VERORDENING VAN DE RAAD houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VAN Brussel, 6 juni 2006

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

9077/06

Interinstitutioneel dossier:

2004/0163 (AVC)

FSTR 32 FC 18 REGIO 25 SOC 216 CADREFIN 138 OC 347

WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN

Betreft:

VERORDENING VAN DE RAAD houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999

GEMEENSCHAPPELIJKE BELEIDSLIJNEN Aanvraagtermijn overleg Bulgarije en Roemenië: 06.06.2006

VERORDENING (EG) Nr. .../2006 VAN DE RAAD

van

houdende algemene bepalingen inzake

het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling,

het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds

en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 161,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement1,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité2,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's3,

Gezien het advies van de Rekenkamer4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In artikel 158 van het Verdrag is bepaald dat de Gemeenschap zich met het oog op de

versterking van de economische en sociale samenhang tot doel stelt de verschillen tussen

de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst

begunstigde regio's of eilanden, met inbegrip van de plattelandsgebieden, te verkleinen. In

artikel 159 is bepaald dat de verwezenlijking van dat doel moet worden ondersteund door

het optreden van de Gemeenschap via de Structuurfondsen, de Europese Investeringsbank

(EIB) en de andere bestaande financieringsinstrumenten.

(2) Het cohesiebeleid moet bijdragen tot een toename van de groei, het concurrentievermogen

en de werkgelegenheid door de integratie van de prioriteiten van de Gemeenschap voor

duurzame ontwikkeling die zijn omschreven tijdens de Europese Raad van Lissabon van

23 en 24 maart 2000 en die van Göteborg van 15 en 16 juni 2001.

(3) In de uitgebreide Unie zijn de economische, sociale en territoriale ongelijkheden op

regionaal en nationaal niveau groter geworden. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat

de acties ter verbetering van de convergentie, het concurrentievermogen en de werk-

gelegenheid in de hele Gemeenschap toenemen.

(4) De stijging van het aantal land- en zeegrenzen van de Gemeenschap en de uitbreiding van

haar grondgebied impliceren dat de toegevoegde waarde van grensoverschrijdende, trans-

nationale en interregionale samenwerking in de Gemeenschap moet worden verhoogd.

(6) De rol van de instrumenten in het kader waarvan steun wordt verleend voor plattelands-

ontwikkeling, namelijk het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling,

opgericht bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 van 20 september 2005 inzake steun voor

plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling

(ELFPO)1 en voor de visserijsector, namelijk een Europees Visserijfonds (EVF), moet

worden gespecificeerd en deze instrumenten moeten worden geïntegreerd in die van het

gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid; deze

instrumenten moeten worden gecoördineerd met die van het cohesiebeleid.

(7) Bijgevolg wordt het aantal Fondsen waaruit bijstand wordt verleend in het kader van het

cohesiebeleid, beperkt tot drie, namelijk het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

(EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds. De voorschriften voor elk

Fonds moeten worden gespecificeerd in uitvoeringsverordeningen die overeenkomstig de

artikelen 148, 161 en 162 van het Verdrag worden vastgesteld.

(8) Op grond van artikel 55 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van

21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen2 moet de Raad

die verordening uiterlijk op 31 december 2006 op voorstel van de Commissie opnieuw

bezien. Met het oog op de uitvoering van de hervorming van de Fondsen die in onder-

havige verordening wordt voorgesteld, moet Verordening (EG) nr. 1260/99 worden

ingetrokken.

(9) Om de toegevoegde waarde van het communautaire cohesiebeleid te verhogen moeten de

werkzaamheden van de Structuurfondsen en van het Cohesiefonds worden geconcentreerd

en vereenvoudigd, en bijgevolg moeten de doelstellingen die in Verordening (EG)

nr. 1260/1999 zijn omschreven, worden geherdefinieerd. Zij moeten dan ook als volgt

worden omschreven: streven naar convergentie tussen de lidstaten en de regio's, regionaal

concurrentievermogen en werkgelegenheid, en Europese territoriale samenwerking.

(10) Binnen deze drie doelstellingen moet op passende wijze rekening worden gehouden met de

economische en sociale kenmerken en met de territoriale bijzonderheden.

(11) De ultraperifere regio's moeten in aanmerking komen voor specifieke maatregelen en extra

financiering om de handicaps te compenseren die voortvloeien uit de factoren die zijn

vermeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag.

(12) De problemen van toegankelijkheid en de problemen wegens de afstand tot de grote

markten, van gebieden met een extreem lage bevolkingsdichtheid als bedoeld in Protocol

nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994, vergen een passende financiële behandeling om

de gevolgen van die handicap te compenseren.

(13) Gelet op het belang van duurzame stadsontwikkeling en op de bijdrage van de steden en

gemeenten, vooral die van middelgrote omvang, tot de regionale ontwikkeling, moet met

de steden en gemeenten meer rekening worden gehouden door hun een grotere rol toe te

kennen bij de programmering van acties ter bevordering van het stadsherstel.

(14) Uit de Fondsen moeten, ter aanvulling van de acties van het ELFPO en het EVF,

bijzondere, aanvullende acties worden gefinancierd om de economische diversifiëring van

de plattelandsgebieden en van de zones die van de visserij afhankelijk zijn, te bevorderen.

(15) De acties voor gebieden met een natuurlijke handicap, d.w.z. sommige eilanden, berg-

gebieden en dunbevolkte gebieden, moeten worden versterkt om een oplossing te vinden

voor hun specifieke ontwikkelingsproblemen, en hetzelfde moet gebeuren voor sommige

gebieden die na de uitbreiding grensgebieden van de Gemeenschap zijn geworden.

(16) Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en zones

subsidiabel zijn. In dit verband moet voor de afbakening van de op communautair niveau

als prioritair aan te merken regio's en zones gebruik worden gemaakt van de gemeen-

schappelijke indeling van de regio's die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003

van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een

gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS)1.

(17) Er moet een doelstelling "convergentie" worden vastgesteld voor de lidstaten en regio's

met een ontwikkelingsachterstand; de regio's waarvoor deze convergentiedoelstelling

bedoeld is, zijn regio's waarvan het bruto binnenlands product (BBP) per inwoner, gemeten

in koopkrachtpariteiten, lager is dan 75% van het communautaire gemiddelde. De regio's

die worden getroffen door het statistische effect van de verlaging van het communautaire

gemiddelde als gevolg van de uitbreiding van de Unie, zullen om die reden aanzienlijke

overgangssteun krijgen om hun convergentieproces te voltooien. Aan deze steun komt een

einde in 2013 en er volgt geen nieuwe overgangsperiode. De lidstaten waarvoor de

convergentiedoelstelling bedoeld is, hebben een bruto nationaal inkomen (BNI) per

inwoner dat lager is dan 90% van het communautaire gemiddelde, en zij zullen bijstand

krijgen uit het Cohesiefonds.

(18) Er moet een doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" worden

vastgesteld voor het grondgebied van de Gemeenschap dat niet onder de convergentie-

doelstelling valt. Hiervoor komen de regio's in aanmerking die in de programmerings-

periode 2000-2006 onder doelstelling 1 vielen maar niet langer aan de regionale subsi-

diabiliteitscriteria van de convergentiedoelstelling voldoen en daarom overgangssteun

krijgen, alsmede alle andere regio's van de Gemeenschap.

(19) Er moet een doelstelling "Europese territoriale samenwerking" worden vastgesteld voor

regio's met land- of zeegrenzen, voor de zones voor transnationale samenwerking die

zullen worden afgebakend met het oog op acties ter bevordering van geïntegreerde

(20) Om de samenwerking langs de buitengrenzen van de Gemeenschap te verbeteren en te

vereenvoudigen zal een beroep moeten worden gedaan op de instrumenten voor externe

bijstand van de Gemeenschap, met name het bij Verordening (EG) nr. .../... van het

Europees Parlement en de Raad van ...

1 ingestelde Europees Nabuurschaps- en Partner-

schapsinstrument en het bij Verordening (EG) nr. .../... van de Raad van ...

2 ingestelde

pretoetredingsinstrument voor bijstand van de Gemeenschap aan kandidaat-lidstaten en

mogelijke kandidaat-lidstaten.

(21) De inbreng van het EFRO in een dergelijke samenwerking langs de buitengrenzen van de

Gemeenschap draagt bij aan het rechttrekken van de belangrijkste regionale ongelijkheden

in de Gemeenschap en aldus aan de versterking van haar economische en sociale

samenhang.

(22) Het optreden van de Fondsen en de concrete acties die zij helpen financieren, moeten

coherent zijn met het Gemeenschapsbeleid op andere gebieden en moeten in overeen-

stemming zijn met de communautaire wetgeving.

(23) Het optreden van de Gemeenschap moet complementair zijn aan dat van de lidstaten, of de

bedoeling hebben daartoe bij te dragen. Het partnerschap moet worden versterkt door

bepalingen inzake de deelname van de verschillende soorten partners, met name van de

regionale en plaatselijke autoriteiten, en die bepalingen moeten volledig stroken met de

institutionele regelingen van de lidstaten.

(25) Aangezien de doelstellingen "convergentie", "regionaal concurrentievermogen en werk-

gelegenheid" en "Europese territoriale samenwerking" niet voldoende door de lidstaten

kunnen worden gerealiseerd wegens de grootte van de ongelijkheden en de beperktheid

van de financiële middelen van de lidstaten en de regio's die onder de convergentie-

doelstelling vallen, en daarom beter op communautair niveau kunnen worden verwezen-

lijkt via de meerjarengarantie van de communautaire financiering, die het mogelijk maakt

het cohesiebeleid te concentreren op de prioriteiten van de Gemeenschap, kan de

Gemeenschap maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neer-

gelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in het bovengenoemde artikel vast-

gestelde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze

doelstellingen te verwezenlijken.

(26) Het is passend meetbare doelstellingen vast te stellen waarnaar de lidstaten van de

Europese Unie vóór 1 mei 2004 via uitgaven uit hoofde van de doelstellingen

"convergentie" en "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" zullen streven

met het oog op het bevorderen van het concurrentievermogen en het scheppen van banen.

Er moet een oplossing worden gevonden om te bepalen in hoeverre deze doelstellingen

zijn bereikt en hoe daarover verslag moet worden uitgebracht.

(27) Het is dienstig de subsidiariteit en de evenredigheid van de bijstandsverlening uit de

Structuurfondsen en uit het Cohesiefonds te versterken.

(28) Overeenkomstig artikel 274 van het Verdrag moeten, in de context van gedeeld beheer, de

voorwaarden worden vastgesteld die de Commissie in staat stellen haar verantwoorde-

lijkheid voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie op te nemen,

en moet de verantwoordelijkheid voor de samenwerking met de lidstaten worden ver-

duidelijkt. Als deze voorwaarden worden toegepast, zal de Commissie zich ervan kunnen

vergewissen dat de lidstaten de middelen van de Fondsen aanwenden op een legale en

regelmatige wijze en in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer als

omschreven in het financieel reglement.

(29) Om een reëel economisch effect te sorteren mogen de bijdragen uit de Structuurfondsen

niet in de plaats komen van de overheidsuitgaven die de lidstaten in het kader van deze

verordening moeten doen. De verifiëring, in het kader van het partnerschap, van het

additionaliteitsbeginsel moet vooral gericht zijn op de regio's die onder de convergentie-

doelstelling vallen, aangezien die regio's zeer omvangrijke middelen krijgen, en kan

resulteren in een financiële correctie als de additionaliteit niet in acht wordt genomen.

(30) In de context van haar inspanningen ten behoeve van de economische en sociale samen-

hang steunt de Gemeenschap in alle fasen van de uitvoering van het Fonds de in de

artikelen 2 en 3 van het Verdrag omschreven doelstelling de ongelijkheden tussen mannen

en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, alsmede

discriminatie op basis van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging,

handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, te voorkomen.

(31) De Commissie moet via een objectieve en transparante methode de beschikbare vast-

leggingskredieten op indicatieve wijze verdelen, rekening houdend met het voorstel van de

Commissie, de conclusies van de Europese Raad van 15-16 december 2005 en het

Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de

Commissie, betreffende de begrotingsdiscipline en gezond financieel beheer1, om ervoor te

zorgen dat deze kredieten grotendeels terechtkomen in de regio's met een ontwikkelings-

achterstand, inclusief de regio's die overgangssteun krijgen wegens het statistische effect.

(32) De financiële middelen moeten in grotere mate worden geconcentreerd op de conver-

gentiedoelstelling aangezien de ongelijkheden in de uitgebreide Unie zijn toegenomen. De

inspanningen ten behoeve van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werk-

gelegenheid" om het concurrentievermogen en de werkgelegenheid in de rest van de

Gemeenschap te verbeteren, moeten worden gehandhaafd en de middelen voor de doel-

stelling "Europese territoriale samenwerking" moeten worden verhoogd gelet op de

specifieke toegevoegde waarde ervan.

(33) De jaarlijkse kredieten die uit de Fondsen aan een lidstaat worden toegewezen, moeten

worden beperkt tot een plafond dat wordt vastgesteld op basis van de absorptiecapaciteit

van die lidstaat.

(34) 3% van de kredieten van de Structuurfondsen die aan de lidstaten worden toegewezen voor

de doelstellingen "convergentie" en "regionaal concurrentievermogen en werkgelegen-

heid", kan worden opgenomen in een nationale reserve die dient om prestaties te belonen.

(35) Met het oog op de programmering moeten de beschikbare kredieten van de Fondsen

forfaitair worden geïndexeerd.

(36) Om het strategische gehalte van het cohesiebeleid te verhogen door er de prioriteiten van

de Gemeenschap in te integreren en zo de transparantie van dat beleid te bevorderen, dient

de Raad op voorstel van de Commissie strategische richtsnoeren vast te stellen; de Raad

dient op basis van een strategisch verslag van de Commissie na te gaan of de lidstaten deze

richtsnoeren uitvoeren.

(37) Het is passend dat elke lidstaat op basis van de door de Raad vastgestelde strategische

richtsnoeren in dialoog met de Commissie een nationaal referentiedocument over zijn

ontwikkelingsstrategie opstelt, dat het kader voor de opstelling van de operationele

programma's moet vormen. Op basis van de nationale strategie neemt de Commissie nota

van het nationaal strategisch referentiekader en neemt hij een besluit betreffende bepaalde

elementen van dit document.

(38) De programmering en het beheer van de Structuurfondsen moeten, gelet op de specifieke

kenmerken ervan, worden vereenvoudigd door te bepalen dat de operationele programma's

hetzij uit het EFRO, hetzij uit het ESF worden gefinancierd, waarbij elk Fonds op aan-

vullende en beperkte wijze acties kan financieren die onder de werkingssfeer van het

andere Fonds vallen.

(39) De bijstandsverlening uit het Cohesiefonds en uit het EFRO wordt, om de complementa-

(40) Bij de programmering moet worden gezorgd voor de coördinatie van de Fondsen onderling

en met de andere bestaande financieringsinstrumenten, de EIB en het Europees

Investeringsfonds. Die coördinatie heeft ook betrekking op de opstelling van complexe

financieringsschema's en het oprichten van publiek-private partnerschappen.

(41) Het is passend dat vooral voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en voor

investeringen in publiek-private partnerschappen en andere projecten die deel uitmaken

van een geïntegreerd plan voor duurzame stadsontwikkeling, wordt gezorgd voor een

betere toegang tot financiering en vernieuwende financiële instrumenten. De lidstaten

kunnen besluiten een holdingfonds te kiezen via de toekenning van overheidsopdrachten

krachtens het toepasselijke recht inzake overheidsopdrachten, daaronder begrepen met het

Gemeenschapsrecht verenigbare afwijkingen van het nationale recht. In andere gevallen,

wanneer de lidstaten ervan overtuigd zijn dat het recht inzake overheidsopdrachten niet van

toepassing is, rechtvaardigt de taakomschrijving van het EIF en de EIB dat de lidstaten

deze instanties een subsidie verlenen, d.w.z. een rechtstreekse financiële bijdrage bij wijze

van schenking; onder dezelfde voorwaarden kan het nationale recht voorzien in de

mogelijkheid andere financiële instellingen een subsidie te verlenen zonder een oproep tot

het indienen van voorstellen.

(42) Bij de beoordeling van belangrijke productieve investeringsprojecten moet de Commissie

over alle nodige informatie beschikken om na te gaan of de financiële bijdrage uit de

Fondsen niet leidt tot een aanzienlijk banenverlies op bestaande locaties in de Europese

(43) De programmeringsperiode moet één enkele periode van zeven jaar bestrijken opdat de bij

Verordening (EG) nr. 1260/1999 vastgestelde vereenvoudiging van het beheerssysteem

kan worden gehandhaafd.

(44) De lidstaten en de beheersautoriteiten kunnen in het kader van de uit het EFRO gecofinan-

cierde operationele programma's regelingen treffen voor interregionale samenwerking en

kunnen rekening houden met de specifieke kenmerken van de gebieden met natuurlijke

handicaps.

(45) Met het oog op de noodzakelijke vereenvoudiging en decentralisering moeten de

programmering en het financieel beheer uitsluitend op het niveau van de operationele

programma's en de prioritaire zwaartepunten plaatsvinden, en wordt niet langer gewerkt

met de communautaire bestekken en programmacomplementen waarin Verordening (EG)

nr. 1260/1999 voorziet.

(46) De lidstaten, de regio's en de beheersautoriteiten kunnen bepalen hoe in het kader van de

uit het EFRO gecofinancierde operationele programma's voor de doelstellingen

"convergentie" en "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" bevoegdheden

aan de stedelijke autoriteiten moeten worden gesubdelegeerd voor de prioriteiten op het

gebied van het herstel van steden en gemeenten.

(47) De aanvullende toewijzing om de extra kosten ten laste van de ultraperifere regio's te

compenseren, moet worden geïntegreerd in de uit het EFRO gecofinancierde operationele

(49) De Commissie moet, indien nodig in overleg met de EIB, grote projecten die een onderdeel

zijn van een operationeel programma, kunnen goedkeuren om de opzet en de impact ervan,

alsmede de voorschriften voor het geplande gebruik van de communautaire middelen, te

evalueren.

(50) Het is nuttig te preciseren voor welke soorten acties uit de Fondsen steun wordt verleend

als technische bijstand.

(51) Er moet worden gezorgd dat voldoende middelen worden uitgetrokken om de lidstaten bij

te staan bij de projectvoorbereiding en -beoordeling. De EIB speelt een rol bij het verlenen

van deze bijstand en kan daarvoor een subsidie krijgen van de Commissie.

(52) In het verlengde daarvan is het passend te bepalen dat door de Commissie aan het EIF een

subsidie kan worden verleend om de behoefte aan vernieuwende acties op het gebied van

financiële instrumenten voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen te beoordelen.

(53) Om dezelfde als de bovengenoemde redenen moet door de Commissie aan de EIB en het

EIF een subsidie worden verleend voor het ondernemen van acties op het gebied van

technische bijstand inzake duurzame stadsontwikkeling of voor de ondersteuning van

maatregelen ter bevordering van duurzame economische activiteit in zwaar door een

economische crisis getroffen regio's.

(54) Voor de doeltreffendheid van de bijstandsverlening uit de Fondsen is het ook van belang

dat bij de programmering en het toezicht met betrouwbare evaluaties wordt gewerkt; er

(55) De lidstaten kunnen met een deel van hun nationale middelen voor de doelstellingen

"convergentie" en "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" een kleine

reserve aanleggen om snel het hoofd te kunnen bieden aan onverwachte sectorale of lokale

crises die het gevolg zijn van sociaal-economische herstructureringen of van handels-

overeenkomsten.

(56) Het is passend te bepalen welke uitgaven in een lidstaat als overheidsuitgaven kunnen

worden beschouwd voor de berekening van de totale nationale overheidsbijdrage aan een

operationeel programma; te dien einde is het passend te verwijzen naar de bijdrage van de

"publiekrechtelijke instellingen" in de zin van de richtlijnen van de Gemeenschap inzake

overheidsopdrachten, omdat onder deze categorie instellingen diverse soorten openbare of

particuliere instanties vallen die zijn opgericht met het specifieke doel te voorzien in

behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn en

waarop toezicht wordt uitgeoefend door de staat of door regionale of lokale instanties.

(57) Er moet worden bepaald aan de hand van welke elementen de bijdrage van de Fondsen aan

de operationele programma's wordt gedifferentieerd, met name om het multiplicatoreffect

van de communautaire middelen te verhogen. Het is ook passend om op basis van het soort

Fonds en doelstelling de maxima te bepalen die de bijdrage uit de Fondsen niet mag

overstijgen.

(58) Het is tevens noodzakelijk het begrip "inkomstengenererend project" te definiëren te

bepalen op basis van welke beginselen en voorschriften de bijdrage van de Fondsen wordt

berekend; voor sommige investeringen is het feitelijk niet mogelijk de inkomsten van

tevoren te ramen en derhalve moet vooraf de methode worden vastgesteld om ervoor te

zorgen dat deze inkomsten niet met overheidsmiddelen gefinancierd worden.

(59) De begin- en einddata voor de subsidiabiliteit moeten worden bepaald, zodat de bijstands-

verlening uit de Fondsen in de gehele Gemeenschap op eenvormige en billijke wijze wordt

toegepast; ter vergemakkelijking van de uitvoering van de operationele programma's dient

te worden bepaald dat de begindatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven vóór

1 januari 2007 kan vallen indien de lidstaat vóór die datum een operationeel programma

indient.

(60) In overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel moeten, behoudens in de uitzonde-

ringen waarin is voorzien bij de Verordeningen (EG) nr. .../... van het Europees Parlement

en de Raad van ... betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling1,

(EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende het Europees

Sociaal Fonds2 en (EG) nr. .../... van ... tot oprichting van het Cohesiefonds3, nationale

regels over de subsidiabiliteit van de uitgaven worden toegepast.

(61) Om ervoor te kunnen zorgen dat het optreden van de Fondsen doeltreffend en billijk is en

een duurzaam effect sorteert, zijn bepalingen nodig die het duurzame karakter van

investeringen in ondernemingen garanderen en voorkomen dat middelen uit de Fondsen

worden gebruikt voor het creëren van een onrechtmatig voordeel. Er moet worden

gegarandeerd dat de investeringen waarvoor bijstand uit de Fondsen wordt verleend, over

een voldoende lange periode kunnen worden afgeschreven.

(62) De lidstaten moeten passende maatregelen vaststellen om te garanderen dat de beheers- en

controlesystemen goed functioneren. Daartoe moeten de algemene beginselen waaraan de

systemen van alle operationele programma's moeten voldoen en de noodzakelijke functies

die zij moeten vervullen, worden vastgesteld op basis van het communautaire recht dat van

kracht is voor de programmeringsperiode 2000-2006.

(63) In dit verband moet worden vastgehouden aan de aanwijzing van een enkele beheers-

autoriteit voor elk operationeel programma en moeten de verantwoordelijkheden van die

autoriteit en de functies van de auditautoriteit nader worden omschreven. Er moet ook

worden gegarandeerd dat de uitgaven en de betalingsaanvragen volgens eenvormige

kwaliteitsnormen worden gecertificeerd voordat ze aan de Commissie worden toegestuurd;

de aard en de kwaliteit van de gegevens waarop deze aanvragen worden gebaseerd, moeten

worden verduidelijkt en in dit verband moet worden bepaald wat de functies van de

certificeringsautoriteit zijn.

(64) Er moet toezicht worden gehouden op de operationele programma's om de kwaliteit van de

uitvoering ervan te garanderen. In dit verband moet de verantwoordelijkheid van de

toezichtcomités worden omschreven en moet worden bepaald welke gegevens aan de

Commissie moeten worden verstrekt en binnen welk kader deze gegevens moeten worden

onderzocht. Ter verbetering van de uitwisseling van gegevens over de operationele

programma's moet worden bepaald dat deze gegevens in beginsel in elektronische vorm

worden uitgewisseld.

(65) Overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel zijn in de eerste plaats

de lidstaten verantwoordelijk voor de uitvoering van en de controle op de bijstands-

verlening.

(66) Om de efficiënte en correcte uitvoering van de operationele programma's te garanderen

moet worden bepaald aan welke verplichtingen de lidstaten moeten voldoen wat betreft de

beheers- en controlesystemen, de certificering van de uitgaven en de preventie, opsporing

en correctie van onregelmatigheden of inbreuken op de communautaire wetgeving. Met

name moet voor het beheer en de controle worden bepaald op welke wijze de lidstaten

moeten garanderen dat de systemen aanwezig zijn en naar behoren functioneren.

(67) Zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de Commissie op het gebied van de

financiële controle, moeten de lidstaten en de Commissie op dit vlak meer samenwerken en

moeten criteria worden vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie, in de context van

haar strategie voor de controle van de nationale systemen, kan bepalen welke niveau van

(68) De omvang en de intensiteit van de communautaire controles moeten in verhouding staan

tot de omvang van de bijdrage van de Gemeenschap. Als een lidstaat het grootste deel van

de financiering van een programma voor zijn rekening neemt, dient hij de mogelijkheid te

hebben sommige elementen van de controle volgens de nationale regels te organiseren.

Voorts moet worden bepaald dat de Commissie in die omstandigheden de middelen die de

lidstaten moeten inzetten voor de certificering van de uitgaven en de verifiëring van de

beheers- en controlesystemen, differentieert, en moeten de voorwaarden worden vast-

gesteld waaronder de Commissie haar eigen audits kan beperken en mag vertrouwen op de

garanties van de nationale instanties.

(69) Als bij het begin van de operationele programma's een voorschot wordt betaald, wordt een

normale kasstroom gecreëerd die de betalingen aan de begunstigden tijdens de uitvoering

van het operationele programma vergemakkelijkt. Derhalve zullen voorschotten uit de

Structuurfondsen van 5% (voor de lidstaten van de Europese Unie vóór 1 mei 2004)

respectievelijk 7% (voor de lidstaten die in of na 2004 tot de Unie zijn toegetreden) en uit

het Cohesiefonds van 7,5%, respectievelijk 10,5%, de uitvoering van de operationele

programma's bespoedigen.

(70) Ter aanvulling van de mogelijkheid de betalingen te schorsen als in de beheers- en

controlesystemen een ernstige tekortkoming wordt geconstateerd, moet worden voorzien in

de mogelijkheid dat de gedelegeerd ordonnateur de betalingen uitstelt als er aanwijzingen

zijn dat deze systemen niet naar behoren functioneren.

(71) De regel over het ambtshalve doorhalen draagt bij tot een snellere uitvoering van de

programma's. Het is dan ook dienstig de bepalingen voor de toepassing daarvan vast te

stellen en te bepalen welke delen van de vastleggingen van deze regel kunnen worden

uitgesloten, met name wanneer de vertraging bij de uitvoering het gevolg is van omstan-

digheden die onafhankelijk zijn van de persoon die zich daarop beroept, abnormaal of niet

te voorzien zijn en gevolgen hebben die ondanks de geleverde inspanningen niet kunnen

worden vermeden.

(72) De procedures voor de afsluiting moeten worden vereenvoudigd door de lidstaten die dit

wensen, de mogelijkheid te geven om volgens een door hen gekozen schema operationele

programma's gedeeltelijk af te sluiten ten aanzien van voltooide concrete acties; hiertoe

moet een passend kader worden geboden.

(73) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste bepalingen moeten worden vast-

gesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling

van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoerings-

bevoegdheden1. De Commissie moet de maatregelen tot uitvoering van deze verordening

vaststellen om de transparantie te waarborgen en de op het beheer van de operationele

programma's toepasselijke bepalingen te verduidelijken wat betreft de indeling van de

uitgaven, de financiële instrumenten, beheer en controle, elektronische uitwisseling van

gegevens en publiciteit na het advies van het Coördinatiecomité van de Fondsen, dat als

Comité van beheer optreedt; het is passend dat de Commissie de lijst van zones publiceert

die ingevolge de toepassing van de criteria van deze Verordening voor de doelstelling

inzake Europese territoriale samenwerking in aanmerking komen, alsmede de indicatieve

richtsnoeren inzake kosten-batenanalyse die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding en de

indiening van grote projecten en inkomstengenererende projecten, de indicatieve richt-

snoeren inzake evaluatie en de lijst van de projecten die op initiatief van de Commissie en

na overleg met het als comité van beheer optredend Coördinatiecomité van de Fondsen uit

hoofde van de technische bijstand in aanmerking komen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

INHOUDSOPGAVE

TITEL I Doelstellingen en algemene bepalingen inzake de bijstandsverlening................................ 32

HOOFDSTUK I TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES .......................................................... 32

Artikel 1 Toepassingsgebied.............................................................................................................. 32

Artikel 2 Definities............................................................................................................................. 33

HOOFDSTUK II DOELSTELLINGEN EN TAKEN....................................................................... 35

Artikel 3 Doelstellingen ..................................................................................................................... 35

Artikel 4 Instrumenten en taken......................................................................................................... 37

HOOFDSTUK III GEOGRAFISCHE SUBSIDIABILITEIT ........................................................... 38

Artikel 5 Convergentie....................................................................................................................... 38

Artikel 6 Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid ...................................................... 39

Artikel 7 Europese territoriale samenwerking ................................................................................... 40

Artikel 8 Overgangssteun................................................................................................................... 41

HOOFDSTUK IV BEGINSELEN VAN DE BIJSTANDSVERLENING ....................................... 42

Artikel 13 Evenredige bijstandsverlening.......................................................................................... 47

Artikel 14 Gedeeld beheer ................................................................................................................. 48

Artikel 15 Additionaliteit ................................................................................................................... 49

Artikel 16 Gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie ............................................... 51

Artikel 17 Duurzame ontwikkeling.................................................................................................... 52

HOOFDSTUK V FINANCIEEL KADER ........................................................................................ 52

Artikel 18 Totale middelen ................................................................................................................ 52

Artikel 19 Middelen voor de convergentiedoelstelling...................................................................... 53

Artikel 20 Middelen voor de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en

werkgelegenheid"............................................................................................................................... 54

Artikel 21 Middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"............................. 55

Artikel 22 Niet-overdraagbaarheid van de middelen......................................................................... 58

Artikel 23 Middelen voor de prestatiereserve.................................................................................... 58

Artikel 24 Middelen voor technische bijstand ................................................................................... 59

HOOFDSTUK II NATIONAAL STRATEGISCH REFERENTIEKADER .................................... 61

Artikel 27 Inhoud ............................................................................................................................... 61

Artikel 28 Opstelling en goedkeuring................................................................................................ 64

HOOFDSTUK III STRATEGISCHE FOLLOW-UP........................................................................ 65

Artikel 29 Strategische rapportage door de lidstaten ......................................................................... 65

Artikel 30 Strategische rapportage door de Commissie en gedachtewisseling over

het cohesiebeleid ................................................................................................................................ 67

Artikel 31 Cohesieverslag.................................................................................................................. 68

TITEL III Programmering ................................................................................................................. 69

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE STRUCTUURFONDSEN EN

HET COHESIEFONDS ..................................................................................................................... 69

Artikel 32 Opstelling en goedkeuring van operationele programma's............................................... 69

Artikel 33 Herziening van operationele programma's ....................................................................... 71

Artikel 34 Specifiek karakter van de Fondsen ................................................................................... 72

Artikel 35 Geografisch toepassingsgebied......................................................................................... 72

Artikel 38 Operationele programma's voor de doelstelling "Europese territoriale

samenwerking"................................................................................................................................... 80

DEEL 2 Grote projecten .................................................................................................................... 81

Artikel 39 Inhoud ............................................................................................................................... 81

Artikel 40 Aan de Commissie te verstrekken gegevens .................................................................... 81

Artikel 41 Besluit van de Commissie ................................................................................................ 83

DEEL 3 Globale subsidies ................................................................................................................. 84

Artikel 42 Algemene bepalingen ....................................................................................................... 84

Artikel 43 Uitvoeringsregels .............................................................................................................. 85

DEEL 4 Financiële instrumentering .................................................................................................. 86

Artikel 44 Acties op het gebied van financiële instrumentering........................................................ 86

DEEL 5 Technische bijstand.............................................................................................................. 87

Artikel 45 Technische bijstand op initiatief van de Commissie ........................................................ 87

Artikel 46 Technische bijstand van de lidstaten ................................................................................ 89

HOOFDSTUK II RESERVES........................................................................................................... 94

Artikel 50 Nationale prestatiereserve................................................................................................. 94

Artikel 51 Nationale reserve voor onvoorziene uitgaven .................................................................. 95

TITEL V Financiële bijdrage uit de Fondsen .................................................................................... 96

HOOFDSTUK I BIJDRAGE UIT DE FONDSEN ........................................................................... 96

Artikel 52 Differentiëring van de bijdragepercentages...................................................................... 96

Artikel 53 Bijdrage uit de Fondsen .................................................................................................... 98

Artikel 54 Overige bepalingen ......................................................................................................... 100

HOOFDSTUK II INKOMSTENGENERERENDE PROJECTEN................................................. 101

Artikel 55 Inkomstengenererende projecten .................................................................................... 101

HOOFDSTUK III SUBSIDIABILITEIT VAN DE UITGAVEN................................................... 103

Artikel 56 Subsidiabiliteit van de uitgaven...................................................................................... 103

HOOFDSTUK IV DUURZAAMHEID VAN DE CONCRETE ACTIES ..................................... 105

Artikel 57 Duurzaamheid van de concrete acties............................................................................. 105

Artikel 60 Functies van de beheersautoriteit.................................................................................... 109

Artikel 61 Functies van de certificeringsautoriteit........................................................................... 111

Artikel 62 Functies van de auditautoriteit........................................................................................ 112

HOOFDSTUK II TOEZICHT ......................................................................................................... 115

Artikel 63 Toezichtcomité ............................................................................................................... 115

Artikel 64 Samenstelling.................................................................................................................. 116

Artikel 65 Taken .............................................................................................................................. 116

Artikel 66 Nadere voorschriften voor het toezicht........................................................................... 117

Artikel 67 Jaarverslag en eindverslag over de uitvoering................................................................ 118

Artikel 68 Jaarlijks onderzoek van de programma's ........................................................................ 121

HOOFDSTUK III VOORLICHTING EN PUBLICITEIT.............................................................. 122

Artikel 69 Voorlichting en publiciteit.............................................................................................. 122

HOOFDSTUK IV VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE LIDSTATEN EN

VAN DE COMMISSIE ................................................................................................................... 123

DEEL 2 Verantwoordelijkheden van de Commissie ....................................................................... 126

Artikel 72 Verantwoordelijkheden van de Commissie .................................................................... 126

Artikel 73 Samenwerking met de auditautoriteiten van de lidstaten ............................................... 128

DEEL 3 EVENREDIGHEID IN DE CONTROLE VAN OPERATIONELE

PROGRAMMA'S ............................................................................................................................ 129

Artikel 74 Proportionele controleregelingen.................................................................................... 129

TITEL VII FINANCIEEL BEHEER ............................................................................................... 131

HOOFDSTUK I FINANCIEEL BEHEER ...................................................................................... 131

DEEL 1 VASTLEGGINGEN.......................................................................................................... 131

Artikel 75 Vastleggingen ................................................................................................................. 131

DEEL 2 GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE BETALINGEN ....... 132

Artikel 76 Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de betalingen........................................... 132

Artikel 77 Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de berekening van de tussentijdse

betalingen en de saldobetalingen ..................................................................................................... 133

Artikel 78 Uitgavenstaat .................................................................................................................. 134

DEEL 3 Voorfinanciering................................................................................................................ 138

Artikel 82 Betaling........................................................................................................................... 138

Artikel 83 Rente ............................................................................................................................... 140

Artikel 84 Goedkeuring van de rekeningen ..................................................................................... 140

DEEL 4 TUSSENTIJDSE BETALINGEN ..................................................................................... 141

Artikel 85 Tussentijdse betalingen................................................................................................... 141

Artikel 86 Ontvankelijkheid van de betalingsaanvragen ................................................................. 141

Artikel 87 Termijn voor de indiening van de betalingsaanvragen en voor de betalingen ............... 142

DEEL 5 AFSLUITING VAN HET PROGRAMMA EN BETALING VAN

HET EINDSALDO .......................................................................................................................... 143

Artikel 88 Gedeeltelijke afsluiting................................................................................................... 143

Artikel 89 Voorwaarden voor de betaling van het eindsaldo........................................................... 144

Artikel 90 Beschikbaarheid van documenten .................................................................................. 146

DEEL 6 UITSTEL EN SCHORSING VAN BETALINGEN ......................................................... 147

Artikel 95 Schorsingstermijn voor gerechtelijke procedures en administratief beroep.................. 151

Artikel 96 Uitzonderingen op de ambtshalve te verrichten doorhaling ........................................... 152

Artikel 97 Procedure ........................................................................................................................ 152

HOOFDSTUK II FINANCIËLE CORRECTIES............................................................................ 153

DEEL 1 Financiële correcties door de lidstaten............................................................................... 153

Artikel 98 Financiële correcties door de lidstaten ........................................................................... 153

DEEL 2 Financiële correcties door de Commissie .......................................................................... 155

Artikel 99 Criteria voor de correcties .............................................................................................. 155

Artikel 100 Procedure ...................................................................................................................... 156

Artikel 101 Verplichtingen van de lidstaten .................................................................................... 158

Artikel 102 Terugbetaling................................................................................................................ 158

TITEL VIII Comités ........................................................................................................................ 159

HOOFDSTUK I COÖRDINATIECOMITÉ VAN DE FONDSEN ................................................ 159

Artikel 103 Comité en procedures ................................................................................................... 159

TITEL IX Slotbepalingen ................................................................................................................ 162

Artikel 105 Overgangsbepalingen ................................................................................................... 162

Artikel 106 Herzieningsclausule...................................................................................................... 163

Artikel 107 Intrekking...................................................................................................................... 164

Artikel 108 Inwerkingtreding........................................................................................................... 164

BIJLAGE I ........................................................................................................................................... 1

BIJLAGE II.......................................................................................................................................... 1

BIJLAGE III ........................................................................................................................................ 1

BIJLAGE IV ........................................................................................................................................ 1

TITEL I

DOELSTELLINGEN EN ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE BIJSTANDSVERLENING

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Toepassingsgebied

Bij deze verordening worden de algemene bepalingen vastgesteld met betrekking tot het Europees

Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) (hierna de

"Structuurfondsen" genoemd) en het Cohesiefonds, onverminderd de specifieke bepalingen die in

Verordeningen (EG) nr. .../... , (EG) nr. .../...

en (EG) nr. .../... zijn vastgesteld.

Bij deze verordening worden de doelstellingen vastgesteld waartoe de Structuurfondsen en het

Cohesiefonds (hierna de "Fondsen" genoemd) moeten bijdragen, de criteria waaraan de lidstaten en

de regio's moeten voldoen om voor bijstand uit deze Fondsen in aanmerking te komen, de beschik-

bare financiële middelen en de criteria voor de toewijzing daarvan.

Bij deze verordening wordt het kader voor het cohesiebeleid vastgesteld, met inbegrip van de

methode voor de vaststelling van de strategische richtsnoeren van de Gemeenschap inzake cohesie,

Te dien einde worden bij deze verordening de op een verdeling van de verantwoordelijkheden

tussen de lidstaten en de Commissie gebaseerde beginselen en bepalingen betreffende het partner-

schap, de programmering, de evaluatie, het beheer, met inbegrip van het financiële beheer, het

toezicht en de controle vastgesteld.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1) 
    "operationeel programma": het document dat door een lidstaat is ingediend en door de

Commissie is goedgekeurd, waarin een ontwikkelingsstrategie wordt uiteengezet die

gebaseerd is op een coherent geheel van prioriteiten, en voor de realisatie waarvan een

beroep wordt gedaan op bijstand uit een Fonds, of, in het geval van de convergentie-

doelstelling, uit het Cohesiefonds en het EFRO;

  • 2) 
    "prioritair zwaartepunt": een van de prioriteiten van de in een operationeel programma

uiteengezette strategie, die bestaat uit een groep concrete acties die met elkaar verband

houden en specifieke, meetbare doelstellingen hebben;

  • 3) 
    "concrete actie": een project dat, of een groep projecten die door de beheersautoriteit van

het betrokken operationele programma of onder haar verantwoordelijkheid volgens de door

het toezichtcomité vastgestelde criteria is gekozen en dat/die door een of meer begun-

  • 4) 
    "begunstigde": een actor, instantie of onderneming uit de overheids- of de privé-sector die

belast is met het initiatief nemen tot of het initiatief nemen tot en de tenuitvoerlegging van

concrete acties. In het kader van de steunmaatregelen als bedoeld in artikel 87 van het

Verdrag zijn begunstigden overheids- of privé-bedrijven die een afzonderlijk project

uitvoeren en overheidssteun ontvangen;

  • 5) 
    "overheidsuitgaven": elke overheidsbijdrage aan de financiering van concrete acties die

afkomstig is uit de begroting van de staat of van een regionale of plaatselijke overheid of

van de Europese Gemeenschappen en verband houdt met de Structuurfondsen en het

Cohesiefonds, alsmede elke soortgelijke uitgave. Elke bijdrage aan de financiering van

concrete acties die afkomstig is uit de begroting van publiekrechtelijke instellingen of

verenigingen van een of meer regionale of plaatselijke overheden of publiekrechtelijke

instellingen overeenkomstig Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad

van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van

overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten1, wordt beschouwd als een

-

soortgelijke uitgave;

  • 6) 
    "bemiddelende instantie": elke publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instantie of dienst

die handelt onder de verantwoordelijkheid van een beheers- of certificeringsautoriteit of

die namens een dergelijke autoriteit taken verricht ten behoeve van begunstigden die

concrete acties uitvoeren;

  • 7) 
    "onregelmatigheid": elke inbreuk op een bepaling van het Gemeenschapsrecht als gevolg

HOOFDSTUK II

DOELSTELLINGEN EN TAKEN

Artikel 3

Doelstellingen

  • 1. 
    Het optreden van de Gemeenschap op grond van artikel 158 van het Verdrag is erop

gericht de economische en sociale samenhang van de uitgebreide Unie te versterken om

de harmonieuze, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de Gemeenschap te

bevorderen. Voor dit optreden wordt bijstand verleend uit de Fondsen, de Europese

Investeringsbank (EIB) en de andere bestaande financieringsinstrumenten. Doel van dit

optreden is het hoofd te bieden aan uitdagingen die samenhangen met de economische,

sociale en territoriale ongelijkheden die zich vooral in landen en regio's met een

ontwikkelingsachterstand voordoen, en in verband met de economische en sociale

herstructurering, aan de veroudering van de bevolking.

Het optreden in het kader van de Fondsen geeft, op nationaal en regionaal niveau, vorm

aan de prioriteiten van de Gemeenschap ten gunste van een duurzame ontwikkeling

doordat de groei, het concurrentievermogen en de werkgelegenheid, de sociale insluiting

en de milieubescherming en -kwaliteit worden bevorderd.

  • 2. 
    In dit verband dragen het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, de Europese Investeringsbank

(EIB) en de andere bestaande financieringsinstrumenten van de Gemeenschap elk op

passende wijze bij tot de verwezenlijking van de volgende drie doelstellingen:

  • a) 
    de convergentiedoelstelling, waarmee wordt beoogd de convergentie van de minst

ontwikkelde lidstaten en regio's te versnellen door de verbetering van de voor-

waarden voor groei en werkgelegenheid via de toename en kwalitatieve verbetering

van de investeringen in fysiek en menselijk kapitaal, de ontwikkeling van de

innovatie en van de kennismaatschappij, het vermogen zich aan economische en

sociale veranderingen aan te passen, milieubescherming en -verbetering en

bestuurlijke efficiëntie. Deze doelstelling vormt de prioriteit van de Fondsen;

  • b) 
    de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid", die geldt voor

andere dan de minst ontwikkelde regio's en waarmee wordt beoogd het concurrentie-

vermogen en de aantrekkingskracht van de regio's alsmede de werkgelegenheid te

vergroten door op economische en sociale veranderingen, inclusief die welke met de

vrijmaking van de handel verband houden, te anticiperen via innovatie en de

bevordering van de kennismaatschappij, ondernemerschap, milieubescherming en

-verbetering, de verbetering van de toegankelijkheid, het aanpassingsvermogen van

werknemers en bedrijven, en de ontwikkeling van inclusieve arbeidsmarkten;

  • c) 
    de doelstelling "Europese territoriale samenwerking", waarmee wordt beoogd de

grensoverschrijdende samenwerking te intensiveren door gezamenlijke lokale en

regionale initiatieven, de transnationale samenwerking te intensiveren door met de

prioriteiten van de Gemeenschap verband houdende acties die bevorderlijk zijn voor

de geïntegreerde territoriale ontwikkeling, en de interregionale samenwerking en de

uitwisseling van ervaringen op het passende territoriale niveau te intensiveren.

  • 3. 
    Bij de bijstandsverlening uit de Fondsen in het kader van de drie in lid 2 vermelde doel-

stellingen wordt, in overeenstemming met de aard van de Fondsen, rekening gehouden,

enerzijds, met de specifieke economische en sociale kenmerken en, anderzijds, met de

specifieke territoriale kenmerken. Met de bijstand wordt op passende wijze ondersteuning

geboden voor duurzame stadsontwikkeling, met name als onderdeel van de regionale

ontwikkeling, en, via economische diversifiëring, voor de vernieuwing van plattelands-

gebieden en van gebieden die afhankelijk zijn van de visserij. Voorts wordt bijstand

verleend voor de gebieden die te kampen hebben met geografische of natuurlijke handicaps

waardoor de ontwikkelingsproblemen nog groter worden, met name in de ultraperifere

regio's als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag en voor de zeer dunbevolkte

noordelijke gebieden, sommige eilanden en eiland-lidstaten, en berggebieden.

Artikel 4

Instrumenten en taken

  • 2. 
    Het Cohesiefonds treedt ook op in de regio's die niet in aanmerking komen voor steun uit

hoofde van de convergentiedoelstelling volgens de criteria van artikel 5, lid 1, maar wel

gelegen zijn in:

  • a) 
    een lidstaat die in aanmerking komt voor steun uit het Cohesiefonds volgens de

criteria van artikel 5, lid 2, of

  • b) 
    een lidstaat die in aanmerking komt voor steun uit het Cohesiefonds volgens de

criteria van artikel 8, lid 3.

  • 3. 
    De Fondsen dragen bij tot de financiering van technische bijstand die wordt verleend op

initiatief van de lidstaten en de Commissie.

HOOFDSTUK III

GEOGRAFISCHE SUBSIDIABILITEIT

Artikel 5

Convergentie

  • 1. 
    Voor financiering uit de Structuurfondsen in het kader van de convergentiedoelstelling

komen de regio's in aanmerking die behoren tot niveau II van de gemeenschappelijke

nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (hierna "NUTS II" genoemd) in

  • 2. 
    De lidstaten die in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds zijn de lidstaten met

een bruto nationaal inkomen (BNI) per inwoner, uitgedrukt in koopkrachtpariteit en

berekend aan de hand van de communautaire gegevens voor de periode 2001-2003, dat

lager is dan 90% van het gemiddelde BNI van de EU-25 en die een programma hebben om

te voldoen aan de in artikel 104 van het Verdrag vervatte voorwaarden voor economische

convergentie.

  • 3. 
    Onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie de lijst vast

van de regio's die voldoen aan de in de lid 1 van dit artikel genoemde criteria, en van de

lidstaten die voldoen aan de in lid 2 van dit artikel genoemde criteria. Deze lijst geldt van

1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

De lijst van lidstaten die in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds zal in 2010

worden herzien op basis van de door de Gemeenschap opgestelde BBP-cijfers ten opzichte

van het cijfer voor de EU-25.

Artikel 6

Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid

Voor financiering uit de Structuurfondsen in het kader van de doelstelling "regionaal concurrentie-

vermogen en werkgelegenheid" komen de regio's in aanmerking die niet onder artikel 5, lid 1, en

artikel 8, leden 1 en 2, vallen.

Artikel 7

Europese territoriale samenwerking

  • 1. 
    Voor de grensoverschrijdende samenwerking kan financiële bijstand worden verleend aan

de NUTS III-regio's van de Gemeenschap die zich langs interne (ongeacht welke) en/of

bepaalde externe landgrenzen bevinden, en aan alle NUTS III-regio's van de Gemeenschap

die zich langs maritieme grenzen bevinden en in de regel ten hoogste 150 km van elkaar

verwijderd zijn, rekening houdend met mogelijke aanpassingen die nodig kunnen zijn om

de coherentie en de continuïteit van de samenwerkingsactie te garanderen.

Onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie volgens de

in artikel 103, lid 2, bedoelde procedure de lijst vast van de in aanmerking komende

regio's. Deze lijst geldt van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

  • 2. 
    Voor de transnationale samenwerking stelt de Commissie, volgens de in artikel 103, lid 2,

bedoelde procedure, de lijst vast van de in aanmerking komende transnationale gebieden,

uitgesplitst per programma. Deze lijst geldt van 1 januari 2007 tot en met

31 december 2013.

  • 3. 
    Voor de interregionale samenwerking, de samenwerkingsnetwerken en de uitwisseling van

ervaringen komt het hele grondgebied van de Gemeenschap in aanmerking.

Artikel 8

Overgangssteun

  • 1. 
    De NUTS II-regio's die voor steun in het kader van de convergentiedoelstelling uit hoofde

van artikel 5, lid 1, in aanmerking zouden zijn gekomen indien de subsidiabiliteitsdrempel

op 75% van het gemiddelde BBP van de EU-15 zou zijn gehandhaafd, doch niet langer in

aanmerking komen omdat hun nominaal BBP per inwoner meer zal bedragen dan 75% van

het gemiddelde BBP van de EU-25, gemeten en berekend overeenkomstig artikel 5, lid 1,

komen, bij wijze van specifieke overgangsmaatregel, in aanmerking voor financiering uit

de Structuurfondsen uit hoofde van de convergentiedoelstelling.

doelstelling 1 vallen en waarvan het nominale BBP, gemeten en berekend overeenkomstig

artikel 5, lid 1, 75% van het gemiddelde BBP van de EU-15 te boven zal gaan, komen, bij

wijze van specifieke overgangsmaatregel, in aanmerking voor financiering uit de

Structuurfondsen uit hoofde van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en

werkgelegenheid".

Aangezien Cyprus op basis van de herziene cijfers voor de periode 1997-1999 in

2004-2006 in aanmerking had moeten komen voor doelstelling 1, zal Cyprus in de periode

2007-2013 in aanmerking komen voor de overgangsfinanciering die voor de in lid 1

bedoelde regio's geldt.

  • 3. 
    De lidstaten die in 2006 voor financiering uit het Cohesiefonds in aanmerking komen en

daarvoor in aanmerking zouden blijven komen indien de subsidiabiliteitsdrempel op 90%

van het gemiddelde BNI van de EU-15 zou zijn gehandhaafd, doch niet langer in aan-

merking komen omdat hun nominaal BNI per inwoner meer zal bedragen dan 90% van het

gemiddelde BNI van de EU-25, gemeten en berekend overeenkomstig artikel 5, lid 1,

komen bij wijze van specifieke overgangsmaatregel in aanmerking voor financiering uit

het Cohesiefonds uit hoofde van de convergentiedoelstelling.

  • 4. 
    Onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie de lijst vast

van de regio's die voldoen aan de in de leden 1 en 2 genoemde criteria, en van de lidstaten

die voldoen aan de in lid 3 genoemde criteria. Deze lijst geldt van 1 januari 2007 tot en met

31 december 2013.

HOOFDSTUK IV

BEGINSELEN VAN DE BIJSTANDSVERLENING

Artikel 9

Complementariteit, coherentie, coördinatie en conformiteit

  • 1. 
    De Fondsen verlenen bijstand die een aanvulling vormt op nationale acties, met inbegrip

van regionale en plaatselijke acties, waarin de prioriteiten van de Gemeenschap worden

  • 2. 
    De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat de bijstand van de Fondsen coherent is

met de activiteiten, beleidstakken en prioriteiten van de Gemeenschap en complementair is

met de andere financiële instrumenten van de Gemeenschap. Deze coherentie en comple-

mentariteit wordt met name aangegeven in de communautaire strategische richtsnoeren

inzake cohesie, in het nationale strategische referentiekader en in de operationele

programma's.

  • 3. 
    De bijstand met cofinanciering uit de Fondsen zal worden gericht op de prioriteiten van de

EU inzake bevordering van het concurrentievermogen en schepping van werkgelegenheid,

inclusief het bereiken van de doelstellingen van de geïntegreerde richtsnoeren voor groei

en werkgelegenheid (2005-2008) als bedoeld in Besluit 2005/600/EG van de Raad van

12 juli 20051. Te dien einde zorgen de Commissie en de lidstaten, overeenkomstig hun

respectieve bevoegdheden, ervoor dat 60% van de uitgaven voor de convergentie-

doelstelling en 75% van de uitgaven voor de doelstelling inzake regionaal concurrentie-

vermogen en werkgelegenheid voor alle lidstaten van de Europese Unie vóór 1 mei 2004

overeenkomstig de bovengenoemde prioriteiten worden vastgesteld. Deze op de

categorieën uitgaven in bijlage IV gebaseerde doelstellingen gelden als gemiddelde tijdens

de volledige programmeringsperiode.

Teneinde te waarborgen dat met concrete nationale omstandigheden en met de in het

nationale hervormingsprogramma vastgestelde prioriteiten rekening wordt gehouden,

kunnen de Commissie en de betrokken lidstaten besluiten de lijst van categorieën in

Alle betrokken lidstaten dragen bij tot de verwezenlijking van deze doelstellingen.

De lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Unie zijn toegetreden, kunnen besluiten deze

bepalingen eigener beweging toe te passen.

  • 4. 
    Overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden zorgen de Commissie en de lidstaten voor

de coördinatie tussen de bijstand uit de verschillende Fondsen, het ELFPO en het EVF en

de bijdragen uit de EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten.

  • 5. 
    De uit de Fondsen gefinancierde concrete acties zijn in overeenstemming met het Verdrag

en met alle krachtens het Verdrag vastgestelde besluiten.

Artikel 10

Programmering

De doelstellingen van de Fondsen worden nagestreefd in het kader van een systeem voor meer-

jarenprogrammering dat in verschillende stadia is georganiseerd, met inbegrip van prioriteiten-

stelling, financiering en een beheers- en controlesysteem.

Artikel 11

Partnerschap

  • 1. 
    De doelstellingen van de Fondsen worden nagestreefd in het kader van nauwe samen-

werking, hierna partnerschap te noemen, tussen de Commissie en de lidstaat. De lidstaat

organiseert in voorkomend geval, overeenkomstig de huidige nationale voorschriften en

gebruiken, een partnerschap met autoriteiten en instanties als:

  • a) 
    de bevoegde regionale, plaatselijke, stedelijke en andere overheden;
  • b) 
    de economische en sociale partners;
  • c) 
    andere geschikte instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen,

milieupartners, niet-gouvernementele organisaties, en instanties die tot taak hebben

de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen.

Elke lidstaat wijst de meest representatieve partners op nationaal, regionaal en plaatselijk

niveau en op economisch, sociaal-maatschappelijk en milieugebied en andere gebieden

aan, hierna "partners" genoemd, in overeenstemming met de nationale voorschriften en

gebruiken, waarbij hij er rekening mee houdt dat de gelijkheid van vrouwen en mannen

moet worden bevorderd, en dat tot duurzame ontwikkeling moet worden bijgedragen door

integratie van de eisen betreffende milieubescherming- en verbetering.

  • 2. 
    Het partnerschap wordt uitgeoefend met volledige inachtneming van de respectieve institu-

tionele, juridische en financiële bevoegdheden van elke afzonderlijke categorie partners als

bedoeld in lid 1.

Het partnerschap heeft betrekking op de voorbereiding en de uitvoering van, het toezicht

op en de evaluatie van de operationele programma's. De lidstaten betrekken in voorkomend

geval alle relevante partners, en met name de regio's, bij de verschillende stadia van de

programmering, met inachtneming van de voor elk stadium vastgestelde termijn.

  • 3. 
    Elk jaar raadpleegt de Commissie de verenigingen die de economische en sociale partners

op Europees niveau vertegenwoordigen, over de bijstandsverlening uit de Fondsen.

Artikel 12

Territoriaal niveau van bijstandverlening

Voor de uitvoering van de in artikel 32 bedoelde operationele programma's zijn de lidstaten verant-

woordelijk, en wel op het passende territoriale niveau en in overeenstemming met het institutionele

stelsel dat specifiek is voor elke lidstaat. Die verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend in overeen-

stemming met deze verordening.

Artikel 13

Evenredige bijstandsverlening

  • 1. 
    De financiële en administratieve middelen die door de Commissie en de lidstaten worden

aangewend ter uitvoering van de Fondsen in verband met:

  • a) 
    het bepalen van de indicatoren als bedoeld in artikel 37, lid 1, onder c)
  • b) 
    de in de artikelen 47 en 48 bedoelde evaluatie
  • c) 
    de algemene beginselen van de beheers- en controlesystemen als bedoeld in

artikel 58, onder e) en f)

  • d) 
    de in artikel 67 bedoelde rapportage

zijn evenredig met het totaalbedrag van de aan een operationeel programma toegewezen

uitgaven.

  • 2. 
    Voorts zijn in artikel 74 specifieke bepalingen opgenomen over proportionele controle-

regelingen.

Artikel 14

Gedeeld beheer

  • 1. 
    De aan de Fondsen toegewezen begroting van de Unie wordt onder gedeeld beheer door de

lidstaten en de Commissie uitgevoerd overeenkomstig artikel 53, lid 1, onder b), van

Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het

Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeen-

schappen1, met uitzondering van de begroting voor de in artikel 45 van deze verordening

bedoelde technische bijstand.

Het beginsel van goed financieel beheer is van toepassing overeenkomstig artikel 48, lid 2,

van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.

  • 2. 
    De Commissie oefent haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de algemene

begroting van de Europese Gemeenschapen als volgt uit:

  • a) 
    zij controleert of er in de lidstaten beheers- en controlesystemen bestaan en goed

functioneren overeenkomstig de artikelen 71, 72 en 73;

  • b) 
    zij stelt de betalingen volledig of gedeeltelijk uit of schorst de betalingen volledig of

gedeeltelijk overeenkomstig de artikelen 91 en 92 als de nationale beheers- en

controlesystemen niet naar behoren functioneren, en past elke andere noodzakelijke

financiële correctie toe volgens de procedures van de artikelen 100 en 101;

  • c) 
    zij controleert de terugbetaling van als voorfinanciering uitgekeerde bedragen en

haalt ambtshalve vastleggingen door overeenkomstig de procedures van artikel 82,

lid 2, en de artikelen 93 tot en met artikel 97.

Artikel 15

Additionaliteit

  • 1. 
    De bijdragen uit de Structuurfondsen mogen niet in de plaats komen van de structurele

overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven van de lidstaten.

  • 2. 
    Voor de regio's die onder de convergentiedoelstelling vallen, stellen de Commissie en de

lidstaat het peil van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele

uitgaven vast dat de lidstaat gedurende de programmeringsperiode in alle betrokken regio's

moet handhaven.

Het uitgavenpeil van de lidstaten is opgenomen in het in artikel 28, lid 3, bedoelde besluit

van de Commissie inzake het nationaal strategisch referentiekader. In de overeenkomstig

de procedure van artikel 103, lid 3, opgestelde methodologische nota van de Commissie

  • 3. 
    Als algemene regel is het in lid 2 bedoelde uitgavenpeil ten minste gelijk aan het bedrag

van de jaarlijkse gemiddelde uitgaven in reële termen dat in de voorgaande program-

meringsperiode is bereikt.

Voorts wordt het uitgavenpeil vastgesteld in het licht van de algemene macro-economische

omstandigheden waarin de financiering plaatsvindt en rekening houdend met bepaalde

specifieke of uitzonderlijke economische situaties, zoals privatiseringen of een uitzonder-

lijk peil van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele

uitgaven van de lidstaat tijdens de vorige programmeringsperiode.

  • 4. 
    In samenwerking met elke lidstaat gaat de Commissie halverwege de looptijd (in 2011) na

of de additionaliteit voor de convergentiedoelstelling in acht is genomen. Als onderdeel

van deze toetsing halverwege kan de Commissie in overleg met de lidstaat besluiten het

vereiste peil van de structuuruitgaven te wijzigen, indien de economische situatie in de

betrokken lidstaat aanmerkelijk verschilt van die op het tijdstip van de vaststelling van het

peil van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structuuruitgaven als

bedoeld in lid 2. Het in artikel 28, lid 3, bedoelde besluit van de Commissie wordt

gewijzigd om rekening te houden met deze aanpassing.

In samenwerking met elke lidstaat gaat de Commissie achteraf op 31 december 2016 na of

de additionaliteit voor de convergentiedoelstelling in acht is genomen.

De lidstaat verstrekt de Commissie de informatie die nodig is om na te gaan of de vooraf

vastgestelde structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structuuruitgaven

worden gerespecteerd. Indien nodig wordt gebruik gemaakt van statistische ramings-

technieken.

De Commissie publiceert, per lidstaat, de resultaten van de toetsing van de additionaliteit,

inclusief de methodologie en de informatiebronnen, na de afronding van elk van de drie

toetsingsstadia.

Artikel 16

Gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie

De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de gelijkheid van mannen en vrouwen en de

integratie van het genderperspectief worden bevorderd in de opeenvolgende fasen van de uitvoering

van de Fondsen.

De lidstaten en de Commissie nemen passende maatregelen om discriminatie op grond van geslacht,

ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te

voorkomen in de verschillende fasen van de uitvoering van de Fondsen, met name de toegang ertoe.

Vooral de toegangelijkheid voor personen met een handicap is één van de criteria die bij de

omschrijving van door de Fondsen medegefinancierde acties in acht moeten worden genomen en

waarmee in de diverse fasen van uitvoering rekening moet worden gehouden.

Artikel 17

Duurzame ontwikkeling

De doelstellingen van de Fondsen worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en

van de bevordering door de Gemeenschap van de in artikel 6 van het Verdrag verankerde doel-

stelling inzake bescherming en verbetering van het milieu.

HOOFDSTUK V

FINANCIEEL KADER

Artikel 18

Totale middelen

  • 1. 
    Voor vastlegging ten laste van de Fondsen is voor de periode 2007 tot en met 2013 een

bedrag van 308.041.000.000 euro, uitgedrukt in prijzen van 2004, beschikbaar, dat over de

betrokken jaren wordt verdeeld overeenkomstig bijlage I.

De in lid 1 bedoelde bedragen worden met het oog op de programmering en de daarop-

volgende opvoering ervan op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen

met 2% per jaar geïndexeerd.

De begrotingsmiddelen worden zodanig over de in artikel 3, lid 2, omschreven doel-

  • 2. 
    De Commissie maakt elk jaar een indicatieve verdeling per lidstaat volgens de in bijlage II

beschreven criteria en methode en onverminderd de bepalingen van de artikelen 23 en 24.

  • 3. 
    De in de punten 12 tot en met 30 van bijlage II genoemde bedragen zijn begrepen in de in

de artikelen 19, 20 en 21 genoemde bedragen en moeten duidelijk in de programmerings-

documenten worden vermeld.

Artikel 19

Middelen voor de convergentiedoelstelling

De totale middelen voor de convergentiedoelstelling bedragen 81,54% van de in artikel 18, lid 1,

genoemde middelen (d.w.z. in totaal 251.163.134.221 euro) en worden als volgt over de

verschillende onderdelen verdeeld:

  • a) 
    70,51% (d.w.z. in totaal 177.083.601.004 euro) voor de in artikel 5, lid 1, bedoelde finan-

ciering, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van

de volgende criteria: de in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart, de

nationale welvaart en het werkloosheidspercentage;

  • b) 
    4,99% (d.w.z. in totaal 12.521.289.405 euro) voor de in artikel 8, lid 1, bedoelde specifieke

overgangssteun, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de

hand van de volgende criteria: de in aanmerking komende bevolking, de regionale

welvaart, de nationale welvaart en het werkloosheidspercentage;

  • c) 
    23,22% (d.w.z. in totaal 58.308.243.811 euro) voor de in artikel 5, lid 2, bedoelde finan-

ciering, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van

de volgende criteria: de bevolking, de nationale welvaart en de oppervlakte;

  • d) 
    1,29% (d.w.z. in totaal 3.250.000.000 euro) voor de in artikel 8, lid 3, bedoelde specifieke

overgangssteun.

Artikel 20

Middelen voor de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid"

De totale middelen voor de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid"

bedragen 15,95% van de in artikel 18, lid 1, genoemde middelen (d.w.z. in totaal

49.127.784.318 euro) en worden als volgt over de verschillende onderdelen verdeeld:

  • a) 
    78,86% (d.w.z. in totaal 38.742.477.688 euro) voor de in artikel 6 bedoelde financiering,

waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van de

volgende criteria: de in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart, het

werkloosheidspercentage, de tewerkstellingsgraad en de bevolkingsdichtheid; en

  • b) 
    21,14% (d.w.z. in totaal 10.385.306.630 euro) voor de in artikel 8, lid 2, bedoelde speci-

fieke overgangssteun, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan

de hand van de volgende criteria: de in aanmerking komende bevolking, de regionale

welvaart, de nationale welvaart en het werkloosheidspercentage.

Artikel 21

Middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"

  • 1. 
    De totale middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" bedragen

2,52% van de in artikel 18, lid 1, genoemde middelen (zijnde 7.750.081.461 euro). Deze

middelen, met uitsluiting van het in punt 22 van bijlage II genoemde bedrag, worden als

volgt over de verschillende onderdelen verdeeld:

  • a) 
    73,86% (zijnde 5.576.358.149 euro) voor de financiering van de in artikel 7, lid 1,

bedoelde grensoverschrijdende samenwerking, waarbij de indicatieve verdelingen

per lidstaat worden berekend aan de hand van het criterium van de in aanmerking

komende bevolking,

  • b) 
    20,95% (zijnde 1.581.720.322 euro) voor de financiering van de in artikel 7, lid 2,

bedoelde transnationale samenwerking, waarbij de indicatieve verdelingen per

lidstaat worden berekend aan de hand van het criterium van de in aanmerking

komende bevolking,

  • c) 
    5,19% (zijnde 392.002.991 euro) voor de financiering van interregionale samen-

werking, de samenwerkingsnetwerken en de uitwisseling van ervaringen als bedoeld

in artikel 7, lid 3.

  • 2. 
    De bijdrage van het EFRO aan de grensoverschrijdende programma's en de zeebekken-

programma's uit hoofde van het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument

overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../...

en de grensoverschrijdende programma's uit

hoofde van het pretoetredingsinstrument voor bijstand overeenkomstig Verordening (EG)

nr. .../... , beloopt 813.966.000 euro, gezien de opgaven van elke betrokken lidstaat en

wordt in mindering gebracht op hun bijdragen onder lid 1, punt a). Deze EFRO-bijdragen

worden niet tussen de betrokken lidstaten herverdeeld.

  • 3. 
    De bijdrage van het EFRO aan elk grensoverschrijdend programma en elk zeebekken-

programma uit hoofde van de in lid 2 bedoelde instrumenten wordt toegekend op voor-

waarde dat de bijdrage uit deze instrumenten aan elk van deze programma's ten minste

equivalent is aan die uit het EFRO. Deze equivalente bijdrage is echter begrensd tot een

maximumbedrag van 465.690.000 euro uit hoofde van het Nabuurschaps- en Partner-

schapsinstrument en 243.782.000 euro uit hoofde van het Pretoetredingsinstrument voor

bijstand.

  • 4. 
    De jaarlijkse kredieten die overeenstemmen met de in lid 2 genoemde bijdrage van het

EFRO, worden opgenomen in de betrokken begrotingsonderdelen van het onderdeel

"grensoverschrijdende samenwerking" van de in lid 2 bedoelde instrumenten, en zulks

voor het eerst in begrotingsjaar 2007.

  • 5. 
    In 2008 en 2009 wordt de in lid 2 genoemde jaarlijkse bijdrage uit het EFRO waarvoor

uiterlijk op 30 juni aan de Commissie geen operationeel programma is voorgelegd uit

hoofde van de onderdelen "grensoverschrijdende samenwerking" en "zeebekkens" van de

in lid 2 bedoelde instrumenten, aan de betrokken lidstaat ter beschikking gesteld voor de

financiering van de in lid 1, onder a), genoemde grensoverschrijdende samenwerking,

inclusief samenwerking inzake de buitengrenzen.

Indien er op de limietdatum 30 juni 2010 nog steeds operationele programma's uit hoofde

van de onderdelen "grensoverschrijdende samenwerking" en "zeebekkens" van de in lid 2

bedoelde instrumenten zijn die nog niet aan de Commissie zijn voorgelegd, wordt de

volledige in lid 2 genoemde bijdrage uit het EFRO voor de resterende jaren tot 2013 ter

beschikking gesteld van de betrokken lidstaten voor de financiering van de in lid 1,

onder a), genoemde grensoverschrijdende samenwerking, inclusief samenwerking inzake

de buitengrenzen.

  • 6. 
    Indien de in lid 2 genoemde grensoverschrijdende programma's en zeebekkenprogramma's

na hun aanneming door de Commissie moeten worden stopgezet omdat

  • a) 
    het partnerland de financieringsovereenkomst niet heeft ondertekend tegen het einde

van het jaar volgend op het jaar waarin het programma is aangenomen; of

  • b) 
    het programma niet kan worden uitgevoerd omdat zich tussen de deelnemende

landen problemen hebben voorgedaan;

dan wordt de bijdrage van het EFRO in de zin van lid 2 ten belope van de nog niet vast-

gelegde eerste tranche aan de betrokken lidstaten op hun verzoek ter beschikking gesteld

voor de financiering van de in lid 1, onder a), genoemde grensoverschrijdende samen-

werking, inclusief samenwerking inzake de buitengrenzen.

Artikel 22

Niet-overdraagbaarheid van de middelen

De totale kredieten die per lidstaat voor elk van de doelstellingen van de Fondsen en de onderdelen

daarvan zijn toegewezen, zijn onderling niet overdraagbaar.

In afwijking van de eerste alinea kan elke lidstaat voor de doelstelling "Europese territoriale

samenwerking" tot 15% van de financiële toewijzing overdragen van een van de in artikel 21, lid 1,

onder a) en b), genoemde onderdelen naar het andere.

Artikel 23

Middelen voor de prestatiereserve

3,0% van de in artikel 19, lid 1, onder a) en b), en in artikel 20 bedoelde middelen kan overeen-

komstig artikel 50 worden toegewezen.

Artikel 24

Middelen voor technische bijstand

0,25% van de in artikel 18, lid 1, bedoelde middelen gaat naar technische bijstand op initiatief van

de Commissie als gedefinieerd in artikel 45.

TITEL II

STRATEGISCHE AANPAK VAN DE COHESIE

HOOFDSTUK I

COMMUNAUTAIRE STRATEGISCHE RICHTSNOEREN

INZAKE COHESIE

Artikel 25

Inhoud

De Raad stelt op het niveau van de Gemeenschap beknopte strategische richtsnoeren inzake

economische, sociale en territoriale cohesie vast die een indicatief kader vormen voor de bijstands-

verlening van de Fondsen, met inachtneming van andere relevante communautaire beleidsgebieden.

Bij de opstelling van deze richtsnoeren wordt rekening gehouden met de geïntegreerde richtsnoeren,

bestaande uit de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de werkgelegenheidsricht-

snoeren, die door de Raad worden aangenomen volgens de procedures van de artikelen 99 en 128

van het Verdrag.

Artikel 26

Vaststelling en evaluatie

De Commissie stelt in nauwe samenwerking met de lidstaten de in artikel 25 van deze verordening

bedoelde communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie vast. Uiterlijk ... worden de

communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie vastgesteld volgens de procedure van

artikel 161 van het Verdrag. De communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie worden

bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie kunnen, indien nodig, in nauwe

samenwerking met de lidstaten volgens de procedure van de eerste alinea aan een evaluatie

halverwege worden onderworpen om rekening te houden met belangrijke wijzigingen in de

prioriteiten van de Gemeenschap.

De evaluatie halverwege van de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie brengt

voor de lidstaten geen verplichting met zich tot herziening van de operationele programma's of van

hun onderscheiden nationale strategische referentiekaders.

HOOFDSTUK II

NATIONAAL STRATEGISCH REFERENTIEKADER

Artikel 27

Inhoud

  • 1. 
    De lidstaat dient een nationaal strategisch referentiekader in dat garandeert dat de bijstand

uit de Fondsen coherent is met de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie,

en waarin het verband wordt aangegeven tussen de communautaire prioriteiten, enerzijds,

en het nationale hervormingsprogramma, anderzijds.

  • 2. 
    Elk nationaal strategisch referentiekader vormt een referentie-instrument voor de voor-

bereiding van de programmering van de bijstand uit de Fondsen.

  • 3. 
    Het nationale strategische referentiekader is van toepassing op de convergentiedoelstelling

en de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid". Indien een

lidstaat daartoe besluit, kan het ook worden toegepast op de doelstelling "Europese

territoriale samenwerking", onverminderd de keuzes die de betrokken lidstaten in de

toekomst maken.

  • 4. 
    Het nationale strategische referentiekader bevat de volgende elementen:
  • b) 
    de op basis van deze analyse gekozen strategie, met inbegrip van de thematische en

territoriale prioriteiten. In voorkomend geval omvatten deze prioriteiten maatregelen

met betrekking tot duurzame stadsontwikkeling, diversifiëring van de plattelands-

economieën en van de gebieden die van de visserij leven;

  • c) 
    de lijst van de operationele programma's voor de doelstellingen "convergentie" en

"regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid";

  • d) 
    een beschrijving van de manier waarop de uitgaven met het oog op het bereiken van

de doelstellingen "convergentie en regionaal concurrentievermogen en werk-

gelegenheid" bijdragen tot de prioriteiten van de EU inzake bevordering van het

concurrentievermogen en schepping van werkgelegenheid, inclusief het bereiken van

de doelstellingen van de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid

(2005-2008), zoals bepaald in artikel 9, lid 3;

  • e) 
    de indicatieve jaarlijkse toewijzing uit elk Fonds per programma;
  • f) 
    uitsluitend voor de regio's van de convergentiedoelstelling:
  • i) 
    de geplande activiteiten voor de versterking van de bestuursefficiëntie van de

lidstaat;

  • ii) 
    het bedrag van de totale jaarlijkse kredieten die worden verstrekt uit het

ELFPO en het EVF;

  • iii) 
    de gegevens die nodig zijn voor de voorafgaande verifiëring van de inacht-

neming van het in artikel 15 bedoelde additionaliteitsbeginsel;

  • g) 
    voor de lidstaten die voor financiering uit het Cohesiefonds in aanmerking komen uit

hoofde van artikel 5, lid 2, en artikel 8, lid 3: informatie over de mechanismen

waarmee de coördinatie tussen de operationele programma's onderling en tussen deze

programma's en het ELFPO, het EVF en, in voorkomend geval, de bijdragen van de

EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten wordt gegarandeerd.

  • 5. 
    Daarnaast kan het nationale strategische referentiekader, waar passend, de volgende

elementen bevatten:

  • a) 
    de procedure voor de coördinatie tussen het communautair cohesiebeleid en de

desbetreffende nationale, sectorale en regionale beleidsgebieden van de betrokken

lidstaat;

  • b) 
    voor andere lidstaten dan die bedoeld in lid 4, onder g): de mechanismen waarmee de

coördinatie tussen de operationele programma's zelf en tussen die en het ELFPO, het

EVF en de bijdragen van de EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten

wordt gegarandeerd.

Artikel 28

Opstelling en goedkeuring

  • 1. 
    De lidstaat stelt zijn nationale strategische referentiekader op na raadpleging van de

relevante partners, zoals bepaald in artikel 11, op de wijze die hij het meest passend acht en

in overeenstemming met zijn institutionele inrichting. Het nationale referentiekader heeft

betrekking op de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

De lidstaat stelt zijn nationale strategische referentiekader op in overleg met de Commissie

ter waarborging van een gemeenschappelijke aanpak.

  • 2. 
    Elke lidstaat zendt zijn nationale strategische referentiekader binnen vijf maanden na de

aanneming van de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie toe aan de

Commissie. De Commissie neemt binnen drie maanden na ontvangst van het kader nota

van de nationale strategie en de prioritaire thema's die voor bijstandsverlening uit de

Fondsen zijn gekozen en formuleert, in voorkomend geval, opmerkingen.

De lidstaat kan terzelfder tijd het nationale strategische referentiekader en de in artikel 32

bedoelde operationele programma's indienen.

  • 3. 
    Vóór of bij de vaststelling van de in artikel 32, lid 5, bedoelde operationele programma's

neemt de Commissie na overleg met de lidstaat een besluit met betrekking tot

  • a) 
    de lijst van operationele programma's bedoeld in artikel 27, lid 4, onder c);
  • b) 
    de indicatieve jaarlijkse toewijzing uit elk Fonds per programma bedoeld in

artikel 27, lid 4, onder e);

  • c) 
    alleen voor de convergentiedoelstelling, het uitgavenpeil dat de garantie biedt dat het

in artikel 15 bedoelde additionaliteitsbeginsel in acht wordt genomen, alsmede de

activiteiten die zijn gepland om de bestuursefficiëntie bedoeld in artikel 27, lid 4,

onder f), i), te versterken.

HOOFDSTUK III

STRATEGISCHE FOLLOW-UP

Artikel 29

Strategische rapportage door de lidstaten

  • 1. 
    Voor het eerst in 2007 neemt elke lidstaat in zijn jaarlijks verslag over de uitvoering van

het nationale hervormingsprogramma een beknopt hoofdstuk op betreffende de bijdrage

die de uit de Fondsen medegefinancierde operationele programma's leveren tot de

  • 2. 
    Uiterlijk eind 2009 en 2012 dienen de lidstaten een beknopt verslag in met informatie over

de bijdrage die door de uit de Fondsen medegefinancierde operationele programma's wordt

geleverd:

  • a) 
    tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid zoals dat door het

Verdrag is vastgesteld,

  • b) 
    tot de uitvoering van de taken van de Fondsen zoals beschreven in deze verordening,

en

  • c) 
    tot de uitvoering van de prioriteiten die meer in detail zijn uiteengezet in de in

artikel 25 genoemde communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie, en

nader worden omschreven in de prioriteiten die in het in artikel 27 bedoelde

nationale strategische referentiekader zijn vastgesteld,

  • d) 
    tot het bereiken van de doelstelling inzake de bevordering van concurrentievermogen

en het scheppen van banen, en tot de werkzaamheden met het oog op de verwezen-

lijking van de doelstellingen van de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en

werkgelegenheid (2005-2008), zoals bepaald in artikel 9, lid 3.

  • 3. 
    De lidstaten stellen de inhoud van het in lid 2 bedoelde verslag vast, met het oog op het

bepalen van:

  • a) 
    de sociaal-economische situatie en tendensen;
  • 4. 
    De verwijzingen naar het nationale hervormingsprogramma in dit artikel hebben betrek-

king op de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid (2005-2008) en zijn

gelijkelijk van toepassing op alle vergelijkbare richtsnoeren waartoe de Europese Raad

heeft besloten.

Artikel 30

Strategische rapportage door de Europese Commissie

en gedachtewisseling over het cohesiebeleid

  • 1. 
    Voor het eerst in 2008 neemt de Commissie in haar jaarlijkse voortgangsverslag voor de

voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad een hoofdstuk op met een samenvatting van

de in artikel 29, lid 1, bedoelde verslagen van de lidstaten, met name de vooruitgang bij de

verwezenlijking van de EU-prioriteiten inzake het bevorderen van het concurrentie-

vermogen en het scheppen van banen, inclusief het bereiken van de doelstellingen van de

geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid (2005-2008), zoals bepaald in

artikel 9, lid 3.

  • 2. 
    In 2010 en 2013 dient de Commissie uiterlijk op 1 april een strategisch verslag in met een

samenvatting van de in artikel 29, lid 2, bedoelde verslagen van de lidstaten. Het zal, in

voorkomend geval, worden opgenomen als een specifieke afdeling van het in artikel 159

van het Verdrag bedoelde verslag.

  • 3. 
    De Raad zal zich zo spoedig mogelijk na publicatie over het in lid 2 genoemde strategisch

Artikel 31

Cohesieverslag

  • 1. 
    Het in artikel 159 van het Verdrag bedoelde verslag van de Commissie bevat met name:
  • a) 
    een balans van de vooruitgang op het gebied van de economische en sociale samen-

hang, inclusief de sociaal-economische situatie en ontwikkeling van de regio's, en de

integratie van de communautaire prioriteiten;

  • b) 
    een balans van de rol van de Fondsen, de EIB en de andere financierings-

instrumenten, en het effect van andere communautaire en nationale beleidstakken op

de gemaakte vorderingen.

  • 2. 
    Het verslag bevat ook, indien nodig,
  • a) 
    eventuele voorstellen voor communautaire acties en beleidsmaatregelen die dienen te

worden aangenomen om de economische en sociale samenhang te versterken;

  • b) 
    de eventueel in de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie aan te

brengen aanpassingen die nodig zijn om de veranderingen in het communautaire

beleid te weerspiegelen.

TITEL III

PROGRAMMERING

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE STRUCTUURFONDSEN

EN HET COHESIEFONDS

Artikel 32

Opstelling en goedkeuring van operationele programma's

  • 1. 
    Het optreden van de Fondsen in de lidstaten verloopt via operationele programma's die

passen in het nationale strategische referentiekader. Elk operationeel programma heeft

betrekking op een periode tussen 1 januari 2007 en 31 december 2013. Een operationeel

programma heeft slechts betrekking op een van de drie in artikel 3 bedoelde doelstellingen,

tenzij de Commissie en de lidstaat daarover anders beslissen.

  • 2. 
    Elk operationeel programma wordt opgesteld door de lidstaat of een door de lidstaat

aangewezen instantie, in samenwerking met de in artikel 11 bedoelde partners.

  • 3. 
    Zo spoedig mogelijk, en uiterlijk vijf maanden na de aanneming van de communautaire

strategische richtsnoeren inzake cohesie bedoeld in artikel 26, dient de lidstaat bij de

Commissie een voorstel voor een operationeel programma in dat alle in artikel 37 bedoelde

onderdelen bevat.

  • 4. 
    De Commissie beoordeelt het voorgestelde operationele programma om na te gaan of het

bijdraagt tot de doelstellingen en de prioriteiten van het nationale strategische referentie-

kader en tot de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie. Indien de

Commissie binnen twee maanden na ontvangst van het operationele programma van

oordeel is dat een operationeel programma niet bijdraagt tot de verwezenlijking van de

doelstellingen van het nationale strategische referentiekader en de communautaire

strategische richtsnoeren inzake cohesie, kan zij de lidstaat verzoeken haar alle nodige

aanvullende informatie ter beschikking te stellen en in voorkomend geval het voorgestelde

programma dienovereenkomstig te herzien.

  • 5. 
    De Commissie keurt zo spoedig mogelijk, en uiterlijk vier maanden na de formele

indiening ervan door de lidstaat, doch evenwel niet vóór 1 januari 2007, elk operationeel

programma goed.

Artikel 33

Herziening van operationele programma's

  • 1. 
    Op initiatief van de lidstaat of van de Commissie kunnen operationele programma's in

overeenstemming met de betrokken lidstaat opnieuw worden onderzocht en, indien nodig,

voor het resterende gedeelte van de programmeringsperiode worden herzien in een of meer

van de volgende gevallen:

  • a) 
    ingeval zich aanzienlijke sociaal-economische wijzigingen hebben voorgedaan,
  • b) 
    om meer of op een andere wijze rekening te houden met belangrijke wijzigingen in

de communautaire, nationale of regionale prioriteiten,

  • c) 
    in het licht van de in artikel 48, lid 3, bedoelde evaluatie, of
  • d) 
    wegens moeilijkheden bij de uitvoering.

Zonodig worden de operationele programma's herzien na de toewijzing van de in de

artikelen 50 en 51 bedoelde reserves.

  • 2. 
    Als een lidstaat formeel een verzoek tot herziening van een operationeel programma

indient, neemt de Commissie daarover zo spoedig mogelijk en uiterlijk drie maanden nadat

het verzoek door de lidstaat formeel is ingediend, een besluit.

Artikel 34

Specifiek karakter van de Fondsen

  • 1. 
    Onverminderd lid 3 worden operationele programma's uit slechts één Fonds gefinancierd.
  • 2. 
    Onverminderd de afwijkende bepalingen in de specifieke verordeningen betreffende de

Fondsen, kunnen uit het EFRO en het ESF, op aanvullende wijze en voor ten hoogste 10%

communautaire financiering per prioriteit van een operationeel programma, maatregelen

worden gefinancierd die binnen het toepassingsgebied van de bijstandsverlening van het

andere Fonds vallen, op voorwaarde dat zij noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van

de concrete actie en er rechtstreeks verband mee houden.

  • 3. 
    In de lidstaten die bijstand uit het Cohesiefonds ontvangen, verlenen het EFRO en het

Cohesiefonds gezamenlijk bijstand voor de operationele programma's voor vervoers-

infrastructuur en milieu, inclusief voor grote projecten.

Artikel 35

Geografisch toepassingsgebied

  • 1. 
    De operationele programma's die in het kader van de convergentiedoelstelling worden

ingediend, worden opgesteld op het passende geografische niveau, en minstens op het

regionale niveau NUTS II.

  • 2. 
    De operationele programma's die in het kader van de doelstelling "regionaal concurrentie-

vermogen en werkgelegenheid" worden ingediend, worden voor regio's die in aanmerking

komen voor financiering uit het EFRO, opgesteld op de regionale niveaus NUTS I of

NUTS II volgens de eigen institutionele inrichting van de lidstaat, tenzij de Commissie en

de lidstaat daarover anders beslissen. Als de operationele programma's uit het ESF worden

gefinancierd, worden zij door de lidstaat op het passende niveau opgesteld.

  • 3. 
    De operationele programma's die in het kader van de doelstelling "Europese territoriale

samenwerking" voor grensoverschrijdende samenwerking worden ingediend, worden in de

regel opgesteld per grens of groep grenzen in een passende groepering op het niveau

NUTS III, met inbegrip van enclaves. De operationele programma's die in het kader van de

doelstelling "Europese territoriale samenwerking" voor transnationale samenwerking

worden ingediend, worden opgesteld op het niveau van de zones voor transnationale

samenwerking. De programma's voor interregionale samenwerking en uitwisseling van

ervaringen hebben betrekking op het gehele grondgebied van de Gemeenschap.

Artikel 36

Deelname van de Europese Investeringsbank en

het Europees Investeringsfonds

  • 1. 
    De EIB en het EIF kunnen overeenkomstig hun statuten deelnemen aan de programmering

van de bijstandsverlening uit de Fondsen.

  • 2. 
    De EIB en het EIF kunnen op verzoek van de lidstaten deelnemen aan de opstelling van de

nationale strategische referentiekaders en de operationele programma's, en aan activiteiten

in verband met de voorbereiding van projecten, met name grote projecten, financierings-

regelingen en publiek-private partnerschappen. In overleg met de EIB en het EIF kan de

lidstaat de toegekende leningen concentreren op één of meer prioriteiten van een

operationeel programma, met name op het gebied van innovatie en kenniseconomie,

menselijke hulpbronnen, het milieu en projecten voor basisinfrastructuur.

  • 3. 
    De Commissie kan de EIB en het EIF raadplegen voordat zij het in artikel 28, lid 3,

bedoelde besluit en de operationele programma's goedkeurt. Die raadpleging heeft met

name betrekking op de operationele programma's die een indicatieve lijst van grote

projecten bevatten of op programma's die, gezien de aard van hun prioriteiten, leningen of

andere vormen van marktfinanciering kunnen aantrekken.

  • 4. 
    De Commissie kan, als zij dit nuttig acht voor de beoordeling van grote projecten, de EIB

verzoeken de technische kwaliteit en de economische en financiële levensvatbaarheid van

die projecten te onderzoeken, met name wat betreft de toe te passen of te ontwikkelen

financiële instrumenten.

  • 5. 
    Voor de uitvoering van dit artikel kan de Commissie een subsidie toekennen aan het EIB

of het EIF.

HOOFDSTUK II

INHOUD VAN DE PROGRAMMERING

DEEL 1

OPERATIONELE PROGRAMMA'S

Artikel 37

Operationele programma's voor de convergentiedoelstelling en voor

de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid"

  • 1. 
    Operationele programma's voor de convergentiedoelstelling en voor de doelstelling

"regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" bevatten:

  • a) 
    een analyse van de situatie van het subsidiabele gebied of de subsidiabele sector wat

de sterke en de zwakke punten betreft, en de strategie die op basis daarvan is

gekozen;

  • b) 
    de motivering van de gekozen prioriteiten in het licht van de communautaire

strategische richtsnoeren inzake cohesie, het nationale strategische referentiekader,

alsmede de resultaten die blijkens de in artikel 48 bedoelde voorafgaande evaluatie

mogen worden verwacht;

  • c) 
    gegevens over de prioritaire zwaartepunten en de bijbehorende specifieke doelen.

Deze doelstellingen worden gekwantificeerd aan de hand van een beperkt aantal

indicatoren voor de output en de resultaten, waarbij rekening wordt gehouden met

het evenredigheidsbeginsel. De indicatoren moeten het mogelijk maken de

vorderingen ten opzichte van de uitgangssituatie te meten, alsmede de doeltreffend-

heid van de doelstellingen waarmee de prioritaire zwaartepunten worden uitgevoerd;

  • d) 
    ter informatie een indicatieve uitsplitsing per categorie van het geprogrammeerde

gebruik van de bijdragen uit de Fondsen aan het operationele programma overeen-

komstig de uitvoeringsbepalingen van deze verordening die de Commissie volgens

de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure heeft vastgesteld;

  • e) 
    een financieringsplan met twee tabellen:
  • i) 
    een eerste tabel waarin het voor de bijdrage uit elk Fonds beoogde totaalbedrag

overeenkomstig de artikelen 52, 53 en 54 per jaar wordt uitgesplitst. In het

financieringsplan wordt afzonderlijk aangegeven welke kredieten binnen de

totale jaarlijkse bijdrage uit de Structuurfondsen worden uitgetrokken voor

regio's die overgangssteun ontvangen. De per jaar geplande bijdrage uit de

Fondsen moet verenigbaar zijn met het geldende financiële kader, rekening

houdend met de in punt 6 van bijlage II vastgestelde degressieve ontwikkeling

van de kredieten,

  • ii) 
    een tweede tabel waarin voor de gehele programmeringsperiode, zowel voor

het operationele programma als voor elk prioritair zwaartepunt, het bedrag van

de totale financiële bijdrage van de Gemeenschap en van de daartegenover te

stellen nationale bijdragen wordt aangegeven, alsmede het percentage dat uit

de Fondsen wordt bijgedragen. Indien de nationale bijdrage overeenkomstig

artikel 53 uit particuliere en overheidsuitgaven bestaat, bevat de tabel een

indicatieve uitsplitsing van de particuliere en de overheidsuitgaven. Indien de

nationale bijdrage overeenkomstig artikel 53 uit overheidsuitgaven bestaat,

bevat de tabel het bedrag van de nationale overheidsbijdrage. Ter informatie

moet ook de bijdrage uit de EIB en de andere bestaande financierings-

instrumenten worden vermeld;

  • f) 
    gegevens over de eventuele complementariteit met de maatregelen die worden

gefinancierd uit het ELFPO en met die welke worden gefinancierd uit het EVF;

  • g) 
    de regelingen voor de tenuitvoerlegging van het operationele programma, die

omvatten:

  • i) 
    de aanwijzing door de lidstaat van alle in artikel 59 genoemde instanties of, als

de lidstaat de in artikel 74 omschreven mogelijkheid toepast, de aanwijzing van

andere instanties en de vaststelling van andere procedures overeenkomstig

artikel 74,

  • iii) 
    inlichtingen over de instantie die bevoegd is voor het ontvangen van de door de

Commissie verrichte betalingen, en een of meer instanties die verantwoordelijk

zijn voor het verrichten van de betalingen aan de begunstigden,

  • iv) 
    een omschrijving van de procedures voor de beschikbaarstelling en de over-

making van de financiële middelen, om de doorzichtigheid van deze geld-

stromen te waarborgen,

  • v) 
    de elementen gericht op publiciteit en voorlichting omtrent het operationele

programma als bedoeld in artikel 69,

  • vi) 
    een beschrijving van de tussen de Commissie en de lidstaat overeengekomen

procedures voor de uitwisseling van computergegevens om te kunnen voldoen

aan de in deze verordening gestelde eisen met betrekking tot de betaling, het

toezicht en de evaluatie;

  • h) 
    een indicatieve lijst van de grote projecten in de zin van artikel 39 die de Commissie

in de programmeringsperiode wellicht ter goedkeuring zullen worden voorgelegd.

  • 2. 
    De operationele programma's voor vervoersinfrastructuur en milieu die gezamenlijk uit het

EFRO en het Cohesiefonds worden gefinancierd, bevatten een prioritair zwaartepunt van

elk Fonds en worden gefinancierd via een specifieke vastlegging per Fonds.

  • 3. 
    Onverminderd artikel 5, laatste alinea, van Verordening (EG) nr. .../... wordt in elk

operationeel programma in het kader van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen

en werkgelegenheid" een verantwoording gegeven voor de thematische, geografische en

financiële concentratie op de prioriteiten die zijn vastgesteld in respectievelijk artikel 5 van

die verordening en artikel 4 van Verordening (EG) nr. .../...

.

  • 4. 
    Daarnaast bevatten de uit het EFRO gefinancierde operationele programma's voor de

convergentiedoelstelling en de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werk-

gelegenheid":

  • a) 
    in voorkomend geval, gegevens over de aanpak van duurzame stadsontwikkeling;
  • b) 
    een specifiek prioritair zwaartepunt voor de maatregelen die worden gefinancierd uit

de in punt 20 van bijlage II bedoelde extra toewijzing, in operationele programma's

voor bijstandsverlening aan de ultraperifere regio's.

  • 5. 
    Operationele programma's waarop een of meer van de in de aanvullende bepaling van

bijlage II bedoelde specifieke toewijzingen betrekking hebben, moeten informatie bevatten

over de procedures die moeten worden gevolgd bij de toewijzing van en het toezicht op

deze specifieke toewijzingen.

  • 6. 
    Op initiatief van de lidstaat kunnen de uit het EFRO gefinancierde operationele

programma's, wat de convergentiedoelstelling en de doelstelling "regionaal concurrentie-

vermogen en werkgelegenheid" betreft, ook de volgende elementen bevatten:

  • a) 
    de lijst van de steden die gekozen zijn voor de aanpak van de stadsproblematiek en

de procedures voor subdelegatie aan de stedelijke autoriteiten, eventueel via een

globale subsidie;

  • b) 
    acties voor interregionale samenwerking met ten minste één regio of plaatselijke

overheden van een andere lidstaat per regionaal programma.

  • 7. 
    Op initiatief van de betrokken lidstaat kunnen de operationele programma's van het ESF,

wat de convergentiedoelstelling en de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en

werkgelegenheid" betreft, ook een horizontale aanpak of een specifieke prioriteit voor

interregionale en transnationale acties bevatten waarbij de nationale, regionale of lokale

autoriteiten van ten minste één andere lidstaat betrokken zijn.

Artikel 38

Operationele programma's voor

de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"

Voor de operationele programma's in het kader van de doelstelling "Europese territoriale

samenwerking" worden specifieke voorschriften voor operationele programma's vastgesteld bij

DEEL 2

GROTE PROJECTEN

Artikel 39

Inhoud

Binnen een operationeel programma kunnen het EFRO en het Cohesiefonds uitgaven financieren in

verband met een concrete actie die bestaat uit een geheel aan werkzaamheden, activiteiten of

diensten dat bedoeld is om op zichzelf een ondeelbare functie van nauwkeurig omschreven

economische en technische aard te vervullen, dat op duidelijk omschreven doelstellingen is gericht

en waarvoor de totale kosten hoger zijn dan 25 miljoen euro voor milieuprojecten of hoger dan

50 miljoen euro voor projecten op andere gebieden, hierna "grote projecten".

Artikel 40

Aan de Commissie te verstrekken gegevens

De lidstaat of de beheersautoriteit verstrekt de Commissie de volgende gegevens over grote

projecten:

  • a) 
    gegevens over de voor de uitvoering verantwoordelijke instantie;
  • b) 
    gegevens over de aard van de investering en een beschrijving ervan, alsmede gegevens
  • d) 
    het tijdschema voor de uitvoering van het project en, wanneer wordt verwacht dat de

periode voor de uitvoering van de betrokken concrete actie langer zal zijn dan de

programmeringsperiode, de fasen waarvoor communautaire cofinanciering wordt gevraagd

voor de programmeringsperiode 2007-2013;

  • e) 
    een kosten-batenanalyse met een risicobeoordeling en de te verwachten impact op de

betrokken sector en op de sociaal-economische situatie van de lidstaat en/of de regio en,

waar mogelijk en passend, op de overige regio's van de Gemeenschap;

  • f) 
    een analyse van het milieueffect;
  • g) 
    een verantwoording van de overheidsbijdrage;
  • h) 
    het financieringsplan waarin het geplande totaalbedrag aan financiële middelen en de

geplande bijdrage uit de Fondsen, de EIB, het EIF en alle andere communautaire financie-

ringsbronnen zijn aangegeven, en dat het indicatieve jaarschema van de financiële bijdrage

uit het EFRO of het Cohesiefonds voor het grote project bevat.

De Commissie geeft aanwijzingen omtrent de voor de kosten-batenanalyse in de zin van punt e) te

gebruiken methode, zulks overeenkomstig de procedure van artikel 103, lid 2.

Artikel 41

Besluit van de Commissie

  • 1. 
    De Commissie beoordeelt het grote project, indien nodig met behulp van externe

deskundigen waaronder de EIB, op basis van de in artikel 40 bedoelde elementen, de

samenhang met de prioriteiten van het operationele programma, de bijdrage tot het

bereiken van de doelstellingen van deze prioriteiten en de coherentie met de andere

beleidstakken van de Gemeenschap.

  • 2. 
    De Commissie neemt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden nadat de lidstaat of

de beheersautoriteit een groot project heeft ingediend, een besluit, mits de indiening is

geschied overeenkomstig artikel 40. In dat besluit wordt de fysieke inhoud van het project

omschreven, wordt het bedrag bepaald waarvoor het cofinancieringspercentage voor het

prioritaire zwaartepunt geldt, en wordt het jaarschema van de financiële bijdrage uit het

EFRO of het Cohesiefonds vastgesteld.

  • 3. 
    Als de Commissie weigert een financiële bijdrage van de Fondsen tot een groot project te

verlenen, geeft zij de lidstaat de redenen hiervan binnen de termijn en volgens de voor-

waarden vermeld in lid 2.

DEEL 3

GLOBALE SUBSIDIES

Artikel 42

Algemene bepalingen

  • 1. 
    De lidstaat of de beheersautoriteit mag het beheer en de uitvoering van een deel van een

operationeel programma toevertrouwen aan één of meer door de lidstaat of de beheers-

autoriteit aangewezen bemiddelende instanties, waaronder plaatselijke overheden, instan-

ties die actief zijn op het gebied van de regionale ontwikkeling en niet-gouvernementele

organisaties, volgens een tussen de lidstaten of de beheersautoriteit en die instantie

gesloten overeenkomst.

Deze delegatie doet geen afbreuk aan de financiële verantwoordelijkheid van de beheers-

autoriteit en van de lidstaten.

  • 2. 
    De voor het beheer van de globale subsidie verantwoordelijke bemiddelende instantie moet

garanties verstrekken omtrent haar solvabiliteit en haar competentie op het betrokken

werkterrein en inzake administratief en financieel beheer. Normaliter moet zij gevestigd of

vertegenwoordigd zijn in de regio of regio's waarop het operationele programma op het

ogenblik van de aanwijzing betrekking heeft.

Artikel 43

Uitvoeringsregels

In de in artikel 42, lid 1, eerste alinea, bedoelde overeenkomst worden met name vermeld:

  • a) 
    de soorten concrete acties die voor een globale subsidie in aanmerking komen;
  • b) 
    de criteria voor de selectie van de begunstigden;
  • c) 
    de percentages van de bijstand uit de Fondsen, en de voorschriften betreffende die

bijstandsverlening, met inbegrip van die inzake het gebruik van eventueel verkregen rente;

  • d) 
    de nadere regels om ten aanzien van de beheersautoriteit te garanderen dat toezicht wordt

gehouden op, evaluaties worden gemaakt van en financiële controle wordt verricht op de

globale subsidie, als bedoeld in artikel 59, lid 1, inclusief de bepalingen voor de terug-

vordering van onverschuldigd betaalde bedragen en voor het presenteren van de

rekeningen;

  • e) 
    in voorkomend geval, het gebruik van een financiële garantie of een soortgelijke voor-

ziening, tenzij de lidstaat of de beheersautoriteit een dergelijke garantie verstrekt over-

eenkomstig de institutionele bepalingen van iedere lidstaat.

DEEL 4

FINANCIËLE INSTRUMENTERING

Artikel 44

Acties op het gebied van financiële instrumentering

Binnen een operationeel programma kunnen de Structuurfondsen uitgaven financieren in verband

met een concrete actie die bestaat uit acties op het gebied van financiële instrumentering voor

ondernemingen, voornamelijk het midden- en kleinbedrijf, zoals risicokapitaalfondsen, garantie-

fondsen en leningsfondsen, en op fondsen voor stadsontwikkeling, dit wil zeggen fondsen die in

publiek-private partnerschappen en andere projecten die deel uitmaken van een geïntegreerd plan

voor duurzame stadsontwikkeling investeren.

Worden deze concrete acties georganiseerd door holdingfondsen, dat wil zeggen fondsen die zijn

opgericht om te investeren in verscheidene risicokapitaalfondsen, garantiefondsen, leningsfondsen

en stadsontwikkelingsfondsen, dan voert de lidstaat of de beheersautoriteit deze uit op één of meer

van de volgende wijzen:

  • a) 
    het plaatsen van een overheidsopdracht overeenkomstig het toepasselijke recht inzake

overheidsopdrachten

  • b) 
    in andere gevallen, indien het voorwerp van de overeenkomst niet een overheidsopdracht

DEEL 5

TECHNISCHE BIJSTAND

Artikel 45

Technische bijstand op initiatief van de Commissie

  • 1. 
    De Fondsen kunnen tot 0,25% van hun respectieve jaarlijkse toewijzing gebruiken om op

initiatief en/of voor rekening van de Commissie acties te financieren op het gebied van

voorbereiding, toezicht, administratieve en technische ondersteuning, evaluatie, audit en

inspectie die voor de uitvoering van deze verordening nodig zijn.

Deze acties omvatten met name:

  • a) 
    bijstand voor projectvoorbereiding en -beoordeling, in voorkomend geval ook met de

EIB via een subsidie of andere samenwerkingsvormen;

  • b) 
    studies in verband met de opstelling van de communautaire strategische richtsnoeren

inzake cohesie, de verslaglegging van de Commissie over het cohesiebeleid en het

driejaarlijkse cohesieverslag;

  • c) 
    evaluaties, deskundigenverslagen, statistieken en studies, met inbegrip van die van

algemene aard betreffende het optreden van de Fondsen, die in voorkomend geval

door de EIB of het EIF door middel van een subsidie of ander vormen van samen-

werking kunnen worden uitgevoerd;

  • d) 
    maatregelen die zijn bedoeld voor de partners, de begunstigden van de bijstand uit de

Fondsen en het grote publiek, waaronder voorlichtingsmaatregelen;

  • e) 
    maatregelen met het oog op informatieverspreiding, netwerkvorming, bewustmaking,

bevordering van samenwerking en uitwisseling van ervaring in de hele Unie;

  • f) 
    het opzetten, doen functioneren en onderling koppelen van computersystemen voor

het beheer, het toezicht, de inspectie en de evaluatie;

  • g) 
    de verbetering van de evaluatiemethoden en de uitwisseling van informatie over de

praktijken op dit gebied.

  • 2. 
    Als voor de in lid 1 bedoelde acties in een bijdrage uit het EFRO of het Cohesiefonds is

voorzien, neemt de Commissie een besluit over het soort acties volgens de in artikel 103,

lid 2, bedoelde procedure.

  • 3. 
    Als voor de in lid 1 van dit artikel genoemde acties in een bijdrage uit het ESF is voorzien,

neemt de Commissie, na raadpleging van het in artikel 104 genoemde comité, een besluit

over het soort acties volgens de in artikel 103, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 46

Technische bijstand van de lidstaten

  • 1. 
    Op initiatief van de lidstaten kunnen de Fondsen acties op het gebied van voorbereiding,

beheer, toezicht, evaluatie, voorlichting en controle van operationele programma's

financieren, alsmede acties om de bestuurlijke capaciteit voor de uitvoering van de

Fondsen te versterken; voor de financiering van deze acties gelden de volgende maxima:

  • a) 
    4% van het totale bedrag dat is toegewezen in het kader van de convergentie-

doelstelling en van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werk-

gelegenheid";

  • b) 
    6% van het totale bedrag dat is toegewezen in het kader van de doelstelling

"Europese territoriale samenwerking".

  • 2. 
    Voor elk van de drie doelstellingen geldt dat acties op het gebied van technische bijstand

binnen de in lid 1 genoemde limieten in principe binnen het kader van elk operationeel

programma moeten plaatsvinden. Bij wijze van aanvulling mogen dergelijke acties

gedeeltelijk als specifiek operationeel programma worden opgezet, op voorwaarde dat ze

de in lid 1 genoemde algemene limieten voor technische bijstand niet overschrijden.

  • 3. 
    Wanneer een lidstaat besluit tot acties op het gebied van technische bijstand voor elk

operationeel programma afzonderlijk, dan mag het aandeel van het totaalbedrag van de

In dit geval mogen acties op het gebied van technische bijstand ook als specifiek

operationeel programma worden opgezet, op voorwaarde dat het totaalbedrag van de

uitgaven voor technische bijstand in het kader van zo'n specifiek programma er niet toe

leidt dat het totale aandeel van de voor technische bijstand toegekende middelen de in lid 1

genoemde limieten overschrijdt.

TITEL IV

DOELTREFFENDHEID

HOOFDSTUK I

EVALUATIE

Artikel 47

Algemene bepalingen

  • 1. 
    Evaluaties hebben tot doel de kwaliteit, de doeltreffendheid en de samenhang van de

bijstandsverlening uit de Fondsen, en de strategie en uitvoering van de operationele

programma's te verbeteren in het licht van de specifieke structurele problemen waarmee de

betrokken lidstaten en regio's te kampen hebben, waarbij rekening wordt gehouden met de

doelstelling van duurzame ontwikkeling en met de relevante communautaire regelgeving

inzake milieueffect en strategische milieueffectrapportage.

  • 3. 
    De evaluaties worden, naar gelang van het geval, onder verantwoordelijkheid van de

lidstaat of van de Commissie uitgevoerd, met inachtneming van het in artikel 13 vast-

gestelde evenredigheidsbeginsel.

De evaluaties worden uitgevoerd door interne of externe deskundigen of instanties die

onafhankelijk opereren van de in artikel 59, onder b) en c), bedoelde autoriteiten. De

resultaten van de evaluatie worden bekendgemaakt overeenkomstig de toepasselijke

voorschriften inzake de toegang tot documenten.

  • 4. 
    De evaluaties worden gefinancierd uit het budget voor technische bijstand.
  • 5. 
    De Commissie geeft aanwijzingen met betrekking tot de evaluatiemethoden, inclusief

kwaliteitsnormen, volgens de in artikel 103, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 48

Verantwoordelijkheid van de lidstaten

  • 1. 
    De lidstaten stellen de middelen ter beschikking die voor het maken van de evaluaties

nodig zijn, organiseren de productie en verzameling van de vereiste gegevens en gebruiken

de verschillende soorten gegevens die het toezichtsysteem oplevert.

Voorts kunnen zij, in voorkomend geval, in het kader van de convergentiedoelstelling

overeenkomstig het in artikel 13 vastgestelde evenredigheidsbeginsel een evaluatieplan

opstellen dat op indicatieve wijze de evaluatie-activiteiten weergeeft die de lidstaat van

  • 2. 
    De lidstaten voeren een voorafgaande evaluatie uit voor elk operationeel programma dat

afzonderlijk voor de convergentiedoelstelling is opgesteld. In naar behoren gemotiveerde

gevallen mag een lidstaat met inachtneming van het in artikel 13 bedoelde evenredigheids-

beginsel en zoals overeengekomen tussen de Commissie en die lidstaat, voor meer dan één

operationeel programma een voorafgaande evaluatie uitvoeren.

Voor de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" maken zij

hetzij een voorafgaande evaluatie die betrekking heeft op alle operationele programma's,

hetzij een evaluatie voor elk Fonds, hetzij een evaluatie voor elke prioriteit, hetzij één

voorafgaande evaluatie voor elk operationeel programma.

Voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" verrichten de lidstaten

gezamenlijk een voorafgaande evaluatie per operationeel programma of een voorafgaande

evaluatie die op verschillende operationele programma's betrekking heeft.

De voorafgaande evaluaties worden verricht onder de verantwoordelijkheid van de

autoriteit die verantwoordelijk is voor het opstellen van de programmeringsdocumenten.

De voorafgaande evaluatie heeft tot doel tot een optimale toewijzing van de begrotings-

middelen voor de operationele programma's te komen en de kwaliteit van de

programmering te verbeteren. Zij omvat de bepaling en beoordeling van: de afwijkingen,

lacunes en ontwikkelingsmogelijkheden, de te bereiken doelstellingen, de verwachte

resultaten, de gekwantificeerde doelstellingen, indien nodig de coherentie van de voor de

regio voorgestelde strategie, de meerwaarde van het optreden van de Gemeenschap, de

mate waarin rekening is gehouden met de communautaire prioriteiten, de uit de voor-

gaande programmering getrokken lering en de kwaliteit van de procedures voor tenuit-

voerlegging, toezicht, evaluatie en financieel beheer.

  • 3. 
    Tijdens de programmeringsperiode verrichten de lidstaten evaluaties die gerelateerd zijn

aan het toezicht op de operationele programma's, met name wanneer uit het toezicht op de

programma's blijkt dat aanzienlijk wordt afgeweken van de oorspronkelijk gestelde doelen,

of wanneer voorstellen voor de herziening van operationele programma's worden gedaan

als bedoeld in artikel 33. De resultaten worden toegezonden aan het toezichtcomité voor

het operationele programma en aan de Commissie.

Artikel 49

Verantwoordelijkheden van de Commissie

  • 1. 
    De Commissie kan strategische evaluaties verrichten.
  • 2. 
    De Commissie kan op eigen initiatief en in partnerschap met de betrokken lidstaat
  • 3. 
    De Commissie verricht in nauwe samenwerking met de lidstaat en de beheersautoriteiten

voor elke doelstelling een evaluatie achteraf.

In deze evaluatie, die betrekking heeft op alle operationele programma's die voor een doel-

stelling zijn opgesteld, worden de mate waarin de middelen zijn besteed, de doeltreffend-

heid en de efficiëntie van de programmering van de Fondsen en de sociaal-economische

impact onderzocht.

Deze evaluatie wordt verricht voor elke doelstelling en heeft tot doel conclusies te trekken

voor het beleid inzake economische en sociale cohesie.

Hierbij wordt nagegaan welke factoren tot het succes of het mislukken van de uitvoering

van de operationele programma's hebben bijgedragen, en wordt bepaald wat als goede

praktijk kan worden aangemerkt.

De evaluatie achteraf moet uiterlijk op 31 december 2015 voltooid zijn.

HOOFDSTUK II

RESERVES

Artikel 50

Nationale prestatiereserve

  • 2. 
    Wanneer een lidstaat heeft besloten een dergelijke reserve aan te leggen, bepaalt hij

uiterlijk op 30 juni 2011 voor elk van de doelstellingen de prestaties van zijn operationele

programma's.

  • 3. 
    Uiterlijk op 31 december 2011 legt de Commissie, op basis van voorstellen van elke

lidstaat en in nauw overleg ermee, de nationale prestatiereserve vast.

Artikel 51

Nationale reserve voor onvoorziene uitgaven

Een lidstaat mag op eigen initiatief een reserve aanleggen ten bedrage van 1% van de jaarlijkse

bijdrage uit de Structuurfondsen voor de convergentiedoelstelling en ten bedrage van 3% van de

jaarlijkse bijdrage uit de Structuurfondsen voor de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en

werkgelegenheid", waarmee hij kan reageren op onvoorziene lokale of sectorale crisissen als gevolg

van de economische en sociale herstructurering of op de gevolgen van de vrijmaking van de handel.

De lidstaat mag de reserve voor elke doelstelling voor een specifiek nationaal programma of in het

kader van operationele programma's vastleggen.

TITEL V

FINANCIËLE BIJDRAGE UIT DE FONDSEN

HOOFDSTUK I

BIJDRAGE UIT DE FONDSEN

Artikel 52

Differentiëring van de bijdragepercentages

De bijdrage uit de Fondsen kan worden gedifferentieerd in het licht van de volgende elementen:

  • a) 
    de ernst van de specifieke, met name economische, sociale of territoriale problemen;
  • b) 
    het belang van elk prioritair zwaartepunt voor de prioriteiten van de Gemeenschap, zoals

die in de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie zijn vastgesteld, alsook

voor de nationale en regionale prioriteiten;

  • c) 
    milieubescherming en -verbetering, vooral door de toepassing van het voorzorgsbeginsel,

het beginsel van het preventief optreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt;

  • d) 
    de financiële inbreng van de privé-sector op de betrokken gebieden, met name in het kader

van publiek-private partnerschappen;

  • e) 
    de opneming van de interregionale samenwerking als bedoeld in artikel 37, lid 5, onder b),

in het kader van de convergentiedoelstelling en de doelstelling "regionaal concurrentie-

vermogen en werkgelegenheid";

  • f) 
    opneming in het kader van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werk-

gelegenheid" van zones met een geografische of natuurlijke handicap die als volgt worden

omschreven:

  • i) 
    insulaire lidstaten die voor bijstand uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, en

andere eilanden, behalve die waar de hoofdstad van een lidstaat gevestigd is of die

een vaste verbinding met het vasteland hebben,

  • ii) 
    berggebieden als gedefinieerd in de nationale wetgeving van de lidstaat,
  • iii) 
    zones die dunbevolkt (minder dan 50 inwoners per vierkante kilometer) of zeer

dunbevolkt zijn (minder dan 8 inwoners per vierkante kilometer),

  • iv) 
    zones die op 30 april 2004 buitengrenzen van de Gemeenschap vormden en dat sinds

die datum niet meer zijn.

Artikel 53

Bijdrage uit de Fondsen

  • 1. 
    De bijdrage uit de Fondsen wordt op het niveau van het operationeel programma berekend

onder verwijzing naar:

  • a) 
    ofwel het totaal van de subsidiabele uitgaven (publieke en particuliere);
  • b) 
    ofwel de subsidiabele overheidsuitgaven.
  • 2. 
    Voor de bijdrage uit de Fondsen op het niveau van het operationele programma in het

kader van de convergentiedoelstelling en de doelstelling "regionaal concurrentievermogen

en werkgelegenheid" gelden de in bijlage III vastgestelde maxima.

  • 3. 
    Voor operationele programma's in het kader van de doelstelling "Europese territoriale

samenwerking" waarbij ten minste één deelnemer aan het operationele programma behoort

tot de lidstaten waarvan het BBP per hoofd van de bevolking voor de periode van 2001 tot

en met 2003 lager was dan 85% van het gemiddelde van de EU-25 tijdens dezelfde

periode, mag de bijdrage uit het EFRO niet hoger zijn dan 85% van de totale subsidiabele

uitgaven. Voor alle andere operationele programma's mag de bijdrage uit het EFRO niet

hoger zijn dan 75% van de voor cofinanciering uit het EFRO in aanmerking komende

subsidiabele overheidsuitgaven.

  • 4. 
    De in lid 3 en bijlage III vastgestelde maxima gelden niet voor de bijdragen uit de Fondsen

op het niveau van de prioritaire zwaartepunten. Zij worden evenwel zo vastgesteld dat de

op het niveau van het operationele programma vastgestelde maximumbedragen voor

bijdragen uit de Fondsen en het maximale bijdragepercentage per Fonds worden

geëerbiedigd.

  • 5. 
    Voor operationele programma's die gezamenlijk worden medegefinancierd door:
  • a) 
    het EFRO en het Cohesiefonds, of
  • b) 
    de extra toewijzing voor perifere regio's overeenkomstig bijlage II, het EFRO en/of

het Cohesiefonds,

worden in de beschikking waarbij het operationele programma wordt vastgesteld, het

maximumpercentage en het maximumbedrag van de bijdrage van elk Fonds en van elke

toewijzing afzonderlijk vastgesteld.

  • 6. 
    Het maximumpercentage en het maximumbedrag van de bijdrage van het Fonds worden

per operationeel programma en per prioritair zwaartepunt vastgesteld in het besluit van de

Commissie waarbij het operationele programma wordt vastgesteld. De kredieten die

worden toegewezen aan regio's die overgangssteun krijgen, worden in het besluit

afzonderlijk aangegeven.

Artikel 54

Overige bepalingen

  • 1. 
    De bijdrage uit de Fondsen mag per prioritair zwaartepunt niet lager zijn dan 20% van de

subsidiabele overheidsuitgaven.

  • 2. 
    Maatregelen op het gebied van technische bijstand die op initiatief of voor rekening van de

Commissie worden uitgevoerd, kunnen voor 100% worden gefinancierd.

  • 3. 
    Tijdens de in artikel 56, lid 1, bedoelde subsidiabiliteitsperiode:
  • a) 
    kan uit slechts één Fonds tegelijk en voor één doelstelling tegelijk bijstand voor een

bepaald prioritair zwaartepunt worden verleend;

  • b) 
    kan voor een concrete actie slechts in het kader van één operationeel programma

tegelijk bijstand uit een Fonds worden verleend.

  • c) 
    mag de bijstand uit een Fonds voor een concrete actie niet hoger zijn dan de

toegewezen totale overheidsuitgaven.

  • 4. 
    Voor overheidssteun voor bedrijven in de zin van artikel 87 van het Verdrag moeten de

maxima inzake staatssteun in acht worden genomen.

  • 5. 
    Voor uitgaven die uit de Fondsen worden gecofinancierd, mag geen bijstand uit andere

HOOFDSTUK II

INKOMSTENGENERERENDE PROJECTEN

Artikel 55

Inkomstengenererende projecten

  • 1. 
    Voor de toepassing van deze verordening worden onder inkomstengenererend project

concrete acties verstaan die betrekking hebben op een investering in infrastructuur voor het

gebruik waarvan de gebruikers een vergoeding betalen, of concrete acties die betrekking

hebben op de verkoop of de verhuur van land of gebouwen of de levering van diensten

tegen betaling.

  • 2. 
    De subsidiabele uitgaven voor inkomstengenererende projecten mogen niet hoger zijn dan

de investeringskosten na aftrek van de actuele waarde van de netto-inkomsten die de

investering tijdens een bepaalde referentieperiode heeft opgeleverd voor

  • a) 
    investeringen in infrastructuur, of
  • b) 
    andere projecten waarbij de inkomsten van tevoren objectief kunnen worden

geraamd.

Indien niet alle investeringskosten voor medefinanciering in aanmerking komen, worden

  • 3. 
    Wanneer de inkomsten niet tevoren objectief kunnen worden geraamd, worden de binnen

vijf jaar na voltooiing van een actie gegenereerde inkomsten afgetrokken van de aan de

Commissie gedeclareerde uitgaven. Deze aftrek wordt uiterlijk bij de gedeeltelijke of bij de

definitieve afsluiting van het operationele programma door de certificeringsautoriteit

verricht. De definitieve betalingsaanvraag wordt dienovereenkomstig aangepast.

  • 4. 
    Indien uiterlijk drie jaar na de afsluiting van het operationele programma wordt vastgesteld

dat een concrete actie inkomsten heeft gegenereerd die niet in aanmerking zijn genomen

uit hoofde van de leden 2 en 3, worden die inkomsten naar rato van de bijdrage uit de

Fondsen teruggestort in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

  • 5. 
    Onverminderd hun verplichtingen uit hoofde van artikel 70, lid 1, kunnen de lidstaten

procedures vaststellen waarmee toezicht wordt gehouden op inkomsten die zijn

gegenereerd door acties met een totale kostprijs van minder dan 200.000 euro, en die in

verhouding staan tot de betrokken bedragen.

  • 6. 
    Dit artikel is niet van toepassing op projecten waarvoor de voorschriften inzake staatssteun

in de zin van artikel 87 van het Verdrag gelden.

HOOFDSTUK III

SUBSIDIABILITEIT VAN DE UITGAVEN

Artikel 56

Subsidiabiliteit van de uitgaven

  • 1. 
    Uitgaven, ook voor grote projecten, komen in aanmerking voor een bijdrage uit de

Fondsen als zij daadwerkelijk zijn betaald tussen de datum van indiening van de

operationele programma's bij de Commissie of 1 januari 2007, waarbij de vroegste datum

bepalend is, en 31 december 2015. De concrete acties mogen niet vóór de begindatum van

de subsidiabiliteit zijn voltooid.

  • 2. 
    In afwijking van lid 1 kunnen bijdragen in natura, afschrijvingskosten en begeleidende

maatregelen onder de volgende voorwaarden worden beschouwd als uitgaven die de

begunstigden voor de uitvoering van concrete acties hebben betaald:

  • a) 
    de in lid 4 opgenomen subsidiabiliteitsregels bepalen dat deze uitgaven subsidiabel

zijn;

  • b) 
    het bedrag van de uigaven wordt verantwoord door boekhoudkundige stukken met

dezelfde bewijskracht als facturen;

  • c) 
    voor bijdragen in natura bedraagt de cofinanciering uit de Fondsen niet meer dan het

totaal van de subsidiabele uitgaven met uitsluiting van de waarde van deze bijdragen.

  • 3. 
    Uitgaven komen slechts voor een bijdrage uit de Fondsen in aanmerking als zij worden

gedaan voor concrete acties waartoe door of onder verantwoordelijkheid van de beheers-

autoriteit van het betrokken operationele programma is besloten volgens de vooraf door het

toezichtcomité vastgestelde criteria.

Nieuwe uitgaven die worden toegevoegd bij een wijziging van een operationeel

programma als bedoeld in artikel 33, zijn subsidiabel vanaf de datum waarop het verzoek

tot wijziging van het operationele programma bij de Commissie is ingediend.

  • 4. 
    De regels inzake de subsidiabiliteit van de uitgaven worden op nationaal niveau vastgesteld

onder voorbehoud van de uitzonderingen die bij de specifieke verordeningen voor elk

Fonds zijn vastgesteld. Zij hebben betrekking op alle uitgaven die in het kader van het

operationele programma worden gedeclareerd.

  • 5. 
    De leden 1, 2 en 3 van dit artikel laten de in artikel 45 bedoelde uitgaven onverlet.

HOOFDSTUK IV

DUURZAAMHEID VAN DE CONCRETE ACTIES

Artikel 57

Duurzaamheid van de concrete acties

  • 1. 
    De lidstaat of de beheersautoriteit ziet erop toe dat de bijdrage uit de Fondsen voor een

concrete actie alleen blijft gehandhaafd als die concrete actie gedurende vijf jaar na de vol-

tooiing van de concrete actie, dan wel drie jaar na de voltooiing van de concrete actie in de

lidstaten die ervoor hebben gekozen deze termijn te verkorten met het oog op het behoud

van investeringen of van door het MKB gecreëerde banen, geen enkele belangrijke

wijziging ondergaat

  • a) 
    die strijdig is met de aard ervan of met de uitvoeringsvoorwaarden die ervoor gelden,

of die een onderneming of overheidsinstantie onrechtmatig voordeel oplevert en

  • b) 
    die het gevolg is van hetzij een verandering in de aard van de eigendom van een

infrastructuurvoorziening, hetzij de beëindiging van een productieactiviteit.

  • 2. 
    De lidstaat en de beheersautoriteit stellen de Commissie in het in artikel 67 bedoelde

verslag over de uitvoering in kennis van de wijzigingen in de zin van lid 1. De Commissie

informeert de overige lidstaten.

  • 3. 
    De onverschuldigd betaalde bedragen worden teruggevorderd overeenkomstig de

artikelen 98 tot en met 102.

  • 4. 
    De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat ondernemingen waartegen overeenkomstig

lid 3 een invorderingsprocedure loopt of heeft gelopen omdat die een productieactiviteit

binnen een lidstaat hebben verplaatst of naar een andere lidstaat hebben overgebracht, geen

bijdrage uit de Fondsen krijgen.

TITEL VI

BEHEER, TOEZICHT EN CONTROLE

HOOFDSTUK I

BEHEERS- EN CONTROLESYSTEMEN

Artikel 58

Algemene beginselen van de beheers- en controlesystemen

De door de lidstaten opgezette beheers- en controlesystemen voor de operationele programma's

voorzien in:

  • a) 
    de omschrijving van de functies van de bij het beheer en de controle betrokken instanties
  • c) 
    procedures om te zorgen voor de juistheid en regelmatigheid van de in het kader van het

operationele programma gedeclareerde uitgaven;

  • d) 
    betrouwbare geautomatiseerde systemen voor de boekhouding, het toezicht en de

financiële verslaglegging;

  • e) 
    in de gevallen waarin de verantwoordelijke instantie de uitvoering van taken aan een

andere instantie toevertrouwt, een systeem voor de verslaglegging en het toezicht;

  • f) 
    regelingen voor de auditing om na te gaan of het systeem functioneert;
  • g) 
    systemen en procedures om voor een toereikend controlespoor te zorgen;
  • h) 
    procedures voor de verslaglegging over en het toezicht op onregelmatigheden en voor de

terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.

Artikel 59

Aanwijzing van autoriteiten

  • 1. 
    Voor elk operationeel programma wijst de lidstaat aan:
  • a) 
    een beheersautoriteit: een nationale, regionale of plaatselijke openbare autoriteit of

een overheids- of particuliere instantie die door de lidstaat is aangewezen om het

operationele programma te beheren;

  • c) 
    een auditautoriteit: een nationale, regionale of plaatselijke openbare autoriteit of

overheidsinstantie die functioneel onafhankelijk is van de beheersautoriteit en van de

certificeringsautoriteit, door de lidstaat is aangewezen voor elk operationeel

programma en verantwoordelijk is voor het verifiëren van de goede werking van het

beheers- en controlesysteem.

Dezelfde autoriteit kan voor meer dan één operationeel programma worden aangewezen.

  • 2. 
    De lidstaten kunnen een of meer bemiddelende instanties aanwijzen om sommige of alle

taken van de beheers- of certificeringsautoriteit onder verantwoordelijkheid van deze

autoriteit uit te voeren.

  • 3. 
    De lidstaat stelt voorschriften vast waarbij zijn relaties met de in lid 1 bedoelde autori-

teiten, alsmede hun relaties met de Commissie worden geregeld.

Onverminderd het bepaalde in deze verordening stelt de lidstaat de onderlinge relaties vast

tussen de in lid 1 bedoelde autoriteiten, die hun taken moeten uitvoeren in volledige

overeenstemming met de institutionele, juridische en financiële systemen van de betrokken

lidstaat.

  • 4. 
    Mits artikel 58, punt b), in acht wordt genomen, mogen sommige of alle in lid 1 bedoelde

autoriteiten deel uitmaken van dezelfde instantie.

  • 5. 
    Voor de operationele programma's in het kader van de doelstelling "Europese territoriale

samenwerking" worden specifieke beheers- en controlevoorschriften vastgesteld bij

Verordening (EG) nr. .../...

.

  • 6. 
    De Commissie stelt volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure toepassings-

bepalingen voor de artikelen 60, 61 en 62 vast.

Artikel 60

Functies van de beheersautoriteit

De beheersautoriteit is ervoor verantwoordelijk dat het operationele programma overeenkomstig het

beginsel van goed financieel beheer wordt beheerd en uitgevoerd, en moet met name:

  • a) 
    erop toezien dat de concrete acties voor financiering worden geselecteerd met inacht-

neming van de voor het operationele programma geldende criteria en gedurende de hele

uitvoeringsperiode in overeenstemming zijn met de geldende communautaire en nationale

voorschriften;

  • b) 
    verifiëren of de medegefinancierde producten en diensten zijn geleverd en of de voor de

concrete acties door de begunstigden gedeclareerde uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan en

met de communautaire en nationale voorschriften in overeenstemming zijn; controles ter

plaatse van afzonderlijke concrete acties kunnen aan de hand van een steekproef worden

verricht overeenkomstig de nadere voorschriften die volgens de in artikel 103, lid 3,

bedoelde procedure door de Commissie worden vastgesteld;

  • c) 
    ervoor zorgen dat er een systeem is om boekhoudkundige gegevens over elke concrete

actie in het kader van het operationele programma in geïnformatiseerde vorm te registreren

en te bewaren, en dat de gegevens over de uitvoering die nodig zijn voor het financiële

beheer, het toezicht, de verificaties, de audits en de evaluatie worden verzameld;

  • d) 
    ervoor zorgen dat de begunstigden en de andere bij de uitvoering van concrete acties

betrokken instanties voor alle transacties betreffende de concrete acties hetzij een

afzonderlijk boekhoudsysteem, hetzij een passende boekhoudkundige code gebruiken,

zonder afbreuk te doen aan nationale boekhoudregels;

  • e) 
    erop toezien dat de in artikel 48, lid 3, bedoelde evaluaties van de operationele

programma's overeenkomstig artikel 47 plaatsvinden;

  • f) 
    procedures instellen om te garanderen dat alle documenten met betrekking tot uitgaven en

audits die nodig zijn om voor een toereikend controlespoor te zorgen, worden bijgehouden

overeenkomstig artikel 90;

  • h) 
    sturing geven aan de werkzaamheden van het toezichtcomité, en het de documenten

bezorgen die het nodig heeft om op de kwaliteit van de uitvoering van het operationele

programma toezicht te kunnen houden in het licht van de specifieke doelstellingen

daarvan;

  • i) 
    de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering opstellen en, na goedkeuring ervan

door het toezichtcomité, indienen bij de Commissie;

  • j) 
    erop toezien dat de voorschriften inzake voorlichting en publiciteit van artikel 69 worden

nagekomen;

  • k) 
    de Commissie informatie verstrekken aan de hand waarvan zij grote projecten kan

beoordelen.

Artikel 61

Functies van de certificeringsautoriteit

De voor een operationeel programma aangewezen certificeringsautoriteit heeft met name tot taak:

  • a) 
    gecertificeerde uitgavenstaten en betalingsaanvragen op te stellen en bij de Commissie in

te dienen;

  • b) 
    te certificeren dat:
  • c) 
    er, met het oog op de certificering, op toe te zien dat zij van de beheersautoriteit toe-

reikende informatie krijgt over de procedures die zijn gevolgd en verificaties die zijn

verricht in verband met de in de uitgavenstaten vermelde uitgaven;

  • d) 
    voor de certificering rekening te houden met de resultaten van alle audits die door of onder

de verantwoordelijkheid van de auditautoriteit zijn verricht;

  • e) 
    boekhoudkundige gegevens over de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven in geïnfor-

matiseerde vorm bij te houden;

  • f) 
    een boekhouding bij te houden van de te innen bedragen en van de bedragen die worden

geschrapt naar aanleiding van de volledige of gedeeltelijke intrekking van de bijdrage voor

een concrete actie. Geïnde bedragen worden vóór de afsluiting van het operationele

programma teruggestort in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen door

ze in mindering te brengen op de volgende uitgavenstaat.

Artikel 62

Functies van de auditautoriteit

  • 1. 
    De voor een operationeel programma aangewezen auditautoriteit heeft met name tot taak:
  • a) 
    erop toe te zien dat er audits worden verricht om na te gaan of het beheers- en

controlesysteem van het operationele programma efficiënt functioneert;

  • c) 
    binnen negen maanden na de goedkeuring van het operationele programma de

Commissie een auditstrategie voor te leggen die betrekking heeft op de instanties die

de in de punten a) en b) bedoelde audits zullen uitvoeren, de te volgen methode, de

steekproefmethode voor de audits op concrete acties en de indicatieve planning van

de audits; doel hiervan is te garanderen dat de belangrijkste instanties worden

gecontroleerd en dat de audits gelijkelijk over de programmeringsperiode worden

gespreid.

Als een gezamenlijk systeem voor verscheidene operationele programma's wordt

toegepast, mag één enkele auditstrategie worden voorgelegd;

  • d) 
    uiterlijk op 31 december van elk jaar in de periode 2008-2015:
  • i) 
    aan de Commissie een jaarlijks controleverslag voor te leggen met de

resultaten van de audits die in de voorafgaande 12 maanden eindigend op

30 juni van het betrokken jaar overeenkomstig de auditstrategie voor het

operationele programma zijn verricht, en eventuele tekortkomingen in de

beheers- en controlesystemen voor het programma te melden. Het uiterlijk op

31 december 2008 in te dienen eerste verslag bestrijkt de periode van

1 januari 2007 tot en met 30 juni 2008. De informatie over de na 1 juli 2015

verrichte audits wordt opgenomen in het laatste controleverslag dat de in

punt e) bedoelde verklaring van afsluiting vergezelt;

  • ii) 
    op basis van de onder de verantwoordelijkheid van de auditautoriteit verrichte

controles en audits advies te geven over de vraag of het beheers- en controle-

systeem voldoende efficiënt functioneert, om een redelijke garantie te kunnen

bieden omtrent de juistheid van de uitgavenstaten die tijdens dat jaar bij de

Commissie zijn ingediend, alsmede, bij wijze van gevolgtrekking, een redelijke

garantie te kunnen bieden omtrent de wettigheid en de regelmatigheid van de

onderliggende transacties;

  • iii) 
    waar van toepassing, krachtens artikel 88, een verklaring van gedeeltelijke

afsluiting af te geven met een beoordeling van de wettigheid en regelmatigheid

van de betrokken uitgaven.

Wanneer er een gezamenlijk systeem voor verschillende operationele programma's wordt

toegepast, kan de in punt i) bedoelde informatie worden gegroepeerd, en kunnen het onder

punt ii) verstrekte advies en de onder punt iii) afgegeven verklaring gelden voor alle

betrokken operationele programma's;

  • e) 
    uiterlijk op 31 maart 2017 bij de Commissie een verklaring van afsluiting af te geven

met een beoordeling van de geldigheid van de aanvraag voor de betaling van het

eindsaldo, alsmede van de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende

transacties die zijn vermeld in de definitieve uitgavenstaat; deze verklaring gaat

vergezeld van het laatste controleverslag.

  • 3. 
    Als de in lid 1, onder a) en b), bedoelde audits en controles worden uitgevoerd door een

andere instantie dan de auditautoriteit, ziet de auditautoriteit erop toe dat dergelijke

instanties de nodige functionele onafhankelijkheid hebben.

  • 4. 
    De Commissie maakt, binnen drie maanden na de ontvangst ervan, haar opmerkingen over

de krachtens lid 1, punten c) en d), voorgestelde auditstrategie. Bij gebreke van

opmerkingen binnen deze periode wordt de auditstrategie geacht te zijn aanvaard.

HOOFDSTUK II

TOEZICHT

Artikel 63

Toezichtcomité

  • 1. 
    Voor elk operationeel programma richt de lidstaat in overeenstemming met de beheers-

autoriteit een toezichtcomité op binnen drie maanden te rekenen vanaf de datum van

kennisgeving aan de lidstaat van de beschikking tot goedkeuring van het operationele

programma. Er mag één toezichtcomité voor verscheidene operationele programma's

worden opgericht.

  • 2. 
    Elk toezichtcomité stelt zijn reglement van orde op binnen het institutionele, juridische en

financiële kader van de betrokken lidstaat, en keurt dit reglement goed in overleg met de

Artikel 64

Samenstelling

  • 1. 
    Het toezichtcomité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat of van

de beheersautoriteit.

De lidstaat beslist over de samenstelling van het toezichtcomité in overleg met de beheers-

autoriteit.

  • 2. 
    Op eigen initiatief of op verzoek van het toezichtcomité neemt een vertegenwoordiger van

de Commissie met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deel.

Een vertegenwoordiger van de EIB en het EIF kan met raadgevende stem aan de werk-

zaamheden deelnemen voor die operationele programma's waaraan de EIB of het EIF

bijdraagt.

Artikel 65

Taken

Het toezichtcomité vergewist zich van de doeltreffendheid en de kwaliteit van de uitvoering van het

operationele programma. Daartoe:

  • a) 
    worden de criteria voor de selectie van de te financieren concrete acties door het

toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd binnen zes maanden na de goedkeuring van het

  • b) 
    gaat het toezichtcomité aan de hand van door de beheersautoriteit bezorgde documenten

periodiek na welke vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de specifieke

doelstellingen van het operationele programma;

  • c) 
    onderzoekt het toezichtcomité de resultaten van de uitvoering, met name de verwezen-

lijking van de voor elk prioritair zwaartepunt vastgestelde doelstellingen, en de in

artikel 48, lid 3, bedoelde evaluaties;

  • d) 
    worden de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering als bedoeld in artikel 67

door het toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd;

  • e) 
    wordt het toezichtcomité in kennis gesteld van het jaarlijkse controleverslag of van het

gedeelte van het verslag dat verband houdt met het betrokken operationele programma,

alsmede van de eventuele relevante opmerkingen die de Commissie na onderzoek van dat

verslag of van dat gedeelte van het verslag kan maken;

  • f) 
    kan het toezichtcomité de beheersautoriteit elke herziening of toetsing van het operationele

programma voorstellen die erop is gericht de in artikel 3 omschreven doelstellingen van de

Fondsen te bereiken of het beheer van het operationele programma, met inbegrip van het

financiële beheer, te verbeteren;

  • g) 
    wordt elk voorstel tot wijziging van de inhoud van de beschikking van de Commissie over

de bijdrage uit de Fondsen door het toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd.

  • 2. 
    De beheersautoriteit en het toezichtcomité oefenen het toezicht uit aan de hand van de

financiële indicatoren en de in artikel 36, lid 1, onder c), bedoelde indicatoren die in het

operationele programma zijn vastgesteld.

Als dit gelet op de aard van de bijstand mogelijk is, worden de statistische gegevens

uitgesplitst naar geslacht en, voor ondernemingen, naar grootteklasse van de begunstigde

ondernemingen.

  • 3. 
    De met dat doel verrichte uitwisseling van gegevens tussen de Commissie en de lidstaten

geschiedt elektronisch, overeenkomstig de procedures tot uitvoering van deze verordening

die volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure door de Commissie worden

vastgesteld.

Artikel 67

Jaarverslag en eindverslag over de uitvoering

  • 1. 
    Voor het eerst in 2008 en uiterlijk op 30 juni van elk jaar doet de beheersautoriteit de

Commissie een jaarverslag en uiterlijk op 31 maart 2017 een eindverslag over de uit-

voering van het operationele programma toekomen.

  • 2. 
    Elk in lid 1 bedoeld verslag bevat de volgende gegevens die de uitvoering van het

operationele programma duidelijk in beeld moeten brengen:

  • a) 
    de vorderingen die bij de uitvoering van het operationele programma en de priori-
  • b) 
    de financiële uitvoering van het operationele programma met per prioritair

zwaartepunt:

  • i) 
    de uitgaven die door de begunstigden zijn betaald en zijn opgenomen in aan de

beheersautoriteit toegezonden betalingsaanvragen;

  • ii) 
    de overeenkomstige overheidsbijdrage, alsmede de totale van de Commissie

ontvangen betalingen, met kwantificering van de in artikel 66, lid 2, bedoelde

financiële indicatoren; en

  • iii) 
    de uitgaven die zijn betaald door de instantie die verantwoordelijk is voor het

verrichten van de betalingen aan de begunstigden

als het gaat om zones die overgangssteun ontvangen, de afzonderlijke vermelding in

elk operationeel programma van de financiële uitvoering in die zones;

  • c) 
    louter voor informatieve doeleinden, de indicatieve uitsplitsing per categorie van de

toewijzing uit de Fondsen, overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen die volgens de

in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure door de Commissie worden vastgesteld;

  • d) 
    de maatregelen die de beheersautoriteit of het toezichtcomité hebben genomen om de

kwaliteit en de doeltreffendheid van de uitvoering te waarborgen, en met name:

  • i) 
    de werkzaamheden op het gebied van toezicht en evaluatie, met inbegrip van

regelingen voor gegevensverzameling,

  • ii) 
    in voorkomend geval, een samenvatting van belangrijke problemen die bij de

uitvoering van het operationele programma zijn ondervonden, en van maat-

regelen die zijn genomen, mede naar aanleiding van op grond van artikel 68,

lid 2, gemaakte opmerkingen,

  • iii) 
    het gebruik van technische bijstand;
  • e) 
    de maatregelen die zijn genomen om informatie te verstrekken over en bekendheid te

geven aan het operationele programma;

  • f) 
    informatie over belangrijke problemen die in verband met de inachtneming van de

communautaire wetgeving bij de uitvoering van het operationele programma zijn

ondervonden, en de maatregelen die zijn genomen om die te verhelpen;

  • g) 
    in voorkomend geval, de vooruitgang en de financiering van grote projecten;
  • h) 
    het gebruik van bijstand die tijdens de periode van de uitvoering van het operationele

programma bij de beheersautoriteit of een andere openbare autoriteit is vrijgekomen

na de intrekking bedoeld in artikel 98, lid 2;

  • i) 
    gevallen waarin een belangrijke wijziging in de zin van artikel 57 is geconstateerd.

De hoeveelheid informatie die aan de Commissie wordt verstrekt, staat in verhouding tot

het totaalbedrag van de overheidsuitgaven die voor het betrokken operationele programma

worden gedaan. In voorkomend geval mag die informatie in beknopte vorm worden

  • 3. 
    De in lid 1 bedoelde verslagen worden ontvankelijk geacht als ze alle in lid 2 genoemde

passende gegevens bevatten. De Commissie stelt de lidstaat in kennis van de ontvankelijk-

heid van het jaarverslag binnen 10 werkdagen na de datum van ontvangst ervan.

  • 4. 
    De Commissie stelt de lidstaat in kennis van haar advies over de inhoud van de door de

beheersautoriteit ingediende ontvankelijke jaarverslagen binnen twee maanden na de

datum van ontvangst ervan. Voor het eindverslag over het operationele programma

bedraagt deze termijn maximaal vijf maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst

van een ontvankelijk verslag. Als de Commissie niet binnen de gestelde termijn heeft

geantwoord, worden de verslagen geacht aanvaard te zijn.

Artikel 68

Jaarlijks onderzoek van de programma's

  • 1. 
    Elk jaar onderzoeken de Commissie en de beheersautoriteit ter gelegenheid van de

indiening van het in artikel 67 bedoelde jaarverslag over de uitvoering de vorderingen die

bij de uitvoering van het operationele programma zijn gemaakt, de belangrijkste resultaten

van het voorgaande jaar, de financiële uitvoering en andere factoren, met het oog op de

verbetering van de uitvoering.

Voorts kunnen ook aspecten inzake de werking van het beheers- en controlesysteem die

aan het licht zijn gebracht in het laatste jaarlijkse controleverslag als bedoeld in artikel 62,

lid 1, punt d) i), worden onderzocht.

  • 2. 
    Na het in lid 1 bedoelde onderzoek kan de Commissie opmerkingen doen toekomen aan de

lidstaat en aan de beheersautoriteit, die het toezichtcomité ervan in kennis stelt. De lidstaat

deelt de Commissie mee welk gevolg aan die opmerkingen is gegeven.

  • 3. 
    Wanneer de evaluaties achteraf van de bijstandsverlening in de programmeringsperiode

2000-2006 in voorkomend geval beschikbaar zijn, kunnen de algemene resultaten worden

onderzocht in het daaropvolgende jaarlijkse onderzoek.

HOOFDSTUK III

VOORLICHTING EN PUBLICITEIT

Artikel 69

Voorlichting en publiciteit

  • 1. 
    De lidstaten en de beheersautoriteit voor het operationele programma dragen zorg voor de

voorlichting en de publiciteit met betrekking tot de concrete acties en medegefinancierde

programma's. Die voorlichting is gericht op de burgers van de Europese Unie en de

begunstigden en heeft tot doel de rol van de Gemeenschap onder de aandacht te brengen en

de bijstandsverlening uit de Fondsen transparant te maken.

De Commissie stelt de uitvoeringsvoorschriften van dit artikel vast volgens de in

artikel 103, lid 3, bedoelde procedure.

  • 2. 
    De beheersautoriteit voor het operationele programma is er verantwoordelijk voor dat er

bekendheid wordt gegeven aan het operationele programma overeenkomstig de uit-

voeringsbepalingen voor deze verordening, die door de Commissie worden vastgesteld

volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure.

HOOFDSTUK IV

VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE LIDSTATEN

EN VAN DE COMMISSIE

DEEL 1

VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE LIDSTATEN

Artikel 70

Beheer en controle

  • 1. 
    De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het beheer en de controle van de operationele

programma's, in het bijzonder door middel van de volgende maatregelen:

  • 2. 
    Als bedragen die onverschuldigd aan een begunstigde zijn betaald, niet kunnen worden

teruggevorderd, is de lidstaat verantwoordelijk voor de terugbetaling van die voor de

algemene begroting van de Europese Gemeenschappen verloren gegane bedragen, indien is

aangetoond dat het verlies door zijn onregelmatigheid of nalatigheid is berokkend.

  • 3. 
    De uitvoeringsvoorschriften voor de leden 1 en 2 worden door de Commissie vastgesteld

volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure.

Artikel 71

Instelling van beheers- en controlesystemen

  • 1. 
    Vóór de indiening van de aanvraag voor de eerste tussentijdse betaling of uiterlijk binnen

twaalf maanden te rekenen vanaf de goedkeuring van elk operationeel programma, dienen

de lidstaten bij de Commissie een beschrijving van de systemen in, die met name

betrekking heeft op de organisatie en de procedures van:

  • a) 
    de beheersautoriteiten, de certificeringsautoriteiten en de bemiddelende instanties;
  • b) 
    de auditautoriteit en elke andere instantie die onder haar verantwoordelijkheid audits

verricht.

  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde beschrijving gaat vergezeld van een verslag waarin de resultaten van

een evaluatie van de instelling van de systemen zijn uiteengezet en een advies wordt

gegeven over de conformiteit van die systemen met de artikelen 58 tot en met 62. Als in dit

advies bezwaren worden gemaakt, worden in het verslag de tekortkomingen en de ernst

daarvan aangegeven en indien de tekortkomingen niet het hele programma betreffen, wordt

aangegeven in welke prioritaire zwaartepunten de tekortkomingen zijn geconstateerd. De

lidstaat stelt de Commissie in kennis van de te nemen correctiemaatregelen en het tijd-

schema voor de uitvoering daarvan, en bevestigt vervolgens dat de bedoelde maatregelen

zijn genomen en de overeenkomstige bezwaren zijn ingetrokken.

Het in de eerste alinea bedoelde verslag wordt geacht aanvaard te zijn, en de eerste tussen-

tijdse betaling wordt verricht, in de volgende omstandigheden:

  • a) 
    binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verslag,

indien het in de eerste alinea bedoelde advies geen bezwaren bevat en de Commissie

geen opmerkingen heeft geformuleerd;

  • b) 
    indien het advies bezwaren bevat, wanneer aan de Commissie is bevestigd dat voor

de belangrijkste onderdelen van de systemen correctiemaatregelen zijn genomen en

de overeenkomstige bezwaren zijn ingetrokken en, indien de Commissie binnen twee

maanden, te rekenen vanaf de datum van bevestiging, geen bezwaren heeft gemaakt.

Indien de bezwaren slechts op één prioritair zwaartepunt betrekking hebben, wordt de

  • 3. 
    Het verslag en het advies als bedoeld in lid 2 worden opgesteld door de auditautoriteit of

door een functioneel van de beheersautoriteit en de certificeringsautoriteit onafhankelijke

particuliere of overheidsinstantie die haar werkzaamheden uitvoert volgens internationaal

aanvaarde auditnormen.

  • 4. 
    Als er voor verscheidene operationele programma's één gezamenlijk systeem wordt

gebruikt, kan in het kader van lid 1 een beschrijving van het gezamenlijke systeem worden

gegeven, vergezeld van één enkel verslag en een advies in het kader van lid 2.

  • 5. 
    De uitvoeringsvoorschriften voor de leden 1 en 4 worden door de Commissie vastgesteld

volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure.

DEEL 2

VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE COMMISSIE

Artikel 72

Verantwoordelijkheden van de Commissie

  • 1. 
    De Commissie vergewist zich volgens de procedure van artikel 71 ervan dat de lidstaten

beheers- en controlesystemen hebben ingesteld die in overeenstemming zijn met de

artikelen 58 tot en met 62, en, op basis van jaarlijkse controleverslagen en het jaarlijkse

advies van de auditautoriteit en haar eigen audits, dat de systemen efficiënt functioneren

  • 2. 
    Onverminderd de audits van de lidstaten kunnen ambtenaren van de Commissie of

gemachtigde vertegenwoordigers van de Commissie audits ter plaatse verrichten om de

efficiënte werking van de beheers- en controlesystemen te controleren, waaronder audits

van in het operationele programma opgenomen concrete acties; deze audits moeten ten

minste tien werkdagen van tevoren worden aangekondigd, behalve in dringende gevallen.

Aan deze audits mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de lidstaat

deelnemen. De uitvoeringsbepalingen voor deze verordening met betrekking tot het

gebruik van de tijdens de audits ingezamelde gegevens worden door de Commissie

vastgesteld volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure.

Ambtenaren van de Commissie of door de Commissie gemachtigde vertegenwoordigers

die naar behoren bevoegd zijn tot het verrichten van audits ter plaatse, krijgen inzage in de

boeken en alle andere documenten, inclusief documenten en metagegevens die zijn

opgetekend of ontvangen en vastgelegd op een elektronisch medium, die betrekking

hebben op uitgaven die gefinancierd zijn door het Fonds.

De bovengenoemde auditbevoegdheden doen niet af aan de toepassing van de nationale

bepalingen die bepaalde handelingen voorbehouden aan bij nationaal recht specifiek

aangewezen ambtenaren. Met name nemen gemachtigde vertegenwoordigers van de

Commissie niet deel aan huiszoekingen of aan de formele ondervraging van verdachten

overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat. Zij hebben evenwel toegang tot de

aldus verkregen informatie.

Artikel 73

Samenwerking met de auditautoriteiten van de lidstaten

  • 1. 
    De Commissie werkt met de auditautoriteiten van de operationele programma's samen om

hun respectieve auditplannen en auditmethoden te coördineren en wisselt onmiddellijk de

resultaten van de op beheers- en controlesystemen verrichte audits uit om zo goed mogelijk

gebruik te maken van de beschikbare hulpbronnen en om ongerechtvaardigde doublures te

voorkomen.

Wanneer een lidstaat verscheidene auditautoriteiten heeft aangewezen, kan hij tevens een

coördinerende instantie aanwijzen om de samenwerking te vergemakkelijken.

De Commissie, de auditautoriteiten en de coördinerende instantie, indien een dergelijke

instantie is aangewezen, komen regelmatig bijeen, minstens één maal per jaar, tenzij zij

onderling anders zijn overeengekomen, om samen de krachtens artikel 62 ingediende

jaarlijkse controleverslagen en adviezen te onderzoeken en om van gedachten te wisselen

over andere kwesties in verband met de verbetering van het beheer en de controle van de

operationele programma's.

  • 2. 
    Om haar eigen auditstrategie vast te stellen gaat de Commissie na voor welke operationele

programma's in het krachtens artikel 71, lid 2, gegeven advies over de conformiteit van het

systeem geen bezwaren zijn gemaakt, voor welke de bezwaren zijn ingetrokken omdat er

correctiemaatregelen zijn genomen, voor welke de auditstrategie van de auditautoriteit

  • 3. 
    Voor deze programma's kan de Commissie concluderen dat zij zich hoofdzakelijk op het in

artikel 62, lid 1, punt d), onder ii), bedoelde advies kan verlaten wat betreft het doel-

treffend functioneren van de systemen en dat zij uitsluitend eigen audits ter plaatse zal

verrichten indien er bewijzen zijn die tekortkomingen van het systeem doen vermoeden in

verband met tegenover de Commissie te certificeren uitgaven in een jaar waarvoor uit

hoofde van artikel 62, lid 1, punt d), onder ii), een advies is gegeven waarin geen bezwaren

met betrekking tot dergelijke tekortkomingen zijn gemaakt.

Indien de Commissie tot dit besluit komt, stelt zij de betrokken lidstaat daarvan in kennis.

Indien er bewijzen zijn die tekortkomingen doen vermoeden, kan zij ook eisen dat de

lidstaat audits verricht overeenkomstig artikel 72, lid 3, of kan zij eigen audits uitvoeren

krachtens artikel 72, lid 2.

DEEL 3

EVENREDIGHEID IN DE CONTROLE

VAN OPERATIONELE PROGRAMMA'S

Artikel 74

Proportionele controleregelingen

  • 1. 
    Voor operationele programma's waarvoor de totale in aanmerking komende overheids-

uitgaven niet meer bedragen van EUR 750 miljoen en waarvoor de medefinanciering door

  • b) 
    kan de Commissie, wanneer in het advies over de conformiteit van het systeem

krachtens artikel 71, lid 2, geen bezwaren worden gemaakt of wanneer alle bezwaren

na correctiemaatregelen zijn ingetrokken, besluiten dat zij zich, wat de efficiënte

werking van de systemen betreft, voornamelijk kan baseren op het in artikel 62, lid 1,

onder d), ii), bedoelde advies, en dat zij uitsluitend eigen audits ter plaatse zal ver-

richten indien er bewijzen zijn die tekortkomingen van het systeem doen vermoeden

in verband met tegenover de Commissie gecertificeerde uitgaven in een jaar waar-

voor een advies is gegeven krachtens artikel 62, lid 1, onder d), ii), waarin geen

bezwaren met betrekking tot dergelijke tekortkomingen zijn gemaakt.

Indien de Commissie tot dit besluit komt, stelt zij de betrokken lidstaat daarvan in

kennis. Indien er bewijzen zijn die tekortkomingen doen vermoeden, kan zij ook

eisen dat de lidstaat audits verricht overeenkomstig artikel 72, lid 3, of kan zij eigen

audits uitvoeren krachtens artikel 72, lid 2.

  • 2. 
    Voor de in lid 1 bedoelde operationele programma's kan een lidstaat er bovendien voor

kiezen om volgens de nationale voorschriften instanties aan te wijzen en procedures vast te

stellen voor de uitoefening van:

  • a) 
    de functies van de beheersautoriteit wat betreft de verificatie van de mede-

gefinancierde producten en diensten en de in het kader van artikel 60, onder b),

gedeclareerde uitgaven;

Als een lidstaat voor deze optie kiest, hoeft hij geen certificeringsautoriteit of audit-

autoriteit in het kader van artikel 59, lid 1, onder b) en c), aan te wijzen.

Artikel 71 is van overeenkomstige toepassing.

Als de Commissie de uitvoeringsbepalingen voor de artikelen 60, 61 en 62 vaststelt, geeft

zij aan welke bepalingen niet gelden voor de operationele programma's waarvoor de

betrokken lidstaat voor de in dit lid bedoelde optie heeft gekozen.

TITEL VII

FINANCIEEL BEHEER

HOOFDSTUK I

FINANCIEEL BEHEER

DEEL 1

VASTLEGGINGEN

Artikel 75

Vastleggingen

  • 2. 
    Als er geen betaling is verricht, kan de lidstaat uiterlijk op 30 september van het jaar n

verzoeken om vastleggingen voor de operationele programma's die betrekking hebben op

de nationale reserve voor onvoorziene uitgaven als bedoeld in artikel 51, over te dragen

naar andere operationele programma's. De lidstaat geeft in zijn verzoek aan welke

operationele programma's voor die overdracht in aanmerking komen.

DEEL 2

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

BETREFFENDE DE BETALINGEN

Artikel 76

Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de betalingen

  • 1. 
    De Commissie betaalt de bijdrage uit de Fondsen overeenkomstig de kredieten. Elke

betaling wordt afgeboekt op de oudste openstaande vastleggingen van het betrokken fonds.

  • 2. 
    De betalingen gebeuren in de vorm van een voorfinanciering, tussentijdse betalingen en

een saldobetaling. De bijdragen worden betaald aan de door de lidstaat aangewezen

instantie.

  • 3. 
    Elk jaar sturen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 30 april een voorlopige raming van

hun vermoedelijke betalingsaanvragen voor het lopende begrotingsjaar en het daarop-

  • 4. 
    Alle uitwisselingen met betrekking tot financiële transacties tussen de Commissie en de

door de lidstaten aangewezen autoriteiten en instanties gebeuren in elektronische vorm

overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen voor deze verordening die de Commissie

volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure vaststelt. In geval van overmacht, en in

het bijzonder wanneer het gemeenschappelijke computersysteem defect is of geen

duurzame verbinding tot stand kan worden gebracht, mag de lidstaat de uitgavenstaat en de

betalingsaanvraag op papier toezenden.

Artikel 77

Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de berekening

van de tussentijdse betalingen en de saldobetalingen

De tussentijdse betalingen en de saldobetalingen worden berekend door het in de beschikking tot

goedkeuring van het operationele programma bepaalde medefinancieringspercentage voor elk

prioritair zwaartepunt toe te passen op de subsidiabele uitgaven die in het kader van dat prioritair

zwaartepunt zijn vermeld op basis van een door de certificeringsautoriteit gecertificeerde

uitgavenstaat.

De bijdrage van de Gemeenschap in de vorm van tussentijdse betalingen en saldobetalingen is

evenwel niet hoger dan de overheidsbijdrage en het maximale bedrag aan bijstand uit de Fondsen

voor elk prioritair zwaartepunt zoals bepaald in de beschikking van de Commissie tot goedkeuring

van het operationele programma.

Artikel 78

Uitgavenstaat

  • 1. 
    Alle uitgavenstaten bevatten voor elk prioritair zwaartepunt het totale bedrag van de

subsidiabele uitgaven, overeenkomstig artikel 56, die de begunstigden voor de uitvoering

van concrete acties hebben gedaan, alsmede de overeenkomstige overheidsbijdrage die aan

de begunstigden is of zal worden betaald overeenkomstig de voorwaarden met betrekking

tot de overheidsbijdrage. De door de begunstigden betaalde uitgaven moeten worden

verantwoord met gekwiteerde rekeningen of boekhoudkundige stukken met gelijkwaardige

bewijskracht.

Uitsluitend voor steunmaatregelen in de zin van artikel 87 van het Verdrag geldt evenwel

dat, naast de in de voorgaande alinea bepaalde voorwaarden, de overheidsbijdrage die

overeenkomt met de in een uitgavenstaat vermelde uitgaven door de steunverlenende

instantie aan de begunstigden moet zijn betaald.

  • 2. 
    Wat betreft staatssteun in de zin van artikel 87 van het Verdrag kunnen, in afwijking van

het eerste lid, in de uitgavenstaat voorschotten worden vermeld die de steunverlenende

instantie aan de begunstigden betaalt onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

  • a) 
    voor de voorschotten moet een bankgarantie of een financieringsfaciliteit van de

overheid met een gelijkwaardig effect worden verstrekt;

  • c) 
    zij moeten worden gebruikt voor de uitgaven van de begunstigden voor de uitvoering

van het project en moeten uiterlijk drie jaar na het jaar waarin het voorschot is

betaald of in elk geval op 31 december 2015 worden verantwoord door gekwiteerde

rekeningen of boekhoudkundige stukken met gelijkwaardige bewijskracht; zoniet

moet de volgende uitgavenstaat dienovereenkomstig worden gecorrigeerd.

  • 3. 
    Voor elk operationeel programma wordt in de uitgavenstaten apart vermeld welke de in

lid 1 bedoelde elementen zijn voor de regio's die overgangssteun ontvangen.

  • 4. 
    Voor grote projecten als bedoeld in artikel 39 mogen uitsluitend uitgaven in verband met

grote projecten die reeds door de Commissie zijn goedgekeurd, in de uitgavenstaten

worden vermeld.

  • 5. 
    Indien de bijdrage uit het Fonds wordt berekend onder verwijzing naar de overheids-

uitgaven, heeft, wat betreft artikel 52, lid 1, informatie betreffende andere uitgaven dan

overheidsuitgaven geen invloed op het verschuldigde bedrag zoals berekend op basis van

de betalingsaanvraag.

  • 6. 
    Wat betreft acties op het gebied van de financiële instrumentering zoals deze in artikel 44

zijn gedefinieerd, worden in afwijking van lid 1 in de uitgavenstaat de totale uitgaven

vermeld welke bij de oprichting van of het bijdragen aan die fondsen of holdingfondsen

zijn betaald.

Bij de gedeeltelijke of definitieve afsluiting van het operationele programma worden de

  • b) 
    de betalingen uit elk van de hierboven genoemde fondsen voor investeringen in

ondernemingen, of

  • c) 
    verstrekte garanties, inclusief bedragen die als garantie zijn vastgelegd door garantie-

fondsen, alsmede

  • d) 
    subsidiabele beheerskosten.

Het medefinancieringspercentage wordt toegepast op de door de begunstigde betaalde

subsidiabele uitgaven.

De bijbehorende uitgavenstaat wordt dienovereenkomstig gecorrigeerd.

  • 7. 
    De renteopbrengsten van betalingen uit operationele programma's aan fondsen in de zin

van artikel 44 worden aangewend voor de financiering van projecten op het gebied van

stadsontwikkeling in het geval van fondsen voor stadsontwikkeling of voor financiële

instrumenteringsacties voor kleine en middelgrote ondernemingen in de andere gevallen.

Middelen die uit investeringen in de zin van artikel 44 aan de concrete actie worden

teruggestort of die overblijven nadat alle garanties zijn gehonoreerd, worden door de

bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten opnieuw gebruikt ten behoeve van

projecten voor stadsontwikkeling of het midden- en kleinbedrijf.

Artikel 79

Cumulatie van voorfinanciering en tussentijdse betalingen

  • 1. 
    Het gecumuleerde totaal van de voorfinanciering en de tussentijdse betalingen mag niet

meer bedragen dan 95% van de bijdrage van de Fondsen aan het operationele programma.

  • 2. 
    Ook nadat dit maximum is bereikt, blijft de certificeringsautoriteit de Commissie in kennis

stellen van alle tot en met 31 december van het jaar n gecertificeerde uitgavenstaten en van

alle bedragen die in de loop van het jaar voor elk Fonds zijn teruggevorderd; deze

gegevens moeten uiterlijk eind februari van het jaar n+1 zijn meegedeeld.

Artikel 80

Volledigheid van de betalingen aan de begunstigden

De lidstaten vergewissen zich ervan dat de voor het verrichten van de betalingen verantwoordelijke

instanties ervoor zorgen dat de begunstigden het volledige bedrag van de overheidsbijdrage zo

spoedig mogelijk en volledig ontvangen. Er mogen geen bedragen in mindering worden gebracht of

worden ingehouden, noch specifieke extra heffingen of andere heffingen met gelijke werking

worden toegepast die het totale bedrag voor de begunstigden verminderen.

Artikel 81

Gebruik van de euro

  • 2. 
    De bedragen van de beschikkingen van de Commissie betreffende operationele

programma's, en van de vastleggingen en de betalingen van de Commissie luiden in euro

en worden in euro uitgevoerd.

  • 3. 
    De lidstaten die op de datum van de betalingsaanvraag de euro niet als munteenheid

hebben aangenomen, rekenen de bedragen van de in de nationale munteenheid gedane

uitgaven om in euro. Dit gebeurt aan de hand van de maandelijkse boekhoudkundige

wisselkoers voor de euro van de Commissie in de maand waarin de uitgave in de

rekeningen van de certificeringsinstantie van het betrokken operationeel programma is

opgenomen. Deze boekhoudkundige wisselkoers wordt maandelijks elektronisch

bekendgemaakt door de Commissie.

  • 4. 
    Wanneer de euro de munteenheid van een lidstaat wordt, blijft de in het vorige lid

beschreven omrekeningsprocedure van toepassing op alle uitgaven die vóór de datum van

inwerkingtreding van de vaste omrekeningskoers tussen de nationale munteenheid en de

euro zijn opgenomen in de rekeningen van de certificeringsinstantie.

DEEL 3

VOORFINANCIERING

Artikel 82

Betaling

Het gedeelte van de voorfinanciering wordt in verschillende tranches uitgekeerd, en wel als

volgt:

  • a) 
    2% van de bijdrage uit het Structuurfonds aan het betrokken operationele programma

in 2007, en 3% in 2008, voor lidstaten van de Europese Unie in haar samenstelling

van voor 1 mei 2004 zijn toegetreden;

  • b) 
    2% van de bijdrage uit het Structuurfonds aan het betrokken operationele programma

in 2007, 3% in 2008, en 2% in 2009, voor lidstaten die op 1 mei 2004 of daarna tot

de Europese Unie zijn toegetreden;

  • c) 
    2% van de bijdrage van het EFRO in 2007, 3% in 2008 en 2% in 2009 als het

operationele programma past in het kader van de doelstelling "Europese territoriale

samenwerking" en ten minste één van de deelnemers een lidstaat is die op

1 mei 2004 of daarna tot de Europese Unie is toegetreden;

  • d) 
    2% van de bijdrage uit het Cohesiefonds aan het betrokken operationele programma

in 2007, 3% in 2008, en 2,5 % in 2009, voor lidstaten die op 1 mei 2004 of daarna tot

de Europese Unie zijn toegetreden;

  • e) 
    2,5% van de bijdrage uit het Cohesiefonds aan het betrokken operationele

programma in 2007, 4% in 2008, en 4% in 2009, voor lidstaten die op 1 mei 2004 of

daarna tot de Europese Unie zijn toegetreden.

  • 2. 
    Het totaalbedrag dat als voorfinanciering is uitgekeerd, wordt door de instantie die de

lidstaat heeft aangewezen, aan de Commissie terugbetaald indien geen enkele betalings-

aanvraag voor het operationele programma is toegezonden binnen een termijn van

24 maanden te rekenen vanaf de uitkering van het eerste gedeelte van de voorfinanciering.

Deze terugbetaling is niet van invloed op de totale bijdrage van het Fonds aan het

operationeel programma.

Artikel 83

Rente

De renteopbrengsten van de voorfinanciering worden voor het betrokken operationele programma

bestemd, aangezien deze worden beschouwd, als middelen voor de lidstaat, als nationale overheids-

bijdrage, en worden bij de Commissie gedeclareerd op het tijdstip van de definitieve afsluiting van

het operationele programma.

Artikel 84

Goedkeuring van de rekeningen

DEEL 4

TUSSENTIJDSE BETALINGEN

Artikel 85

Tussentijdse betalingen

Voor elk operationeel programma worden tussentijdse betalingen verricht. De eerste tussentijdse

betaling wordt verricht overeenkomstig de bepalingen van artikel 71, lid 2.

Artikel 86

Ontvankelijkheid van de betalingsaanvragen

  • 1. 
    De Commissie verricht tussentijdse betalingen als aan de volgende voorwaarden is

voldaan:

  • a) 
    bij de Commissie is een betalingsaanvraag ingediend, alsmede een uitgavenstaat

overeenkomstig artikel 78;

  • b) 
    de Commissie heeft tijdens de volledige periode voor elk prioritair zwaartepunt niet

meer uitbetaald dan het maximale bedrag aan bijstand uit de Fondsen als bepaald in

de beschikking van de Commissie tot goedkeuring van het operationele programma;

  • d) 
    de Commissie heeft ten aanzien van concrete acties waarvoor de uitgaven overeen-

komstig de betrokken betalingsaanvraag zijn gedeclareerd, geen met redenen

omkleed advies in verband met een inbreuk uitgebracht op grond van artikel 226 van

het Verdrag.

  • 2. 
    Indien niet is voldaan aan één of meer van de in lid 1 vermelde voorwaarden, stelt de

Commissie de lidstaat en de certificeringsautoriteit daarvan uiterlijk binnen een maand in

kennis, zodat de nodige stappen kunnen worden gedaan om de situatie te verhelpen.

Artikel 87

Termijn voor de indiening van de betalingsaanvragen en voor de betalingen

  • 1. 
    De certificeringsautoriteit vergewist zich ervan dat de aanvragen om tussentijdse beta-

lingen voor elk operationeel programma gegroepeerd bij de Commissie worden ingediend,

voorzover mogelijk driemaal per jaar. Voor betalingen die de Commissie nog in het

lopende jaar moet verrichten, moeten de betalingsaanvragen uiterlijk op 31 oktober worden

ingediend.

  • 2. 
    Onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen en indien de betalingen

niet zijn geschorst uit hoofde van artikel 92, verricht de Commissie de tussentijdse betaling

binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum waarop een betalingsaanvraag die aan de

in artikel 86 genoemde voorwaarden voldoet, bij de Commissie is geregistreerd.

DEEL 5

AFSLUITING VAN HET PROGRAMMA

EN BETALING VAN HET EINDSALDO

Artikel 88

Gedeeltelijke afsluiting

  • 1. 
    Operationele programma's mogen gedeeltelijk worden afgesloten volgens een door de

lidstaat te bepalen periodiciteit.

De gedeeltelijke afsluiting heeft betrekking op concrete acties die zijn voltooid in de

periode tot en met 31 december van het voorgaande jaar. Voor de toepassing van deze

verordening wordt een concrete actie geacht voltooid te zijn wanneer alle activiteiten in het

kader van die acties daadwerkelijk zijn uitgevoerd en alle uitgaven van de begunstigden en

de overeenkomstige overheidsbijdragen voor die actie zijn betaald.

  • 2. 
    Er wordt overgegaan tot gedeeltelijke afsluiting op voorwaarde dat de lidstaat de

Commissie uiterlijk op 31 december van een gegeven jaar de volgende documenten

toezendt:

  • a) 
    een uitgavenstaat die betrekking heeft op de in lid 1 bedoelde concrete acties;

Artikel 89

Voorwaarden voor de betaling van het eindsaldo

  • 1. 
    De Commissie betaalt het eindsaldo op voorwaarde dat:
  • a) 
    de lidstaat uiterlijk op 31 maart 2017 een betalingsaanvraag heeft toegezonden die de

volgende documenten omvat:

  • i) 
    een aanvraag om betaling van het eindsaldo en een uitgavenstaat overeen-

komstig artikel 78;

  • ii) 
    het eindverslag over de uitvoering van het operationele programma, dat de in

artikel 67 bedoelde gegevens bevat;

  • iii) 
    een verklaring van afsluiting als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder e); en
  • b) 
    de Commissie ten aanzien van concrete acties waarvoor de uitgaven overeenkomstig

de betrokken betalingsaanvraag zijn gedeclareerd, geen met redenen omkleed advies

in verband met een inbreuk heeft uitgebracht op grond van artikel 226 van het

Verdrag.

  • 2. 
    Als niet alle in lid 1 genoemde documenten bij de Commissie zijn ingediend, wordt het

eindsaldo overeenkomstig artikel 93 ambtshalve doorgehaald.

  • 4. 
    Onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen betaalt de Commissie

het eindsaldo uiterlijk 45 dagen na de laatstvallende van de volgende data:

  • a) 
    de datum waarop zij het eindverslag aanvaardt overeenkomstig artikel 67, lid 4, en
  • b) 
    de datum waarop zij de in lid 1, onder a), punt iii), van dit artikel bedoelde verklaring

van afsluiting aanvaardt.

  • 5. 
    Onverminderd lid 6 wordt het saldo van de vastlegging twaalf maanden na deze betaling

doorgehaald. Het operationeel programma is afgesloten zodra een van de drie volgende

handelingen is verricht:

  • a) 
    de betaling van het eindsaldo dat door de Commissie op basis van de in lid 1

bedoelde documenten is bepaald;

  • b) 
    de toezending door de Commissie aan de lidstaat van een debetnota voor onver-

schuldigd betaalde bedragen in verband met het operationeel programma;

  • c) 
    de doorhaling van het eindsaldo van de vastlegging.

De Commissie stelt de lidstaat binnen 2 maanden in kennis van de datum van afsluiting

van het operationele programma.

  • 6. 
    Niettegenstaande de resultaten van eventuele door de Commissie of de Europese

Rekenkamer verrichte audits kan het eindsaldo dat de Commissie voor een operationeel

Artikel 90

Beschikbaarheid van documenten

  • 1. 
    Onverminderd de in artikel 87 van het Verdrag opgenomen voorschriften voor staatssteun

zorgt de beheersautoriteit ervoor dat alle bewijsstukken betreffende uitgaven en audits in

verband met het betrokken operationele programma ter beschikking van de Commissie en

de Rekenkamer worden gehouden gedurende:

  • a) 
    drie jaar na de afsluiting van een operationeel programma als omschreven in

artikel 89, lid 3,

  • b) 
    drie jaar na het jaar waarin een gedeeltelijke afsluiting heeft plaatsgevonden, in het

geval van documenten betreffende de uitgaven en audits inzake concrete acties als

bedoeld in lid 2.

In geval van gerechtelijke vervolging of op een met redenen omkleed verzoek van de

Commissie worden deze termijnen geschorst.

  • 2. 
    De beheersautoriteit stelt voor de Commissie de lijst op van de voltooide concrete acties

waarvoor een gedeeltelijke afsluiting overeenkomstig artikel 88 heeft plaatsgevonden.

  • 3. 
    De bewijsstukken worden hetzij als originele stukken, hetzij als voor authentiek gewaar-

merkte versies op algemeen aanvaarde gegevensdragers bewaard.

DEEL 6

UITSTEL EN SCHORSING VAN BETALINGEN

Artikel 91

Uitstel van betaling

  • 1. 
    De gedelegeerde ordonnateur in de zin van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 kan

de betaling maximaal zes maanden uitstellen als:

  • a) 
    er in een verslag van een nationale of communautaire auditinstantie bewijzen zijn die

significante tekortkomingen in de goede werking van de beheers- en controle-

systemen doen vermoeden,

  • b) 
    de gedelegeerde ordonnateur aanvullende verificaties moet verrichten naar aan-

leiding van te zijner kennis gekomen informatie die hem doet vermoeden dat

uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat verband houden met een ernstige

onregelmatigheid ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen.

  • 2. 
    De lidstaat en de certificeringsautoriteit worden onmiddellijk in kennis gesteld van de

redenen voor dit uitstel. Het uitstel wordt beëindigd zodra de lidstaat de nodige maat-

regelen heeft genomen.

Artikel 92

Schorsing van betalingen

  • 1. 
    De Commissie kan de tussentijdse betalingen op het niveau van een prioriteit of een

programma geheel of gedeeltelijk schorsen als:

  • a) 
    de beheers- en controlesystemen van het programma ernstige tekortkomingen

vertonen die afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de procedure voor de

certificering van de betalingen, en er in dat verband geen correctiemaatregelen zijn

genomen; of

  • b) 
    uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat verband houden met een ernstige

onregelmatigheid ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen;

of

  • c) 
    een lidstaat ernstig tekort schiet in het nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde

van artikel 70, leden 1 en 2.

  • 2. 
    De Commissie kan besluiten de tussentijdse betalingen geheel of gedeeltelijk te schorsen

nadat zij de lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld binnen twee maanden zijn

opmerkingen te maken.

  • 3. 
    De Commissie heft de gehele of gedeeltelijke schorsing van de tussentijdse betalingen op

als de lidstaat de nodige maatregelen heeft genomen om opheffing van de schorsing

DEEL 7

AMBTSHALVE TE VERRICHTEN DOORHALING

Artikel 93

Beginselen

  • 1. 
    Het gedeelte van een vastlegging voor een operationeel programma dat uiterlijk op

31 december van het tweede jaar na het jaar waarin de vastlegging voor het programma is

verricht, niet voor een voorfinanciering of tussentijdse betalingen is gebruikt, of waarvoor

geen betalingsaanvraag overeenkomstig artikel 86 aan de Commissie is toegezonden,

wordt door de Commissie ambtshalve doorgehaald, met uitzondering van het bepaalde in

lid 2.

  • 2. 
    Voor lidstaten waarvan het BBP over de periode 2001-2003 minder bedroeg dan 85% van

het gemiddelde van de EU-25 over dezelfde periode, zoals weergegeven in bijlage II, is de

in lid 1 bedoelde termijn 31 december van het derde jaar na het jaar waarin de jaarlijkse

vastlegging voor hun operationele programma is verricht in de periode van 2007 tot en

met 2010.

Deze termijn moet ook van toepassing zijn op de jaarlijkse vastlegging van 2007 tot 2010

in een operationeel programma dat past in het kader van de doelstelling "Europese

territoriale samenwerking", indien ten minste een van de deelnemende staten een lidstaat is

  • 3. 
    Het gedeelte van de vastleggingen dat op 31 december 2015 nog openstaat, wordt

ambtshalve doorgehaald als de Commissie daarvoor uiterlijk op 31 maart 2017 geen

ontvankelijke betalingsaanvraag heeft ontvangen.

  • 4. 
    Als deze verordening na 1 januari 2007 in werking treedt, wordt voor de eerste vastlegging

de termijn waarna de eerste ambtshalve verrichte doorhaling zoals bedoeld in lid 1 kan

plaatsvinden, verlengd met het aantal maanden dat verstrijkt tussen 1 januari 2007 en de

datum van de eerste vastlegging.

Artikel 94

Schorsingstermijn voor grote projecten

en steunregelingen

Indien de Commissie beslist om een groot project of een steunregeling toe te staan, worden de

bedragen die ambtshalve kunnen worden doorgehaald, verlaagd met de jaarlijkse bedragen die voor

dergelijke grote projecten of steunregelingen zijn bestemd.

Wat die jaarlijkse bedragen betreft, is de aanvangsdatum voor de berekening van de termijnen voor

de ambtshalve te verrichten doorhaling als bedoeld in artikel 93 de datum van de latere beslissing

die nodig is om dergelijke acties toe te staan.

Artikel 95

Schorsingstermijn voor gerechtelijke procedures

en administratief beroep

Het bedrag dat ambtshalve kan worden doorgehaald, wordt verlaagd met de bedragen die de

certificeringsautoriteit niet bij de Commissie heeft kunnen declareren omdat concrete acties zijn

geschorst door een gerechtelijke procedure of een administratief beroep met opschortende werking,

mits de lidstaat de Commissie uiterlijk op 31 december van het tweede of het derde jaar na het jaar

van de vastlegging als bedoeld in artikel 93 een met redenen omklede kennisgeving toezendt.

Voor het gedeelte van de vastleggingen dat op 31 december 2015 nog openstaat, wordt de in

artikel 93, lid 2, bedoelde termijn onder deze zelfde voorwaarden geschorst voor het bedrag dat met

de betrokken concrete acties overeenkomt.

De bovenbedoelde vermindering kan eenmaal worden aangevraagd indien de schorsing maximaal

een jaar heeft geduurd, of verscheidene keren naar gelang van het aantal jaren tussen het wettelijke

of bestuurlijke besluit tot schorsing van de uitvoering van de actie en de datum van het definitieve

wettelijke of bestuurlijke besluit.

Artikel 96

Uitzonderingen op de ambtshalve te verrichten doorhaling

Bij de berekening van de ambtshalve door te halen bedragen worden niet meegerekend:

  • a) 
    het gedeelte van de vastleggingen waarvoor uiterlijk op 31 december van het tweede of het

derde jaar na het jaar van de vastlegging als bedoeld in artikel 93 en overeenkomstig de

artikelen 91 en 92 een betalingsaanvraag is ingediend, maar waarvoor de Commissie de

vergoeding heeft uitgesteld of geschorst. Wanneer het probleem dat aanleiding heeft

gegeven tot het uitstel of de schorsing van de betaling, is opgelost, wordt de regeling

inzake de ambtshalve te verrichten doorhaling toegepast op het betrokken deel van de

vastlegging;

  • b) 
    het gedeelte van de vastleggingen waarvoor een betalingsaanvraag is ingediend maar

waarvoor de vergoeding is geplafonneerd, met name vanwege een gebrek aan begrotings-

middelen;

  • c) 
    het gedeelte van de vastleggingen waarvoor geen ontvankelijke betalingsaanvraag kon

worden ingediend wegens overmacht, voorzover deze situatie ernstige repercussies had

voor de uitvoering van het operationele programma. De nationale autoriteiten die zich op

overmacht beroepen, moeten de rechtstreekse gevolgen van de overmachtsituatie voor de

uitvoering van het hele operationele programma of van een deel daarvan aantonen.

  • 2. 
    De lidstaat heeft vanaf de ontvangst van die kennisgeving twee maanden de tijd om

akkoord te gaan met het betrokken bedrag of zijn opmerkingen kenbaar te maken. Uiterlijk

negen maanden na de in artikel 93 bedoelde uiterste data gaat de Commissie over tot het

ambtshalve doorhalen.

  • 3. 
    Als een bedrag ambtshalve wordt doorgehaald, wordt de bijdrage uit de Fondsen voor het

betrokken operationele programma voor het betrokken jaar met dat bedrag verlaagd. De

lidstaat legt binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van doorhaling een herzien

financieringsplan over waarin de verdeling van het verlaagde steunbedrag over een of meer

prioritaire zwaartepunten van het operationele programma wordt weergegeven. Bij ont-

stentenis daarvan verlaagt de Commissie de voor elk prioritair zwaartepunt toegewezen

bedragen verhoudingsgewijs.

HOOFDSTUK II

FINANCIËLE CORRECTIES

DEEL 1

FINANCIËLE CORRECTIES DOOR DE LIDSTATEN

Artikel 98

Financiële correcties door de lidstaten

  • 2. 
    De lidstaat past de financiële correcties toe die noodzakelijk zijn in verband met eenmalige

of systematische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma's

zijn geconstateerd. De door de lidstaat verrichte correcties bestaan in een volledige of

gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan het operationele programma. De

lidstaat houdt rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het

financiële verlies voor de Fondsen.

De lidstaat mag de communautaire middelen die op deze wijze beschikbaar komen,

overeenkomstig lid 3 tot en met 31 december 2015 opnieuw gebruiken voor het betrokken

operationele programma.

  • 3. 
    De overeenkomstig lid 2 ingetrokken bijdrage mag niet opnieuw worden gebruikt voor de

concrete actie(s) waarop de correctie is toegepast, noch, als het gaat om een financiële

correctie voor een systematische onregelmatigheid, voor bestaande concrete acties binnen

het gehele prioritaire zwaartepunt of het deel daarvan waar de systematische fout is

geconstateerd.

  • 4. 
    Bij een systematische onregelmatigheid breidt de lidstaat zijn onderzoek uit tot alle

concrete acties die daarbij betrokken kunnen zijn.

DEEL 2

FINANCIËLE CORRECTIES DOOR DE COMMISSIE

Artikel 99

Criteria voor de correcties

  • 1. 
    De Commissie kan financiële correcties toepassen door de bijdrage van de Gemeenschap

aan een operationeel programma volledig of gedeeltelijk in te trekken als zij, na het nodige

onderzoek, tot de conclusie komt dat:

  • a) 
    het beheers- en controlesysteem van het programma ernstige tekortkomingen

vertoont die de reeds voor het programma betaalde communautaire bijdrage in

gevaar brengen;

  • b) 
    de uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat onregelmatigheden vertonen die niet

door de lidstaat zijn gecorrigeerd voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure

werd ingeleid;

  • c) 
    een lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 98 heeft voldaan

voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid.

  • 2. 
    De Commissie baseert haar financiële correcties op geconstateerde afzonderlijke onregel-

matigheden, waarbij zij rekening houdt met de systematische aard van de onregelmatigheid

  • 4. 
    Wanneer de Commissie haar standpunt baseert op feiten die zijn geconstateerd door andere

auditeurs dan die van haar eigen diensten, trekt zij met betrekking tot de financiële conse-

quenties haar eigen conclusies, na onderzoek van de op grond van artikel 98, lid 2, door de

betrokken lidstaat genomen maatregelen, de overeenkomstig artikel 70, lid 1, onder b),

verstrekte verslagen en de eventuele antwoorden van de lidstaat.

  • 5. 
    Wanneer een lidstaat zijn in artikel 15, lid 4, vermelde verplichtingen niet nakomt, kan de

Commissie, proportioneel aan de mate van niet-nakoming van deze verplichtingen, een

financiële correctie toepassen door de bijdrage van de structuurfondsen aan de betrokken

lidstaat geheel of gedeeltelijk in te trekken.

Het percentage dat toepasselijk is op de in dit lid bedoelde financiële correctie wordt

bepaald in de uitvoeringsbepalingen voor deze verordening die de Commissie volgens de

in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure heeft vastgesteld.

Artikel 100

Procedure

  • 1. 
    Voordat de Commissie tot een financiële correctie besluit, leidt zij de procedure in door de

lidstaat in kennis te stellen van haar voorlopige conclusies en hem te verzoeken binnen

twee maanden zijn opmerkingen te doen toekomen.

Als de Commissie een geëxtrapoleerde of forfaitaire financiële correctie voorstelt, wordt

de lidstaat in de gelegenheid gesteld om, door onderzoek van de betrokken documentatie,

aan te tonen dat de werkelijke omvang van de onregelmatigheid geringer is dan de

Commissie in haar beoordeling stelt. In overleg met de Commissie mag de lidstaat dit

onderzoek beperken tot een passend deel of passende steekproef van de betrokken

documentatie. Behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen mag dit onderzoek niet

langer duren dan twee maanden na de bovengenoemde periode van twee maanden.

  • 2. 
    De Commissie houdt rekening met alle door de lidstaat binnen de in lid 1 genoemde

termijn aangevoerde bewijsstukken.

  • 3. 
    Als de lidstaat de voorlopige conclusies van de Commissie niet aanvaardt, nodigt de

Commissie de lidstaat uit tot een hoorzitting, waar beide partijen in een geest van samen-

werking in het kader van het partnerschap proberen overeenstemming te bereiken over de

opmerkingen en de daaruit te trekken conclusies.

  • 4. 
    In geval van overeenstemming mag de lidstaat de betrokken communautaire middelen

opnieuw gebruiken, overeenkomstig artikel 98, lid 2, tweede alinea.

  • 5. 
    Als er geen overeenstemming wordt bereikt, neemt de Commissie uiterlijk zes maanden na

de datum van de hoorzitting een besluit over de financiële correctie, rekening houdend met

alle informatie en opmerkingen die in de loop van de procedure zijn voorgelegd. Als er

geen hoorzitting plaatsvindt, begint de periode van zes maanden twee maanden na de

Artikel 101

Verplichtingen van de lidstaten

Een financiële correctie door de Commissie laat de verplichting van de lidstaat tot terugvordering

van bedragen op grond van artikel 98, lid 2, van deze verordening en tot terugvordering van staats-

steun op grond van artikel 87 van het Verdrag en van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999

van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van

artikel 88 van het EG-Verdrag onverlet1.

Artikel 102

Terugbetaling

  • 1. 
    Elke aan de algemene begroting van de Europese Unie te verrichten terugbetaling

geschiedt vóór de vervaldag die is vermeld in de invorderingsopdracht die is opgesteld

overeenkomstig artikel 72 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002. Deze

vervaldatum is de laatste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de

invorderingsopdracht is gegeven.

  • 2. 
    Elke vertraging van de terugbetaling geeft aanleiding tot rente wegens te late betaling, te

rekenen vanaf de vervaldatum tot en met de datum van de daadwerkelijke betaling. De toe

te passen rentevoet is anderhalf procentpunt hoger dan die welke de Europese Centrale

Bank toepast bij haar voornaamste herfinancieringstransacties op de eerste werkdag van de

TITEL VIII

COMITÉS

HOOFDSTUK I

COÖRDINATIECOMITÉ VAN DE FONDSEN

Artikel 103

Comité en procedures

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door het Coördinatiecomité voor de Fondsen (hierna het

"comité" genoemd).

toepassing.

toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op

drie maanden.

  • 4. 
    Het Coördinatiecomité voor de Fondsen stelt zijn reglement van orde vast.

HOOFDSTUK II

COMITÉ UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 147 VAN HET VERDRAG

Artikel 104

Comité uit hoofde van artikel 147 van het Verdrag

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door een comité uit hoofde van artikel 147 van het

Verdrag ("het Comité"). Het Comité is samengesteld uit één vertegenwoordiger van de

regering, één vertegenwoordiger van de werknemersorganisaties en één vertegenwoordiger

van de werkgeversorganisaties per lidstaat. Het lid van de Commissie dat met het voor-

zitterschap van het Comité is belast, kan deze functie aan een hoge ambtenaar van de

Commissie delegeren.

  • 2. 
    Elke lidstaat draagt voor elke vertegenwoordiger van elke in lid 1 genoemde categorie een

vertegenwoordiger en een plaatsvervanger voor. Bij afwezigheid van een lid neemt de

plaatsvervanger van rechtswege aan de beraadslagingen deel.

  • 3. 
    De leden en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de Commissie door de Raad

benoemd voor een periode van drie jaar. Zij zijn herbenoembaar. De Raad streeft bij de

samenstelling van het Comité naar een billijke vertegenwoordiging van alle betrokken

categorieën. De EIB en het EIF kunnen voor de agendapunten die hen aanbelangen, een

vertegenwoordiger aanwijzen, die niet aan de stemming deelneemt.

  • 4. 
    Het comité
  • a) 
    brengt advies uit over de uitvoeringsbepalingen van deze verordening;
  • b) 
    brengt advies uit over de ontwerp-beschikkingen van de Commissie betreffende de

programmering, voorzover daarvoor in een bijdrage van het ESF is voorzien;

  • c) 
    wordt geraadpleegd bij de behandeling van de onder artikel 45 vallende soorten

maatregelen inzake technische bijstand, voorzover daarvoor een bijdrage uit het ESF

wordt verleend, en andere relevante aangelegenheden met gevolgen voor de uit-

voering van de strategieën inzake werkgelegenheid, opleiding en sociale integratie op

EU-niveau, met relevantie voor het ESF.

  • 5. 
    De Commissie kan het Comité raadplegen over andere dan de in lid 4 genoemde punten.
  • 6. 
    De adviezen van het comité worden aangenomen met absolute meerderheid van de geldig

uitgebrachte stemmen. De Commissie licht het comité in over de wijze waarop zij met zijn

adviezen rekening heeft gehouden.

TITEL IX

SLOTBEPALINGEN

Artikel 105

Overgangsbepalingen

  • 1. 
    Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting noch aan de wijziging, met

inbegrip van de gehele of gedeeltelijke intrekking, van bijstand met medefinanciering uit

de Structuurfondsen of van projecten met medefinanciering uit het Cohesiefonds die de

Commissie heeft goedgekeurd op grond van Verordening (EEG) nr. 2052/881, (EEG)

nr. 4253/882, (EG) nr. 1164/943 en (EG) nr. 1260/1999 of van enige andere regelgeving die

op 31 december 2006 op de betrokken bijstand van toepassing is; de betrokken regelgeving

blijft derhalve van toepassing op de bijstand of de projecten totdat deze worden afgesloten.

  • 2. 
    Bij de besluitvorming over operationele programma's houdt de Commissie rekening met

alle bijstand met medefinanciering uit de Structuurfondsen en alle projecten met mede-

financiering uit het Cohesiefonds die reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening

door de Raad of de Commissie goedgekeurd zijn en die in de loop van de door de

operationele programma's bestreken periode een financiële weerslag hebben.

van de bedragen die zijn vastgelegd voor bijstand met medefinanciering uit het EFRO of

het ESF welke door de Commissie tussen 1 januari 2000 en 31 december 2006 is goed-

gekeurd en waarvoor de gecertificeerde verklaring betreffende de daadwerkelijk verrichte

uitgaven, het eindverslag over de uitvoering en de verklaring als bedoeld in artikel 38,

lid 1, onder f), van de voornoemde verordening niet bij de Commissie zijn ingediend

uiterlijk 15 maanden na de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven als bepaald

in de beschikking waarbij de bijdrage van de Fondsen wordt vastgesteld, uiterlijk

6 maanden na deze termijn door de Commissie ambtshalve doorgehaald, hetgeen

aanleiding geeft tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen.

Bedragen die verband houden met concrete acties of programma's die zijn geschorst

wegens een gerechtelijke procedure of administratief beroep met opschortend effect,

worden niet meegerekend bij de berekening van de ambtshalve door te halen bedragen.

Artikel 106

Artikel 107

Intrekking

Onverminderd het bepaalde in artikel 105, lid 1, wordt Verordening (EG) nr. 1260/1999 met ingang

van 1 januari 2007 ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden beschouwd als verwijzingen naar deze

verordening.

Artikel 108

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het

Publicatieblad van de Europese Unie.

De artikelen 1 tot en met 16, 25 tot en met 28, 32 tot en met 40, 47 tot en met 49, 52 tot en met 54,

56, 58 tot en met 62, 69 tot en met 74, 103 tot en met 105, en 108 zijn van toepassing vanaf de

datum van inwerkingtreding van deze verordening, alleen voor de programma's voor de periode

2007-2013. De overige artikelen zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

BIJLAGE I

Jaarlijkse verdeling van de vastleggingskredieten 2007-2013

(bedoeld in artikel 18)

(euro - prijzen van 2004)

2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013

42.863.000.000 43.318.000.000 43.862.000.000 43.860.000.000 44.073.000.000 44.723.000.000 45.342.000.000

BIJLAGE II

FINANCIEEL KADER

In artikel 18 bedoelde criteria en methoden

Toewijzingsmethode voor de regio's die in aanmerking komen voor de in artikel 5, lid 1, bedoelde

convergentiedoelstelling

  • 1. 
    De toewijzing voor elke lidstaat is de som van de toewijzingen voor zijn afzonderlijke in

aanmerking komende regio's, die op basis van de relatieve regionale en nationale welvaart

en het werkloosheidspercentage stapsgewijs als volgt worden berekend:

  • a) 
    er wordt een absoluut bedrag (in euro) bepaald door vermenigvuldiging van de

bevolking van de betrokken regio met het verschil tussen het BBP per inwoner van

die regio, uitgedrukt in koopkrachtpariteit, en het gemiddelde BBP per inwoner van

de EU-25;

  • b) 
    op het bovengenoemde absolute bedrag wordt een percentage toegepast om de

financiële toewijzing voor de betrokken regio te bepalen; dat percentage wordt naar

gelang van de relatieve welvaart, ten opzichte van het gemiddelde van de EU-25, van

de lidstaat waar de in aanmerking komende regio ligt, als volgt gedifferentieerd:

  • 4,25% voor regio's in lidstaten waarvan het niveau van het BNI per inwoner

minder dan 82% van het communautaire gemiddelde bedraagt;

  • c) 
    aan het met stap ii) verkregen bedrag wordt, in voorkomend geval, een bedrag toe-

gevoegd in verband met de toewijzing van een premie van EUR 700 per werkloze,

toegepast op het aantal werklozen in die regio boven het aantal werklozen dat de

regio zou tellen indien zij het gemiddelde werkloosheidspercentage van alle

convergentieregio's van de EU zou hebben.

Toewijzingsmethode voor de lidstaten die in aanmerking komen voor de in artikel 5, lid 2, bedoelde

steun uit het Cohesiefonds

  • 2. 
    De theoretische totale toewijzing voor het Cohesiefonds wordt verkregen door de

gemiddelde steunintensiteit per inwoner van EUR 44,7 te vermenigvuldigen met de voor

financiering in aanmerking komende bevolking. De toewijzing uit deze theoretische totale

toewijzing waarop iedere in aanmerking komende lidstaat a priori recht heeft, komt

overeen met een percentage dat is gebaseerd op zijn bevolking, oppervlakte en nationale

welvaart, en dat is verkregen door toepassing van de volgende stappen:

  • a) 
    er wordt een rekenkundig gemiddelde berekend van het aandeel van de bevolking en

de oppervlakte van de betrokken lidstaat in de totale bevolking en oppervlakte van

alle in aanmerking komende lidstaten; indien evenwel het aandeel van een lidstaat in

de totale bevolking zijn aandeel in de totale oppervlakte met een factor 5 of meer

overschrijdt, dat wil zeggen indien die lidstaat een uiterst hoge bevolkingsdichtheid

heeft, wordt voor deze stap alleen het aandeel in de totale bevolking gebruikt;

  • 3. 
    Gezien de aanzienlijke behoeften op het gebied van vervoers- en milieu-infrastructuur van

de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Unie zijn toegetreden, wordt het aandeel in het

Cohesiefonds gemiddeld gedurende de periode bepaald op een derde van de totale

financiële toewijzing (Structuurfondsen en Cohesiefonds tezamen). Voor de overige

lidstaten is de financiële toewijzing het rechtstreekse resultaat van de in punt 2 beschreven

toewijzingsmethode.

Toewijzingsmethode voor de lidstaten en regio's die in aanmerking komen voor de in artikel 6

bedoelde doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid"

  • 4. 
    Het aandeel van elke betrokken lidstaat is de som van de aandelen van zijn in aanmerking

komende regio's, die worden bepaald volgens de onderstaande criteria, gewogen zoals

vermeld: totale bevolking (weging 0,5), aantal werklozen in regio's van NUTS-niveau III

met een werkloosheidspercentage dat boven het groepsgemiddelde ligt (weging 0,2), aantal

banen dat nodig is om een arbeidsparticipatie van 70% te bereiken (weging 0,15), aantal

werkenden met een laag opleidingsniveau (weging 0,10), geringe bevolkingsdichtheid

(weging 0,05). Vervolgens worden de aandelen bijgesteld overeenkomstig de relatieve

regionale welvaart (voor elke regio, verhoging of verlaging van zijn totale aandeel met

+5%/-5% naar gelang zijn BBP per inwoner onder of boven het gemiddelde BBP per

inwoner van de groep ligt). Het aandeel van elke lidstaat mag evenwel niet minder zijn dan

drievierde van zijn aandeel in 2006 in de gezamenlijke financiering uit hoofde van de

doelstellingen 2 en 3.

Toewijzingsmethode voor de in artikel 7 bedoelde doelstelling "Europese territoriale samen-

werking"

  • 5. 
    De verdeling van de middelen over de ontvangende lidstaten (met inbegrip van de bijdrage

van het EFRO aan de financiering van het Europees nabuurschaps- en partnerschaps-

instrument en van het in artikel 21, lid 2, bedoelde pretoetredingsinstrument) wordt als

volgt vastgesteld:

  • a) 
    voor de in artikel 7, lid 1, bedoelde grensoverschrijdende component, op basis van de

bevolking van de regio's van NUTS-niveau III in land- en zeegrensgebieden, als

aandeel van de totale bevolking van alle in aanmerking komende regio's;

  • b) 
    voor de in artikel 7, lid 2, bedoelde transnationale component, op basis van de totale

bevolking van de lidstaat, als aandeel van de totale bevolking van alle betrokken

lidstaten.

Toewijzingsmethode voor de lidstaten en regio's die in aanmerking komen voor de in artikel 8

bedoelde overgangssteun

  • 6. 
    Toewijzingen in het kader van de in artikel 8 bedoelde overgangssteun worden berekend

aan de hand van de volgende parameters:

  • a) 
    voor de regio's als omschreven in artikel 8, lid 1, 80% van de in 2006 per regio vast-

gestelde steunintensiteit per inwoner in 2007, gevolgd door een lineaire vermindering

  • b) 
    voor de regio's als omschreven in artikel 8, lid 2, 75% van hun in 2006 per regio

vastgestelde steunintensiteit per inwoner in 2007, gevolgd door een lineaire ver-

mindering om in 2011 te komen tot de nationale gemiddelde steunintensiteit per

inwoner voor de doelstelling regionaal concurrentievermogen en regionale werk-

gelegenheid. Aan de aldus verkregen toewijzing wordt, in voorkomend geval, een

bedrag toegevoegd in verband met de toewijzing van een premie van EUR 600 per

werkloze, toegepast op het aantal werklozen in die regio boven het aantal werklozen

dat de regio zou tellen indien zij het gemiddelde werkloosheidspercentage van alle

convergentieregio's van de EU zou hebben;

  • c) 
    voor de lidstaten als omschreven in artikel 8, lid 3, is de toewijzing degressief over

een periode van zeven jaar, waarbij het bedrag in 2007 EUR 1,2 miljard beloopt, in

2008 EUR 850 miljoen, in 2009 EUR 500 miljoen, in 2010 EUR 250 miljoen, in

2011 EUR 200 miljoen, in 2012 EUR 150 miljoen en in 2013 EUR 100 miljoen.

Plafond voor overdrachten van middelen ter ondersteuning van de cohesie

  • 7. 
    Ter bevordering van de doelstellingen, namelijk het op passende wijze concentreren van

middelen uit het cohesiefonds op de minst ontwikkelde regio's en lidstaten, en het

verminderen van de verschillen in de gemiddelde steunintensiteit per inwoner ten gevolge

van de vaststelling van een bovengrens, bedraagt het plafond voor overdrachten krachtens

deze verordening uit de Fondsen aan elke afzonderlijke lidstaat:

  • voor lidstaten met een gemiddeld BNI (KKS) per inwoner voor 2001-2003 gelijk aan

of hoger dan 50% en minder dan 55% van het gemiddelde van de EU-25: 3,6188%

van hun BBP

  • voor lidstaten met een gemiddeld BNI (KKS) per inwoner voor 2001-2003 gelijk aan

of hoger dan 55% en minder dan 60% van het gemiddelde van de EU-25: 3,5240%

van hun BBP

  • voor lidstaten met een gemiddeld BNI (KKS) per inwoner voor 2001-2003 gelijk aan

of hoger dan 60% en minder dan 65% van het gemiddelde van de EU-25: 3,4293%

van hun BBP

  • voor lidstaten met een gemiddeld BNI (KKS) per inwoner voor 2001-2003 gelijk aan

of hoger dan 65% en minder dan 70% van het gemiddelde van de EU-25: 3,3346%

van hun BBP

  • voor lidstaten met een gemiddeld BNI (KKS) per inwoner voor 2001-2003 gelijk aan

of hoger dan 70% en minder dan 75% van het gemiddelde van de EU-25: 3,2398%

van hun BBP

  • vervolgens wordt per verhoging van 5% van het gemiddelde BNI (KKS) per inwoner

voor 2001-2003 ten opzichte van het gemiddelde van de EU-25, het plafond voor

overdrachten verminderd met 0,09% van het BBP.

  • 9. 
    De berekeningen van het BBP door de Commissie zullen worden gebaseerd op de

statistieken die in april 2005 zijn gepubliceerd. Voor elke lidstaat wordt, uitgaande van de

ramingen van de Commissie van april 2005, een individueel nationaal groeipercentage van

het BBP voor 2007-2013 toegepast.

  • 10. 
    Indien in 2010 blijkt dat het gecumuleerde BBP van een lidstaat voor de jaren 2007-2009

met meer dan 5% afwijkt van het overeenkomstig lid 9 geraamde gecumuleerde BBP, ook

als gevolg van wijzigingen van de wisselkoersen, worden de overeenkomstig lid 7 voor die

periode aan die lidstaat toegewezen bedragen dienovereenkomstig bijgesteld. Het totale

netto-effect van deze bijstellingen mag niet meer dan EUR 3 miljard in positieve of

negatieve zin bedragen. In ieder geval wordt, indien het netto-effect positief is, het totaal

aan bijkomende middelen beperkt tot het niveau van onderbesteding ten opzichte van de

plafonds voor categorie 1B zoals die voor de jaren 2007-2010 zijn vermeld in de

Interinstitutionele Overeenkomst van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en

een gezond financieel beheer. De laatste bijstellingen zullen in gelijke delen over de jaren

2011-2013 worden gespreid.

  • 11. 
    Teneinde de waarde van de Poolse zloty tijdens de referentieperiode weer te geven, zal het

resultaat van de toepassing van het plafond voor overdrachten, zoals vastgelegd in punt 7

van deze bijlage, met betrekking tot Polen voor de periode voorafgaand aan de in punt 10

bedoelde herziening (2007-2009) vermenigvuldigd worden met een coëfficiënt van 1,04.

Aanvullende bepalingen

  • 13. 
    Bij de toepassing van de in de punten 6 a) en 6 b) beschreven overgangsregeling geldt voor

de regio's die in de periode 2000-2006 niet in aanmerking kwamen voor de status van

doelstelling 1 of die daarvoor pas in aanmerking zijn gekomen in 2004, als uitgangspunt

90% van hun theoretische steunintensiteit per inwoner voor 2006, berekend op basis van de

toewijzingsmethode van Berlijn van 1999, waarbij hun regionaal BBP-niveau per inwoner

wordt gelijkgesteld met 75% van het gemiddelde van de EU-15.

  • 14. 
    Onverminderd punt 7 zullen de Poolse NUTS-niveau II-regio's Lubelskie, Podkarpackie,

Warmínsko-Mazurskie, Podlaskie en wietokrzyskie, met de laagste vijf BBP's per

inwoner (KKS) in de EU-25, steun uit het EFRO genieten bovenop de steun waarvoor zij

anderszins in aanmerking komen. Deze aanvullende financiering bedraagt EUR 107 per

inwoner in de periode 2007-2013 in het kader van de convergentiedoelstelling. Eventuele

verhoging ex punt 10 van de aan Polen toegewezen steunbedragen geschiedt onverminderd

de hierboven beschreven aanvullende financiering.

  • 15. 
    Onverminderd punt 7 wordt aan de NUTS-niveau II-regio Közép-Magyarország een

aanvullend bedrag van EUR 140 miljoen toegewezen voor de periode 2007-2013. Voor

deze regio gelden dezelfde regelgevende bepalingen als voor de in artikel 8, lid 1, bedoelde

regio's.

  • 16. 
    Onverminderd punt 7 wordt aan de NUTS-niveau II-regio Praag voor de periode

2007-2013 een aanvullend bedrag van EUR 200 miljoen toegewezen uit hoofde van de

doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid".

  • 18. 
    Hoewel de NUTS-niveau II-regio's Itä-Suomi en Madeira de status van infaseringsregio

behouden, zullen zij de financiële overgangsregelingen van punt 6 a) genieten.

  • 19. 
    De NUTS-niveau II-regio "Canarische Eilanden" krijgt voor de periode 2007-2013 een

aanvullend bedrag van EUR 100 miljoen uit hoofde van de in artikel 8, lid 2, bedoelde

overgangssteun.

  • 20. 
    De in artikel 299 van het Verdrag bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van

NUTS-niveau II die voldoen aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij het Verdrag

betreffende de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, komen gezien hun specifieke

omstandigheden in aanmerking voor extra financiering uit het EFRO. Deze financiering

bedraagt EUR 35 per inwoner per jaar en komt bovenop de andere middelen waarvoor

deze regio's anderszins in aanmerking komen.

  • 21. 
    Met betrekking tot de toewijzingen op grond van de grensoverschrijdende tak van de in

artikel 7, lid 1, bedoelde doelstelling "Europese territoriale samenwerking" zal de steun-

intensiteit voor regio's langs de voormalige landbuitengrenzen tussen de EU-15 en de

EU-12 en tussen de EU-25 en de EU-2 50% hoger zijn dan die voor de overige betrokken

regio's.

  • 22. 
    Uit erkentelijkheid voor de speciale inspanningen voor het vredesproces in Noord-Ierland

zal een totaal bedrag van EUR 200 miljoen worden toegewezen voor het programma

PEACE over de periode 2007-2013. Het programma PEACE zal worden uitgevoerd als

  • 23. 
    De Zweedse regio's die vallen onder de doelstelling "regionaal concurrentievermogen

en regionale werkgelegenheid" krijgen een bijkomend bedrag uit het EFRO van

EUR 150 miljoen.

  • 24. 
    Onverminderd punt 7 wordt zowel aan Estland als aan Letland en aan Litouwen, die samen

één enkele NUTS II-regio vertegenwoordigen, voor de periode 2007-2013 een aanvullend

bedrag van EUR 35 per inwoner toegewezen.

  • 25. 
    De Oostenrijkse regio's die vallen onder de doelstelling "regionaal concurrentievermogen

en regionale werkgelegenheid" en die liggen aan de voormalige buitengrenzen van de EU,

krijgen een bijkomend bedrag uit het EFRO van EUR 150 miljoen. Aan Beieren wordt een

soortgelijk aanvullend bedrag van EUR 75 miljoen toegewezen uit hoofde van de doel-

stelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid".

  • 26. 
    Aan Spanje komt een aanvullende toewijzing van EUR 2 miljard uit het EFRO ten goede

ter versterking van onderzoek, ontwikkeling en innovatie door en voor ondernemingen

overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. .../...*. De

indicatieve onderverdeling is 70% voor de in artikel 5 bedoelde convergentieregio's,

5% voor de regio's die in aanmerking komen voor de in artikel 8, lid 1, bedoelde over-

gangssteun, 10% voor de in artikel 6 bedoelde regio's van het concurrentievermogen en de

werkgelegenheidsdoelstelling en 15% voor de regio's die in aanmerking komen voor de in

artikel 8, lid 2, bedoelde overgangssteun.

  • 28. 
    Aan Italië wordt uit de Structuurfondsen een aanvullend bedrag toegewezen van

EUR 1,4 miljard volgens de volgende verdeling: EUR 828 miljoen voor de regio's die in

aanmerking komen voor de convergentiedoelstelling van artikel 5, lid 1, EUR 111 miljoen

voor de regio die in aanmerking komt voor de overgangssteun van artikel 8, lid 1,

EUR 251 miljoen voor de regio die in aanmerking komt voor de overgangssteun van

artikel 8, lid 2, en EUR 210 miljoen voor de regio's die in aanmerking komen voor de

doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" van artikel 6.

  • 29. 
    Onder erkenning van de bijzondere omstandigheden van Corsica (EUR 30 miljoen) en

Frans Henegouwen (EUR 70 miljoen) ontvangt Frankrijk voor de periode 2007-2013 een

aanvullende toewijzing van EUR 100 miljoen in het kader van de doelstelling "regionaal

concurrentievermogen en regionale werkgelegenheid".

  • 30. 
    Een aanvullend bedrag van EUR 167 miljoen wordt toegewezen aan de oostelijke deel-

staten van Duitsland die in aanmerking komen voor steun in het kader van de conver-

gentiedoelstelling van artikel 5, lid 1. Een aanvullend bedrag van EUR 58 miljoen wordt

toegewezen aan de oostelijke deelstaten van Duitsland die in aanmerking komen voor de

overgangssteun van artikel 8, lid 1.

  • 31. 
    Onverminderd punt 7 wordt aan de doelstelling van Europese territoriale samenwerking

een aanvullend bedrag van EUR 300 miljoen uit het EFRO toegewezen volgens de

volgende verdeling: EUR 200 miljoen voor transnationale samenwerking in de zin van

artikel 7, lid 2, en EUR 100 miljoen voor interregionale samenwerking in de zin van

BIJLAGE III

Voor de medefinancieringspercentages geldende maxima

(bedoeld in artikel 53)

Criteria Lidstaten EFRO en ESF Cohesiefonds

Percentage van subsidiabele uitgaven Percentage van subsidiabele uitgaven

(1) Lidstaten waarvan het BBP over de periode 2001-2003 lager was dan 85% van het gemiddelde van de EU-25 over dezelfde periode Tsjechië, Estland, Griekenland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije 85% voor de convergentiedoelstelling

en voor de doelstelling "regionaal concurrentie- vermogen en werk- gelegenheid" 85%

(2) Andere dan de onder punt (1) genoemde lidstaten die op 1 januari 2007 in aanmerking komen voor de overgangs- regeling van het Cohesiefonds Spanje 80% voor regio's die onder de convergentie- doelstelling vallen alsmede voor infaserings- regio's in het kader van de doelstelling "regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" 85%

Criteria Lidstaten EFRO en ESF Cohesiefonds

Percentage van subsidiabele uitgaven Percentage van subsidiabele uitgaven

(3) Andere dan de onder de punten (1) en (2) genoemde lidstaten België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk 75% voor de convergentiedoelstelling -

(4) Andere dan de onder de punten (1) en (2) genoemde lidstaten België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk 50% voor de doelstelling "regionaal concurrentie- vermogen en werk- gelegenheid" -

(5) Ultraperifere regio's als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag uit de aanvullende toewijzing voor de ultraperifere regio's als bedoeld in punt 20 van bijlage II Spanje, Frankrijk en Portugal 50% -

(6) Ultraperifere regio's als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag Spanje, Frankrijk en Portugal 85 % in het kader van de convergentiedoelstelling

en de doelstelling "regionaal concurrentie- vermogen en werk- gelegenheid" -

BIJLAGE IV

Uitgavencategorieën

(als bedoeld in artikel 9, lid 3)

Doelstellingen: "Convergentie" en "Regionale samenwerking en werkgelegenheid"

Doelstelling: "Convergentie" en de in artikel 7bis, lid 2, bedoelde regio's, onverminderd het

overeenkomstig artikel 5, lid 3, laatste alinea, van Verordening nr. ...* (EFRO) genomen besluit

Code Prioritaire onderwerpen

Onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO), innovatie en ondernemerschap

01 OTO-activiteiten in onderzoekcentra

02 OTO-infrastructuur (onder meer installatie, instrumentarium en snelle computernetwerken tussen

onderzoekcentra) en expertisecentra voor een bepaalde technologie

Technologieoverdracht en verbetering van samenwerkingsnetwerken tussen kleine en middel-

grote ondernemingen (KMO's), tussen deze ondernemingen en andere ondernemingen en universiteiten, alle soorten post-secundaire onderwijsinstellingen, regionale overheden, onder- zoekcentra en wetenschappelijke en technologische centra (wetenschaps- en technologieparken, technopoles, enz.)

03

04 Steun voor OTO, met name in het MKB (onder meer door toegang tot OTO-diensten in onderzoekcentra)

05 Geavanceerde ondersteunende diensten voor bedrijven en bedrijfsgroepen

Steun voor MKB ter bevordering van milieuvriendelijke producten en productieprocessen

06 (invoering van een doeltreffend milieubeheerssysteem, vaststelling en toepassing van technologieën ter voorkoming van milieuverontreiniging, integratie van schone technologieën in bedrijfsproductie)

Informatiemaatschappij

10 Telefonie-infrastructuur (inclusief breedbandnetwerken)

11 Informatie- en communicatietechnologie (toegang, veiligheid, interoperabiliteit, risicopreventie,

onderzoek, innovatie, e-inhoud, enz.)

12 Informatie- en communicatietechnologie (TEN-ICT)

13 Diensten en toepassingen voor de burger (e-gezondheid, e-overheid, e-leren, e-insluiting, enz.)

14 Diensten en toepassingen voor het MKB (e-commerce, onderwijs en opleiding, netwerken, enz.)

15 Andere maatregelen voor betere toegang tot en efficiënt gebruik van ICT door het MKB

Vervoer

16 Spoorwegen

17 Spoorwegen (TEN-T)

20 Autosnelwegen

21 Autosnelwegen (TEN-T)

26 Multimodaal vervoer

27 Multimodaal vervoer (TEN-T)

28 Intelligente vervoersystemen

29 Luchthavens

30 Havens

Energie

34 Elektriciteit (TEN-E)

36 Aardgas (TEN-E)

38 Aardolieproducten (TEN-E)

39 Duurzame energie: wind

40 Duurzame energie: zon

41 Duurzame energie: biomassa

42 Duurzame energie: waterkracht, geothermisch en andere

43 Energie-efficiëntie, warmtekrachtkoppeling, energiebeheer

Milieubescherming en risicopreventie

52 Bevordering van schoon stadsvervoer

Verbetering van het aanpassingsvermogen van werknemers, bedrijven, ondernemingen en

ondernemers

Ontwikkeling van systemen en strategieën voor levenslang leren bij bedrijven; opleiding en

62 diensten voor werknemers om hun aanpassingsvermogen te vergroten; bevordering van ondernemerschap en innovatie

63 Ontwerp en verspreiding van innoverende en productievere werkorganisatiemethoden

Ontwikkeling van specifieke diensten voor werkgelegenheid, opleiding en ondersteuning in

64 verband met de herstructurering van sectoren en bedrijven, en ontwikkeling van systemen om in te spelen op economische veranderingen en toekomstige eisen qua banen en vaardigheden

Betere toegang tot werkgelegenheid en duurzaamheid

65 Modernisering en versterking van arbeidsmarktinstanties

66 Toepassing van actieve en preventieve maatregelen op de arbeidsmarkt

67 Maatregelen ter stimulering van actief ouder worden en langer doorwerken

68 Steun voor zelfstandigen en het starten van ondernemingen

Maatregelen voor meer toegang tot de werkgelegenheid en meer duurzame arbeidsparticipatie en

69 meer vrouwen op de arbeidsmarkt om de genderkloof op de arbeidsmarkt te verkleinen, en om werk en privéleven te combineren, zoals het toegankelijker maken van kinderopvang en van zorg voor afhankelijke personen

70 Specifieke maatregelen om de participatie van migranten op de arbeidsmarkt en daardoor hun

sociale integratie te bevorderen

Verbetering van de sociale insluiting van kansarmen

Trajecten voor integratie en herintreding in het arbeidsproces van kansarmen; bestrijding van

71 discriminatie bij het betreden van de arbeidsmarkt en het vooruitkomen en bevordering van de aanvaarding van diversiteit op de werkplek

Verbetering van het menselijk kapitaal

Ontwerp, invoering en toepassing van hervormingen in onderwijs- en opleidingssystemen

72 teneinde de inzetbaarheid te ontwikkelen, de arbeidsmarktrelevantie van initieel onderwijs en beroepsonderwijs alsook initiële opleiding en beroepsopleiding te verbeteren, en de vaardigheden van opleiders bij te scholen met het oog op innovatie en een kenniseconomie

Maatregelen voor een grotere deelname aan onderwijs en opleiding in elke levensfase, o.a. via

73 maatregelen om vroegtijdig schoolverlaten en de seksesegregatie van vakgebieden terug te dringen, en de toegang tot en de kwaliteit van initieel onderwijs, beroepsonderwijs en tertiair onderwijs en initiële opleiding, beroepsopleiding en tertiaire opleiding te vergemakkelijken

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

12 apr
'05
COM(2005)141 - Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (overeenkomstig artikel 128 van het EG-Verdrag)


15 sep
'04
COM(2004)592 - Wijziging van Verordening 1059/2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) vanwege de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de EU


14 jul
'04
Algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds


14 jul
'04
COM(2004)490 - Steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)


14 feb
'01
COM(2001)83 - Opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS)


10 mei
'00
COM(2000)275 - Coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen, diensten en werken


24 jun
'98
COM(1998)380 - Voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden


18 mrt
'98
COM(1998)131 - Algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen


18 feb
'98
COM(1998)73 - Nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag


21 dec
'93
COM(1993)699 - Cohesiefonds


 
 
publicatiedatum 06-06-2006
kenmerk 9077/06

Inhoud