w.z. in totaal 177.083.601.004 euro) voor de in artikel 5, lid 1, bedoelde finan-
ciering, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van
de volgende criteria: de in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart, de
nationale welvaart en het werkloosheidspercentage;
-
b)4,99% (d.w.z. in totaal 12.521.289.405 euro) voor de in artikel 8, lid 1, bedoelde specifieke
overgangssteun, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de
hand van de volgende criteria: de in aanmerking komende bevolking, de regionale
welvaart, de nationale welvaart en het werkloosheidspercentage;
-
c)23,22% (d.w.z. in totaal 58.308.243.811 euro) voor de in artikel 5, lid 2, bedoelde finan-
ciering, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van
de volgende criteria: de bevolking, de nationale welvaart en de oppervlakte;
-
d)1,29% (d.w.z. in totaal 3.250.000.000 euro) voor de in artikel 8, lid 3, bedoelde specifieke
overgangssteun.
Artikel 20
Middelen voor de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid"
De totale middelen voor de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid"
bedragen 15,95% van de in artikel 18, lid 1, genoemde middelen (d.w.z. in totaal
49.127.784.318 euro) en worden als volgt over de verschillende onderdelen verdeeld:
-
a)78,86% (d.w.z. in totaal 38.742.477.688 euro) voor de in artikel 6 bedoelde financiering,
waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van de
volgende criteria: de in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart, het
werkloosheidspercentage, de tewerkstellingsgraad en de bevolkingsdichtheid; en
-
b)21,14% (d.w.z. in totaal 10.385.306.630 euro) voor de in artikel 8, lid 2, bedoelde speci-
fieke overgangssteun, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan
de hand van de volgende criteria: de in aanmerking komende bevolking, de regionale
welvaart, de nationale welvaart en het werkloosheidspercentage.
Artikel 21
Middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"
-
1.De totale middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" bedragen
2,52% van de in artikel 18, lid 1, genoemde middelen (zijnde 7.750.081.461 euro). Deze
middelen, met uitsluiting van het in punt 22 van bijlage II genoemde bedrag, worden als
volgt over de verschillende onderdelen verdeeld:
-
a)73,86% (zijnde 5.576.358.149 euro) voor de financiering van de in artikel 7, lid 1,
bedoelde grensoverschrijdende samenwerking, waarbij de indicatieve verdelingen
per lidstaat worden berekend aan de hand van het criterium van de in aanmerking
komende bevolking,
-
b)20,95% (zijnde 1.581.720.322 euro) voor de financiering van de in artikel 7, lid 2,
bedoelde transnationale samenwerking, waarbij de indicatieve verdelingen per
lidstaat worden berekend aan de hand van het criterium van de in aanmerking
komende bevolking,
-
c)5,19% (zijnde 392.002.991 euro) voor de financiering van interregionale samen-
werking, de samenwerkingsnetwerken en de uitwisseling van ervaringen als bedoeld
-
2.De bijdrage van het EFRO aan de grensoverschrijdende programma's en de zeebekken-
programma's uit hoofde van het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument
overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../...
en de grensoverschrijdende programma's uit
hoofde van het pretoetredingsinstrument voor bijstand overeenkomstig Verordening (EG)
nr. .../... , beloopt 813.966.000 euro, gezien de opgaven van elke betrokken lidstaat en
wordt in mindering gebracht op hun bijdragen onder lid 1, punt a). Deze EFRO-bijdragen
worden niet tussen de betrokken lidstaten herverdeeld.
-
3.De bijdrage van het EFRO aan elk grensoverschrijdend programma en elk zeebekken-
programma uit hoofde van de in lid 2 bedoelde instrumenten wordt toegekend op voor-
waarde dat de bijdrage uit deze instrumenten aan elk van deze programma's ten minste
equivalent is aan die uit het EFRO. Deze equivalente bijdrage is echter begrensd tot een
maximumbedrag van 465.690.000 euro uit hoofde van het Nabuurschaps- en Partner-
schapsinstrument en 243.782.000 euro uit hoofde van het Pretoetredingsinstrument voor
bijstand.
-
4.De jaarlijkse kredieten die overeenstemmen met de in lid 2 genoemde bijdrage van het
EFRO, worden opgenomen in de betrokken begrotingsonderdelen van het onderdeel
"grensoverschrijdende samenwerking" van de in lid 2 bedoelde instrumenten, en zulks
voor het eerst in begrotingsjaar 2007.
-
5.In 2008 en 2009 wordt de in lid 2 genoemde jaarlijkse bijdrage uit het EFRO waarvoor
uiterlijk op 30 juni aan de Commissie geen operationeel programma is voorgelegd uit
hoofde van de onderdelen "grensoverschrijdende samenwerking" en "zeebekkens" van de
in lid 2 bedoelde instrumenten, aan de betrokken lidstaat ter beschikking gesteld voor de
financiering van de in lid 1, onder a), genoemde grensoverschrijdende samenwerking,
inclusief samenwerking inzake de buitengrenzen.
Indien er op de limietdatum 30 juni 2010 nog steeds operationele programma's uit hoofde
van de onderdelen "grensoverschrijdende samenwerking" en "zeebekkens" van de in lid 2
bedoelde instrumenten zijn die nog niet aan de Commissie zijn voorgelegd, wordt de
volledige in lid 2 genoemde bijdrage uit het EFRO voor de resterende jaren tot 2013 ter
beschikking gesteld van de betrokken lidstaten voor de financiering van de in lid 1,
onder a), genoemde grensoverschrijdende samenwerking, inclusief samenwerking inzake
de buitengrenzen.
-
6.Indien de in lid 2 genoemde grensoverschrijdende programma's en zeebekkenprogramma's
na hun aanneming door de Commissie moeten worden stopgezet omdat
-
a)het partnerland de financieringsovereenkomst niet heeft ondertekend tegen het einde
van het jaar volgend op het jaar waarin het programma is aangenomen; of
-
b)het programma niet kan worden uitgevoerd omdat zich tussen de deelnemende
landen problemen hebben voorgedaan;
dan wordt de bijdrage van het EFRO in de zin van lid 2 ten belope van de nog niet vast-
gelegde eerste tranche aan de betrokken lidstaten op hun verzoek ter beschikking gesteld
voor de financiering van de in lid 1, onder a), genoemde grensoverschrijdende samen-
werking, inclusief samenwerking inzake de buitengrenzen.
Artikel 22
Niet-overdraagbaarheid van de middelen
De totale kredieten die per lidstaat voor elk van de doelstellingen van de Fondsen en de onderdelen
daarvan zijn toegewezen, zijn onderling niet overdraagbaar.
In afwijking van de eerste alinea kan elke lidstaat voor de doelstelling "Europese territoriale
samenwerking" tot 15% van de financiële toewijzing overdragen van een van de in artikel 21, lid 1,
onder a) en b), genoemde onderdelen naar het andere.
Artikel 23
Middelen voor de prestatiereserve
3,0% van de in artikel 19, lid 1, onder a) en b), en in artikel 20 bedoelde middelen kan overeen-
komstig artikel 50 worden toegewezen.
Artikel 24
Middelen voor technische bijstand
0,25% van de in artikel 18, lid 1, bedoelde middelen gaat naar technische bijstand op initiatief van
de Commissie als gedefinieerd in artikel 45.
TITEL II
STRATEGISCHE AANPAK VAN DE COHESIE
HOOFDSTUK I
COMMUNAUTAIRE STRATEGISCHE RICHTSNOEREN
INZAKE COHESIE
Artikel 25
Inhoud
De Raad stelt op het niveau van de Gemeenschap beknopte strategische richtsnoeren inzake
economische, sociale en territoriale cohesie vast die een indicatief kader vormen voor de bijstands-
verlening van de Fondsen, met inachtneming van andere relevante communautaire beleidsgebieden.
Bij de opstelling van deze richtsnoeren wordt rekening gehouden met de geïntegreerde richtsnoeren,
bestaande uit de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de werkgelegenheidsricht-
snoeren, die door de Raad worden aangenomen volgens de procedures van de artikelen 99 en 128
van het Verdrag.
Artikel 26
Vaststelling en evaluatie
De Commissie stelt in nauwe samenwerking met de lidstaten de in artikel 25 van deze verordening
bedoelde communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie vast. Uiterlijk ... worden de
communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie vastgesteld volgens de procedure van
artikel 161 van het Verdrag. De communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie worden
bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie kunnen, indien nodig, in nauwe
samenwerking met de lidstaten volgens de procedure van de eerste alinea aan een evaluatie
halverwege worden onderworpen om rekening te houden met belangrijke wijzigingen in de
prioriteiten van de Gemeenschap.
De evaluatie halverwege van de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie brengt
voor de lidstaten geen verplichting met zich tot herziening van de operationele programma's of van
hun onderscheiden nationale strategische referentiekaders.
HOOFDSTUK II
NATIONAAL STRATEGISCH REFERENTIEKADER
Artikel 27
Inhoud
-
1.De lidstaat dient een nationaal strategisch referentiekader in dat garandeert dat de bijstand
uit de Fondsen coherent is met de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie,
en waarin het verband wordt aangegeven tussen de communautaire prioriteiten, enerzijds,
en het nationale hervormingsprogramma, anderzijds.
-
2.Elk nationaal strategisch referentiekader vormt een referentie-instrument voor de voor-
bereiding van de programmering van de bijstand uit de Fondsen.
-
3.Het nationale strategische referentiekader is van toepassing op de convergentiedoelstelling
en de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid". Indien een
lidstaat daartoe besluit, kan het ook worden toegepast op de doelstelling "Europese
territoriale samenwerking", onverminderd de keuzes die de betrokken lidstaten in de
toekomst maken.
-
b)de op basis van deze analyse gekozen strategie, met inbegrip van de thematische en
territoriale prioriteiten. In voorkomend geval omvatten deze prioriteiten maatregelen
met betrekking tot duurzame stadsontwikkeling, diversifiëring van de plattelands-
economieën en van de gebieden die van de visserij leven;
-
c)de lijst van de operationele programma's voor de doelstellingen "convergentie" en
"regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid";
-
d)een beschrijving van de manier waarop de uitgaven met het oog op het bereiken van
de doelstellingen "convergentie en regionaal concurrentievermogen en werk-
gelegenheid" bijdragen tot de prioriteiten van de EU inzake bevordering van het
concurrentievermogen en schepping van werkgelegenheid, inclusief het bereiken van
de doelstellingen van de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid
(2005-2008), zoals bepaald in artikel 9, lid 3;
-
e)de indicatieve jaarlijkse toewijzing uit elk Fonds per programma;
-
f)uitsluitend voor de regio's van de convergentiedoelstelling:
-
i)de geplande activiteiten voor de versterking van de bestuursefficiëntie van de
-
ii)het bedrag van de totale jaarlijkse kredieten die worden verstrekt uit het
ELFPO en het EVF;
-
iii)de gegevens die nodig zijn voor de voorafgaande verifiëring van de inacht-
neming van het in artikel 15 bedoelde additionaliteitsbeginsel;
-
g)voor de lidstaten die voor financiering uit het Cohesiefonds in aanmerking komen uit
hoofde van artikel 5, lid 2, en artikel 8, lid 3: informatie over de mechanismen
waarmee de coördinatie tussen de operationele programma's onderling en tussen deze
programma's en het ELFPO, het EVF en, in voorkomend geval, de bijdragen van de
EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten wordt gegarandeerd.
-
5.Daarnaast kan het nationale strategische referentiekader, waar passend, de volgende
elementen bevatten:
-
a)de procedure voor de coördinatie tussen het communautair cohesiebeleid en de
desbetreffende nationale, sectorale en regionale beleidsgebieden van de betrokken
lidstaat;
-
b)voor andere lidstaten dan die bedoeld in lid 4, onder g): de mechanismen waarmee de
coördinatie tussen de operationele programma's zelf en tussen die en het ELFPO, het
EVF en de bijdragen van de EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten
Artikel 28
Opstelling en goedkeuring
-
1.De lidstaat stelt zijn nationale strategische referentiekader op na raadpleging van de
relevante partners, zoals bepaald in artikel 11, op de wijze die hij het meest passend acht en
in overeenstemming met zijn institutionele inrichting. Het nationale referentiekader heeft
betrekking op de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.
De lidstaat stelt zijn nationale strategische referentiekader op in overleg met de Commissie
ter waarborging van een gemeenschappelijke aanpak.
-
2.Elke lidstaat zendt zijn nationale strategische referentiekader binnen vijf maanden na de
aanneming van de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie toe aan de
Commissie. De Commissie neemt binnen drie maanden na ontvangst van het kader nota
van de nationale strategie en de prioritaire thema's die voor bijstandsverlening uit de
Fondsen zijn gekozen en formuleert, in voorkomend geval, opmerkingen.
De lidstaat kan terzelfder tijd het nationale strategische referentiekader en de in artikel 32
bedoelde operationele programma's indienen.
-
3.Vóór of bij de vaststelling van de in artikel 32, lid 5, bedoelde operationele programma's
neemt de Commissie na overleg met de lidstaat een besluit met betrekking tot
-
a)de lijst van operationele programma's bedoeld in artikel 27, lid 4, onder c);
-
b)de indicatieve jaarlijkse toewijzing uit elk Fonds per programma bedoeld in
artikel 27, lid 4, onder e);
-
c)alleen voor de convergentiedoelstelling, het uitgavenpeil dat de garantie biedt dat het
in artikel 15 bedoelde additionaliteitsbeginsel in acht wordt genomen, alsmede de
activiteiten die zijn gepland om de bestuursefficiëntie bedoeld in artikel 27, lid 4,
onder f), i), te versterken.
HOOFDSTUK III
STRATEGISCHE FOLLOW-UP
Artikel 29
Strategische rapportage door de lidstaten
-
1.Voor het eerst in 2007 neemt elke lidstaat in zijn jaarlijks verslag over de uitvoering van
het nationale hervormingsprogramma een beknopt hoofdstuk op betreffende de bijdrage
die de uit de Fondsen medegefinancierde operationele programma's leveren tot de
-
2.Uiterlijk eind 2009 en 2012 dienen de lidstaten een beknopt verslag in met informatie over
de bijdrage die door de uit de Fondsen medegefinancierde operationele programma's wordt
geleverd:
-
a)tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid zoals dat door het
Verdrag is vastgesteld,
-
b)tot de uitvoering van de taken van de Fondsen zoals beschreven in deze verordening,
en
-
c)tot de uitvoering van de prioriteiten die meer in detail zijn uiteengezet in de in
artikel 25 genoemde communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie, en
nader worden omschreven in de prioriteiten die in het in artikel 27 bedoelde
nationale strategische referentiekader zijn vastgesteld,
-
d)tot het bereiken van de doelstelling inzake de bevordering van concurrentievermogen
en het scheppen van banen, en tot de werkzaamheden met het oog op de verwezen-
lijking van de doelstellingen van de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en
werkgelegenheid (2005-2008), zoals bepaald in artikel 9, lid 3.
-
3.De lidstaten stellen de inhoud van het in lid 2 bedoelde verslag vast, met het oog op het
bepalen van:
-
4.De verwijzingen naar het nationale hervormingsprogramma in dit artikel hebben betrek-
king op de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid (2005-2008) en zijn
gelijkelijk van toepassing op alle vergelijkbare richtsnoeren waartoe de Europese Raad
heeft besloten.
Artikel 30
Strategische rapportage door de Europese Commissie
en gedachtewisseling over het cohesiebeleid
-
1.Voor het eerst in 2008 neemt de Commissie in haar jaarlijkse voortgangsverslag voor de
voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad een hoofdstuk op met een samenvatting van
de in artikel 29, lid 1, bedoelde verslagen van de lidstaten, met name de vooruitgang bij de
verwezenlijking van de EU-prioriteiten inzake het bevorderen van het concurrentie-
vermogen en het scheppen van banen, inclusief het bereiken van de doelstellingen van de
geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid (2005-2008), zoals bepaald in
artikel 9, lid 3.
-
2.In 2010 en 2013 dient de Commissie uiterlijk op 1 april een strategisch verslag in met een
samenvatting van de in artikel 29, lid 2, bedoelde verslagen van de lidstaten. Het zal, in
voorkomend geval, worden opgenomen als een specifieke afdeling van het in artikel 159
van het Verdrag bedoelde verslag.
Artikel 31
Cohesieverslag
-
1.Het in artikel 159 van het Verdrag bedoelde verslag van de Commissie bevat met name:
-
a)een balans van de vooruitgang op het gebied van de economische en sociale samen-
hang, inclusief de sociaal-economische situatie en ontwikkeling van de regio's, en de
integratie van de communautaire prioriteiten;
-
b)een balans van de rol van de Fondsen, de EIB en de andere financierings-
instrumenten, en het effect van andere communautaire en nationale beleidstakken op
de gemaakte vorderingen.
-
2.Het verslag bevat ook, indien nodig,
-
a)eventuele voorstellen voor communautaire acties en beleidsmaatregelen die dienen te
worden aangenomen om de economische en sociale samenhang te versterken;
-
b)de eventueel in de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie aan te
brengen aanpassingen die nodig zijn om de veranderingen in het communautaire
TITEL III
PROGRAMMERING
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE STRUCTUURFONDSEN
EN HET COHESIEFONDS
Artikel 32
Opstelling en goedkeuring van operationele programma's
-
1.Het optreden van de Fondsen in de lidstaten verloopt via operationele programma's die
passen in het nationale strategische referentiekader. Elk operationeel programma heeft
betrekking op een periode tussen 1 januari 2007 en 31 december 2013. Een operationeel
programma heeft slechts betrekking op een van de drie in artikel 3 bedoelde doelstellingen,
tenzij de Commissie en de lidstaat daarover anders beslissen.
-
2.Elk operationeel programma wordt opgesteld door de lidstaat of een door de lidstaat
aangewezen instantie, in samenwerking met de in artikel 11 bedoelde partners.
-
3.Zo spoedig mogelijk, en uiterlijk vijf maanden na de aanneming van de communautaire
strategische richtsnoeren inzake cohesie bedoeld in artikel 26, dient de lidstaat bij de
Commissie een voorstel voor een operationeel programma in dat alle in artikel 37 bedoelde
onderdelen bevat.
-
4.De Commissie beoordeelt het voorgestelde operationele programma om na te gaan of het
bijdraagt tot de doelstellingen en de prioriteiten van het nationale strategische referentie-
kader en tot de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie. Indien de
Commissie binnen twee maanden na ontvangst van het operationele programma van
oordeel is dat een operationeel programma niet bijdraagt tot de verwezenlijking van de
doelstellingen van het nationale strategische referentiekader en de communautaire
strategische richtsnoeren inzake cohesie, kan zij de lidstaat verzoeken haar alle nodige
aanvullende informatie ter beschikking te stellen en in voorkomend geval het voorgestelde
programma dienovereenkomstig te herzien.
-
5.De Commissie keurt zo spoedig mogelijk, en uiterlijk vier maanden na de formele
indiening ervan door de lidstaat, doch evenwel niet vóór 1 januari 2007, elk operationeel
Artikel 33
Herziening van operationele programma's
-
1.Op initiatief van de lidstaat of van de Commissie kunnen operationele programma's in
overeenstemming met de betrokken lidstaat opnieuw worden onderzocht en, indien nodig,
voor het resterende gedeelte van de programmeringsperiode worden herzien in een of meer
van de volgende gevallen:
-
a)ingeval zich aanzienlijke sociaal-economische wijzigingen hebben voorgedaan,
-
b)om meer of op een andere wijze rekening te houden met belangrijke wijzigingen in
de communautaire, nationale of regionale prioriteiten,
-
c)in het licht van de in artikel 48, lid 3, bedoelde evaluatie, of
-
d)wegens moeilijkheden bij de uitvoering.
Zonodig worden de operationele programma's herzien na de toewijzing van de in de
artikelen 50 en 51 bedoelde reserves.
-
2.Als een lidstaat formeel een verzoek tot herziening van een operationeel programma
indient, neemt de Commissie daarover zo spoedig mogelijk en uiterlijk drie maanden nadat
het verzoek door de lidstaat formeel is ingediend, een besluit.
Artikel 34
Specifiek karakter van de Fondsen
-
1.Onverminderd lid 3 worden operationele programma's uit slechts één Fonds gefinancierd.
-
2.Onverminderd de afwijkende bepalingen in de specifieke verordeningen betreffende de
Fondsen, kunnen uit het EFRO en het ESF, op aanvullende wijze en voor ten hoogste 10%
communautaire financiering per prioriteit van een operationeel programma, maatregelen
worden gefinancierd die binnen het toepassingsgebied van de bijstandsverlening van het
andere Fonds vallen, op voorwaarde dat zij noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van
de concrete actie en er rechtstreeks verband mee houden.
-
3.In de lidstaten die bijstand uit het Cohesiefonds ontvangen, verlenen het EFRO en het
Cohesiefonds gezamenlijk bijstand voor de operationele programma's voor vervoers-
infrastructuur en milieu, inclusief voor grote projecten.
Artikel 35
Geografisch toepassingsgebied
-
1.De operationele programma's die in het kader van de convergentiedoelstelling worden
ingediend, worden opgesteld op het passende geografische niveau, en minstens op het
-
2.De operationele programma's die in het kader van de doelstelling "regionaal concurrentie-
vermogen en werkgelegenheid" worden ingediend, worden voor regio's die in aanmerking
komen voor financiering uit het EFRO, opgesteld op de regionale niveaus NUTS I of
NUTS II volgens de eigen institutionele inrichting van de lidstaat, tenzij de Commissie en
de lidstaat daarover anders beslissen. Als de operationele programma's uit het ESF worden
gefinancierd, worden zij door de lidstaat op het passende niveau opgesteld.
-
3.De operationele programma's die in het kader van de doelstelling "Europese territoriale
samenwerking" voor grensoverschrijdende samenwerking worden ingediend, worden in de
regel opgesteld per grens of groep grenzen in een passende groepering op het niveau
NUTS III, met inbegrip van enclaves. De operationele programma's die in het kader van de
doelstelling "Europese territoriale samenwerking" voor transnationale samenwerking
worden ingediend, worden opgesteld op het niveau van de zones voor transnationale
samenwerking. De programma's voor interregionale samenwerking en uitwisseling van
ervaringen hebben betrekking op het gehele grondgebied van de Gemeenschap.
Artikel 36
Deelname van de Europese Investeringsbank en
het Europees Investeringsfonds
-
1.De EIB en het EIF kunnen overeenkomstig hun statuten deelnemen aan de programmering
van de bijstandsverlening uit de Fondsen.
-
2.De EIB en het EIF kunnen op verzoek van de lidstaten deelnemen aan de opstelling van de
nationale strategische referentiekaders en de operationele programma's, en aan activiteiten
in verband met de voorbereiding van projecten, met name grote projecten, financierings-
regelingen en publiek-private partnerschappen. In overleg met de EIB en het EIF kan de
lidstaat de toegekende leningen concentreren op één of meer prioriteiten van een
operationeel programma, met name op het gebied van innovatie en kenniseconomie,
menselijke hulpbronnen, het milieu en projecten voor basisinfrastructuur.
-
3.De Commissie kan de EIB en het EIF raadplegen voordat zij het in artikel 28, lid 3,
bedoelde besluit en de operationele programma's goedkeurt. Die raadpleging heeft met
name betrekking op de operationele programma's die een indicatieve lijst van grote
projecten bevatten of op programma's die, gezien de aard van hun prioriteiten, leningen of
andere vormen van marktfinanciering kunnen aantrekken.
-
4.De Commissie kan, als zij dit nuttig acht voor de beoordeling van grote projecten, de EIB
verzoeken de technische kwaliteit en de economische en financiële levensvatbaarheid van
die projecten te onderzoeken, met name wat betreft de toe te passen of te ontwikkelen
financiële instrumenten.
-
5.Voor de uitvoering van dit artikel kan de Commissie een subsidie toekennen aan het EIB
HOOFDSTUK II
INHOUD VAN DE PROGRAMMERING
DEEL 1
OPERATIONELE PROGRAMMA'S
Artikel 37
Operationele programma's voor de convergentiedoelstelling en voor
de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid"
-
1.Operationele programma's voor de convergentiedoelstelling en voor de doelstelling
"regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" bevatten:
-
a)een analyse van de situatie van het subsidiabele gebied of de subsidiabele sector wat
de sterke en de zwakke punten betreft, en de strategie die op basis daarvan is
gekozen;
-
b)de motivering van de gekozen prioriteiten in het licht van de communautaire
strategische richtsnoeren inzake cohesie, het nationale strategische referentiekader,
alsmede de resultaten die blijkens de in artikel 48 bedoelde voorafgaande evaluatie
-
c)gegevens over de prioritaire zwaartepunten en de bijbehorende specifieke doelen.
Deze doelstellingen worden gekwantificeerd aan de hand van een beperkt aantal
indicatoren voor de output en de resultaten, waarbij rekening wordt gehouden met
het evenredigheidsbeginsel. De indicatoren moeten het mogelijk maken de
vorderingen ten opzichte van de uitgangssituatie te meten, alsmede de doeltreffend-
heid van de doelstellingen waarmee de prioritaire zwaartepunten worden uitgevoerd;
-
d)ter informatie een indicatieve uitsplitsing per categorie van het geprogrammeerde
gebruik van de bijdragen uit de Fondsen aan het operationele programma overeen-
komstig de uitvoeringsbepalingen van deze verordening die de Commissie volgens
de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure heeft vastgesteld;
-
e)een financieringsplan met twee tabellen:
-
i)een eerste tabel waarin het voor de bijdrage uit elk Fonds beoogde totaalbedrag
overeenkomstig de artikelen 52, 53 en 54 per jaar wordt uitgesplitst. In het
financieringsplan wordt afzonderlijk aangegeven welke kredieten binnen de
totale jaarlijkse bijdrage uit de Structuurfondsen worden uitgetrokken voor
regio's die overgangssteun ontvangen. De per jaar geplande bijdrage uit de
Fondsen moet verenigbaar zijn met het geldende financiële kader, rekening
houdend met de in punt 6 van bijlage II vastgestelde degressieve ontwikkeling
-
ii)een tweede tabel waarin voor de gehele programmeringsperiode, zowel voor
het operationele programma als voor elk prioritair zwaartepunt, het bedrag van
de totale financiële bijdrage van de Gemeenschap en van de daartegenover te
stellen nationale bijdragen wordt aangegeven, alsmede het percentage dat uit
de Fondsen wordt bijgedragen. Indien de nationale bijdrage overeenkomstig
artikel 53 uit particuliere en overheidsuitgaven bestaat, bevat de tabel een
indicatieve uitsplitsing van de particuliere en de overheidsuitgaven. Indien de
nationale bijdrage overeenkomstig artikel 53 uit overheidsuitgaven bestaat,
bevat de tabel het bedrag van de nationale overheidsbijdrage. Ter informatie
moet ook de bijdrage uit de EIB en de andere bestaande financierings-
instrumenten worden vermeld;
-
f)gegevens over de eventuele complementariteit met de maatregelen die worden
gefinancierd uit het ELFPO en met die welke worden gefinancierd uit het EVF;
-
g)de regelingen voor de tenuitvoerlegging van het operationele programma, die
omvatten:
-
i)de aanwijzing door de lidstaat van alle in artikel 59 genoemde instanties of, als
de lidstaat de in artikel 74 omschreven mogelijkheid toepast, de aanwijzing van
andere instanties en de vaststelling van andere procedures overeenkomstig
-
iii)inlichtingen over de instantie die bevoegd is voor het ontvangen van de door de
Commissie verrichte betalingen, en een of meer instanties die verantwoordelijk
zijn voor het verrichten van de betalingen aan de begunstigden,
-
iv)een omschrijving van de procedures voor de beschikbaarstelling en de over-
making van de financiële middelen, om de doorzichtigheid van deze geld-
stromen te waarborgen,
-
v)de elementen gericht op publiciteit en voorlichting omtrent het operationele
programma als bedoeld in artikel 69,
-
vi)een beschrijving van de tussen de Commissie en de lidstaat overeengekomen
procedures voor de uitwisseling van computergegevens om te kunnen voldoen
aan de in deze verordening gestelde eisen met betrekking tot de betaling, het
toezicht en de evaluatie;
-
h)een indicatieve lijst van de grote projecten in de zin van artikel 39 die de Commissie
in de programmeringsperiode wellicht ter goedkeuring zullen worden voorgelegd.
-
2.De operationele programma's voor vervoersinfrastructuur en milieu die gezamenlijk uit het
EFRO en het Cohesiefonds worden gefinancierd, bevatten een prioritair zwaartepunt van
elk Fonds en worden gefinancierd via een specifieke vastlegging per Fonds.
-
3.Onverminderd artikel 5, laatste alinea, van Verordening (EG) nr. .../... wordt in elk
operationeel programma in het kader van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen
en werkgelegenheid" een verantwoording gegeven voor de thematische, geografische en
financiële concentratie op de prioriteiten die zijn vastgesteld in respectievelijk artikel 5 van
die verordening en artikel 4 van Verordening (EG) nr. .../...
.
-
4.Daarnaast bevatten de uit het EFRO gefinancierde operationele programma's voor de
convergentiedoelstelling en de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werk-
gelegenheid":
-
a)in voorkomend geval, gegevens over de aanpak van duurzame stadsontwikkeling;
-
b)een specifiek prioritair zwaartepunt voor de maatregelen die worden gefinancierd uit
de in punt 20 van bijlage II bedoelde extra toewijzing, in operationele programma's
voor bijstandsverlening aan de ultraperifere regio's.
-
5.Operationele programma's waarop een of meer van de in de aanvullende bepaling van
bijlage II bedoelde specifieke toewijzingen betrekking hebben, moeten informatie bevatten
over de procedures die moeten worden gevolgd bij de toewijzing van en het toezicht op
-
6.Op initiatief van de lidstaat kunnen de uit het EFRO gefinancierde operationele
programma's, wat de convergentiedoelstelling en de doelstelling "regionaal concurrentie-
vermogen en werkgelegenheid" betreft, ook de volgende elementen bevatten:
-
a)de lijst van de steden die gekozen zijn voor de aanpak van de stadsproblematiek en
de procedures voor subdelegatie aan de stedelijke autoriteiten, eventueel via een
globale subsidie;
-
b)acties voor interregionale samenwerking met ten minste één regio of plaatselijke
overheden van een andere lidstaat per regionaal programma.
-
7.Op initiatief van de betrokken lidstaat kunnen de operationele programma's van het ESF,
wat de convergentiedoelstelling en de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en
werkgelegenheid" betreft, ook een horizontale aanpak of een specifieke prioriteit voor
interregionale en transnationale acties bevatten waarbij de nationale, regionale of lokale
autoriteiten van ten minste één andere lidstaat betrokken zijn.
Artikel 38
Operationele programma's voor
de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"
Voor de operationele programma's in het kader van de doelstelling "Europese territoriale
samenwerking" worden specifieke voorschriften voor operationele programma's vastgesteld bij
DEEL 2
GROTE PROJECTEN
Artikel 39
Inhoud
Binnen een operationeel programma kunnen het EFRO en het Cohesiefonds uitgaven financieren in
verband met een concrete actie die bestaat uit een geheel aan werkzaamheden, activiteiten of
diensten dat bedoeld is om op zichzelf een ondeelbare functie van nauwkeurig omschreven
economische en technische aard te vervullen, dat op duidelijk omschreven doelstellingen is gericht
en waarvoor de totale kosten hoger zijn dan 25 miljoen euro voor milieuprojecten of hoger dan
50 miljoen euro voor projecten op andere gebieden, hierna "grote projecten".
Artikel 40
Aan de Commissie te verstrekken gegevens
De lidstaat of de beheersautoriteit verstrekt de Commissie de volgende gegevens over grote
projecten:
-
a)gegevens over de voor de uitvoering verantwoordelijke instantie;
-
d)het tijdschema voor de uitvoering van het project en, wanneer wordt verwacht dat de
periode voor de uitvoering van de betrokken concrete actie langer zal zijn dan de
programmeringsperiode, de fasen waarvoor communautaire cofinanciering wordt gevraagd
voor de programmeringsperiode 2007-2013;
-
e)een kosten-batenanalyse met een risicobeoordeling en de te verwachten impact op de
betrokken sector en op de sociaal-economische situatie van de lidstaat en/of de regio en,
waar mogelijk en passend, op de overige regio's van de Gemeenschap;
-
f)een analyse van het milieueffect;
-
g)een verantwoording van de overheidsbijdrage;
-
h)het financieringsplan waarin het geplande totaalbedrag aan financiële middelen en de
geplande bijdrage uit de Fondsen, de EIB, het EIF en alle andere communautaire financie-
ringsbronnen zijn aangegeven, en dat het indicatieve jaarschema van de financiële bijdrage
uit het EFRO of het Cohesiefonds voor het grote project bevat.
De Commissie geeft aanwijzingen omtrent de voor de kosten-batenanalyse in de zin van punt e) te
gebruiken methode, zulks overeenkomstig de procedure van artikel 103, lid 2.
Artikel 41
Besluit van de Commissie
-
1.De Commissie beoordeelt het grote project, indien nodig met behulp van externe
deskundigen waaronder de EIB, op basis van de in artikel 40 bedoelde elementen, de
samenhang met de prioriteiten van het operationele programma, de bijdrage tot het
bereiken van de doelstellingen van deze prioriteiten en de coherentie met de andere
beleidstakken van de Gemeenschap.
-
2.De Commissie neemt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden nadat de lidstaat of
de beheersautoriteit een groot project heeft ingediend, een besluit, mits de indiening is
geschied overeenkomstig artikel 40. In dat besluit wordt de fysieke inhoud van het project
omschreven, wordt het bedrag bepaald waarvoor het cofinancieringspercentage voor het
prioritaire zwaartepunt geldt, en wordt het jaarschema van de financiële bijdrage uit het
EFRO of het Cohesiefonds vastgesteld.
-
3.Als de Commissie weigert een financiële bijdrage van de Fondsen tot een groot project te
verlenen, geeft zij de lidstaat de redenen hiervan binnen de termijn en volgens de voor-
DEEL 3
GLOBALE SUBSIDIES
Artikel 42
Algemene bepalingen
-
1.De lidstaat of de beheersautoriteit mag het beheer en de uitvoering van een deel van een
operationeel programma toevertrouwen aan één of meer door de lidstaat of de beheers-
autoriteit aangewezen bemiddelende instanties, waaronder plaatselijke overheden, instan-
ties die actief zijn op het gebied van de regionale ontwikkeling en niet-gouvernementele
organisaties, volgens een tussen de lidstaten of de beheersautoriteit en die instantie
gesloten overeenkomst.
Deze delegatie doet geen afbreuk aan de financiële verantwoordelijkheid van de beheers-
autoriteit en van de lidstaten.
-
2.De voor het beheer van de globale subsidie verantwoordelijke bemiddelende instantie moet
garanties verstrekken omtrent haar solvabiliteit en haar competentie op het betrokken
werkterrein en inzake administratief en financieel beheer. Normaliter moet zij gevestigd of
vertegenwoordigd zijn in de regio of regio's waarop het operationele programma op het
ogenblik van de aanwijzing betrekking heeft.
Artikel 43
Uitvoeringsregels
In de in artikel 42, lid 1, eerste alinea, bedoelde overeenkomst worden met name vermeld:
-
a)de soorten concrete acties die voor een globale subsidie in aanmerking komen;
-
b)de criteria voor de selectie van de begunstigden;
-
c)de percentages van de bijstand uit de Fondsen, en de voorschriften betreffende die
bijstandsverlening, met inbegrip van die inzake het gebruik van eventueel verkregen rente;
-
d)de nadere regels om ten aanzien van de beheersautoriteit te garanderen dat toezicht wordt
gehouden op, evaluaties worden gemaakt van en financiële controle wordt verricht op de
globale subsidie, als bedoeld in artikel 59, lid 1, inclusief de bepalingen voor de terug-
vordering van onverschuldigd betaalde bedragen en voor het presenteren van de
rekeningen;
-
e)in voorkomend geval, het gebruik van een financiële garantie of een soortgelijke voor-
ziening, tenzij de lidstaat of de beheersautoriteit een dergelijke garantie verstrekt over-
eenkomstig de institutionele bepalingen van iedere lidstaat.
DEEL 4
FINANCIËLE INSTRUMENTERING
Artikel 44
Acties op het gebied van financiële instrumentering
Binnen een operationeel programma kunnen de Structuurfondsen uitgaven financieren in verband
met een concrete actie die bestaat uit acties op het gebied van financiële instrumentering voor
ondernemingen, voornamelijk het midden- en kleinbedrijf, zoals risicokapitaalfondsen, garantie-
fondsen en leningsfondsen, en op fondsen voor stadsontwikkeling, dit wil zeggen fondsen die in
publiek-private partnerschappen en andere projecten die deel uitmaken van een geïntegreerd plan
voor duurzame stadsontwikkeling investeren.
Worden deze concrete acties georganiseerd door holdingfondsen, dat wil zeggen fondsen die zijn
opgericht om te investeren in verscheidene risicokapitaalfondsen, garantiefondsen, leningsfondsen
en stadsontwikkelingsfondsen, dan voert de lidstaat of de beheersautoriteit deze uit op één of meer
van de volgende wijzen:
-
a)het plaatsen van een overheidsopdracht overeenkomstig het toepasselijke recht inzake
overheidsopdrachten
DEEL 5
TECHNISCHE BIJSTAND
Artikel 45
Technische bijstand op initiatief van de Commissie
-
1.De Fondsen kunnen tot 0,25% van hun respectieve jaarlijkse toewijzing gebruiken om op
initiatief en/of voor rekening van de Commissie acties te financieren op het gebied van
voorbereiding, toezicht, administratieve en technische ondersteuning, evaluatie, audit en
inspectie die voor de uitvoering van deze verordening nodig zijn.
Deze acties omvatten met name:
-
a)bijstand voor projectvoorbereiding en -beoordeling, in voorkomend geval ook met de
EIB via een subsidie of andere samenwerkingsvormen;
-
b)studies in verband met de opstelling van de communautaire strategische richtsnoeren
inzake cohesie, de verslaglegging van de Commissie over het cohesiebeleid en het
driejaarlijkse cohesieverslag;
-
c)evaluaties, deskundigenverslagen, statistieken en studies, met inbegrip van die van
algemene aard betreffende het optreden van de Fondsen, die in voorkomend geval
door de EIB of het EIF door middel van een subsidie of ander vormen van samen-
werking kunnen worden uitgevoerd;
-
d)maatregelen die zijn bedoeld voor de partners, de begunstigden van de bijstand uit de
Fondsen en het grote publiek, waaronder voorlichtingsmaatregelen;
-
e)maatregelen met het oog op informatieverspreiding, netwerkvorming, bewustmaking,
bevordering van samenwerking en uitwisseling van ervaring in de hele Unie;
-
f)het opzetten, doen functioneren en onderling koppelen van computersystemen voor
het beheer, het toezicht, de inspectie en de evaluatie;
-
g)de verbetering van de evaluatiemethoden en de uitwisseling van informatie over de
praktijken op dit gebied.
-
2.Als voor de in lid 1 bedoelde acties in een bijdrage uit het EFRO of het Cohesiefonds is
voorzien, neemt de Commissie een besluit over het soort acties volgens de in artikel 103,
lid 2, bedoelde procedure.
-
3.Als voor de in lid 1 van dit artikel genoemde acties in een bijdrage uit het ESF is voorzien,
neemt de Commissie, na raadpleging van het in artikel 104 genoemde comité, een besluit
over het soort acties volgens de in artikel 103, lid 2, bedoelde procedure.
Artikel 46
Technische bijstand van de lidstaten
-
1.Op initiatief van de lidstaten kunnen de Fondsen acties op het gebied van voorbereiding,
beheer, toezicht, evaluatie, voorlichting en controle van operationele programma's
financieren, alsmede acties om de bestuurlijke capaciteit voor de uitvoering van de
Fondsen te versterken; voor de financiering van deze acties gelden de volgende maxima:
-
a)4% van het totale bedrag dat is toegewezen in het kader van de convergentie-
doelstelling en van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werk-
gelegenheid";
-
b)6% van het totale bedrag dat is toegewezen in het kader van de doelstelling
"Europese territoriale samenwerking".
-
2.Voor elk van de drie doelstellingen geldt dat acties op het gebied van technische bijstand
binnen de in lid 1 genoemde limieten in principe binnen het kader van elk operationeel
programma moeten plaatsvinden. Bij wijze van aanvulling mogen dergelijke acties
gedeeltelijk als specifiek operationeel programma worden opgezet, op voorwaarde dat ze
de in lid 1 genoemde algemene limieten voor technische bijstand niet overschrijden.
-
3.Wanneer een lidstaat besluit tot acties op het gebied van technische bijstand voor elk
operationeel programma afzonderlijk, dan mag het aandeel van het totaalbedrag van de
In dit geval mogen acties op het gebied van technische bijstand ook als specifiek
operationeel programma worden opgezet, op voorwaarde dat het totaalbedrag van de
uitgaven voor technische bijstand in het kader van zo'n specifiek programma er niet toe
leidt dat het totale aandeel van de voor technische bijstand toegekende middelen de in lid 1
genoemde limieten overschrijdt.
TITEL IV
DOELTREFFENDHEID
HOOFDSTUK I
EVALUATIE
Artikel 47
Algemene bepalingen
-
1.Evaluaties hebben tot doel de kwaliteit, de doeltreffendheid en de samenhang van de
bijstandsverlening uit de Fondsen, en de strategie en uitvoering van de operationele
programma's te verbeteren in het licht van de specifieke structurele problemen waarmee de
betrokken lidstaten en regio's te kampen hebben, waarbij rekening wordt gehouden met de
doelstelling van duurzame ontwikkeling en met de relevante communautaire regelgeving
inzake milieueffect en strategische milieueffectrapportage.
-
3.De evaluaties worden, naar gelang van het geval, onder verantwoordelijkheid van de
lidstaat of van de Commissie uitgevoerd, met inachtneming van het in artikel 13 vast-
gestelde evenredigheidsbeginsel.
De evaluaties worden uitgevoerd door interne of externe deskundigen of instanties die
onafhankelijk opereren van de in artikel 59, onder b) en c), bedoelde autoriteiten. De
resultaten van de evaluatie worden bekendgemaakt overeenkomstig de toepasselijke
voorschriften inzake de toegang tot documenten.
-
4.De evaluaties worden gefinancierd uit het budget voor technische bijstand.
-
5.De Commissie geeft aanwijzingen met betrekking tot de evaluatiemethoden, inclusief
kwaliteitsnormen, volgens de in artikel 103, lid 2, bedoelde procedure.
Artikel 48
Verantwoordelijkheid van de lidstaten
-
1.De lidstaten stellen de middelen ter beschikking die voor het maken van de evaluaties
nodig zijn, organiseren de productie en verzameling van de vereiste gegevens en gebruiken
de verschillende soorten gegevens die het toezichtsysteem oplevert.
Voorts kunnen zij, in voorkomend geval, in het kader van de convergentiedoelstelling
overeenkomstig het in artikel 13 vastgestelde evenredigheidsbeginsel een evaluatieplan
opstellen dat op indicatieve wijze de evaluatie-activiteiten weergeeft die de lidstaat van
-
2.De lidstaten voeren een voorafgaande evaluatie uit voor elk operationeel programma dat
afzonderlijk voor de convergentiedoelstelling is opgesteld. In naar behoren gemotiveerde
gevallen mag een lidstaat met inachtneming van het in artikel 13 bedoelde evenredigheids-
beginsel en zoals overeengekomen tussen de Commissie en die lidstaat, voor meer dan één
operationeel programma een voorafgaande evaluatie uitvoeren.
Voor de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" maken zij
hetzij een voorafgaande evaluatie die betrekking heeft op alle operationele programma's,
hetzij een evaluatie voor elk Fonds, hetzij een evaluatie voor elke prioriteit, hetzij één
voorafgaande evaluatie voor elk operationeel programma.
Voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" verrichten de lidstaten
gezamenlijk een voorafgaande evaluatie per operationeel programma of een voorafgaande
evaluatie die op verschillende operationele programma's betrekking heeft.
De voorafgaande evaluaties worden verricht onder de verantwoordelijkheid van de
autoriteit die verantwoordelijk is voor het opstellen van de programmeringsdocumenten.
De voorafgaande evaluatie heeft tot doel tot een optimale toewijzing van de begrotings-
middelen voor de operationele programma's te komen en de kwaliteit van de
programmering te verbeteren. Zij omvat de bepaling en beoordeling van: de afwijkingen,
lacunes en ontwikkelingsmogelijkheden, de te bereiken doelstellingen, de verwachte
resultaten, de gekwantificeerde doelstellingen, indien nodig de coherentie van de voor de
regio voorgestelde strategie, de meerwaarde van het optreden van de Gemeenschap, de
mate waarin rekening is gehouden met de communautaire prioriteiten, de uit de voor-
gaande programmering getrokken lering en de kwaliteit van de procedures voor tenuit-
voerlegging, toezicht, evaluatie en financieel beheer.
-
3.Tijdens de programmeringsperiode verrichten de lidstaten evaluaties die gerelateerd zijn
aan het toezicht op de operationele programma's, met name wanneer uit het toezicht op de
programma's blijkt dat aanzienlijk wordt afgeweken van de oorspronkelijk gestelde doelen,
of wanneer voorstellen voor de herziening van operationele programma's worden gedaan
als bedoeld in artikel 33. De resultaten worden toegezonden aan het toezichtcomité voor
het operationele programma en aan de Commissie.
Artikel 49
Verantwoordelijkheden van de Commissie
-
1.De Commissie kan strategische evaluaties verrichten.
-
3.De Commissie verricht in nauwe samenwerking met de lidstaat en de beheersautoriteiten
voor elke doelstelling een evaluatie achteraf.
In deze evaluatie, die betrekking heeft op alle operationele programma's die voor een doel-
stelling zijn opgesteld, worden de mate waarin de middelen zijn besteed, de doeltreffend-
heid en de efficiëntie van de programmering van de Fondsen en de sociaal-economische
impact onderzocht.
Deze evaluatie wordt verricht voor elke doelstelling en heeft tot doel conclusies te trekken
voor het beleid inzake economische en sociale cohesie.
Hierbij wordt nagegaan welke factoren tot het succes of het mislukken van de uitvoering
van de operationele programma's hebben bijgedragen, en wordt bepaald wat als goede
praktijk kan worden aangemerkt.
De evaluatie achteraf moet uiterlijk op 31 december 2015 voltooid zijn.
HOOFDSTUK II
RESERVES
Artikel 50
-
2.Wanneer een lidstaat heeft besloten een dergelijke reserve aan te leggen, bepaalt hij
uiterlijk op 30 juni 2011 voor elk van de doelstellingen de prestaties van zijn operationele
programma's.
-
3.Uiterlijk op 31 december 2011 legt de Commissie, op basis van voorstellen van elke
lidstaat en in nauw overleg ermee, de nationale prestatiereserve vast.
Artikel 51
Nationale reserve voor onvoorziene uitgaven
Een lidstaat mag op eigen initiatief een reserve aanleggen ten bedrage van 1% van de jaarlijkse
bijdrage uit de Structuurfondsen voor de convergentiedoelstelling en ten bedrage van 3% van de
jaarlijkse bijdrage uit de Structuurfondsen voor de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en
werkgelegenheid", waarmee hij kan reageren op onvoorziene lokale of sectorale crisissen als gevolg
van de economische en sociale herstructurering of op de gevolgen van de vrijmaking van de handel.
De lidstaat mag de reserve voor elke doelstelling voor een specifiek nationaal programma of in het
kader van operationele programma's vastleggen.
TITEL V
FINANCIËLE BIJDRAGE UIT DE FONDSEN
HOOFDSTUK I
BIJDRAGE UIT DE FONDSEN
Artikel 52
Differentiëring van de bijdragepercentages
De bijdrage uit de Fondsen kan worden gedifferentieerd in het licht van de volgende elementen:
-
a)de ernst van de specifieke, met name economische, sociale of territoriale problemen;
-
b)het belang van elk prioritair zwaartepunt voor de prioriteiten van de Gemeenschap, zoals
die in de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie zijn vastgesteld, alsook
voor de nationale en regionale prioriteiten;
-
c)milieubescherming en -verbetering, vooral door de toepassing van het voorzorgsbeginsel,
het beginsel van het preventief optreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt;
-
d)de financiële inbreng van de privé-sector op de betrokken gebieden, met name in het kader
van publiek-private partnerschappen;
-
e)de opneming van de interregionale samenwerking als bedoeld in artikel 37, lid 5, onder b),
in het kader van de convergentiedoelstelling en de doelstelling "regionaal concurrentie-
vermogen en werkgelegenheid";
-
f)opneming in het kader van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werk-
gelegenheid" van zones met een geografische of natuurlijke handicap die als volgt worden
omschreven:
-
i)insulaire lidstaten die voor bijstand uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, en
andere eilanden, behalve die waar de hoofdstad van een lidstaat gevestigd is of die
een vaste verbinding met het vasteland hebben,
-
ii)berggebieden als gedefinieerd in de nationale wetgeving van de lidstaat,
-
iii)zones die dunbevolkt (minder dan 50 inwoners per vierkante kilometer) of zeer
dunbevolkt zijn (minder dan 8 inwoners per vierkante kilometer),
-
iv)zones die op 30 april 2004 buitengrenzen van de Gemeenschap vormden en dat sinds
Artikel 53
Bijdrage uit de Fondsen
-
1.De bijdrage uit de Fondsen wordt op het niveau van het operationeel programma berekend
onder verwijzing naar:
-
a)ofwel het totaal van de subsidiabele uitgaven (publieke en particuliere);
-
b)ofwel de subsidiabele overheidsuitgaven.
-
2.Voor de bijdrage uit de Fondsen op het niveau van het operationele programma in het
kader van de convergentiedoelstelling en de doelstelling "regionaal concurrentievermogen
en werkgelegenheid" gelden de in bijlage III vastgestelde maxima.
-
3.Voor operationele programma's in het kader van de doelstelling "Europese territoriale
samenwerking" waarbij ten minste één deelnemer aan het operationele programma behoort
tot de lidstaten waarvan het BBP per hoofd van de bevolking voor de periode van 2001 tot
en met 2003 lager was dan 85% van het gemiddelde van de EU-25 tijdens dezelfde
periode, mag de bijdrage uit het EFRO niet hoger zijn dan 85% van de totale subsidiabele
uitgaven. Voor alle andere operationele programma's mag de bijdrage uit het EFRO niet
hoger zijn dan 75% van de voor cofinanciering uit het EFRO in aanmerking komende
subsidiabele overheidsuitgaven.
-
4.De in lid 3 en bijlage III vastgestelde maxima gelden niet voor de bijdragen uit de Fondsen
op het niveau van de prioritaire zwaartepunten. Zij worden evenwel zo vastgesteld dat de
op het niveau van het operationele programma vastgestelde maximumbedragen voor
bijdragen uit de Fondsen en het maximale bijdragepercentage per Fonds worden
geëerbiedigd.
-
5.Voor operationele programma's die gezamenlijk worden medegefinancierd door:
-
a)het EFRO en het Cohesiefonds, of
-
b)de extra toewijzing voor perifere regio's overeenkomstig bijlage II, het EFRO en/of
het Cohesiefonds,
worden in de beschikking waarbij het operationele programma wordt vastgesteld, het
maximumpercentage en het maximumbedrag van de bijdrage van elk Fonds en van elke
toewijzing afzonderlijk vastgesteld.
-
6.Het maximumpercentage en het maximumbedrag van de bijdrage van het Fonds worden
per operationeel programma en per prioritair zwaartepunt vastgesteld in het besluit van de
Commissie waarbij het operationele programma wordt vastgesteld. De kredieten die
worden toegewezen aan regio's die overgangssteun krijgen, worden in het besluit
Artikel 54
Overige bepalingen
-
1.De bijdrage uit de Fondsen mag per prioritair zwaartepunt niet lager zijn dan 20% van de
subsidiabele overheidsuitgaven.
-
2.Maatregelen op het gebied van technische bijstand die op initiatief of voor rekening van de
Commissie worden uitgevoerd, kunnen voor 100% worden gefinancierd.
-
3.Tijdens de in artikel 56, lid 1, bedoelde subsidiabiliteitsperiode:
-
a)kan uit slechts één Fonds tegelijk en voor één doelstelling tegelijk bijstand voor een
bepaald prioritair zwaartepunt worden verleend;
-
b)kan voor een concrete actie slechts in het kader van één operationeel programma
tegelijk bijstand uit een Fonds worden verleend.
-
c)mag de bijstand uit een Fonds voor een concrete actie niet hoger zijn dan de
toegewezen totale overheidsuitgaven.
-
4.Voor overheidssteun voor bedrijven in de zin van artikel 87 van het Verdrag moeten de
maxima inzake staatssteun in acht worden genomen.
HOOFDSTUK II
INKOMSTENGENERERENDE PROJECTEN
Artikel 55
Inkomstengenererende projecten
-
1.Voor de toepassing van deze verordening worden onder inkomstengenererend project
concrete acties verstaan die betrekking hebben op een investering in infrastructuur voor het
gebruik waarvan de gebruikers een vergoeding betalen, of concrete acties die betrekking
hebben op de verkoop of de verhuur van land of gebouwen of de levering van diensten
tegen betaling.
-
2.De subsidiabele uitgaven voor inkomstengenererende projecten mogen niet hoger zijn dan
de investeringskosten na aftrek van de actuele waarde van de netto-inkomsten die de
investering tijdens een bepaalde referentieperiode heeft opgeleverd voor
-
a)investeringen in infrastructuur, of
-
b)andere projecten waarbij de inkomsten van tevoren objectief kunnen worden
geraamd.
Indien niet alle investeringskosten voor medefinanciering in aanmerking komen, worden
-
3.Wanneer de inkomsten niet tevoren objectief kunnen worden geraamd, worden de binnen
vijf jaar na voltooiing van een actie gegenereerde inkomsten afgetrokken van de aan de
Commissie gedeclareerde uitgaven. Deze aftrek wordt uiterlijk bij de gedeeltelijke of bij de
definitieve afsluiting van het operationele programma door de certificeringsautoriteit
verricht. De definitieve betalingsaanvraag wordt dienovereenkomstig aangepast.
-
4.Indien uiterlijk drie jaar na de afsluiting van het operationele programma wordt vastgesteld
dat een concrete actie inkomsten heeft gegenereerd die niet in aanmerking zijn genomen
uit hoofde van de leden 2 en 3, worden die inkomsten naar rato van de bijdrage uit de
Fondsen teruggestort in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
-
5.Onverminderd hun verplichtingen uit hoofde van artikel 70, lid 1, kunnen de lidstaten
procedures vaststellen waarmee toezicht wordt gehouden op inkomsten die zijn
gegenereerd door acties met een totale kostprijs van minder dan 200.000 euro, en die in
verhouding staan tot de betrokken bedragen.
-
6.Dit artikel is niet van toepassing op projecten waarvoor de voorschriften inzake staatssteun
in de zin van artikel 87 van het Verdrag gelden.
HOOFDSTUK III
SUBSIDIABILITEIT VAN DE UITGAVEN
Artikel 56
Subsidiabiliteit van de uitgaven
-
1.Uitgaven, ook voor grote projecten, komen in aanmerking voor een bijdrage uit de
Fondsen als zij daadwerkelijk zijn betaald tussen de datum van indiening van de
operationele programma's bij de Commissie of 1 januari 2007, waarbij de vroegste datum
bepalend is, en 31 december 2015. De concrete acties mogen niet vóór de begindatum van
de subsidiabiliteit zijn voltooid.
-
2.In afwijking van lid 1 kunnen bijdragen in natura, afschrijvingskosten en begeleidende
maatregelen onder de volgende voorwaarden worden beschouwd als uitgaven die de
begunstigden voor de uitvoering van concrete acties hebben betaald:
-
a)de in lid 4 opgenomen subsidiabiliteitsregels bepalen dat deze uitgaven subsidiabel
-
b)het bedrag van de uigaven wordt verantwoord door boekhoudkundige stukken met
dezelfde bewijskracht als facturen;
-
c)voor bijdragen in natura bedraagt de cofinanciering uit de Fondsen niet meer dan het
totaal van de subsidiabele uitgaven met uitsluiting van de waarde van deze bijdragen.
-
3.Uitgaven komen slechts voor een bijdrage uit de Fondsen in aanmerking als zij worden
gedaan voor concrete acties waartoe door of onder verantwoordelijkheid van de beheers-
autoriteit van het betrokken operationele programma is besloten volgens de vooraf door het
toezichtcomité vastgestelde criteria.
Nieuwe uitgaven die worden toegevoegd bij een wijziging van een operationeel
programma als bedoeld in artikel 33, zijn subsidiabel vanaf de datum waarop het verzoek
tot wijziging van het operationele programma bij de Commissie is ingediend.
-
4.De regels inzake de subsidiabiliteit van de uitgaven worden op nationaal niveau vastgesteld
onder voorbehoud van de uitzonderingen die bij de specifieke verordeningen voor elk
Fonds zijn vastgesteld. Zij hebben betrekking op alle uitgaven die in het kader van het
operationele programma worden gedeclareerd.
HOOFDSTUK IV
DUURZAAMHEID VAN DE CONCRETE ACTIES
Artikel 57
Duurzaamheid van de concrete acties
-
1.De lidstaat of de beheersautoriteit ziet erop toe dat de bijdrage uit de Fondsen voor een
concrete actie alleen blijft gehandhaafd als die concrete actie gedurende vijf jaar na de vol-
tooiing van de concrete actie, dan wel drie jaar na de voltooiing van de concrete actie in de
lidstaten die ervoor hebben gekozen deze termijn te verkorten met het oog op het behoud
van investeringen of van door het MKB gecreëerde banen, geen enkele belangrijke
wijziging ondergaat
-
a)die strijdig is met de aard ervan of met de uitvoeringsvoorwaarden die ervoor gelden,
of die een onderneming of overheidsinstantie onrechtmatig voordeel oplevert en
-
b)die het gevolg is van hetzij een verandering in de aard van de eigendom van een
infrastructuurvoorziening, hetzij de beëindiging van een productieactiviteit.
-
2.De lidstaat en de beheersautoriteit stellen de Commissie in het in artikel 67 bedoelde
verslag over de uitvoering in kennis van de wijzigingen in de zin van lid 1. De Commissie
informeert de overige lidstaten.
-
3.De onverschuldigd betaalde bedragen worden teruggevorderd overeenkomstig de
artikelen 98 tot en met 102.
-
4.De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat ondernemingen waartegen overeenkomstig
lid 3 een invorderingsprocedure loopt of heeft gelopen omdat die een productieactiviteit
binnen een lidstaat hebben verplaatst of naar een andere lidstaat hebben overgebracht, geen
bijdrage uit de Fondsen krijgen.
TITEL VI
BEHEER, TOEZICHT EN CONTROLE
HOOFDSTUK I
BEHEERS- EN CONTROLESYSTEMEN
Artikel 58
Algemene beginselen van de beheers- en controlesystemen
De door de lidstaten opgezette beheers- en controlesystemen voor de operationele programma's
voorzien in:
-
c)procedures om te zorgen voor de juistheid en regelmatigheid van de in het kader van het
operationele programma gedeclareerde uitgaven;
-
d)betrouwbare geautomatiseerde systemen voor de boekhouding, het toezicht en de
financiële verslaglegging;
-
e)in de gevallen waarin de verantwoordelijke instantie de uitvoering van taken aan een
andere instantie toevertrouwt, een systeem voor de verslaglegging en het toezicht;
-
f)regelingen voor de auditing om na te gaan of het systeem functioneert;
-
g)systemen en procedures om voor een toereikend controlespoor te zorgen;
-
h)procedures voor de verslaglegging over en het toezicht op onregelmatigheden en voor de
terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.
Artikel 59
Aanwijzing van autoriteiten
-
1.Voor elk operationeel programma wijst de lidstaat aan:
-
a)een beheersautoriteit: een nationale, regionale of plaatselijke openbare autoriteit of
een overheids- of particuliere instantie die door de lidstaat is aangewezen om het
operationele programma te beheren;
-
c)een auditautoriteit: een nationale, regionale of plaatselijke openbare autoriteit of
overheidsinstantie die functioneel onafhankelijk is van de beheersautoriteit en van de
certificeringsautoriteit, door de lidstaat is aangewezen voor elk operationeel
programma en verantwoordelijk is voor het verifiëren van de goede werking van het
beheers- en controlesysteem.
Dezelfde autoriteit kan voor meer dan één operationeel programma worden aangewezen.
-
2.De lidstaten kunnen een of meer bemiddelende instanties aanwijzen om sommige of alle
taken van de beheers- of certificeringsautoriteit onder verantwoordelijkheid van deze
autoriteit uit te voeren.
-
3.De lidstaat stelt voorschriften vast waarbij zijn relaties met de in lid 1 bedoelde autori-
teiten, alsmede hun relaties met de Commissie worden geregeld.
Onverminderd het bepaalde in deze verordening stelt de lidstaat de onderlinge relaties vast
tussen de in lid 1 bedoelde autoriteiten, die hun taken moeten uitvoeren in volledige
overeenstemming met de institutionele, juridische en financiële systemen van de betrokken
-
4.Mits artikel 58, punt b), in acht wordt genomen, mogen sommige of alle in lid 1 bedoelde
autoriteiten deel uitmaken van dezelfde instantie.
-
5.Voor de operationele programma's in het kader van de doelstelling "Europese territoriale
samenwerking" worden specifieke beheers- en controlevoorschriften vastgesteld bij
Verordening (EG) nr. .../...
.
-
6.De Commissie stelt volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure toepassings-
bepalingen voor de artikelen 60, 61 en 62 vast.
Artikel 60
Functies van de beheersautoriteit
De beheersautoriteit is ervoor verantwoordelijk dat het operationele programma overeenkomstig het
beginsel van goed financieel beheer wordt beheerd en uitgevoerd, en moet met name:
-
a)erop toezien dat de concrete acties voor financiering worden geselecteerd met inacht-
neming van de voor het operationele programma geldende criteria en gedurende de hele
uitvoeringsperiode in overeenstemming zijn met de geldende communautaire en nationale
-
b)verifiëren of de medegefinancierde producten en diensten zijn geleverd en of de voor de
concrete acties door de begunstigden gedeclareerde uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan en
met de communautaire en nationale voorschriften in overeenstemming zijn; controles ter
plaatse van afzonderlijke concrete acties kunnen aan de hand van een steekproef worden
verricht overeenkomstig de nadere voorschriften die volgens de in artikel 103, lid 3,
bedoelde procedure door de Commissie worden vastgesteld;
-
c)ervoor zorgen dat er een systeem is om boekhoudkundige gegevens over elke concrete
actie in het kader van het operationele programma in geïnformatiseerde vorm te registreren
en te bewaren, en dat de gegevens over de uitvoering die nodig zijn voor het financiële
beheer, het toezicht, de verificaties, de audits en de evaluatie worden verzameld;
-
d)ervoor zorgen dat de begunstigden en de andere bij de uitvoering van concrete acties
betrokken instanties voor alle transacties betreffende de concrete acties hetzij een
afzonderlijk boekhoudsysteem, hetzij een passende boekhoudkundige code gebruiken,
zonder afbreuk te doen aan nationale boekhoudregels;
-
e)erop toezien dat de in artikel 48, lid 3, bedoelde evaluaties van de operationele
programma's overeenkomstig artikel 47 plaatsvinden;
-
f)procedures instellen om te garanderen dat alle documenten met betrekking tot uitgaven en
audits die nodig zijn om voor een toereikend controlespoor te zorgen, worden bijgehouden
-
h)sturing geven aan de werkzaamheden van het toezichtcomité, en het de documenten
bezorgen die het nodig heeft om op de kwaliteit van de uitvoering van het operationele
programma toezicht te kunnen houden in het licht van de specifieke doelstellingen
daarvan;
-
i)de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering opstellen en, na goedkeuring ervan
door het toezichtcomité, indienen bij de Commissie;
-
j)erop toezien dat de voorschriften inzake voorlichting en publiciteit van artikel 69 worden
nagekomen;
-
k)de Commissie informatie verstrekken aan de hand waarvan zij grote projecten kan
beoordelen.
Artikel 61
Functies van de certificeringsautoriteit
De voor een operationeel programma aangewezen certificeringsautoriteit heeft met name tot taak:
-
a)gecertificeerde uitgavenstaten en betalingsaanvragen op te stellen en bij de Commissie in
te dienen;
-
c)er, met het oog op de certificering, op toe te zien dat zij van de beheersautoriteit toe-
reikende informatie krijgt over de procedures die zijn gevolgd en verificaties die zijn
verricht in verband met de in de uitgavenstaten vermelde uitgaven;
-
d)voor de certificering rekening te houden met de resultaten van alle audits die door of onder
de verantwoordelijkheid van de auditautoriteit zijn verricht;
-
e)boekhoudkundige gegevens over de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven in geïnfor-
matiseerde vorm bij te houden;
-
f)een boekhouding bij te houden van de te innen bedragen en van de bedragen die worden
geschrapt naar aanleiding van de volledige of gedeeltelijke intrekking van de bijdrage voor
een concrete actie. Geïnde bedragen worden vóór de afsluiting van het operationele
programma teruggestort in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen door
ze in mindering te brengen op de volgende uitgavenstaat.
Artikel 62
Functies van de auditautoriteit
-
1.De voor een operationeel programma aangewezen auditautoriteit heeft met name tot taak:
-
a)erop toe te zien dat er audits worden verricht om na te gaan of het beheers- en
controlesysteem van het operationele programma efficiënt functioneert;
-
c)binnen negen maanden na de goedkeuring van het operationele programma de
Commissie een auditstrategie voor te leggen die betrekking heeft op de instanties die
de in de punten a) en b) bedoelde audits zullen uitvoeren, de te volgen methode, de
steekproefmethode voor de audits op concrete acties en de indicatieve planning van
de audits; doel hiervan is te garanderen dat de belangrijkste instanties worden
gecontroleerd en dat de audits gelijkelijk over de programmeringsperiode worden
gespreid.
Als een gezamenlijk systeem voor verscheidene operationele programma's wordt
toegepast, mag één enkele auditstrategie worden voorgelegd;
-
d)uiterlijk op 31 december van elk jaar in de periode 2008-2015:
-
i)aan de Commissie een jaarlijks controleverslag voor te leggen met de
resultaten van de audits die in de voorafgaande 12 maanden eindigend op
30 juni van het betrokken jaar overeenkomstig de auditstrategie voor het
operationele programma zijn verricht, en eventuele tekortkomingen in de
beheers- en controlesystemen voor het programma te melden. Het uiterlijk op
31 december 2008 in te dienen eerste verslag bestrijkt de periode van
1 januari 2007 tot en met 30 juni 2008. De informatie over de na 1 juli 2015
verrichte audits wordt opgenomen in het laatste controleverslag dat de in
punt e) bedoelde verklaring van afsluiting vergezelt;
-
ii)op basis van de onder de verantwoordelijkheid van de auditautoriteit verrichte
controles en audits advies te geven over de vraag of het beheers- en controle-
systeem voldoende efficiënt functioneert, om een redelijke garantie te kunnen
bieden omtrent de juistheid van de uitgavenstaten die tijdens dat jaar bij de
Commissie zijn ingediend, alsmede, bij wijze van gevolgtrekking, een redelijke
garantie te kunnen bieden omtrent de wettigheid en de regelmatigheid van de
onderliggende transacties;
-
iii)waar van toepassing, krachtens artikel 88, een verklaring van gedeeltelijke
afsluiting af te geven met een beoordeling van de wettigheid en regelmatigheid
van de betrokken uitgaven.
Wanneer er een gezamenlijk systeem voor verschillende operationele programma's wordt
toegepast, kan de in punt i) bedoelde informatie worden gegroepeerd, en kunnen het onder
punt ii) verstrekte advies en de onder punt iii) afgegeven verklaring gelden voor alle
betrokken operationele programma's;
-
e)uiterlijk op 31 maart 2017 bij de Commissie een verklaring van afsluiting af te geven
met een beoordeling van de geldigheid van de aanvraag voor de betaling van het
eindsaldo, alsmede van de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende
transacties die zijn vermeld in de definitieve uitgavenstaat; deze verklaring gaat
vergezeld van het laatste controleverslag.
-
3.Als de in lid 1, onder a) en b), bedoelde audits en controles worden uitgevoerd door een
andere instantie dan de auditautoriteit, ziet de auditautoriteit erop toe dat dergelijke
instanties de nodige functionele onafhankelijkheid hebben.
-
4.De Commissie maakt, binnen drie maanden na de ontvangst ervan, haar opmerkingen over
de krachtens lid 1, punten c) en d), voorgestelde auditstrategie. Bij gebreke van
opmerkingen binnen deze periode wordt de auditstrategie geacht te zijn aanvaard.
HOOFDSTUK II
TOEZICHT
Artikel 63
Toezichtcomité
-
1.Voor elk operationeel programma richt de lidstaat in overeenstemming met de beheers-
autoriteit een toezichtcomité op binnen drie maanden te rekenen vanaf de datum van
kennisgeving aan de lidstaat van de beschikking tot goedkeuring van het operationele
programma. Er mag één toezichtcomité voor verscheidene operationele programma's
worden opgericht.
-
2.Elk toezichtcomité stelt zijn reglement van orde op binnen het institutionele, juridische en
financiële kader van de betrokken lidstaat, en keurt dit reglement goed in overleg met de
Artikel 64
Samenstelling
-
1.Het toezichtcomité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat of van
de beheersautoriteit.
De lidstaat beslist over de samenstelling van het toezichtcomité in overleg met de beheers-
autoriteit.
-
2.Op eigen initiatief of op verzoek van het toezichtcomité neemt een vertegenwoordiger van
de Commissie met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deel.
Een vertegenwoordiger van de EIB en het EIF kan met raadgevende stem aan de werk-
zaamheden deelnemen voor die operationele programma's waaraan de EIB of het EIF
bijdraagt.
Artikel 65
Taken
Het toezichtcomité vergewist zich van de doeltreffendheid en de kwaliteit van de uitvoering van het
operationele programma. Daartoe:
-
a)worden de criteria voor de selectie van de te financieren concrete acties door het
toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd binnen zes maanden na de goedkeuring van het
-
b)gaat het toezichtcomité aan de hand van door de beheersautoriteit bezorgde documenten
periodiek na welke vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de specifieke
doelstellingen van het operationele programma;
-
c)onderzoekt het toezichtcomité de resultaten van de uitvoering, met name de verwezen-
lijking van de voor elk prioritair zwaartepunt vastgestelde doelstellingen, en de in
artikel 48, lid 3, bedoelde evaluaties;
-
d)worden de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering als bedoeld in artikel 67
door het toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd;
-
e)wordt het toezichtcomité in kennis gesteld van het jaarlijkse controleverslag of van het
gedeelte van het verslag dat verband houdt met het betrokken operationele programma,
alsmede van de eventuele relevante opmerkingen die de Commissie na onderzoek van dat
verslag of van dat gedeelte van het verslag kan maken;
-
f)kan het toezichtcomité de beheersautoriteit elke herziening of toetsing van het operationele
programma voorstellen die erop is gericht de in artikel 3 omschreven doelstellingen van de
Fondsen te bereiken of het beheer van het operationele programma, met inbegrip van het
financiële beheer, te verbeteren;
-
g)wordt elk voorstel tot wijziging van de inhoud van de beschikking van de Commissie over
de bijdrage uit de Fondsen door het toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd.
-
2.De beheersautoriteit en het toezichtcomité oefenen het toezicht uit aan de hand van de
financiële indicatoren en de in artikel 36, lid 1, onder c), bedoelde indicatoren die in het
operationele programma zijn vastgesteld.
Als dit gelet op de aard van de bijstand mogelijk is, worden de statistische gegevens
uitgesplitst naar geslacht en, voor ondernemingen, naar grootteklasse van de begunstigde
ondernemingen.
-
3.De met dat doel verrichte uitwisseling van gegevens tussen de Commissie en de lidstaten
geschiedt elektronisch, overeenkomstig de procedures tot uitvoering van deze verordening
die volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure door de Commissie worden
vastgesteld.
Artikel 67
Jaarverslag en eindverslag over de uitvoering
-
1.Voor het eerst in 2008 en uiterlijk op 30 juni van elk jaar doet de beheersautoriteit de
Commissie een jaarverslag en uiterlijk op 31 maart 2017 een eindverslag over de uit-
voering van het operationele programma toekomen.
-
2.Elk in lid 1 bedoeld verslag bevat de volgende gegevens die de uitvoering van het
operationele programma duidelijk in beeld moeten brengen:
-
b)de financiële uitvoering van het operationele programma met per prioritair
zwaartepunt:
-
i)de uitgaven die door de begunstigden zijn betaald en zijn opgenomen in aan de
beheersautoriteit toegezonden betalingsaanvragen;
-
ii)de overeenkomstige overheidsbijdrage, alsmede de totale van de Commissie
ontvangen betalingen, met kwantificering van de in artikel 66, lid 2, bedoelde
financiële indicatoren; en
-
iii)de uitgaven die zijn betaald door de instantie die verantwoordelijk is voor het
verrichten van de betalingen aan de begunstigden
als het gaat om zones die overgangssteun ontvangen, de afzonderlijke vermelding in
elk operationeel programma van de financiële uitvoering in die zones;
-
c)louter voor informatieve doeleinden, de indicatieve uitsplitsing per categorie van de
toewijzing uit de Fondsen, overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen die volgens de
in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure door de Commissie worden vastgesteld;
-
d)de maatregelen die de beheersautoriteit of het toezichtcomité hebben genomen om de
kwaliteit en de doeltreffendheid van de uitvoering te waarborgen, en met name:
-
i)de werkzaamheden op het gebied van toezicht en evaluatie, met inbegrip van
regelingen voor gegevensverzameling,
-
ii)in voorkomend geval, een samenvatting van belangrijke problemen die bij de
uitvoering van het operationele programma zijn ondervonden, en van maat-
regelen die zijn genomen, mede naar aanleiding van op grond van artikel 68,
lid 2, gemaakte opmerkingen,
-
iii)het gebruik van technische bijstand;
-
e)de maatregelen die zijn genomen om informatie te verstrekken over en bekendheid te
geven aan het operationele programma;
-
f)informatie over belangrijke problemen die in verband met de inachtneming van de
communautaire wetgeving bij de uitvoering van het operationele programma zijn
ondervonden, en de maatregelen die zijn genomen om die te verhelpen;
-
g)in voorkomend geval, de vooruitgang en de financiering van grote projecten;
-
h)het gebruik van bijstand die tijdens de periode van de uitvoering van het operationele
programma bij de beheersautoriteit of een andere openbare autoriteit is vrijgekomen
na de intrekking bedoeld in artikel 98, lid 2;
-
i)gevallen waarin een belangrijke wijziging in de zin van artikel 57 is geconstateerd.
De hoeveelheid informatie die aan de Commissie wordt verstrekt, staat in verhouding tot
het totaalbedrag van de overheidsuitgaven die voor het betrokken operationele programma
worden gedaan. In voorkomend geval mag die informatie in beknopte vorm worden
-
3.De in lid 1 bedoelde verslagen worden ontvankelijk geacht als ze alle in lid 2 genoemde
passende gegevens bevatten. De Commissie stelt de lidstaat in kennis van de ontvankelijk-
heid van het jaarverslag binnen 10 werkdagen na de datum van ontvangst ervan.
-
4.De Commissie stelt de lidstaat in kennis van haar advies over de inhoud van de door de
beheersautoriteit ingediende ontvankelijke jaarverslagen binnen twee maanden na de
datum van ontvangst ervan. Voor het eindverslag over het operationele programma
bedraagt deze termijn maximaal vijf maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst
van een ontvankelijk verslag. Als de Commissie niet binnen de gestelde termijn heeft
geantwoord, worden de verslagen geacht aanvaard te zijn.
Artikel 68
Jaarlijks onderzoek van de programma's
-
1.Elk jaar onderzoeken de Commissie en de beheersautoriteit ter gelegenheid van de
indiening van het in artikel 67 bedoelde jaarverslag over de uitvoering de vorderingen die
bij de uitvoering van het operationele programma zijn gemaakt, de belangrijkste resultaten
van het voorgaande jaar, de financiële uitvoering en andere factoren, met het oog op de
verbetering van de uitvoering.
Voorts kunnen ook aspecten inzake de werking van het beheers- en controlesysteem die
aan het licht zijn gebracht in het laatste jaarlijkse controleverslag als bedoeld in artikel 62,
lid 1, punt d) i), worden onderzocht.
-
2.Na het in lid 1 bedoelde onderzoek kan de Commissie opmerkingen doen toekomen aan de
lidstaat en aan de beheersautoriteit, die het toezichtcomité ervan in kennis stelt. De lidstaat
deelt de Commissie mee welk gevolg aan die opmerkingen is gegeven.
-
3.Wanneer de evaluaties achteraf van de bijstandsverlening in de programmeringsperiode
2000-2006 in voorkomend geval beschikbaar zijn, kunnen de algemene resultaten worden
onderzocht in het daaropvolgende jaarlijkse onderzoek.
HOOFDSTUK III
VOORLICHTING EN PUBLICITEIT
Artikel 69
Voorlichting en publiciteit
-
1.De lidstaten en de beheersautoriteit voor het operationele programma dragen zorg voor de
voorlichting en de publiciteit met betrekking tot de concrete acties en medegefinancierde
programma's. Die voorlichting is gericht op de burgers van de Europese Unie en de
begunstigden en heeft tot doel de rol van de Gemeenschap onder de aandacht te brengen en
de bijstandsverlening uit de Fondsen transparant te maken.
De Commissie stelt de uitvoeringsvoorschriften van dit artikel vast volgens de in
artikel 103, lid 3, bedoelde procedure.
-
2.De beheersautoriteit voor het operationele programma is er verantwoordelijk voor dat er
bekendheid wordt gegeven aan het operationele programma overeenkomstig de uit-
voeringsbepalingen voor deze verordening, die door de Commissie worden vastgesteld
volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure.
HOOFDSTUK IV
VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE LIDSTATEN
EN VAN DE COMMISSIE
DEEL 1
VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE LIDSTATEN
Artikel 70
Beheer en controle
-
1.De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het beheer en de controle van de operationele
programma's, in het bijzonder door middel van de volgende maatregelen:
-
2.Als bedragen die onverschuldigd aan een begunstigde zijn betaald, niet kunnen worden
teruggevorderd, is de lidstaat verantwoordelijk voor de terugbetaling van die voor de
algemene begroting van de Europese Gemeenschappen verloren gegane bedragen, indien is
aangetoond dat het verlies door zijn onregelmatigheid of nalatigheid is berokkend.
-
3.De uitvoeringsvoorschriften voor de leden 1 en 2 worden door de Commissie vastgesteld
volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure.
Artikel 71
Instelling van beheers- en controlesystemen
-
1.Vóór de indiening van de aanvraag voor de eerste tussentijdse betaling of uiterlijk binnen
twaalf maanden te rekenen vanaf de goedkeuring van elk operationeel programma, dienen
de lidstaten bij de Commissie een beschrijving van de systemen in, die met name
betrekking heeft op de organisatie en de procedures van:
-
a)de beheersautoriteiten, de certificeringsautoriteiten en de bemiddelende instanties;
-
b)de auditautoriteit en elke andere instantie die onder haar verantwoordelijkheid audits
-
2.De in lid 1 bedoelde beschrijving gaat vergezeld van een verslag waarin de resultaten van
een evaluatie van de instelling van de systemen zijn uiteengezet en een advies wordt
gegeven over de conformiteit van die systemen met de artikelen 58 tot en met 62. Als in dit
advies bezwaren worden gemaakt, worden in het verslag de tekortkomingen en de ernst
daarvan aangegeven en indien de tekortkomingen niet het hele programma betreffen, wordt
aangegeven in welke prioritaire zwaartepunten de tekortkomingen zijn geconstateerd. De
lidstaat stelt de Commissie in kennis van de te nemen correctiemaatregelen en het tijd-
schema voor de uitvoering daarvan, en bevestigt vervolgens dat de bedoelde maatregelen
zijn genomen en de overeenkomstige bezwaren zijn ingetrokken.
Het in de eerste alinea bedoelde verslag wordt geacht aanvaard te zijn, en de eerste tussen-
tijdse betaling wordt verricht, in de volgende omstandigheden:
-
a)binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verslag,
indien het in de eerste alinea bedoelde advies geen bezwaren bevat en de Commissie
geen opmerkingen heeft geformuleerd;
-
b)indien het advies bezwaren bevat, wanneer aan de Commissie is bevestigd dat voor
de belangrijkste onderdelen van de systemen correctiemaatregelen zijn genomen en
de overeenkomstige bezwaren zijn ingetrokken en, indien de Commissie binnen twee
maanden, te rekenen vanaf de datum van bevestiging, geen bezwaren heeft gemaakt.
Indien de bezwaren slechts op één prioritair zwaartepunt betrekking hebben, wordt de
-
3.Het verslag en het advies als bedoeld in lid 2 worden opgesteld door de auditautoriteit of
door een functioneel van de beheersautoriteit en de certificeringsautoriteit onafhankelijke
particuliere of overheidsinstantie die haar werkzaamheden uitvoert volgens internationaal
aanvaarde auditnormen.
-
4.Als er voor verscheidene operationele programma's één gezamenlijk systeem wordt
gebruikt, kan in het kader van lid 1 een beschrijving van het gezamenlijke systeem worden
gegeven, vergezeld van één enkel verslag en een advies in het kader van lid 2.
-
5.De uitvoeringsvoorschriften voor de leden 1 en 4 worden door de Commissie vastgesteld
volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure.
DEEL 2
VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE COMMISSIE
Artikel 72
Verantwoordelijkheden van de Commissie
-
1.De Commissie vergewist zich volgens de procedure van artikel 71 ervan dat de lidstaten
beheers- en controlesystemen hebben ingesteld die in overeenstemming zijn met de
artikelen 58 tot en met 62, en, op basis van jaarlijkse controleverslagen en het jaarlijkse
advies van de auditautoriteit en haar eigen audits, dat de systemen efficiënt functioneren
-
2.Onverminderd de audits van de lidstaten kunnen ambtenaren van de Commissie of
gemachtigde vertegenwoordigers van de Commissie audits ter plaatse verrichten om de
efficiënte werking van de beheers- en controlesystemen te controleren, waaronder audits
van in het operationele programma opgenomen concrete acties; deze audits moeten ten
minste tien werkdagen van tevoren worden aangekondigd, behalve in dringende gevallen.
Aan deze audits mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de lidstaat
deelnemen. De uitvoeringsbepalingen voor deze verordening met betrekking tot het
gebruik van de tijdens de audits ingezamelde gegevens worden door de Commissie
vastgesteld volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure.
Ambtenaren van de Commissie of door de Commissie gemachtigde vertegenwoordigers
die naar behoren bevoegd zijn tot het verrichten van audits ter plaatse, krijgen inzage in de
boeken en alle andere documenten, inclusief documenten en metagegevens die zijn
opgetekend of ontvangen en vastgelegd op een elektronisch medium, die betrekking
hebben op uitgaven die gefinancierd zijn door het Fonds.
De bovengenoemde auditbevoegdheden doen niet af aan de toepassing van de nationale
bepalingen die bepaalde handelingen voorbehouden aan bij nationaal recht specifiek
aangewezen ambtenaren. Met name nemen gemachtigde vertegenwoordigers van de
Commissie niet deel aan huiszoekingen of aan de formele ondervraging van verdachten
overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat. Zij hebben evenwel toegang tot de
Artikel 73
Samenwerking met de auditautoriteiten van de lidstaten
-
1.De Commissie werkt met de auditautoriteiten van de operationele programma's samen om
hun respectieve auditplannen en auditmethoden te coördineren en wisselt onmiddellijk de
resultaten van de op beheers- en controlesystemen verrichte audits uit om zo goed mogelijk
gebruik te maken van de beschikbare hulpbronnen en om ongerechtvaardigde doublures te
voorkomen.
Wanneer een lidstaat verscheidene auditautoriteiten heeft aangewezen, kan hij tevens een
coördinerende instantie aanwijzen om de samenwerking te vergemakkelijken.
De Commissie, de auditautoriteiten en de coördinerende instantie, indien een dergelijke
instantie is aangewezen, komen regelmatig bijeen, minstens één maal per jaar, tenzij zij
onderling anders zijn overeengekomen, om samen de krachtens artikel 62 ingediende
jaarlijkse controleverslagen en adviezen te onderzoeken en om van gedachten te wisselen
over andere kwesties in verband met de verbetering van het beheer en de controle van de
operationele programma's.
-
2.Om haar eigen auditstrategie vast te stellen gaat de Commissie na voor welke operationele
programma's in het krachtens artikel 71, lid 2, gegeven advies over de conformiteit van het
systeem geen bezwaren zijn gemaakt, voor welke de bezwaren zijn ingetrokken omdat er
correctiemaatregelen zijn genomen, voor welke de auditstrategie van de auditautoriteit
-
3.Voor deze programma's kan de Commissie concluderen dat zij zich hoofdzakelijk op het in
artikel 62, lid 1, punt d), onder ii), bedoelde advies kan verlaten wat betreft het doel-
treffend functioneren van de systemen en dat zij uitsluitend eigen audits ter plaatse zal
verrichten indien er bewijzen zijn die tekortkomingen van het systeem doen vermoeden in
verband met tegenover de Commissie te certificeren uitgaven in een jaar waarvoor uit
hoofde van artikel 62, lid 1, punt d), onder ii), een advies is gegeven waarin geen bezwaren
met betrekking tot dergelijke tekortkomingen zijn gemaakt.
Indien de Commissie tot dit besluit komt, stelt zij de betrokken lidstaat daarvan in kennis.
Indien er bewijzen zijn die tekortkomingen doen vermoeden, kan zij ook eisen dat de
lidstaat audits verricht overeenkomstig artikel 72, lid 3, of kan zij eigen audits uitvoeren
krachtens artikel 72, lid 2.
DEEL 3
EVENREDIGHEID IN DE CONTROLE
VAN OPERATIONELE PROGRAMMA'S
Artikel 74
Proportionele controleregelingen
-
1.Voor operationele programma's waarvoor de totale in aanmerking komende overheids-
uitgaven niet meer bedragen van EUR 750 miljoen en waarvoor de medefinanciering door
-
b)kan de Commissie, wanneer in het advies over de conformiteit van het systeem
krachtens artikel 71, lid 2, geen bezwaren worden gemaakt of wanneer alle bezwaren
na correctiemaatregelen zijn ingetrokken, besluiten dat zij zich, wat de efficiënte
werking van de systemen betreft, voornamelijk kan baseren op het in artikel 62, lid 1,
onder d), ii), bedoelde advies, en dat zij uitsluitend eigen audits ter plaatse zal ver-
richten indien er bewijzen zijn die tekortkomingen van het systeem doen vermoeden
in verband met tegenover de Commissie gecertificeerde uitgaven in een jaar waar-
voor een advies is gegeven krachtens artikel 62, lid 1, onder d), ii), waarin geen
bezwaren met betrekking tot dergelijke tekortkomingen zijn gemaakt.
Indien de Commissie tot dit besluit komt, stelt zij de betrokken lidstaat daarvan in
kennis. Indien er bewijzen zijn die tekortkomingen doen vermoeden, kan zij ook
eisen dat de lidstaat audits verricht overeenkomstig artikel 72, lid 3, of kan zij eigen
audits uitvoeren krachtens artikel 72, lid 2.
-
2.Voor de in lid 1 bedoelde operationele programma's kan een lidstaat er bovendien voor
kiezen om volgens de nationale voorschriften instanties aan te wijzen en procedures vast te
stellen voor de uitoefening van:
-
a)de functies van de beheersautoriteit wat betreft de verificatie van de mede-
gefinancierde producten en diensten en de in het kader van artikel 60, onder b),
Als een lidstaat voor deze optie kiest, hoeft hij geen certificeringsautoriteit of audit-
autoriteit in het kader van artikel 59, lid 1, onder b) en c), aan te wijzen.
Artikel 71 is van overeenkomstige toepassing.
Als de Commissie de uitvoeringsbepalingen voor de artikelen 60, 61 en 62 vaststelt, geeft
zij aan welke bepalingen niet gelden voor de operationele programma's waarvoor de
betrokken lidstaat voor de in dit lid bedoelde optie heeft gekozen.
TITEL VII
FINANCIEEL BEHEER
HOOFDSTUK I
FINANCIEEL BEHEER
DEEL 1
VASTLEGGINGEN
Artikel 75
-
2.Als er geen betaling is verricht, kan de lidstaat uiterlijk op 30 september van het jaar n
verzoeken om vastleggingen voor de operationele programma's die betrekking hebben op
de nationale reserve voor onvoorziene uitgaven als bedoeld in artikel 51, over te dragen
naar andere operationele programma's. De lidstaat geeft in zijn verzoek aan welke
operationele programma's voor die overdracht in aanmerking komen.
DEEL 2
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
BETREFFENDE DE BETALINGEN
Artikel 76
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de betalingen
-
1.De Commissie betaalt de bijdrage uit de Fondsen overeenkomstig de kredieten. Elke
betaling wordt afgeboekt op de oudste openstaande vastleggingen van het betrokken fonds.
-
2.De betalingen gebeuren in de vorm van een voorfinanciering, tussentijdse betalingen en
een saldobetaling. De bijdragen worden betaald aan de door de lidstaat aangewezen
instantie.
-
3.Elk jaar sturen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 30 april een voorlopige raming van
hun vermoedelijke betalingsaanvragen voor het lopende begrotingsjaar en het daarop-
-
4.Alle uitwisselingen met betrekking tot financiële transacties tussen de Commissie en de
door de lidstaten aangewezen autoriteiten en instanties gebeuren in elektronische vorm
overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen voor deze verordening die de Commissie
volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure vaststelt. In geval van overmacht, en in
het bijzonder wanneer het gemeenschappelijke computersysteem defect is of geen
duurzame verbinding tot stand kan worden gebracht, mag de lidstaat de uitgavenstaat en de
betalingsaanvraag op papier toezenden.
Artikel 77
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de berekening
van de tussentijdse betalingen en de saldobetalingen
De tussentijdse betalingen en de saldobetalingen worden berekend door het in de beschikking tot
goedkeuring van het operationele programma bepaalde medefinancieringspercentage voor elk
prioritair zwaartepunt toe te passen op de subsidiabele uitgaven die in het kader van dat prioritair
zwaartepunt zijn vermeld op basis van een door de certificeringsautoriteit gecertificeerde
uitgavenstaat.
De bijdrage van de Gemeenschap in de vorm van tussentijdse betalingen en saldobetalingen is
evenwel niet hoger dan de overheidsbijdrage en het maximale bedrag aan bijstand uit de Fondsen
voor elk prioritair zwaartepunt zoals bepaald in de beschikking van de Commissie tot goedkeuring
van het operationele programma.
Artikel 78
Uitgavenstaat
-
1.Alle uitgavenstaten bevatten voor elk prioritair zwaartepunt het totale bedrag van de
subsidiabele uitgaven, overeenkomstig artikel 56, die de begunstigden voor de uitvoering
van concrete acties hebben gedaan, alsmede de overeenkomstige overheidsbijdrage die aan
de begunstigden is of zal worden betaald overeenkomstig de voorwaarden met betrekking
tot de overheidsbijdrage. De door de begunstigden betaalde uitgaven moeten worden
verantwoord met gekwiteerde rekeningen of boekhoudkundige stukken met gelijkwaardige
bewijskracht.
Uitsluitend voor steunmaatregelen in de zin van artikel 87 van het Verdrag geldt evenwel
dat, naast de in de voorgaande alinea bepaalde voorwaarden, de overheidsbijdrage die
overeenkomt met de in een uitgavenstaat vermelde uitgaven door de steunverlenende
instantie aan de begunstigden moet zijn betaald.
-
2.Wat betreft staatssteun in de zin van artikel 87 van het Verdrag kunnen, in afwijking van
het eerste lid, in de uitgavenstaat voorschotten worden vermeld die de steunverlenende
instantie aan de begunstigden betaalt onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
-
a)voor de voorschotten moet een bankgarantie of een financieringsfaciliteit van de
overheid met een gelijkwaardig effect worden verstrekt;
-
c)zij moeten worden gebruikt voor de uitgaven van de begunstigden voor de uitvoering
van het project en moeten uiterlijk drie jaar na het jaar waarin het voorschot is
betaald of in elk geval op 31 december 2015 worden verantwoord door gekwiteerde
rekeningen of boekhoudkundige stukken met gelijkwaardige bewijskracht; zoniet
moet de volgende uitgavenstaat dienovereenkomstig worden gecorrigeerd.
-
3.Voor elk operationeel programma wordt in de uitgavenstaten apart vermeld welke de in
lid 1 bedoelde elementen zijn voor de regio's die overgangssteun ontvangen.
-
4.Voor grote projecten als bedoeld in artikel 39 mogen uitsluitend uitgaven in verband met
grote projecten die reeds door de Commissie zijn goedgekeurd, in de uitgavenstaten
worden vermeld.
-
5.Indien de bijdrage uit het Fonds wordt berekend onder verwijzing naar de overheids-
uitgaven, heeft, wat betreft artikel 52, lid 1, informatie betreffende andere uitgaven dan
overheidsuitgaven geen invloed op het verschuldigde bedrag zoals berekend op basis van
de betalingsaanvraag.
-
6.Wat betreft acties op het gebied van de financiële instrumentering zoals deze in artikel 44
zijn gedefinieerd, worden in afwijking van lid 1 in de uitgavenstaat de totale uitgaven
vermeld welke bij de oprichting van of het bijdragen aan die fondsen of holdingfondsen
zijn betaald.
Bij de gedeeltelijke of definitieve afsluiting van het operationele programma worden de
-
b)de betalingen uit elk van de hierboven genoemde fondsen voor investeringen in
ondernemingen, of
-
c)verstrekte garanties, inclusief bedragen die als garantie zijn vastgelegd door garantie-
fondsen, alsmede
-
d)subsidiabele beheerskosten.
Het medefinancieringspercentage wordt toegepast op de door de begunstigde betaalde
subsidiabele uitgaven.
De bijbehorende uitgavenstaat wordt dienovereenkomstig gecorrigeerd.
-
7.De renteopbrengsten van betalingen uit operationele programma's aan fondsen in de zin
van artikel 44 worden aangewend voor de financiering van projecten op het gebied van
stadsontwikkeling in het geval van fondsen voor stadsontwikkeling of voor financiële
instrumenteringsacties voor kleine en middelgrote ondernemingen in de andere gevallen.
Middelen die uit investeringen in de zin van artikel 44 aan de concrete actie worden
teruggestort of die overblijven nadat alle garanties zijn gehonoreerd, worden door de
bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten opnieuw gebruikt ten behoeve van
projecten voor stadsontwikkeling of het midden- en kleinbedrijf.
Artikel 79
Cumulatie van voorfinanciering en tussentijdse betalingen
-
1.Het gecumuleerde totaal van de voorfinanciering en de tussentijdse betalingen mag niet
meer bedragen dan 95% van de bijdrage van de Fondsen aan het operationele programma.
-
2.Ook nadat dit maximum is bereikt, blijft de certificeringsautoriteit de Commissie in kennis
stellen van alle tot en met 31 december van het jaar n gecertificeerde uitgavenstaten en van
alle bedragen die in de loop van het jaar voor elk Fonds zijn teruggevorderd; deze
gegevens moeten uiterlijk eind februari van het jaar n+1 zijn meegedeeld.
Artikel 80
Volledigheid van de betalingen aan de begunstigden
De lidstaten vergewissen zich ervan dat de voor het verrichten van de betalingen verantwoordelijke
instanties ervoor zorgen dat de begunstigden het volledige bedrag van de overheidsbijdrage zo
spoedig mogelijk en volledig ontvangen. Er mogen geen bedragen in mindering worden gebracht of
worden ingehouden, noch specifieke extra heffingen of andere heffingen met gelijke werking
worden toegepast die het totale bedrag voor de begunstigden verminderen.
Artikel 81
-
2.De bedragen van de beschikkingen van de Commissie betreffende operationele
programma's, en van de vastleggingen en de betalingen van de Commissie luiden in euro
en worden in euro uitgevoerd.
-
3.De lidstaten die op de datum van de betalingsaanvraag de euro niet als munteenheid
hebben aangenomen, rekenen de bedragen van de in de nationale munteenheid gedane
uitgaven om in euro. Dit gebeurt aan de hand van de maandelijkse boekhoudkundige
wisselkoers voor de euro van de Commissie in de maand waarin de uitgave in de
rekeningen van de certificeringsinstantie van het betrokken operationeel programma is
opgenomen. Deze boekhoudkundige wisselkoers wordt maandelijks elektronisch
bekendgemaakt door de Commissie.
-
4.Wanneer de euro de munteenheid van een lidstaat wordt, blijft de in het vorige lid
beschreven omrekeningsprocedure van toepassing op alle uitgaven die vóór de datum van
inwerkingtreding van de vaste omrekeningskoers tussen de nationale munteenheid en de
euro zijn opgenomen in de rekeningen van de certificeringsinstantie.
DEEL 3
VOORFINANCIERING
Artikel 82
Het gedeelte van de voorfinanciering wordt in verschillende tranches uitgekeerd, en wel als
volgt:
-
a)2% van de bijdrage uit het Structuurfonds aan het betrokken operationele programma
in 2007, en 3% in 2008, voor lidstaten van de Europese Unie in haar samenstelling
van voor 1 mei 2004 zijn toegetreden;
-
b)2% van de bijdrage uit het Structuurfonds aan het betrokken operationele programma
in 2007, 3% in 2008, en 2% in 2009, voor lidstaten die op 1 mei 2004 of daarna tot
de Europese Unie zijn toegetreden;
-
c)2% van de bijdrage van het EFRO in 2007, 3% in 2008 en 2% in 2009 als het
operationele programma past in het kader van de doelstelling "Europese territoriale
samenwerking" en ten minste één van de deelnemers een lidstaat is die op
1 mei 2004 of daarna tot de Europese Unie is toegetreden;
-
d)2% van de bijdrage uit het Cohesiefonds aan het betrokken operationele programma
in 2007, 3% in 2008, en 2,5 % in 2009, voor lidstaten die op 1 mei 2004 of daarna tot
de Europese Unie zijn toegetreden;
-
e)2,5% van de bijdrage uit het Cohesiefonds aan het betrokken operationele
programma in 2007, 4% in 2008, en 4% in 2009, voor lidstaten die op 1 mei 2004 of
daarna tot de Europese Unie zijn toegetreden.
-
2.Het totaalbedrag dat als voorfinanciering is uitgekeerd, wordt door de instantie die de
lidstaat heeft aangewezen, aan de Commissie terugbetaald indien geen enkele betalings-
aanvraag voor het operationele programma is toegezonden binnen een termijn van
24 maanden te rekenen vanaf de uitkering van het eerste gedeelte van de voorfinanciering.
Deze terugbetaling is niet van invloed op de totale bijdrage van het Fonds aan het
operationeel programma.
Artikel 83
Rente
De renteopbrengsten van de voorfinanciering worden voor het betrokken operationele programma
bestemd, aangezien deze worden beschouwd, als middelen voor de lidstaat, als nationale overheids-
bijdrage, en worden bij de Commissie gedeclareerd op het tijdstip van de definitieve afsluiting van
het operationele programma.
Artikel 84
DEEL 4
TUSSENTIJDSE BETALINGEN
Artikel 85
Tussentijdse betalingen
Voor elk operationeel programma worden tussentijdse betalingen verricht. De eerste tussentijdse
betaling wordt verricht overeenkomstig de bepalingen van artikel 71, lid 2.
Artikel 86
Ontvankelijkheid van de betalingsaanvragen
-
1.De Commissie verricht tussentijdse betalingen als aan de volgende voorwaarden is
voldaan:
-
a)bij de Commissie is een betalingsaanvraag ingediend, alsmede een uitgavenstaat
overeenkomstig artikel 78;
-
b)de Commissie heeft tijdens de volledige periode voor elk prioritair zwaartepunt niet
meer uitbetaald dan het maximale bedrag aan bijstand uit de Fondsen als bepaald in
de beschikking van de Commissie tot goedkeuring van het operationele programma;
-
d)de Commissie heeft ten aanzien van concrete acties waarvoor de uitgaven overeen-
komstig de betrokken betalingsaanvraag zijn gedeclareerd, geen met redenen
omkleed advies in verband met een inbreuk uitgebracht op grond van artikel 226 van
het Verdrag.
-
2.Indien niet is voldaan aan één of meer van de in lid 1 vermelde voorwaarden, stelt de
Commissie de lidstaat en de certificeringsautoriteit daarvan uiterlijk binnen een maand in
kennis, zodat de nodige stappen kunnen worden gedaan om de situatie te verhelpen.
Artikel 87
Termijn voor de indiening van de betalingsaanvragen en voor de betalingen
-
1.De certificeringsautoriteit vergewist zich ervan dat de aanvragen om tussentijdse beta-
lingen voor elk operationeel programma gegroepeerd bij de Commissie worden ingediend,
voorzover mogelijk driemaal per jaar. Voor betalingen die de Commissie nog in het
lopende jaar moet verrichten, moeten de betalingsaanvragen uiterlijk op 31 oktober worden
ingediend.
-
2.Onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen en indien de betalingen
niet zijn geschorst uit hoofde van artikel 92, verricht de Commissie de tussentijdse betaling
binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum waarop een betalingsaanvraag die aan de
in artikel 86 genoemde voorwaarden voldoet, bij de Commissie is geregistreerd.
DEEL 5
AFSLUITING VAN HET PROGRAMMA
EN BETALING VAN HET EINDSALDO
Artikel 88
Gedeeltelijke afsluiting
-
1.Operationele programma's mogen gedeeltelijk worden afgesloten volgens een door de
lidstaat te bepalen periodiciteit.
De gedeeltelijke afsluiting heeft betrekking op concrete acties die zijn voltooid in de
periode tot en met 31 december van het voorgaande jaar. Voor de toepassing van deze
verordening wordt een concrete actie geacht voltooid te zijn wanneer alle activiteiten in het
kader van die acties daadwerkelijk zijn uitgevoerd en alle uitgaven van de begunstigden en
de overeenkomstige overheidsbijdragen voor die actie zijn betaald.
-
2.Er wordt overgegaan tot gedeeltelijke afsluiting op voorwaarde dat de lidstaat de
Commissie uiterlijk op 31 december van een gegeven jaar de volgende documenten
toezendt:
Artikel 89
Voorwaarden voor de betaling van het eindsaldo
-
1.De Commissie betaalt het eindsaldo op voorwaarde dat:
-
a)de lidstaat uiterlijk op 31 maart 2017 een betalingsaanvraag heeft toegezonden die de
volgende documenten omvat:
-
i)een aanvraag om betaling van het eindsaldo en een uitgavenstaat overeen-
komstig artikel 78;
-
ii)het eindverslag over de uitvoering van het operationele programma, dat de in
artikel 67 bedoelde gegevens bevat;
-
iii)een verklaring van afsluiting als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder e); en
-
b)de Commissie ten aanzien van concrete acties waarvoor de uitgaven overeenkomstig
de betrokken betalingsaanvraag zijn gedeclareerd, geen met redenen omkleed advies
in verband met een inbreuk heeft uitgebracht op grond van artikel 226 van het
Verdrag.
-
2.Als niet alle in lid 1 genoemde documenten bij de Commissie zijn ingediend, wordt het
eindsaldo overeenkomstig artikel 93 ambtshalve doorgehaald.
-
4.Onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen betaalt de Commissie
het eindsaldo uiterlijk 45 dagen na de laatstvallende van de volgende data:
-
a)de datum waarop zij het eindverslag aanvaardt overeenkomstig artikel 67, lid 4, en
-
b)de datum waarop zij de in lid 1, onder a), punt iii), van dit artikel bedoelde verklaring
van afsluiting aanvaardt.
-
5.Onverminderd lid 6 wordt het saldo van de vastlegging twaalf maanden na deze betaling
doorgehaald. Het operationeel programma is afgesloten zodra een van de drie volgende
handelingen is verricht:
-
a)de betaling van het eindsaldo dat door de Commissie op basis van de in lid 1
bedoelde documenten is bepaald;
-
b)de toezending door de Commissie aan de lidstaat van een debetnota voor onver-
schuldigd betaalde bedragen in verband met het operationeel programma;
-
c)de doorhaling van het eindsaldo van de vastlegging.
De Commissie stelt de lidstaat binnen 2 maanden in kennis van de datum van afsluiting
van het operationele programma.
-
6.Niettegenstaande de resultaten van eventuele door de Commissie of de Europese
Rekenkamer verrichte audits kan het eindsaldo dat de Commissie voor een operationeel
Artikel 90
Beschikbaarheid van documenten
-
1.Onverminderd de in artikel 87 van het Verdrag opgenomen voorschriften voor staatssteun
zorgt de beheersautoriteit ervoor dat alle bewijsstukken betreffende uitgaven en audits in
verband met het betrokken operationele programma ter beschikking van de Commissie en
de Rekenkamer worden gehouden gedurende:
-
a)drie jaar na de afsluiting van een operationeel programma als omschreven in
artikel 89, lid 3,
-
b)drie jaar na het jaar waarin een gedeeltelijke afsluiting heeft plaatsgevonden, in het
geval van documenten betreffende de uitgaven en audits inzake concrete acties als
bedoeld in lid 2.
In geval van gerechtelijke vervolging of op een met redenen omkleed verzoek van de
Commissie worden deze termijnen geschorst.
-
2.De beheersautoriteit stelt voor de Commissie de lijst op van de voltooide concrete acties
waarvoor een gedeeltelijke afsluiting overeenkomstig artikel 88 heeft plaatsgevonden.
-
3.De bewijsstukken worden hetzij als originele stukken, hetzij als voor authentiek gewaar-
merkte versies op algemeen aanvaarde gegevensdragers bewaard.
DEEL 6
UITSTEL EN SCHORSING VAN BETALINGEN
Artikel 91
Uitstel van betaling
-
1.De gedelegeerde ordonnateur in de zin van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 kan
de betaling maximaal zes maanden uitstellen als:
-
a)er in een verslag van een nationale of communautaire auditinstantie bewijzen zijn die
significante tekortkomingen in de goede werking van de beheers- en controle-
systemen doen vermoeden,
-
b)de gedelegeerde ordonnateur aanvullende verificaties moet verrichten naar aan-
leiding van te zijner kennis gekomen informatie die hem doet vermoeden dat
uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat verband houden met een ernstige
onregelmatigheid ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen.
-
2.De lidstaat en de certificeringsautoriteit worden onmiddellijk in kennis gesteld van de
redenen voor dit uitstel. Het uitstel wordt beëindigd zodra de lidstaat de nodige maat-
Artikel 92
Schorsing van betalingen
-
1.De Commissie kan de tussentijdse betalingen op het niveau van een prioriteit of een
programma geheel of gedeeltelijk schorsen als:
-
a)de beheers- en controlesystemen van het programma ernstige tekortkomingen
vertonen die afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de procedure voor de
certificering van de betalingen, en er in dat verband geen correctiemaatregelen zijn
genomen; of
-
b)uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat verband houden met een ernstige
onregelmatigheid ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen;
of
-
c)een lidstaat ernstig tekort schiet in het nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde
van artikel 70, leden 1 en 2.
-
2.De Commissie kan besluiten de tussentijdse betalingen geheel of gedeeltelijk te schorsen
nadat zij de lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld binnen twee maanden zijn
opmerkingen te maken.
-
3.De Commissie heft de gehele of gedeeltelijke schorsing van de tussentijdse betalingen op
als de lidstaat de nodige maatregelen heeft genomen om opheffing van de schorsing
DEEL 7
AMBTSHALVE TE VERRICHTEN DOORHALING
Artikel 93
Beginselen
-
1.Het gedeelte van een vastlegging voor een operationeel programma dat uiterlijk op
31 december van het tweede jaar na het jaar waarin de vastlegging voor het programma is
verricht, niet voor een voorfinanciering of tussentijdse betalingen is gebruikt, of waarvoor
geen betalingsaanvraag overeenkomstig artikel 86 aan de Commissie is toegezonden,
wordt door de Commissie ambtshalve doorgehaald, met uitzondering van het bepaalde in
lid 2.
-
2.Voor lidstaten waarvan het BBP over de periode 2001-2003 minder bedroeg dan 85% van
het gemiddelde van de EU-25 over dezelfde periode, zoals weergegeven in bijlage II, is de
in lid 1 bedoelde termijn 31 december van het derde jaar na het jaar waarin de jaarlijkse
vastlegging voor hun operationele programma is verricht in de periode van 2007 tot en
met 2010.
Deze termijn moet ook van toepassing zijn op de jaarlijkse vastlegging van 2007 tot 2010
in een operationeel programma dat past in het kader van de doelstelling "Europese
territoriale samenwerking", indien ten minste een van de deelnemende staten een lidstaat is
-
3.Het gedeelte van de vastleggingen dat op 31 december 2015 nog openstaat, wordt
ambtshalve doorgehaald als de Commissie daarvoor uiterlijk op 31 maart 2017 geen
ontvankelijke betalingsaanvraag heeft ontvangen.
-
4.Als deze verordening na 1 januari 2007 in werking treedt, wordt voor de eerste vastlegging
de termijn waarna de eerste ambtshalve verrichte doorhaling zoals bedoeld in lid 1 kan
plaatsvinden, verlengd met het aantal maanden dat verstrijkt tussen 1 januari 2007 en de
datum van de eerste vastlegging.
Artikel 94
Schorsingstermijn voor grote projecten
en steunregelingen
Indien de Commissie beslist om een groot project of een steunregeling toe te staan, worden de
bedragen die ambtshalve kunnen worden doorgehaald, verlaagd met de jaarlijkse bedragen die voor
dergelijke grote projecten of steunregelingen zijn bestemd.
Wat die jaarlijkse bedragen betreft, is de aanvangsdatum voor de berekening van de termijnen voor
de ambtshalve te verrichten doorhaling als bedoeld in artikel 93 de datum van de latere beslissing
die nodig is om dergelijke acties toe te staan.
Artikel 95
Schorsingstermijn voor gerechtelijke procedures
en administratief beroep
Het bedrag dat ambtshalve kan worden doorgehaald, wordt verlaagd met de bedragen die de
certificeringsautoriteit niet bij de Commissie heeft kunnen declareren omdat concrete acties zijn
geschorst door een gerechtelijke procedure of een administratief beroep met opschortende werking,
mits de lidstaat de Commissie uiterlijk op 31 december van het tweede of het derde jaar na het jaar
van de vastlegging als bedoeld in artikel 93 een met redenen omklede kennisgeving toezendt.
Voor het gedeelte van de vastleggingen dat op 31 december 2015 nog openstaat, wordt de in
artikel 93, lid 2, bedoelde termijn onder deze zelfde voorwaarden geschorst voor het bedrag dat met
de betrokken concrete acties overeenkomt.
De bovenbedoelde vermindering kan eenmaal worden aangevraagd indien de schorsing maximaal
een jaar heeft geduurd, of verscheidene keren naar gelang van het aantal jaren tussen het wettelijke
of bestuurlijke besluit tot schorsing van de uitvoering van de actie en de datum van het definitieve
wettelijke of bestuurlijke besluit.
Artikel 96
Uitzonderingen op de ambtshalve te verrichten doorhaling
Bij de berekening van de ambtshalve door te halen bedragen worden niet meegerekend:
-
a)het gedeelte van de vastleggingen waarvoor uiterlijk op 31 december van het tweede of het
derde jaar na het jaar van de vastlegging als bedoeld in artikel 93 en overeenkomstig de
artikelen 91 en 92 een betalingsaanvraag is ingediend, maar waarvoor de Commissie de
vergoeding heeft uitgesteld of geschorst. Wanneer het probleem dat aanleiding heeft
gegeven tot het uitstel of de schorsing van de betaling, is opgelost, wordt de regeling
inzake de ambtshalve te verrichten doorhaling toegepast op het betrokken deel van de
vastlegging;
-
b)het gedeelte van de vastleggingen waarvoor een betalingsaanvraag is ingediend maar
waarvoor de vergoeding is geplafonneerd, met name vanwege een gebrek aan begrotings-
middelen;
-
c)het gedeelte van de vastleggingen waarvoor geen ontvankelijke betalingsaanvraag kon
worden ingediend wegens overmacht, voorzover deze situatie ernstige repercussies had
voor de uitvoering van het operationele programma. De nationale autoriteiten die zich op
overmacht beroepen, moeten de rechtstreekse gevolgen van de overmachtsituatie voor de
uitvoering van het hele operationele programma of van een deel daarvan aantonen.
-
2.De lidstaat heeft vanaf de ontvangst van die kennisgeving twee maanden de tijd om
akkoord te gaan met het betrokken bedrag of zijn opmerkingen kenbaar te maken. Uiterlijk
negen maanden na de in artikel 93 bedoelde uiterste data gaat de Commissie over tot het
ambtshalve doorhalen.
-
3.Als een bedrag ambtshalve wordt doorgehaald, wordt de bijdrage uit de Fondsen voor het
betrokken operationele programma voor het betrokken jaar met dat bedrag verlaagd. De
lidstaat legt binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van doorhaling een herzien
financieringsplan over waarin de verdeling van het verlaagde steunbedrag over een of meer
prioritaire zwaartepunten van het operationele programma wordt weergegeven. Bij ont-
stentenis daarvan verlaagt de Commissie de voor elk prioritair zwaartepunt toegewezen
bedragen verhoudingsgewijs.
HOOFDSTUK II
FINANCIËLE CORRECTIES
DEEL 1
FINANCIËLE CORRECTIES DOOR DE LIDSTATEN
Artikel 98
Financiële correcties door de lidstaten
-
2.De lidstaat past de financiële correcties toe die noodzakelijk zijn in verband met eenmalige
of systematische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma's
zijn geconstateerd. De door de lidstaat verrichte correcties bestaan in een volledige of
gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan het operationele programma. De
lidstaat houdt rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het
financiële verlies voor de Fondsen.
De lidstaat mag de communautaire middelen die op deze wijze beschikbaar komen,
overeenkomstig lid 3 tot en met 31 december 2015 opnieuw gebruiken voor het betrokken
operationele programma.
-
3.De overeenkomstig lid 2 ingetrokken bijdrage mag niet opnieuw worden gebruikt voor de
concrete actie(s) waarop de correctie is toegepast, noch, als het gaat om een financiële
correctie voor een systematische onregelmatigheid, voor bestaande concrete acties binnen
het gehele prioritaire zwaartepunt of het deel daarvan waar de systematische fout is
geconstateerd.
-
4.Bij een systematische onregelmatigheid breidt de lidstaat zijn onderzoek uit tot alle
concrete acties die daarbij betrokken kunnen zijn.
DEEL 2
FINANCIËLE CORRECTIES DOOR DE COMMISSIE
Artikel 99
Criteria voor de correcties
-
1.De Commissie kan financiële correcties toepassen door de bijdrage van de Gemeenschap
aan een operationeel programma volledig of gedeeltelijk in te trekken als zij, na het nodige
onderzoek, tot de conclusie komt dat:
-
a)het beheers- en controlesysteem van het programma ernstige tekortkomingen
vertoont die de reeds voor het programma betaalde communautaire bijdrage in
gevaar brengen;
-
b)de uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat onregelmatigheden vertonen die niet
door de lidstaat zijn gecorrigeerd voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure
werd ingeleid;
-
c)een lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 98 heeft voldaan
voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid.
-
2.De Commissie baseert haar financiële correcties op geconstateerde afzonderlijke onregel-
matigheden, waarbij zij rekening houdt met de systematische aard van de onregelmatigheid
-
4.Wanneer de Commissie haar standpunt baseert op feiten die zijn geconstateerd door andere
auditeurs dan die van haar eigen diensten, trekt zij met betrekking tot de financiële conse-
quenties haar eigen conclusies, na onderzoek van de op grond van artikel 98, lid 2, door de
betrokken lidstaat genomen maatregelen, de overeenkomstig artikel 70, lid 1, onder b),
verstrekte verslagen en de eventuele antwoorden van de lidstaat.
-
5.Wanneer een lidstaat zijn in artikel 15, lid 4, vermelde verplichtingen niet nakomt, kan de
Commissie, proportioneel aan de mate van niet-nakoming van deze verplichtingen, een
financiële correctie toepassen door de bijdrage van de structuurfondsen aan de betrokken
lidstaat geheel of gedeeltelijk in te trekken.
Het percentage dat toepasselijk is op de in dit lid bedoelde financiële correctie wordt
bepaald in de uitvoeringsbepalingen voor deze verordening die de Commissie volgens de
in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure heeft vastgesteld.
Artikel 100
Procedure
-
1.Voordat de Commissie tot een financiële correctie besluit, leidt zij de procedure in door de
lidstaat in kennis te stellen van haar voorlopige conclusies en hem te verzoeken binnen
twee maanden zijn opmerkingen te doen toekomen.
Als de Commissie een geëxtrapoleerde of forfaitaire financiële correctie voorstelt, wordt
de lidstaat in de gelegenheid gesteld om, door onderzoek van de betrokken documentatie,
aan te tonen dat de werkelijke omvang van de onregelmatigheid geringer is dan de
Commissie in haar beoordeling stelt. In overleg met de Commissie mag de lidstaat dit
onderzoek beperken tot een passend deel of passende steekproef van de betrokken
documentatie. Behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen mag dit onderzoek niet
langer duren dan twee maanden na de bovengenoemde periode van twee maanden.
-
2.De Commissie houdt rekening met alle door de lidstaat binnen de in lid 1 genoemde
termijn aangevoerde bewijsstukken.
-
3.Als de lidstaat de voorlopige conclusies van de Commissie niet aanvaardt, nodigt de
Commissie de lidstaat uit tot een hoorzitting, waar beide partijen in een geest van samen-
werking in het kader van het partnerschap proberen overeenstemming te bereiken over de
opmerkingen en de daaruit te trekken conclusies.
-
4.In geval van overeenstemming mag de lidstaat de betrokken communautaire middelen
opnieuw gebruiken, overeenkomstig artikel 98, lid 2, tweede alinea.
-
5.Als er geen overeenstemming wordt bereikt, neemt de Commissie uiterlijk zes maanden na
de datum van de hoorzitting een besluit over de financiële correctie, rekening houdend met
alle informatie en opmerkingen die in de loop van de procedure zijn voorgelegd. Als er
geen hoorzitting plaatsvindt, begint de periode van zes maanden twee maanden na de
Artikel 101
Verplichtingen van de lidstaten
Een financiële correctie door de Commissie laat de verplichting van de lidstaat tot terugvordering
van bedragen op grond van artikel 98, lid 2, van deze verordening en tot terugvordering van staats-
steun op grond van artikel 87 van het Verdrag en van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999
van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van
artikel 88 van het EG-Verdrag onverlet1.
Artikel 102
Terugbetaling
-
1.Elke aan de algemene begroting van de Europese Unie te verrichten terugbetaling
geschiedt vóór de vervaldag die is vermeld in de invorderingsopdracht die is opgesteld
overeenkomstig artikel 72 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002. Deze
vervaldatum is de laatste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de
invorderingsopdracht is gegeven.
-
2.Elke vertraging van de terugbetaling geeft aanleiding tot rente wegens te late betaling, te
rekenen vanaf de vervaldatum tot en met de datum van de daadwerkelijke betaling. De toe
te passen rentevoet is anderhalf procentpunt hoger dan die welke de Europese Centrale
Bank toepast bij haar voornaamste herfinancieringstransacties op de eerste werkdag van de
TITEL VIII
COMITÉS
HOOFDSTUK I
COÖRDINATIECOMITÉ VAN DE FONDSEN
Artikel 103
Comité en procedures
-
1.De Commissie wordt bijgestaan door het Coördinatiecomité voor de Fondsen (hierna het
"comité" genoemd).
-
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van
toepassing.
-
3.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van
toepassing.
De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op
drie maanden.
HOOFDSTUK II
COMITÉ UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 147 VAN HET VERDRAG
Artikel 104
Comité uit hoofde van artikel 147 van het Verdrag
-
1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité uit hoofde van artikel 147 van het
Verdrag ("het Comité"). Het Comité is samengesteld uit één vertegenwoordiger van de
regering, één vertegenwoordiger van de werknemersorganisaties en één vertegenwoordiger
van de werkgeversorganisaties per lidstaat. Het lid van de Commissie dat met het voor-
zitterschap van het Comité is belast, kan deze functie aan een hoge ambtenaar van de
Commissie delegeren.
-
2.Elke lidstaat draagt voor elke vertegenwoordiger van elke in lid 1 genoemde categorie een
vertegenwoordiger en een plaatsvervanger voor. Bij afwezigheid van een lid neemt de
plaatsvervanger van rechtswege aan de beraadslagingen deel.
-
3.De leden en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de Commissie door de Raad
benoemd voor een periode van drie jaar. Zij zijn herbenoembaar. De Raad streeft bij de
samenstelling van het Comité naar een billijke vertegenwoordiging van alle betrokken
categorieën. De EIB en het EIF kunnen voor de agendapunten die hen aanbelangen, een
vertegenwoordiger aanwijzen, die niet aan de stemming deelneemt.
-
4.Het comité
-
a)brengt advies uit over de uitvoeringsbepalingen van deze verordening;
-
b)brengt advies uit over de ontwerp-beschikkingen van de Commissie betreffende de
programmering, voorzover daarvoor in een bijdrage van het ESF is voorzien;
-
c)wordt geraadpleegd bij de behandeling van de onder artikel 45 vallende soorten
maatregelen inzake technische bijstand, voorzover daarvoor een bijdrage uit het ESF
wordt verleend, en andere relevante aangelegenheden met gevolgen voor de uit-
voering van de strategieën inzake werkgelegenheid, opleiding en sociale integratie op
EU-niveau, met relevantie voor het ESF.
-
5.De Commissie kan het Comité raadplegen over andere dan de in lid 4 genoemde punten.
-
6.De adviezen van het comité worden aangenomen met absolute meerderheid van de geldig
uitgebrachte stemmen. De Commissie licht het comité in over de wijze waarop zij met zijn
adviezen rekening heeft gehouden.
TITEL IX
SLOTBEPALINGEN
Artikel 105
Overgangsbepalingen
-
1.Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting noch aan de wijziging, met
inbegrip van de gehele of gedeeltelijke intrekking, van bijstand met medefinanciering uit
de Structuurfondsen of van projecten met medefinanciering uit het Cohesiefonds die de
Commissie heeft goedgekeurd op grond van Verordening (EEG) nr. 2052/881, (EEG)
nr. 4253/882, (EG) nr. 1164/943 en (EG) nr. 1260/1999 of van enige andere regelgeving die
op 31 december 2006 op de betrokken bijstand van toepassing is; de betrokken regelgeving
blijft derhalve van toepassing op de bijstand of de projecten totdat deze worden afgesloten.
-
2.Bij de besluitvorming over operationele programma's houdt de Commissie rekening met
alle bijstand met medefinanciering uit de Structuurfondsen en alle projecten met mede-
financiering uit het Cohesiefonds die reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening
door de Raad of de Commissie goedgekeurd zijn en die in de loop van de door de
operationele programma's bestreken periode een financiële weerslag hebben.
-
3.In afwijking van artikel 32, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 worden de delen
van de bedragen die zijn vastgelegd voor bijstand met medefinanciering uit het EFRO of
het ESF welke door de Commissie tussen 1 januari 2000 en 31 december 2006 is goed-
gekeurd en waarvoor de gecertificeerde verklaring betreffende de daadwerkelijk verrichte
uitgaven, het eindverslag over de uitvoering en de verklaring als bedoeld in artikel 38,
lid 1, onder f), van de voornoemde verordening niet bij de Commissie zijn ingediend
uiterlijk 15 maanden na de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven als bepaald
in de beschikking waarbij de bijdrage van de Fondsen wordt vastgesteld, uiterlijk
6 maanden na deze termijn door de Commissie ambtshalve doorgehaald, hetgeen
aanleiding geeft tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen.
Bedragen die verband houden met concrete acties of programma's die zijn geschorst
wegens een gerechtelijke procedure of administratief beroep met opschortend effect,
worden niet meegerekend bij de berekening van de ambtshalve door te halen bedragen.
Artikel 107
Intrekking
Onverminderd het bepaalde in artikel 105, lid 1, wordt Verordening (EG) nr. 1260/1999 met ingang
van 1 januari 2007 ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden beschouwd als verwijzingen naar deze
verordening.
Artikel 108
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het
Publicatieblad van de Europese Unie.
De artikelen 1 tot en met 16, 25 tot en met 28, 32 tot en met 40, 47 tot en met 49, 52 tot en met 54,
56, 58 tot en met 62, 69 tot en met 74, 103 tot en met 105, en 108 zijn van toepassing vanaf de
datum van inwerkingtreding van deze verordening, alleen voor de programma's voor de periode
2007-2013. De overige artikelen zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
BIJLAGE I
Jaarlijkse verdeling van de vastleggingskredieten 2007-2013
(bedoeld in artikel 18)
(euro - prijzen van 2004)
2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013
42.863.000.000 43.318.000.000 43.862.000.000 43.860.000.000 44.073.000.000 44.723.000.000 45.342.000.000
BIJLAGE II
FINANCIEEL KADER
In artikel 18 bedoelde criteria en methoden
Toewijzingsmethode voor de regio's die in aanmerking komen voor de in artikel 5, lid 1, bedoelde
convergentiedoelstelling
-
1.De toewijzing voor elke lidstaat is de som van de toewijzingen voor zijn afzonderlijke in
aanmerking komende regio's, die op basis van de relatieve regionale en nationale welvaart
en het werkloosheidspercentage stapsgewijs als volgt worden berekend:
-
a)er wordt een absoluut bedrag (in euro) bepaald door vermenigvuldiging van de
bevolking van de betrokken regio met het verschil tussen het BBP per inwoner van
die regio, uitgedrukt in koopkrachtpariteit, en het gemiddelde BBP per inwoner van
de EU-25;
-
b)op het bovengenoemde absolute bedrag wordt een percentage toegepast om de
financiële toewijzing voor de betrokken regio te bepalen; dat percentage wordt naar
gelang van de relatieve welvaart, ten opzichte van het gemiddelde van de EU-25, van
de lidstaat waar de in aanmerking komende regio ligt, als volgt gedifferentieerd:
-
-4,25% voor regio's in lidstaten waarvan het niveau van het BNI per inwoner
minder dan 82% van het communautaire gemiddelde bedraagt;
-
c)aan het met stap ii) verkregen bedrag wordt, in voorkomend geval, een bedrag toe-
gevoegd in verband met de toewijzing van een premie van EUR 700 per werkloze,
toegepast op het aantal werklozen in die regio boven het aantal werklozen dat de
regio zou tellen indien zij het gemiddelde werkloosheidspercentage van alle
convergentieregio's van de EU zou hebben.
Toewijzingsmethode voor de lidstaten die in aanmerking komen voor de in artikel 5, lid 2, bedoelde
steun uit het Cohesiefonds
-
2.De theoretische totale toewijzing voor het Cohesiefonds wordt verkregen door de
gemiddelde steunintensiteit per inwoner van EUR 44,7 te vermenigvuldigen met de voor
financiering in aanmerking komende bevolking. De toewijzing uit deze theoretische totale
toewijzing waarop iedere in aanmerking komende lidstaat a priori recht heeft, komt
overeen met een percentage dat is gebaseerd op zijn bevolking, oppervlakte en nationale
welvaart, en dat is verkregen door toepassing van de volgende stappen:
-
a)er wordt een rekenkundig gemiddelde berekend van het aandeel van de bevolking en
de oppervlakte van de betrokken lidstaat in de totale bevolking en oppervlakte van
alle in aanmerking komende lidstaten; indien evenwel het aandeel van een lidstaat in
de totale bevolking zijn aandeel in de totale oppervlakte met een factor 5 of meer
overschrijdt, dat wil zeggen indien die lidstaat een uiterst hoge bevolkingsdichtheid
heeft, wordt voor deze stap alleen het aandeel in de totale bevolking gebruikt;
-
3.Gezien de aanzienlijke behoeften op het gebied van vervoers- en milieu-infrastructuur van
de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Unie zijn toegetreden, wordt het aandeel in het
Cohesiefonds gemiddeld gedurende de periode bepaald op een derde van de totale
financiële toewijzing (Structuurfondsen en Cohesiefonds tezamen). Voor de overige
lidstaten is de financiële toewijzing het rechtstreekse resultaat van de in punt 2 beschreven
toewijzingsmethode.
Toewijzingsmethode voor de lidstaten en regio's die in aanmerking komen voor de in artikel 6
bedoelde doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid"
-
4.Het aandeel van elke betrokken lidstaat is de som van de aandelen van zijn in aanmerking
komende regio's, die worden bepaald volgens de onderstaande criteria, gewogen zoals
vermeld: totale bevolking (weging 0,5), aantal werklozen in regio's van NUTS-niveau III
met een werkloosheidspercentage dat boven het groepsgemiddelde ligt (weging 0,2), aantal
banen dat nodig is om een arbeidsparticipatie van 70% te bereiken (weging 0,15), aantal
werkenden met een laag opleidingsniveau (weging 0,10), geringe bevolkingsdichtheid
(weging 0,05). Vervolgens worden de aandelen bijgesteld overeenkomstig de relatieve
regionale welvaart (voor elke regio, verhoging of verlaging van zijn totale aandeel met
+5%/-5% naar gelang zijn BBP per inwoner onder of boven het gemiddelde BBP per
inwoner van de groep ligt). Het aandeel van elke lidstaat mag evenwel niet minder zijn dan
drievierde van zijn aandeel in 2006 in de gezamenlijke financiering uit hoofde van de
Toewijzingsmethode voor de in artikel 7 bedoelde doelstelling "Europese territoriale samen-
werking"
-
5.De verdeling van de middelen over de ontvangende lidstaten (met inbegrip van de bijdrage
van het EFRO aan de financiering van het Europees nabuurschaps- en partnerschaps-
instrument en van het in artikel 21, lid 2, bedoelde pretoetredingsinstrument) wordt als
volgt vastgesteld:
-
a)voor de in artikel 7, lid 1, bedoelde grensoverschrijdende component, op basis van de
bevolking van de regio's van NUTS-niveau III in land- en zeegrensgebieden, als
aandeel van de totale bevolking van alle in aanmerking komende regio's;
-
b)voor de in artikel 7, lid 2, bedoelde transnationale component, op basis van de totale
bevolking van de lidstaat, als aandeel van de totale bevolking van alle betrokken
lidstaten.
Toewijzingsmethode voor de lidstaten en regio's die in aanmerking komen voor de in artikel 8
bedoelde overgangssteun
-
6.Toewijzingen in het kader van de in artikel 8 bedoelde overgangssteun worden berekend
aan de hand van de volgende parameters:
-
a)voor de regio's als omschreven in artikel 8, lid 1, 80% van de in 2006 per regio vast-
gestelde steunintensiteit per inwoner in 2007, gevolgd door een lineaire vermindering
-
b)voor de regio's als omschreven in artikel 8, lid 2, 75% van hun in 2006 per regio
vastgestelde steunintensiteit per inwoner in 2007, gevolgd door een lineaire ver-
mindering om in 2011 te komen tot de nationale gemiddelde steunintensiteit per
inwoner voor de doelstelling regionaal concurrentievermogen en regionale werk-
gelegenheid. Aan de aldus verkregen toewijzing wordt, in voorkomend geval, een
bedrag toegevoegd in verband met de toewijzing van een premie van EUR 600 per
werkloze, toegepast op het aantal werklozen in die regio boven het aantal werklozen
dat de regio zou tellen indien zij het gemiddelde werkloosheidspercentage van alle
convergentieregio's van de EU zou hebben;
-
c)voor de lidstaten als omschreven in artikel 8, lid 3, is de toewijzing degressief over
een periode van zeven jaar, waarbij het bedrag in 2007 EUR 1,2 miljard beloopt, in
2008 EUR 850 miljoen, in 2009 EUR 500 miljoen, in 2010 EUR 250 miljoen, in
2011 EUR 200 miljoen, in 2012 EUR 150 miljoen en in 2013 EUR 100 miljoen.
Plafond voor overdrachten van middelen ter ondersteuning van de cohesie
-
7.Ter bevordering van de doelstellingen, namelijk het op passende wijze concentreren van
middelen uit het cohesiefonds op de minst ontwikkelde regio's en lidstaten, en het
verminderen van de verschillen in de gemiddelde steunintensiteit per inwoner ten gevolge
van de vaststelling van een bovengrens, bedraagt het plafond voor overdrachten krachtens
deze verordening uit de Fondsen aan elke afzonderlijke lidstaat:
-
-voor lidstaten met een gemiddeld BNI (KKS) per inwoner voor 2001-2003 gelijk aan
of hoger dan 50% en minder dan 55% van het gemiddelde van de EU-25: 3,6188%
van hun BBP
-
-voor lidstaten met een gemiddeld BNI (KKS) per inwoner voor 2001-2003 gelijk aan
of hoger dan 55% en minder dan 60% van het gemiddelde van de EU-25: 3,5240%
van hun BBP
-
-voor lidstaten met een gemiddeld BNI (KKS) per inwoner voor 2001-2003 gelijk aan
of hoger dan 60% en minder dan 65% van het gemiddelde van de EU-25: 3,4293%
van hun BBP
-
-voor lidstaten met een gemiddeld BNI (KKS) per inwoner voor 2001-2003 gelijk aan
of hoger dan 65% en minder dan 70% van het gemiddelde van de EU-25: 3,3346%
van hun BBP
-
-voor lidstaten met een gemiddeld BNI (KKS) per inwoner voor 2001-2003 gelijk aan
of hoger dan 70% en minder dan 75% van het gemiddelde van de EU-25: 3,2398%
van hun BBP
-
-vervolgens wordt per verhoging van 5% van het gemiddelde BNI (KKS) per inwoner
voor 2001-2003 ten opzichte van het gemiddelde van de EU-25, het plafond voor
overdrachten verminderd met 0,09% van het BBP.
-
9.De berekeningen van het BBP door de Commissie zullen worden gebaseerd op de
statistieken die in april 2005 zijn gepubliceerd. Voor elke lidstaat wordt, uitgaande van de
ramingen van de Commissie van april 2005, een individueel nationaal groeipercentage van
het BBP voor 2007-2013 toegepast.
-
10.Indien in 2010 blijkt dat het gecumuleerde BBP van een lidstaat voor de jaren 2007-2009
met meer dan 5% afwijkt van het overeenkomstig lid 9 geraamde gecumuleerde BBP, ook
als gevolg van wijzigingen van de wisselkoersen, worden de overeenkomstig lid 7 voor die
periode aan die lidstaat toegewezen bedragen dienovereenkomstig bijgesteld. Het totale
netto-effect van deze bijstellingen mag niet meer dan EUR 3 miljard in positieve of
negatieve zin bedragen. In ieder geval wordt, indien het netto-effect positief is, het totaal
aan bijkomende middelen beperkt tot het niveau van onderbesteding ten opzichte van de
plafonds voor categorie 1B zoals die voor de jaren 2007-2010 zijn vermeld in de
Interinstitutionele Overeenkomst van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en
een gezond financieel beheer. De laatste bijstellingen zullen in gelijke delen over de jaren
2011-2013 worden gespreid.
-
11.Teneinde de waarde van de Poolse zloty tijdens de referentieperiode weer te geven, zal het
resultaat van de toepassing van het plafond voor overdrachten, zoals vastgelegd in punt 7
van deze bijlage, met betrekking tot Polen voor de periode voorafgaand aan de in punt 10
bedoelde herziening (2007-2009) vermenigvuldigd worden met een coëfficiënt van 1,04.
-
13.Bij de toepassing van de in de punten 6 a) en 6 b) beschreven overgangsregeling geldt voor
de regio's die in de periode 2000-2006 niet in aanmerking kwamen voor de status van
doelstelling 1 of die daarvoor pas in aanmerking zijn gekomen in 2004, als uitgangspunt
90% van hun theoretische steunintensiteit per inwoner voor 2006, berekend op basis van de
toewijzingsmethode van Berlijn van 1999, waarbij hun regionaal BBP-niveau per inwoner
wordt gelijkgesteld met 75% van het gemiddelde van de EU-15.
-
14.Onverminderd punt 7 zullen de Poolse NUTS-niveau II-regio's Lubelskie, Podkarpackie,
Warmínsko-Mazurskie, Podlaskie en wietokrzyskie, met de laagste vijf BBP's per
inwoner (KKS) in de EU-25, steun uit het EFRO genieten bovenop de steun waarvoor zij
anderszins in aanmerking komen. Deze aanvullende financiering bedraagt EUR 107 per
inwoner in de periode 2007-2013 in het kader van de convergentiedoelstelling. Eventuele
verhoging ex punt 10 van de aan Polen toegewezen steunbedragen geschiedt onverminderd
de hierboven beschreven aanvullende financiering.
-
15.Onverminderd punt 7 wordt aan de NUTS-niveau II-regio Közép-Magyarország een
aanvullend bedrag van EUR 140 miljoen toegewezen voor de periode 2007-2013. Voor
deze regio gelden dezelfde regelgevende bepalingen als voor de in artikel 8, lid 1, bedoelde
regio's.
-
16.Onverminderd punt 7 wordt aan de NUTS-niveau II-regio Praag voor de periode
2007-2013 een aanvullend bedrag van EUR 200 miljoen toegewezen uit hoofde van de
doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid".
-
18.Hoewel de NUTS-niveau II-regio's Itä-Suomi en Madeira de status van infaseringsregio
behouden, zullen zij de financiële overgangsregelingen van punt 6 a) genieten.
-
19.De NUTS-niveau II-regio "Canarische Eilanden" krijgt voor de periode 2007-2013 een
aanvullend bedrag van EUR 100 miljoen uit hoofde van de in artikel 8, lid 2, bedoelde
overgangssteun.
-
20.De in artikel 299 van het Verdrag bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van
NUTS-niveau II die voldoen aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij het Verdrag
betreffende de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, komen gezien hun specifieke
omstandigheden in aanmerking voor extra financiering uit het EFRO. Deze financiering
bedraagt EUR 35 per inwoner per jaar en komt bovenop de andere middelen waarvoor
deze regio's anderszins in aanmerking komen.
-
21.Met betrekking tot de toewijzingen op grond van de grensoverschrijdende tak van de in
artikel 7, lid 1, bedoelde doelstelling "Europese territoriale samenwerking" zal de steun-
intensiteit voor regio's langs de voormalige landbuitengrenzen tussen de EU-15 en de
EU-12 en tussen de EU-25 en de EU-2 50% hoger zijn dan die voor de overige betrokken
regio's.
-
22.Uit erkentelijkheid voor de speciale inspanningen voor het vredesproces in Noord-Ierland
zal een totaal bedrag van EUR 200 miljoen worden toegewezen voor het programma
PEACE over de periode 2007-2013. Het programma PEACE zal worden uitgevoerd als
-
23.De Zweedse regio's die vallen onder de doelstelling "regionaal concurrentievermogen
en regionale werkgelegenheid" krijgen een bijkomend bedrag uit het EFRO van
EUR 150 miljoen.
-
24.Onverminderd punt 7 wordt zowel aan Estland als aan Letland en aan Litouwen, die samen
één enkele NUTS II-regio vertegenwoordigen, voor de periode 2007-2013 een aanvullend
bedrag van EUR 35 per inwoner toegewezen.
-
25.De Oostenrijkse regio's die vallen onder de doelstelling "regionaal concurrentievermogen
en regionale werkgelegenheid" en die liggen aan de voormalige buitengrenzen van de EU,
krijgen een bijkomend bedrag uit het EFRO van EUR 150 miljoen. Aan Beieren wordt een
soortgelijk aanvullend bedrag van EUR 75 miljoen toegewezen uit hoofde van de doel-
stelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid".
-
26.Aan Spanje komt een aanvullende toewijzing van EUR 2 miljard uit het EFRO ten goede
ter versterking van onderzoek, ontwikkeling en innovatie door en voor ondernemingen
overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. .../...*. De
indicatieve onderverdeling is 70% voor de in artikel 5 bedoelde convergentieregio's,
5% voor de regio's die in aanmerking komen voor de in artikel 8, lid 1, bedoelde over-
gangssteun, 10% voor de in artikel 6 bedoelde regio's van het concurrentievermogen en de
werkgelegenheidsdoelstelling en 15% voor de regio's die in aanmerking komen voor de in
artikel 8, lid 2, bedoelde overgangssteun.
-
28.Aan Italië wordt uit de Structuurfondsen een aanvullend bedrag toegewezen van
EUR 1,4 miljard volgens de volgende verdeling: EUR 828 miljoen voor de regio's die in
aanmerking komen voor de convergentiedoelstelling van artikel 5, lid 1, EUR 111 miljoen
voor de regio die in aanmerking komt voor de overgangssteun van artikel 8, lid 1,
EUR 251 miljoen voor de regio die in aanmerking komt voor de overgangssteun van
artikel 8, lid 2, en EUR 210 miljoen voor de regio's die in aanmerking komen voor de
doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" van artikel 6.
-
29.Onder erkenning van de bijzondere omstandigheden van Corsica (EUR 30 miljoen) en
Frans Henegouwen (EUR 70 miljoen) ontvangt Frankrijk voor de periode 2007-2013 een
aanvullende toewijzing van EUR 100 miljoen in het kader van de doelstelling "regionaal
concurrentievermogen en regionale werkgelegenheid".
-
30.Een aanvullend bedrag van EUR 167 miljoen wordt toegewezen aan de oostelijke deel-
staten van Duitsland die in aanmerking komen voor steun in het kader van de conver-
gentiedoelstelling van artikel 5, lid 1. Een aanvullend bedrag van EUR 58 miljoen wordt
toegewezen aan de oostelijke deelstaten van Duitsland die in aanmerking komen voor de
overgangssteun van artikel 8, lid 1.
-
31.Onverminderd punt 7 wordt aan de doelstelling van Europese territoriale samenwerking
een aanvullend bedrag van EUR 300 miljoen uit het EFRO toegewezen volgens de
volgende verdeling: EUR 200 miljoen voor transnationale samenwerking in de zin van
artikel 7, lid 2, en EUR 100 miljoen voor interregionale samenwerking in de zin van
BIJLAGE III
Voor de medefinancieringspercentages geldende maxima
(bedoeld in artikel 53)
Criteria Lidstaten EFRO en ESF Cohesiefonds
Percentage van subsidiabele uitgaven Percentage van subsidiabele uitgaven
(1) Lidstaten waarvan het BBP over de periode 2001-2003 lager was dan 85% van het gemiddelde van de EU-25 over dezelfde periode Tsjechië, Estland, Griekenland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije 85% voor de convergentiedoelstelling
en voor de doelstelling "regionaal concurrentie- vermogen en werk- gelegenheid" 85%
(2) Andere dan de onder punt (1) genoemde lidstaten die op 1 januari 2007 in aanmerking komen voor de overgangs- regeling van het Cohesiefonds Spanje 80% voor regio's die onder de convergentie- doelstelling vallen alsmede voor infaserings- regio's in het kader van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" 85%
Criteria Lidstaten EFRO en ESF Cohesiefonds
Percentage van subsidiabele uitgaven Percentage van subsidiabele uitgaven
(3) Andere dan de onder de punten (1) en (2) genoemde lidstaten België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk 75% voor de convergentiedoelstelling -
(4) Andere dan de onder de punten (1) en (2) genoemde lidstaten België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk 50% voor de doelstelling "regionaal concurrentie- vermogen en werk- gelegenheid" -
(5) Ultraperifere regio's als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag uit de aanvullende toewijzing voor de ultraperifere regio's als bedoeld in punt 20 van bijlage II Spanje, Frankrijk en Portugal 50% -
(6) Ultraperifere regio's als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag Spanje, Frankrijk en Portugal 85 % in het kader van de convergentiedoelstelling
en de doelstelling "regionaal concurrentie- vermogen en werk- gelegenheid" -
BIJLAGE IV
Uitgavencategorieën
(als bedoeld in artikel 9, lid 3)
Doelstellingen: "Convergentie" en "Regionale samenwerking en werkgelegenheid"
Doelstelling: "Convergentie" en de in artikel 7bis, lid 2, bedoelde regio's, onverminderd het
overeenkomstig artikel 5, lid 3, laatste alinea, van Verordening nr. ...* (EFRO) genomen besluit
Code Prioritaire onderwerpen
Onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO), innovatie en ondernemerschap
01 OTO-activiteiten in onderzoekcentra
02 OTO-infrastructuur (onder meer installatie, instrumentarium en snelle computernetwerken tussen
onderzoekcentra) en expertisecentra voor een bepaalde technologie
Technologieoverdracht en verbetering van samenwerkingsnetwerken tussen kleine en middel-
grote ondernemingen (KMO's), tussen deze ondernemingen en andere ondernemingen en universiteiten, alle soorten post-secundaire onderwijsinstellingen, regionale overheden, onder- zoekcentra en wetenschappelijke en technologische centra (wetenschaps- en technologieparken, technopoles, enz.)
03
04 Steun voor OTO, met name in het MKB (onder meer door toegang tot OTO-diensten in onderzoekcentra)
05 Geavanceerde ondersteunende diensten voor bedrijven en bedrijfsgroepen
Steun voor MKB ter bevordering van milieuvriendelijke producten en productieprocessen
06 (invoering van een doeltreffend milieubeheerssysteem, vaststelling en toepassing van technologieën ter voorkoming van milieuverontreiniging, integratie van schone technologieën in bedrijfsproductie)
Informatiemaatschappij
10 Telefonie-infrastructuur (inclusief breedbandnetwerken)
11 Informatie- en communicatietechnologie (toegang, veiligheid, interoperabiliteit, risicopreventie,
onderzoek, innovatie, e-inhoud, enz.)
12 Informatie- en communicatietechnologie (TEN-ICT)
13 Diensten en toepassingen voor de burger (e-gezondheid, e-overheid, e-leren, e-insluiting, enz.)
14 Diensten en toepassingen voor het MKB (e-commerce, onderwijs en opleiding, netwerken, enz.)
15 Andere maatregelen voor betere toegang tot en efficiënt gebruik van ICT door het MKB
Vervoer
16 Spoorwegen
17 Spoorwegen (TEN-T)
20 Autosnelwegen
21 Autosnelwegen (TEN-T)
26 Multimodaal vervoer
27 Multimodaal vervoer (TEN-T)
28 Intelligente vervoersystemen
29 Luchthavens
Energie
34 Elektriciteit (TEN-E)
36 Aardgas (TEN-E)
38 Aardolieproducten (TEN-E)
39 Duurzame energie: wind
40 Duurzame energie: zon
41 Duurzame energie: biomassa
42 Duurzame energie: waterkracht, geothermisch en andere
43 Energie-efficiëntie, warmtekrachtkoppeling, energiebeheer
Milieubescherming en risicopreventie
52 Bevordering van schoon stadsvervoer
Verbetering van het aanpassingsvermogen van werknemers, bedrijven, ondernemingen en
ondernemers
Ontwikkeling van systemen en strategieën voor levenslang leren bij bedrijven; opleiding en
62 diensten voor werknemers om hun aanpassingsvermogen te vergroten; bevordering van ondernemerschap en innovatie
63 Ontwerp en verspreiding van innoverende en productievere werkorganisatiemethoden
Ontwikkeling van specifieke diensten voor werkgelegenheid, opleiding en ondersteuning in
64 verband met de herstructurering van sectoren en bedrijven, en ontwikkeling van systemen om in te spelen op economische veranderingen en toekomstige eisen qua banen en vaardigheden
Betere toegang tot werkgelegenheid en duurzaamheid
65 Modernisering en versterking van arbeidsmarktinstanties
66 Toepassing van actieve en preventieve maatregelen op de arbeidsmarkt
67 Maatregelen ter stimulering van actief ouder worden en langer doorwerken
68 Steun voor zelfstandigen en het starten van ondernemingen
Maatregelen voor meer toegang tot de werkgelegenheid en meer duurzame arbeidsparticipatie en
69 meer vrouwen op de arbeidsmarkt om de genderkloof op de arbeidsmarkt te verkleinen, en om werk en privéleven te combineren, zoals het toegankelijker maken van kinderopvang en van zorg voor afhankelijke personen
70 Specifieke maatregelen om de participatie van migranten op de arbeidsmarkt en daardoor hun
sociale integratie te bevorderen
Verbetering van de sociale insluiting van kansarmen
Trajecten voor integratie en herintreding in het arbeidsproces van kansarmen; bestrijding van
71 discriminatie bij het betreden van de arbeidsmarkt en het vooruitkomen en bevordering van de aanvaarding van diversiteit op de werkplek
Verbetering van het menselijk kapitaal
Ontwerp, invoering en toepassing van hervormingen in onderwijs- en opleidingssystemen
72 teneinde de inzetbaarheid te ontwikkelen, de arbeidsmarktrelevantie van initieel onderwijs en beroepsonderwijs alsook initiële opleiding en beroepsopleiding te verbeteren, en de vaardigheden van opleiders bij te scholen met het oog op innovatie en een kenniseconomie
Maatregelen voor een grotere deelname aan onderwijs en opleiding in elke levensfase, o.a. via
73 maatregelen om vroegtijdig schoolverlaten en de seksesegregatie van vakgebieden terug te dringen, en de toegang tot en de kwaliteit van initieel onderwijs, beroepsonderwijs en tertiair onderwijs en initiële opleiding, beroepsopleiding en tertiaire opleiding te vergemakkelijken
| publicatiedatum | 06-06-2006 |
|---|---|
| kenmerk | 9077/06 |
