Jaarverslag van de EU over de mensenrechten 2006 - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VANBrussel, 4 oktober 2006 (13.10)

(OR. en)

DE EUROPESE UNIEPUBLIC

13522/1/06 REV 1

LIMITE

COHOM 146

VERSLAG

aan:

het Coreper/de Raad

d.d.: 12 oktober 2006

Betreft: Jaarverslag van de EU over de mensenrechten 2006

-

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord ...........................................................................................................................5

  • 1. 
    Inleiding......................................................................................................................7
  • 2. 
    Ontwikkelingen in de EU .........................................................................................11

2.1. Het Bureau voor de grondrechten ...................................................................11

2.2. De Rol van de Persoonlijk Vertegenwoordiger van de SG/HV voor de

mensenrechten.................................................................................................12

2.3. Het Europees Parlement en de mensenrechten ...............................................14

  • 3. 
    Instrumenten en initiatieven van de EU in derde landen..........................................21

3.1. Gemeenschappelijke strategieën, gemeenschappelijke optredens en

gemeenschappelijke standpunten ....................................................................21

3.2. EU-richtsnoeren inzake mensenrechten: doodstraf, foltering en andere

vormen van wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing,

kinderen en gewapende conflicten, verdedigers van de mensenrechten.........33

3.3. Demarches en verklaringen.............................................................................34

3.4. Mensenrechtendialogen (met inbegrip van richtsnoeren inzake

mensenrechtendialogen) en ad hoc-overleg ....................................................36

3.4.1. Mensenrechtendialoog met China .........................................................36

3.4.2. Mensenrechtendialoog met Iran ............................................................40

3.4.3. Mensenrechtendialoog met Rusland......................................................41

3.4.4. Andere mensenrechtendialogen (artikel 8 van de Overeenkomst van

Cotonou) ................................................................................................42

. Thematische kwesties ...............................................................................................54

4.1. Doodstraf.........................................................................................................54

4.2. Foltering en andere vormen van onmenselijke en onterende behandeling of

bestraffing .......................................................................................................59

4.3. Rechten van het kind (met inbegrip van kinderen en gewapende conflicten) 64

4.4. Verdedigers van de mensenrechten.................................................................76

4.5. Mensenrechten van vrouwen...........................................................................83

4.6. Mensenhandel .................................................................................................91

4.7. Het Internationaal Strafhof en de bestrijding van straffeloosheid ..................95

4.8. Mensenrechten en terrorisme ........................................................................100

4.9. Mensenrechten en bedrijfsleven....................................................................102

4.10. Democratie en verkiezingen..........................................................................104

4.11. Economische, sociale en culturele rechten....................................................123

4.12. Recht op ontwikkeling ..................................................................................126

4.13. Interculturele dialoog ....................................................................................128

4.14. Asiel, migratie, vluchtelingen en ontheemden ..............................................134

4.15. Racisme, vreemdelingenhaat, non-discriminatie en eerbied voor diversiteit139

4.16. Personen met een handicap ...........................................................................146

4.17. Personen die tot minderheden behoren .........................................................152

4.18. Inheemse bevolkingsgroepen ........................................................................159

4.19. Analyse van de doeltreffendheid van het EU-optreden in thematische

vraagstukken .................................................................................................163

  • 5. 
    EU-activiteiten in internationale fora .....................................................................164

5.1. 60e zitting van de Algemene Vergadering van de VN: Derde Commissie...164

5.2. Oprichting van de Raad voor de mensenrechten, hervorming van de VN....169

5.3. Raad van Europa ...........................................................................................175

5.4. Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE)..............176

5.5. Analyse van de doeltreffendheid van het optreden van de EU in

internationale fora .........................................................................................178

  • 6. 
    Landgerichte aspecten ............................................................................................179

6.1. Europa en de Europese nabuurschap.............................................................179

6.1.1. Kandidaat-lidstaten en mogelijke kandidaat-lidstaten van de EU .......184

6.1.2. Europees Nabuurschapsbeleid (ENB) .................................................191

6.1.3. Rusland en Centraal-Azië ....................................................................202

6.2. Afrika ............................................................................................................208

6.3. Amerika.........................................................................................................216

6.4. Azië ...............................................................................................................221

6.5. Midden-Oosten..............................................................................................230

6.6. Analyse van landengerichte acties ................................................................233

  • 7. 
    Conclusie ................................................................................................................234

[FOTO]

VOORWOORD

Het is mij een genoegen u hierbij het achtste jaarverslag van de EU over de mensenrechten te

presenteren. Het eerste verslag is in 1999 onder het vorige Finse EU-voorzitterschap gepubliceerd.

In de loop der jaren is de basisdoelstelling van het verslag niet gewijzigd: het is een unieke bron van

informatie over het mensenrechtenbeleid van de EU en over de maatregelen die zijn genomen tot

uitvoering ervan. In het verslag wordt tevens aangegeven wat wij in de EU hebben bereikt, of wij

voldoende coherent en consistent zijn geweest, en welke gebieden voor verbetering vatbaar zijn.

Dit verslag heeft betrekking op de periode van juli 2005 tot en met juni 2006. In deze periode zijn

de internationale structuren voor de mensenrechten grondig gewijzigd. In september 2005 hebben

de staatshoofden en regeringsleiders, in het kader van de VN-top bijeen, besloten het mensen-

rechtenapparaat van de VN te versterken om ervoor te zorgen dat eenieder daadwerkelijk alle

mensenrechten geniet.

Deze toezegging werd in maart 2006 gevolgd door een besluit tot oprichting van de Raad voor de

mensenrechten die de opdracht heeft de mensenrechten te beschermen en te bevorderen In hun

streven naar lidmaatschap van de Raad hebben de VN-lidstaten belangrijke toezeggingen gedaan.

Tijdens de openingszitting van de Raad heeft de secretaris-generaal, Kofi Annan, verklaard dat "het

De EU heeft benadrukt dat de gedane toezeggingen een nieuwe start moeten betekenen en moeten

worden vertaald in oprechte inspanningen om de naleving van de mensenrechten op het terrein te

bevorderen. Mensenrechten zijn universeel, en geen interne aangelegenheid van welke staat ook.

Anderzijds is geen enkel land perfect op het gebied van de mensenrechten, en ook de EU moet

bereid zijn haar bijdrage op mensenrechtengebied kritisch te bekijken en zich open te stellen voor

controle van buitenaf.

Het verheugt mij derhalve dat het huidige verslag zo breed mogelijk wil zijn. Het heeft niet alleen

betrekking op het externe beleid van de EU, maar ook op interne aspecten. Het bestrijkt het

bilaterale mensenrechtenbeleid van de EU met betrekking tot derde landen, alsook haar optreden in

multilaterale fora, en het gaat in op thematische vraagstukken en op de op interculturele dialoog

gerichte inspanningen.

Een efficiënt mensenrechtenbeleid is niet mogelijk zonder voldoende transparantie. Het

mensenrechtenbeleid moet gebaseerd zijn op interactie tussen alle betrokken actoren, overheids-

instellingen en de civiele samenleving. Mensenrechtenverdedigers moeten op nationaal en

internationaal niveau een specifieke rol spelen. Ik hoop dat dit verslag kan bijdragen tot een

betekenisvolle dialoog tussen al degenen die belangstellen in de bevordering van een resultaat-

gericht mensenrechtenbeleid van de EU.

  • 1. 
    INLEIDING

In overeenstemming met het Verdrag betreffende de Europese Unie, is de EU gegrondvest op de

beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele

vrijheden en van de rechtsstaat. Derhalve dient de EU de mensenrechten na te leven in al haar

activiteiten, ook in haar externe betrekkingen. De EU beschouwt mensenrechten en democratie als

fundamentele pijlers voor de versterking van vrede en veiligheid en voor de bevordering van

ontwikkelingsdoelstellingen.

De periode waarop dit achtste jaarverslag van de EU over de mensenrechten betrekking heeft, loopt

van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006. Met dit verslag wordt beoogd een overzicht te geven van de

inspanningen die de Europese Unie via haar instellingen levert voor de bevordering van de

mensenrechten en democratie. Er wordt gepoogd zoveel mogelijk in te gaan op de mensenrechten-

gerelateerde activiteiten van de EU met betrekking tot derde landen, haar optreden op multilateraal

niveau, alsook op belangrijke thematische vraagstukken, zodat een evenwichtig beeld wordt

gegeven van de hulpmiddelen waarover de EU beschikt om mensenrechten en democratie te

bevorderen. Aangezien de tekst echter relatief beknopt en leesbaar moet blijven, kunnen niet alle

gebieden volledig worden behandeld. Nadere informatie wordt verstrekt in afzonderlijke kaders en

op de betrokken websites (zie bijlage).

Hoewel het verslag is toegespitst op externe betrekkingen, worden hierin ook, zoals in de

voorgaande jaren, diverse mensenrechtenkwesties die verband houden met ontwikkelingen binnen

de grenzen van de EU voor het voetlicht gebracht. Ter wille van de geloofwaardigheid is het

immers van belang dat de EU, die de mensenrechten met betrekking tot derde landen actief

bevordert, ook in haar eigen beleid mensenrechtennormen op coherente en consistente wijze

toepast. Tot slot wil het verslag ook een nuttig hulpmiddel zijn om de efficiëntie en doeltreffendheid

van het EU-mensenrechtenbeleid te evalueren en om transparantie en interactie met de civiele

samenleving te bevorderen.

Bij het leggen van specifieke accenten in het EU-mensenrechtenbeleid gedurende de bestreken

periode, was de bevordering van samenhang prioritair. De EU is in vele opzichten een belangrijke

wereldspeler, bijvoorbeeld op economisch gebied, bij ontwikkelingssamenwerking, enz. Zij

beschikt over een reeks hulpmiddelen en instrumenten die kunnen worden gebruikt voor de

bevordering van de mensenrechten en de democratie. Mede rekening houdend met de institutionele

structuren van de Unie, bestaat de uitdaging er voor de EU in alle betrokken instrumenten optimaal

en op coherente en consistente wijze aan te wenden, en een uniforme en geloofwaardige boodschap

aan derde landen te brengen.

Daartoe is in de door dit verslag bestreken periode vooral de nadruk gelegd op de integratie van

mensenrechten in andere beleidssectoren. Dit heeft in de praktijk geleid tot een verhoogde

wisselwerking tussen mensenrechtendeskundigen en landenspecifieke teams en tot bijzondere

De politieke dialoog is zeer zeker een belangrijk instrument bij de bevordering van de mensen-

rechten, en in het kader van de inspanningen om in alle beleidsonderdelen plaats in te ruimen voor

deze rechten, is ernaar gestreefd om in de contacten op diverse niveaus met derde landen te zorgen

voor een coherente presentatie van mensenrechtenelementen door de EU. Dit is tevens van belang

met betrekking tot derde landen waarmee de EU een specifieke mensenrechtendialoog onderhoudt.

Door specifieke richtsnoeren over bepaalde onderwerpen aan te nemen, heeft de EU prioritaire

gebieden voor haar mensenrechtenbeleid vastgesteld. De EU is met betrekking tot de doodstraf,

waar zij steeds tegen is, aandacht blijven besteden aan individuele gevallen waarin niet werd

voldaan aan de minimumnormen van het internationaal recht, en zij heeft in de afgelopen periode

ook met belangstelling gekeken naar "keerpuntlanden", d.w.z landen waarvan het beleid inzake de

doodstraf aan het veranderen is. Met betrekking tot foltering heeft de EU in de afgelopen periode

landen benaderd en hen aangemoedigd toe te treden tot het betrokken internationale instrument en

samen te werken met de betrokken mechanismen, teneinde internationale mechanismen voor de

uitbanning van foltering te versterken.

De EU heeft op het gebied van kinderen en gewapende conflicten bepaalde prioritaire landen

aangemerkt waar zij ter plaatse op verschillende manieren een verschil wil maken door het lijden

van door gewapende conflicten getroffen jongens en meisjes te verlichten. Het was tevens van

belang deze kwestie in multilaterale fora aan de orde te stellen en meer werk te maken van het eigen

vermogen van de EU om hiermee om te gaan in het kader van het EVDB (Europees Veiligheids- en

In de context van de VN hebben de onderhandelingen voor de oprichting van een nieuwe Raad voor

de mensenrechten, en vervolgens de eerste zitting van deze Raad, de EU een belangrijk kader

verschaft voor haar multilaterale inspanningen op mensenrechtengebied. De EU heeft steeds

gestreefd naar een Raad waarin de mensenrechten de in het VN-Handvest voorziene hoofdrol

zouden krijgen. Hoewel niet alle door de EU nagestreefde elementen in de in maart 2006

aangenomen definitieve tekst zijn opgenomen, is de oprichting van de VN-Mensenrechtenraad voor

de EU een cruciaal element voor de verdere versterking van het VN-mensenrechtenapparaat en

vormt hij een belangrijke stap in het hervormingsproces van de VN. Bij het leggen van de basis

voor toekomstige werkzaamheden heeft de Raad in zijn eerste in juni 2006 gehouden zitting een

aantal positieve en ook minder positieve resultaten geboekt. De nieuwe Raad zal zich toespitsen op

uitvoering, hetgeen betekent dat ook de EU de uitdaging moet aangaan om innovatieve werk-

methoden te ontwikkelen en de samenhang tussen haar bilaterale activiteiten en haar optreden in

multilaterale fora te verbeteren.

Mensenrechtenverdedigers en slachtoffers van schendingen van de mensenrechten in verschillende

delen van de wereld verwachten veel van de EU. En met reden. Van een op waarden gebaseerde

gemeenschap als de EU kan worden verwacht dat zij de zaak van de mensenrechten en de

democratie krachtig steunt. In dit verslag worden elementen aangereikt aan de hand waarvan kan

worden nagegaan hoe de EU de uitdaging is aangegaan.

  • 2. 
    ONTWIKKELINGEN IN DE EU

2.1. Het Bureau voor de grondrechten

Het voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie

voor de grondrechten, dat de Commissie op 5 juli 2005 bij de Raad heeft ingediend, is door de

Raadsinstanties uitvoerig besproken. Er heeft tevens overleg met het Europees Parlement in de

vorm van een trialoog plaatsgevonden. De meeste kwesties zijn ondertussen opgelost. De Europese

Raad van 15-16 juni 2006 heeft nota genomen van de vooruitgang in de besprekingen

dienaangaande en erop aangedrongen dat de noodzakelijke stappen zo spoedig mogelijk worden

genomen, zodat het bureau op 1 januari 2007 in vol bedrijf is.

Het Bureau zal een aanvulling vormen op de bestaande internationale, Europese en nationale

mechanismen voor toezicht op grondrechtennormen. Het zal nauw samenwerken met de betrokken

organisaties en instanties, waaronder de Raad van Europa, de OVSE en de betrokken bureaus van

de Gemeenschap en organen van de Unie, met name met het Europees Genderinstituut. Als het

verordeningsvoorstel wordt aangenomen, moet het bureau vanaf januari 2007 operationeel zijn.

2.2. De Rol van de Persoonlijk Vertegenwoordiger van de SG/HV voor de mensenrechten

De Raad heeft in december 2005 de krachtige bijdrage verwelkomd die de persoonlijk vertegen-

woordiger van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor de mensenrechten (PV/MR) in

het eerste jaar van diens ambtstermijn heeft geleverd aan de samenhang en de continuïteit van het

EU-beleid. Hij heeft met name nota genomen van diens activiteiten om de verdere integratie van de

mensenrechten in het GBVB (gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) te bevorderen,

en om de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten voor het voetlicht te brengen. Met betrekking tot

de aanvullende prioriteiten voor 2006 heeft de Raad de SG/HV tevens verzocht na te gaan welke rol

zijn persoonlijk vertegenwoordiger kan spelen bij het ondersteunen van het EU-optreden in de VN

door ervoor te zorgen dat lobbywerk op hoog niveau plaatsvindt, en door te helpen dit optreden van

een daadwerkelijke follow-up te voorzien.

In de bijlage bij de Raadsconclusies is bevestigd dat de benoeming van de PV/MR bijdraagt tot

meer zichtbaarheid en een versterkte rol van het Raadssecretariaat in het kader van zijn permanente

werkzaamheden op het gebied van de integratie van mensenrechten in het beleid en EU-mensen-

rechtenrichtsnoeren, de deelname aan dialogen en overleg met derde landen, de bevordering van het

EU-mensenrechtenbeleid in de VN, de OVSE en de Raad van Europa, de dialoog met het EP,

alsook op het gebied van "outreach"-activiteiten en publieksdiplomatie en speciale opdrachten. De

belangrijke bijdrage van de PV/MR is met instemming begroet en de SG/HV heeft vier

actiegebieden voor 2006 ter overweging voorgesteld. Deze behelzen de voortzetting van de

werkzaamheden op het gebied van mensenrechtenintegratie, onder meer in de geografische en

thematische groepen en comités van de Raad, mensenrechtenaspecten bij EU-crisisbeheer, zorgen

voor lobbywerk op hoog niveau ter ondersteuning van het EU-optreden in de VN, en zorgen voor

follow-up van EU-resoluties/acties in de VN.

Voorts heeft de Raad in zijn conclusies inzake de tweejaarlijkse evaluatie van de richtsnoeren van

de EU over kinderen en gewapende conflicten gesteld dat met de benoeming van de PV/MR de

mensenrechtenvraagstukken in het gehele bestel beter zichtbaar beginnen te worden.

Tijdens de door dit verslag bestreken periode heeft de PV/MR bijgedragen tot de integratie van de

mensenrechten in het GBVB/EVDB door de kwestie in zeventien vergaderingen voor te stellen aan

geografische en thematische groepen/comités van de Raad. Hij heeft eveneens geijverd voor de

standpunten van de EU inzake mensenrechten en humanitair recht tijdens de 60e zitting van de

Algemene Vergadering van de VN in het najaar van 2005 en de eerste zitting van de nieuwe VN-

Raad voor de mensenrechten in juni 2006. Hij heeft voorts deelgenomen aan twee overlegrondes

inzake mensenrechten met de Russische Federatie, alsook aan twee dialoogrondes met China. Door

middel van geregelde contacten met het Politiek en Veiligheidscomité en de daaraan bijdragende

comités en groepen heeft hij met name genderkwesties en de kwestie kinderen en gewapende

conflicten onder de aandacht gebracht. Op het gebied van civiele crisisbeheersing heeft de PV/MR

een schriftelijk advies over de waarnemingsmissie in Atjeh verstrekt. Hij had ontmoetingen met alle

speciale vertegenwoordigers van de EU om te ijveren voor de integratie, in de andere beleids-

De PV/MR heeft een aantal mensenrechtenverdedigers en NGO's uit Amerika, Afrika, Rusland en

Azië ontmoet. Als onderdeel van zijn nauwe contacten met het Europees Parlement heeft hij

briefings en presentaties gehouden in de subcommissie rechten van de mens en in hoorzittingen

inzake mensenrechten. Hij heeft regelmatige contacten en vergaderingen met alle betrokken actoren

van de VN, de Raad van Europa en de OVSE. De PV/MR heeft een eerste positieve bijdrage

geleverd op het gebied van lobbywerk op hoog niveau door bij ambassadeurs van diverse derde

landen te pleiten voor het EU-standpunt inzake de oprichting van de VN-Raad voor de

mensenrechten.

Sommige lidstaten hebben ambassadeurs voor de mensenrechten benoemd. In 2006 zijn er

gezamenlijke landenmissies van deze ambassadeurs naar Cambodja en de Filipijnen gegaan.

2.3. Het Europees Parlement en de mensenrechten

Het EP is een krachtig voorvechter van de mensenrechten en de democratie. Het levert een bijdrage

tot de bepaling en uitvoering van het mensenrechtenbeleid door middel van resoluties, verslagen,

missies naar derde landen, mensenrechtenmanifestaties, interparlementaire delegaties en

gemeenschappelijke parlementaire commissies met derde landen, mondelinge en schriftelijke

vragen, bijzondere hoorzittingen over individuele gevallen en zijn jaarlijkse Sacharov-prijs. De

voorzitter van het EP stelt ook regelmatig mensenrechtenkwesties aan de orde bij de

vertegenwoordigers van derde landen.

De belangrijkste doelstelling van deze subcommissie is de integratie van mensenrechten in alle

aspecten van de externe betrekkingen van de EU. Dit doet zij onder andere door richtsnoeren op te

stellen voor alle interparlementaire delegaties van het EP met derde landen. Tot haar taken behoort

het monitoren en evalueren van de toepassing van EU-instrumenten op het gebied van de mensen-

rechten. Daarbij legt de subcommissie bijzondere nadruk op de uitvoering van EU-richtsnoeren

inzake mensenrechtenkwesties, met name de richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers en de

richtsnoeren inzake foltering. De subcommissie heeft in dit verband een studie besteld over de

evaluatie van EU-activiteiten op dit gebied en de uitvoering van de richtsnoeren inzake mensen-

echten. Zij heeft tevens contacten gehad met de commissaris voor de mensenrechten van de Raad

van Europa, de heer Thomas Hammarberg, en met de speciale VN-rapporteur inzake foltering, de

heer Manfred Nowak.

In juni 2006 heeft een delegatie van leden van de subcommissie de openingszitting van de VN-Raad

voor de mensenrechten bijgewoond en ontmoetingen gehad met het EU-voorzitterschap,

ambassadeurs van de lidstaten, speciale rapporteurs en niet-gouvernementele organisaties.

Met betrekking tot de Raad voor de mensenrechten heeft het Parlement een resolutie aangenomen

met aanbevelingen voor de Commissie en de Raad betreffende het standpunt dat de EU zou moeten

innemen in de onderhandelingen voor deze Raad. In de resolutie van 16 maart 2006 verheugde het

Parlement zich erover dat de UNCHR-regeling van onafhankelijke "bijzondere procedures" is

behouden. Het Parlement was tevens verheugd dat een universeel periodiek evaluatiemechanisme

(UPR) is ingesteld en dat de praktijk van deelname van mensenrechten-NGO's aan de debatten

De Wereldtop over de informatiemaatschappij, die van 16 tot en met 18 november 2005 in Tunis is

gehouden, was een ander belangrijke VN-gebeurtenis waarnaar het EP een delegatie heeft gestuurd.

De ernstige beperkingen die de delegatie en andere deelnemers voornamelijk in verband met de

vrijheid van meningsuiting ondervonden, heeft geleid tot de aanneming van een resolutie en een

debat in de plenaire vergadering van 15 december 2005.

Meer in het algemeen heeft de Subcommissie mensenrechten tijdens de verslagperiode een aantal

hoorzittingen over mensenrechtenvraagstukken georganiseerd. Daar werd dieper ingegaan op

mensenrechtenkwesties in het Europees Nabuurschapsbeleid (met bijzondere aandacht voor Israël

en Egypte), mensenrechten in de Euromed-zone 10 jaar na de Verklaring van Barcelona, Zuidoost-

Azië, Nepal, vrouwenmoorden in Mexico en Guatemala, EU-richtsnoeren inzake foltering en

andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, Ethiopië één jaar na de

verkiezingen, alsook op verschillende mensenrechtendialogen met derde landen.

In een door Parlementslid Vittorio Agnoletto (GUE/NGL)1 opgesteld verslag heeft het EP de

werking van de bepalingen inzake mensenrechten en democratie in overeenkomsten met derde

landen geanalyseerd, de tekortkomingen ervan nader bestudeerd en voorstellen gedaan om deze

bepalingen doeltreffender te maken. (zie hoofdstuk 3.6 inzake mensenrechtenbepalingen)

Naast de Subcommissie mensenrechten worden er ook door een werkgroep van de Commissie

ontwikkelingssamenwerking regelmatig vergaderingen over mensenrechten in ontwikkelingslanden

Het belangrijkste forum voor politieke dialoog tussen het EP en parlementsleden uit Afrika, het

Caribisch Gebied en de Stille Oceaan is de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU. De

Europees-mediterrane Parlementaire Vergadering biedt de gelegenheid voor het voeren van een

parlementaire dialoog over de mensenrechten en democratie met de landen van het Middellandse-

Zeegebied.

Door deel te nemen aan verkiezingswaarnemingsmissies heeft het EP verder bijgedragen tot de

versterking van de mensenrechten en de democratie in derde landen (zie hoofdstuk 4.10

"Democratie en verkiezingen").

Het EP voerde onder leiding van de heer Dick Marty, rapporteur van de Commissie juridische

zaken van de Parlementaire Assemblee, een onderzoek uit naar veronderstelde geheime detenties en

onrechtmatige overbrengingen tussen staten waarbij lidstaten van de Raad van Europa betrokken

zijn. De Tijdelijke Commissie van het Europees Parlement is in januari 2006 opgericht om

onderzoek te verrichten naar het verondersteld gebruik van Europese landen voor gevangenen-

vervoer en wederrechtelijke gevangenhouding door de CIA.

Ongeveer gelijktijdig met de publicatie van dit jaarverslag van de EU over de mensenrechten,

maakt het EP een aanvang met de opstelling van een jaarverslag over de toestand van de rechten

van de mens in de wereld en het mensenrechtenbeleid van de EU (in 2006 opgesteld door Richard

Howitt (PSE)). In de daarmee verband houdende resolutie2 worden de werkzaamheden van de EU

Het EP heeft in december 2005 zijn jaarlijkse prijs voor de mensenrechten, de Sacharov-prijs voor

vrijheid van denken, toegekend aan de Damas de Blanco (de vrouwen in het wit) als blijk van

erkenning voor hun optreden ten behoeve van de politieke gevangenen in Cuba, aan Hauwa Ibrahim

als blijk van erkenning voor haar werk als advocaat voor vrouwen en kinderen die zijn beschuldigd

op grond van de Sharia-wetgeving in Nigeria, en aan Reporters without Borders (journalisten

zonder grenzen) als blijk van erkenning voor hun strijd voor persvrijheid in de wereld.

Damas de Blanco is de naam van een groep Cubaanse vrouwen die sinds 2003 elke zondag

vreedzaam protesteren tegen de voortgezette gevangenhouding van hun echtgenoten en zonen die in

Cuba politieke dissidenten zijn. Zij zijn gekleed in het wit als symbool van vrede en van de

onschuld van de gevangenen. De welbekende internationale organisatie Reporters without Borders

ijvert voor persvrijheid in de hele wereld. Zij komt tevens op voor de bescherming van journalisten

en werknemers in andere media tegen censuur of intimidatie. Als Nigeriaanse mensenrechten-

advocaat vertegenwoordigt Hauwa Ibrahim vrouwen die op grond van de islamitische sharia-

wetgeving dreigen te worden gedood door steniging wegens overspel, alsook jongeren voor wie

onder diezelfde wetgeving amputatie wegens diefstal dreigt.

De resoluties over specifieke mensenrechtenschendingen in bepaalde landen, en met name over

individuele gevallen, vormen een belangrijk aspect van de activiteiten van het Parlement en worden

behandeld in de maandelijkse debatten over dringende kwesties. De Raad, de Commissie en de

betrokken regeringen worden hierin opgeroepen om maatregelen te nemen. Uit de reacties van deze

Tijdens de verslagperiode heeft het Parlement in zijn resoluties onder andere de aandacht gevestigd

op het volgende: de situatie van Tenzin Deleg Rinpoche, de boeddhistische lama die gevangen werd

genomen en in december 2002 ter dood werd veroordeeld op beschuldiging van deelname aan een

reeks bomaanslagen in Tibet; de diverse zaken die verband houden met de gevangenneming van en

het geweld tegen journalisten, mensenrechtenverdedigers en leden van de oppositie in Belarus, met

name de situatie van Paval Mazeka, Mikola Markievic en Viktar Ivaskievic die allen veroordeeld

werden tot een gevangenisstraf tussen 6 en 9 maanden, alsook van Mikhail Marinich, leider van de

oppositie en voormalig minister van Externe Economische Betrekkingen die in 2004 op grond van

politiek gemotiveerde aanklachten gevangen werd genomen en op 14 april 2006 werd vrijgelaten;

de situatie van verscheidene politieke gevangen in Birma (Myanmar), met name Hkun Htun Oo,

voorzitter van de Shan-afdeling van de Nationale Liga voor Democratie, die sinds februari 2005

gevangenzit en tot 90 jaar is veroordeeld, en generaal Hso Ten, voorzitter van de Vredesraad van de

Shan-staat, die sinds februari 2005 gevangenzit en tot 109 jaar is veroordeeld; de zaak Mohamed

Benchicou, uitgever van de krant Le Matin, die als slachtoffer van een campagne tegen de

persvrijheid in Algerije veroordeeld is tot een gevangenisstraf van twee jaar; de zaak Dr. Ayman

Nour, een voormalig journalist en advocaat, leider van de Al-Ghad-partij en lid van het Egyptisch

parlement, die op 24 december 2005 veroordeeld is tot een gevangenisstraf van vijf jaar op

beschuldiging van het indienen van valse handtekeningen om zijn partij te registreren voor de

parlements- en presidentsverkiezingen in Egypte; de zaak Altynbeck Sarsenbaev, een

vooraanstaand politicus en medevoorzitter van de oppositiepartij True Ak Zhol, die op 13 februari

2006 in Kazachstan is vermoord; de zaak Stanislav Dmitriyevsky, directeur van de Russisch-

Het EP heeft zijn begrotingsbevoegdheden aangewend voor een aanzienlijke verhoging van de

middelen voor programma's op het gebied van democratie en mensenrechten die worden

gefinancierd onder een afzonderlijk, op initiatief van het EP ingevoerd begrotingshoofdstuk, te

weten het "Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten" (EIDHR) (voor meer

informatie zie hoofdstuk 3.7 over het EIDHR). Tijdens de onderhandelingen over de nieuwe

financiële instrumenten voor externe bijstand heeft het Europees Parlement gewezen op de

noodzaak van een afzonderlijke verordening voor het EU-optreden inzake democratie en

mensenrechten als een van de hoogste prioriteiten, teneinde te zorgen voor zichtbaarheid en

flexibiliteit. Het voorstel voor dit instrument is op 26 juni 2006 door de Commissie ingediend.

Vraagstukken betreffende mensenrechten binnen de EU vallen onder de bevoegdheid van de

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, die de eerbiediging van de

grondrechten in de EU als werkterrein heeft. De Commissie buitenlandse zaken en haar

Subcommissie mensenrechten werken nauw samen met deze commissie bij het houden van toezicht

op de externe gevolgen van interne beleidsmaatregelen, in het bijzonder op het gebied van asiel en

immigratie en de mensenrechtenaspecten van de handel in mensen en organen.

Indien EU-burgers van oordeel zijn dat hun grondrechten zijn geschonden, kunnen zij zich richten

tot de Europese Ombudsman, die zich bezighoudt met gevallen van wanbeheer door de EU-

instellingen, of tot de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement, die inbreuken op

het EU-recht behandelt. De Ombudsman onderzoekt klachten over de activiteiten van EU-organen,

  • 3. 
    INSTRUMENTEN EN INITIATIEVEN VAN DE EU IN DERDE LANDEN

De EU beschikt over een aantal instrumenten om de mensenrechten in derde landen te bevorderen.

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de andere juridische instrumenten en

beleidsinstrumenten tijdens deze periode.

3.1. Gemeenschappelijke strategieën, gemeenschappelijke optredens en gemeenschappelijke standpunten

Hieronder volgt een geactualiseerd overzicht van de gemeenschappelijke strategieën,

gemeenschappelijke optredens en gemeenschappelijke standpunten, alsook van de

crisisbeheersingsoperaties, die tijdens de verslagperiode van kracht waren.

Gemeenschappelijke strategieën zijn bedoeld om doelstellingen te bepalen en om de

doeltreffendheid van het EU-optreden te vergroten door de algemene samenhang van het beleid van

de Unie te versterken. Zij worden door de Europese Raad (staatshoofden en regeringsleiders)

aangenomen en door de Unie uitgevoerd op gebieden waar de lidstaten aanzienlijke belangen

gemeen hebben. Tijdens deze verslagperiode zijn geen nieuwe gemeenschappelijke strategieën

aangenomen.

De Raad heeft op 12 december 2005 Gemeenschappelijk Standpunt 2004/622/GBVB houdende

wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2004/179/GBVB inzake beperkende maatregelen

tegen de leiders van de regio Trans-Dnjestrië in de Republiek Moldavië gewijzigd met betrekking

tot beperkende maatregelen tegen verscheidene Transdnjestrische hoge functionarissen die

betrokken waren bij de sluiting met geweld van Moldavischtalige scholen. Aangezien de situatie is

verbeterd en de meeste scholen ondertussen hun deuren weer konden openen, heeft de Raad de lijst

van functionarissen voor wie een visumverbod geldt, ingekort. De nieuwe lijst is opgenomen in

Gemeenschappelijk Standpunt 2005/890/GBVB. Op 14 februari 2006 heeft de Raad het

gemeenschappelijk standpunt betreffende beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio

Trans-Dnjestrië verlengd tot en met 27 februari 2007 (2006/95/GBVB) en de bijlage met de lijst

van personen voor wie een visumverbod geldt, geactualiseerd (2006/96/GBVB).

Crisisbeheersingsoperaties: Mensenrechtenkwesties en conflictpreventie

Op het gebied van conflictpreventie is de EU haar instrumenten voor lange- en kortetermijn-

preventie blijven ontwikkelen. Het verslag van het voorzitterschap aan de Europese Raad over EU-

activiteiten in verband met preventie, waaronder de uitvoering van het EU-programma voor de

preventie van gewelddadige conflicten, geeft de vorderingen op dit gebied weer.

Getrouw aan wat onder de voorgaande voorzitterschappen een traditie is geworden, hebben het

voorzitterschap, de Europese Commissie en het Europese verbindingsbureau voor vredesopbouw

(EPLO) op 3 mei 2006 samen een conferentie georganiseerd onder de naam "What future for EU

Er is verder gewerkt aan de integratie van mensenrechten in het GBVB, met inbegrip van in het

EVDB, vooral via bewustmaking in de desbetreffende werkgroepen en comités van de Raad. De

voorzitters van de twee groepen voor crisisbeheer3, alsook een adviseur van de voorzitter van het

Militair Comité van de EU (EUMC), zijn bijeengekomen met de Groep rechten van de mens van de

Raad. Relevante mensenrechtenkwesties zijn steeds vaker verdisconteerd en geïntegreerd, waar

passend, in alle operationele fases, vooral tijdens de planningsfase. Met de bescherming van de

mensenrechten is rekening gehouden door te voorzien in maatregelen waardoor de noodzakelijke

deskundigheid op mensenrechtengebied beschikbaar wordt gesteld. In dit opzicht moet terdege

rekening worden gehouden met de ervaringen die zijn opgedaan met crisisbeheersingsoperaties met

een speciale nadruk op mensenrechten, zoals de Atjeh-waarnemingsmissie. Tevens is erop gewezen

dat de EU een beroep moet doen op de deskundigheid van de Verenigde Naties. De persoonlijk

vertegenwoordiger van de SG/HV voor de mensenrechten heeft bijgedragen tot deze integratie van

mensenrechtenaspecten in de EU-crisisbeheersing.

De implementatie van het document over de uitvoering van Resolutie 1325 van de VN-

Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid is verder ter hand genomen in het kader van het

EVDB en gendermainstreaming. Er zijn nationale beste praktijken over gendermainstreaming en de

uitvoering van deze resolutie uitgewisseld, wat heeft geleid tot een oproep voor het uitwerken van

een checklist aan de hand waarvan kan worden toegezien op een correcte gender-insteek gedurende

het hele planningsproces en bij de uitvoering van EVDB-operaties. Het Instituut voor veiligheids-

studies (ISS) werkt aan een casestudie over de uitvoering van Resolutie 1325 in de context van de

Als follow-up van de EU-richtsnoeren over kinderen en gewapende conflicten is verder gewerkt aan

de problematiek van kinderen in gewapende conflicten en aan Resolutie 1612 van de VN-

Veiligheidsraad. Op basis van een evaluatie van de vorderingen met de uitvoering van deze

richtsnoeren is een implementatiestrategie4 ontwikkeld . Deze omvat een checklist voor de

integratie van de bescherming van kinderen die getroffen worden door een gewapend conflict,

welke moet worden geïntroduceerd in EVDB-missies. De rapportering over kinderen en gewapende

conflicten is verder gesystematiseerd. Zie de hoofdstukken 3.2 en 4.3.

Er is een aanvang gemaakt met het bestuderen van de vraag hoe overgangsrechtspraak beter kan

worden geïntegreerd in de EU-crisisbeheersing, om recht te doen aan het belang voor duurzame

vrede en stabiliteit van de wijze waarop in overgangs- en post-conflictsituaties wordt omgegaan met

mensenrechtenschendingen uit het verleden. In maart 2006 heeft het Politiek en Veiligheidscomité

(PVC) een seminar gehouden over overgangsrechtspraak; daarbij heeft men onderzocht hoe

strategieën voor confrontaties met mensenrechtenschendingen uit het verleden in de context van

majeure politieke veranderingen in de EU-crisisbeheersing zouden kunnen worden geïntegreerd. Dit

seminar wordt gevolgd door nadere werkzaamheden die gericht zijn op het ontwikkelen van

concrete aanbevelingen voor de integratie van overgangsrechtspraak in de EU-planning van EVDB-

operaties.

Crisisbeheersing: operationele activiteiten

De operationele activiteiten in het kader van de crisisbeheersing hebben zich tijdens de

De militaire operatie van de EU in Bosnië en Herzegovina (BiH), Operatie ALTHEA, blijft zorgen

voor een veilig klimaat in het land. Het afgelopen halfjaar is krachtiger de nadruk gelegd op de

vermindering en veilige opslag van de aanzienlijke hoeveelheden overtollige wapens en munitie die

nog in het bezit zijn van de strijdkrachten en de bevolking van BiH. De samenwerking met de

NAVO ten behoeve van Operatie Althea in het kader van de "Berlijn Plus"-regeling blijft zowel in

Brussel als in BiH goed verlopen. De Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië is verzocht

om als 12e bijdragende derde staat deel te nemen aan de operatie.

In juni heeft de Raad Operatie Althea geëvalueerd. Deze evaluatie vond plaats in het kader van de

enkelvoudige integrale evaluatie van de EU-activiteiten in BiH. In dat verband is bevestigd dat de

huidige troepensterkte en taken van de EUFOR moeten worden behouden, werd beklemtoond hoe

belangrijk het is dat alle EU-actoren in BiH nauw samenwerken, met name bij de bestrijding van de

georganiseerde criminaliteit, en is gewezen op de cruciale rol van de SVEU, die zorg draagt voor de

coherentie van het EU-optreden.

De EU is door middel van politieke actie, bijstand en EVDB-operaties (Europees veiligheids- en

defensiebeleid) blijk blijven geven van haar streven om het overgangsproces in de Democratische

Republiek Congo (DRC) te ondersteunen. In het licht van de naderende verkiezingen in de DRC

heeft de EU in mei een alomvattende toetsing van het externe optreden van de EU in de DRC

verricht.

De Raad is met de militaire planning van operatie EUFOR RD Congo begonnen en heeft, na de

aanneming van Resolutie 1671 van de VN-Veiligheidsraad, op 27 april een gemeenschappelijk

optreden vastgesteld waarbij luitenant-generaal Karlheinz Viereck tot operationeel commandant van

de EU en majoor-generaal Christian Damay tot commandant van de troepen van de EU worden

benoemd, en het operationele hoofdkwartier van de EU in Potsdam wordt gevestigd. Het besluit om

de operatie te starten werd door de Raad genomen en voorbereidingen werden getroffen om voor de

datum van de eerste verkiezingsronde, d.w.z. 30 juli 2006, het volledige operationele vermogen te

bereiken.

De autoriteiten van de DRC hebben meegedeeld dat zij achter de inzet van een EU-troepenmacht ter

ondersteuning van MONUC tijdens het verkiezingsproces staan en bevestigden deze instemming in

een brief aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Gedurende dit gehele proces is nauw

overleg met de VN gevoerd, zowel met MONUC als met het DPKO (het departement Vredes-

handhavingsoperaties van de Verenigde Naties). EUFOR RD Congo vormt een verdere versterking

van het EU-beleid van samenwerking met de VN op het gebied van crisisbeheersing. EUFOR RD

Congo beschikt op het operationele hoofdkwartier over een specifieke genderadviseur.

De EU heeft haar civiel-militaire optreden ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie

in de regio Darfur in Sudan (AMIS II) voortgezet. De steun van de EU aan AMIS II is getoetst als

onderdeel van de enkelvoudige integrale evaluatie van alle activiteiten in Sudan waarvan de Raad in

mei 2006 nota heeft genomen. De EU biedt doorlopende militaire bijstand in de vorm van

Gezien het besluit van de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie van 15 mei 2006

om haar missie aan de VN over te dragen en in het licht van de ondertekening van het vredes-

akkoord inzake Darfur op 5 mei 2006 heeft de EU besloten de civiele en militaire elementen van het

optreden ter ondersteuning van AMIS II tot en met 30 september 2006 voort te zetten. De EU

bestudeert momenteel het passende juridische en operationele kader en de bijkomende middelen en

vermogens die voor dit verlengde ondersteunde optreden van de EU vereist kunnen zijn. De EU

heeft zich bereid verklaard om snel te reageren op eventuele aan haar gerichte verzoeken om

ondersteuning van de implementatie van het vredesakkoord en om, in voorkomend geval, steun te

verlenen bij de planning van een overgang naar de VN.

De EU-rechtsstaatmissie in Georgië, EUJUST Themis5, die is ingezet om de Georgische regering

bijstand te verlenen bij de ontwikkeling van een strategie om sturing te geven aan de hervorming

van het strafrechtstelsel, is op 15 juli 2005 afgelopen. De missie was een noviteit en vormde een

nieuwe ontwikkeling in de civiele aspecten van het EVDB, aangezien het de eerste EVDB-missie

op rechtsstaatgebied was.

De periode onmiddellijk na het verstrijken van het mandaat van EUJUST Themis was van cruciaal

belang voor de dynamiek van de rechtsstaathervormingen. Op 9 juni 2005 bereikte het PVC

overeenstemming over de praktische voorwaarden voor verdere EU-steun bij de uitvoering van de

hervormingsstrategie voor het Georgische strafrechtstelsel.

Een verlengd en gewijzigd mandaat van de SVEU voor de zuidelijke Kaukasus is op 1 maart 2006

van kracht geworden; hierdoor wordt tevens de werking van het grensondersteuningsteam verlengd

tot eind februari 2007. De follow-up van EUJUST Themis als crisisbeheersingsoperatie is op

dezelfde datum daadwerkelijk beëindigd.

Naar aanleiding van een gezamenlijk verzoek van de Oekraïense en de Moldavische president heeft

het PVC op 20 september 2005 overeenstemming bereikt over de oprichting van een EU-

grensbijstandmissie voor Moldavië en Oekraïne (EUBAM), onder andere door de versterking van

het team van de SVEU voor Moldavië. De missie, die op 1 december 2005 met haar activiteiten is

begonnen, wordt door de Commissie georganiseerd, aanvankelijk in het kader van het

snellereactiemechanisme en vervolgens in Tacis-verband. Zij omvat ongeveer 60 douane- en

politiefunctionarissen uit EU-lidstaten. In juli 2006 zal de missie worden uitgebreid tot ongeveer

100 personeelsleden uit de lidstaten. Het hoofd van de missie fungeert tevens als politiek

hoofdadviseur van de SVEU voor Moldavië. Daarnaast is er een SVEU-grensteam opgericht dat

bestaat uit drie mensen en zorgt voor de verbinding met de SVEU en de Raad (zie SVEU-mandaat,

Gemeenschappelijk Optreden 2006/120/GBVB).

De waarnemingsmissie in Atjeh (WMA), die wordt geleid door de heer Pieter Feith uit de

EU, is ingesteld om toe te zien op de uitvoering van de verschillende aspecten van het

vredesakkoord zoals uiteengezet in het memorandum van overeenstemming (MOU) dat op

15 augustus 2005 in Helsinki (Finland), is ondertekend door de regering van Indonesië (RvI)

en de Beweging Vrij Atjeh (GAM). De Europese Unie en vijf bijdragende landen van de

ASEAN (Thailand, Maleisië, Brunei, de Filipijnen en Singapore), alsmede Noorwegen en

Zwitserland, stellen waarnemers voor het vredesproces in Atjeh (Indonesië) ter beschikking.

Na een korte voorlopige aanwezigheid sinds de ondertekening van het MOU, is de WMA op

15 september 2005 officieel van start gegaan voor een eerste periode van zes maanden. De

Raad van de EU heeft op 27 februari 2006 de duur van de missie met drie maanden verlengd

tot en met 15 juni 2006. De aanwezigheid van de WMA is het gevolg van een officiële

uitnodiging van de regering van Indonesië en geniet de volledige steun van de leiders van de

Beweging Vrij Atjeh (GAM).

Een mensenrechtencomponent, met inbegrip van waarneming van de mensenrechten, is voor

het eerst opgenomen in de waarnemingsmissie voor Atjeh, hetgeen een welkome stap

betekent in de richting van de integratie van de mensenrechten in EVDB-missies. De WMA

beoogt bij te dragen tot een vreedzame, algehele en duurzame oplossing voor het conflict in

Atjeh. Dit is nog belangrijker geworden door de verschrikkelijke tsunami van 26 december

2004 en het leed dat daardoor aan de bevolking van Atjeh is toegebracht. De EU en de

ASEAN eerbiedigen volledig de territoriale integriteit van Indonesië en zien de toekomst van

volledig afgerond. Overeenkomstig het memorandum van overeenstemming heeft de GAM al

haar 840 wapens aan de WMA overhandigd en haar militaire vleugel (TNA) op

27 december 2005 officieel ontbonden. De RvI is eveneens haar verplichtingen nagekomen

door haar irreguliere strijdkrachten en politietroepen te verplaatsen. Het aantal

politiefunctionarissen en strijdkrachten dat in Atjeh blijft, ligt binnen het in het MOU

overeengekomen maximum van 14.700 voor de strijdkrachten en 9100 voor de

politiefunctionarissen.

De WMA neemt geen onderhandelingsrol op zich. Mochten onderhandelingen tijdens het

uitvoeringsproces toch nodig blijken, dan zal de verantwoordelijkheid hiervoor berusten bij

beide partijen en de oorspronkelijke bemiddelaar, zijnde het crisisbeheersingsinitiatief.

De missie, waarvan het hoofdkwartier zich in Banda Atjeh bevindt, heeft een

waarnemingsvermogen tot stand gebracht door middel van elf geografisch over Atjeh

gespreide districtbureaus: Sigli, Bireuen, Lhokseumawe, Langsa, Tapaktuan, Blang Pidie,

Meulaboh, Calang, Banda Atjeh, Kutacane en Takengon.

De WMA telt ongeveer ongeveer 80 internationale, ongewapende personeelsleden, waarvan

bijna tweederde uit de EU-lidstaten en uit Noorwegen en Zwitserland, en iets meer dan

eenderde uit de vijf deelnemende ASEAN-landen. De WMA is door haar aard volledig

onpartijdig en vertegenwoordigt noch bevoordeelt een van de partijen.

De missie omvat deskundig personeel voor alle bevoegdheden die nodig zijn om haar taken te

vervullen. De WMA is een civiele en geen militaire missie. Sommige waarnemers zullen wel

Speciale vertegenwoordigers van de EU (SVEU's)

De SVEU voor Moldavië, ambassadeur Adriaan Jacobovits de Szeged, die op 23 maart 2005 is

aangesteld, heeft zijn werkzaamheden voortgezet. Zijn mandaat heeft in de eerste plaats betrekking

op de EU-bijdrage aan de regeling van het conflict in Trans-Dnjestrië. Het heeft tevens betrekking

op de bestrijding van mensensmokkel en smokkel van wapens en andere goederen uit en via

Moldavië. Voorts ziet de SVEU toe op alle EU-activiteiten, met name op belangrijke aspecten van

het ENB-actieplan (Europees Nabuurschapsbeleid) met Moldavië dat tijdens de samenwerkingsraad

EU-Moldavië van 22 februari 2005 is ondertekend. Het mandaat van de SVEU is op 20 februari

2006 met één jaar verlengd tot en met 28 februari 2007.

De SVEU voor de zuidelijke Kaukasus, zijnde tot en met 28 februari 2006 ambassadeur Heikki

Talvitie en vanaf 1 maart 20067 zijn opvolger, ambassadeur Peter Semneby, is voortgegaan met de

verlening van bijstand aan Armenië, Azerbeidzjan en Georgië bij de uitvoering van politieke en

economische hervormingen, met name op het gebied van de rechtsstaat, democratisering,

mensenrechten, goed bestuur, ontwikkeling en bestrijding van de armoede.

De EU heeft op 18 juli 2005 de heer Pekka Haavisto tot nieuwe SVEU voor Sudan benoemd

(Gemeenschappelijk Optreden 2005/556/GBVB)8. De werkzaamheden van de SVEU zijn

toegespitst op drie belangrijke gebieden: de uitvoering van het alomvattend vredesakoord in Sudan,

de vredesbesprekingen voor Darfur in Abuja en het toezicht op het civiel-militaire optreden van de

EU ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in Darfur (AMIS). Mensenrechten

vormen een belangrijk onderdeel van het mandaat van de SVEU die de toestand op dit gebied volgt

en regelmatig contact onderhoudt met de Sudanese autoriteiten, de AU en de VN, in het bijzonder

met het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten, de mensenrechtenwaarnemers

die actief zijn in de regio en het openbaar ministerie bij het Internationaal Strafhof. In dit verband

wordt in het mandaat van de SVEU met name de nadruk gelegd op de rechten van kinderen en

vrouwen, en op de strijd tegen de straffeloosheid in Sudan.

De SVEU voor Centraal-Azië, ambassadeur Ján Kubis, heeft zijn werkzaamheden voortgezet tot 5

juli 2006. Hij heeft bijgedragen tot de uitvoering van de beleidsdoelstellingen van de EU in de

regio, zoals het bevorderen van goede en nauwe betrekkingen tussen de landen van Centraal-Azië

en de Europese Unie, het bijdragen aan de versterking van de democratie, de rechtsstaat, het goed

bestuur en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Centraal-Azië,

alsook het versterken van de doeltreffendheid van de EU in de regio, onder andere door een

nauwere samenwerking met andere betrokken partners en internationale organisaties zoals de

OVSE.

3.2. EU-richtsnoeren inzake mensenrechten: doodstraf, foltering en andere vormen van wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing, kinderen en gewapende conflicten, verdedigers van de mensenrechten

Sinds 1998 neemt de Raad EU-richtsnoeren inzake mensenrechten aan, waarmee vraagstukken

worden bestreken die voor de EU-lidstaten van bijzonder belang zijn. Deze richtsnoeren hebben

betrekking op de doodstraf (aangenomen in 1998); foltering en andere vormen van wrede,

onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (aangenomen in 2001); mensenrechten-

dialogen (aangenomen in 2001); kinderen en gewapende conflicten (aangenomen in 2003) en

mensenrechtenverdedigers (aangenomen in 2004). Zij zijn beschikbaar in alle EU-talen, alsmede in

het Russisch, het Chinees, het Arabisch en het Farsi op de website van het secretariaat van de Raad

(http://ue.eu.int/Human-Rights). Het secretariaat van de Raad heeft deze richtsnoeren in mei 2005

ook als boekje uitgegeven, in het Engels en het Frans9 .

Wat de richtsnoeren inzake kinderen en gewapende conflicten betreft, heeft de Groep rechten van

de mens tijdens de rapporteringsperiode een tweejaarlijkse evaluatie van de richtsnoeren ingediend,

een aantal aanbevelingen gedaan die de Raad in december 2005 heeft goedgekeurd, en haar lijst van

prioritaire landen herzien. De Raad heeft op 7 april 2006 een strategie opgesteld voor de uitvoering

van de richtsnoeren inzake kinderen en gewapende conflicten. In het kader van de richtsnoeren

inzake mensenrechtenverdedigers is de EU gestart met een wereldwijde campagne ten behoeve van

de vrijheid van meningsuiting en vrouwelijke mensenrechtenverdedigers, en heeft zij de eerste

tweejaarlijkse evaluatie van de uitvoering van de richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers

Meer informatie over maatregelen ter uitvoering van de thematische richtsnoeren tijdens de

verslagperiode staat in hoofdstuk 4, en in hoofdstuk 3.4 wordt dieper ingegaan op maatregelen in

het kader van de richtsnoeren inzake de mensenrechtendialogen.

3.3. Demarches en verklaringen

Demarches op mensenrechtengebied bij de autoriteiten van derde landen en persmededelingen zijn

belangrijke instrumenten van het externe beleid van de EU; ook in desbetreffende Raadsconclusies

kunnen de mensenrechten aan de orde komen. Demarches zijn gewoonlijk het werk van de "trojka"

of van het voorzitterschap en zij hebben meestal een vertrouwelijk karakter. Voorts kan de EU

openbare verklaringen afleggen om een regering of andere partijen op te roepen de mensenrechten

te eerbiedigen, dan wel om positieve ontwikkelingen te verwelkomen. De verklaringen worden

gelijktijdig bekendgemaakt in Brussel en in de hoofdstad van het land dat het voorzitterschap van

de EU waarneemt.

Demarches en verklaringen worden veelvuldig gebruikt om uiting te geven aan bezorgdheid in

verband met mensenrechten. De voornaamste onderwerpen zijn de bescherming van mensen-

rechtenverdedigers, illegale detentie, onvrijwillige verdwijningen, de doodstraf, foltering,

bescherming van kinderen, vluchtelingen en asielzoekers, buitengerechtelijke executies, de vrijheid

van meningsuiting en van vereniging en het recht op een eerlijk proces, alsmede het recht op vrije

en eerlijke verkiezingen. Demarches en verklaringen worden evenwel ook in positieve zin gebruikt.

VN voor de mensenrechten in Colombia (26 juni 2006). Verklaring worden tevens gebruikt om een

boodschap ter ondersteuning van EU-prioriteiten te brengen. Zo heeft de EU bijvoorbeeld, naar

aanleiding van de internationale dag van de VN voor steun aan slachtoffers van foltering, een

verklaring afgelegd waarin de nadruk wordt gelegd op het belang dat zij hecht aan het wereldwijde

uitbannen van foltering en aan de volledige rehabilitatie van de slachtoffers van foltering. In de

context van de wereldwijde campagne ten behoeve van de vrijheid van meningsuiting zijn er in alle

regio's van de wereld demarches ondernomen.

In de verslagperiode heeft de EU overal ter wereld verder demarches ondernomen om steun te

zoeken voor de mensenrechtenaspecten in de hervorming van de VN alsook voor het Statuut van

Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC). Voorts zijn er demarches met betrekking tot de

mensenrechten ondernomen bij onder andere Algerije, Angola, Burundi, Cambodja, China, DRC,

Indonesië, Iran, Irak, Japan, Koeweit, Libië, Nepal, Pakistan, de Filipijnen, Rusland, Saudi-Arabië,

Sudan, Trinidad en Tobago, Uganda, de Verenigde Staten, Oezbekistan, Vietnam en Jemen.

In dezelfde periode heeft de Unie aan de mensenrechten gerelateerde verklaringen afgelegd met

betrekking tot onder meer Algerije, Belarus, Birma/Myanmar, Cambodja, China, Colombia, Cuba,

DRC, Egypte, Gambia, Iran, Irak, Kirgizstan, Maldiven, Mexico, Nepal, Rusland, Syrië,

Tadzjikistan, Togo, Tunesië, Turkije, Turkmenistan, Uganda, de Verenigde Staten, Oezbekistan,

Jemen en Zimbabwe.

3.4. Mensenrechtendialogen (met inbegrip van richtsnoeren inzake mensenrechtendialogen) en ad hoc-overleg

3.4.1. Mensenrechtendialoog met China

De EU en China onderhouden nu bijna elf jaar een mensenrechtendialoog aan de hand van door de

Raad vastgestelde richtsnoeren. De mensenrechtensituatie, en de invloed van de dialoog hierop, is

in oktober 2004 door de Raad geëvalueerd, hetgeen leidde tot Raadsconclusies en mondelinge

briefings aan het Europees Parlement en de NGO's. In het algemeen gaven de ontwikkelingen een

gemengd beeld te zien van vorderingen op sommige terreinen en onverminderde redenen tot

verontrusting op andere gebieden. Enerzijds erkende de Raad dat China in het afgelopen decennium

aanzienlijke vorderingen heeft gemaakt in zijn sociaal-economische ontwikkeling en verwelkomde

hij stappen in de richting van een versterking van de rechtsstaat, waarbij hij China evenwel opriep

te zorgen voor de daadwerkelijke uitvoering van maatregelen dienaangaande. Anderzijds was de

Raad bezorgd omdat, ondanks deze ontwikkelingen, mensenrechten zoals de vrijheid van

meningsuiting, de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van vergadering en van vereniging nog

steeds worden geschonden, er geen vooruitgang is geboekt met betrekking tot de rechten van

personen die tot minderheden behoren, de doodstraf nog altijd op grote schaal toepassing vindt en er

folteringen blijven plaatsvinden. Concluderend beschouwde de Raad de dialoog als een waardevol

instrument en een belangrijk onderdeel van de betrekkingen tussen de EU en China in het algemeen,

en hechtte hij zijn goedkeuring aan voorstellen ter verbetering van de dialoog en ter bevordering

In de door dit verslag bestreken periode hebben er twee dialoogbijeenkomsten en twee seminars

plaatsgevonden. De 20e dialoogbijeenkomst heeft op 24 oktober 2005 in Peking plaatsgevonden,

voorafgegaan door een bezoek van de trojka aan Xinjiang. De 21e bijeenkomst heeft op 25-

26 mei 2006 in Wenen plaatsgevonden. De EU was vertegenwoordigd door de trojka van de Groep

rechten van de mens van de Raad, die werd bijgestaan door de persoonlijk vertegenwoordiger voor

de mensenrechten van de Hoge Vertegenwoordiger. China werd vertegenwoordigd door

functionarissen van het ministerie van Buitenlandse Zaken, onder wie hun speciale vertegen-

woordiger voor de mensenrechten, alsook door functionarissen van andere diensten. Beide

bijeenkomsten werden voorafgegaan door een vergadering op politiek niveau waarin de EU een

aantal belangrijke punten van zorg aan de orde stelde en met name aandrong op de vrijlating van

gevangenen die betrokken waren bij de gebeurtenissen op het Tienanmenplein in 1989, de spoedige

ratificatie en uitvoering van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

(ICCPR), de hervorming van het systeem van heropvoeding door arbeid, en voorts wees op het

belang van een grotere vrijheid van meningsuiting, ook op het internet.

In de dialoog van 2005 was godsdienstvrijheid een centraal thema. De dialoog van 2006 was

toegespitst op vrijheid van meningsuiting, met name op het internet. Zoals altijd overhandigde de

EU een lijst met individuele gevallen die aanleiding gaven tot bezorgdheid, waarop China

schriftelijk antwoordde. In overeenstemming met de richtsnoeren werden tijdens de beide

dialoogbijeenkomsten de volgende specifieke punten van zorg aan de orde gesteld: de ratificatie van

het ICCPR en de noodzakelijke wetgevingshervormingen om uitvoering te geven aan de bepalingen

de bescherming van de mensenrechten bij terrorismebestrijding; samenwerking met de VN, in het

bijzonder met de nieuw opgerichte Raad voor de mensenrechten en in het kader van bijzondere

procedures, en met het OHCHR, het UNHCR, het ICRC en het ICC. De EU riep China tevens op

om, overeenkomstig zijn internationale verplichtingen, het beginsel van "non-refoulement" toe te

passen op de Noord-Koreaanse vluchtelingen in China. In 2005 is tevens aandacht besteed aan de

bescherming van sociale en economische rechten en aan de onafhankelijkheid van NGO's.

De Chinese vertegenwoordiging informeerde de EU over een aantal tot stand gebrachte of lopende

wetgevingshervormingen, waaronder een toetsing door het Hooggerechtshof van alle terdood-

veroordelingen, een bijzondere rechtbank voor minderjarigen, wettelijke bepalingen voor verhoor

en detentie en de rechten van gevangenen in de context van een nationale campagne om folteringen

te voorkomen en uit te bannen, de geplande hervorming van het systeem van heropvoeding door

arbeid, alsmede de nieuwe regelgeving inzake orgaantransplantaties die op 1 juli 2006 van kracht is

geworden. Er werd tevens informatie verstrekt over een reeks nieuwe regelingen die onder andere

betrekking hebben op juridische bijstand aan kwetsbare groepen in de maatschappij, maatregelen ter

bevordering van democratisch bestuur op dorpsniveau en nieuwe voorschriften op het gebied van

strafrechtelijke procedures. China verstrekte ook de meest recente informatie over de vorderingen

die zijn geboekt in de richting van de ratificatie van het ICCPR.

De Chinese vertegenwoordiging informeerde de EU over de uitvoering van de aanbevelingen in het

verslag van de speciale rapporteur van de VN inzake folteringen, na diens bezoek aan China in

2005, en over de follow-up van het bezoek van de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten

De autoriteiten van de EU en China organiseerden in het kader van de dialoog twee seminars inzake

mensenrechten, één in Londen op 12-13 december 2005 en één in Wenen op 22-23 mei 2006. Het

seminar van Londen was toegespitst op het thema "ratificatie en uitvoering van het ICCPR,

artikelen 14 en 9", en met name op de aanbeveling van stappen die China moet ondernemen om zijn

wetgeving met deze artikelen in overeenstemming te brengen. Aan het seminar in Wenen werd

deelgenomen door academische instellingen, functionarissen van het EP, het Nationaal

Volkscongres, vertegenwoordigers van de ministeries van Buitenlandse Zaken van de lidstaten en

van diverse Chinese ministeries en NGO's; er werd gesproken over "de uitvoering van

aanbevelingen van internationale mensenrechtenmechanismen (aanbevelingen van de

Verdragsorganen en de speciale procedures) en educatie op het gebied van de mensenrechten".

Naast de mensenrechtendialoog bleven de EU en haar lidstaten in andere politieke dialoog-

bijeenkomsten van de EU met China, ook op het hoogste politieke niveau, alsook via bilaterale

technische samenwerking en uitwisselingsprogramma's, aandringen op concrete maatregelen om de

daadwerkelijke uitoefening van mensenrechten in China te verbeteren. Tussen de dialoog-

bijeenkomsten door werden demarches ondernomen ten behoeve van specifieke zorgwekkende

gevallen. De beperkte maatregelen van de Chinese regering betekenden spijtig genoeg dat slechts

zeer weinig personen vervroegd werden vrijgelaten en in de loop van het jaar werden nieuwe namen

toegevoegd aan de lijst van individuele zorgwekkende gevallen.

Door middel van het "proces van Bern" heeft de EU regelmatig contact met andere landen die een

3.4.2. Mensenrechtendialoog met Iran

De mensenrechten vormen een essentieel onderdeel van de algemene betrekkingen van de EU met

Iran. Dat geldt overigens voor alle landen. De mensenrechtendialoog, welke de eerste was die

overeenkomstig de EU-richtsnoeren inzake de mensenrechtendialoog van 2001 werd ingesteld, is

een van de hulpmiddelen voor de EU om in dat land de mensenrechten te bevorderen. Hoewel er in

Iran op mensenrechtengebied nog veel werk moet worden verzet, is de EU van oordeel dat het

onderhouden van duurzame contacten met Iran een manier is om aanmoediging te geven aan

degenen die zich beijveren voor hervormingen in dit land.

Sinds 2002 heeft de EU in het kader van de mensenrechtendialoog vier bijeenkomsten met Iran

gehouden; de meest recente vond plaats in juni 2004. In 2004 werd deze dialoog aan de EU-criteria

getoetst en daaruit bleek dat er sinds de start weinig tot geen vorderingen zijn gemaakt. Ondanks het

uitblijven van een daadwerkelijk engagement van Iran, is de EU nog steeds bereid de mensen-

rechten te bespreken, onder meer via de dialoogprocedure. De Raad achtte het noodzakelijk om van

de Iraanse autoriteiten een hernieuwde toezegging te verkrijgen dat zij de mensenrechten beter

zullen naleven en de rechtsstaat in het land zullen bevorderen, alsmede om de voorwaarden van de

dialoog te wijzigen teneinde deze doeltreffender te maken. Over dit laatste aspect zijn er

besprekingen aan de gang.

De dialoog is gebaseerd op een aantal onderling overeengekomen beginselen en concrete

Verscheidene deelnemers werden bij deze dialoogbijeenkomsten betrokken, waaronder de regering,

de rechterlijke macht, academici en het maatschappelijk middenveld. De mensenrechtendialoog is

hoofdzakelijk een kanaal voor de EU om haar punten van zorg ten aanzien van Iran tot uiting te

brengen en omgekeerd. De EU heeft de dialoog in het verleden gebruikt om individuele gevallen,

bijvoorbeeld gewetensgevangenen, aan de orde te stellen, en zij is voornemens dit tijdens de

volgende ronde opnieuw te doen. Een essentieel onderdeel van de dialoog is de mogelijkheid tot

wederzijdse beoordeling en toetsing.

Zie hoofdstuk 6.5 voor meer informatie over Iran.

3.4.3. Mensenrechtendialoog met Rusland

Tijdens de top EU-Rusland van 25 november 2004 in Den Haag is op voorstel van de EU

overeenstemming bereikt over het houden van overleg inzake de mensenrechten. Na een eerste

ronde op 1 maart 2005 in Luxemburg werd de tweede ronde op 8 september 2005 in Brussel en de

derde ronde op 3 maart 2006 in Wenen gehouden.

Dit overleg, dat wordt gehouden op het niveau van hoge ambtenaren, heeft ten doel de situatie van

de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in de EU en Rusland, alsmede internationale

mensenrechtenkwesties, op een open en constructieve wijze te bespreken.

De besprekingen hadden betrekking op de internationale verplichtingen en de medewerking van

Rusland in mensenrechtenfora van de VN, met name op de hervormingen in de VN en de

De EU stelde specifieke punten van zorg met betrekking tot de mensenrechten in Rusland aan de

orde, met name de toestand in Tsjetsjenië, de situatie van mensenrechtenverdedigers, met inbegrip

van individuele gevallen, de onafhankelijkheid van de media en de vrijheid van meningsuiting, de

eerbiediging van de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten in het leger, en zij bracht

eveneens andere kwesties ter tafel. Tijdens de overlegronde van maart 2006 kregen de fenomenen

racisme en vreemdelingenhaat bijzondere aandacht, en werd tevens de situatie van de NGO's na de

inwerkingtreding van de wet op de NGO's besproken.

De NGO's werden nauw bij de voorbereiding van het overleg betrokken en achteraf over het

resultaat geïnformeerd. Vóór de overlegronde van 3 maart 2006 bezochten de delegaties van de EU

en Rusland het in Wenen gevestigde Europees Waarnemingscentrum voor racisme en

vreemdelingenhaat. Zie hoofdstuk 6.1.3 voor meer informatie over Rusland.

3.4.4. Andere mensenrechtendialogen (artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou)

Een van de belangrijkste wijzigingen die met de EU-ACS-partnerschapsovereenkomst van Cotonou

(2000) zijn doorgevoerd, is de versterking van de politieke dimensie door middel van een

intensievere dialoog. Door van deze dialoog een hoofdpijler van het partnerschap te maken, wordt

recht gedaan aan het toenemende belang van politieke vraagstukken in de betrekkingen tussen de

EU en de ACS. In artikel 8 worden de belangrijkste bepalingen voor een normale gang van zaken

vastgesteld; de artikelen 96, 97 en 98 (ernstige schendingen) bevatten verdere bepalingen inzake de

Een van de doelstellingen van de dialoog is de bevordering van een stabiel democratisch klimaat, en

de elementen die hiervan deel moeten uitmaken zijn de zogenoemde essentiële en fundamentele

elementen van Cotonou, namelijk mensenrechten, democratie, de rechtsstaat, goed bestuur, vrede en

veiligheid, vraagstukken inzake discriminatie op grond van geslacht, etnische afkomst of ras, en

culturele vraagstukken. Waar mogelijk moeten de civiele samenleving, niet-overheidsactoren en de

oppositie bij de besprekingen worden betrokken. Het proces moet transparant en permanent zijn.

Voorbeelden van landen waarin de partijen met een dialoog in het kader van artikel 8 zijn

begonnen, zijn Angola, Botswana, Burkina Faso, Congo (Brazzaville), Gabon, Ghana, Kenya,

Nigeria, Senegal, Zuid-Afrika, Swaziland, Mauritanië, Mozambique, Uganda en Zimbabwe. Deze

dialoog dient ook gevoerd te worden met regionale organisaties, zoals de AU, de SADC en

ECOWAS.

3.5. Mensenrechtenoverleg van de trojka met de VS, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland en de kandidaat-lidstaten

Trojka-overleg met de VS

De EU en de VS hebben voorafgaand aan de vergadering van de Derde Commissie van de AVVN

op 16 oktober 2005 in Washington en op 16 februari 2006 in Brussel overleg gevoerd over

mensenrechtenkwesties. De vergaderingen werden benut om informatie te verstrekken over en steun

te zoeken voor thematische en landenprioriteiten, en besluiten te nemen over gemeenschappelijke

De EU en de VS hebben van gedachten gewisseld over de mensenrechtensituatie in een aantal

landen, met name in de landen waarover wellicht een resolutie zou worden opgesteld, alsmede over

het beleid ten aanzien van deze landen. Daarbij is de meest recente informatie over de dialogen over

mensenrechten en het overleg met derde landen uitgewisseld. Beide partijen toonden interesse voor

samenwerking bij de verdediging van mensenrechtenactivisten. Tevens hielden zij een uitvoerige

gedachtewisseling over de onderhandelingen betreffende de oprichting van de Mensenrechtenraad.

Het overleg bood een goede gelegenheid om het verschil in aanpak te bespreken. De EU heeft haar

bezorgdheid geuit over de doodstraf en daarbij met name de aandacht gevestigd op de executies van

minderjarigen en gevallen van geesteszieken. Gedurende de twee bijeenkomsten wisselden beide

partijen openhartig van gedachten over de gevolgen van maatregelen ter bestrijding van terrorisme

voor de internationale inspanningen ter bevordering van de bescherming van de mensenrechten,

waarbij onder meer de rechtspositie van de gevangenen in Guantanamo Bay en Irak en het

uitleveringsvraagstuk ter sprake kwamen. De EU verzocht de VS positief te reageren op het verzoek

van de speciale rapporteurs van de VN om een bezoek te brengen aan Guantanamo en andere

plaatsen waar vermeende terroristen worden vastgehouden. De VS verstrekten informatie over

zaken inzake Guantánamo die bij de VS-rechtbanken aanhangig zijn en bevestigden dat zij zouden

reageren op het verslag van de speciale VN-rapporteur voor Guantánamo. De VS toonden zich

bezorgd over het antisemitisme in Europa. Tevens verzochten zij de EU om steun voor de

Gemeenschap van democratieën.

De EU en Canada wisselden voorts van gedachten over de behoefte aan een betere coördinatie

tussen gelijkgestemde landen. In een gedachtewisseling over de hervorming van de VN

onderstreepte Canada dat de mainstreaming van de mensenrechtendimensie in het VN-systeem in

zijn geheel van essentieel belang is.

Trojka-overleg met Japan

Het mensenrechtenoverleg EU-Japan heeft in oktober 2005 in New York en in juni 2006 in Genève

plaatsgevonden. Japan beklemtoonde veel belang te hechten aan coördinatie met de EU en deelde

mee dat zij informatie over de dialoog EU-China en het overleg EU-Rusland ten zeerste op prijs

stelt.

Japan herinnerde de EU eraan dat uit een onderzoek uit 2004 is gebleken dat meer dan 80% van de

bevolking voorstander is van handhaving van de doodstraf. In het licht van dit onderzoeksresultaat

acht Japan de kans op succesvolle besprekingen over de afschaffing van de doodstraf vrij gering.

Trojka-overleg met Nieuw-Zeeland

Tijdens het overleg over de mensenrechten in maart 2006 in Brussel deelde Nieuw-Zeeland mee

nauwere samenwerking met de EU te wensen. Nieuw-Zeeland benadrukte dat één van zijn

voornaamste initiatieven zich toespitst op de rechten van het kind.

Trojka-overleg met de kandidaat-lidstaten

3.6. Mensenrechtenbepalingen in samenwerkingsovereenkomsten met derde landen

Sedert de mededeling van de Commissie uit 1995 Over de bepalingen inzake de eerbiediging van

de democratische beginselen en de rechten van de mens in de overeenkomsten tussen de

Gemeenschap en derde landen is de bepaling dat de eerbiediging van de mensenrechten en de

democratische beginselen een essentieel element van de overeenkomst vormt als standaardclausule

opgenomen in alle overeenkomsten met derde landen, met uitzondering van sectorale

overeenkomsten en overeenkomsten met geïndustrialiseerde landen. Krachtens deze bepaling

kunnen sancties worden ingesteld als reactie op ernstige schendingen van de mensenrechten of van

het democratisch proces. De voornaamste functie van deze bepaling bestaat er evenwel in de EU ten

aanzien van derde landen een basis te verschaffen voor een positief engagement inzake aangelegen-

heden betreffende mensenrechten en democratie. Hiertoe heeft de Commissie met een aantal landen

subcomités en werkgroepen mensenrechten opgericht. Het proces van de uitbreiding van de

subcomités mensenrechten tot alle landen van het Europees Nabuurschapsbeleid is voortgezet met

de eerste vergadering in juni 2006 van de werkgroep mensenrechten en minderheden met Israël.

In februari 2006 heeft het EP een resolutie over de mensenrechten- en democratiebepaling in

overeenkomsten van de EU aangenomen, op basis van een verslag van Vittorio Agnoletto, lid van

het EP. In de resolutie werd, onder meer, opgeroepen de standaardformulering van de mensen-

rechtenclausule te herzien, de clausule uit te breiden tot alle nieuw te sluiten overeenkomsten en het

EP meer bij de toepassing van de clausule te betrekken. Als reactie hierop heeft de Europese

3.7. Activiteiten die gefinancierd worden in het kader van het Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten

Het EIDHR is een programma dat speciaal is opgezet ter bevordering van de mensenrechten, de

democratie en de rechtsstaat, voornamelijk via samenwerking met organisaties uit het

maatschappelijk middenveld, maar ook in partnerschap met enkele belangrijke internationale

organisaties. Het wordt beheerd door de Europese Commissie. In de jaren 2005 en 2006 bedroegen

de middelen ervan in totaal meer dan 251 miljoen euro, waardoor het mogelijk was aan een groot

aantal projecten in 68 landen en op prioritaire gebieden steun te verlenen via vier campagnes:

(1) Bevordering van recht en rechtsstaat, (2) Bevordering van een cultuur van mensenrechten,

(3) Bevordering van het democratisch proces en (4) Bevordering van gelijkheid, tolerantie en vrede.

Eind juni 2006 steunde het EIDHR meer dan 1.000 projecten overal ter wereld, die het volledige

scala van de in de basisverordeningen en het programmeringsdocument uiteengezette prioriteiten

bestrijken. Er zijn activiteiten georganiseerd op landenniveau, op regionaal niveau en wereldwijd.

Het beheer van de EIDHR-projecten op landenniveau is vanuit Brussel aan de delegaties van de EC

overgedragen.

Aanwijzing, selectie en financiering van projecten.

Evenals in de vorige jaren zijn de nieuwe projecten op drie verschillende manieren geselecteerd:

  • i) 
    Projecten die via een wereldwijde oproep tot het indienen van voorstellen tot stand komen
  • 1. 
    Bevordering van recht en rechtsstaat:

Perceel 1: De doeltreffende werking van het ICC en andere internationale straftribunalen, met

inbegrip van hun interactie met de nationale rechtsstelsels

Perceel 2: De steeds zeldzamere toepassing van de doodstraf en de uiteindelijke universele

afschaffing ervan

Perceel 3: Versterking van het werk van internationale mensenrechtenmechanismen

  • 2. 
    Bevordering van een cultuur van mensenrechten:

Perceel 1: Bevordering van de rechten van gemarginaliseerde of kwetsbare groepen

Perceel 2: Voorkoming van foltering10

Perceel 3: Rehabilitatie van slachtoffers van foltering

  • 3. 
    Bevordering van het democratisch proces:

Perceel 1: Ondersteuning en ontwikkeling van de democratische verkiezingsprocessen

Perceel 2: Versterking van de basis voor dialoog in het maatschappelijk middenveld en het

democratisch debat door middel van de vrijheid van vereniging

Perceel 3: Versterking van de basis voor dialoog in het maatschappelijk middenveld en het

democratisch debat door middel van de vrijheid van meningsuiting

De Commissie zal tussen oktober en december 2006 subsidies toekennen voor het merendeel van de

succesvolle voorstellen.

  • ii) 
    Projecten die via landenspecifieke oproepen tot het indienen van voorstellen tot stand komen

Voor 2005-06 is een bedrag van 66 miljoen euro beschikbaar gesteld voor oproepen tot het indienen

van voorstellen die door de EG-delegaties in 54 landen zijn gedaan. Dergelijke landenspecifieke

oproepen zijn bedoeld voor de selectie van projecten die in aanmerking komen voor kleinere

subsidies tussen 10.000 en 100.000 euro ("microprojecten") en staan normaal gezien alleen open

voor in het land gevestigde organisaties. Zo kan het EIDHR het plaatselijk maatschappelijk

middenveld ondersteunen en de specifieke prioriteiten bepalen voor de verschillende landen waar

de microprojecten worden uitgevoerd. In 2005 werden door de EG-delegaties 229 nieuwe subsidies

voor microprojecten in het kader van het EIDHR toegekend.

  • iii) 
    Zonder oproepen tot het indienen van voorstellen geselecteerde projecten

In 2005 werden 17 projecten geselecteerd zonder oproep tot het indienen van voorstellen, waarvoor

de EU 15,59 miljoen euro beschikbaar stelde. Omvangrijke subsidies werden verleend aan

organisaties zoals het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten, de Raad van

Europa, de OVSE en de internationale straftribunalen. Een bijkomend specifiek bedrag van

10 miljoen euro werd toegekend aan 3 projecten die zich op mensenrechten in Irak toespitsen. Nog

eens 26 miljoen euro werd toegekend aan verkiezingswaarnemingsmissies. Meer informatie over

Evaluaties

Tijdens 2005 en 2006 zijn zes evaluaties betreffende het EIDHR verricht. Drie daarvan zijn in de

context van dit verslag van bijzonder belang - één thematisch, één regionaal en één methodologisch.

Deze thematische evaluatie betrof de relevantie en de doeltreffendheid van EIDHR-projecten die

betrekking hebben op de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en de bevordering van de

rechten van minderheden (met uitzondering van inheemse volkeren). De evaluatoren oordeelden

dat de meeste van de 17 projecten wezenlijke resultaten te zien gaven, die voor de levens van

degenen die slachtoffer van racisme en discriminatie zijn, ongetwijfeld een verbetering inhouden.

Voorts werd verklaard dat het EIDHR-programma enkele van de meest kwetsbare leden van

gediscrimineerde gemeenschappen in enkele van de gevaarlijkste gebieden ter wereld bereikte (zie

meer details in Hoofdstuk 4.15 "Racisme, vreemdelingenhaat, non-discriminatie en eerbied voor

diversiteit")

De evaluatie van het regionale programma in Zuid-Amerika (Programa Andino de derechos

humanos y democracia) omvatte vijf landenprojecten en twee regionale projecten. Doel ervan was

de algemene regionale aanpak van het programma te beoordelen en de relevantie, efficiëntie,

doelmatigheid, effect en duurzaamheid van de projecten na te gaan. De doelstellingen van het

programma waren relevant voor de mensenrechtensituaties in de Andeslanden. Uit de evaluatie

kwam naar voren dat de regionale aanpak van het programma gedeeltelijk was bereikt. Voorts werd

Een doelstelling van de methodologische evaluatie "ontwikkeling van prestatie-indicatoren voor

het EIDHR" was het EIDHR indicatoren op landenniveau voor elk van zijn vier voornaamste

campagnes voor te stellen. Voor iedere campagne werden indicatoren voorgesteld teneinde het

toezicht op en de meting van de project- en programmaresultaten te verbeteren. Als gevolg hiervan

is in de oproep tot het indienen van voorstellen voor 2005-2006 van het EIDHR een selectie van

indicatoren opgenomen. Hierin wordt gespecificeerd welke resultaten de Commissie van de door

het EIDHR gefinancierde projecten verwacht. Op de EIDHR-website is thans ook een gids voor de

opstelling van projectindicatoren beschikbaar13.

Het nieuwe instrument voor democratie en mensenrechten

Eind juni 2006 heeft de Commissie haar voorstel ingediend voor een verordening van het Europees

Parlement en de Raad tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van

democratie en mensenrechten in de wereld, met de titel: Europees instrument voor democratie en

mensenrechten. Dit nieuwe instrument is de opvolger van het huidige EIDHR, dat gebaseerd is op

twee verordeningen die eind 2006 aflopen. Het voorstel maakt deel uit van het pakket van nieuwe

financiële instrumenten voor de jaren 2007-2013, en de bespreking en aanneming ervan is voor later

in 2006 gepland.

3.8. Analyse van de doeltreffendheid van de EU-instrumenten en initiatieven

De EU is vastbesloten mensenrechten en democratisering in de beleidssectoren en -keuzes van de

EU te integreren, teneinde een meer bewust, geloofwaardig, samenhangend, consequent en

doeltreffend mensenrechtenbeleid van de EU tot stand te brengen. De EU streeft ernaar beter van

het brede scala van beschikbare informatiebronnen gebruik te maken en de follow-up van acties

zoals demarches te verbeteren. Een betere follow-up van het optreden op mensenrechtengebied zal

ertoe bijdragen dat de EU de uitdaging van een samenhangende aanpak van de mensenrechten-

problematiek in verschillende fora aankan.

In de loop van het jaar heeft de EU bewust getracht de samenhang te versterken door haar

"gereedschapskist" voor de bevordering van de mensenrechten beter te organiseren. De EU is zich

meer bewust geworden van de uiteenlopende middelen waarvan zij gebruik kan maken (zoals

demarches, richtsnoeren, dialogen, ontwikkelingssamenwerking enz.) en heeft geprobeerd het

samenhangende en consequente gebruik van deze instrumenten te bevorderen. De instelling van de

functie van persoonlijk vertegenwoordiger van de SG/HV voor de mensenrechten vormt een

concrete bijdrage aan deze inspanningen en is nuttig gebleken vanuit het oogpunt van bevordering

van integratie in andere sectoren en continuïteit.

De samenhang blijft evenwel een uitdaging. Er kunnen nog verbeteringen worden aangebracht in de

Aangezien de mensenrechten thans beter in de beleidsterreinen van de Unie kunnen worden

geïntegreerd, groeit de roep om diverse praktische hulpmiddelen voor de integratie van de

mensenrechten en de samenhang van het beleid (zoals handboeken, checklists, indicatoren enz.).

Een element van het streven naar een optimaal gebruik van de verschillende instrumenten in de

gereedschapskist was het zoeken naar evenwicht tussen overreding en kritieke actie en het kiezen

van instrumenten die zowel stimulansen als beperkende maatregelen omvatten; een klimaat van

vertrouwen opbouwen, een open gedachtewisseling tot stand brengen en bijstandverlening

aanbieden en tegelijkertijd duidelijk aangeven wanneer grenzen zijn overschreden. Ook hierbij is

het van belang dat de EU bij haar acties betreffende verscheidene landen en regio's zichtbaar

dezelfde normen hanteert.

Uit een beoordeling van de kortetermijneffecten van de tijdens de verslagperiode ondernomen

demarches waaraan een gevolg is gegeven, blijkt dat deze succes, maar soms ook minder of geen

effect hebben gehad. In vele gevallen hebben acties van de EU een direct effect gehad doordat

dissidenten in vrijheid zijn gesteld en straffen zijn verminderd. In het algemeen is de beoordeling

van de efficiëntie van het EU-optreden op het gebied van mensenrechten niet eenvoudig en is er ook

een langetermijnvisie nodig. De demarches betreffende bijvoorbeeld terdoodveroordeelden zijn

vanzelfsprekend gericht op omzetting van de straf van de betrokkene, maar brengen tegelijkertijd

ook de boodschap over van de algemene EU-lijn, namelijk de afschaffing in alle landen, en kunnen

aldus ook op de langere termijn resultaat opleveren.

Aangezien de EU duidelijk niet alleen kan werken, heeft zij getracht de samenhang tussen het EU-

optreden op bilateraal en multilateraal niveau en de samenwerking met NGO's en andere actoren te

verbeteren en tegelijkertijd de transparantie en openheid te versterken. Voortdurende interactie

met vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld is reeds een belangrijk kenmerk van

het mensenrechtenbeleid van de EU geworden. Het jaarlijkse EU-NGO-Forum op 8 en

9 december 2005 in Londen was bijvoorbeeld een geslaagd evenement omdat het vertegen-

woordigers van NGO's, universiteiten, individuele mensenrechtenverdedigers en overheids-

ambtenaren bij elkaar bracht.

  • 4. 
    THEMATISCHE KWESTIES

4.1. Doodstraf

Tijdens de verslagperiode heeft de EU haar beleid voor de afschaffing van de doodstraf actief

voortgezet. De EU is in alle gevallen gekant tegen de doodstraf en verdedigt dit standpunt

consequent in haar betrekkingen met derde landen. Zij is van oordeel dat de afschaffing van de

doodstraf bijdraagt tot de verbetering van de menselijke waardigheid en de gestage ontwikkeling

van de mensenrechten.

Algemene demarches houden in dat de EU het probleem van de doodstraf aan de orde stelt in haar

betrekkingen met derde landen. Deze demarches zijn met name frequent in situaties waarin er

ontwikkelingen zijn in het beleid van een land ten aanzien van de doodstraf, bijvoorbeeld wanneer

de kans bestaat dat een moratorium of de facto moratorium op de toepassing van de doodstraf wordt

opgeheven of de doodstraf opnieuw bij wet wordt ingevoerd. Zo ook kan een demarche worden

gedaan of een publieke verklaring worden afgelegd ten aanzien van landen die initiatieven nemen in

de richting van de afschaffing van de doodstraf. Individuele demarches vinden plaats in de

specifieke gevallen waarin de EU in kennis is gesteld van individuele veroordelingen tot de

doodstraf die een schending inhouden van de minimumnormen. Deze normen bepalen, onder meer,

dat de doodstraf niet kan worden opgelegd aan minderjarige plegers van een misdrijf, zwangere

vrouwen, jonge moeders, geestelijk gehandicapten of personen die geen eerlijk proces hebben

gekregen.

Tijdens de verslagperiode heeft de EU de kwestie van de doodstraf opgenomen met de regeringen

van Belarus, China, Indonesië, Iran, Japan, Jordanië, Kenya, Kirgizië, Malawi, Papoea-Nieuw-

Guinea, Filipijnen, Rusland, Sierra Leone, Zuid-Korea, Taiwan, Tadzjikistan, Tanzania en Uganda.

De EU heeft individuele demarches ondernomen bij Afghanistan, Egypte, Indonesië, Irak, Iran,

Koeweit, Libië, Noord-Korea, Pakistan, de Palestijnse Autoriteit, de Filipijnen, Sudan, de VS,

Oezbekistan, Saudi-Arabië en Jemen.

Daarnaast heeft de EU een reeks publieke verklaringen over de doodstraf in de hele wereld

Volgens het verslag van Amnesty International over 2005 zijn er dat jaar wereldwijd meer dan 2000

executies uitgevoerd en zijn in 2005 5.186 personen ter dood veroordeeld in 53 landen. De

overgrote meerderheid van deze executies vond plaats in China (ten minste 1170 executies). Iran

staat op de tweede plaats met ten minste 94 executies, gevolgd door Saudi-Arabië met ten minste

86 executies en de VS met 60.

Het stemt de EU tot voldoening dat 45 van de 46 lidstaten van de Raad van Europa Protocol nr. 6

bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens - inzake de afschaffing van de doodstraf -

hebben geratificeerd. Meer dan 10 jaar na haar toetreding tot de Raad van Europa moet de

Russische Federatie Protocol nr. 6 nog ratificeren. Protocol nr. 13, op grond waarvan de doodstraf

onder alle omstandigheden, ook in tijd van oorlog, wordt verboden, is nu door 36 lidstaten

geratificeerd, waaronder 20 lidstaten van de EU. Het is door nog eens zeven lidstaten ondertekend.

Alleen Armenië, Azerbeidzjan en Rusland hebben het niet ondertekend.

Tot de positieve tendensen betreffende de doodstraf behoorde het feit dat tijdens de verslagperiode

de volgende landen de doodstraf voor alle misdrijven hebben afgeschaft: Liberia, Mexico en de

Filipijnen. In Oezbekistan heeft president Karimov op 1 augustus 2005 een decreet houdende

afschaffing van de doodstraf per 1 januari 2008 ondertekend. In Kirgizië is het sinds 1998 van

kracht zijnde wettelijk moratorium op executies op 29 december 2005 met een jaar verlengd.

DE EUROPESE UNIE VERWELKOMT DE AFSCHAFFING VAN DE DOODSTRAF IN

DE FILIPIJNEN

Afschaffing van de doodstraf in de Filipijnen

In 1987 waren de Filipijnen het eerste Aziatische land waar de doodstraf voor alle misdrijven werd

afgeschaft. De doodstraf werd evenwel door het Congres in 1993 opnieuw ingevoerd voor 46

misdrijven. Vervolgens werden executies uitgevoerd tot de invoering in 2001 van een de facto

moratorium op executies. In april 2006 zette president Arroyo alle terdoodveroordelingen om in

levenslange gevangenisstraf, en op 6 juni nam het Congres een wet tot afschaffing van de doodstraf

aan die door president Arroyo op 24 juni 2006 is ondertekend.

De rol van de Europese Unie

Overeenkomstig de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf heeft de Europese Unie de

inspanningen van lokale wetgevers, overheidsfunctionarissen en activisten uit het maatschappelijk

middenveld voor de afschaffing van de doodstraf in de Filipijnen actief ondersteund, onder meer via

individuele en algemene demarches, bewustmakingsacties en steun voor groepen die afschaffing

bepleiten. In december 2005 heeft de Europese Unie in partnerschap met de Commissie voor de

mensenrechten in de Filipijnen in Cebu, Davao en Manila een reeks "mensenrechtendialogen over

de doodstraf en herstelrecht" georganiseerd. Hiermee werd getracht meer de aandacht te vestigen op

de herstelrechtaanpak en te pleiten voor de onvoorwaardelijke en onmiddellijke afschaffing van de

doodstraf in de Filipijnen. De Europese Commissie heeft tevens financiële steun verleend voor een

aantal activiteiten van NGO's en universiteiten om een lopende actiecampagne en specifieke

Verklaring van het voorzitterschap namens de Europese Unie over de volledige afschaffing

van de doodstraf in de Filipijnen

"De Europese Unie is zeer ingenomen met de ondertekening door president Arroyo op 24 juni 2006

van de wetgeving tot afschaffing van de doodstraf in de Filipijnen. De Europese Unie hoopt vurig

dat dit besluit andere landen in de regio zal aanmoedigen dit voorbeeld te volgen.

De Europese Unie is van oordeel dat de afschaffing van de doodstraf bijdraagt tot de menselijke

waardigheid en de gestage ontwikkeling van de mensenrechten. Zij bevestigt nogmaals dat zij

streeft naar een wereldwijde afschaffing van de doodstraf.

De Europese Unie ziet uit naar versterking van de samenwerking met de Filipijnen bij de

bevordering van onze gemeenschappelijke doelstelling, namelijk universele afschaffing van de

doodstraf.

De toetredende landen Bulgarije en Roemenië, de kandidaat-lidstaten Turkije, Kroatië en de

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, de landen van het stabilisatie- en

associatieproces en mogelijke kandidaat-lidstaten Albanië, Bosnië en Herzegovina, Servië en

Montenegro, en de EVA-landen IJsland, Liechtenstein en Noorwegen, die lid zijn van de Europese

Economische Ruimte, alsmede Oekraïne en de Republiek Moldavië, sluiten zich bij deze verklaring

aan."

4.2. Foltering en andere vormen van onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing

Overeenkomstig de in april 2001 door de Raad aangenomen richtsnoeren voor een EU-beleid tegen

foltering15 heeft de EU haar acties ter bestrijding van foltering voortgezet met initiatieven in

internationale fora, bilaterale vertegenwoordigingen in derde landen en belangrijke steun voor

projecten.

Tijdens de 60e zitting van de Algemene Vergadering van de VN (AVVN) heeft Denemarken

resoluties over foltering ingediend die bij consensus zijn aangenomen, waarbij alle lidstaten van de

EU zich hebben aangesloten16. In verklaringen tijdens de zitting van de AVVN heeft de EU het

absolute verbod op foltering en andere vormen van wrede, onmenselijke of onterende behandeling

of bestraffing in het internationaal recht herhaald en haar bezorgdheid uitgesproken over de

toepassing van foltering in verscheidene landen en regio's. De EU-vertegenwoordigers waren

waarnemers en brachten verslag uit tijdens de bespreking van verslagen over derde landen in de 35e

en 36e zitting (7-25 november 2005; 1-19 mei 2006) van het VN-Comité tegen foltering.17. In haar

jaarlijkse verklaring ter gelegenheid van de Internationale dag voor slachtoffers van foltering op

26 juni 2006 was de EU met name zeer verheugd over de inwerkingtreding op 22 juni 2006 van het

Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering, waarbij een aanvullend systeem van nationale

en internationale bezoekmechanismen voor de inspectie van plaatsen van detentie wordt ingesteld.

Dit vormt een mijlpaal op weg naar een universeel doeltreffend en innoverend mechanisme ter

Overeenkomstig de EU-richtsnoeren tegen foltering heeft de EU ten aanzien van derde landen via

de politieke dialoog en demarches steeds op actieve wijze haar bezorgdheid uitgesproken over

foltering. In dergelijke contacten komen zowel individuele gevallen als algemenere vraagstukken

aan bod. Tijdens de verslagperiode heeft de EU haar beleid op het gebied van individuele gevallen

voortgezet. Op basis van de eind 2004 verrichte grondige evaluatie van de uitvoering van de

richtsnoeren voert de EU thans een programma uit waarbij foltering bij alle landen stelselmatig aan

de orde wordt gesteld, onder meer via vier demarches bij circa 60 landen wereldwijd (zie de lijst

hierna). Deze hebben zich toegespitst op landen die het Verdrag van de Verenigde Naties tegen

foltering (UNCAT)19 niet hadden ondertekend, landen die de eerste verslagen aan het UNCAT-

Comité nog niet hebben ingediend, en er waren demarches bij landen die niet hebben gereageerd op

verzoeken om een bezoek van de speciaal rapporteur van de VN inzake foltering. Het voornaamste

doel van de demarches is evenwel het aan de orde stellen en bespreken van folteringskwesties en

gevallen die relevant zijn voor het desbetreffende land. Tijdens de lopende verslagperiode is met de

uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake foltering echte vooruitgang geboekt.

Waar heeft de EU demarches inzake foltering en slechte behandeling ondernomen?

Afghanistan, Algerije, Andorra, Antigua & Barbuda, Bahama's, Bangladesh, Barbados, Belarus,

Botswana, Brunei, Birma, Burundi, Kaapverdië, Tsjaad, Cookeilanden, Comoren, Dominicaanse

Republiek, DVK, Egypte, Equatoriaal-Guinea, Ethiopië, Fiji, Gambia, Ghana, Guyana, Guinee,

Ter bevordering van de geïnformeerde dialoog heeft de EU een systeem van regelmatige

vertrouwelijke verslaggeving over mensenrechten, daaronder begrepen over foltering, door de

hoofden van de missies in derde landen gecreëerd, en de hoofden van de missies een checklist

gegeven, zodat men over een stevige basis beschikt om het probleem in de politieke dialoog aan de

orde te stellen.

Wat houden de demarches van de EU inzake foltering in?

Gemeenschappelijke elementen voor alle demarches van de EU:

  • In de resoluties inzake foltering en andere vormen van wrede, onmenselijke en onterende

behandeling of bestraffing die door de 60e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en in de

61e zitting van de VN-Commissie voor de mensenrechten in 2005 zijn aangenomen [aangehecht; te

overhandigen] heeft de wereld nogmaals alle vormen van foltering en andere wrede, onmenselijke

en onterende behandeling of bestraffing, die onder geen beding mogen plaatsvinden, resoluut

veroordeeld. De EU staat volledig achter dit standpunt. De resoluties werden bij consensus

aangenomen.

  • De voorkoming en uitbanning van alle vormen van foltering en andere wrede, onmenselijke of

onterende behandeling of bestraffing in de hele wereld zijn voor de EU prioritair. Het standpunt van

de EU is verder uitgewerkt in haar richtsnoeren over foltering [aangehecht; te overhandigen].

Zoals geldt voor staten die niet positief antwoorden op verzoeken van de speciale rapporteur om

een bezoek aan die staten: De EU steunt ten volle de inspanningen van de speciale VN-rapporteur

voor foltering en wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing om foltering te

  • De EU en haar lidstaten verlenen steun aan en sluiten zich aan bij internationale en regionale

instrumenten voor de bescherming tegen foltering, waaronder het VN-Verdrag tegen foltering. In

dit verdrag worden wereldwijde maatregelen vastgesteld voor de bescherming van het recht op

vrijwaring tegen foltering zoals van toepassing op staten die geen partij zijn bij het UNCAT: en in

de resoluties wordt er bij alle staten die zulks nog niet hebben gedaan, op aangedrongen om bij

voorrang tot het Verdrag toe te treden. De EU is derhalve bezorgd dat staat x het Verdrag nog niet

heeft bekrachtigd/nog niet is toegetreden tot het Verdrag. De EU dringt er bij de bevoegde

autoriteiten van staat x sterk op aan om dit ernstig te overwegen. Er zij op gewezen dat het Verdrag

alleen betrekking heeft op gebeurtenissen die zich na de bekrachtiging/toetreding voordoen. Een

staat die partij is, draagt uit hoofde van het Verdrag geen verantwoordelijkheid voor gebeurtenissen

die zich voordien hebben voorgedaan.

  • Zoals van toepassing: De EU is verheugd dat staat x het UNCAT heeft bekrachtigd en veel belang

hecht aan de uitvoering ervan. Artikel 19 van het UNCAT vereist dat alle landen die het Verdrag

hebben bekrachtigd, binnen een jaar na de inwerkingtreding ervan voor het betrokken land aan het

VN-Comité tegen foltering (CAT) verslag uitbrengen over de maatregelen die zij hebben genomen

om uitvoering te geven aan hun verplichtingen in het kader van het Verdrag. Daarna moeten deze

landen om de vier jaar periodieke verslagen inzake de genomen nieuwe maatregelen overleggen. De

EU is bezorgd dat het eerste verslag van x aan het CAT veel te lang op zich laat wachten. De EU

beschouwt de nakoming van deze verplichting inzake verslaglegging als cruciaal in het kader van

het UNCAT en spoort x aan zo spoedig mogelijk verslag uit te brengen aan het CAT.

  • Zoals van toepassing: In dit opzicht wenst de EU er ook op te wijzen dat in de resolutie van de
  • Zoals van toepassing op staten die partij zijn bij het UNCAT: De EU verzoekt staat x ook tijdig de

ondertekening en bekrachtiging te overwegen van het Facultatieve Protocol bij het Verdrag tegen

foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (OP/CAT),

waarmee eerder wordt beoogd foltering te voorkomen door toezicht te houden op detentiecentra,

dan te reageren nadat foltering heeft plaatsgehad.

  • De EU treedt wereldwijd op inzake foltering. Geen land of groep van landen wordt uitgezonderd.

De rol van de handel in goederen die specifiek voor foltering worden gebruikt, is een cruciaal punt

van zorg voor de EU en wordt behandeld in een verslag van de speciale rapporteur van de VN

inzake folteringen20 . Met de EU-richtsnoeren heeft de EU zich ertoe verbonden het gebruik en de

productie van en de handel in materieel dat specifiek is ontworpen voor foltering of andere vormen

van wrede, onmenselijke of onterende behandeling, te voorkomen. Met de nakoming van deze

verbintenis zijn reeds aanzienlijke vorderingen gemaakt. De EU heeft op 27 juni 2005 een

verordening aangenomen met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden

kunnen worden voor de doodstraf of foltering (hierna "de verordening" genoemd)21 die de in- en

uitvoer verbiedt van instrumenten die in de praktijk uitsluitend worden gebruikt voor de voltrekking

van de doodstraf of voor foltering of een andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of

bestraffing. De uitvoer van goederen die voor dergelijke doelen kunnen worden gebruikt is

eveneens onderworpen aan de goedkeuring van de autoriteiten van de lidstaten van de EU. De

lidstaten dienen jaarverslagen te publiceren over activiteiten in verband met de verordening. Als

deze verordening eenmaal in werking is getreden op 30 juli 2006, zal zij een belangrijke bijdrage

De voorkoming van foltering en de rehabilitatie van de slachtoffers van foltering is een van de

prioriteiten voor financiering in het kader van het EIDHR. In 2005-2006 is in het kader van de

EIDHR-campagne "Bevordering van een cultuur van mensenrechten" 22,6 miljoen euro

uitgetrokken voor steun aan projecten van het maatschappelijk middenveld op dit gebied, waardoor

het EIDHR op dit gebied één van de belangrijkste financieringsbronnen ter wereld werd. De

onderwerpen die voor steun in aanmerking komen, zijn gekozen om het EU-beleid te versterken:

bijvoorbeeld, bewustmaking van het facultatieve protocol bij het Verdrag tegen foltering, opsporing

van leveringen van foltertechnologie en steun aan de rehabilitatie van slachtoffers van foltering. De

EU zet zich reeds lang in voor de strijd tegen foltering en mishandeling en zal dat blijven doen in

het kader van het toekomstige Europese instrument voor democratie en mensenrechten voor 2007-

2013 (zie hoofdstuk 3.7 voor meer informatie over het EIDHR).

Zie ook hoofdstuk 4.8 "Mensenrechten en terrorisme".

4.3. Rechten van het kind (met inbegrip van kinderen en gewapende conflicten)

De rechten van het kind maken deel uit van de mensenrechten die de EU en de lidstaten moeten

eerbiedigen op grond van internationale en Europese verdragen, met name het Verdrag van de

Verenigde Naties inzake de rechten van het kind (UNCRC) en de facultatieve protocollen bij dit

Verdrag, met inbegrip van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's) en het

Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). De EU heeft de rechten van het kind

Ontwikkelingen in het intern beleid

De Commissie heeft in haar mededeling "Strategische doelstellingen 2005-2009" de rechten van het

kind als één van haar voornaamste prioriteiten aangemerkt. In dit verband heeft de groep

Commissarissen voor grondrechten, non-discriminatie en gelijke kansen in april 2005 besloten een

specifiek initiatief te ontwikkelen voor de bevordering, bescherming en toepassing van

kinderrechten in het interne en externe beleid van de EU. Dit initiatief kwam tot stand door de

opstelling van een Commissiemededeling met als titel "Naar een EU-strategie voor de rechten van

het kind". Het opstellingsproces, dat bestond uit verscheidene overlegrondes met externe partners

zoals UNICEF, de Raad van Europa en NGO's die gespecialiseerd zijn in kinderrechten, werd in

juni 2006 beëindigd en de mededeling werd uitgebracht op 4 juli 2006.

Deze mededeling vormt het door de Commissie gemaakte begin van een langetermijnstrategie die

ervoor moet zorgen dat de EU de kinderrechten actief bevordert en beschermt, en die de

inspanningen van de lidstaten van de EU op dit gebied ondersteunt. Met deze mededeling hanteert

de Commissie voor het eerst een brede aanpak van de kinderrechten, waaronder beleidsmaatregelen

vallen die gaan van ontwikkelingssamenwerking en werkgelegenheid tot volksgezondheid en

onderwijs.

De strategie van de EU is opgebouwd rond zeven specifieke doelstellingen: het benutten van

lopende activiteiten; kinderrechten tot een vast onderdeel van alle beleidsmaatregelen en

doelstelling zal de Commissie een Europees forum voor de rechten van het kind opzetten als

platform voor uitwisseling; een formele interdepartementale werkgroep voor de kinderrechten

oprichten (ter vervanging van de bestaande informele werkgroep); en een coördinator voor de

rechten van het kind aanwijzen om de samenwerking tussen de departementen te vergemakkelijken

en de communicatie over kinderrechten te verbeteren.

Kinderarmoede, die van de ene generatie op de andere overgaat, komt steeds meer op de voorgrond

in het proces van sociale insluiting van de Unie, de open coördinatiemethode op het gebied van

armoede en sociale uitsluiting. De doelstellingen die het proces ondersteunen, verwijzen naar de

noodzaak om stappen te ondernemen in de richting van het uitbannen van sociale uitsluiting bij

kinderen en hun alle kansen op sociale integratie te bieden. De meerderheid van de lidstaten heeft

aldus kinderarmoede tot een prioritair thema gemaakt in hun opeenvolgende nationale actieplannen

en in de uitvoeringsverslagen.

In de mededeling van december 2005 over het nieuwe werkkader op het gebied van sociale

bescherming en integratie binnen de EU wordt kinderarmoede genoemd als een van de belangrijkste

beleidsprioriteiten waaraan de lidstaten aandacht moeten besteden. Tijdens de voorjaarsbijeenkomst

van de Europese Raad in 2006 hebben de staatshoofden en regeringsleiders de lidstaten opgeroepen

de nodige maatregelen te treffen om het aantal kinderen dat in armoede leeft snel aanzienlijk te

verminderen, waarbij alle kinderen, ongeacht hun sociale achtergrond, gelijke kansen worden

Verdere ontwikkelingen in het intern beleid tijdens de beschouwde periode zijn onder meer het

uitbrengen van de Commissiemededeling "Een gemeenschappelijke agenda voor integratie"22

betreffende onderdanen van derde landen in de EU, waarbij wordt benadrukt dat bijzondere

aandacht moet worden besteed aan de situatie van migrerende jongeren en kinderen, bijvoorbeeld

om ervoor te zorgen dat zij ten volle van het onderwijsstelsel kunnen profiteren. Binnen de

beschouwde periode moesten twee belangrijke richtlijnen door de lidstaten worden uitgevoerd: de

richtlijn betreffende gezinshereniging23 waarin de voorwaarden worden neergelegd voor de

uitoefening van het recht op gezinshereniging voor echtgenoten en minderjarige kinderen, en de

richtlijn betreffende langdurig ingezetenen24, waarin wordt bepaald dat, zodra een lidstaat de status

van langdurig ingezetene heeft toegekend, de kinderen van de ingezetene dezelfde behandeling

moeten genieten als nationale onderdanen, in het bijzonder wat onderwijs en beroepsopleiding

betreft.

De Commissie heeft een voorstel ingediend voor een richtlijn over gemeenschappelijke normen en

procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun

grondgebied verblijven25, die vele bepalingen ter bescherming van kinderen bevat. Het algemene

beginsel is dat de lidstaten zich bij de uitvoering van terugkeerprogramma's in eerste instantie

moeten laten leiden door "het belang van het kind".

In de communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen26 moet er

De Commissie pakt de mogelijke gevaren aan die nieuwe technologieën zoals mobieletelefoon-

diensten kunnen opleveren voor kinderen. Zij heeft in juni 2006 een discussiedocument over de

veiligheid van kinderen en mobieletelefoondiensten27 gepubliceerd om feedback te krijgen over dit

onderwerp en na te gaan of er nieuwe maatregelen moeten worden genomen op EU-niveau. De

Commissie heeft een programma van 45 miljoen euro opgezet (Safer Internet plus 2005-200828 ),

dat voortbouwt op een vroeger Safer Internet-programma29 (1999-2004). Een van de doelstellingen

van het programma is kinderen beschermen tegen seksuele uitbuiting via het internet.

Op 18 oktober 2005 heeft de Commissie de mededeling "Bestrijding van mensenhandel: een

geïntegreerde benadering en voorstellen voor een actieplan"30 aangenomen.. In deze mededeling

wordt bijzondere aandacht besteed aan kinderhandel. Naar aanleiding van deze mededeling heeft de

Raad op 1 december 2005 een EU-actieplan tegen mensenhandel31 aangenomen (zie hoofdstuk 4.6

voor meer informatie over mensenhandel).

Wat het familierecht betreft, gaan de activiteiten van de Commissie de grenzen van de EU te buiten,

met name in het kader van het Europees-mediterraan Partnerschap en het Europees nabuurschaps-

beleid (ENP). De kwestie van de ouderlijke verantwoordelijkheid, met name wat de ontvoering van

kinderen betreft, is in de context van het voorgaande aan de orde gesteld, en een van de doel-

stellingen van het vijfjarig werkprogramma dat tijdens de bijeenkomst van de Euromed-ministers in

november 2005 is gestart, is te zorgen voor praktische oplossingen van gezinsconflicten. Deze

doelstelling zal worden verwezenlijkt door middel van een regionaal programma (2007-2010). In

het kader van het ENP is de Commissie bezig met het actief stimuleren van bilaterale samen-

werking op het gebied van het familierecht, waarbij zij met name tracht oplossingen te helpen

bieden voor gezinsconflicten over kwesties inzake ouderlijke verantwoordelijkheid.

Kinderrechten en uitbreiding

Het lidmaatschap van de EU vereist onder meer dat het kandidaatland zover is gekomen dat het

beschikt over stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het

respect voor en de bescherming van minderheden garanderen. De kinderrechten behoren tot de

mensenrechtenkwesties die de kandaatlanden moeten eerbiedigen als integrerend deel van de in

artikel 6 van het EU-Verdrag bedoelde gemeenschappelijke Europese waarden.

Voorts heeft de Commissie, wat de financiële bijstand betreft, steeds groot belang gehecht aan

projecten die ten doel hebben de situatie en de rechten van kinderen in kandidaatlanden te

verbeteren, met name op het gebied van kinderopvang, onderwijs of specifieke bijstand aan

benadeelde groepen zoals de Roma. In de jongste jaren was meer dan een derde van een totaal

bedrag van nagenoeg 100 miljoen euro aan PHARE-middelen voor Romagemeenschappen bestemd

voor de verbetering van het onderwijs. Sedert eind 2000 loopt in Roemenië een meerjarig PHARE-

programma van in totaal 59,5 miljoen euro ter ondersteuning van de inspanningen van de

Roemeense regering om de kinderbescherming te hervormen en de sluiting van grote kinder-

tehuizen oude stijl en de vervanging ervan door alternatieve kinderbeschermingsdiensten te

financieren. Er is al aanzienlijke vooruitgang geboekt: een 90-tal grote instellingen is gesloten en

vervangen door ruim 300 alternatieve kinderbeschermingsdiensten. Dit programma ging gepaard

met een grote bewustmakingscampagne voor het publiek. Ook aan Turkije is financiële

pretoetredingssteun toegekend om de ergste vormen van kinderarbeid uit te bannen.

Ontwikkelingen in het buitenlands beleid

De EU heeft haar optreden ter uitvoering van de richtsnoeren van de Europese Unie over

kinderen en gewapende conflicten van december 2003 versterkt. Met deze richtsnoeren verbindt

de EU zich ertoe de gevolgen op korte, middellange en lange termijn van gewapende conflicten

voor kinderen aan te pakken, mede door toezicht en rapportage door de missiehoofden, de militaire

De EU heeft zich in verscheidene fora bezorgd getoond over kinderen die door gewapende

conflicten worden getroffen en heeft deze kwestie in verscheidene verklaringen op de voorgrond

geplaatst. De trojka heeft demarches ondernomen in Burundi, Uganda, Colombia, Ivoorkust, DRC,

Liberia, Nepal en Sudan. De kwestie is ook opgenomen in opleidingsactiviteiten met betrekking tot

het EVDB en crisisbeheersing. Kinderen zijn reeds jarenlang een prioriteit in het EU-beleid op het

gebied van humanitaire hulp. Zoals echter reeds is benadrukt in de in november 2005 ingediende

evaluatie zijn er verdere inspanningen nodig zijn om het volledige potentieel van de richtsnoeren te

benutten. Een reeks aanbevelingen is bijgevolg in december 2005 door de Raad bekrachtigd, en de

lijst van prioritaire landen is herzien. Op deze lijst staan nu Afghanistan, Birma, Burundi,

Colombia, Ivoorkust, DRC, Liberia, Nepal, de Filipijnen, Somalië, Sri Lanka, Sudan en Uganda.

Op 7 april 2006 heeft de Raad een strategie voor de uitvoering van de richtsnoeren32 uitgebracht,

die op Resolutie 1612 van de VN-Veiligheidsraad is gebaseerd. Er is een taakgroep, bestaande uit

vertegenwoordigers van het voorzitterschap, de Commissie en het secretariaat-generaal van de

Raad, opgericht die voor de follow-up van de uitvoering moet zorgen. Er is een richtsnoerennota

gezonden aan de delegaties van de Commissie in de betrokken landen en aan de hoofden van de

missies van de lidstaten van de EU. De speciale vertegenwoordigers van de EU hebben specifieke

instructies ter zake gekregen en op 2 juni 2006 is een controlelijst voor de opneming van de

bescherming van door gewapende conflicten getroffen kinderen in EVDB-operaties33 uitgebracht.

Missiehoofden van EU-lidstaten is verzocht om waar nodig over de kwestie kinderen en gewapende

conflicten verslag uit te brengen.

Het EIDHR en de rechten van het kind

In het kader van het EIDHR is bijzondere aandacht besteed aan de bevordering en de bescherming

van de rechten van het kind. In de voorbije jaren zijn acties gefinancierd ter ondersteuning van

sociale reïntegratie van ex-kindsoldaten in Angola, Ethiopië en Sierra Leone, ter bestrijding van

kinderhandel in West-Afrika, ter bestrijding van commerciële seksuele uitbuiting van kinderen in

het toerisme, en ter uitbanning van het verschijnsel van genitale verminking van meisjes en

vrouwen.

Het EIDHR financiert momenteel verscheidene desbetreffende acties:

  • "Mainstreaming child rights and promoting non violence - a sub-regional project for Palestinian

children" (mainstreaming van kinderrechten en bevordering van geweldloosheid - een

subregionaal project voor Palestijnse kinderen), die in samenwerking met UNICEF wordt

uitgevoerd in de bezette Palestijnse Gebieden, Syrië, Libanon en Jordanië (970.000 euro);

  • "Birth Registration" (geboorteregistratie), die in samenwerking met UNICEF in Bangladesh

-

wordt uitgevoerd (990.000 euro);

  • "Child Welfare Reform" (hervorming van het kinderwelzijn), die in samenwerking met UNICEF in

-

Azerbeidzjan wordt uitgevoerd (350.000 euro);

"Development of a Child Rights ombudsman in Kazakhstan" (instelling van een ombudsman voor

kinderrechten in Kazachstan), die in samenwerking met UNICEF wordt uitgevoerd (399.700 euro);

  • "Integration and Empowerment of Minority Children and Youth in Serbia and Albania"

De EU werkt actief aan de bevordering van de kinderrechten in het kader van de Verenigde Naties.

Tijdens de 60e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) heeft zij een resolutie

over de rechten van het kind (60/231) ingediend, die het resultaat is van samenwerking tussen de

Europese Unie en een aantal landen uit Latijns-Amerika en het Caribisch gebied. In de resolutie

wordt onder meer de nadruk gelegd op de bijzondere kwetsbaarheid van kinderen die getroffen zijn

door HIV/AIDS. In de 60e AVVN was de EU ook mede-indiener van een specifieke resolutie over

jonge meisjes.

Op 25 januari 2006 heeft de Commissie zeven mededelingen aangenomen over thematische

programma's binnen de toekomstige financiële vooruitzichten (2007-2013), waaronder het

thematisch programma voor bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld. De

kinderrechten zullen in het programma worden opgenomen als een te mainstreamen kwestie die in

alle interventies moet worden meegenomen.

De Commissie heeft in juli 2004 een strategisch partnerschap met de IAO ondertekend, waarvan het

voorkomen van kinderarbeid één van de prioriteiten is. In dit verband heeft de Commissie in 2005

met de ACS-partners overeenstemming bereikt over een actieprogramma om samen met het IPEC

(Internationaal programma voor de uitbanning van kinderarbeid) van de IAO kinderarbeid te

bestrijden. Het actieprogramma, met een totaal budget van 15 miljoen euro, zal toegespitst zijn op

capaciteitsopbouw, gerichte interventies en het rechtskader om kinderen meer van kinderarbeid te

Het onderwijsbeleid van de EU is nauw verbonden met het engagement van de internationale

gemeenschap voor onderwijs zoals gedefinieerd in de Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling

(MDG's) en de Onderwijs voor Iedereen (OVI)-doelstellingen, en legt de klemtoon op lager

onderwijs en gendergelijkheid. Alles tezamen genomen is in de voorbije periode 2002-2005

jaarlijks gemiddeld 260 miljoen euro uitgetrokken voor onderwijs. Het grootste deel van deze

budgetten is bestemd voor lager onderwijs voor kinderen. De Commissie is momenteel ook met de

EU-lidstaten en de ACS- partners aan het onderhandelen over steun (63 miljoen euro) voor het

versneld initiatief voor lager onderwijs in diverse ACS-landen.

In maart 2002 heeft de Commissie een mededeling aangenomen over armoede en gezondheid,

waarin een beleidskader van de EG wordt vastgesteld voor de sturing van investeringen in

gezondheid en AIDS-preventie; één van de vier onderdelen daarvan heeft betrekking op de

bescherming van de meest kwetsbaren, met inbegrip van kinderen die in armoede leven. Voor het

grootste deel van de communautaire steun aan de gezondheidssector wordt de richting van een

sectorbrede benadering uitgegaan, waarin de gezondheid van kinderen prioritair is.

Door HIV/AIDS getroffen wezen en kwetsbare kinderen staan bloot aan een groter risico op

schending van de mensenrechten. De Commissie heeft een jaarlijks budget van gemiddeld meer dan

150 miljoen euro uitgetrokken (voor de periode 2003-2006) om het probleem HIV/AIDS in de

ontwikkelingslanden aan te pakken door steun aan landenprogramma's, wereldwijde initiatieven,

NGO's en onderzoek.

De EU werkt ook samen met het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA) om de

nationale vermogens in 23 ACS-landen te verhogen en zo te zorgen voor toegang tot en gebruik en

kwaliteit van seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten en -voorzieningen. Met de steun van

de Commissie (20 miljoen euro), waarbij bijzondere nadruk wordt gelegd op jongeren, wordt een

grotere bewustwording voor de problemen en risico's in verband met de seksuele en reproductieve

gezondheid, een intensiever gebruik van de diensten en een betere kwaliteit en geografische

spreiding van deze diensten beoogd. De Commissie programmeert verdere steun aan het UNFPA

om de crisis op het gebied van levering van en toegang tot voorzieningen voor reproductieve

gezondheid te verlichten (15 miljoen euro). De steun aan de ACS-landen tijdens de looptijd van het

9e EOF (2003-2007) is een onderdeel daarvan. Voor de ALAMED-landen (Azië, Latijns-Amerika

en het Europees-Mediterraan partnerschap) variëren de programmeringsperioden tussen 2002-2004

en 2002-2006.

Tijdens de beschouwde periode heeft de Commissie een groot aantal acties in verband met de

rechten van het kind en de noden in ontwikkelinglanden opgezet. Zo heeft de Commissie

aanvullende programma's op nationaal niveau geïdentificeerd ter bestrijding van kindermisbruik

(bv. Zuid-Afrika), ter verbetering van het jeugdrecht (bv. Kameroen), ter verbetering van de

geboorteregistratie (bv. Bangladesh) of ter ondersteuning van de sociale bescherming tegen

HIV/AIDS (bv. Lesotho, Swaziland). De uitvoering van projecten die voor de beschouwde periode

zijn gestart, is voortgezet, bijvoorbeeld in Egypte, Moldavië, Pakistan en Brazilië.

4.4. Verdedigers van de mensenrechten

In de verslagperiode heeft de EU haar wereldwijde inspanningen ter bescherming en verdediging

van mensenrechtenverdedigers voortgezet en geïntensiveerd. In overeenstemming met de in

juni 2004 aangenomen richtsnoeren van de EU over mensenrechtenverdedigers werd aandacht

besteed aan de integratie van de mensenrechtenverdedigers in relevante beleidsmaatregelen en

acties van de EU en werd een aantal proactieve stappen ondernomen om vorderingen te maken met

de concrete toepassing van de richtsnoeren en de richtsnoeren meer onder de aandacht te brengen.

Een balans van de met de toepassing van de richtsnoeren gemaakte vorderingen vormde de basis

voor het formuleren van aanbevelingen voor verdere maatregelen met het oog op de volledige en

doeltreffende toepassing ervan.

De EU heeft de nadruk gelegd op het belang van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger

van de secretaris-generaal van de VN voor mensenrechtenverdedigers, alsook op de cruciale rol die

zij speelt bij de toepassing van de verklaring van de VN over mensenrechtenverdedigers en de

versterking van de bescherming van mensenrechtenverdedigers in de hele wereld. De EU heeft

volledige steun verleend aan de speciale vertegenwoordiger en is nauw blijven samenwerken met

dit cruciale mechanisme. Met de aanbevelingen die de speciale vertegenwoordiger in haar zesde en

laatste verslag in januari 2006 heeft gedaan, is rekening gehouden bij de toetsing van de toepassing

van de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers.

In de tweede helft van 2005 is door de EU-missiehoofden een lobbycampagne gevoerd ten behoeve

van mensenrechtenverdedigers overal ter wereld die het zwaar te verduren hebben omdat zij hun

recht op vrije meningsuiting uitoefenen. In de campagne inzake vrijheid van meningsuiting werd

nogmaals de sterke gehechtheid van de EU bevestigd aan deze fundamentele vrijheid, die een eerste

vereiste is bij de uitoefening van vele mensenrechten, en bijdraagt aan het ontstaan en het bestaan

van doeltreffende democratische systemen. Uit deze campagne is heel wat nuttige lering getrokken,

onder meer inzake bewustmaking voor de richtsnoeren van de EU over mensenrechtenverdedigers,

zichtbaarheid en aard van de acties; ook de plaatselijk aanwezige deskundigheid, alsook die van de

niet-gouvernementele organisaties en de betrokken mensenrechtenverdedigers zelf zijn daarin

meegenomen.

Specifieke doellanden

Campagne inzake vrijheid van meningsuiting

Algerije, Angola, Azerbeidzjan, Bangladesh, Belarus, Tsjaad, China, Cuba, Colombia, de

Democratische Volksrepubliek Korea, Ecuador, Egypte, Eritrea, Ethiopië, Georgië, Guatemala,

India, Indonesië, Liberia, Libië, Nepal, Peru, de Filipijnen, de Russische Federatie, Saudi-Arabië,

Sierra Leone, Sudan, Swaziland, Tunesië, Turkmenistan, Tadzjikistan, Oezbekistan, Venezuela,

Vietnam, Zimbabwe.

over manieren om de doeltreffendheid van de activiteiten van de EU ten gunste van mensrechten-

verdedigers te verbeteren. Met name werd geoordeeld dat er behoefte is aan verdere bewustmaking

van het personeel van de instellingen van de EU, de bevoegde ministeries en diplomatieke

zendingen van de lidstaten, meer integratie van kwesties inzake mensenrechtenverdedigers in

politieke en mensenrechtendialogen die door de EU en de lidstaten met derde landen worden

gevoerd, en een beter toezicht op en een betere evaluatie van zowel de situatie van de

mensenrechtenverdedigers als de toepassing van de EU-richtsnoeren. Voorts werd de EU verzocht

meer aandacht te besteden aan de doeltreffendheid van publieke maatregelen, en systemen en

procedures met meer samenhang en consistentie te ontwikkelen om de toepassing van de

richtsnoeren te schragen bij acties ter ondersteuning van mensenrechtenverdedigers.

Bij de follow-up van de campagne inzake vrijheid van meningsuiting legt de EU de nadruk op de

situatie van vrouwelijke verdedigers van de mensenrechten in 2006. De wereldwijde campagne

inzake vrouwelijke mensenrechtenverdedigers strekt tot uitbreiding en versterking van de

betrokkenheid van de diplomatieke zendingen van de EU voor vrouwelijke mensenrechten-

verdedigers, waarbij hun specifieke behoeften aan bescherming worden bepaald en wordt gezorgd

voor follow-up van overeenkomstige acties van de EU. De missiehoofden organiseren evenementen

met representatieve vrouwelijke mensenrechtenverdedigers die opkomen voor de mensenrechten

van vrouwen en de mensenrechten in het algemeen. Daartoe behoren de bevordering en

bescherming van burgerrechten en politieke rechten, alsook economische, sociale en culturele

rechten, en de rechten van leden van groepen zoals inheemse gemeenschappen. De missiehoofden

worden aangespoord om in voorkomend geval actie aan te bevelen ten behoeve van individuele

Doelstellingen van de campagne 2006 inzake verdedigers van de mensenrechten van vrouwen

· Ervoor zorgen dat vrouwen op voet van gelijkheid het recht mogen uitoefenen om de

mensenrechten en alle andere rechten te verdedigen die hun in de VN-verklaring over

mensenrechtenverdedigers en in alle andere internationale instrumenten op het gebied van

mensenrechten zijn verleend;

· De specifieke risico's aanpakken waarmee vrouwelijke mensenrechtenverdedigers te maken

krijgen bij het uitvoeren van werkzaamheden in verband met mensenrechten;

· Bewustmaking voor de specifieke behoeften aan bescherming van vrouwelijke

mensenrechtenverdedigers;

· Netwerken van vrouwelijke mensenrechtenverdedigers helpen ontwikkelen en versterken;

· Erkenning, zichtbaarheid en steun verlenen aan de bijdrage die vrouwen aan de opbouw en de

versterking van een mensenrechtencultuur leveren.

De campagne inzake vrouwelijke mensenrechtenverdedigers is toegespitst op landen waar volgens

de EU prioritaire actie vereist is. Daartoe behoren derde landen waar de speciale vertegenwoordiger

van de VN voor de mensenrechtenverdedigers in 2005 gevallen van vrouwelijke

mensenrechtenverdedigers heeft geregistreerd; landen die ondanks herhaalde verzoeken de speciale

vertegenwoordiger geen uitnodiging hebben gezonden, landen die geen antwoord hebben gegeven

op mededelingen ter zake, landen waar in 2005 gevallen van vrouwelijke mensenrechtenverdedigers

Landen waar prioritaire actie van de EU vereist is

Campagne inzake de verdedigers van de mensenrechten van vrouwen

Afghanistan, Albanië, Algerije, Angola, Azerbeidzjan, Bahrein, Bangladesh, Belarus, Brazilië,

Burundi, Tsjaad, Chili, China, Colombia, de Democratische Republiek Congo, Ecuador, Egypte,

Equatoriaal-Guinea, Guatemala, Honduras, India, Indonesië, Iran, Irak, Israël/Bezette Palestijnse

Gebieden, Ivoorkust, Jamaica, Libanon, Liberia, Libië, Kazachstan, Kenia, Kirgizië, Maldiven,

Maleisië, Mexico, Mongolië, Montenegro, Marokko, Mozambique, Birma/Myanmar, Nepal,

Nigeria, Pakistan, Paraguay, Peru, de Filipijnen, de Russische Federatie, Servië, Singapore, Sierra

Leone, Sri Lanka, Thailand, Tunesië, Turkije, Turkmenistan, Uganda, Oezbekistan, Venezuela,

Vietnam, Zambia en Zimbabwe.

In de eerste helft van 2006 is de toepassing van de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers

grondig getoetst. De samenvattende analyse en de aanbevelingen die de Raad in juni 2006 heeft

goedgekeurd, waren gebaseerd op bijdragen van de lidstaten, de Commissie, antwoorden van EU-

missiehoofden in 79 landen en een gedachtewisseling met internationale NGO's, met name

Amnesty International, de Internationale Vredesbrigades en het "Observatory for the protection of

Human Rights Defenders". De aanbevelingen zijn geconcentreerd op de kwesties inzake bewust-

making en opleiding van actoren uit de EU, een grotere bekendheid van de richtsnoeren en de

inspanningen van de EU met het oog op de toepassing ervan, meer coördinatie en uitwisseling van

In de aanbevelingen wordt onderstreept dat de EU ernaar streeft de mensenrechtenverdedigers

optimaal te steunen. In dit verband worden de EU-missies aangespoord hun aanpak aan te passen

aan de plaatselijke omgeving en de specifieke problemen welke die omgeving voor de mensen-

rechtenverdedigers met zich kan meebrengen. De mensenrechtenverdedigers dient in principe te

worden gevraagd welke mate van contact zij wensen te onderhouden en of het opportuun is

ruchtbaarheid te geven aan de acties en de samenwerking met missies van de EU. Bij de

steunverlening aan mensenrechtenverdedigers moet rekening worden gehouden met hun specifieke

financiële behoeften en behoefte aan bescherming, alsook met de urgentie van die behoeften.

In de aanbevelingen wordt er voorts op gewezen dat de situatie van de mensenrechtenverdedigers

en de omgeving waarin zij werken, systematisch moeten worden geïntegreerd in de politieke

dialogen van de EU met derde landen, met inbegrip van de bilaterale dialogen van de lidstaten. Er

wordt ook opgeroepen tot verdere ontwikkeling van de samenwerking met de speciale

vertegenwoordiger van de VN voor de mensenrechtenverdedigers en met regionale mensenrechten-

mechanismen met betrekking tot alle aspecten van de toepassing van de richtsnoeren. De toepassing

van de richtsnoeren zal nog steeds regelmatig worden geëvalueerd. Voorts zal de EU overwegen om

de openbare rapportage over en de transparantie van het optreden van de EU te vergroten, daarbij

terdege rekening houdend met de veiligheid van de mensenrechtenverdedigers voor wie de actie is

ondernomen.

De steun van de EU aan mensenrechtenverdedigers in derde landen omvat activiteiten die worden

Landen waar steun voor microprojecten in het kader van het EIDHR beschikbaar is

Westelijke Balkan en kandidaatlanden: Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Voormalige

Joegoslavische Republiek Macedonië, Servië en Montenegro, Turkije. Oost-Europa en Zuidelijke

Kaukasus: Armenië, Belarus, Georgië, Oekraïne, Russische Federatie. Middellandse-Zeegebied

en Midden-Oosten: Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, de Bezette Palestijnse

Gebieden, Syrië en Tunesië. Centraal-Azië: Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan. Azië: Afghanistan,

Bangladesh, Cambodja, China, India, Indonesië, Laos, Nepal, Pakistan, Sri Lanka, Vietnam. Afrika

bezuiden de Sahara: Angola, Burundi, Democratische Republiek Congo, Eritrea, Ethiopië,

Ivoorkust, Mozambique, Nigeria, Rwanda, Sudan, Uganda, Zimbabwe. Latijns-Amerika en het

Caribisch Gebied: Bolivië, Brazilië, Colombia, Cuba, Ecuador, Guatemala, Mexico, Peru,

Venezuela, Haïti.

De Sacharov-prijs voor de vrijheid van denken, die jaarlijks door het EP wordt toegekend aan

uitzonderlijke personen of organisaties die onverdraagzaamheid, fanatisme en verdrukking

bestrijden, vormt een belangrijk element van de inzet van de EU voor de ondersteuning en de

bescherming van mensenrechtenverdedigers. In 2005 werd de prijs gedeeld door twee organisaties,

namelijk Damas de Blanco (Vrouwen in het wit) en Reporteurs sans Frontières (journalisten zonder

grenzen), en Hauwa Ibrahim, een vooraanstaande Nigeriaanse mensenrechtenadvocate (zie

hoofdstuk 2.3).

4.5. Mensenrechten van vrouwen

De EU spant zich sinds lang in om gendergelijkheid te bevorderen en zij speelt op het internationale

podium daartoe een actieve rol. Tijdens de vierde Wereldvrouwenconferentie in 1995 in Peking is

de EU actief betrokken geweest bij de uitwerking van het Actieprogramma van Peking. Gender-

mainstreaming geldt sindsdien als belangrijke strategie om gendergelijkheid te verwezenlijken.

Gendermainstreaming is het proces waarbij de prioriteiten en behoeften van vrouwen en mannen in

alle belangrijke beleidsinitiatieven worden geïntegreerd. Dit proces wordt geschraagd door

specifieke maatregelen, programma's en projecten ter ondersteuning van vrouwen in hun streven

naar meer zelfbeschikking.

De Commissie heeft op 8 maart 2006 een mededeling gepresenteerd met de titel "Een routekaart

voor de gelijkheid van vrouwen en mannen". Deze routekaart bouwt voort op de ervaringen die

zijn opgedaan met de kaderstrategie 2001-2005 inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen. Zij

paart nieuwe initiatieven aan de intensivering van succesvolle bestaande activiteiten. De routekaart

bevestigt opnieuw de tweeledige aanpak van gendergelijkheid, die berust op gendermainstreaming

en op specifieke maatregelen. Er worden zes prioriteiten voor EU-maatregelen op het gebied van

gendergelijkheid voor de periode 2006-2010 vastgesteld, namelijk gelijke economische

onafhankelijkheid voor vrouwen en mannen; combinatie van privé- en beroepsleven; evenwichtige

vertegenwoordiging in de besluitvorming; uitroeiing van alle vormen van genderspecifiek geweld;

In mei 2006 hebben de diensten voor menselijke en sociale ontwikkeling van het DG Ontwikkeling

van de Europese Commissie een vergadering van deskundigen inzake genderbeleid georganiseerd,

met de bedoeling een ontwerp op te stellen voor een mededeling betreffende gendergelijkheid en

ontwikkeling. Tijdens deze vergadering konden de lidstaten zich uitspreken over het ontwerp. In de

mededeling, die op bestaande instrumenten voortbouwt, wordt een EU-strategie uitgestippeld om

sneller gendergelijkheid en zelfbeschikking voor vrouwen te kunnen verwezenlijken, gebruik

makend van de EU-steun voor ontwikkelingslanden.

Naar aanleiding van de Internationale Vrouwendag van vorig jaar is overeengekomen dat het

nieuwe Europees Instituut voor gendergelijkheid in 2007 operationeel moet worden (zie kader). In

het voorstel voor het nieuwe PROGRESS-programma (waarvoor een bedrag van 650 miljoen euro

zal worden vrijgemaakt) is voorzien in financiering van dit nieuwe genderinstituut, en van een

aantal maatregelen van de routekaart. Op grond van Richtlijn 2002/73/EG inzake gendergelijkheid

zal een nieuw netwerk van nationale instanties op het gebied van gendergelijkheid worden

opgericht.

Europees instituut voor gendergelijkheid

De Commissie heeft op 8 maart 2005 een voorstel goedgekeurd tot oprichting van een Europees

instituut voor gendergelijkheid34 . Het gewijzigde voorstel wordt thans bestudeerd door het

Europees Parlement en de Raad. Naar verwachting zal de oprichtingsverordening begin 2007

worden aangenomen en zal het instituut in 2007 zijn werkzaamheden kunnen aanvatten. Het zal

worden gefinancierd door de Commissie; de beoogde middelen voor de periode 2007-2013

bedragen 52,5 miljoen euro. Het Instituut voor gendergelijkheid zal de Europese instellingen, in het

bijzonder de Commissie, en de lidstaten technische ondersteuning bieden bij de bevordering van de

gelijkheid van mannen en vrouwen op alle communautaire bevoegdheidsterreinen. Het zal

informatie verzamelen, analyseren en verspreiden, methodologische hulpmiddelen ontwikkelen om

de integratie van gendergelijkheid in alle communautaire beleidssectoren (gendermainstreaming) te

ondersteunen en de uitwisseling van ervaringen en de totstandbrenging van een dialoog op

Europees niveau faciliteren.

Het instituut zal nauw samenwerken met de programma's en agentschappen van de Gemeenschap,

en met name met de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden,

het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, het Europees Centrum

voor de Ontwikkeling van de beroepsopleiding en het nog op te richten Bureau voor de

grondrechten.

Ontwikkelingen in het buitenlands beleid

De Commissie inzake de Positie van de Vrouw heeft zich tijdens haar 50e vergadering, van

27 februari tot 10 maart 2006, hoofdzakelijk over de volgende twee thema's gebogen: grotere

participatie van vrouwen in de ontwikkeling, en gelijke participatie van vrouwen en mannen in de

besluitvorming. De EU heeft in dit forum het voortouw genomen ter bevordering van het

Actieprogramma van Peking. In haar verklaring heeft de EU nadruk gelegd op het creëren van de

juiste "randvoorwaarden" voor de verwezenlijking van gendergelijkheid. Zij heeft beklemtoond dat,

wanneer de kloof tussen normen en praktijken wordt aangepakt, speciale aandacht moet uitgaan

naar de uitbanning van geweld tegen vrouwen en meisjes, naar onderwijs, en naar de rol van

mannen en jongens in de uitvoering van de aangegane verbintenissen. Volgens de EU moest er

meer onderzoek worden verricht naar het vraagstuk van de gelijke toegang van vrouwen tot, en hun

volledige participatie in, de economie, media, NGO's en de private sector. De EU heeft onderstreept

dat voor vrouwen een belangrijke rol is weggelegd bij vredesopbouw en heeft in dit verband

UNSCR 1325 als uiterst belangrijk bestempeld. Gendergelijkheid kan niet worden verwezenlijkt

zonder de garantie dat de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen worden

geëerbiedigd.

Tijdens de 60e AVVN heeft de EU haar steun gegeven aan de resolutie over een diepgaande studie

van alle vormen van geweld tegen vrouwen. Frankrijk, indiener van de ontwerp-resolutie,

verklaarde dat er over dit onderwerp weliswaar een algemene consensus bestond, maar dat de

De voorzitter van de Commissie, de Raad en het EP hebben op 20 december 2005 de Europese

consensus inzake ontwikkeling ondertekend. Met deze Europese consensus is er voor het eerst een

gemeenschappelijke visie op EU-maatregelen, zowel op het niveau van de lidstaten als op het

niveau van de Gemeenschap, op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, en wordt gewezen

op het belang van gendergelijkheid in de context van de nieuwe steuninstrumenten. Voor het eerst

wordt in het kader van het EU-ontwikkelingssamenwerkingsbeleid erkend dat gendergelijkheid een

doel op zich is. Gendergelijkheid wordt in dit document voorts bestempeld als een van de vijf

gemeenschappelijke beginselen van de EU-ontwikkelingssamenwerking.

De Europese Commissie heeft tezamen met UNIFEM in november 2005 een conferentie

georganiseerd, getiteld: "Verantwoordelijkheid en ontwikkeling: Bevordering van gendergelijkheid

in nieuwe steuninstrumenten en partnerschappen". De conferentie heeft zich gebogen over de

gevolgen van de gewijzigde omstandigheden van de ontwikkelingssamenwerking voor de

inspanningen ter bevordering van gendergelijkheid, met name voor zover er raakpunten zijn met de

inspanningen ter uitbanning van armoede. De conferentie heeft de Commissie ideeën aangereikt

voor haar in de tweede helft van 2006 te voltooien mededeling over gendergelijkheid en

ontwikkelingssamenwerking.

Tegen de achtergrond van de viering van de 10e verjaardag van de Europees-mediterrane top van

1995 heeft in november 2005 in Barcelona de Euromed-vrouwenconferentie plaatsgevonden. Een

De Commissie heeft in juni 2006 in Rabat een voorbereidende conferentie georganiseerd, die is

bijgewoond door 130 deelnemers uit de Euromed-partnerlanden, en door Libië en Mauritanië als

waarnemers. Onder de deelnemers waren vertegenwoordigers van organisaties uit de civiele

samenleving, regeringen en parlementen. De conferentie heeft een aantal aanbevelingen

geformuleerd voor het in Istanbul aan te nemen actieplan.

Genderspecifiek geweld

De Europese Commissie heeft tezamen met het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties

(UNFPA) en de Belgische regering in juni 2006 in Brussel een "Internationaal symposium over

seksueel geweld in conflictsituaties en daarna" georganiseerd. Dit symposium werd bijgewoond

door meer dan 250 deelnemers uit 30 landen, onder wie de hoofden van UNFPA en UNIFEM,

regeringsfunctionarissen op ministerieel niveau, vertegenwoordigers van het leger en de

politiediensten, parlementsleden, vertegenwoordigers van het Internationaal Strafhof, NGO's,

onderzoekers en journalisten. Gedurende drie dagen hebben vertegenwoordigers van 14 door

conflicten getroffen landen hun nationale actieplannen ter bestrijding van seksueel en

genderspecifiek geweld gepresenteerd. De deelnemers hebben een oproep tot actie opgesteld,

waarin zij de regeringen, internationale organisaties en de civiele samenleving oproepen méér

aandacht te besteden aan seksueel geweld in het kader van de humanitaire, vredesopbouw- en

ontwikkelingsinspanningen in door conflicten getroffen landen.

Financiering

In het kader van de begrotingslijn "gender" van de Gemeenschapsbegroting zijn vier projecten

geselecteerd die in 2005 voor financiering in aanmerking kwamen op grond van de oproep tot het

indienen van voorstellen ter verbetering van de toegang van vrouwen tot betaalde arbeid in de niet-

landbouwsector in China, Costa Rica, en in Argentinië, Colombia, Paraguay en Peru.

Bestrijding van genderspecifiek geweld

Genderspecifiek geweld in zijn diverse vormen (huiselijk geweld, verkrachting als oorlogsstrategie,

mensenhandel, eergerelateerde misdrijven, schadelijke traditionele praktijken zoals vrouwelijke

genitale verminking, enz.) beknot vrouwen niet alleen in hun mensenrechten, maar vormt ook een

ernstige belemmering voor het streven naar gelijkheid, ontwikkeling en vrede. Geweld tegen

vrouwen is een uiting van ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen.

De inspanningen om iets te doen aan geweld tegen vrouwen moeten verder gaan dan het aanpakken

van de symptomen en gevolgen van geweld: de onderliggende oorzaken moeten worden aangepakt

en er moet worden erkend dat het verwezenlijken van gelijkheid tussen mannen en vrouwen niet

alleen een vrouwenzaak is. Daarom moet speciale aandacht uitgaan naar mannen en jongens en naar

hetgeen hen tot geweldpleging brengt. Alleen door mannen actief hierbij te betrekken, zal

verandering kunnen worden gebracht in de maatschappelijke norm die het aanvaardbaar maakt dat

mannen geweld plegen tegen vrouwen.

In het kader van de begrotingslijn "gender" van de Gemeenschapsbegroting heeft de Commissie in

Afgezien van de bovengenoemde genderspecifieke projecten wordt de bevordering van

gendergelijkheid ook sterk gediend door projecten en programma's op gebieden zoals onderwijs,

volksgezondheid, behoorlijk bestuur en voedselzekerheid.

De programma's DAPHNE II en III voorzien in mogelijkheden voor de financiering van

maatregelen ter voorkoming van geweld tegen vrouwen.

De Commissie heeft programmeringsrichtsnoeren uitgewerkt om de delegaties en de geografische

eenheden informatie te verschaffen over de manier waarop gendergelijkheid in de

landenprogrammering dient te worden aangepakt, uitgaande van het beleidskader dat ten grondslag

ligt aan de benadering van de Commissie ten aanzien van gendergelijkheid in

ontwikkelingssamenwerking.

Ontwikkeling in interne maatregelen

De Commissie heeft ook dit jaar initiatieven ontwikkeld om het vermogen van haar personeel

inzake genderkwesties verder te verbeteren, voornamelijk door middel van opleiding. In 2005-2006

hebben ongeveer 800 personen die werkzaam zijn in het Commissiehoofdkwartier, de

Commissiedelegaties of uitvoerende agentschappen (met inbegrip van nationale instanties in

partnerlanden) een genderopleiding gevolgd. Thans bestaat er ook een nieuwe, online-opleiding.

Naast de algemene opleiding zijn ook specifieke thematische opleidingen verstrekt op het gebied

Het EP heeft op 1 juni 2006 een resolutie aangenomen over de situatie van de vrouw in gewapende

conflicten en haar rol in de wederopbouw en het democratische proces in landen die zich in een

postconflictsituatie bevinden. Daarin roept het Parlement de EU op UNSCR 1325 efficiënter uit te

voeren. Het Parlement pleit in zijn resolutie ook voor een beter toezicht op de distributie van

voedsel, kleding en hygiënisch materiaal tijdens noodhulpoperaties, teneinde rekening te houden

met de specifieke behoeften van vrouwen. Verder wordt aangedrongen op beschermende

maatregelen voor vrouwen in vluchtelingenkampen, teneinde de kans op geweld tegen en seksueel

misbruik van vrouwen en meisjes te verkleinen. Het Parlement vestigt tevens de aandacht op het

probleem van vrouwelijke plegers van zelfmoordacties en beklemtoont dat verkrachting als

oorlogswapen alle vrouwen kan treffen, ongeacht hun etnische, religieuze en ideologische

verschillen. Het Parlement benadrukt tot slot de positieve rol die vrouwen kunnen spelen bij de

oplossing van conflicten en verzoekt de EU te zorgen voor voldoende technische en financiële

bijstand voor de ondersteuning van programma's om de vrouwen in staat te stellen te participeren

aan vredesonderhandelingen en de vrouwen meer invloed te geven binnen de civiele samenleving in

het algemeen.

In januari heeft de EU een wereldwijde campagne inzake vrouwelijke

mensenrechtenverdedigers (WHRD) voor 2006 gelanceerd. Deze campagne is gebaseerd op de

EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers van 2004 (zie hoofdstuk 4.4).

De mededeling is geïnspireerd op het verslag van de deskundigengroep mensenhandel en pleit voor

een benadering van dit fenomeen die uitgaat van de mensenrechten en de rechten van het slachtoffer

centraal stelt in het beleid ter zake. Een van de aanbevelingen bestaat er specifiek in, de preventie

en bestrijding van mensenhandel, en met name de mensenrechtenaspecten daarvan, op te nemen in

de politieke dialoog met derde landen en in regionale en internationale fora. In de mededeling wordt

voorts gesuggereerd om, in het kader van de ontwikkelingssamenwerking, mensenhandel en de

beleidsmaatregelen en -strategieën ter voorkoming en beperking van de gevolgen daarvan te

beoordelen in de regionale en nationale strategieën voor armoedebestrijding en samenwerking,

alsmede om maatregelen ter bestrijding van mensenhandel te ondersteunen.

In de mededeling wordt gepleit voor een multidisciplinaire aanpak van dit verschijnsel, die niet

uitsluitend beperkt is tot wetshandhavingsstrategieën, maar een brede scala van maatregelen omvat,

met name op het vlak van preventie en slachtofferhulp. De Commissie schuift in haar mededeling

nog een ander, belangrijk, aspect naar voren: het lot van specifieke groepen, zoals vrouwen en

kinderen, en personen die worden gediscrimineerd omdat zij tot minderheden of inheemse

bevolkingsgroepen behoren. In de mededeling wordt daarom gepleit voor de bevordering van non-

discriminatie als doeltreffend middel in de strijd tegen mensenhandel, voor maatregelen die

specifiek op deze groepen zijn afgestemd, alsook voor het verzamelen van betrouwbare gegevens en

analytisch onderzoek.

Een aantal aspecten van deze mededeling is overgenomen in het EU-actieplan inzake de beste

In juni 2006 heeft in Brussel een door het voorzitterschap van de Raad tezamen met de Europese

Commissie georganiseerde conferentie van deskundigen plaatsgevonden ter bevordering van de

uitvoering van het actieplan. De conferentie is nader ingegaan op verscheidene aspecten van het

actieplan: a) voorstellen uitwerken voor coördinatie- en samenwerkingsmechanismen op EU-

niveau, om er in de gehele EU voor te zorgen dat de actie van de EU volgens dezelfde

gemeenschappelijke normen verloopt; b) de stand van zaken opmaken met betrekking tot de beste

praktijken op het gebied van slachtofferidentificatie; c) synergieën bevorderen tussen NGO's en

internationale organisaties die zich bezighouden met hulpverlening en re-integratie, en d) het

nationale referentiemechanismehandboek van de OVSE verder uitwerken.

In de routekaart van de Commissie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen is de uitbanning van

mensenhandel aangemerkt als een van de prioritaire actiegebieden. De Commissie verbindt er zich

in deze routekaart toe, gevolg te geven aan de mededeling en het actieplan inzake mensenhandel en

het gebruik van alle bestaande instrumenten, waaronder het Europees Sociaal Fonds, te bevorderen

voor de re-integratie van slachtoffers van geweld en mensenhandel in de samenleving.

In de Commissiemededeling "Naar een EU-strategie voor de rechten van het kind" van juli 2006

maakt de Commissie een stand van zaken op met betrekking tot de handel in kinderen, en verbindt

zij zich ertoe de bestaande beleidsinitiatieven maximaal te ontplooien en extra, specifieke

maatregelen aan te nemen.

De internationale samenwerking is zowel op mondiaal als op Europees niveau voortgezet, met name

in het kader van het VN-Mensenhandelprotocol (Protocol van Palermo) en in het kader van de Raad

van Europa, waarvan het Verdrag inzake de bestrijding van mensenhandel reeds door een aantal

lidstaten is ondertekend. De Europese Gemeenschap is in juli 2006 toegetreden tot het Protocol van

Palermo. De EU is ook blijven samenwerken met de OVSE, vooral in het kader van de Alliantie

tegen mensenhandel waartoe de speciale vertegenwoordiger van de OVSE voor de bestrijding van

de mensenhandel de aanzet heeft gegeven.

De mensenhandel bestrijden met door de EU gefinancierde programma's - een regionale

momentopname

Waar de aandacht de laatste vijf jaar vooral is uitgegaan naar de Westelijke Nieuwe Onafhankelijke

Staten (Oekraïne, Moldavië, Belarus), waarvoor ongeveer 10 miljoen euro is toegewezen voor de

bestrijding van mensenhandel, breidt de Gemeenschap haar activiteiten thans geleidelijk uit tot

Rusland en de zuidelijke Kaukasus.

Begin 2006 is in Rusland een alomvattend mensenhandelproject gestart, waarvoor 4 miljoen euro is

vrijgemaakt. Dit project, het grootste door één enkele donor gefinancierde mensenhandelproject in

Rusland, zal een cruciale bijdrage leveren tot de werkzaamheden die reeds door de Russische

regering, NGO's en internationale organisaties zijn gestart. Doel van het project is, de omvang van

de mensenhandel in Rusland verder in kaart te brengen en bij te dragen tot de verruiming van de

wetgeving en de verbetering van de donorcoördinatie. Naast bijstandverlening aan de slachtoffers -

een centraal aandachtspunt van het project - in de vorm van bijvoorbeeld de financiering van een

In 2006 zal voor de drie landen van de zuidelijke Kaukasus (Georgië, Armenië, Azerbeidzjan) een

regionaal project ter waarde van 1,5 miljoen euro worden gestart, zodanig dat in alle oostelijke

landen van het Europees nabuurschapsbeleid werk zal worden gemaakt van de bestrijding van

mensenhandel.

4.7. Het Internationaal Strafhof en de bestrijding van straffeloosheid

De Europese Unie zal zich inzetten om misdrijven die de internationale gemeenschap raken, te

voorkomen en een einde te maken aan de straffeloosheid van de daders van dergelijke misdrijven.

De EU heeft daartoe voortdurend krachtige politieke steun geuit voor de werking van het

Internationaal Strafhof (ICC), onder meer met een gemeenschappelijk standpunt en een actieplan

van de EU inzake het ICC.

Doel van het gemeenschappelijk standpunt35 is ertoe bij te dragen dat het Hof doeltreffend

functioneert en universele steun geniet, zulks door een zo breed mogelijke deelname aan het Statuut

van Rome te stimuleren. In artikel 2, lid 1, van het gemeenschappelijk standpunt wordt het volgende

bepaald:

Teneinde bij te dragen tot de doelstelling van de grootst mogelijke deelneming aan het Statuut van

Rome, doen de Europese Unie en haar lidstaten al het mogelijke om dit proces te bevorderen, door

In overeenstemming met het gemeenschappelijk standpunt van de EU is de kwestie van het ICC

besproken tijdens verschillende, belangrijke topbijeenkomsten en ministeriële vergaderingen met

derde landen, alsook tijdens specifiek mensenrechtenoverleg. De EU heeft tijdens de verslagperiode

in een aantal derde landen demarches ondernomen om te pleiten voor de bekrachtiging en

uitvoering van het Statuut van Rome en de bekrachtiging van het Verdrag betreffende de privileges

en immuniteiten van het Internationaal Strafhof, en om deze landen, waar mogelijk, over te halen

geen bilaterale niet-overleveringsovereenkomsten te ondertekenen. De EU heeft ook dit jaar met de

VS besprekingen gevoerd met betrekking tot de verlenging van het zogenoemde amendement-

Nethercutt, en heeft in dat verband betreurd dat de VS niet langer economische steun verlenen aan

ontwikkelingslanden die geen bilaterale niet-overleveringsovereenkomst ondertekenen; zij heeft bij

de VS aangedrongen op de toepassing van de vrijstellingen van de zogenoemde "FY06 Foreign

Operations Bill".

Overzicht van de demarches ter bevordering van de universaliteit en integriteit van het

Statuut van Rome tijdens de verslagperiode:

Angola, Armenië, Bahama's, Bahrein, Bangladesh, Botswana, Chili, China, Comoren,

D.R. Congo, Egypte, Ethiopië, Filippijnen, Ghana, Guatemala, India, Indonesië, Irak,

Israel, Ivoorkust, Jamaica, Japan, Jemen, Kaapverdië, Kirgizië, Laos, Libanon,

Madagaskar, Maleisië, Marokko, Moldavië, Mozambique, Oekraïne, Oman, Pakistan,

Papoea-Nieuw-Guinea, Peru, Russische Federatie, Rwanda, Saint Lucia,

Salomonseilanden, Samoa, Saudi-Arabië, Seychellen, Sri Lanka, Suriname, Togo, Tsjaad,

Het ICC moet worden geïntegreerd in het EU-beleid op het gebied van externe betrekkingen. In dit

verband moeten de bekrachtiging en de uitvoering van het Statuut van Rome als

mensenrechtenvraagstuk aan de orde worden gesteld in de onderhandelingen over EU-

overeenkomsten met derde landen.

De Europese Commissie heeft in 2005 en 2006 onderhandelingen gevoerd over de opneming van

bepalingen betreffende het ICC in de ENB-actieplannen voor Jordanië, Moldavië en Oekraïne. Met

Armenië, Azerbeidzjan, Egypte, Georgië en Libanon worden onderhandelingen gevoerd over de

opneming van dergelijke bepalingen. De EU voert ook onderhandelingen over ontwerp-bepalingen

betreffende het ICC in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten met

Indonesië, Singapore en Thailand. Op 25 juni 2005 heeft de Raad de herziene Partnerschaps-

overeenkomst van Cotonou - mét ICC-bepaling - aangenomen; deze wordt thans door de lidstaten

bekrachtigd.

De 100e bekrachtiging van het Statuut van Rome, door Mexico in november 2005, vormt een

belangrijke mijlpaal voor het Hof en maakt het vooruitzicht van een universele bekrachtiging

tastbaarder. Andere mijlpalen in de verslagperiode waren de uitvaardiging van de eerste

arrestatiebevelen door het Hof, in oktober 2005, en de arrestatie van Thomas Lubanga, die in

maart 2006 op beschuldiging van oorlogsmisdrijven door de DR Congo is overgedragen en door

Frankrijk naar het Hof is overgebracht.

Verklaring van de EU naar aanleiding van de arrestatie en overbrenging van

Thomas Lubanga:

De Europese Unie is ingenomen met de overdracht van Thomas Lubanga Dyilo door

de autoriteiten van de Democratische Republiek Congo en met zijn overbrenging door

Frankrijk naar het Internationaal Strafhof op 17 maart 2006. De heer Lubanga wordt

beschuldigd van oorlogsmisdrijven, meer bepaald het onder de wapenen roepen en in

militaire dienst nemen van kinderen als kindsoldaten, en het gebruiken van deze

kinderen voor actieve deelname aan vijandelijkheden. [...]

De aanhouding vormt een belangrijke stap in de strijd tegen de straffeloosheid in het

gebied van de Grote Meren, die erop gericht is de regionale stabiliteit op lange termijn

te versterken. Met deze arrestatie bewijst de internationale gemeenschap ook haar

engagement en haar steun jegens de Democratische Republiek Congo en haar burgers

in hun streven naar vrede en verzoening. [...]

De aanhouding en de overbrenging van de heer Lubanga bewijzen dat het

Internationaal Strafhof volledig operationeel is. De EU heeft vertrouwen in de

afschrikkende werking van het Internationaal Strafhof en in de beslissende rol van het

Hof bij het oplossen van conflicten met steun van de internationale gemeenschap.

De lidstaten hebben tijdens de verslagperiode steun verleend aan talrijke initiatieven met betrekking

tot het ICC (bv. studiebijeenkomsten in Moldavië, Jordanië, Mexico, Mozambique, de Filippijnen

en Libanon). Het EU-voorzitterschap heeft in mei 2006 een conferentie op hoog niveau

De Commissie is tijdens de verslagperiode voortgegaan met de financiering, in het kader van het

Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR), van de werkzaamheden van

de Coalitie voor het Internationaal Strafhof en van de Parlementsleden voor mondiale actie, die

uiterst waardevolle inspanningen leveren ter bevordering van de bekrachtiging en uitvoering van het

Statuut van Rome, alsook wat betreft het toezicht op de werkzaamheden van het Strafhof. De

Commissie en de lidstaten hebben ook financiële steun verleend aan verschillende projecten en

programma's van het Strafhof, zoals stages en een bezoekprogramma voor rechtsbeoefenaars.

Daarnaast hebben de Commissie en de lidstaten voortdurend politieke en financiële steun verleend

aan andere bestaande speciale tribunalen, zoals de internationale strafhoven voor Rwanda en

Joegoslavië, het Speciaal Hof voor Sierra Leone en de speciale strafkamer voor de Rode Khmer in

Cambodja.

Op 25 april 2005 heeft de Raad het voorzitterschap gemachtigd onderhandelingen te openen met het

oog op de sluiting van een overeenkomst tussen het Internationaal Strafhof en de Europese Unie

inzake samenwerking en bijstand. Na uitvoerige onderhandelingen, zowel binnen de EU als met het

ICC, hebben minister van Buitenlandse Zaken Ursula Plassnik, namens de EU, en de heer Kirsch,

president van het Internationaal Strafhof, tijdens een ondertekeningsceremonie op 10 april 2006 de

Overeenkomst tussen het Internationaal Strafhof en de Europese Unie inzake samenwerking en

bijstand ondertekend. De overeenkomst, die op artikel 24 van het Verdrag betreffende de Europese

Unie is gebaseerd, voorziet in een algemene verplichting tot samenwerking en bijstand tussen de

EU en het ICC en, onder andere, in de regelmatige uitwisseling van informatie en documentatie van

4.8. Mensenrechten en terrorisme

De EU acht het heel belangrijk dat in de context van terrorismebestrijding een volledige en

effectieve bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden gegarandeerd is, zowel

in Europa als elders in de wereld.

In december 2005 heeft de Raad de EU-terrorismebestrijdingsstrategie aangenomen. Centraal in

deze terrorismebestrijdingsstrategie staat het volgende strategisch engagement: "terrorisme

mondiaal bestrijden met inachtneming van de mensenrechten; Europa veiliger maken en haar

burgers de mogelijkheid bieden in een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te leven". In punt 22

van de terrorismebestrijdingsstrategie wordt gesteld dat al het mogelijke zal worden gedaan om

terroristische activiteiten te verstoren en terroristen voor de rechter te brengen, met eerbiediging van

de mensenrechten en het internationaal recht. Met betrekking tot de problematiek van radicalisering

wordt in punt 11 van de terrorismebestrijdingsstrategie erop gewezen dat de Unie nog krachtdadiger

goed bestuur, mensenrechten, democratie alsook onderwijs en economische welvaart moet

bevorderen en moet meewerken aan het oplossen van conflicten. De Raad heeft in december 2005

tevens de EU-strategie ter bestrijding van radicalisering en rekrutering van terroristen aangenomen.

Daarin besluit de EU de activiteiten van netwerken en individuele personen die mensen tot terreur

bewegen te verstoren; ervoor te zorgen dat de gematigde standpunten meer weerklank vinden dan

extremistische ideeën; en veiligheid, rechtvaardigheid, democratie en kansen voor iedereen nog

sterker te bevorderen. In deze strategie wordt voorts geattendeerd op een aantal factoren die de

culturele kansen voor jongeren. De Europese Unie verbindt zich in deze strategie ertoe, deze

structurele factoren te elimineren. Verder zegt de EU toe ongelijkheid en discriminatie in de Unie te

zullen bestrijden en interculturele dialoog, discussie en integratie op de lange termijn te zullen

bevorderen. Buiten Europa zal de Unie goed bestuur, mensenrechten, democratie alsook onderwijs

en economische welvaart bevorderen via politieke dialoog en bijstandsprogramma's. In het kader

van haar politieke dialoog met derde landen (die geen lidstaat zijn van de EU) heeft de Europese

Unie stelselmatig geattendeerd op de absolute noodzaak dat ervoor wordt gezorgd dat alle

terrorismebestrijdingsmaatregelen de mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het internationale

humanitair recht eerbiedigen.

De EU heeft er in verklaringen in verschillende VN-fora telkens weer op gewezen dat zij groot

belang hecht aan de eerbiediging van de mensenrechten bij de bestrijding van terrorisme. In zijn

verklaring namens de EU tijdens het overleg in de Algemene Vergadering over een strategie voor

terrorismebestrijding van mei 2006 heeft het voorzitterschap bijvoorbeeld gewezen op de centrale

rol die is weggelegd voor de rechtsstaat en de mensenrechten. Het voorzitterschap heeft erop

gewezen dat doeltreffende terrorismebestrijdingsmaatregelen en mensenrechtenbescherming elkaar

aanvullen en wederzijds versterken.

De Europese Unie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid geuit over Guantánamo Bay. De EU heeft

erop gewezen dat niemand in een rechtsvacuüm mag verkeren en dat bij de bestrijding van

terrorisme mensenrechten en humanitaire normen moeten worden gehandhaafd. De EU heeft er

voorts op gewezen dat Guantánamo een anomalie is en zo spoedig mogelijk moet worden gesloten.

Het Europees Parlement heeft op 13 juni 2006 een resolutie aangenomen waarin het opnieuw

oproept tot de sluiting van Guantánamo Bay en erop aandringt dat alle gevangenen volgens het

internationale recht worden behandeld en, indien het tot een beschuldiging komt, zo spoedig

mogelijk worden berecht in een eerlijk en openbaar proces voor een onafhankelijke en onpartijdige

rechtbank.

De EU heeft steun verleend aan de werkzaamheden van de in januari 2006 opgerichte Tijdelijke

Commissie van het Europees Parlement met betrekking tot het verondersteld gebruik van Europese

landen voor gevangenenvervoer en wederrechtelijke gevangenhouding door de CIA. Dit onderzoek

was niet alleen toegespitst op de mate waarin Europese landen hierbij betrokken waren, maar ook

op de wijze waarop de interne wetgeving van de verdragsluitende partijen een effectieve toepassing

garandeert van, met name, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Op 16 mei 2006 heeft Prof. Martin Scheinin, speciaal rapporteur van de VN voor de bevordering en

bescherming van de mensenrechten bij de bestrijding van terrorisme, de Groep terrorismebestrijding

van de Raad toegesproken.

4.9. Mensenrechten en bedrijfsleven

Na zijn benoeming, in juli 2005, tot speciale vertegenwoordiger van de VN op het gebied van de

mensenrechten en transnationale ondernemingen en andere bedrijven heeft de heer John Ruggie

Eind maart 2006 heeft de Commissie een mededeling aangenomen over de "Tenuitvoerlegging van

het partnerschap voor groei en werkgelegenheid: Europa moet een voorbeeld worden op het gebied

van maatschappelijk verantwoord ondernemen"37. Maatschappelijk verantwoord ondernemen

(MVO) is een concept dat inhoudt dat ondernemingen in hun bedrijfsactiviteiten en in de relaties

met hun stakeholders vrijwillig aandacht besteden aan sociale kwesties en aan het milieu. Doel van

de Commissie met deze mededeling is MVO wereldwijd te blijven bevorderen teneinde de bijdrage

van ondernemingen aan de verwezenlijking van de VN-millenniumdoelstellingen inzake

ontwikkeling te maximaliseren. Voorts heeft de Commissie zich ten doel gesteld om bij bilaterale

handelsgesprekken de dimensie van duurzame ontwikkeling meer te benadrukken, en ook de

bevordering van fundamentele arbeidsnormen bij bilaterale overeenkomsten na te streven. De

Commissie heeft voorts haar voornemen bevestigd om gunstige handelsvoorwaarden in te zetten als

een middel om de inachtneming van de voornaamste internationaal erkende beginselen inzake

mensenrechten en arbeidsrechten, en beginselen inzake milieubescherming en goed bestuur aan te

moedigen, met name door middel van het nieuwe "Algemeen Preferentiestelsel Plus" van de EU dat

op 1 januari 2006 in werking is getreden.

Ook in haar mededeling van mei 2006 over de "Bevordering van waardig werk voor iedereen"38

heeft de Europese Commissie zich geëngageerd om samen met de civiele samenleving en het

bedrijfsleven de agenda voor waardig werk wereldwijd onder de aandacht te brengen. De

mededeling gaat met name in op de vraag hoe de EU in het kader van haar externe beleid waardig

werk het best kan bevorderen, onder meer om de zwaarste schendingen van fundamentele

Tot slot heeft de Commissie deelgenomen aan de werkzaamheden van de investerings-

commissie van de OESO (de Commissie die toeziet op de uitvoering van de OESO-

richtsnoeren voor multinationale ondernemingen) die geleid hebben tot de voltooiing van het

Risk Awareness Tool for Multinational Enterprises in Weak Governance Zones (instrument

voor risicobewustzijn voor multinationale ondernemingen in gebieden met een zwak bestuur),

dat op 8 juni 2006 is aangenomen door de Raad van de OESO39. Voor internationale

bedrijven behoren regio's waar het bestuur zwak staat, tot de moeilijkste investerings-

gebieden ter wereld. Het risico op mensenrechtenschendingen vormt in die gebieden een reëel

probleem. In het risicobewustzijnsinstrument wordt er onder meer op gewezen dat

internationale mensenrechteninstrumenten moeten worden nageleefd, en wordt aandacht

besteed aan de problemen inzake mensenrechten die verband houden met het beheer van de

veiligheidsdiensten.

4.10. Democratie en verkiezingen

De ontwikkeling en consolidatie van de democratie is een basisdoelstelling van de EU en een

kerndoelstelling van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB artikel 11,

lid 1, VEU) en van haar beleid inzake samenwerking met derde landen (artikel 177, lid 2, en

artikel 181 A, lid 1, VEG).

Democratie is een dynamisch proces dat burgers betrekt bij het besluitvormingsproces dat hen raakt

in hun bestaan. Democratie volgt geen uniek model, maar waarachtige democratieën worden wel

gekenmerkt door bepaalde internationale normen: over de beleidsbeslissingen van de regering

wordt grondwettelijk controle uitgeoefend door vertegenwoordigers, die in eerlijke en regelmatig

gehouden verkiezingen zijn gekozen; alle volwassen burgers hebben actief en passief kiesrecht; de

mensen hebben het recht zich zonder risico op bestraffing over politieke aangelegenheden uit te

laten en hun informatie uit een diversiteit aan bronnen te betrekken; de mensen hebben het recht

onafhankelijke verenigingen en organisaties, waaronder politieke partijen, op te richten en hun

opvattingen te verspreiden; de regering is autonoom en ondervindt geen onoverkomelijke oppositie

van bijvoorbeeld niet-verkozen ambtsdragers, het leger of internationale machtsblokken. Een

waarachtige democratie eerbiedigt de rechten en opvattingen van mensen die tot een minderheid

behoren.

De EU verleent veel politieke steun aan de democratie, onder meer door het politieke proces van

haar partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten en door de werking van haar instellingen

zoals beschreven in andere hoofdstukken. In dit gedeelte van het verslag wordt ingegaan op de zeer

praktische bijdrage die de EU aan het functioneren van de democratie levert met het ondersteunen

van verkiezingen.

Verkiezingsondersteuning

Een van de belangrijkste mensenrechten in de context van democratisering is het recht deel te

Verkiezingswaarneming en verkiezingsevaluatie

Sedert de Commissie in 2000 een mededeling over verkiezingsondersteuning en

verkiezingswaarneming heeft aangenomen40, waarin een samenhangend en effectief beleid voor

verkiezingswaarneming werd uitgestippeld, is de betrokkenheid van de EU op dit gebied steeds

professioneler en zichtbaarder geworden41, en hebben de EU-lidstaten zich in toenemende mate

voor de planning en uitvoering van verkiezingswaarnemingsmissies (EOM's) geëngageerd. Sinds

begonnen is met de uitvoering van de mededeling zijn in totaal 44 verkiezingswaarnemingsmissies

van de EU (EU-EOM's) en zeven speciale ondersteuningsmissies uitgevoerd in landen in Afrika, het

Midden-Oosten, Midden- en Zuid-Amerika en Azië42 . Het overeengekomen beleid houdt in dat de

toegenomen beschikbare financiële en personele middelen worden ingezet voor de belangrijkste

stembusgangen; de Commissie streeft derhalve naar waarneming van een 14-tal verkiezingen per

jaar.

EU-EOM's zijn erop gericht:

· eerst en vooral te beoordelen in hoeverre verkiezingen volgens de internationale normen

voor democratische verkiezingen verlopen;

· verkiezingsfraude of onregelmatigheden te ontmoedigen of te beperken;

· geweld en intimidatie te ontmoedigen of te beperken;

· politieke tegenstanders, het maatschappelijk middenveld en het electoraat met meer

vertrouwen aan de verkiezingen te doen deelnemen;

· een beeld te geven van een hele reeks democratische kwesties, zoals de onafhankelijkheid

en de werking van de rechterlijke macht en de eerbiediging van de mensenrechten in het

algemeen; en

· aanbevelingen te formuleren ter verbetering van het verkiezingskader en het democratisch

klimaat.

Tussen juli 2005 en juni 2006 zijn twaalf EU-EOM's en vier speciale ondersteuningsmissies

uitgevoerd die in hoofdzaak met EIDHR-middelen zijn gefinancierd. Alle missies zijn uitgevoerd

overeenkomstig de internationale beginselen voor internationale verkiezingswaarnemingsmissies

die in oktober 2005 onder auspiciën van de Verenigde Naties zijn goedgekeurd.

Verkiezingswaarnemingsmissies en verkiezingsondersteuningsprojecten tijdens de

verslagperiode

In Afghanistan zijn de verkiezingen voor het Lagerhuis van de nationale assemblee (Wolesi Jirga)

en de provincieraden bijgewoond door een EU-verkiezingswaarnemingsmissie onder leiding van

mevrouw Emma Bonino, lid van het Europees Parlement. De missie is gestart op 7 juli 2005, en

heeft het gezelschap gekregen van een waarnemingsdelegatie van het Europees Parlement onder

leiding van de heer Jose Ignacio Salafranca, lid van het EP. In haar eindverslag kwam de EOM tot

de conclusie dat de "op 18 september 2005 gehouden parlements- en provincieraadsverkiezingen

een belangrijke stap zijn geweest in het overgangsproces dat tot de installatie van een

representatieve regering moet leiden, en na een kwarteeuw van conflicten vrede moet helpen

stembusgang zelf is grotendeels vreedzaam verlopen. Hoewel de opkomst beduidend lager was dan

in 2004, hebben miljoenen Afghaanse kiezers en duizenden kandidaten in vaak moeilijke

veiligheidsomstandigheden aan de verkiezingen deelgenomen, maar de ontwikkelingen na de

verkiezingsdag maken duidelijk dat aan het ruimere verkiezingsproces nog aanzienlijk veel schort.

In een aantal provincies stonden onregelmatigheden en fraude een integer verloop van de

verkiezingen in de weg, en dat is een zorgwekkende ontwikkeling, die een openhartige analyse

behoeft en in de toekomst op een doeltreffende manier moet worden aangepakt."

De parlementsverkiezingen in Burundi op 4 juli 2005 zijn bijgewoond door een EU-EOM onder

leiding van de heer Alain Hutchinson, lid van het EP; voorts was namens het Europees Parlement

ook de heer Johan Van Hecke, lid van het EP, aanwezig. De missie kwam tot de conclusie dat met

deze verkiezingen een belangrijke stap voorwaarts is gezet in het proces van verzoening en

stabilisatie in het land. Ondanks een gespannen en gewelddadige campagne is de verkiezingsdag in

het algemeen vreedzaam verlopen. De nationale onafhankelijke verkiezingscommissie heeft het

proces op een efficiënte manier georganiseerd, zodat de bevolking zich vrij kon uiten. De hoge

opkomst toont aan dat de kiezers, ondanks enkele gevallen van intimidatie en de in het algemeen

teleurstellende houding van de politici, veel belang hechten aan het verkiezingsproces.

Het grondwettelijk referendum in de Democratische Republiek Congo (18-19 december 2005) is

van 17 november 2005 tot en met 7 februari 2006 gevolgd door een EU-EOM onder leiding van

generaal Philippe Morillon, lid van het EP; de missie heeft gedetailleerde aanbevelingen geformu-

leerd voor de algemene verkiezingen in 2006. In haar eindverslag kwam de missie tot de conclusie

verwoestende oorlogen hebben de Congolese kiezers met hun brede en vreedzame opkomst duide-

lijk gemaakt veel belang te hechten aan het verkiezingsproces. Ondanks de zware logistieke en

operationele opgave heeft de nationale onafhankelijke verkiezingscommissie de verkiezingen op

een efficiënte manier georganiseerd, en heeft de bevolking zich vrij kunnen uiten. Gelet op de

problemen die zich bij het organiseren van het referendum hebben voorgedaan, met name tijdens

het verzamelen van de resultaten, werd het, met het oog op de daaropvolgende verkiezingen (waar-

voor het referendum als test heeft gefungeerd) essentieel geacht bepaalde operationele concepten te

herzien, zoals een grotere decentralisering van het beheer van het verkiezingsproces en het

versterken van de vermogens van de voor de verkiezingen bevoegde diensten.

Medio maart is een EU-EOM onder leiding van mevrouw Ana Gomes, lid van het EP, afgereisd

naar Ethiopië om als waarnemer op te treden tijdens de nationale en regionale

parlementsverkiezingen van 15 mei 2005. De EU-EOM heeft het proces tot het eind gevolgd,

inclusief alle aspecten van de klachten- en beroepsprocedure, en heeft ook de voor

21 augustus 2005 geplande verkiezingen in de Somali-regio gevolgd. In haar eindverslag van 2006

kwam de missie tot de conclusie dat de "parlementsverkiezingen van 2005 de meest competitieve

verkiezingen waren die Ethiopië ooit heeft gekend, met een nooit eerder geziene hoge

kiezersopkomst. Hoewel er zich in de aanloop naar de verkiezingen een aantal positieve

ontwikkelingen heeft voorgedaan en de verkiezingen zelf, op 15 mei, vreedzaam en in het algemeen

ordelijk zijn verlopen, is het proces van tellen en verzamelen van de stemmen ontsierd door

onregelmatigheden, verwarring en een gebrek aan transparantie. Klachten hierover en

beroepsmechanismen boden geen afdoende remedie. In de periode na de verkiezingen is de

De verkiezingen in Fiji (6-13 mei 2006) zijn bijgewoond door een EU-EOM onder leiding van de

heer István Szent-Iványi, lid van het EP. De missie nam nota van de "vrij behoorlijke, transparante

organisatie" van de verkiezingen, onder meer wat betreft het tellen en de verslaggeving in de media,

en van de hoge opkomst. "De fundamentele vrijheden van meningsuiting, vergadering en

vereniging zijn in acht genomen. (...) De registratie en voorlichting van kiezers, alsook de

klachtenprocedure moeten worden verbeterd. (...) Het gebrek aan transparantie en aan duidelijke

procedures voor de behandeling van klachten heeft tot een gebrek aan controleerbaarheid geleid."

De EU-EOM heeft fouten vastgesteld in het kiezersregister. "(...) Het is op verschillende punten

onjuist, kiesdistricten waren niet goed ingedeeld en een aantal kiesgerechtigden was uitgesloten en

heeft zijn kiesrecht niet kunnen uitoefenen". De EU-EOM heeft een "abnormaal hoog percentage

ongeldige stemmen (9%)" geregistreerd, wat erop wijst dat "de voorlichting van de kiezers haar

doel heeft gemist (...). De EU-EOM stelde ook vast dat de "chef-staf van het leger van Fiji vóór en

tijdens de verkiezingsperiode op een ongeoorloofde manier bij de verkiezingen betrokken was".

De presidentsverkiezingen in Guinee-Bissau (19 juni en 24 juli) zijn bijgewoond door een EU-

EOM onder leiding van de heer Johan Van Hecke, lid van het EP. In haar eindverslag kwam de EU-

EOM tot de conclusie dat de "verkiezing in het algemeen op een correcte, transparante en inclusieve

manier was georganiseerd, en dat aan de internationale basisbeginselen voor democratische

verkiezingen is voldaan. De verkiezingsdagen zelf zijn in het algemeen vreedzaam en ordelijk

verlopen, en ondanks een gespannen situatie vóór de tweede ronde, met een aantal gewelddadige

incidenten, hebben de kiezers hun stemrecht vrij kunnen uitoefenen." De EU-EOM heeft een

In haar eindverslag noemt de missie de verkiezingen een belangrijke stap in de overgang naar meer

stabiliteit en democratie in Haïti. De missie wees met nadruk op het ontoereikende administratieve

en organisatorische vermogen van de verkiezingsautoriteiten, en beklemtoonde dat zij niet in staat

waren het verkiezingsproces in goede banen te leiden, met name tot aan de eerste ronde van de

presidents- en parlementsverkiezingen, die meermaals zijn uitgesteld. Voorts stond het politiek en

juridisch verkiezingskader een soepele gang van zaken in de weg. De logistieke en technische steun

die door de missie van de Verenigde Naties en van de Organisatie van Amerikaanse Staten is

verstrekt, was onontbeerlijk, maar de operatie werd gehinderd door het gebrek aan coördinatie

tussen de nationale en internationale actoren. De politieke campagne werd beheerst door het debat

over de terugkeer naar Haïti van voormalig president Aristide, en niet door ideologische of

programmatische discussies. Het was dan ook veelbetekenend dat de opkomst voor de verkiezingen

van 21 april (tweede ronde, uitsluitend voor de parlementsverkiezingen) aanzienlijk lager was dan

de opkomst voor de eerste ronde van presidents- en parlementsverkiezingen op 7 februari. De EU-

EOM pleit voor een "grondige hervorming van het kiessysteem teneinde Haïti in staat te stellen de

verkiezingen op een autonome en duurzame manier te plannen, te beheren, te financieren en uit te

voeren".

In Irak is een verkiezingsondersteuningsproject ingesteld voor de parlementsverkiezingen van

18 december 2005; hiertoe zijn onder meer drie verkiezingsdeskundigen gedetacheerd bij de

onafhankelijke verkiezingscommissie van Irak.

In Liberia heeft de EU-EOM onder leiding van de heer Max van den Berg, lid van het Europees

Parlement, de verkiezingen voor het presidentschap, de senaat en het huis van afgevaardigden

(11 oktober), alsook de tweede ronde van de presidentsverkiezingen (8 november) bijgewoond. De

missie is op 9 september 2005 in Liberia van start gegaan en is gebleven tot 27 november. Een

delegatie van het EP onder leiding van mevrouw Marie-Arlette Carlotti, lid van het EP, heeft zich

bij de missie gevoegd.

In haar eindrapport komt de EU-EOM tot de conclusie dat de verkiezingen "vreedzaam zijn

verlopen, in het algemeen goed georganiseerd waren en een belangrijke stap vooruit vormen in het

proces van herstel van een normaal functionerende staat in Liberia. De kiezers hadden de keuze

tussen een groot aantal politieke opponenten in een echt competitief verkiezingsproces en, in

tegenstelling tot de verkiezingen van 1997, konden zij zonder vrees hun stem uitbrengen. Ondanks

de moeilijkheden als gevolg van de vernielde infrastructuur en het regenseizoen zijn de

verkiezingsautoriteiten erin geslaagd een passende en toereikende regeling te treffen voor de

kiezers. (...) De nieuwe regering moet voorrang geven aan een actief proces van verzoening,

overeenkomstig de waarheids- en verzoeningsprocedures van het algemeen vredesakkoord. Er moet

een einde komen aan het klimaat van straffeloosheid, en wie beschuldigd is van misdrijven tegen de

menselijkheid, moet voor de rechter worden gebracht (...). De nieuwe regering, de senaat en het

huis van afgevaardigden moeten voluit samenwerken met de internationale gemeenschap om

voormalig president Charles Taylor voor de rechter te brengen."

De Commissie heeft van 1 tot en met 30 juni 2006 twee experts naar Mauritanië gestuurd om het

referendum over de wijziging van de grondwet te volgen. De Mauritaniërs hebben in het

referendum van juni 2006 hun goedkeuring gehecht aan de wijzigingen in de grondwet, waardoor

onder andere de mogelijkheid van een politieke wissel wordt geboden. De missie van

verkiezingsdeskundigen wees op de efficiëntie van het ministerie van Binnenlandse Zaken wat

betreft het organiseren van de verkiezingen, maar merkte op dat niet alle betrokkenen de geldende

procedures kenden. De toezichtsinstantie, de Commission Électorale Nationale Indépendante

(nationale onafhankelijke verkiezingscommissie) daarentegen heeft haar mandaat niet in

onafhankelijkheid en met gezag kunnen uitvoeren. De deskundigen hadden kritiek op het gebrek

aan neutraliteit van de lokale autoriteiten, de aanwezigheid van veiligheidsdiensten in de

stembureaus en het feit dat het voor lokale waarnemers onmogelijk was de verkiezingen te

observeren. De aanbevelingen van de deskundigen met betrekking tot de herziening van het

juridisch kader en de transparantie van de verkiezingsprocedures zijn aan de Mauritaanse

autoriteiten toegezonden, met het oog op de parlements- en gemeenteverkiezingen van

november 2006 en de presidentsverkiezingen van maart 2007.

De EU-EOM in Sri Lanka, onder leiding van de heer John Cushnahan, voormalig lid van het

Europees Parlement en hoofdwaarnemer voor de verkiezingen in Sri Lanka in 2000, 2001 en 2004,

heeft de presidentsverkiezingen van 17 november bijgewoond, en was in het land aanwezig van

23 oktober tot en met 4 december 2005.

gemachtigden hadden de kiezers hun stem niet kunnen uitbrengen. Helaas is het niet nieuw dat het

verkiezingsproces in deze gebieden wordt verstoord, en de kwestie kan dan ook niet genegeerd

worden. Eerdere EU-EOM's in Sri Lanka hebben een hele reeks aanbevelingen geformuleerd, maar

de meeste zijn nog niet uitgevoerd. De aanbevelingen worden derhalve andermaal geformuleerd,

omdat zij essentieel blijven voor het consolideren van het verkiezingsproces. Op zich zullen deze

aanbevelingen evenwel niet volstaan om de fundamentele malaise in de noordelijke en oostelijke

gebieden aan te pakken, waar kiezers bij voortduring het recht wordt ontzegd om ten volle aan het

democratische proces deel te nemen".

De Commissie heeft twee deskundigen ingezet om de presidents- en parlementsverkiezingen,

alsook de verkiezingen voor de lokale raden in Tanzania (14 december 2005) en Zanzibar

(30 oktober 2005) te volgen; de deskundigen hadden onder meer tot taak de EU-missiehoofden in

Dar es Salaam advies te geven over verkiezingsvraagstukken.

Wat de verkiezingen in Tanzania betreft, kwamen de deskundigen tot de conclusie dat er "welis-

waar politiek pluralisme is, maar dat de verkiezingen van 2005 de facto aantonen dat geen enkele

oppositiepartij in staat is de heerschappij van de regerende [CCM] te betwisten." "De verkiezingen

waren goed georganiseerd en de nationale verkiezingscommissie heeft haar reputatie van professio-

naliteit en onafhankelijkheid versterkt, maar in sommige opzichten voldoen de verkiezingen niet

aan de internationale norm. (...) Het algemene verkiezingskader is solide, maar onduidelijk is of het

in de toekomst, in geval van een bijzonder klein stemmenverschil tussen de deelnemende partijen,

alsnog robuust genoeg zou zijn om betrouwbare democratische verkiezingen mogelijk te maken."

In Zanzibar werd, in vergelijking met de verkiezingen van 2000, een verbetering vastgesteld met

betrekking tot de organisatie van de verkiezingen, onder meer wat betreft de kiezersregistratie en

het integere verloop van het verkiezingsproces, maar de experts constateerden niettemin een aantal

belangrijke tekortkomingen die een dringende hervorming van het kiesstelsel noodzakelijk maken.

Als tekortkomingen werden onder meer genoemd: inmenging van de politieke autoriteiten in het

verkiezingsproces, gebrek aan transparantie in de activiteiten van de verkiezingsautoriteiten en

gebrekkige klachten- en beroepsprocedures. Het verkiezingsproces werd gekenmerkt door een diep

wantrouwen tussen de twee belangrijkste partijen op Zanzibar en door een campagne die ontsierd

werd door geweld waarbij, onder meer, met de regerende partij gelieerde milities betrokken waren.

Een EU-EOM onder leiding van de heer Max van den Berg, lid van het EP, heeft in Uganda de

presidents- en parlementsverkiezingen van 23 februari 2006 bijgewoond, de eerste

meerpartijenverkiezingen in het land de afgelopen 26 jaar. De missie was, samen met een delegatie

van het EP onder leiding van de heer Johan Van Hecke, lid van het EP, in het land aanwezig van

27 januari tot en met 10 april 2006.

De missie noteerde dat "de hoge opkomst en de blijken van vertrouwen in een systeem van vrije

keuze tussen continuïteit en verandering bewezen hebben dat de Ugandese bevolking het bijzonder

belangrijk acht haar politieke toekomst met vreedzame, democratische middelen vorm te geven.

(...) De verkiezingscommissie is erin geslaagd bij de bevolking een behoorlijk niveau van

vertrouwen te handhaven, en heeft de verkiezingen op een [meer] efficiënte en transparante manier

georganiseerd; zij is er [evenwel] niet in geslaagd het volledige vertrouwen van alle politieke

de spelregels niet voor iedereen gelijk waren. (...) In vergelijking met hun tegenstrevers hadden de

president en zijn partij aanzienlijke voordelen, die verder gingen dan de voorsprong die van nature

samengaat met de uitoefening van het ambt en de wettelijke presidentiële privileges; de positieve

berichtgeving op de staatsradio- en televisieomroep was overweldigend (...). Vóór en tijdens de

verkiezingscampagne was de oppositiekandidaat het slachtoffer van controversiële beschuldigingen

en rechtszaken, wat hem weinig tijd liet om campagne te voeren. Het Hooggerechtshof stelde in een

arrest dat "de resultaten van de presidentsverkiezingen door deze kwestie weliswaar niet

fundamenteel beïnvloed waren, maar dat tijdens het verkiezingsproces toch een aantal ernstige

onregelmatigheden was vastgesteld." Het Hof verwees in zijn arrest naar gevallen van kiezers die

hun stem niet hadden kunnen uitbrengen, intimidatie, partijdige verkiezingsfunctionarissen, meer-

voudig stemmen, het gebruik van valse stembiljetten en de inmenging van de veiligheidsdiensten.

In Venezuela zijn de parlementsverkiezingen van 4 december 2005 bijgewoond door een EU-EOM

onder leiding van de heer Jose Silva Peneda, lid van het EP. Een delegatie van het EP onder leiding

van de heer Arnas Degutis, lid van het EP, heeft zich bij de missie gevoegd.

In haar eindverslag kwam de missie tot de conclusie dat de verkiezingsautoriteiten (CNE) "het

proces goed hebben georganiseerd en dat de logistieke voorbereidingen aanvaardbaar waren. Die

prestaties worden evenwel overschaduwd door beschuldigingen van de oppositie over

vooringenomenheid en partijdigheid. In de aanloop naar de verkiezingen overheerste in brede

geledingen van de samenleving een gevoel van wantrouwen ten aanzien van het verkiezingsproces

en de onafhankelijkheid van de CNE. (...) Het principe van het geautomatiseerd stemmen heeft een

tijdig en afdoende gereageerd op de ontdekking van een ontwerpfout in de software voor de stem-

machines - die een gering risico op schending van het stemgeheim inhield - door de vinger-

afdrukscanning te schrappen. Het heeft de EU-EOM dan ook verbaasd dat de meeste oppositie-

partijen tot vier dagen voor de verkiezingen hebben gewacht om zich terug te trekken. (...) De

parlementsverkiezingen hebben de kloof in de Venezolaanse samenleving niet kleiner gemaakt, en

zijn in die zin een gemiste kans. Om deze kloof te dichten is een constructievere en meer volwassen

inzet van alle politieke partijen nodig".

Wat de Westelijke Jordaanoever en Gaza betreft, heeft een EOM onder leiding van mevrouw

Véronique De Keyser, lid van het Europees Parlement, de verkiezingen voor de Palestijnse

Wetgevende Raad (25 januari 2006) bijgewoond. De missie was aanwezig van 13 december 2005

tot en met 13 februari 2006, en kreeg het gezelschap van een delegatie van het EP onder leiding van

de heer Edward McMillan-Scott, lid van het EP. In haar eindverslag constateerde de missie dat "uit

de verkiezingen bleek dat er een open en eerlijke verkiezingsstrijd had plaatsgevonden, die efficiënt

was georganiseerd. (...) De centrale verkiezingscommissie genoot in hoge mate het vertrouwen van

de bevolking, dankzij haar professionalisme en onafhankelijkheid. Geconfronteerd met intimidatie

wist zij haar integriteit te behouden. (...) De opkomst voor de verkiezingen was indrukwekkend, en

de Palestijnse bevolking heeft blijk gegeven van een zeer grote vastberadenheid om haar politieke

toekomst met democratische middelen te bepalen, en dit ondanks de precaire omstandigheden

waarin de verkiezingen hebben plaatsgevonden, met vertragingen, een onaanvaardbaar niveau van

geweld vóór de campagne en een bezetting die een beperkende werking heeft op de uitoefening van

de fundamentele vrijheden die met verkiezingen verband houden."

Tijdens de verslagperiode heeft de EU ook een verkenningsmissie gestuurd naar de Indonesische

provincie Atjeh, Mauritanië, Nicaragua, Jemen en Zambia met het oog op verkiezingen die voor

najaar 2006 zijn gepland.

Verkiezingswaarnemingsmissies (EOM's) / Verkiezingsondersteuningsprojecten (ESP's)

juli 2005 - juni 2006

Land Hoofd van de Totale middelen EOM/ ESP/ deelnemers

EOM

Afghanistan Emma Bonino, lid EUR 4.000.000 91 waarnemers (11 in het

van het EP kernteam, 60 LTO's en 20

STO's)

Burundi Alain Hutchinson, EUR 1.240.000 80 waarnemers (8 in het

lid van het EP kernteam, 12 LTO's en 60

STO's)

Demo-Philippe Morillon, EUR 1.800.000 117 waarnemers (11 in het

cratische lid van het EP kernteam, 26 LTO's en 80

Republiek STO's)

Congo

Ethiopië Ana Gomes, lid EUR 2.810.000 159 waarnemers (9 in het

van het EP kernteam, 50 LTO's en 100

Irak n.v.t. EUR 2.300.000 5 deskundigen

(2 ESP-

missies)

Liberia Max van den Berg, EUR 2.000.000 49 waarnemers (9 in het

lid van het EP kernteam, 20 LTO's en 20

STO's)

Mauritanië n.v.t. EUR 50.000 2 deskundigen

Sri Lanka John Cushnahan EUR 1.000.000 92 waarnemers (6 in het

kernteam, 22 LTO's en 64

STO's)

Tanzania n.v.t. EUR 200.000 2 deskundigen

Venezuela J. J. Albino Silva EUR 1.000.000 152 waarnemers (10 in het

Peneda, lid van het kernteam, 40 LTO's en 102

EP STO's)

Uganda Max van den Berg, EUR 1.800.000 177 waarnemers (9 in het

lid van het EP kernteam, 8 LTO's en 160

STO's)

Westelijke Véronique De EUR 2.300.000 173 waarnemers (13 in het

Jordaanoever Keyser, lid van het kernteam, 32 LTO's en 128

en EP STO's)

De EU bleef ook inspanningen ondersteunen om bij de EU-veldwerkers en de EU-partnerlanden

een Europese aanpak voor verkiezingswaarneming ingang te doen vinden. Het Network of

Europeans for Electoral and Democracy Support (NEEDS), dat wordt gevormd door een groep

gespecialiseerde Europese instanties op het gebied van verkiezingen, kreeg financiële middelen om

een uitgebreid opleidingsprogramma voor EU-waarnemers en -deskundigen uit te voeren, en

regionale vergaderingen te beleggen voor binnenlandse verkiezingswaarnemers. In de

verslagperiode heeft NEEDS vijf gespecialiseerde opleidingssessies verzorgd voor

149 langetermijnwaarnemers en -deskundigen, een vergadering belegd met de contactpunten voor

verkiezingswaarneming in de lidstaten, en in Jakarta (Indonesië) een regionale studiebijeenkomst

georganiseerd voor binnenlandse verkiezingswaarnemers, waaraan 19 vertegenwoordigers van

17 Aziatische organisaties hebben deelgenomen.

De Europese Commissie blijft ernaar streven de hoogste normen in verkiezingswaarneming uit te

dragen. Zij heeft deelgenomen aan het onder VN-vlag ontwikkelde proces voor het opstellen van

internationale basisnormen voor verkiezingswaarneming, dat de steun had van alle belangrijke

betrokken organisaties. De Commissie was vertegenwoordigd tijdens de ceremonie voor de

goedkeuring van de Beginselverklaring voor internationale verkiezingswaarnemingsmissies in

New York (oktober 2005), en heeft deelgenomen aan de follow-upvergadering die in juni 2006 door

het Gemenebest is georganiseerd in Londen.

Financiële steun voor de verkiezingen

· specifieke activiteiten zoals kiezersregistratie en het organiseren van verkiezingen;

· binnenlandse verkiezingswaarneming en groepen voor mediamonitoring;

· burgers- en kiezerseducatie door verkiezingscomités of het maatschappelijk middenveld; en

aan

· internationale of regionale organisaties voor verkiezingsondersteuning.

De bijstand aan overheidsinstanties, ook verkiezingscomités, wordt uitsluitend verleend uit

middelen voor geografische samenwerking die beschikbaar zijn voor derde landen (programma's

zoals het EOF, ALA, CARDS en TACIS43 ). Bijstand aan NGO's die verkiezingsondersteuning

verlenen, kan behalve uit die bronnen ook uit middelen van het EIDHR komen. Daarnaast is bij op

zeer korte termijn uitgeschreven verkiezingen in postconflictsituaties financiële bijstand voor

verkiezingen verleend via het snellereactiemechanisme.

De EU heeft in de periode tussen juli 2005 en juni 2006 financiële bijstand verleend aan onder meer

de volgende nog lopende verkiezingsondersteuningsprojecten:

steun aan de onafhankelijke verkiezingscommissie van Congo (Democratische

Republiek Congo) voor alle stappen van de organisatie van de verkiezingscyclus in de

context van de diverse in 2005 (grondwettelijk referendum) en 2006 (presidents-,

parlements- en provincieverkiezingen) geplande verkiezingen. De EC heeft

149 miljoen euro bijgedragen aan een totaalbegroting van 330 miljoen euro.

een bijdrage van meer dan 30 miljoen euro aan het VN-trustfonds voor de voorbereiding van

de verkiezingen in Irak, naast 1,5 miljoen euro voor de detachering van drie EU-

deskundigen bij de onafhankelijke verkiezingscommissie van Irak en een

opleidingsprogramma voor meer dan 170 binnenlandse waarnemersgroepen;

de afgelopen jaren is een bijdrage van 14 miljoen euro verleend voor de voorbereiding van

verkiezingen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook, onder meer voor de

instelling van een onafhankelijke centrale verkiezingscommissie;

een startbijdrage van 400.000 euro aan de onafhankelijke nationale verkiezingscommissie

van Burundi; vervolgens is 4 miljoen euro bijgedragen aan het UNDP-trustfonds voor de

organisatie van de verkiezingscyclus 2005;

een bijdrage van 1,2 miljoen euro voor het door de UNDP beheerde trustfonds voor de

ondersteuning van de presidentsverkiezingen in Guinee-Bissau in 2005.

De Europese Commissie heeft in hoofdzaak via het UNDP gewerkt om verkiezingsondersteuning te

verlenen. Op 21 april 2006 hebben de Commissie en het UNDP overeenstemming bereikt over de

operationele richtsnoeren voor de uitvoering van verkiezingsondersteuningsprogramma's en

-projecten. Deze richtsnoeren bevatten praktische maatregelen die tot doel hebben de conceptuele

en operationele samenwerking tussen de twee organisaties op het gebied van

verkiezingsondersteuning, inclusief op het terrein, te ondersteunen.

4.11. Economische, sociale en culturele rechten

De EU hecht evenveel belang aan economische, sociale en culturele rechten als aan burgerrechten

en politieke rechten, gelet op de universaliteit, ondeelbaarheid, onderlinge afhankelijkheid en

onderlinge verbondenheid van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden, zoals bekrachtigd

door de Wereldconferentie over de mensenrechten van 1993 in Wenen. Beide categorieën rechten

vinden hun oorsprong in de inherente waardigheid van de mens en de daadwerkelijke toepassing

van elk recht is onontbeerlijk voor de volledige toepassing van de andere rechten. Deze link wordt

op een bijzonder uitdrukkelijke manier gelegd in het Verdrag inzake de rechten van het kind,

waarbij alle lidstaten van de Europese Unie partij zijn, en is ook terug te vinden in de onlangs

aangenomen mededeling van de Commissie "Naar een EU-strategie voor de rechten van het kind".

Tijdens de verslagperiode heeft de EU actief deelgenomen aan de derde zitting van een open CHR-

werkgroep (februari 2006) die de opdracht heeft gekregen de mogelijkheden te verkennen voor de

opstelling van een facultatief protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en

culturele rechten. De EU is ingenomen met het verslag van de werkgroep en het besluit van de

Mensenrechtenraad van juni 2006 om het mandaat van de groep met nog eens twee jaar te

verlengen, zodat een facultatief protocol kan worden opgesteld waarin alle opties zijn opgenomen.

De EU heeft steun verleend aan verscheidene CHR-mandaten in verband met economische, sociale

en culturele rechten, met name de speciale rapporteurs inzake onderwijs, huisvesting, gezondheid

en voeding, en de onafhankelijke deskundige inzake extreme armoede. De EU is ingenomen met de

Het inzicht in de economische, sociale en culturele rechten hangt nauw samen met ontwikkeling. In

zes van de acht millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MDG) wordt sterk de nadruk gelegd op

menselijke en sociale ontwikkeling. De EU heeft het voortouw genomen bij internationale pogingen

om de MDG's te verwezenlijken door, in aanloop naar de VN-top van september 2005, meer en

efficiëntere steun toe te zeggen, en door vervolgens in december 2005 een verklaring over de

Europese consensus inzake ontwikkeling44 aan te nemen. De verklaring bestaat uit twee delen: in

het eerste deel ("De EU-visie op ontwikkeling") worden de gemeenschappelijke doelstellingen en

beginselen voor ontwikkelingssamenwerking uiteengezet en wordt andermaal verklaard dat de EU

hecht aan armoedebestrijding, eigen verantwoordelijkheid, partnerschap, bredere en betere hulp-

verlening en een grotere samenhang van het ontwikkelingsbeleid. Het eerste deel zal richting geven

aan de activiteiten van de Gemeenschap en de lidstaten op het gebied van ontwikkelings-

samenwerking in alle ontwikkelingslanden, in een geest van complementariteit. Belangrijke doel-

stellingen zijn mensenrechten en goed bestuur. In het tweede deel ("Het ontwikkelingsbeleid van de

Europese Gemeenschap") wordt uiteengezet hoe de Gemeenschap met de haar toevertrouwde

middelen uitvoering zal geven aan het eerste deel.

Voorts heeft de Gemeenschap in haar meest recente bilaterale, regionale en interregionale overeen-

komsten ook sociale ontwikkelingsdoelstellingen opgenomen. Beide partijen gaan in deze overeen-

komsten het engagement aan sociale rechten te erkennen en te bevorderen, wat onder meer inhoudt

dat de IAO-basisverdragen inzake arbeidsrechten in acht worden genomen. Voorbeelden hiervan

zijn de overeenkomst met Zuid-Afrika (1999), Chili (2002) en de overeenkomst waarover momen-

Sinds 1998 kent de Gemeenschap handelspreferenties toe in het kader van de bijzondere

stimuleringsregeling ter bescherming van de rechten van werknemers van het algemeen preferentie-

stelsel (APS). Deze bijzondere stimuleringsregeling wordt desgevraagd toegekend aan ontwik-

kelingslanden die erop toezien dat de fundamentele IAO-arbeidsrechten gerespecteerd worden. In

het kader van het nieuwe APS+-stelsel, dat op 27 juni 2005 door de Raad is aangenomen en op

1 januari 2006 in werking is getreden, is er een nieuwe APS-stimuleringsregeling voor duurzame

ontwikkeling en goed bestuur ingesteld waarbij aanvullende tariefpreferenties worden toegekend

voor kwetsbare landen die een aantal internationale verdragen inzake milieubescherming, goed

bestuur en mensen- en arbeidsrechten hebben ondertekend en daadwerkelijk uitgevoerd, met

inbegrip van de acht basisverdragen van de IAO inzake arbeidsrechten. Het APS+-stelsel komt in

de plaats van verschillende eerdere bijzondere stimuleringsregelingen.

Op dit ogenblik wordt de basis-APS toegekend aan een 180-tal ontwikkelingslanden en afhankelijke

gebieden. Voorts zijn voor 3 jaar (2006-2008) APS+-voordelen toegekend aan 15 kwetsbare landen,

waaronder vijf Andes-landen (Bolivia, Colombia, Ecuador, Peru en Venezuela), zes Centraal-

Amerikaanse landen (Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Panama),

Moldavië, Georgië, Mongolië en Sri Lanka.

In uitzonderlijke gevallen die ernstige en systematische schendingen van één van de acht IAO-

verdragen betreffende de fundamentele arbeidsnormen behelzen, voorziet het APS-stelsel van de

EU in een tijdelijke intrekking van de tariefpreferenties. Krachtens de huidige APS-verordening van

4.12. Recht op ontwikkeling

De EU zet zich consequent in voor het recht op ontwikkeling als neergelegd in de verklaring en het

actieprogramma van Wenen (1993) en in de Verklaring over het recht op ontwikkeling van 1986,

waarin de mens en zijn mensenrechten centraal worden gesteld in het ontwikkelingsstreven. Aan die

inzet wordt ook gestalte gegeven met partnerschappen en overeenkomsten voor ontwikkelings-

samenwerking met landen in alle delen van de wereld, zoals de Overeenkomst van Cotonou tussen

de EU en landen in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan.

In december 2005 heeft de EU de "Europese consensus inzake ontwikkeling" aangenomen, dat is

een gemeenschappelijke verklaring betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie,

waarin de EU andermaal verklaart zich te zullen inzetten voor ontwikkeling en armoedebestrijding,

en dus voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. Door middel van deze verklaring,

waarin mensenrechten en behoorlijk bestuur belangrijke doelstellingen zijn die gemainstreamd

moeten worden, zullen de Gemeenschap en haar lidstaten ernaar steven de coördinatie, de comple-

mentariteit en de eigen verantwoordelijkheid van de ontvangende landen in de verstrekking van de

ontwikkelingshulp te verbeteren. De EU heeft ook toegezegd te zullen werken aan een gezamenlijke

meerjarenprogrammering en aan gemeenschappelijke uitvoeringsmechanismen, met inbegrip van

gedeelde analyse, gezamenlijke donormissies, en het gebruik van medefinancieringsinstrumenten.

In november 2005 heeft de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de VN de tradi-

De EU heeft vóór de resolutie gestemd. In haar stemverklaring heeft de EU de nadruk gelegd op de

plicht van de staat om te werken aan de concretisering van het recht op ontwikkeling. Het is volgens

de EU in de eerste plaats aan de staten om nationale voorwaarden voor de verwezenlijking van dit

recht te scheppen. Dat kan het best worden gedaan door een mensenrechtenperspectief toe te passen

in de nationale ontwikkelingsplannen en mondiale partnerschappen, waarin de nadruk moet worden

gelegd op de universaliteit, ondeelbaarheid, onderlinge afhankelijkheid en onderlinge verbonden-

heid van alle mensenrechten. De EU staat volledig achter het partnerschap tussen ontwikkelde en

ontwikkelingslanden als uiteengezet in de Consensus van Monterrey, waarin wordt verklaard: "Elk

land is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn economische ontwikkeling; de nationale

ontwikkelingsinspanningen moeten worden ondersteund door de juiste internationale economische

randvoorwaarden."

De EU heeft actief deelgenomen aan de zevende bijeenkomst van de werkgroep, van 9

t/m 13 januari 2006. In opdracht van de CHR houdt de werkgroep zich bezig met monitoring en

toetsing van de bevordering en invulling van het recht op ontwikkeling; zij bestudeert rapporten en

andere informatie van staten en internationale of niet-gouvernementele organisaties. De werkgroep

heeft zich gebogen over het rapport van de taskforce op hoog niveau (High Level Task Force

(HLTF)) over de uitvoering van het recht op ontwikkeling, dat met name betrekking heeft op MDG-

8 inzake een mondiaal partnerschap, en over het rapport dat het OHCHR heeft opgesteld voor de

62e zitting, tevens slotzitting, van de CHR. De EU heeft beklemtoond dat de eerbiediging van de

mensenrechten een voorwaarde is voor een effectief en duurzaam ontwikkelingsbeleid en effectieve

4.13. Interculturele dialoog

De EU hecht zeer veel belang aan de bevordering van de interculturele dialoog, zowel binnen de

Unie als met derde landen. Met de toetreding van de nieuwe lidstaten is de diversiteit in de Unie

toegenomen, en in 2007 zal de totale bevolking de 500 miljoen naderen, en een immense rijkdom

aan culturele, sociale en taalkundige verscheidenheid vertegenwoordigen. Dit valt bovendien samen

met ingrijpende demografische ontwikkelingen, die resulteren in een vergrijzende en slinkende

beroepsbevolking en in aanhoudende immigratiestromen die tot een nog grotere culturele

verscheidenheid leiden.

Gedeelde waarden als vrijheid, rechtvaardigheid, verdraagzaamheid en solidariteit, die het cement

van onze samenlevingen vormen, kunnen in deze context niet in stand worden gehouden als er niet

steeds meer prioriteit wordt gegeven aan de verbetering van wederzijdse kennis en begrip en van de

interculturele dialoog.

Er is een duidelijk en toenemend inzicht en besef in Europa dat er een diepergaande, meer gestruc-

tureerde interculturele dialoog moet komen, waarbij niet alleen de nationale autoriteiten betrokken

zijn, maar ook het maatschappelijk middenveld in zijn geheel. Het is ook van belang dat een brede

dialoog wordt gestimuleerd waarbij de verschillende godsdiensten en levensovertuigingen en

verschillende etnische gemeenschappen betrokken zijn.

· Het Erasmus Mundus-programma (2004-2008) is een samenwerkings- en

mobiliteitsprogramma op het gebied van het hoger onderwijs, dat de uitwisseling tussen

de EU en derde landen bevordert

· Tempus is een samenwerkingsprogramma voor hoger onderwijs tussen de lidstaten van

de EU en de partnerlanden. Het programma is driemaal verlengd (Tempus II,

Tempus II bis en Tempus III - 2000-2006). Er is thans meer dan ooit behoefte aan

samenwerking tussen landen op onderwijsgebied en, parallel daaraan, aan verbetering

van het begrip tussen culturen. Zoals in het besluit inzake Tempus III (van 29 april 1999)

staat: "de samenwerking op het gebied van het hoger onderwijs versterkt en verdiept de

betrekkingen tussen de verschillende Europese volkeren, stelt de gemeenschappelijke

culturele waarden in het licht, maakt interessante gedachtewisselingen mogelijk en

vergemakkelijkt internationale activiteiten op wetenschappelijk, cultureel, artistiek,

economisch en sociaal gebied."

· Het programma Jeugd (2000-2006) vergemakkelijkt de mobiliteit en uitwisseling van

jongeren uit 31 Europese landen.

· Het Euro-med Jeugdprogramma bestrijkt de lidstaten en 12 mediterrane landen.

· Het Programma Cultuur 2000 (2000-2004, verlenging tot 2006) draagt actief bij tot de inter-

culturele dialoog door culturele samenwerkingsprojecten te ondersteunen waarbij organi-

saties uit verscheidene Europese landen betrokken zijn. Sommige projecten worden uitge-

voerd in derde landen. Veel projecten hebben ten doel in derde landen een beter begrip van

de Europese culturen te bewerkstelligen. Het nieuwe programma Cultuur 2007 zal soort-

gelijke doelstellingen krijgen, en de interculturele dialoog zal een van de drie prioriteiten

zijn.

· Het INTI-programma is een financieringsprogramma van de Europese Unie voor voor-

bereidende maatregelen ter bevordering van de integratie in de EU-lidstaten van mensen die

geen burgers van de EU zijn. Het heeft ook ten doel de dialoog met het maatschappelijk

middenveld te bevorderen, integratiemodellen te ontwikkelen, beste praktijken op het gebied

van integratie te omschrijven en te evalueren, en netwerken op Europees niveau op te zetten.

· De interculturele dialoog is als horizontaal criterium opgenomen in de nieuwe uitnodigingen

tot inschrijvingen voor de meeste programma's op het gebied van onderwijs en cultuur (bijv.

Jeugd, Leonardo, Cultuur 2000, Media, e-Learning, Burgerschap, audiovisueel beleid).

Bij de nieuwe generatie programma's op deze gebieden (2007-2013) zal de interculturele

dialoog ook tot de doelstellingen behoren. Dat is reeds het geval voor de programma's

Jeugd in actie, Cultuur 2007 en Actief Europees Burgerschap.

In oktober 2005 heeft de Commissie voorgesteld 2008 uit te roepen tot het Europese jaar van de

interculturele dialoog. Met een totale begroting van 10 miljoen euro zal het Europese Jaar een

rijkdom en verscheidenheid aan specifieke projecten bieden, die in de loop van 2008 zullen worden

Op het gebied van de externe betrekkingen heeft de Raad van de EU in februari 2006 zijn ernstige

verontrusting uitgesproken over de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden naar aanleiding van

de publicatie van cartoons van de profeet Mohammed in Europese media. Hij steunde het recht op

vrije meningsuiting en veroordeelde scherp alle gewelddaden en bedreigingen, doch verklaarde

tevens te beseffen en te betreuren dat deze cartoons door moslims in de hele wereld als beledigend

en schokkend zijn ervaren.

Wat de mediterrane partnerlanden betreft, is het Europees-mediterrane partnerschap (het proces van

Barcelona) in de afgelopen 10 jaar uitgegroeid tot het meest omvattende instrument voor politieke

dialoog. De politieke, economische en sociaal-culturele initiatieven die via de instrumenten van

Barcelona zijn ontwikkeld, hebben de gemeenschappelijke doelstelling een ruimte van vrede,

stabiliteit en dialoog met de buurlanden van de EU tot stand te brengen. Na de publicatie van de

cartoons heeft de Commissie een breed pakket maatregelen voorgesteld, waaronder de volledige

benutting van de Anna Lindh-stichting voor de dialoog tussen culturen. Bij deze initiatieven zijn de

media, de opinieleiders, het maatschappelijk middenveld en jongeren betrokken. De Stichting, die

gevestigd is in Alexandrië, bevordert de dialoog tussen de culturen en draagt bij tot de zichtbaarheid

van het proces van Barcelona door uitwisselingen op intellectueel en cultureel gebied en tussen

actoren van het maatschappelijk middenveld. Een sleutelelement van de Europees-mediterrane

Stichting voor de dialoog tussen culturen is de rol die moet worden gespeeld door de zogenaamde

nationale netwerken.

Bij de politieke besluiten, workshops, regionale programma's en nationale initiatieven van het

Europees-mediterrane partnerschap staat de noodzaak voorop om de mensen in de regio nader tot

elkaar te brengen; het verdient ook vermelding dat op het optreden van de overheid een waardevolle

aanvulling wordt geboden door belangrijke bijdragen van andere actoren, zoals het niet-gouver-

nementele Platform Euromed voor het proces van Barcelona, civiele fora en de Europees-

mediterrane parlementaire vergadering. Tijdens de Europees-mediterrane Top van Barcelona naar

aanleiding van de tiende verjaardag van het Europees-mediterrane partnerschap, op 27-

28 november 2005, is de cruciale rol erkend die het onderwijs in de politieke, sociale en econo-

mische ontwikkeling speelt. Het vijfjarenwerkprogramma behelst onder meer toezeggingen om

samen te werken bij de bestrijding van discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat; het zorgen

voor meer tolerantie, het bevorderen van begrip en respect voor alle godsdiensten en culturen; en

het versterken van de rol van de media bij de ontwikkeling van de interculturele dialoog.

In het kader van de actieplannen van het Europees Nabuurschapsbeleid (ENP) hebben de partner-

landen zich ertoe verbonden samen te werken om alle vormen van discriminatie, religieuze onver-

draagzaamheid, racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden. Andere instrumenten, zoals het

ASEM-proces in Azië, bieden een belangrijk kader om een interculturele dialoog aan te gaan.

Multilaterale fora, zoals de VN, zijn een geschikt platform voor het bevorderen van de interculturele

dialoog. Daartoe heeft de EU tijdens de 60e AVVN een resolutie over religieuze onverdraagzaam-

verbeteren van de betrekkingen in onze verschillende samenlevingen. De Commissie ijvert actief

voor de spoedige ratificatie van dit verdrag. Voorts zet de EU zich in voor een intensievere dialoog

met andere internationale organisaties (de Raad van Europa, de OVSE, enz.) en voor het gebruik

van communautaire instrumenten om nog meer mogelijkheden voor een versterking van de inter-

culturele dialoog te bieden. De EU onderzoekt manieren om samen te werken met partners en

andere internationale actoren in de islamitische wereld, waaronder de Organisatie van de Islami-

tische Conferentie (OIC) en de Arabische Liga, ter bevordering van tolerantie en respect voor reli-

gieuze en andere overtuigingen en opvattingen. Bijzondere nadruk moet komen te liggen op de rol

die de vrije media en de NGO's in dit opzicht kunnen spelen.

Het initiatief inzake een "alliantie van beschavingen" (Alliance of Civilisations) is tijdens de VN-

top van september 2005 door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties gelanceerd met steun

van de eerste ministers van Spanje en Turkije. Het streven van de alliantie is, op institutioneel

niveau en op het niveau van het maatschappelijk middenveld een collectieve politieke wil en een

onderling afgestemd optreden tot stand te brengen om de vooroordelen, misvattingen en polarisaties

te overwinnen die een consensus in de weg staan. Zij hoopt tevens ertoe bij te dragen dat er een

wereldwijde beweging tot stand komt die, als uiting van de wil van de overgrote meerderheid van

de mensen, extremisme in iedere samenleving verwerpt. De alliantie van beschavingen wordt geleid

door een groep op hoog niveau, bestaande uit twintig prominente leiders uit de politiek, de acade-

mische wereld, het maatschappelijk middenveld, de internationale financiële wereld en de media uit

alle delen van de wereld, die bekijken welke krachten bijdragen tot extremisme en die aan-

4.14. Asiel, migratie, vluchtelingen en ontheemden

Met betrekking tot de rechten van asielzoekers zij vermeld dat de EU aan een gemeenschappelijk

Europees asielstelsel werkt en reeds overeenstemming heeft bereikt over de maatregelen die de

grondslagen daarvan vormen. Het Haags programma (het werkprogramma voor Justitie en Binnen-

landse Zaken voor de komende vijf jaar) beoogt een volwaardig gemeenschappelijk Europees asiel-

stelsel voor 2010. Als onderdeel van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel is op 1 december

2005 Richtlijn 2005/85/EG van de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de

lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus aangenomen. De richtlijn

zorgt ervoor dat alle procedures in eerste aanleg in de lidstaten van de EU aan dezelfde minimum-

normen voldoen, en dat samenhang met internationale verplichtingen op dit gebied behouden blijft.

Om de beschermingscapaciteit van de regio's van oorsprong van vluchtelingen, waar de meeste

vluchtelingen zich bevinden, op te voeren, en om de groepen vluchtelingen daar beter te bescher-

men, heeft de Commissie voorgesteld om regionale beschermingsprogramma's uit te voeren om

duurzame oplossingen te helpen bieden, zoals repatriëring, lokale integratie of relocatie, zulks in

partnerschap met de UNHCR en door middel van op de praktijk gebaseerde projecten en finan-

ciering. De Raad steunt de aanpak die wordt voorgesteld in de mededeling van de Commissie van

september 2005 (COM(2005) 388 def.) inzake regionale beschermingsprogramma's, en erkent dat

dergelijke programma's een eerste stap vormen om voor diegenen die snel en zo dicht mogelijk bij

proefprogramma's inzake regionale bescherming worden momenteel uitgevoerd in de Westelijke

Nieuwe Onafhankelijke Staten (westelijke NOS), met name in Oekraïne, Moldavië en Wit-Rusland.

Deze programma's zijn vooral gericht op de versterking van de reeds bestaande beschermings-

capaciteit door praktische steun te bieden bij de behandeling van asielaanvragen, en op de

versterking van subsidiaire bescherming, integratie en documentatie. Er is nog beraad gaande over

de vraag waar het tweede proefprogramma zal worden uitgevoerd. Tot de mogelijke gebieden

behoren het gebied van de Grote Meren en de Hoorn van Afrika.

De EU is zich bewust van de noodzaak de mensenrechten van migranten, en met name van

vrouwen, te beschermen, en van de behoefte aan een gecoördineerd optreden tegen illegale

migratie, mensenhandel en mensensmokkel. In de conclusies van de Raad van november 2005

inzake migratie en externe betrekkingen is voorts andermaal de waarde benadrukt van samen-

werking op het gebied van migratie en externe betrekkingen tussen de departementen Binnenlandse

Zaken, Buitenlandse Zaken en Ontwikkeling. De Commissie heeft de vraagstukken met betrekking

tot migratie en asiel opgenomen in haar politieke dialogen met derde landen en deze vraagstukken

in haar samenwerkingsstrategieën een belangrijke plaats gegeven. Zij heeft een voorstel ingediend

voor een beter en meer gecoördineerd gebruik van de bestaande instrumenten en beleidsmaat-

regelen, in een mededeling van november 2005, getiteld "Prioritaire acties om een antwoord te

bieden op de uitdagingen van de migratie: eerste follow-up van Hampton Court." In de mededeling

wordt vooral aandacht besteed aan bepaalde aspecten van het beheer van de migratie in het

Middellandse-Zeegebied en Afrika. Daarop is voortgebouwd in de "Alomvattende aanpak van

migratie: Prioritaire acties gericht op Afrika en het Middellandse-Zeegebied", die in december 2005

De mededeling over "Een gemeenschappelijke agenda voor integratie - Kader voor de integratie van

onderdanen van derde landen in de Europese Unie" was een eerste reactie van de Commissie op het

in het Haags Programma vervatte verzoek om een coherent Europees integratiekader vast te stellen.

De hoekstenen daarvan zijn, in aansluiting op de aanneming van gemeenschappelijke basis-

beginselen voor integratie door de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken in november 2004, voor-

stellen voor concrete maatregelen om de gemeenschappelijke basisbeginselen in de praktijk om te

zetten, naast een reeks ondersteunende EU-mechanismen. In de mededeling wordt het belang bena-

drukt van een verdere verduidelijking van de rechten en verantwoordelijkheden van migranten in de

Europese Unie, de ontwikkeling van specifieke samenwerkingsactiviteiten en de uitwisseling van

informatie over integratie, mainstreaming en evaluatie.

De Europese Commissie heeft de opstelling en aanneming gesteund van het actieplan van de IAO

voor migrerende werknemers door de Internationale Arbeidsconferentie in juni 2004, evenals de

opstelling en aanneming van het Multilateraal kader voor een op rechten gebaseerde benadering van

migratie, dat in maart 2006 bij de Raad van Beheer van de IAO is ingediend.

De EU tendeert de laatste jaren steeds meer naar een holistische aanpak van migratie, waarin de

relatie tussen migratie en ontwikkeling ten volle wordt meegewogen. In de Europese consensus,

de verklaring betreffende het ontwikkelingsbeleid, geeft de EU te kennen zich ervoor te zullen

beijveren dat migratie een positieve factor voor ontwikkeling wordt, door middel van de bevor-

dering van concrete maatregelen die bijdragen tot een betere armoedebestrijding, onder meer door

In de mededeling van de Commissie over "Migratie en ontwikkeling: een aantal concrete ideeën"

(van september 2005) wordt een reeks instrumenten voorgesteld om het verband tussen migratie en

de ontwikkeling van de landen van oorsprong te versterken, door de vraagstukken van de over-

makingen, de rol van de diaspora, de mobiliteit van hoogopgeleide personen en manieren om de

braindrain te beperken, tegelijk aan te pakken. In de mededeling wordt bekeken welke gevolgen de

met migratie samenhangende verschijnselen kunnen hebben voor de ontwikkeling van de landen

van oorsprong.

De wereldcommissie voor internationale migratie (Global Commission on International Migration

(GCIM)) heeft op 5 oktober 2005 haar eindrapport aan de secretaris-generaal van de VN voor-

gelegd. De EU heeft gewerkt aan een inhoudelijke follow-up op dat rapport, en heeft zich voor-

bereid op de VN-dialoog op hoog niveau over migratie en ontwikkeling, die in september 2006 van

start zal gaan. Die dialoog is van centraal belang voor de bevordering van een mondiale aanpak van

vraagstukken op het gebied van migratie en ontwikkeling.

De Europese Unie is vastbesloten illegale immigratie met alle middelen tegen te gaan, aangezien

dit verschijnsel een aantasting is van het recht van de lidstaten om te besluiten wie mag binnen-

komen en verblijven op hun grondgebied, en bovendien het leven van migranten in gevaar kan

brengen en migranten kan blootstellen aan uitbuiting. Tegelijkertijd zet zij zich ervoor in dat de

fundamentele rechten van illegale immigranten worden geëerbiedigd. Daarbij wordt vooral de

nadruk gelegd op bepalingen op het gebied van procedurele waarborgen, de eenheid van het gezin,

Het voorstel van de Commissie voor een richtlijn over gemeenschappelijke normen en procedures

in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied

verblijven, beoogt te zorgen voor duidelijke en transparante gemeenschappelijke regels voor terug-

keer, uitzetting, het gebruik van dwangmaatregelen, vreemdelingenbewaring en het opleggen van

een inreisverbod, met volledige inachtneming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden

van de betrokkenen. Het voorstel beoogt een horizontale reeks voorschriften vast te stellen die van

toepassing zijn op iedere onderdaan van een derde land die illegaal in een lidstaat verblijft, en voor-

ziet in een procedure in twee fasen die tot de beëindiging van het illegale verblijft leidt. Aan iedere

onderdaan van een derde land die illegaal in een lidstaat verblijft, moet een terugkeerbesluit worden

betekend. Er moet voorrang worden verleend aan vrijwillige terugkeer. Alleen als de betrokken

onderdaan van een derde land niet vrijwillig terugkeert, zullen de lidstaten de terugkeerverplichting

ten uitvoer leggen door middel van een uitzettingsbevel. Het richtlijnvoorstel geeft de rechts-

gevolgen van nationale terugkeermaatregelen een Europese dimensie door middel van een inreis-

verbod dat voor de gehele EU geldt.

Illegale migratie gaat zeer vaak gepaard met schendingen van de mensenrechten en met mensen-

handel. In oktober 2005 heeft de Commissie de mededeling "Bestrijding van mensenhandel: een

geïntegreerde benadering en voorstellen voor een actieplan" (COM(2005) 514 def.) gepresenteerd.

De mededeling is een uitgangspunt voor verdere besprekingen en beschrijft hoe het EU-beleid tegen

mensenhandel kan worden geconsolideerd en verbeterd. Zij zal ertoe bijdragen dat het probleem

van de mensenhandel wordt aangepakt niet alleen door middel van maatregelen op het gebied van

In januari 2006 heeft de Commissie een mededeling aangenomen waarin de doelstellingen en

prioriteiten uiteengezet worden van het nieuwe thematische programma inzake migratie en

asiel, waarmee de activiteiten van het AENEAS-programma in het kader van de nieuwe financiële

vooruitzichten 2007-2013 zullen worden voortgezet. Dit thematische programma zal worden opge-

nomen in het nieuwe wetgevingskader voor het externe optreden van de Gemeenschap, meer

bepaald in het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) en het instrument voor

economische en ontwikkelingssamenwerking (DCECI). De Commissie stelt voor, in het nieuwe

programma het accent te leggen op de volgende vijf onderdelen:

versterken van de relatie tussen migratie en ontwikkeling;

-

bevorderen van een goed beheerde arbeidsmigratie;

bestrijden van illegale immigratie en vergemakkelijken van de overname van niet-

legale immigranten;

-

beschermen van migranten tegen uitbuiting en uitsluiting;

bevorderen van het asielrecht en internationale bescherming, onder meer via

regionale beschermingsprogramma's.

De Commissie is besprekingen met het Europees Parlement en de Raad aangegaan over de

werkingssfeer, de doelstellingen en de prioriteiten van dit thematische programma. De uitkomst

hiervan zal de politieke richtsnoeren voor de eropvolgende stadia van de programmering opleveren,

in de vorm van een thematisch strategiedocument.

4.15. Racisme, vreemdelingenhaat, non-discriminatie en eerbied voor diversiteit

In 1997 heeft het Verdrag van Amsterdam de Europese Unie met artikel 13 een rechtsgrondslag

gegeven om "passende maatregelen" te ontwikkelen "voor het bestrijden van discriminatie op grond

van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele

geaardheid". De Europese Unie heeft van die bevoegdheden gebruik gemaakt door, met eenparig-

heid van stemmen, in juni 2000 de richtlijn rassengelijkheid (2000/43/EG) en in november 2000 de

kaderrichtlijn arbeid (2000/78/EG) aan te nemen.

De lidstaten hebben het afgelopen jaar nog meer vorderingen gemaakt met de uitvoering van deze

twee richtlijnen, die een verbod behelzen op directe en indirecte discriminatie en intimidatie, zulks

op grond van godsdienst of levensovertuiging, leeftijd, handicap en seksuele geaardheid op het

gebied van arbeid, en op grond van ras of etnische afstamming op een hele reeks gebieden (arbeid,

sociale bescherming, onderwijs en toegang tot goederen, diensten en huisvesting, enz.). Deze richt-

lijnen hebben het niveau van de bescherming tegen discriminatie in de gehele EU aanzienlijk

verhoogd. In sommige landen moest daarvoor een geheel nieuwe, op rechten gebaseerde anti-

discriminatiewetgeving en -beleid ingevoerd worden.

Niettemin heeft de Commissie tegen bepaalde lidstaten inbreukprocedures moeten inleiden

vanwege niet-tijdige of onvolledige omzetting van deze richtlijnen. In 2005 oordeelde het Europees

Hof van Justitie dat Luxemburg en Duitsland de rassengelijksheidsrichtlijn niet hadden omgezet, en

dat Oostenrijk en Finland dat niet volledig hadden gedaan. De Commissie onderzoekt nu of de

nationale wetgeving in de lidstaten de richtlijnen correct weergeeft. Zij ondersteunt ook een reeks

De Commissie zal een grondig onderzoek instellen naar de relevantie en de uitvoerbaarheid van

eventuele nieuwe maatregelen ter aanvulling van het huidige wetgevingskader. Daartoe is zij

begonnen met een onderzoek om de nationale bepalingen in kaart te brengen die verder gaan dan

hetgeen de EG-richtlijnen vereisen, in de lidstaten zowel als in bepaalde derde landen. De resultaten

zullen naar verwacht eind 2006 beschikbaar zijn.

"2007, Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen" is het centrale evenement van de raam-

strategie voor non-discriminatie en gelijke kansen voor iedereen. De activiteiten die gedurende dat

thematisch jaar zullen plaatsvinden, zullen zowel op Europees als op nationaal niveau worden

uitgevoerd. Veel van de activiteiten zullen in handen worden gegeven van nationale uitvoerings-

organen en nationale actieplannen. Andere nieuwe initiatieven omvatten de oprichting van een

raadgevende deskundigengroep op hoog niveau voor de bestudering van de integratie in de samen-

leving en op de arbeidsmarkt van minderheden, waaronder de Roma45 .

In november 2001 was door de Commissie een voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betref-

fende de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat ingediend. Het doel van dit kaderbesluit is

tweeledig: ervoor zorgen dat racisme en vreemdelingenhaat in alle lidstaten strafbaar worden

gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen, en de justitiële samenwerking

verbeteren en bevorderen door potentiële belemmeringen weg te nemen.

Het voorstel strekt tot strafbaarstelling van opzettelijke gedragingen zoals het aanzetten tot geweld

of haat jegens een groep personen, of een lid van die groep, die op grond van ras, huidskleur,

afkomst, religie of levensovertuiging, dan wel nationale oorsprong of etnische afstamming wordt

gedefinieerd, of het publiekelijk ontkennen of verregaand bagatelliseren van misdrijven tegen de

menselijkheid en oorlogsmisdrijven. Het voorstel heeft betrekking op elke vorm van racisme, ook

die op grond van godsdienstige motieven, zonder specifieke groepen personen te noemen die het

slachtoffer van racistische gedragingen kunnen zijn. Na jarenlange besprekingen hebben de lid-

staten echter nog steeds geen overeenstemming over het kaderbesluit kunnen bereiken, en de voor-

naamste belemmering daarbij is het probleem om het juiste evenwicht te vinden tussen de vrijheid

van meningsuiting en de beteugeling van racistisch gedrag. De besprekingen in de Raad verkeren

momenteel in een impasse.

Het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat (EUMC), dat in Wenen is

gevestigd, verricht onderzoek en analyses die van essentieel belang zijn voor een goed begrip van

de omvang en de ontwikkeling van uitingen van racisme, vreemdelingenhaat en antisemitisme in de

EU. Het EUMC verzamelt regelmatig gegevens via RAXEN, een EU-netwerk van nationale knoop-

punten, op basis van voor alle EU-lidstaten gemeenschappelijke richtsnoeren. De bevindingen

worden bekendgemaakt in het jaarverslag (het meest recente jaarverslag is uitgebracht in

november 2005) en in andere publicaties zoals vergelijkende verslagen op de voornaamste

thematische gebieden.

Daarnaast heeft het EUMC zijn gerichte onderzoek op het gebied van de Roma voortgezet. Samen

met de OVSE en de Raad van Europa was het medeorganisator van de Internationale Conferentie

over de uitvoering en de harmonisatie van nationale beleidsmaatregelen inzake Roma, Sinti en

woonwagenbewoners. Het is steun blijven verlenen aan een uniek netwerk van vrouwelijke Roma-

activisten, het Internationale netwerk van Romavrouwen. Het EUMC heeft ook samengewerkt met

een aantal Europese steden en zijn vroegere werk voortgezet op het gebied van de beste praktijken

voor de integratie van moslimgemeenschappen op lokaal niveau. De resultaten zijn voor het

voetlicht gebracht in een conferentie met het Comité van de Regio's over "de bijdrage van lokale en

regionale autoriteiten tot de bescherming van de minderheden en maatregelen ter bestrijding van

discriminatie".

Het EUMC werkt samen met de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI), het

belangrijkste orgaan van de Raad van Europa voor de bestrijding van racisme en intolerantie in

Europa in ruimere zin. In haar landenverslagen volgt en analyseert de ECRI de vorderingen die met

de bestrijding van geweld, discriminatie en rassenvooroordelen in elk van de 46 lidstaten van de

Raad van Europa worden gemaakt, en doet zij voorstellen aan de regeringen om de door haar

geconstateerde problemen aan te pakken.

In juni 2005 heeft de Europese Commissie een voorstel bekendgemaakt voor een verordening tot

oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, waarbij het mandaat van

In het kader van haar externe betrekkingen spant de EU zich binnen de Verenigde Naties actief in

om racisme en discriminatie te bestrijden. Tijdens de 60e AVVN heeft de EU de follow-up van de

resolutie van Durban46 gesteund, die in vergelijking met vorige jaren over het algemeen tamelijk

soepel is aangenomen, met aanzienlijke hulp van Costa Rica dat de onderhandelingen voorzat, en

gematigde standpunten zijdens Zuid-Afrika. In haar stemverklaring heeft de EU de nadruk gelegd

op het belang van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassen-

discriminatie en er bij alle staten op aangedrongen dat verdrag bij voorrang te ratificeren en uit te

voeren, en effectieve maatregelen op nationaal niveau aan te nemen ter bestrijding van de

symptomen en oorzaken van racisme en discriminatie.

De EU heeft de vraagstukken met betrekking tot racisme en vreemdelingenhaat opgenomen in haar

politieke dialogen met derde landen, bijvoorbeeld Rusland en China. Deze vraagstukken zijn ook

geïntegreerd in de samenwerkingsstrategieën; in het kader van het Europees Nabuurschapbeleid

hebben de partnerlanden zich er bijvoorbeeld toe verbonden samen te werken om alle vormen van

discriminatie, religieuze onverdraagzaamheid, racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden.

De strijd tegen racisme, vreemdelingenhaat en discriminatie ten aanzien van minderheden en

autochtone bevolkingsgroepen is een van de prioriteiten voor financiering in het kader van het

EIDHR. Het thema is opgenomen in de algemene en de specifieke oproepen tot het indienen van

voorstellen voor te financieren projecten. In januari 2005 is een oproep gedaan tot het indienen van

voorstellen die dit thema bestrijken, ter waarde van 5 miljoen euro. Er zijn in totaal 13 te

Een onafhankelijke externe evaluatie van het EIDHR-programma inzake racisme, vreemdelingen-

haat en discriminatie is in oktober 2005 afgerond. De evaluatie omvatte een desk study en bezoeken

ter plaatse aan 17 door het EIDHR gefinancierde projecten. De resultaten van deze evaluatie zijn

positief. De evaluatoren merken bijvoorbeeld op dat veel van de projecten wezenlijke resultaten te

zien zouden kunnen geven, die voor de levens van degenen die slachtoffer van racisme en discri-

minatie zijn, ongetwijfeld een verbetering inhouden. De projecten bereiken enkele van de meest

kwetsbare leden van gediscrimineerde gemeenschappen in enkele van de gevaarlijkste gebieden ter

wereld. De evaluatoren waren van mening dat dit werk het best kan worden verricht door NGO's die

het vertrouwen van die minderheden kunnen winnen. De projecten die het meeste effect lijken te

hebben en de beste vooruitzichten op duurzaamheid lijken te bieden, zijn die waarbij bewust

mensenrechtennormen worden gehanteerd en een op rechten gebaseerde aanpak wordt gevolgd, met

een coherente opzet, gebaseerd op een deugdelijke, diepgaande analyse van de situatie van het land,

en die kunnen inspelen op veranderende omstandigheden. De geconstateerde zwakke punten

hielden meestal verband met bepaalde procedures, vertragingen en een gebrek aan flexibiliteit, die

de effectiviteit van de projecten beperken.

Om de coördinatie te verbeteren heeft de Commissie begin 2006 een interdepartementale groep

voor racisme en vreemdelingenhaat ingesteld. De groep komt viermaal per jaar bijeen en dient als

platform voor de uitwisseling van informatie tussen de Commissiediensten en, wanneer dan nodig

wordt geacht, met andere instellingen.

Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten - Racismebestrijding en

conflicttransformatie in Israël

Het project, dat wordt uitgevoerd door het Mossawa Center, heeft ten doel racisme te bestrijden en

de betrekkingen tussen de doelgroepen, waaronder de Joodse meerderheid, de Arabische minder-

heid en etnische groepen van onder meer Russen, Ethiopiërs en Mizrachi, te transformeren. Het

heeft ook ten doel de Joodse gemeenschappen in Israël te hervormen door begrip tussen de gemeen-

schappen te kweken, de eerbiediging van de rechten van alle minderheden te bevorderen en uitein-

delijk conflicten en geweld tussen de verschillende groeperingen te voorkomen. De activiteiten van

het project zijn gebaseerd op een drietrapsaanpak: 1) bestrijding van racisme, 2) opvoeding ter

preventie van discriminatie en conflicten, en 3) het bevorderen van nieuwe waarden ter onder-

steuning van een democratische, multiculturele en interculturele samenleving waarin alle minder-

heden volledige rechten hebben. De voornaamste activiteiten zijn het monitoren van haatdelicten,

rechtsbijstand, pleitbezorging bij de overheid, mediacampagnes, buurtwerk, opleiding, en moni-

toring van de uitvoering van internationale overeenkomsten met onder meer de EU. De Commissie

financiert het project via het EIDHR voor 298.660 euro. Het project is in december 2005 gestart.

4.16. Personen met een handicap

De inzet van de EU voor personen met een handicap is verwoord in artikel 26 van het EU-Handvest

van de grondrechten:

De EU is blijk blijven geven van haar inzet om de rechten van personen met een handicap in Europa

te bevorderen en te beschermen, in overeenstemming met de strategie van de EU inzake personen

met een handicap. In die strategie wordt de nadruk gelegd op waardigheid, grondrechten, bescher-

ming tegen discriminatie, rechtvaardigheid en sociale samenhang. Het instrument ter uitvoering van

deze strategie is het Europese actieplan voor personen met een handicap47, dat vooral de volgende

drie aspecten betreft: toegang tot individuele rechten; het wegnemen van belemmeringen die

personen met een handicap beletten hun vaardigheden uit te oefenen; en de integratie van

gehandicaptenvraagstukken in een breed gamma van communautaire beleidsmaatregelen die direct

of indirect van invloed zijn op de situatie van personen met een handicap.

De samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten wordt vergemakkelijkt door de EU-groep op

hoog niveau inzake handicaps, waarin vertegenwoordigers van de lidstaten en de Commissie,

vertegenwoordigers van personen met een handicap en andere belanghebbenden geregeld

bijeenkomen om te blijven werken aan synergieën in het gehandicaptenbeleid op EU-niveau. Dit

uitwisselingsforum brengt informatie, ervaringen en adviezen samen en draagt bij tot een betere

verslaggeving door de Europese Commissie over de situatie van personen met een handicap in de

gehele EU. Dat maakt het mogelijk vorderingen te boeken met de totstandbrenging van omstandig-

heden die de actieve insluiting van personen met een handicap in de samenleving en de economie

ondersteunen. De samenwerking wordt ook vergemakkelijkt door bewustmakingsinitiatieven zoals

de cyclus van beleidsconferenties van de Europese Commissie die elk jaar plaatsvinden op de

Europese Gehandicaptendag in december, en de geregeld gehouden conferenties van het

De EU is van mening dat personen met een handicap moeten worden betrokken bij de planning, de

monitoring en de evaluatie van het beleid en de praktijk met betrekking tot gehandicapten. Derhalve

blijft zij in dialoog met het Europese gehandicaptenforum (een overkoepelende organisatie die de

Europese gehandicapten-NGO's en de Nationale Gehandicaptenraden vertegenwoordigt) en de

sociale partners (werkgeversorganisaties, vakbonden en werknemersorganisaties, plus daarmee

verbonden organisaties van het maatschappelijk middenveld die zich met de arbeidsmarkt bezig-

houden), om tot een actieve insluiting van personen met een handicap te komen.

In het kader van de mededeling inzake de follow-up van het Europees Jaar van personen met een

handicap in 200348 brengt de Commissie om de twee jaar een verslag uit waarin wordt ingegaan op

de vorderingen bij de uitvoering van de Europese strategie inzake personen met een handicap en de

volgende fase van het actieplan (2006-2007) aan bod komt. Het eerste verslag is in november 2005

ingediend, in het kader van een nieuwe mededeling getiteld "De situatie van de personen met een

handicap in de uitgebreide Europese Unie"49 .. In dat verslag wordt de algemene situatie van

mensen met een handicap in de uitgebreide Europese Unie gepresenteerd. Het geeft een overzicht

van nieuwe ontwikkelingen in de lidstaten en van de positieve resultaten van Richtlijn 2000/78/EG

van de Raad, waarbij het algemeen kader is vastgesteld voor de gelijke behandeling in arbeid en

beroep van onder andere personen met een handicap in alle lidstaten van de Europese Unie.

Het initiatief van de Europese Commissie om 2007 uit te roepen tot het Europees jaar van gelijke

kansen is het voornaamste punt van een raamstrategie om te bewerkstelligen dat discriminatie

"Volgens ramingen van het Population Information Network (het netwerk voor bevolkings-

informatie) van de Verenigde Naties zijn er ongeveer 50 miljoen mensen met een handicap in

Afrika. [...] Slechts 2% daarvan heeft toegang tot een of andere vorm van revalidatie; 90% van de

kinderen met een geestelijke handicap sterven voordat zij 5 jaar oud zijn; en 70% van de

volwassenen met een handicap zijn werkloos en leven in armoede. [...] Hoewel er weinig informatie

is over de prevalentie en incidentie van invaliderende ziektes, zijn veel handicaps [naar men meent]

het gevolg van slechte voeding, overdraagbare ziektes en lage vaccinatie- en immunisatie-

percentages.50" Mensen met een geestelijke handicap kunnen vaak geen stem doen horen en zijn

daarom nog meer kwetsbaar voor de vele, vérstrekkende en onderling verweven gevolgen van

discriminatie, stigmatisering en armoede die mensen met een handicap over de gehele wereld

ondervinden.

Aan een handicap kleeft in Afrika vaak een bepaald stigma, en vaak zullen, "wanneer een persoon

gehandicapt raakt of een gehandicapt kind geboren wordt, het individu en de familie in een nieuwe

wereld terechtkomen, waarvan zij bijna niets weten en waarover allerlei stereotypen de ronde doen.

Zij worden vaak beïnvloed door culturele of religieuze tradities die een handicap als een vloek of

als een blijk van zonde en schande in de familie zien. [...] De manier waarop personen met een

handicap in de media worden voorgesteld, hebben er ook toe bijgedragen deze stereotypen ingang

te doen vinden [...] door een beeld te geven van afhankelijkheid, ongeschiktheid [en] onvermogen.

Er bestaat een rechtstreekse correlatie tussen een handicap en armoede; [...] een handicap

vergroot de kans op armoede, en armoede vergroot de kans op een handicap."51

Volgens schattingen van de Verenigde Naties zijn meer dan een half miljard mensen in de wereld

gehandicapt en is hun leven vaak beperkt door fysieke, technische en sociale belemmeringen die

zowel bijdragen tot als het gevolg zijn van discriminatie jegens deze mensen. De EU is volledig

betrokken bij de onderhandelingen in de Algemene Vergadering over het ontwerp van een VN-

verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. In 2001 heeft de Algemene Vergadering

een ad-hoccomité ingesteld om voorstellen voor een ontwerp van een internationaal verdrag over

deze vraagstukken te behandelen; de EU draagt volledig bij tot dit initiatief. De zesde en de zevende

vergadering van het ad-hoccomité hebben respectievelijk in augustus 2005 en in januari 2006 in

New York plaatsgevonden52.

Kort samengevat streeft de EU ernaar, overeenstemming te bereiken over een verdrag dat borg staat

voor het volledige en gelijkwaardige genot van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden door

alle personen met een handicap. In haar streven daarnaar heeft de EU tevens benadrukt dat

bestaande mensenrechteninstrumenten in hun geheel van toepassing zijn op personen met een

handicap. Dit verdrag moet daarom dienen als een aanvulling op de bestaande mensenrechten-

wetgeving door een specifieke basis te verstrekken die is afgestemd op de situaties waarmee

mensen met een handicap te maken krijgen en die hen in het volledige genot van al hun rechten

stelt. Het moet concrete verbintenissen bevatten en tot het grootst mogelijke aantal bekrachtigingen

leiden. De onderhandelingen over het verdrag moeten in augustus 2006 de laatste fase ingaan.

Het EIDHR en rechten van gehandicapten in Uganda

Mensen met een handicap hebben in Uganda, zoals in de meeste ontwikkelingslanden in de wereld,

te lijden onder extreme armoede; zij hebben beperkte kansen op toegang tot onderwijs, gezond-

heidszorg, geschikte huisvesting en werkgelegenheid, en hebben vaak geen enkele bewegings-

vrijheid ten gevolge van ongeschikte vervoermiddelen en architectonische belemmeringen. In de

meeste gevallen zijn mensen met een handicap zich niet bewust van hun rechten en hun mogelijk-

heden.

"Action on Disability and Development" (actie voor handicap en ontwikkeling, ADD), een inter-

nationale gehandicapten-NGO die door het EIDHR wordt gefinancierd, heeft met organisaties van

gehandicapten (DPO's) samengewerkt om ze in staat te stellen effectieve, zelfstandige, demo-

cratische en representatieve organisaties te worden en ervoor te zorgen dat regering en donoren

beleidsmaatregelen nemen die gehandicapten insluiten, en open staan voor de verzoeken van

gehandicapten en de beweging voor de rechten van gehandicapten in Uganda.

Het tracht dat te doen door:

het opbouwen van sterke verenigingen van gehandicapten;

bewustmaking van gehandicaptenproblemen in het land, bij de regering en de NGO's;

-

het ondersteunen van organisaties die mobiliteitsapparatuur vervaardigen;

4.17. Personen die tot minderheden behoren

De EU heeft zich ertoe verbonden de mensenrechten van alle personen ten volle te eerbiedigen, ook

van degenen die tot minderheden behoren. In het Handvest van de grondrechten van de EU wordt

opgeroepen tot de bescherming van de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid,

terwijl het Verdrag betreffende de Europese Unie het beginsel huldigt van het volledig genot van

rechten en vrijheden zonder discriminatie, inclusief het behoren tot een nationale minderheid, als

bepaald in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (artikel 14). Voorts

kan de Gemeenschap krachtens artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeen-

schap passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van onder andere etnische

afstamming te bestrijden.

De Roma53 behoren tot de etnische minderheden in de EU, en worden beschouwd als een van de

grootste minderheidsgemeenschappen. Talrijke evaluaties van de situatie van de Roma in de lid-

staten illustreren dat leden van deze gemeenschap nog altijd lijden onder uitgesproken discriminatie

en sociale uitsluiting, en te kampen hebben met moeilijkheden om gelijke toegang te krijgen tot

onderwijs, werkgelegenheid, sociale zekerheid, gezondheidszorg, huisvesting, openbare diensten en

justitie. De Roma zijn vaak het voorwerp van meervoudige discriminatie, een feit dat door het

Europees Parlement middels de op 1 juni 2006 aangenomen resolutie over de situatie van de Roma

in de Europese Unie is erkend. In de resolutie werd de overheden verzocht zo spoedig mogelijk de

beschuldigingen van ernstige schendingen van de mensenrechten van Roma-vrouwen te onder-

In zijn advies over de resolutie van het Europees Parlement betreffende de bescherming van de

minderheden en maatregelen ter bestrijding van discriminatie in een uitgebreid Europa 54

(mei 2006), heeft het Comité van de Regio's erop gewezen dat een betere interinstitutionele samen-

werking tussen de EU-instellingen, de Raad van Europa, de Verenigde Naties en de OVSE, van

belang is voor de daadwerkelijke bescherming van minderheden. Tevens is in het advies de rol van

niet-gouvernementele organisaties en nationale, internationale en Europese verenigingen van

regionale en lokale overheden in dit proces benadrukt.

In zijn verslag55 van 2005 over de vooruitgang bij het voorkomen van schendingen van de

fundamentele rechten in de EU, heeft het EU-netwerk van onafhankelijke deskundigen inzake

fundamentele rechten56 zich bijzonder bezorgd getoond ten aanzien van de integratie van kinderen

van minderheden in het onderwijs, en met name de wijdverspreide segregatie van Roma-kinderen in

scholen. De resultaten van het rapport zijn bevestigd door de bevindingen van het EUMC57 en door

de Commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa 58. Ofschoon op hoofdlijnen

uit het rapport van het netwerk bleek dat er in de Unie grote inspanningen worden geleverd (in

Oostenrijk bijvoorbeeld, zorgt de effectieve toepassing van de betrokken nationale wetten ervoor

dat onderwijsstructuren voor minderheidstalen in Burgenland openstaan voor eentalige

Duitstaligen), is in sommige lidstaten een aanzienlijke uitbreiding van de voorzieningen

noodzakelijk.

"Diepgewortelde discriminatie van etnische, culturele en taalkundige minderheden leidt ertoe dat zij in vele

delen van de wereld de armste van de armen blijven, op de koop toe geen toegang tot het gerecht krijgen en

verstoken blijven van ontwikkelingsmogelijkheden waarmee zij hun discriminatie kunnen aanpakken en de

langdurige cyclus van armoede kunnen doorbreken [...]. Onderwijs [...] is van cruciaal belang voor de

levenskansen van minderheidsgemeenschappen [en] het is nagenoeg onmogelijk om na te gaan of een gebrek

aan onderwijs nu het gevolg is van armoede dan wel of armoede het gevolg is van een gebrek aan onderwijs.

In de praktijk raken minderheidsgemeenschappen verstrikt in een vicieuze cirkel en wordt hun de toegang

ontzegd tot de verwerving van vaardigheden die ze nodig hebben om op eigen kracht aan de armoede te

ontsnappen. Omgekeerd vertalen de voordelen van kwaliteitsonderwijs zich niet alleen in betere resultaten

op het gebied van analfabetisme, maar leiden zij ook tot betere kansen en verhogen zij de toegang tot

economische en sociale rechtvaardigheid 59. Gescheiden onderwijs voor de Roma kan beschouwd worden als

het resultaat van een samenspel van factoren, waaronder een diepgeworteld racisme ten aanzien van de

Roma, onverschilligheid van onderwijssystemen voor de culturele verscheidenheid, een gebrek aan een

effectief gelijkekansenbeleid of bescherming tegen discriminatie en het aandringen op segregatie door niet-

Roma.

Tijdens deze verslagperiode waren er twee noemenswaardige ontwikkelingen op Europees niveauIn

de eerst plaats is er een deskundigengroep opgericht ter bevordering van de sociale integratie van

ethische minderheden in de EU60, die in februari 2006 voor het eerst is samengekomen. De groep

moet vóór eind 2007 een verslag indienen met beleidsaanbevelingen over de wijze waarop de EU

de problemen van kansarme minderheden 61 op het gebied van sociale uitsluiting en uitsluiting van

de arbeidsmarkt kan aanpakken. Ten tweede heeft de Commissie, zoals reeds eerder vermeld, 2007

aangewezen als Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen62. In de kaderstrategie van het

Europees Jaar komt ook aan bod wat de EU kan doen om, naast de wettelijke bescherming van het

recht op gelijke behandeling, discriminatie aan te pakken en gelijkheid te bevorderenBeide ontwik-

kelingen scheppen voor de EU meer ruimte om haar inzicht in minderheidsproblemen verder te

verdiepen en ervoor te zorgen dat die deel uitmaken van haar beleid.

Het doel van de EU om de zone van welvaart, stabiliteit en veiligheid te verbreden, komt tot uiting

in het uitbreidingsproces van de EU zelf. De door de Europese Raad van Kopenhagen in 1993

vastgelegde criteria voor landen die lid wensen te worden van de EU, luiden als volgt:

"Het lidmaatschap vereist dat het kandidaatland zover is gekomen dat het beschikt over stabiele

instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de

bescherming van minderheden garanderen."

In 2005 en in de eerste helft van 2006 bleef er, in de context van het uitbreidingsproces van de EU

en met betrekking tot het Stabilisatie- en Associatieproces met de landen van de Westelijke Balkan,

bijzondere aandacht voor personen die tot minderheden behoren63 . De belangrijkste vooruitgang

was de toetreding van Montenegro tot het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale

minderheden van de Raad van Europa64 .

In dat verband werden de prestaties van de toetredende staten en de kandidaat-lidstaten (Bulgarije,

Roemenië, Turkije, Kroatië en de FYROM) verder beoordeeld in verslagen die door de Europese

Commissie aan het EP en de Raad werden voorgelegd, waarbij de Roma-gemeenschappen als de

meest kwetsbare worden aangemerkt. Deze verslagen, die tot doel hebben de vorderingen van de

kandidaat-lidstaten in de richting van toetreding te meten, bevatten tevens precieze aanbevelingen

aan de kandidaat-lidstaten om hun praktijken te verbeteren. De huidige en toekomstige financiële

pretoetredingsinstrumenten voorzien in EU-middelen ter bevordering van niet-discriminatie en

gelijke kansen in landen die zich op het lidmaatschap van de EU voorbereiden.

EIDHR: Bescherming van de rechten van personen die tot minderheden behoren en het

verbod op discriminatie in Turkije

Op dit ogenblik voert de Minority Rights Group International (MRG)65 een driejarig project uit, dat

gericht is op de bescherming van alle godsdienstige, etnische en taalkundige minderheden in

Turkije. Het project, waarin wordt samengewerkt met drie plaatselijke partners, bestaat hoofd-

zakelijk uit vier delen:

· een algemeen landenverslag dat in het voorjaar van 2007 gepubliceerd moet worden in het

Turks, het Engels en in een minderheidstaal, en dat de basis moet zijn voor toekomstige

werkzaamheden op dit gebied;

· onderzoek naar discriminatie van minderheden in het onderwijs en opstelling van richt-

snoeren voor de bescherming van hun rechten ter zake;

· onderzoek naar discriminatie en op nationaal niveau oplossingen aanreiken, waaronder het

opstellen van anti-discriminatiewetgeving en vijf geschillen van strategisch belang voor de

nationale rechter brengen;

· onderzoek naar problemen betreffende het recht op terugkeer en het eigendomsrecht van in

eigen land ontheemde personen.

In het kader van dit project is in juni 2006 in Sarajevo een rondetafelgesprek gehouden om de

ervaringen van ontheemden in Bosnië en Herzegovina te bestuderen. Het doel was lessen te trekken

Buiten de grenzen van de EU, in derde landen, blijft de bevordering en de bescherming van de

rechten van personen die deel uitmaken van etnische en godsdienstige minderheden een belangrijk

kenmerk van de externe betrekkingen. In het kader van de mensenrechtendialoog die de EU met

verschillende derde landen voert, zijn de rechten van personen die tot minderheden behoren op de

agenda blijven staan. In Albanië, Bosnië en Herzegovina, Georgië, India, Israël, Kazachstan en

Turkije, heeft het EIDHR een aantal projecten gefinancierd die zijn toegesneden op de bevordering

van de rechten van personen die tot minderheden behoren.

De onafhankelijke deskundige inzake minderheidsrechten van de VN66, heeft overeenkomstig haar

mandaat op 6 januari 2006 haar eerste jaarverslag67 ingediend, waarin uitvoerig wordt ingegaan op

haar werkzaamheden, werkmethoden, knelpunten en prioriteiten voor het tweejarig mandaat. In het

verslag wijst zij op de gevolgen van rechten voor personen die tot minderheden behoren op het

gebied van armoedebestrijding en de bevordering van politieke en sociale stabiliteit, en op de

behoefte aan een beter inzicht en meer erkenning van die rechten in dat verband. In haar conclusies

herhaalde zij het beginsel dat opgenomen is als commentaar bij de verklaring over de rechten van

minderheden68, met name dat staten niet alleen ten aanzien van tolerantie positieve verplichtingen

hebben:

"de staat en de brede samenleving moeten ook een positieve houding aannemen ten aanzien

van cultureel pluralisme. Zulks vereist niet alleen tolerantie, maar ook respect voor de

onderscheidende kenmerken en voor hetgeen minderheden bijdragen tot een nationale

De onafhankelijke deskundige is de enige schakel in de speciale VN-procedure die een holistische

kijk heeft op de positieve waarde van de integratie van minderheden. Tegen die achtergrond is haar

werk een waardevolle informatiebron voor de aanpak van de EU op het gebied van minderheden-

kwesties in verband met derde landen. De EU blijft ook met belangstelling de VN-Groep Minder-

heden volgen en steunen, en is actief betrokken bij de werkzaamheden van internationale organi-

saties die zich met minderhedenvraagstukken bezighouden, zoals de OVSE en haar Bureau van de

Hoge Commissaris voor nationale minderheden.

Over het algemeen blijft het een echte uitdaging om de rechten van personen die deel uitmaken van

nationale, etnische, godsdienstige, culturele of taalkundige minderheid, binnen en buiten de EU te

beschermen. De EU is zich ervan bewust, zeker door de ervaring in haar lidstaten, dat er geen

gemakkelijke antwoorden of eenvoudige oplossingen bestaan. De voornaamste problemen van

nationale minderheden zijn onder meer participatie, taal en onderwijs. Mensen die tot een

minderheid behoren, moeten daadwerkelijk door middel van positieve maatregelen gelijke kansen

krijgen om hun rechten te kunnen genieten en volledig deel te nemen aan alle aspecten van het

leven.

4.18. Inheemse bevolkingsgroepen

De beginselen die ten grondslag liggen aan het engagement van de EU voor inheemse bevolkings-

groepen, zijn vervat in de resolutie van de Raad van 30 november 1998 69 waarin het vraagstuk in

De EU baseert haar eigen acties op participatie en raadpleging, en erkent het belang dat inheemse

bevolkingsgroepen aan hun zelfontwikkeling en hun eigen sociale, economische en culturele

identiteit hechten. De Raad stelde in zijn conclusies van 18 november 200270 een aantal maat-

regelen voor om vaart te zetten achter de uitvoering van de beginselen van 199871 . Die hadden

onder meer betrekking op de integratie van vraagstukken betreffende autochtone bevolkingsgroepen

in het beleid, de praktijken en de werkmethoden van de EU, de aanwijzing van knooppunten in de

Commissie en in de lidstaten, de opleiding van functionarissen van de Commissie bij de hoofdzetel

en in de delegaties, en de ontwikkeling van een langetermijndialoog met inheemse bevolkings-

groepen.

Het EIDHR financiert programma's ter bevordering van de rechten van autochtone bevolkings-

groepen. In 2005 werd in dit verband een eerste algemene oproep gedaan tot het indienen van voor-

stellen voor projecten ter ondersteuning van de betrokkenheid van autochtone bevolkingsgroepen

bij mechanismen van de VN en andere internationale instanties. In het kader van die algemene

oproep werden in totaal 14 projecten geselecteerd en in het kader van lokale oproepen door de

delegaties van de EC werden een aantal kleinere projecten gefinancierd. De selectie van projecten

die in aanmerking komen voor steun van het EIDHR (zie hoofdstuk 3.7) is momenteel aan de gang.

In het kader van de voorbereidende werkzaamheden voor nationale en regionale strategie-

documenten voor de periode 20072013 is er bijzondere aandacht besteed aan de integratie van

aandachtspunten van autochtone bevolkingsgroepen, onder andere door de opstelling van een-

voudige richtsnoeren voor landenfunctionarissen en delegaties. De Commissie heeft haar specifieke

Naast de bijdrage van de EU-lidstaten aan VN-programma's voor autochtone bevolkingsgroepen,

heeft het EIDHR actief steun verleend aan de volgende activiteiten in verband met internationale en

regionale processen die voor die bevolkingsgroepen van belang zijn:

· een project in samenwerking met het OHCHR ter ondersteuning van de uitvoering van de

aanbevelingen betreffende Mexico en Guatemala die zijn gedaan door de speciale rapporteur

voor de mensenrechten en fundamentele vrijheden van inheemse bevolkingsgroepen in de

wereld;

· een project in samenwerking met de IAO voor i) het documenteren en uitwisselen van beste

praktijken bij de toepassing van de rechten van autochtone bevolkingsgroepen,

  • ii) 
    ondersteuning van de werkzaamheden van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van

mensen en volken bij het documenteren van bestaande wettelijke bepalingen inzake

vraagstukken over autochtone bevolkingsgroepen en iii) ondersteuning van de dialoog en

oplossing van conflicten in Nepal (zie kader), India en Bangladesh;

· een project met de NGO DOCIP om de participatie van de vertegenwoordigers van autoch-

tone bevolkingsgroepen in de betrokken VN-fora te ondersteunen.

De EU bleef deelnemen aan internationale fora in verband met autochtone bevolkingsgroepen. De

Raad voor de mensenrechten heeft tijdens zijn eerste zitting de "Verklaring inzake de rechten van

inheemse volkeren aangenomen"; die aanneming is door de EU ondersteund en de EU heeft toege-

zegd zich ook te zullen inzetten voor de definitieve goedkeuring door de Algemene Vergadering

eind 2006.

Steun aan het vredesproces in Nepal door de EIDHR

Via een gerichte projectsubsidie aan de IAO ten behoeve van de capaciteitsopbouw voor

de dialoog, draagt de EIDHR bij aan het vredesproces in Nepal.

Het ernstige, aanhoudende gewapende conflict in Nepal is deels veroorzaakt door de

marginalisering van grote delen van de bevolking, waarvan ongeveer 38% tot autochtone

bevolkingsgroepen behoort. Dit project zal voortbouwen op de consensus die tussen alle

belanghebbenden bestaat over het feit dat sociale uitsluiting, ook die waarvan inheemse

nationaliteiten het slachtoffer zijn, moet aangepakt worden om tot een duurzame, perma-

nente vrede te komen. De bepalingen van IAO-Verdrag nr. 169 betreffende inheemse en

in stamverband levende volken in onafhankelijke landen, voorziet in dat verband in een

alomvattend ontwikkelingskader waarbinnen de behoeften van deze volken kunnen

worden gelenigd. Voorts dient elke vredesregeling te voorzien in afzonderlijke onder-

handelingen betreffende identiteit en rechten van inheemse bevolkingsgroepen op onder

meer de volgende door Verdrag nr. 169 bestreken gebieden: onderwijs, taal, gender,

cultuur, traditionele kennis en landrechten.

Door de steun van de EIDHR zal de IAO in Nepal een belangrijke rol kunnen spelen. De

kern van het project is de versterking van de capaciteit voor dialoog en de bevordering

van de ratificatie van Verdrag nr. 169 en andere desbetreffende IAO-Verdragen. Het

project zal ook de hoofdlijnen van "de agenda inzake fatsoenlijk werk" voor inheemse en

in stamverband levende bevolkingsgroepen in Nepal in de verf zetten. De verdere

4.19. Analyse van de doeltreffendheid van het EU-optreden in thematische vraagstukken

Het optreden van de EU is bijzonder doeltreffend bij thematische vraagstukken ten aanzien waarvan

zij een grote staat van dienst lijkt te hebben wat betreft het bevorderen en beschermen van

specifieke mensenrechten. Een goed voorbeeld daarvan is het feit dat alle EU-lidstaten de doodstraf

voor alle strafbare feiten hebben afgeschaft, waardoor de EU ter zake een gezaghebbende stem

heeft. Wanneer de EU mensenrechtenvraagstukken binnen haar eigen grenzen aanpakt, bijvoorbeeld

racisme en andere vormen van onverdraagzaamheid, kan zij deze kwestie doeltreffend op inter-

nationaal gebied ter sprake brengen en ideeën over beste praktijken delen. Wanneer er daarentegen

internationaal kritiek wordt geuit op de eigen reputatie inzake mensenrechten van de EU, wordt het

voor de EU moeilijker om de boodschap aan derde landen over te brengen .

Er is dus een duidelijk verband tussen de acties die de EU binnen en buiten haar grenzen

ontplooit. Dit jaar waren bijvoorbeeld vraagstukken in verband met terrorismebestrijding aan de

orde en is het probleem van de CIA-vluchten in Europa besproken. De gebeurtenissen naar aan-

leiding van de publicatie van de cartoons in een Deense krant onderstrepen dat er behoefte is aan

interculturele dialoog, op basis van universele normen en met deelname van de civiele samenleving.

Steeds vaker brengen derde landen in het kader van de dialoog of tijdens andere contacten mensen-

rechtenvraagstukken in de EU ter sprake. Naast het aankaarten van die vraagstukken in andere

landen, moet de EU natuurlijk bereid zijn te praten over de mensenrechtenvraagstukken op haar

Tijdens het door dit verslag bestreken jaar heeft de EU haar eigen beleid geëvalueerd, bijvoor-

beeld op het gebied van de verdedigers van de mensenrechten. In dit verband is met tevredenheid

geconstateerd dat de richtsnoeren betreffende mensenrechtenverdedigers geholpen hebben bij het

coördineren van een gemeenschappelijke en meer aaneengesloten aanpak van de EU in vele landen.

Er is nog steeds behoefte aan bewustmaking in verband met de richtsnoeren. De proactieve maat-

regelen zoals de van juli tot en met december 2005 gehouden campagne voor de vrijheid van

meningsuiting, het EU-NGO-forum van december 2005 dat toegespitst was op de vrijheid van

meningsuiting en mensenrechtenverdedigers, en de lopende campagne betreffende vrouwelijke

mensenrechtenverdedigers, hebben ongetwijfeld de toepassing van de richtsnoeren vooruitgeholpen

en het bewustzijn ervan bij EU-missies, beleidsmakers in de hoofdsteden en in Brussel en bij de

mensenrechtenverdedigers zelf verhoogd.

De Raad heeft in zijn conclusies van 12 december 2005 bijvoorbeeld ook zijn tevredenheid geuit

over de vorderingen bij het toepassen van de richtsnoeren inzake kinderen en gewapende conflicten.

Tegelijkertijd heeft hij geconstateerd dat deze kwestie nog verder in de EU-regelingen moeten

worden geïntegreerd, onder meer bij crisisbeheer, alsook dat de samenwerking met de VN-

instanties bij de verdere uitwerking van Resolutie 1612 van de VN-Veiligheidsraad moet worden

versterkt. De uitvoering van de richtsnoeren vergt voorts een grondige verslaglegging over op het

terrein genomen maatregelen, en alle betrokkenen moeten hieraan bijzondere aandacht besteden.

Acht resoluties die door de deskundigen van de Derde Commissie werden besproken, werden

rechtstreeks in de Algemene Vergadering behandeld.

Net zoals in het verleden heeft de EU in de werkzaamheden van de Commissie een leidinggevende

rol gespeeld. Het EU-voorzitterschap heeft in de Derde Commissie in totaal 27 verklaringen, stem-

verklaringen, en standpuntverklaringen afgelegd; de EU in haar geheel heeft 19 resoluties inge-

diend, initiatieven van individuele lidstaten inbegrepen, hetgeen een derde van de aangenomen

resoluties vertegenwoordigt. Zes van die voorstellen zijn in stemming gebracht.

Ondanks de verslechterde sfeer en het toegenomen aantal moties om geen acties te ondernemen,

heeft de EU een aantal noemenswaardige successen geboekt op het gebied van de landenresoluties.

De EU heeft zes landenspecifieke resoluties ingediend, waarvan er vijf zijn aangenomen

(Myanmar, de DRC, de DVK, Oezbekistan en Turkmenistan). De resolutie betreffende

Turkmenistan werd samen met de VS ingediend, en die over de DVK samen met Japan. De Derde

Commissie kwam bijeen tegen de achtergrond van de onderhandelingen over de instellingen van de

Raad voor de mensenrechten, waar de vraag hoe met de landensituaties moet worden omgegaan, het

grootste twistpunt was. Dat beïnvloedde de Derde Commissie, waar de in 2004 begonnen trend om

bij landenresoluties moties in te dienen om geen actie te ondernemen, uitgebreid werd tot alle

initiatieven van de EU, op één na (de DRC). De motie om geen actie te ondernemen betreffende

Sudan heeft de EU helaas net niet kunnen tegenhouden. Maar voor Birma/Myanmar, de DVK,

Oezbekistan en Turkmenistan werden de moties om geen actie te ondernemen weggestemd en

In de resolutie betreffende Birma/Myanmar werd de ernstige bezorgdheid geuit over onder meer

het feit dat mensenrechtenverdedigers voortdurend worden belemmerend in hun vrijheid om hun

werkzaamheden te verrichten. De regering van Myanmar wordt in de resolutie met klem opge-

roepen om een eind te maken aan de systematische schending van de mensenrechten, degenen die

zich schuldig gemaakt hebben aan mensenrechtenschendingen voor de rechter te brengen, en het

lidmaatschap van alle internationale instrumenten op het gebied van mensenrechten tot topprioriteit

te maken. De functionarissen van Myanmar worden krachtig aangespoord om de rekrutering van

kindsoldaten te beëindigen, hun demobilisatie op te voeren, nauw contact te onderhouden met

UNICEF, de verkrachtingen en seksueel geweld op grote schaal door strijdkrachten een halt toe te

roepen, en de stelselmatige gedwongen verplaatsingen die tot vluchtelingenstromen naar de buur-

landen hebben geleid, stop te zetten. Voorts worden in de resolutie de functionarissen van Myanmar

aangespoord alle politieke gevangen vrij te laten en volledig met de speciale gezant en de speciale

rapporteur mee te werken om het land onder civiel bestuur te brengen. De resolutie werd zonder

stemming aangenomen.

De resolutie betreffende de mensenrechtensituatie in Oezbekistan was voor de Algemene

Vergadering een nieuwe resolutie. In de tekst wordt uiting gegeven aan de diepe bezorgdheid over

berichten aangaande ernstige mensenrechtenschendingen in Oezbekistan, met name het oneven-

redige en buitensporige geweld dat de regering van Oezbekistan heeft gebruikt om de betogingen in

Andizjan in mei 2005 te onderdrukken, waarbij vele burgerslachtoffers zijn gevallen; over de druk

die wordt uitgeoefend om te verhinderen dat Oezbeekse vluchtelingen naar derde landen reizen;

In 2005 is door de VS en de EU de resolutie betreffende Turkmenistan ingediend; de tekst is

oorspronkelijk opgesteld door de VS en naar aanleiding van opmerkingen van de EU en andere

partners gewijzigd. De resolutie werd aangenomen met 70 stemmen voor, 38 tegen en

58 onthoudingen. Veertig landen hebben zich bij de resolutie aangesloten, die ook steun kreeg van

vele Latijns-Amerikaanse landen. De OIC had als groep een gezamenlijk standpunt ingenomen om

de motie van wantrouwen te steunen en vervolgens tegen de tekst te stemmen, maar net zoals voor-

gaande jaren hebben sommige delegaties zich onthouden (Tunesië, Algerije) of waren bij de

stemming afwezig (TR). De Russische Federatie heeft zich ook tijdens de stemming over de

resolutie zelf onthouden. Ook vele leden van de Afrikaanse groep, die geen gemeenschappelijk

standpunt hadden, hebben zich onthouden. In de resolutie werd de ernstige bezorgdheid over de

mensenrechtenschendingen geuit, met name over de repressie van politieke oppositiepartijen,

willekeurige arrestaties, opsluitingen en bewaking, de slechte omstandigheden in de gevangenissen

en de ondermaatse geloofwaardigheid van de verslagen over marteling en mishandeling van

gevangenen, de regering die de media volledig in haar greep houdt en de aanhoudende beperkingen

van de uitoefening van het recht op vrijheid van denken, gewetensvrijheid, en de vrijheid van gods-

dienst of geloof.

De DRC zelf heeft tijdens de gehele behandeling van de resolutie over de DRC een constructieve

rol gespeeld en zelf voor de tekst gestemd. In deze resolutie veroordeelt de AV de schending van de

mensenrechten en van het internationaal humanitair recht. Alle partijen worden erin opgeroepen de

vijandelijkheden te staken, en de Overgangsregering van nationale eenheid wordt aangespoord vrije

De traditionele resolutie van de Mensenrechtencommissie over de situatie in de DVK werd voor het

eerst in de AV besproken en kreeg veel aandacht van de pers. In de resolutie geeft de AV uiting aan

haar ernstige bezorgdheid over een lange lijst van mensenrechtenschendingen in de DVK en over de

weigering van de regering om samen te werken van de speciale rapporteur van de Mensenrechten-

commissie. De AV uitte haar diepe bezorgdheid over de zware sancties voor gerepatrieerde burgers,

de ontvoering van buitenlanders, de beperkingen van de vrijheid van godsdienst, meningsuiting en

vereniging, en de vrouwenhandel. De resolutie werd ingediend door het VK, namens de EU en

Japan, en kreeg de steun van meer dan 40 landen. De resolutie werd aangenomen met 84 stemmen

voor, 22 tegen en 62 onthoudingen.

Wat de thematische initiatieven betreft, werd de EU-resolutie betreffende religieuze onverdraag-

zaamheid na lange onderhandelingen bij consensus aangenomen, met een nieuwe, welkome

passage over het recht om van godsdienst of overtuiging te veranderen. Wat de rechten van het

kind betreft, was, net zoals in 2004, de GRULAC (groep van Latijns-Amerikaanse en Caribische

landen) verdeeld over lijfstraffen op school, en weigerde CARICOM (Caribische Gemeenschap) in

blok om zich bij de belangrijkste indieners aan te sluiten. De definitieve tekst, met een sterke,

gerichte passage over kinderen met HIV/AIDS, was voor de EU aanvaardbaar en werd na een groot

aantal stemmingen aangenomen. Het ontwerp werd aangenomen met 173 stemmen voor, 1 tegen

(VS) en 1 onthouding (Nauru). Bij de resolutie sloten zich meer dan 100 landen aan. Naast haar

eigen initiatief betreffende kinderrechten, was de EU25 ook mede-indiener van de door Namibië

ingediende resolutie over jonge meisjes.

Ook de nationale initiatieven van de EU-lidstaten - marteling (DK), internationale convenanten

(SE), minderheden en rechtsbedeling (AT) - werden aangenomen. Er werd ook winst geboekt bij

niet-EU-teksten, waar de vastberaden inzet van de EU voor de meest problematische onderdelen

van sommige resoluties betreffende derde landen een bescheiden resultaat opleverde, maar

misschien mogelijkheden schept voor verdere dialoog en verbeteringen in de toekomst.

5.2. Oprichting van de Raad voor de mensenrechten, hervorming van de VN

Tijdens de VN-top in september 2005 kwamen de staatshoofden en regeringsleiders overeen om een

Raad voor de mensenrechten op te richten ter vervanging van de Commissie voor de rechten van de

mens. De details over de werking van deze Raad, de taken, de ambten en de werkmethode dienden

zo spoedig mogelijk tijdens de 60e zitting van de Algemene Vergadering te worden uitgewerkt.

Voortbouwend op het einddocument van de VN-top is onder leiding van de voorzitter van de AV,

de heer Jan Eliasson, bijgestaan door twee covoorzitters (Panama en Zuid-Afrika) onmiddellijk

overleg gestart over de nadere uitwerking van Raad voor de mensenrechten. Het doel was om vóór

eind 2005 de onderhandelingen af te ronden en de Raad voor de mensenrechten op te richten.

Ondanks de vele inspanningen van de covoorzitters, waaronder vier open overlegsessies, en

aanzienlijk lobbywerk van de EU en gelijkgestemde staten, bleven de delegaties het grondig oneens

over de Raad voor de mensenrechten en was een akkoord vóór Kerstmis niet mogelijk.

Het overleg werd in januari 2006 in New York hervat en duurde tot maart. Uiteindelijk is op

15 maart Resolutie 60/251 van de AV betreffende de oprichting van een Raad voor de mensen-

rechten na een stemming aangenomen. Het stemresultaat, 170 voor, 4 tegen en 3 onthoudingen, was

een duidelijk signaal en een sterke impuls voor het lopende hervormingsproces. Er was ruime over-

eenstemming tussen de delegaties over het feit dat de oprichting van de Raad voor de mensen-

rechten een essentieel onderdeel van de verdere uitbouw van het mensenrechtenbestel van de VN is,

en een belangrijke stap in de hervorming van de VN. De VS stemde tegen de resolutie, maar

verbond zich ertoe om constructief met de Raad te zullen samenwerken. In hun stemverklaring bij

de aanneming van de Resolutie van de AV betreffende de oprichting van de Raad voor de mensen-

rechten, lichtten de VS toe dat zij tegen de resolutie hebben gestemd omdat er geen doeltreffend

mechanisme is om landen met een dubieuze mensenrechtensituatie te verhinderen in de Raad te

zetelen.

De EU heeft in alle fasen zeer actief aan de onderhandelingen deelgenomen. Vanaf het begin heeft

de EU gestreefd naar een Raad die beschikt over de status, het mandaat, de structuren en de leden

die nodig zijn om de mensenrechten de in het VN-Handvest voorziene hoofdrol te kunnen geven.

De EU heeft voorstellen gesteund die de nieuwe Raad echt beter maken dan de bestaande

Commissie voor de rechten van de mens. De EU heeft er in het bijzonder voor geijverd dat de

nieuwe Raad een permanent orgaan wordt dat mensenrechtenproblemen en mensenrechtensituaties

kan aanpakken op het moment dat zij zich voordoen, met echte flexibiliteit in zijn werkzaamheden

en met de nadruk op dialoog, samenwerking en bijstand wanneer hij tekortkomingen op het vlak

De EU heeft tijdens het gehele proces zowel in de hoofdsteden als in New York lobbywerk verricht

en openingen gecreëerd om de steun voor een sterke Raad op te bouwen. Dit bleek uiteindelijk

succes op te leveren, aangezien de door de voorzitter van de Algemene Vergadering voorgelegde

definitieve compromistekst door een grote meerderheid werd gesteund. De lidstaten van de

Europese Unie verbonden zich ertoe om bij de stemming voor een plaats in de Raad voor de

mensenrechten geen landen te steunen waaraan om aan mensenrechten gerelateerde redenen door de

Veiligheidsraad sancties zijn opgelegd.

Niet alle betrachtingen van de EU zijn terug te vinden in de definitieve tekst van de resolutie. Maar

het staat vast dat de nieuw opgerichte Raad een verbetering is ten opzichte van de Commissie voor

de mensenrechten. De resolutie bevat diverse elementen die ertoe zullen bijdragen het VN-mensen-

rechtenbestel geloofwaardiger en doeltreffender te maken: een hogere institutionele status als

nevenorgaan van de Algemene Vergadering dat binnen vijf jaar zal worden geëvalueerd, meer

gewone vergaderingen per jaar, lidmaatschap van de VN slechts door rechtstreekse verkiezing van

de leden met absolute meerderheid van de stemmen, het vereiste dat de leden van de Raad de

hoogste normen dienen te handhaven bij de bevordering en bescherming van de mensenrechten en

volledig met de Raad moeten samenwerken, en schorsing van de leden van de Raad in geval van

ernstige en systematische schending van de mensenrechten. Middels de nieuwe universele

periodieke evaluatie zullen alle staten worden gecontroleerd en eraan worden herinnerd dat de

bescherming van de mensenrechten hun primaire verantwoordelijkheid is. De deelname van NGO's

en het stelsel van de speciale procedures blijven een cruciaal element voor een efficiënte en doel-

Zoals in de resolutie van de AV was bepaald, zijn op 9 mei de eerste 47 leden van de Raad

verkozen. Alle kandidaten hadden, zoals voorgeschreven in Resolutie 60/251, vrijwillige verbin-

tenissen en toezeggingen voorgelegd, die als officiële documenten van de VN zijn bekendgemaakt.

Voor de EU is een verbetering van de kwestie van het lidmaatschap van de Raad voor de mensen-

rechten een belangrijke prioriteit. Daarom heeft de EU een gemeenschappelijke aanpak vastgesteld

voor de begeleiding van individuele staten in de verkiezingen. De EU-lidstaten hebben daartoe

afgesproken om geen kandidaten te steunen die verantwoordelijk zijn voor ernstige en systema-

tische schendingen van de mensenrechten, in het bijzonder kandidaten waarop om aan mensen-

rechten gerelateerde redenen sancties van de VN-Veiligheidsraad van toepassing zijn en kandidaten

waarvan de regeringen om dezelfde redenen aan beperkende EU-maatregelen onderworpen zijn.

Met de oprichting van de Raad voor de mensenrechten werd ook het tijdperk van de Commissie

voor de mensenrechten afgesloten. De laatste en louter formele bijeenkomst van de Commissie

vond plaats op 27 maart en duurde maar een halve dag.

Tijdens die laatste bijeenkomst heeft de Commissie alle bestaande mandaten, mechanismen, taken

en verantwoordelijkheden overgedragen aan de Raad voor de mensenrechten, overeenkomstig

punt 6 van Resolutie 60/251van de AV van 15 maart 2006 betreffende de werkzaamheden. Voorts

werden de rapporten van de Commissie overdragen aan de Raad voor de mensenrechten, zodat die

tijdens de eerste zitting in juni 2006 konden worden behandeld. De EU legde tijdens de laatste

bijeenkomst van de Commissie geen verklaring af, omdat alleen de vijf regionale groepen het

De openingszitting van de Raad voor de mensenrechten vond plaats van 19 tot 30 juni in

Genève. Tijdens de openingsceremonie van deze nieuwe instelling waren er toespraken van de

voorzitter van de AVVN, de heer Jan Eliasson, de nieuw verkozen voorzitter van de Raad voor de

mensenrechten, de heer Luis Alfonso de Alba, de SGVN, de heer Kofi Annan, de HCHR, mevrouw

Louise Arbour en Nobelprijswinnares Wangari Maathai, en vervolgens was er een bijeenkomst op

hoog niveau waaraan 85 hoogwaardigheidsbekleders hebben deelgenomen. In het algemeen heerste

er een positieve, hoopvolle sfeer; de hoogwaardigheidsbekleders koesteren hoge verwachtingen en

stelden al hun vertrouwen in de nieuwe Raad, maar benadrukten dat er behoefte is aan concrete

resultaten en follow-up. De EU was vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken

van Oostenrijk, mevrouw Ursula Plassnik.

Bij het leggen van de basis voor toekomstige werkzaamheden heeft de Raad in zijn eerste in juni

2006 gehouden zitting een aantal positieve en ook minder positieve resultaten geboekt. Onder

aanzienlijke tijdsdruk en met nog vele onopgeloste vraagstukken, heeft de voorzitter, de heer

De Alba, met de hulp van de vice-voorzitter, een consensus tussen delegaties kunnen bewerk-

stelligen over alle resterende procedurele besluiten.

De EU heeft in de eerste bijeenkomst een belangrijke rol gespeeld en heeft in totaal 12 verklaringen

en twee stemverklaringen afgelegd. De meeste prioritaire vraagstukken die de EU tijdens de eerste

bijeenkomst wilde behandelen, werden met vrucht besproken: de aanneming van twee normatieve

teksten (Overeenkomst inzake de bescherming tegen gedwongen verdwijning en de Verklaring

De interactieve dialoog met de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten was een belangrijk

precedent omdat het een mogelijkheid was voor een open en constructief debat over elk mensen-

rechtenvraagstuk of elke mensenrechtensituatie. In haar verklaring heeft de EU de situatie in

verschillende landen belicht, zoals Nepal, Sudan, de bezette Palestijnse gebieden en

Birma/Myanmar. Er werd ook een consensus bereikt over vijf prioritaire thema's die de Raad tijdens

de tweede week onder de thematische vraagstukken zal bespreken. De EU is erin geslaagd ook de

situatie in Darfur en het vraagstuk van de mensenrechtenverdedigers als prioriteit op te nemen. De

overige thema's die in het constructieve debat aan bod kwamen, betroffen de situatie in de bezette

Palestijnse gebieden (OPT), religieuze onverdraagzaamheid en migratie. De deelneming van NGO's

werd tijdens het hele onderhandelingtraject gewaarborgd. De actieve betrokkenheid van NGO's en

de interactieve dialoog met de HCHR, kunnen beschouwd worden als een kleine doch aanzienlijke

verbetering van hun toekomstige rol in de Raad voor de mensenrechten, waarop voor alle toekom-

stige interactieve dialogen moet worden voortgebouwd.

Ondanks die positieve aspecten werden de laatste dagen van de bijeenkomt overschaduwd door de

verslechterende situatie in Palestina, waardoor overeenstemming over een consensuele verklaring

van de Raad over de vijf genoemde vraagstukken onmogelijk werd en ertoe geleid heeft dat de OIC

twee omstreden besluiten betreffende de bezette Palestijnse gebieden en religieuze smaad heeft

ingediend. De EU heeft duidelijk laten blijken dat zij bereid is over beide teksten te praten, maar

heeft er uitdrukkelijk voor gewaarschuwd geen specifieke situaties en vraagstukken op een

onevenwichtige manier uit het debat te lichten, en kon daarom de teksten niet steunen. De onder-

handelingen en de stemming over deze teksten toonden tevens aan dat het gevaar bestaat te

Op de laatste dag van de bijeenkomst van de Raad, waren de gebeurtenissen in het Midden-Oosten

aanleiding voor een verzoek van de Arabische groep om een bijzondere zitting te houden over de

bezette Palestijnse gebieden72; die zitting werd later op 5 en 6 juli gehouden. Ofschoon het debat in

de plenaire zitting in een constructieve sfeer verliep, werd in de definitieve ontwerp-resolutie van de

OIC de toestand opnieuw op een onevenwichtige manier voorgesteld en was de tekst derhalve voor

de EU onaanvaardbaar. Ondanks het feit dat de EU tegenstemde, is de tekst met een duidelijke

meerderheid aangenomen. Bij de aanneming van de resolutie besloot de Raad om spoedig een

onderzoekscommissie te sturen, onder de leiding van de speciaal rapporteur voor de mensen-

rechtensituatie in de sedert 1967 bezette Palestijnse gebieden, de heer John Dugard.

5.3. Raad van Europa

De EU en de Raad van Europa delen dezelfde waarden en streven dezelfde doelstellingen na wat

betreft de bevordering en bescherming van de democratie, de naleving van de mensenrechten en de

fundamentele vrijheden, en de rechtsstaat. De EU heeft zich tot doel gesteld de samenwerking op

deze prioritaire gebieden te versterken.

De EU werkt goed samen met de Raad van Europa in een aantal gezamenlijke programma's die

worden gefinancierd door het EIDHR. De meeste van die gezamenlijke programma's zijn land-

specifiek, en hebben betrekking op Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Bosnië en Herzegovina,

Georgië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, de Russische

De voornaamste prioriteit van de EU in de Raad van Europa is de toepassing te versterken van de

beslissingen die op de top van Warschau zijn genomen, waar de fundamentele rol van de Raad van

Europa is bevestigd, namelijk de bevordering en bescherming van de mensenrechten, de democratie

en de rechtsstaat. De EU streeft ernaar de banden tussen de EU en de Raad van Europa aan te halen

en met alle passende middelen de doeltreffendheid van het Europees Verdrag voor de rechten van

de mens en het Europees Hof voor de rechten van de mens voor lange termijn te waarborgen.

De EU heeft steun en stimulansen gegeven aan het onderzoek van de heer Terry Davis, secretaris-

generaal van de Raad van Europa, en de heer Dick Marty, rapporteur van de Commissie juridische

zaken van de Parlementaire Assemblee, naar veronderstelde geheime detenties en onrechtmatige

overbrengingen tussen staten waarbij lidstaten van de Raad van Europa betrokken zijn.

5.4. Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE)

Volgens de EU vormen de democratie, de rechtsstaat, de bevordering en de bescherming van de

mensenrechten en de fundamentele vrijheden de kern van de acties van de OVSE. De OVSE staat

voor een uitgebreide reeks politiek bindende normen op het gebied van mensenrechten, democratie

en de rechtstaat, en biedt mechanismen om de naleving door de deelnemende staten te verifiëren.

In de Permanente Raad van de OVSE en de bijeenkomsten en conferenties van de OVSE over de

De EU heeft een actieve bijdrage geleverd aan de voorbereidingen van de Ministeriële Raad van de

OVSE die op 6 december 2005 in Ljubljana heeft plaatsgevonden. Tijdens die bijeenkomst hebben

de ministers besluiten aangenomen over verdraagzaamheid en niet-discriminatie, bevordering van

onderwijs en opleiding inzake mensenrechten op het grondgebied van de OVSE, naleving van de

mensenrechten en de rechtsstaat in strafrechtstelsel, bestrijding van de mensenhandel, vrouwen in

conflictsituaties, crisisbeheer en rehabilitatie na conflicten, voorkoming en bestrijding van geweld

tegen vrouwen en streven naar de hoogste normen inzake gedrag en verantwoording voor personen

die deel uitmaken van internationale troepenmachten en missies.

Verdraagzaamheid en niet-discriminatie zijn hoog op de agenda van de OVSE blijven staan. De

deelnemende landen hebben racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme en andere vormen van

onverdraagzaamheid en discriminatie van onder meer moslims en christenen onvoorwaardelijk

veroordeeld. De EU is actief geweest in de bevordering van verdraagzaamheid en niet-discriminatie

op een alomvattende manier, en heeft benadrukt dat geen enkele vorm van discriminatie of onver-

draagzaamheid mag worden genegeerd. Kazachstan was op 12 en 13 juni in Almati gastheer voor

een bijzondere bijeenkomst over de interculturele, interreligieuze en interetnische verstandhouding.

De EU heeft actief de werkzaamheden van het ODIHR (Bureau voor Democratische Instellingen en

Mensenrechten) gesteund, in het bijzonder het voornemen om de verzameling gegevens en statis-

tieken te verbeteren, en is voorstander van een goede samenwerking tussen het EUMC en het

ODIHR.

In de lopende besprekingen over de versterking van de doeltreffendheid van de OVSE heeft de EU

van de voortzetting van de OVSE-activiteiten betreffende de menselijke dimensie, de waarneming

bij verkiezingen en de nakoming van tijdens verkiezingen aangegane verbintenissen, topprioriteiten

gemaakt. De EU blijft het ODIHR steunen als centrale actor van de menselijke dimensie van de

OVSE.

5.5. Analyse van de doeltreffendheid van het optreden van de EU in internationale fora

Het door dit verslag bestreken jaar was uitzonderlijk wat betreft de ontwikkeling van het mondiale

mensenrechtenapparaat. Het resultaat van de VN-top in september 2005, het besluit tot oprichting

van de Raad voor de mensenrechten in maart 2006 en tot slot de openingszitting van de nieuwe

Raad in juni 2006 waren stuk voor stuk mijlpalen. De EU heeft gedurende het gehele proces een

zeer actieve rol gespeeld in de onderhandelingen, en ook al zijn niet alle doelstellingen van de EU

verwezenlijkt, kan toch worden gesteld dat de rol van de EU in de bevordering van deze ontwik-

keling significant is geweest. Ook in de Derde Commissie van de AVVN is de EU erin geslaagd om

de meeste van haar initiatieven, inclusief initiatieven ten aanzien van landen, aangenomen te

krijgen.

De nieuwe toestand, met name in het kader van een meer permanente Raad voor de mensenrechten

met nieuwe werkmethodes, zal ook voor de EU en haar traditionele werkmethodes een uitdaging

zijn. Het afgelopen jaar heeft de EU haar interne werkpraktijken inzake mensenrechtenfora verder

Ook in het multilaterale kader is het probleem van de samenhang onmiskenbaar van belang,

namelijk samenhang tussen de werkzaamheden van de EU in de verschillende internationale organi-

saties, stelselmatige follow-up van het overleg op multilaterale fora in de bilaterale betrekkingen en

contacten, en meer stelselmatig gebruik maken van de rapporten en aanbevelingen van mensen-

rechtenmechanismen op regionaal en VN-niveau.

De kracht van de EU als actor op VN-fora steunt op de eenheid van de lidstaten. Het is van belang

de gezamenlijke middelen van de EU-lidstaten ten volle te benutten.

  • 6. 
    LANDGERICHTE ASPECTEN

6.1. Europa en de Europese nabuurschap

In deze periode is de EU blijven streven naar verbetering van de mensenrechtensituatie in het

Middellandse-Zeegebied; deze inspanningen werden ingebed in het Europees-mediterraan partner-

schap of het proces van Barcelona, dat kracht werd bijgezet door het Europees nabuurschapsbeleid.

De EU heeft zich niet verder laten leiden door de tien aanbevelingen die zijn vervat in de mede-

deling van de Commissie over een nieuwe impuls voor EU-maatregelen inzake mensenrechten en

democratisering met mediterrane partners, en die door de Raad zijn onderschreven73; de aan-

bevelingen werden gevolgd door de uitvoering van het Europees nabuurschapsbeleid, meer bepaald

door middel van verbintenissen die in het kader van bilaterale actieplannen werden aangegaan. De

onderhandelingen over de actieplannen waren toegespitst op het bevorderen van onderdelen van het

Europees nabuurschapsbeleid in verband met mensenrechten, democratisering, behoorlijk bestuur

en versterking van de rechtsstaat.

Ter gelegenheid van de tiende verjaardag van de Europees-mediterrane Top van Barcelona op 27-

28 november 2005 is een gezamenlijk overeengekomen vijfjarenwerkprogramma aangenomen,

evenals een Europees-mediterrane gedragscode inzake terrorismebestrijding74, waarin wordt toege-

zegd de eerbiediging van de mensenrechten bij terrorismebestrijding te zullen waarborgen, in over-

eenstemming met het volkenrecht. Het werkprogramma omvat de volgende toezeggingen: het

politieke pluralisme en de participatie van de burgers verruimen door de actieve bevordering van

een eerlijk politiek klimaat, waartoe ook eerlijke en vrije verkiezingen behoren; de burgers in staat

stellen deel te nemen aan de besluitvorming op lokaal niveau; de participatie van vrouwen in de

besluitvorming vergroten, onder meer in politieke, sociale, culturele en economische aangelegen-

heden; vrijheid van meningsuiting en van vereniging waarborgen door het werk van onafhankelijke

informatieverstrekkers te vergemakkelijken; de rol van het maatschappelijk middenveld versterken;

en de verdere uitvoering mogelijk maken van VN- en regionale handvesten en verdragen of over-

eenkomsten inzake burgerlijke, politieke, sociale en economische rechten; teneinde uitvoering te

geven aan het bovenstaande, werd overeenstemming bereikt over de volgende maatregelen:

  • de EU zal voorbereidingen treffen voor het instellen van een aanzienlijke faciliteit om de

hervormingsinspanningen succesvol te ondersteunen;

  • vertegenwoordigers in de permanente missies en bij het VN-hoofdkwartier zullen zo nodig

informeel standpunten uitwisselen vóór de bijeenkomsten van de VN-Commissie voor de

rechten van de mens, die in juni 2006 is vervangen door de Mensenrechtenraad, en van de

Algemene Vergadering,

  • er zullen maatregelen worden genomen om gendergelijkheid te bewerkstelligen,

Deze periode werd tevens gekenmerkt door een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk

middenveld. Het op 1-3 april 2005 in Luxemburg gehouden civiele forum Euromed, dat door het

Europees-mediterrane niet-gouvernementele platform georganiseerd werd, vormde een belangrijke

mijlpaal, omdat 350 deelnemers die het maatschappelijk middenveld van 42 landen vertegen-

woordigden, er onderstreepten dat in het overheidsbeleid rekening moet worden gehouden met de

mensenrechten. Ook de Europees-mediterrane Anna Lindh-Stichting voor de dialoog tussen

culturen levert hier een belangrijke bijdrage door onder meer deel te nemen aan de voorbereiding

van de eerste Europees-mediterrane ministeriële vergadering over de versterking van de rol van

vrouwen in de samenleving (Istanbul, 14-15 november 2006), aan het bevorderen van projecten

voor jongeren en voor de mobiliteit van jongeren door middel van universitaire uitwisselingen en,

meer in het algemeen, aan het bevorderen van een beter begrip van de culturele verscheidenheid.

Daarnaast heeft het in 1997 opgezette Europees-mediterrane Mensenrechtennetwerk (EMHRN) zijn

activiteiten voortgezet, teneinde in het algemeen bij te dragen tot de bescherming en bevordering

van de beginselen van de mensenrechten, als neergelegd in de Verklaring van Barcelona van

november 1995 en in bilaterale associatieovereenkomsten en actieplannen tussen de EU en haar

mediterrane partners.

Het Europees-mediterraan regionaal indicatief programma voor 2004-2006 is voortgezet, met

bijzondere nadruk op de bevordering van de democratie, de rechtsstaat, behoorlijk bestuur en onaf-

hankelijkheid van de rechterlijke macht.

Evenzo is voortgegaan met het Europees-mediterrane regionale samenwerkingsprogramma op het

gebied van justitie, de bestrijding van illegale drugs, georganiseerde criminaliteit en terrorisme,

alsmede samenwerking bij vraagstukken in verband met de maatschappelijke integratie van immi-

granten, migratie en personenverkeer (aangenomen door de Europees-mediterrane Ministeriële

Conferentie van Valencia van april 200275); meer bepaald is het Euro-med project Justitie, dat in

januari 2005 van start ging en een looptijd van 30 maanden heeft, gericht op de totstandbrenging

van een interprofessionele gemeenschap van magistraten, advocaten en griffiers in het kader van

een modern rechtsstelsel, om aldus de rechtsstatelijkheid en de effectieve eerbiediging van de

mensenrechten te versterken.

Een Europees-mediterraan seminar over "Racisme, vreemdelingenhaat en de media: respect en

begrip voor alle godsdiensten en culturen", dat op 22-23 mei 2006 in Wenen is gehouden, heeft

geresulteerd in een aantal constructieve voorstellen, waarin de noodzaak wordt benadrukt van een

interculturele en interreligieuze dialoog, alsmede van een dialoog tussen de media, het maat-

schappelijk middenveld, geloofsgroeperingen en beleidsmakers, teneinde racisme uit te roeien.

6.1.1. Kandidaat-lidstaten en mogelijke kandidaat-lidstaten van de EU

Het vooruitzicht van EU-lidmaatschap blijft voor de kandidaat-lidstaten als krachtige stimulans

werken om politieke en economische hervormingen uit te voeren. De impact was bijzonder

ingrijpend op het gebied van democratie, behoorlijk bestuur en mensenrechten: de enorme vooruit-

gang die deze lidstaten hebben geboekt bij bijvoorbeeld de invoering van democratische stelsels, de

vrijwaring van de rechten van personen die tot minderheden behoren, en de ontwikkeling van vrije

media zijn een duidelijk bewijs van de grote aantrekkingskracht van de EU. Het vooruitzicht van

toetreding tot de EU werkt nu als een aansporing voor hervorming in de toetredende staten

(Bulgarije en Roemenië) en de kandidaat-lidstaten die toetredingsonderhandelingen aan het voeren

zijn (Turkije en Kroatië), de Westelijke Balkan en in de ruimere Europese nabuurschap.

Bulgarije heeft grote vooruitgang geboekt met de bevordering van de eerbiediging van de mensen-

rechten en fundamentele vrijheden en blijft zijn wetgeving en praktijken voortdurend verbeteren.

Bulgarije is partij bij alle belangrijke mensenrechtenverdragen en heeft wetgeving inzake kinder-

Voorts is vastgesteld dat Bulgarije een doorreis- (en in mindere mate, een herkomst-) land is voor

de mensenhandel. De EU blijft de vorderingen bij de politieke hervormingen in dit en ander

verband van nabij volgen. Nadat de Commissie in het najaar een uitgebreid monitoringverslag heeft

uitgebracht, zal de Unie besluiten of Bulgarije, zoals gepland, per 1 januari 2007 tot de EU

toetreedt.

Roemenië heeft grote vooruitgang geboekt met de bevordering van de eerbiediging van de mensen-

rechten en fundamentele vrijheden en de verbetering van zijn wetgeving en praktijken. Het proces

van toetreding tot de EU was daarbij van cruciaal belang en is nog steeds een katalysator voor

verandering. Roemenië heeft alle belangrijke mensenrechtenverdragen bekrachtigd en heeft wet-

geving inzake kinderbescherming, discriminatie, de rechten van personen die tot minderheden

behoren en mensenhandel ingevoerd. Hoewel verwacht wordt dat Roemenië in januari 2007 tot de

EU zal toetreden, blijven er nog een aantal punten van zorg in verband met corruptiebestrijding en

behandeling van personen in hechtenis en in instellingen, personen met een handicap en minder-

heden (met name Roma). Daarnaast zijn er verdere inspanningen nodig om in het algemeen alle

vormen van onverdraagzaamheid te bestrijden. Er is tevens vastgesteld dat Roemenië een doorreis-

(en in mindere mate, een herkomst- en bestemmings-) land is voor de mensenhandel. De EU blijft

de vorderingen op het gebied van justitie en wetshandhaving en andere politieke hervormingen van

nabij volgen. Nadat de Commissie in het najaar een uitgebreid monitoringverslag heeft uitgebracht,

zal de Unie besluiten of Roemenië, zoals gepland, per 1 januari 2007 tot de EU toetreedt.

De politieke omschakeling in Turkije is gaande en het land blijft de politieke criteria van Kopen-

Turkije moet zijn hervormingsproces krachtdadig voortzetten en intensiveren, en terzelfder tijd

toezien op de volledige, effectieve en alomvattende uitvoering ervan door alle overheidsinstanties

en in het gehele land, zodat de onomkeerbaarheid en de duurzaamheid ervan gewaarborgd zijn. Met

betrekking tot de uitoefening van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten is er enige

vooruitgang geboekt en zijn er positieve stappen gezet, maar er zijn nog belangrijke inspanningen

nodig op de volgende gebieden: vrijheid van meningsuiting (er lopen nog zaken tegen individuele

personen die op niet-gewelddadige wijze hun mening hebben geuit); vrijheid van godsdienst (de

moeilijkheden die met name niet-islamitische religieuze minderheden ondervinden, moeten nog

worden aangepakt); de rechten van personen die tot minderheden behoren, culturele rechten en

bescherming van minderheden (er moeten passende maatregelen worden genomen om de culturele

verscheidenheid te waarborgen en de bescherming van minderheden te bevorderen in overeen-

stemming met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens); vrouwenrechten (de hoge mate

van huiselijk geweld, met name in de vorm van "eremoorden", blijft een punt van zorg); en bestrij-

ding van foltering en mishandeling (de goedgekeurde hervormingen hebben bijgedragen tot de vast-

stelling van een passend wetgevingskader, maar er zijn verdere inspanningen nodig om de volledige

uitvoering ervan te verzekeren en de bestrijding van straffeloosheid te versterken). De EU zal de

vorderingen bij de politieke hervormingen in Turkije van nabij blijven volgen als onderdeel van de

vorderingen van Turkije bij de voorbereiding op toetreding, die richting zullen geven aan de onder-

handelingen in volledige overeenstemming met het onderhandelingskader voor Turkije en het

toetredingspartnerschap.

Tijdens de zitting van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 3 oktober 2005 is

bevestigd dat Kroatië aan het ICTY volledige medewerking verleent, waardoor de toetredings-

onderhandelingen konden worden geopend. Kroatië werd een kandidaat-lidstaat, terwijl het bleef

deelnemen aan het SAP. Kroatië heeft nu een toetredingspartnerschap76 waarbinnen eerbiediging

van de mensenrechten en bescherming van minderheden politieke eisen zijn. De toetredings-

onderhandelingen stoelen op de eigen verdiensten van Kroatië, en het voortgangstempo zal

afhangen van de vorderingen die Kroatië maakt bij de voorbereiding op toetreding, met inbegrip

van de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de stabilisatie- en associatieovereenkomst

(SAO)77, waarvan eerbiediging van de mensenrechten een essentieel onderdeel is, evenals de

uitvoering van het toetredingspartnerschap.

Tijdens de zitting van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-Kroatië van 10 april 2006 zijn de

vorderingen van Kroatië met de SAP-criteria besproken. De EU heeft erop gewezen dat de

vervolging van oorlogsmisdrijven moet worden verbeterd. Kroatië erkent het probleem, dat te

wijten is aan een gebrek aan capaciteit, wat een achterstand veroorzaakt.

De landen van de Westelijke Balkan (Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, de Voormalige

Joegoslavische Republiek Macedonië, Servië, met inbegrip van Kosovo en Montenegro) nemen

deel aan het stabilisatie- en associatieproces (SAP). Zoals bepaald in de Agenda van Thessaloniki78,

hangt de vooruitgang van ieder land op weg naar de EU af van zijn eigen merites bij het voldoen

aan de criteria van Kopenhagen79 en de voor het SAP gestelde voorwaarden. Uit hoofde van het

SAP ontvangen de landen van de regio communautaire bijstand voor wederopbouw, ontwikkeling

en stabilisatie (CARDS)80. Voorwaarde voor het ontvangen van CARDS-bijstand is dat de begun-

stigden de democratische beginselen, de rechtsstaat, de mensenrechten en de rechten van personen

die tot minderheden behoren, de fundamentele vrijheden en de volkenrechtelijke beginselen eer-

biedigen. De naleving van de SAP-voorwaarden wordt getoetst door middel van een jaarlijks

evaluatiemechanisme, dat gebaseerd is op de Commissieverslagen, en de landen van de Westelijke

Balkan verbinden zich ertoe de desbetreffende aanbevelingen op te volgen. De volgende jaarlijkse

evaluatie zal eind 2006 plaatsvinden.

Van de nieuwe SAP-instrumenten reiken de Europese Partnerschappen81, geïnspireerd op de

toetredingspartnerschappen82, het verst. Deze partnerschappen, die voor elk land van de Westelijke

Balkan worden opgesteld, geven op gezette tijden aan welke prioriteiten en verplichtingen moeten

worden vervuld. De financiële EU-bijstand zal worden gericht op de in de partnerschappen gestelde

prioriteiten: eerbiediging van de mensenrechten en bescherming van minderheden zijn daarin

politieke eisen. Elk land zal ter uitvoering van het partnerschap een nationaal actieplan opstellen,

met een duidelijke agenda waaraan de vooruitgang kan worden gemeten.

Volledige nakoming van de verbintenissen inzake het Internationaal Straftribunaal voor het

voormalige Joegoslavië (ICTY) staat in de SAP-voorwaarden centraal en is, naast de terugkeer

van vluchtelingen en de vervolging van oorlogsmisdrijven, één van de manieren waarop het SAP

mensenrechtenschendingen uit het verleden aanpakt.

Op 10 maart 2006 is bij Besluit 2006/205/GBVB van de Raad de bijlage bij Gemeenschappelijk

Standpunt 2004/694/GBVB, die de lijst van beschuldigden van het Internationaal Straftribunaal

voor het voormalige Joegoslavië (ICTY) bevat, bijgewerkt. Het gemeenschappelijk standpunt is

bedoeld ter ondersteuning van de daadwerkelijke uitvoering van het mandaat van het ICTY, door de

vermogensbestanddelen van in staat van beschuldiging gestelde voortvluchtige personen te

bevriezen.

Tezelfdertijd heeft de Raad Gemeenschappelijk Standpunt 2006/204/GBVB aangenomen, waarbij

Wat Kosovo betreft, heeft de EU de uitvoering van normen, met inbegrip van die voor bescherming

van minderheden, actief bevorderd, en heeft de Europese Raad in juni 2006 benadrukt dat het van

cruciaal belang is vorderingen te maken met de uitvoering van de normen.

Op 10 mei heeft de EU de onderhandelingen met Servië en Montenegro over de stabilisatie- en

associatieovereenkomst opgeschort, omdat er onvoldoende vooruitgang was geboekt met de

verbintenis om het ICTY volledige medewerking te verlenen. Samenwerking met het ICTY is een

essentiële voorwaarde van het SAP.

Op 21 mei 2006 is in Montenegro een referendum over onafhankelijkheid gehouden. Het ODIHR

heeft geconcludeerd dat het referendum over de gehele linie is verlopen volgens de verbintenissen

van de OESO en de Raad van Europa en andere internationale normen voor democratische

verkiezingsprocessen. Op 3 juni 2006 heeft het parlement van Montenegro een verklaring

aangenomen over de onafhankelijkheid van de Republiek Montenegro, overeenkomstig artikel 60

van het constitutioneel handvest van de Staatsunie van Servië en Montenegro. Op 5 juni 2006 heeft

het parlement van Servië een besluit aangenomen waarbij de Republiek Servië wordt aangeduid als

de voortzetting van de statenunie Servië en Montenegro. Te dien einde heeft de hoge vertegen-

woordiger van de EU voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid ambassadeur

Miroslav Lajcák tot persoonlijk vertegenwoordiger benoemd om de onderhandelingen tussen de

politieke krachten in Montenegro over de regeling voor het referendum te faciliteren.

6.1.2. Europees Nabuurschapsbeleid (ENB)

De laatste weken van 2005 is begonnen met het technisch overleg over de ENB-actieplannen met

Armenië, Azerbeidzjan en Georgië. De formele aanneming van de drie ENB-actieplannen is

gepland voor het najaar 2006.

De actieplannen met Armenië, Azerbeidzjan en Georgië moeten dienen als alomvattend programma

voor politieke, economische en administratieve hervormingen. In het kader van het technische

overleg over de ENB-actieplannen met de drie landen van de Zuidelijke Kaukasus heeft de EU met

nadruk gewezen op het belang van kwesties die verband houden met de versterking van de demo-

cratie in deze landen, onder meer eerlijke en transparante verkiezingen overeenkomstig de inter-

nationale normen, alsmede kwesties die betrekking hebben op een betere bescherming van de

mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtsstatelijkheid, overeenkomstig de inter-

nationale verbintenissen van de drie landen (PSO, Raad van Europa, OVSE, VN).

De Raad van de EU heeft op 7 november 2005, 30 januari 2006 en 10 april 2006 conclusies over

Belarus aangenomen; in deze conclusies sprak hij opnieuw zijn verontrusting uit over de mensen-

rechtensituatie en de situatie van de democratie in Belarus. De EU heeft verschillende verklaringen

afgelegd over de ontwikkelingen in Belarus, met name in de context van de presidentsverkiezingen

van 19 maart 2006, die de EU fundamenteel ondeugdelijk heeft genoemd. Oekraïne en Moldavië

hebben zich onder meer aangesloten bij de verklaring van 22 maart, waarin de EU aankondigt de

Op 23-24 maart 2006 heeft de Europese Raad beperkende maatregelen aangekondigd tegen degenen

die verantwoordelijk zijn voor de schendingen van de internationale verkiezingsnormen, waaronder

president Loekasjenko. Op 10 april en 18 mei 2006 heeft de Raad gemeenschappelijke standpunten

(2006/276/GBVB en 2006/362/GBVB) aangenomen betreffende beperkende maatregelen tegen

bepaalde functionarissen van Belarus die verantwoordelijk zijn voor het frauduleuze verloop van de

verkiezingen en het hardhandig optreden tegen het maatschappelijk middenveld en de demo-

cratische oppositie in het kader van het verkiezingsproces. Deze maatregelen kwamen bovenop de

maatregelen die in 2004 werden vastgesteld tegen degenen die in het Pourgourides-verslag werden

genoemd als sleutelfiguren bij de verdwijning van vier algemeen bekende personen in Belarus in

1999-2000 en vervolgens bij de tegenwerking van het gerecht, en tegen de Belarussische functio-

narissen die verantwoordelijk zijn voor het frauduleuze verloop van de verkiezingen en het referen-

dum op 17 oktober 2004 in Belarus en voor de ernstige mensenrechtenschendingen tijdens de

onderdrukking van een vreedzame betoging in de nasleep van de stembusgang.

Het EU-beleid inzake Belarus is opnieuw bekeken in de zitting van de RAZEB van november 2005.

De desbetreffende conclusies waren gericht op de combinatie van een harde en een zachte aanpak,

zodat er meer rechtstreekse druk wordt uitgeoefend op president Loekasjenko en zijn onmiddellijke

omgeving - waarbij enkele communicatiekanalen worden opengelaten voor crisissituaties - en er

meer contact is met bredere lagen van de Belarussische bevolking, waaronder het middenkader.

Wat de Palestijnse Autoriteit (PA) betreft, heeft de terugtrekking van Israël uit de Gazastrook en

De EU was verheugd over de "overeenkomst inzake verkeer en toegang" tussen Israël en de

Palestijnse Autoriteit van 15 november. Uit hoofde van deze overeenkomst is op 25 november bij

Rafah een internationale grenspost tussen Egypte en Gaza geopend, waarbij de EU, zoals in de

overeenkomst staat, in het kader van een EVDB-missie als derde partij fungeert. Het EU COPPS

(Coördinatiebureau van de EU voor de ondersteuning van de Palestijnse politie) heeft tijdens de

verslagperiode een belangrijke rol gespeeld bij de hervorming en versterking van de Palestijnse

veiligheids - en politiestructuren en de algemene bevordering van de rechtsstaat. De Raad heeft op 7

november besloten voor een periode van drie jaar, die begin 2006 zou ingaan, een EVDB-politie-

missie in de Palestijnse Gebieden te starten die voortbouwt op het werk van EU COPPS.

De verkiezingen van de Palestijnse Wetgevende Raad (PWR) in januari 2006, die volgens EU-

waarnemers en andere internationale waarnemers veilig, vrij en eerlijk zijn verlopen, hebben een

overweldigende overwinning voor Hamas opgeleverd. De daaropvolgende vorming van een door

Hamas geleide regering heeft geresulteerd in een verbreking van de (onder meer financiële) betrek-

kingen tussen deze regering en de internationale gemeenschap in het algemeen, omdat eerst-

genoemde geweigerd heeft te voldoen en uitvoering te geven aan de drie criteria, namelijk het

geweld af te zweren, het bestaansrecht van Israël te erkennen en eerdere overeenkomsten, waar-

onder de routekaart, te aanvaarden. De contacten met president Abbas, die voor een vredesplatform

heeft gekozen, zijn niet verbroken. De EU heeft samen met andere internationale actoren, zoals de

Wereldbank, een tijdelijk internationaal mechanisme opgezet ten behoeve van rechtstreekse

verlening van steun van internationale donoren, en toezicht daarop, aan de Palestijnse bevolking. De

verslagperiode werd gekenmerkt door onderlinge gevechten aan Palestijnse zijde, die veel slacht-

De EU is zich ernstig zorgen blijven maken over de mensenrechten in Israël. Het betreft in het

bijzonder de situatie van de Palestijnen in de Bezette Gebieden, de afsluiting van gebieden en de

beperking van de bewegingsvrijheid, de bouw en uitbreiding van nederzettingen, het optrekken van

de scheidingsmuur op Palestijns grondgebied en de afbraak van Palestijnse huizen, die elke

oplossing die gebaseerd is op het naast elkaar bestaan van twee staten, fysiek onmogelijk dreigen te

maken. De EU heeft tevens haar bezorgdheid uitgesproken over de situatie in en rond Jeruzalem en

in de Jordaanvallei, alsook over Israëlische militaire operaties waarbij burgerslachtoffers vallen.

Deze aangelegenheden werden door de EU met klem gememoreerd en met Israël besproken in het

kader van de politieke dialoog die werd gevoerd bij alle bilaterale ontmoetingen in de context van

de Associatieovereenkomst EU-Israël, met name in de Associatieraad EU-Israël op 13 juni 2006,

het Associatiecomité op 17 mei 2006 en het Subcomité politieke dialoog en samenwerking op 21

november 2005.

In het kader van het ENB-actieplan EU-Israël, dat momenteel wordt uitgevoerd, zijn beide partijen

overeengekomen om een intensievere politieke samenwerking en dialoog tot stand te brengen op

basis van hun gemeenschappelijke waarden, dat wil zeggen eerbiediging van de mensenrechten en

de fundamentele vrijheden, democratie, behoorlijk bestuur en internationaal humanitair recht. Het

actieplan bevat een specifiek hoofdstuk inzake mensenrechten en fundamentele vrijheden, met

concrete acties die moeten worden uitgevoerd. De EU verwacht dat deze acties worden uitgevoerd.

De werkgroep mensenrechten EU-Israël, die op 21 november 2005 door het Subcomité politieke

dialoog en samenwerking is opgericht, is bedoeld om uit te groeien tot een forum waar deze

De EU stelde specifieke punten van zorg aan de orde, namelijk de invloed van de scheidingsmuur

en van de beperkte bewegingsvrijheid in de Palestijnse gebieden op het leven en de broodwinning

van de Palestijnen, de toegang van met name humanitaire NGO's tot de bezette Palestijnse

gebieden, burgerslachtoffers bij buitengerechtelijke executies, en de praktijk van administratieve

hechtenis. Wat de situatie van minderheden betreft, informeerde de EU naar de uitvoering van de

aanbevelingen van de commissie-Or en het comité Lapid, naar de wet betreffende burgerschap van

en binnenkomst in Israël, die gezinshereniging van bepaalde Israëlisch/Palestijnse echtparen en hun

kinderen onmogelijk maakt. Aan het slot van de vergadering werd geconcludeerd dat beide partijen

het waardevol achten deze dialoog voort te zetten.

De EU heeft de regelmatige dialoog met Jordanië over mensenrechtenkwesties voortgezet in het

kader van de institutionele structuur die bij de Associatieovereenkomst EU-Jordanië is opgezet, en

binnen de prioriteiten voor actie als bepaald in het ENB-actieplan EU-Jordanië. Er zijn met name

besprekingen gevoerd in de Associatieraad op 21 november 2005 en in het Associatiecomité op

28 juni 2006. Jordanië heeft de vooruitgang geschetst die het met de uitvoering van zijn politiek

hervormingsprogramma heeft geboekt. De "nationale agenda" voor Jordanië, een ambitieus

hervormingsprogramma van ruim 3000 bladzijden, werd in november 2005 voltooid. De Jordaanse

regering werkt momenteel aan programma's die gericht zijn op de totstandbrenging van een kader

voor de uitvoering van de voorgestelde hervormingen. De prioriteiten voor actie omvatten de wet

op de politieke partijen, de wet op de gemeenten, de wet op de instelling van een ombudsman, de

wet tegen corruptie en witwassen van geld, en - na de terroristische aanslagen te Amman van

9 november 2005 - de wet op terrorismebestrijding. De EU heeft Jordanië aangemoedigd verder te

De EU is de mensenrechtensituatie in Egypte blijven volgen. Het werk dat door de Nationale Raad

voor de Mensenrechten (NCHR) is verricht op het gebied van verdediging van de mensenrechten en

bewustmaking voor de mensenrechtennormen, en het tweede jaarverslag van de NCHR hebben

aangetoond dat de Raad een aantal kwesties op een positieve en eerlijke manier wil aanpakken. De

EU ziet uit naar het nationaal plan voor de mensenrechten dat momenteel door de NCHR wordt

opgesteld. Egypte heeft belangrijke maatregelen genomen om de positie van vrouwen en kinderen

te verbeteren. Ook heeft Egypte een aantal positieve maatregelen genomen op het gebied van de

opsluiting van verdachten en de verzachting van strenge straffen. Er zijn evenwel zaken die zorgen

baren. Het betreft onder meer de harde behandeling van de oppositie, de behandeling van minder-

heden, het vermeende gebruik van foltering, de terdoodveroordeling van personen die wegens mis-

drijven zijn veroordeeld, en de voortzetting van de noodtoestand, die in 1981 werd uitgeroepen.

De EU heeft Egypte aangemaand maatregelen te blijven nemen om de ontwikkeling van het maat-

schappelijk middenveld aan te moedigen en de vrijheid van vereniging en van meningsuiting te

waarborgen. De onderhandelingen over het ENB-actieplan zijn voortgezet. Het geplande subcomité

voor politieke vraagstukken, mensenrechten en democratie, en internationale en regionale vraag-

stukken zal een centraal mechanisme zijn voor intensivering van de dialoog over concrete mensen-

rechtenkwesties. De EU hoopt dat in het subcomité zo spoedig mogelijk een akkoord wordt bereikt

over de behandeling van individuele mensenrechtenkwesties. De EU is bereid met de Egyptische

autoriteiten na te gaan op welke gebieden zij praktische steun kan bieden, teneinde de

hervormingsmaatregelen van Egypte op het gebied van de mensenrechten kracht bij te zetten.

Libië is verdere vooruitgang blijven boeken met zijn reïntegratie in de internationale gemeenschap,

maar er is grote bezorgdheid blijven bestaan over de mensenrechtensituatie, met name wat de

burgerlijke vrijheden, de politieke rechten en de vrijheid van meningsuiting betreft. De EU heeft de

Libische autoriteiten eind 2005 aangesproken over het gebruik van de doodstraf. Bijzondere

bezorgdheid is blijven uitgaan naar de zaak van de opgepakte Bulgaarse en Palestijnse dokters tegen

wie momenteel een nieuw proces loopt, nadat de in mei 2004 uitgesproken doodstraffen in

december 2005 werden verworpen door het hooggerechtshof van Libië. De EU was verheugd over

de verwerping van de uitspraken. Uitgaande van de onpartijdigheid van het Libische rechtsstelsel

verwacht de EU dat het nieuwe proces dit positieve patroon zal volgen en een rechtvaardige

beslissing zal opleveren. De EU werkt momenteel actief aan een eerlijke oplossing van deze zaak

door initiatieven te ontplooien om de menselijke tragedie in Benghazi te verzachten.

Marokko is doorgegaan op de ingeslagen weg van omvangrijkere politieke hervormingen en

vrijheden, en heeft goede vooruitgang geboekt op het gebied van de mensenrechten. De EU heeft

hierbij steun verleend door middel van het ENB-actieplan EU-Marokko, dat een gedetailleerd

hoofdstuk bevat over de prioriteiten voor actie op het gebied van de mensenrechten, de rechtsstaat

en de democratisering. De Rechtvaardigheids- en verzoeningscommissie ("Instance Equité et

Réconciliation", IER), die was opgericht om de mensenrechtenschendingen van 1956 tot 1999 te

onderzoeken, heeft in november 2005 haar eindverslag voorgelegd. Het werk dat door dit orgaan is

verricht, wordt in Marokko en daarbuiten zeer gewaardeerd. De commissie formuleerde een aantal

aanbevelingen, waaronder wijziging van de grondwet, om de waarborgen op het gebied van de

De EU was in het algemeen tevreden over de ontwikkelingen in Marokko, maar bleef zich zorgen

maken over de gerapporteerde behandeling van Sahrawi-mensenrechtenverdedigers na de gebeurte-

nissen die zich in mei 2005 in de Westelijke Sahara hebben voorgedaan. De gerapporteerde

mensenrechtenschendingen hadden onder meer betrekking op beperkingen van het recht van

vereniging en van meningsuiting, buitensporig gebruik van geweld door de politie, willekeurige en

geïsoleerde opsluiting arrestaties, beschuldigingen van foltering en vragen omtrent de eerlijkheid

van de processen en de in deze gevallen uitgesproken gevangenisstraffen. De EU heeft deze

kwesties meermaals aan de orde gesteld bij de Marokkaanse autoriteiten. De EU heeft demarches

ondernomen met betrekking tot de mensenrechten in de Saharaanse vluchtelingenkampen.

Mensenrechten- en democratiseringskwesties werden stelselmatig besproken binnen de regelmatige

structuren die bij de Assiociatieovereenkomst EU-Marokko zijn opgezet, met name tijdens de

vergadering in het kader van de versterkte politieke dialoog van 9 november, en in de Associatie-

raad EU-Marokko op 22 november 2005. De EU was verheugd over de bereidheid van Marokko om

over al deze kwesties een intensievere dialoog aan te gaan. Marokko heeft al in 2003 principieel

ingestemd met de instelling van een specifiek orgaan om deze kwesties nader te bestuderen,

namelijk het Subcomité EU-Marokko voor mensenrechten, democratie en bestuur. Dit orgaan is nu

operationeel en de eerste vergadering is in oktober-november 2006 gepland.

De EU heeft een verdere verslechtering van de mensenrechtensituatie in Syrië vastgesteld. De

behandeling van politieke tegenstanders, mensenrechtenverdedigers en activisten uit het maat-

Tijdens de verslagperiode heeft de EU meermaals haar bezorgdheid uitgesproken over de arrestaties

van en de processen tegen mensenrechtenverdedigers. De militaire rechtbanken en de rechtbank

voor staatsveiligheid, die zijn opgericht bij de sinds 1963 van kracht zijnde wet inzake de nood-

toestand, bestaan naast de gewone rechtbanken. Processen bij deze rechtbanken voldoen niet aan de

internationale normen, en er heerst algemene bezorgdheid over de onafhankelijkheid van de

rechters. De EU heeft getracht op deze processen aanwezig te zijn, een praktijk die door de auto-

riteiten in grote mate werd geduld, wat als een positieve ontwikkeling moet worden aangemerkt.

In januari 2006 werden vijf politieke tegenstanders van "de lente van Damascus" van 2001 vrij-

gelaten, waaronder de parlementsleden Riad Seif en Mamoun Homsi, om wier vrijlating was

verzocht door het Europees Parlement. Deze stap werd toegejuicht door het EU-voorzitterschap, dat

de hoop uitsprak dat in aansluiting daarop alle politieke gevangenen zouden worden vrijgelaten. Na

hun vrijlating werden deze personen evenwel herhaaldelijk geïntimideerd, ondervraagd en tijdelijk

opgepakt. Sindsdien werden mensenrechtenactivisten opnieuw hardhandig aangepakt. In februari

2006 werd het door het EIDHR ondersteunde EU-opleidingscentrum voor het maatschappelijk

middenveld al twee dagen na de opening gesloten door de Syrische autoriteiten, naar verluidt omdat

de procedures niet werden nageleefd. In mei 2006 werden de belangrijkste ondertekenaars opgepakt

van een gezamenlijke, door ruim 100 Syriërs ondertekende Syrisch-Libanese verklaring, waarin

werd opgeroepen tot normale betrekkingen tussen beide landen, opgepakt, waaronder de benoemde

directeur van het EU-opleidingscentrum voor het maatschappelijk middenveld, een bekende

mensenrechtenadvocaat. De EU heeft deze kwesties aan de orde gesteld bij de Syrische autoriteiten,

en op 19 mei 2006 een publieke verklaring afgelegd.

Sinds 2004 is er ook een stijging geweest van het aantal aanhoudingen en vervolgingen wegens

vermeend lidmaatschap van de Syrische Moslimbroederschap (SMB) - een organisatie die in Syrië

verboden is. Zaken in verband met lidmaatschap van de SMB worden behandeld door de rechtbank

voor staatsveiligheid. Lidmaatschap van de SMB kan leiden tot de doodstraf, hoewel deze in de

praktijk vaak wordt omgezet in een lange gevangenisstraf.

De Syrische autoriteiten staan uiterst terughoudend tegenover het bespreken van mensenrechten-

kwesties met buitenstaanders, omdat deze huns inziens kwesties van nationale soevereiniteit zijn.

De EU ziet uit naar de oprichting van een nationale mensenrechtenraad, waarvoor de interne voor-

bereidingen, naar verluidt, reeds zijn gestart. Bij gebreke van een meer gestructureerd institutioneel

kader, waardoor de ondertekening van de Associatieovereenkomst uitbleef, waren de voornaamste

instrumenten die de EU hanteerde, regelmatige demarches van de trojka, verklaringen van het EU-

voorzitterschap en waarnemingen tijdens processen. Er werden nauwe contacten onderhouden met

organisaties uit het maatschappelijk middenveld. De EU-missies in Damascus volgden de ontwik-

keling van de mensenrechtensituatie op de voet, en pleegden op gezette tijden overleg.

Het actieplan EU-Oekraïne bevat een hoofdstuk inzake mensenrechten en fundamentele vrijheden.

In die politieke overeenkomst is vastgelegd dat de inzet van Oekraïne voor waarden als mensen-

rechten, democratie en rechtsstaat de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne

zal bespoedigen, en het sleutelelement zal zijn in de ontwikkeling van alle gebieden van samen-

werking tussen de EU en Oekraïne. Overeenkomstig de conclusies van de RAZEB van 21 februari

Het actieplan EU-Oekraïne wordt momenteel uitgevoerd; in het tweede halfjaar van 2006 zal een

tussentijdse evaluatie plaatsvinden in de Samenwerkingsraad EU-Oekraïne. Er kon wel al een aan-

zienlijke verbetering worden vastgesteld van de mensenrechtensituatie in Oekraïne na de zoge-

naamde "oranje revolutie" van eind 2004, met name op de gebieden persvrijheid, corruptie-

bestrijding en hervorming van het gerechtelijk apparaat. Er is nog veel werk aan de winkel, en de

EU werkt nauw samen met de Oekraïense autoriteiten om hen te helpen bij de uitvoering van de

democratische hervormingen. De EU heeft medio februari in Kiev een demarche ondernomen in

verband met de uitzetting van tien Oezbeekse vluchtelingen door de Oekraïense autoriteiten. Ook in

verscheidene vergaderingen in het kader van de politieke dialoog met Oekraïne heeft de EU dit

optreden krachtig veroordeeld en de Oekraïense autoriteiten opgeroepen om de mensenrechten en

de fundamentele vrijheden ten volle te eerbiedigen.

Sinds 13 mei 2005 wordt Oekraïne verzocht zich aan te sluiten bij verklaringen en gemeen-

schappelijke standpunten van de EU over externe beleidskwesties. Oekraïne heeft zich aangesloten

bij nagenoeg alle verklaringen over de mensenrechtensituatie in derde landen.

Het driejarige actieplan EU-Moldavië, dat sinds februari 2005 in werking is, omvat een hoofdstuk

inzake de mensenrechten en de fundamentele vrijheden. In die politieke overeenkomst is vastgelegd

dat de gehechtheid van Moldavië aan gedeelde waarden, met inbegrip van mensenrechten,

democratie en rechtsstaat, ten grondslag zal liggen aan de betrekkingen tussen de EU en Moldavië.

In 2006 is de EU steun blijven verlenen aan de uitvoering van het nationale actieplan van Moldavië

Op 14 februari 2006 is Besluit 2006/96/GBVB van de Raad vastgesteld om verder uitvoering te

geven aan Gemeenschappelijk Standpunt 2004/622/GBVB van 26 augustus 2004 inzake

beperkende maatregelen tegen verscheidene Transdnjestrische hoge functionarissen die betrokken

waren bij de sluiting met geweld van Moldavischtalige scholen. In de loop van het jaar heeft de EU

aandacht geschonken aan de zaak van de heer Pasat, die op 11 november 2005 op onduidelijke

gronden was gearresteerd. De missiehoofden konden de heer Pasat bezoeken en de omstandigheden

onderzoeken waarin hij werd opgesloten.

De EU was verheugd over het besluit van het Moldavische parlement om de doodstraf per 29 juni

2006 af te schaffen. Voordat het besluit was vastgesteld, voorzag artikel 24 van de Moldavische

grondwet in de doodstraf voor misdrijven gepleegd in tijden van oorlog of oorlogsdreiging.

6.1.3. Rusland en Centraal-Azië

De EU blijft zich zorgen maken over de mensenrechten in Rusland, en met name over de toestand

van de mensenrechten in Tsjetsjenië, de situatie van de NGO's, de rechtsstaat en de vrijheid van de

media.

Nadat tijdens de top EU-Rusland van november 2004 in Den Haag was overeengekomen een

geregelde mensenrechtendialoog aan te gaan, vindt het overleg over de mensenrechten tussen de EU

en Rusland nu halfjaarlijks plaats. Het overleg heeft plaatsgevonden in Brussel op 8 september 2005

en in Wenen op 3 maart 2006 (voor nadere gegevens, zie hoofdstuk 3.

De EU erkent dat Rusland te kampen heeft met reële veiligheidsproblemen, doch zij blijft uiterst

bezorgd over de ernst van de mensenrechtensituatie in Tsjetsjenië; zij stelt deze bezorgdheid dan

ook regelmatig op alle niveaus aan de orde bij haar Russische gesprekspartners. Er zijn nog altijd

geregelde meldingen van verdwijningen, foltering en straffeloos optreden van pro-Moskouse

gewapende groeperingen. In februari 2006 heeft de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties

voor de mensenrechten, mevrouw Louise Arbour, een bezoek gebracht aan de noordelijke

Kaukasus. Na het bezoek heeft zij vraagtekens gezet bij de integriteit van bepaalde instellingen, met

name op het gebied van wetshandhaving. Zij heeft tevens gewezen op ernstige tekortkomingen van

het wetshandhavingsstelsel in de republiek, waardoor angst in Tsjetsjenië de bovenhand heeft.

De EU heeft tijdens elk overleg over de mensenrechten diepgaand met Rusland over Tsjetsjenië

gesproken, en Rusland ertoe aangespoord de samenwerking met de internationale mensenrechten-

mechanismen te versterken. De EU heeft tevens getracht de verzekering te krijgen dat mensen-

rechtenactivisten beschermd zullen worden. In samenwerking met de Russische autoriteiten

ontwikkelt de EU momenteel een programma voor sociale en economische bijstand voor de

noordelijke Kaukasus, dat zij spoedig zal kunnen uitvoeren.

De eerste parlementsverkiezingen in Tsjetsjenië na een periode van acht jaar zijn op 28 november

2005 gehouden. Helaas konden de EU en de OVSE deze verkiezingen om veiligheidsredenen niet

als waarnemer bijwonen. De EU heeft evenwel steun verleend voor de opleiding van lokale waar-

nemers voor deze verkiezingen. Vlak na de stembusgang heeft het EU-voorzitterschap een

Er zijn berichten dat mensenrechten-NGO's het steeds moeilijker krijgen om in Rusland te werken.

De EU heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid geuit over de wetgeving op de NGO's, die eind

december 2005 door het Russische parlement en de Federatieraad is goedgekeurd, en op 10 januari

2006 door president Poetin is ondertekend. De EU heeft op 19 januari 2006 een verklaring afgelegd,

waarin zij opnieuw de vrees uitspreekt dat de wet, zoals hij nu is aangenomen, ernstige gevolgen

kan hebben voor de legitieme activiteiten van organisaties uit de civiele samenleving in Rusland. In

de verklaring wordt verder aangekondigd dat de EU nauwlettend zal toezien hoe de wet na de

inwerkingtreding ervan wordt toegepast, en dat zij verwacht dat dit zal gebeuren met inachtneming

van de normen van de Raad van Europa en de OVSE en de in dat kader gedane toezeggingen. Eind

2005-begin 2006 heeft de Federale Veiligheidsdienst (FSB) zijn bewering herhaald dat sommige

NGO's werken voor buitenlandse belangen en tegen Rusland.

Er zijn berichten over toenemende problemen in verband met racisme, antisemitisme,

vreemdelingenhaat en extremisme, en over beperkingen van de godsdienstvrijheid in Rusland.

Hoewel in artikel 14 van de Russische grondwet is bepaald dat Rusland een seculiere staat is, is

volgens het Russische recht het orthodoxe christendom de overheersende godsdienst van het land en

worden alleen boeddhisme, islam en judaïsme gerespecteerd. Het recht legt andere geloofs-

gemeenschappen beperkingen op. Er zijn herhaaldelijk beperkingen geweest op de positie en de

mogelijkheid tot geloofsbelijding van de katholieke kerk en kleinere minderheidsgodsdiensten zoals

Jehova's Getuigen. Deze laatsten zijn in Moskou niet meer welkom en ondervinden daardoor moei-

lijkheden in andere delen van het land.

Etnische minderheden, in het bijzonder mensen uit Centraal-Azië en de Kaukasus, zijn geregeld het

slachtoffer van etnische discriminatie en soms van geweld. Deze tendens heeft zich recentelijk

gemanifesteerd in verscheidene racistische daden waaraan veel ruchtbaarheid is gegeven, waar-

onder gewelddadige aanvallen en moorden, zoals de moord op een Peruviaanse student in Voronezh

en op studenten uit Mali en Kameroen in Sint-Petersburg. NGO's berichten ook dat het aantal

racistische aanvallen is gestegen van 119 in 2004 tot 179 in 2005. Uit cijfers van het Sova-Centrum,

een gerespecteerde Russische NGO, blijkt dat in 2005 366 racistische aanvallen het leven hebben

gekost aan 28 mensen. NGO's berichten dat er in Rusland ongeveer 50.000 mensen lid zijn van

"skinhead-groeperingen, met name in Sint-Petersburg, en dat dit aantal nog blijkt toe te nemen. De

Russische ombudsman voor de mensenrechten, de heer Vladimir Loekin, heeft de wetshand-

havingsinstanties ervan beschuldigd onvoldoende maatregelen te nemen voor het onderzoek en de

preventie van extremisme-gerelateerde misdrijven. Verscheidene politieke partijen hebben in hun

campagne voor de regionale parlementsverkiezingen van 2005 gebruik gemaakt van xenofoob

propagandamateriaal.

In de media is uitvoerig aandacht geschonken aan het geval van Andrei Sychev, een negentienjarige

soldaat wiens door gangreen aangetaste benen en voortplantingsorganen moesten worden geampu-

teerd, nadat hij door dronken officieren was afgeranseld en dagenlang verstoken bleef van medische

behandeling. Het geval groeide uit tot een publiek schandaal, niet alleen wegens de extreme bruut-

heid ervan, maar ook wegens de aanvankelijke pogingen van het ministerie van Defensie om de

echte oorzaak van de toestand van de heer Sychev te verbergen. Daarop heeft zich een soortgelijk

Rusland heeft de afgelopen jaren grote vorderingen gemaakt met zijn democratische ontwikkeling,

maar de EU is bezorgd over de recente wijzigingen in het Russische kiesstelsel. Aan de recht-

streekse verkiezing van regionale gouverneurs is in 2004 een einde gekomen, en sindsdien worden

zij door de president benoemd en wordt hun benoeming door de lokale wetgevende macht

bekrachtigd. President Poetin heeft zich macht toegeëigend en heeft zijn gezag ten aanzien van de

Doema, de regering en de regio's aanzienlijk versterkt. Op dit ogenblik is er weinig politieke

regeringsoppositie van betekenis.

Wat de vrijheid van de media betreft, verheugt het de EU dat er, ondanks een duidelijke zelfcensuur

van de journalisten, een relatief pluriforme pers in Rusland is. Terwijl de gedrukte pers relatief vrij

is, blijven er echter berichten binnenkomen dat de regionale en lokale autoriteiten vaak proberen de

lokale media te beïnvloeden. De overheidscontrole over de omroep beperkt de nationale televisie

echter in de verspreiding van een verscheidenheid aan meningen. Het klimaat van zelfcensuur dat

bij vele Russische journalisten heerst, is nog versterkt doordat de regering er niet in geslaagd is de

moordenaars te vinden van verscheidene journalisten die sinds 2000 vermoedelijk vanwege hun

werk zijn vermoord.

De EU is mensenrechtenkwesties aan de orde blijven stellen in alle vergaderingen van de samen-

werkingscomités en -raden met Centraal-Aziatische landen, alsook in vergaderingen in andere

samenstelling, waar dergelijke overeenkomsten ontbreken.

Oezbekistan heeft geweigerd in te gaan op verzoeken van de EU, de OVSE en de VN om een

onafhankelijk onderzoek naar de gebeurtenissen in Andijan van mei 2005 (waarbij honderden

burgers door de veiligheidsdiensten zijn gedood). De daaropvolgende processen (die gedeeltelijk

door het ODIHR als waarnemer werden bijgewoond) voldeden niet aan de criteria van openheid en

eerlijkheid. Oezbekistan heeft niet gereageerd op de ODIHR-verslagen inzake processen. De

mensenrechtensituatie is over het algemeen nog verslechterd door de vervolging van mensen-

rechtenverdedigers, journalisten en oppositieleden, alsook door de ontwikkeling van nieuwe

wetgeving die de activiteiten van NGO's en de media aan banden legt. De SVEU Jan Kubis heeft

het land één keer bezocht, maar werd daarna niet meer toegelaten; de persoonlijk vertegen-

woordiger voor de mensenrechten van de hoge vertegenwoordiger Javier Solana mocht het land niet

in, evenmin als zijn ambtsgenoten van de VN en de OVSE. Andere negatieve gebeurtenissen waren

onder meer de sluiting van het Bureau van de UNCHR en de opheffing van belangrijke inter-

nationale NGO's. Oezbekistan heeft onderhandelingen gevoerd over een nieuw, uiterst beperkt

mandaat, dat de rol van het OVSE-centrum beperkt tot een projectcoördinatiebureau. Op 3 oktober

2005 heeft de Raad beperkende maatregelen genomen tegen de Oezbeekse autoriteiten, waaronder

een visumverbod en een wapenembargo voor het land. Deze maatregelen zijn op 15 mei 2006

bekrachtigd, en zullen in het najaar worden geëvalueerd. De Derde Commissie van de 60e AVVN

heeft een resolutie over Oezbekistan aangenomen (voor nadere gegevens, zie hoofdstuk 5.1).

Oezbekistan weigert mee te werken met de procedures van Resolutie 1503 of met de speciale

rapporteurs van de VN. Naar verluidt komt foltering in Oezbekistan nog vaak voor.

De EU was verheugd over het moedige besluit van Kirgizië om de honderden vluchtelingen die na

de gebeurtenissen in Andijan de grens hebben overschreden, niet aan Oezbekistan uit te leveren.

Vier van deze vluchtelingen hebben het beroep dat zij in laatste instantie tegen hun uitlevering

hadden ingesteld, evenwel verloren. Ondanks dringende oproepen van de EU aan de Kirgizische

autoriteiten om ook in deze gevallen, niettegenstaande de druk van Oezbekistan, hun internationale

verplichtingen na te leven, heeft Kirgizië de vier vluchtelingen en een asielzoeker in augustus 2006

uitgeleverd. De EU betreurt het ten zeerste dat de Kirgizische autoriteiten hun internationale

verplichtingen niet zijn nagekomen en heeft de Oezbeekse autoriteiten opgeroepen ervoor te zorgen

dat de betrokkenen eerlijk volgens internationale normen worden behandeld.

De EU heeft Tadzjikistan aangemoedigd voort te gaan op de ingeslagen weg van stabilisatie. Zij

heeft erop gewezen dat corruptiebestrijding er niet toe mag leiden dat de groei van het maat-

schappelijk middenveld wordt onderdrukt. Zij zal de volgende presidentsverkiezingen op de voet

volgen, en er daarbij op aandringen dat vorderingen worden gemaakt met de naleving van inter-

nationale normen, onder meer door de aanbevelingen die het ODIHR bij de vorige parlements-

verkiezingen heeft geformuleerd, op te volgen.

6.2. Afrika

De EU streeft er al verscheidene jaren naar om inzake de mensenrechtensituatie in Afrika een beleid

te volgen dat gebaseerd is op samenwerking in plaats van op confrontatie, bijvoorbeeld door middel

Het gemeenschappelijk standpunt inzake mensenrechten, democratische beginselen,

rechtsstaat en behoorlijk bestuur in Afrika83 wordt om de zes maanden door de Raad opnieuw

bezien. Op 22 november 2004 zijn de activiteiten ter uitvoering van het gemeenschappelijk

standpunt opnieuw bezien. De EU heeft ook politieke en financiële steun verleend aan de agenda

van de Afrikaanse Unie (AU) voor bestuursvraagstukken, onder meer voor waarneming bij

verkiezingen en voor de oprichting van een Eenheid Bestuur bij de Commissie van de AU. De EU

en de AU zijn tijdens de ministeriële trojkabijeenkomst van april 2005 overeengekomen samen te

werken bij de versterking van het werk van de Afrikaanse commissie voor de rechten van de mens

en de volkeren voor het toezicht op de uitvoering van het Afrikaanse Handvest van de rechten van

de mens en de volkeren. Op 12 april 2005 heeft de Raad een gemeenschappelijk standpunt over de

preventie, beheersing en oplossing van conflicten in Afrika84 aangenomen. Het heeft voornamelijk

ten doel rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen in het Europees Veiligheids- en

Defensiebeleid (EVDB), meer concreet met het actieplan voor EVDB-ondersteuning voor vrede en

veiligheid in Afrika, en met de conclusies over vrede en veiligheid in Afrika die de Raad in

november 2004 heeft aangenomen. De EU heeft ook bijstand van vitaal belang aan de AU en aan

Afrikaanse subregionale organisaties verleend door de Afrikaanse Vredesfaciliteit te financieren.

Dat heeft een belangrijke bijdrage geleverd tot het vermogen van de AU om vredestroepen in

Darfur in te zetten. De middelen van die Vredesfaciliteit worden gebruikt voor

vredesondersteunende operaties in de Centraal-Afrikaanse Republiek (FOMUC) en de Comoren, en

voor programma's voor capaciteitsopbouw op de langere termijn in de AU.

Op 16 december 2005 heeft de Europese Raad de strategie van de EU voor Afrika85 aangenomen.

In de strategie wordt voortgebouwd op belangrijke vorderingen die door de Afrikanen zelf zijn

gemaakt. De kernbeginselen zijn partnerschap op basis van internationaal recht en mensenrechten,

gelijkheid en wederzijdse verantwoordingsplicht. De achterliggende filosofie is de Afrikaanse eigen

inbreng en verantwoordelijkheid, onder meer met behulp van de Afrikaanse instellingen.

In de strategie wordt bepaald dat een succesvolle ontwikkeling de naleving vereist van de

mensenrechten, democratische beginselen, rechtsstatelijkheid, doeltreffende, goed bestuurde staten,

en sterke, efficiënte instellingen.

In de strategie zegt de EU toe de mensenrechten, waaronder de rechten van vrouwen, kinderen en

kwetsbare groepen te bevorderen en te beschermen, te helpen een eind te maken aan straffeloosheid,

onder meer via het Internationaal Strafhof, de fundamentele vrijheden en de eerbiediging van

rechtsstatelijkheid in Afrika te bevorderen, onder meer door middel van capaciteitsopbouw voor het

gerechtelijk apparaat, nationale mensenrechtencommissies en organisaties van het maatschappelijk

middenveld. Daartoe zal de omvangrijke financiering op grond van de bilaterale programma's van

de EG en de lidstaten worden gehandhaafd. Tijdens de referentieperiode is 50 miljoen euro

krachtens het 9e EOF toegewezen om de capaciteit van de Afrikaanse Unie te helpen versterken,

voortbouwend op de 35 miljoen euro die reeds voor dit doel zijn uitgetrokken op grond van de

Vredesfaciliteit voor Afrika .

De EU zal via de politieke dialoog en het overleg met de Afrikaanse partners, de Afrikaanse

inspanningen ter bewaking en verbetering van goed bestuur stimuleren, onder meer door steun aan

het Afrikaanse Peer Reviewmechanisme (APRM) van het nieuwe partnerschap voor de

ontwikkeling van Afrika (NEPAD). Dit zou moeten leiden tot verwezenlijking van hun doelstelling

van vier voltooide evaluaties per jaar vanaf 2006, en tot de ontwikkeling van een bestuursinitiatief

ter ondersteuning van de nationale hervormingen die uit het APRM-proces voortvloeien. De EU zal

een faciliteit voor goed bestuur instellen op grond van het Europees nabuurschaps- en

partnerschapsinstrument.

De EU zal steun verlenen voor de bestrijding van corruptie, mensenhandel, illegale drugs en

De EU zal de opgang van de participatieve democratie en verantwoordingsplicht in Afrika

bevorderen, onder meer via steun voor Afrikaanse parlementen en de civiele samenleving, en een

versterkt programma voor verkiezingsbijstand en verkiezingswaarnemingsmissies van de EU, met

inbegrip van een herziening van hun mandaat in 2006.

Wat de Democratische Republiek Congo (DRC) betreft, hebben de talrijke schendingen van de

mensenrechten in het Ituri-district, Noord- en Zuid-Kivu en Katanga, tegen de achtergrond van de

aanhoudende onveiligheid in de oostelijke provincies, grote bezorgdheid gewekt. Ook in de

veiligheidssector, de belabberde staat van de strijdkrachten van de DRC (FARDC) incluis, kon

maar weinig vooruitgang worden geboekt in de strijd tegen straffeloosheid of voor de eerbiediging

van de grondrechten. Daarom heeft de Raad de broodnodige hervorming van de veiligheidssector in

de DRC, waartoe de adviserende EVDB-missie EUSEC is ingezet, actief bevorderd. In nauw

overleg met de VN heeft de speciale vertegenwoordiger van de EU, de heer Ajello, herhaaldelijk de

ontstellende mensenrechtensituatie, het gebrek aan veiligheid in sommige gebieden van de DRC en

de noodzaak van verdere hervormingen van de veiligheidssector bij de overgangsautoriteiten

aangekaart. De Derde Commissie van de 60e AVVN heeft een resolutie over de DRC aangenomen

(voor nadere gegevens, zie hoofdstuk 5.1).

De EU blijft zich ernstige zorgen maken over de aanhoudende schendingen van de mensenrechten

in Darfur (West-Sudan). De maatregelen in de artikelen 2, 3 en 4 van het gemeenschappelijk

standpunt met betrekking tot restrictieve maatregelen tegen Sudan86 van 30 mei 2005 zijn in mei

een besluit aangenomen tot uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2005/411/GBVB waarbij,

overeenkomstig Resolutie 1672 (2006) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (UNSCR

1672(2006)), restrictieve maatregelen worden genomen tegen vier personen. Tijdens de derde

commissie van de 60e AVVN leed de EU een krappe nederlaag bij de stemming over een motie

inzake Sudan om geen actie te ondernemen (voor nadere gegevens, zie hoofdstuk 5.1).

De Raad heeft herhaaldelijk zijn diepe bezorgdheid geuit over de aanhoudende schendingen van de

mensenrechten en het internationaal humanitair recht in Darfur. Zo herinnerde hij in zijn conclusies

van 15 mei 2006 bijvoorbeeld aan zijn steun voor sancties tegen degenen die het vredesproces

dwarsbomen, mensenrechtenschendingen plegen, dan wel het staakt-het-vuren en het

wapenembargo schenden, en bevestigde zijn standpunt dat de in Resolutie 1591(2005) van de VN-

Veiligheidsraad vastgestelde maatregelen ten volle moeten worden benut. De Raad zegde

andermaal zijn volledige steun toe aan het lopende onderzoek van het Internationaal Strafhof (ICC)

naar mensenrechtenschendingen in Darfur en riep alle partijen, en in het bijzonder de regering van

Sudan, op volledig samen te werken met het ICC.

In het kader van de politieke dialoog van artikel 8 met Sudan zijn een aantal vergaderingen

specifiek besteed aan mensenrechtenkwesties.

De EU heeft de mensenrechtensituatie in Ethiopië na de parlementsverkiezingen van 15 mei 2005

met bijzondere aandacht gevolgd. Na het uitbreken van geweld begin juni riep de EU de regering en

de veiligheidstroepen op zich terughoudend op te stellen en de internationale mensenrechten te

en de arrestatie van oppositieleiders, redacteuren, journalisten en vertegenwoordigers van de civiele

samenleving, gaf de EU, samen met de gehele donorgemeenschap, uiting aan haar diepe

bezorgdheid, en riep zij op de willekeurige afranselingen en massale arrestaties te staken en alle

politieke gevangenen vrij te laten. Sedertdien hebben de EU-vertegenwoordigers ten overstaan van

de Ethiopische autoriteiten herhaaldelijk uiting gegeven aan hun ernstige bezorgdheid over de

mensenrechtensituatie in het land en de situatie van gedetineerden. Zij hebben aangedrongen op de

eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat alsmede op de vrijlating van al diegenen die na

de politieke demonstraties van juni en november zijn aangehouden en op de eerbiediging van de

rechten van diegenen die in hechtenis blijven. De EU houdt sedert het begin toezicht op de

processen van de gedetineerden via de vertegenwoordigers van de ambassades in Addis Abeba en

via een advocaat, in overeenstemming met het gemeenschappelijk goedgekeurde mandaat.

De EU heeft haar aandacht ook gericht op de situatie in Noord-Uganda, en heeft uiting gegeven

aan haar ongerustheid over het aanslepen van het conflict, dat grote veiligheidsproblemen en een

ernstige humanitaire situatie heeft veroorzaakt. In zijn conclusies van 15 mei 2006 herinnert de

Raad eraan dat de regering van Uganda de eerste verantwoordelijkheid toekomt voor het aanpakken

van het conflict en de zware humanitaire gevolgen die het heeft gehad, en doet hij een beroep op de

regering van Uganda om de bescherming van haar burgers in Noord-Uganda nog te verbeteren. De

Raad beschouwt de uitvaardiging van een aanhoudingsbevel door het ICC tegen vijf bevelhebbers

van het Verzetsleger van de Heer (LRA) als een historische eerste stap, en herhaalt zijn opvatting

dat er geen straffeloosheid mag bestaan voor genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en

oorlogsmisdrijven. De Raad heeft de regering van Uganda en de buurlanden opgeroepen samen te

In de door dit verslag bestreken periode heeft de Raad Gemeenschappelijk Standpunt

2006/31/GBVB van 23 januari 2006 betreffende beperkende maatregelen tegen Liberia87

aangenomen om uitvoering te geven aan Resolutie 1647 van de Veiligheidsraad. Daardoor zijn de

bij Gemeenschappelijk Standpunt 2004/137/GBVB88 aangenomen maatregelen verlengd. Het

wapenembargo en de reisbeperkingen ten aanzien van bepaalde personen worden met een periode

van twaalf maanden verlengd en de beperkende maatregelen voor diamanten en houtproducten van

oorsprong uit Liberia worden met een periode van zes maanden verlengd89. Naar aanleiding van

Resolutie 1689 van de Veiligheidsraad van 20 juni 2006 waarbij de beperkende maatregelen voor

hout worden opgeheven op voorwaarde dat er een passende bosbouwwetgeving wordt aangenomen,

zal de Raad zijn standpunt heroverwegen. Gemeenschappelijk Standpunt 2004/487/GBVB van de

Raad betreffende beperkende maatregelen tegen voormalig President Taylor en sommige van zijn

naaste familieleden blijft van kracht90.

Op 23 januari 2006 heeft de Raad Gemeenschappelijk Standpunt 2006/30/GBVB91 aangenomen tot

verlenging en aanvulling van de beperkende maatregelen die bij Gemeenschappelijk Standpunt

2004/852/GBVBV92 aan Ivoorkust waren opgelegd. Deze maatregelen, ter uitvoering van

Resolutie 1572 van de VN-Veiligheidsraad, omvatten een reisverbod en de bevriezing van tegoeden

voor bepaalde personen die als hinderpalen voor het vredesverdrag worden gezien, alsmede een

wapenembargo. Tevens wordt bij Gemeenschappelijk Standpunt 2006/30/GBVB, overeenkomstig

Resolutie 1643 van de VN-Veiligheidsraad, alle invoer van ruwe diamanten uit Ivoorkust verboden

wordt. De Raad heeft op 15 mei 2006 conclusies aangenomen waarin hij zich verheugt over de

De EU is de mensenrechtensituatie in Zimbabwe en in het bijzonder de nasleep van de operatie

"Restore Order" van mei 2005 op de voet blijven volgen. De EU heeft de regering van Zimbabwe

aangemaand de zeer betreurenswaardige gevolgen van de operatie ongedaan te maken. Omdat de

mensenrechtensituatie in Zimbabwe er niet op vooruitgaat, heeft de Raad in januari 2006 bij

Gemeenschappelijk Standpunt 2006/51/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen

Zimbabwe het gemeenschappelijk standpunt, dat dateert van februari 2002 (2002/145/GBVB),

verlengd. De beperkende maatregelen behelzen een verbod op binnenkomst in de EU en een

bevriezing van tegoeden voor personen die zich schuldig maken aan activiteiten die de democratie,

de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat in Zimbabwe ernstig ondermijnen. Voorts is

er een embargo van kracht op de levering van wapens en uitrusting voor militaire operaties.

6.3. Amerika

Tijdens hun vierde topontmoeting in Wenen (12 mei 2006) hebben de leiders van de EU,

Latijns-Amerika en de Caribische landen onderstreept dat democratie, ontwikkeling en

eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden basisbeginselen van het

strategisch biregionaal partnerschap zijn. De partijen bevestigden hun gehechtheid aan de

doeltreffende bevordering en de bescherming van de mensenrechten en verwelkomden de

oprichting van de Raad voor de Mensenrechten. De staatshoofden en regeringsleiders benadrukten

dat zij vastbesloten zijn zich in te zetten voor volledige gendergelijkheid en bijzondere aandacht

voor vrouwen, kinderen, mensen met een handicap, inheemse bevolkingsgroepen en minderheden.

De EU heeft het afgelopen jaar opnieuw haar bezorgdheid geuit over de mensenrechtensituatie in

Colombia en nogmaals uiting gegeven aan haar solidariteit met het Colombiaanse volk. De EU riep

alle illegale gewapende groepen op zich oprecht te engageren om via onderhandelingen een

oplossing te zoeken voor het interne gewapende conflict, en wees erop dat, terwijl het conflict

voortduurt, een humanitair akkoord moet worden bereikt. De Raad eiste opnieuw dat de illegale

gewapende groeperingen die nog steeds mensen in gijzeling houden, de betrokkenen onverwijld

onvoorwaardelijk vrijlaten, en drong er bij hen op aan in de toekomst af te zien van ontvoeringen.

Tevens wees de Raad erop dat het belangrijk is de veiligheid te waarborgen van de betrokken

personen, organisaties en instellingen, met inbegrip van de verdedigers van de mensenrechten, die

zich inzetten voor de bevordering en bescherming van de rechten van de mens, en dat de rechten

van personen die tot minderheden behoren en van inheemse volkeren moeten worden beschermd.

Na de vaststelling van de wet "Gerechtigheid en Vrede" nam de Raad nam nota van bezorgdheid dat

deze wet, afgemeten aan de internationaal overeengekomen normen, onvoldoende recht doet aan de

beginselen waarheid, gerechtigheid en genoegdoening. De Raad deelt veel van de bezwaren van de

UNHCHR betreffende, bijvoorbeeld, de vervaging van het onderscheid tussen "politieke" en andere

misdrijven, de korte tijdspanne voor het onderzoek van bekentenissen en voor het onderzoek naar

vermogensbestanddelen die wellicht zijn verkregen als gevolg van illegale activiteiten, de beperkte

mogelijkheden waarover slachtoffers beschikken om genoegdoening te eisen, de beperkte

maximumstraffen voor de ernstigste misdrijven, en de zware druk op de middelen van het

Colombiaanse rechtsstelsel om te voldoen aan de eisen van de nieuwe wet. De Raad was niettemin

de Colombiaanse regering en de civiele samenleving willen helpen bij het verlenen van steun aan

gemeenschappen die door het binnenlandse conflict zijn getroffen, slachtoffergroepen, lokale

verzoeningsactiviteiten, en de reïntegratie en demobilisatie van kindsoldaten, ter aanvulling van

bestaande programma's van UNICEF en anderen.

Op 26 juni 2006 heeft de EU een verklaring afgelegd waarin zij haar steun uitspreekt voor de

verlenging van het mandaat van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de

mensenrechten. De Unie is voorstander van de voortzetting van de aanwezigheid van het bureau,

gezien de belangrijke rol die het speelt en onderstreept hoe belangrijk het is dat de regering van

Colombia het Colombiaanse bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de

mensenrechten actief steunt en actief gebruik maakt van alle diensten van dat bureau.

De situatie in Colombia zal regelmatig worden geëvalueerd. Daarbij zal de aandacht in het

bijzonder uitgaan naar de uitspraken van het Constitutioneel Hof die met name beogen de rechten

van het slachtoffer te versterken.

In zijn recente conclusies van 12 juni 2006 over de 16e toetsing van het gemeenschappelijk

standpunt betreurt de Raad de verdere achteruitgang van de mensenrechtensituatie in Cuba sedert de

laatste toetsing in juni 2005. De Raad neemt er nota van dat het aantal politieke gevangen in Cuba

de afgelopen twaalf maanden is toegenomen; volgens Cubaanse mensenrechtenorganisaties zouden

er nu meer dan 330 gevallen zijn geregistreerd, waaronder verschillende van personen die zonder

aanklacht of proces sinds 2005 worden vastgehouden. Daarnaast zijn honderden jonge Cubanen

Bijzonder zorgwekkend zijn sinds juli 2005, de tientallen gewelddadige pesterijen en intimidaties,

waaronder gevallen van georganiseerde straatterreur. De Raad is bezorgd over berichten dat

sommige gevallen van straatterreur zouden plaatsvinden met de heimelijke medewerking van

politie- en veiligheidsdiensten. De Cubaanse autoriteiten vervullen hoe dan ook niet hun

verplichtingen om alle burgers te beschermen. De Raad vraagt de Cubaanse regering met klem

onverwijld op te treden om een eind te maken aan de pesterijen, en alles in het werk te stellen om te

voorkomen dat deze opnieuw beginnen. De EU veroordeelt krachtig deze daden en andere

beperkingen van de fundamentele politieke en burgerrechten die zijn gewaarborgd bij de Universele

Verklaring van de Rechten van de Mens en de overige internationale verplichtingen op

mensenrechtengebied waarbij Cuba partij is als VN-lid en ondertekenaar van desbetreffende

verklaringen. De EU herinnert de Cubaanse autoriteiten in het bijzonder aan hun

verantwoordelijkheid op het vlak van de grondrechten van vrije toegang tot informatie, vrijheid van

meningsuiting, vereniging en vergadering, het recht op persoonlijke levenssfeer en een eerlijke

rechtsbedeling. De EU herinnert ook aan het van alle verkozen leden van de Mensenrechtenraad

vereiste engagement om de hoogste normen te handhaven bij de bevordering en bescherming van de

mensenrechten. De EU zal het beleid van de Cubaanse regering op het stuk van de mensenrechten

op de voet blijven volgen.

De EU heeft ontmoetingen met leden van de Cubaanse regering herhaaldelijk aangegrepen om

problemen op het gebied van de mensenrechten in Cuba aan de orde te stellen. Deze acties hebben

jammer genoeg geen vruchten afgeworpen omdat Cuba demarches op het gebied van de

De EU neemt er met voldoening nota van dat Venezuela alle belangrijke internationale verdragen

heeft bekrachtigd en dat de fundamentele mensenrechten door de grondwet worden gegarandeerd.

In de praktijk worden deze rechten echter niet altijd toegepast of nageleefd. De EU neemt met

bezorgdheid nota van tekenen die wijzen op autoritair bestuur, onvoldoende onafhankelijkheid en

gezag van de rechterlijke macht en corruptie bij de politie. Andere zorgpunten betreffen de

toename van het geweld en de ontvoeringen. Tevens volgt de EU nauwlettend een aantal

rechtszaken tegen oppositieleden en mensenrechtenverdedigers.

De EU heeft nota genomen van de belangrijke maatregelen die Mexico heeft genomen om de

eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen. De mensenrechtensituatie in Mexico blijft echter

voor aanzienlijke uitdagingen zorgen. Een grote hervorming van de wetgeving en het gerechtelijk

apparaat, die veel structurele problemen waardoor schendingen van de mensenrechten ontstaan, had

aangepakt, is in het Mexicaans Congres blijven steken. Het bezoek van de persoonlijke

vertegenwoordiger van de SG/HV aan Mexico (2-3 september 2005) is zeer nuttig gebleken om de

lokale inspanningen van de EU ter bevordering van de mensenrechten te ondersteunen, niet het

minst omdat het heeft aangetoond hoe belangrijk de EU dit thema vindt. Sedert 2002 werken

Mexico en de Europese Commissie samen op het gebied van de mensenrechten in het kader van het

EIDHR.

De EU maakt zich zorgen over de hoge mate van geweld en onveiligheid in Guatemala die tot

gevolg heeft dat maatregelen om de mensenrechten te ontwikkelen en beter te doen naleven worden

Vanuit haar bezorgdheid over het toenemende aantal jeugdbendes (maras) in geheel Midden-

Amerika heeft de EU zich gebogen over de veiligheidssituatie en het beleid in de landen die het

zwaarst door deze vorm van geweld worden getroffen, met name Guatemala, Honduras en El

Salvador. De EU wees erop dat het openbare veiligheidsbestel moet worden hervormd en dat dit

probleem en de regionale samenwerking een alomvattende aanpak vergen. De EU zal het maras-

vraagstuk en daarmee verband houdende veiligheidsaspecten op de agenda van de politieke dialoog

van San José zetten.

De EU heeft haar steun gegeven aan de VN-vredeshandhavingsoperatie in Haïti, MINUSTAH,

waarvan het mandaat ook de bescherming van de mensenrechten omvat. De

verkiezingswaarnemingsmissie van de EU heeft een positieve rol gespeeld in de recente

verkiezingen in Haïti. De EU heeft zich ertoe verbonden de regering van Haïti te helpen met het

proces van nationale verzoening en in het bijzonder het herstel van de politieke stabiliteit, de

verbetering van de veiligheids- en mensenrechtensituatie en het opnieuw op gang brengen van het

economisch herstel van Haïti.

Het afgelopen jaar heeft de EU in het Caribisch gebied verschillende demarches ondernomen met

betrekking tot de doodstraf en het ICC.

6.4. Azië

november. Het nieuwe parlement, waarin 27 procent van de zetels door vrouwen worden bezet, is

een afspiegeling van de politieke en ethnische diversiteit van Afghanistan. Van de 420 beschikbare

zetels in de provincieraden gingen er 121 naar vrouwen, maar hun aandeel in de nationale regering

lijkt terug te lopen. Omdat het proces van Bonn zijn voltooiing nadert, hebben de EU en

Afghanistan midden november een gemeenschappelijke politieke verklaring aangenomen, waarin

een nieuw partnerschap wordt omschreven en de EU haar verbintenissen op lange termijn jegens

Afghanistan bevestigt. De EU committeerde zich aan het "Afghanistan Compact" en de voorlopige

Afghaanse nationale ontwikkelingsstrategie, beide slotdocumenten van de Conferentie van Londen

die in januari 2006 is gehouden. Goed bestuur, rechtsstaat en mensenrechten vormen de drie pijlers

van het Afghanistan Compact.

De EU bleef zich zorgen maken over het opleggen van de doodstraf. Vrouwen blijven in

Afghanistan sterk beperkt in de uitoefening van hun rechten, onder meer door hinderpalen bij de

toegang tot het onderwijs, wijdverbreide discriminatie, beperkte toegang tot de rechter en

alomtegenwoordig geweld tegen vrouwen en meisjes. Het Bureau van de speciale

vertegenwoordiger van de EU blijft zich ook actief bezighouden met de mensenrechten.

Regeringsplannen om een Departement ter bevordering van zedelijk gedrag en ter voorkoming van

onzedelijk gedrag in te stellen, moeten op de voet worden gevolgd.

De verontrusting van de EU over de toestand van het bestuur in Bangladesh is blijven toenemen.

De omvang van de uitdagingen waarvoor het land zich geplaatst ziet, bleek duidelijk uit de

ontploffing van een vijfhonderdtal bommen op 17 augustus 2005. In de nasleep van deze aanslag

De EU is de betrekkingen met India blijven ontwikkelen conform de positie van dit land als een

van de zes strategische partners van de EU. De top EU-India in New Delhi heeft op 7 september

2005 een gemeenschappelijk actieplan aangenomen dat een groot aantal beleidsgebieden,

waaronder democratie en mensenrechten, omvat. In dat hoofdstuk is overeengekomen de dialoog

over de mensenrechten bilateraal en multilateraal voort te zetten om te komen tot een beter

wederzijds begrip. De EU-trojka en haar Indiase tegenhangers hebben op 1 december 2005 in New

Delhi vergaderd over mensenrechten. Sedertdien verwelkomde de EU de verkiezing van India als

oprichtend lid van de Raad voor de mensenrechten van de VN en wordt er in dat kader

samengewerkt.

De EU verwelkomde de vorderingen in het kader van de brede dialoog tussen India en Pakistan

die bijdraagt tot het creëren van een beter klimaat om de mensenrechten in Kashmir aan de orde te

stellen.

Pakistan blijft kampen met een unieke problematiek op het gebied van de mensenrechten. Een

greep uit de belangrijkste schendingen van de mensenrechten tijdens de verslagperiode: een

aanhoudend hoog aantal doodstraffen, toenemend misbruik van de blasfemiewetten in geschillen

die niets met religie van doen hebben en het feit dat tot 90% van de vrouwen in Pakistan te maken

krijgt met huiselijk geweld, waarbij het aantal gevallen nog toeneemt. Dit waren de voornaamste

gespreksonderwerpen tijdens het bezoek van de EU-trojka van politieke directeuren op 27

september 2005 aan Islamabad. Nochtans is het aantal terechtstellingen in 2005 dramatisch

De mensenrechten in Nepal kwamen onder bijzondere sterke druk te staan na de afkondiging van

de noodtoestand door koning Gyanendra op 1 februari 2005. Hieraan kwam grotendeels een einde

op 24 april 2006 toen het parlement door een nieuwe proclamatie door de koning opnieuw werd

ingesteld. De EU sprak zich, met name tijdens het bezoek van een trojka van regionale directeuren

aan Kathmandu in oktober 2005 duidelijk uit tegen de alleenheerschappij van de koning en

verheugde zich over het democratiseringsproces. De EU heeft ook tijdens de gehele verslagperiode

intensief steun verleend aan de missie van het OHCHR in Nepal die een nuttige bijdrage heeft

geleverd aan het registreren van schendingen van de mensenrechten door de maoïstische

opstandelingen en de veiligheidstroepen van de overheid.

De EU blijft, als een van de mede-voorzitters van de Conferentie van Tokyo van 2003, het

vredesproces in Sri Lanka bevorderen. De EU stond volledig achter Noorwegen om er bij de

regering van Sri Lanka en de LTTE (Liberation Tigers of Tamil Eelam - Bevrijdingstijgers van

Tamil Eelam) op aan te dringen het in 2002 ondertekende staakt-het-vuren te eerbiedigen en de

rechtstreekse besprekingen te hervatten. Beide partijen zijn er jammer genoeg niet in geslaagd de

verzoeningskans die de tsunami van 2004 hun bood, te grijpen, en in de lente van 2006 begon de

situatie snel achteruit te gaan. In het licht van het toenemende geweld tegen burgers heeft de EU op

31 mei 2006 uiteindelijk besloten de LTTE als terroristische organisatie aan te merken.

Sedert de aankondiging van brede politieke hervormingen in juni 2004 in de Maldiven, heeft de EU

haar contacten met de regering en de oppositie ter bevordering van de dialoog tussen beide,

De voortdurende systematische schendingen van de mensenrechten in Birma/Myanmar hebben het

voorwerp uitgemaakt van diverse verklaringen van de EU of van het voorzitterschap. Zo heeft het

voorzitterschap van de EU op 29 mei 2006 het besluit van de Birmaanse autoriteiten om het

huisarrest van NLD-leider Daw Aung San Suu Kyi te verlengen, veroordeeld en heeft zij het

militaire regime opgeroepen Daw Aung San Suu Kyi en alle andere politieke gevangen vrij te laten

en alle politieke en etnische krachten van het land te betrekken in een volwaardige dialoog om

daadwerkelijke nationale verzoening en democratie tot stand te brengen.

De EU stelt de mensenrechtensituatie in Birma/Myanmar ook op gezette tijden aan de orde tijdens

de ontmoetingen met Aziatische partners om uiting te geven aan de zorg van de EU en ze aan te

sporen zich duidelijker uit te spreken voor een democratische overgang in Birma/Myanmar. Met

gelijkgestemde partners onderzoekt de EU geregeld hoe de druk om veranderingen in het land

teweeg te brengen, kan worden opgevoerd. De EU blijft bezorgd over de gebeurtenissen die tot

gevolg hebben gehad dat een stijgend aantal mensen, vooral uit Karen State, op de vlucht zijn

geslagen. Een ander belangrijk punt van zorg zijn de niet aflatende meldingen van dwangarbeid in

Birma/Myanmar. Voorts heeft de EU in april 2006 haar gemeenschappelijk standpunt betreffende

beperkende maatregelen tegen diegenen in Birma/Myanmar die het meest profiteren van het

wanbestuur van het regime, en diegenen die het proces dat moet leiden tot nationale verzoening,

eerbiediging van mensenrechten en democratie, actief dwarsbomen, met nog eens twaalf maanden

verlengd.

In januari 2006 heeft de EU haar bezorgdheid uitgesproken over wat zij toen zag als een

verslechtering van de politieke situatie in Cambodja die culmineerde in de arrestatie van de

directeur van het Cambodjaanse centrum voor de mensenrechten eind december 2005. Hoewel de

latere vrijlating van deze mensenrechtenverdediger en anderen die naar aanleiding van de

gebeurtenissen tijdens de ceremonie ter gelegenheid van de Dag van de mensenrechten op

10 december 2005 waren gearresteerd, de EU enigszins hebben gerustgesteld, blijft zij de

ontwikkelingen in Cambodja nauwlettend in de gaten houden. Recente meldingen van corruptie

baren de EU ook zorgen. Landroof is in Cambodja een gesel die vooral de armen treft.

Laos blijft een eenpartijstaat met beperkingen op een aantal burgerrechten en politieke rechten. De

omstandigheden in de gevangenissen blijven aanleiding geven tot ernstige bezorgdheid. De EU

blijft zich ook zorgen maken over de situatie van de Lao Hmongs en het lot van 26 kinderen wier

repatriëring van Thailand naar Laos in ruime mate bekritiseerd werd. Voorts is de EU diepbezorgd

over een incident waarbij naar verluidt een aantal Lao Hmongs - vrouwen en kinderen - werd

gedood in de provincie Luang Prabang in Laos. De EU steunt de Laotiaanse inspanningen voor de

ratificering en uitvoering van het internationaal recht, alsmede andere inspanningen die gericht zijn

op de versterking van de rechtsstaat in Laos.

In Thailand blijft het niveau van geweld in het uiterste zuiden aanleiding geven tot ernstige

bezorgdheid. De EU is met de Thaise regering nauwe contacten over de ontwikkelingen blijven

onderhouden en heeft haar bezorgdheid geuit over het verlies aan mensenlevens, dat sinds januari

Tijdens de verslagperiode is de EU zich actief, permanent en constructief blijven inzetten voor de

bevordering van de mensenrechten in China. Een constructieve dialoog blijft voor de EU het

geprefereerde kanaal om te ijveren voor een verbetering van de mensenrechtensituatie in China. De

EU en China bespreken het thema mensenrechten in hun politieke dialoog en in een specifieke

dialoog over de mensenrechten (zie tevens hoofdstuk 3.4.2). Tijdens de achtste top EU-China die op

5 september 2005 in Peking plaatsvond, is andermaal het streven naar meer samenwerking en

uitwisseling op dit gebied bevestigd. De 20e ronde van de mensenrechtendialoog tussen de EU en

China vond op 24 oktober 2005 in Peking plaats en de 21e ronde op 25-26 mei 2006 in Wenen. De

dialoogrondes waren onder andere toegespitst op beperkingen inzake de vrijheid van meningsuiting

en godsdienst, de doodstraf, administratieve hechtenis en het systeem van heropvoeding door

arbeid. De EU sprak haar bezorgdheid uit inzake de vrijheid van godsdienst en de rechten van

personen die tot minderheden behoren in Tibet en Xinjiang, en zij drong aan op de uitvoering van

de aanbevelingen die de speciale rapporteur inzake folteringen, de heer Manfred Nowak, naar

aanleiding van zijn recent bezoek heeft geformuleerd. In het kader van de mensenrechtendialoog

overhandigde de EU een lijst met individuele gevallen die aanleiding geven tot bezorgdheid. Tevens

ondernam de EU meermaals demarches met betrekking tot individuele mensenrechtengevallen. De

autoriteiten van de EU en China organiseerden in het kader van de dialoog twee seminars inzake

mensenrechten, één in Londen op 12-13 december 2005 en één in Wenen op 22-23 mei 2006.

De vrijheid van meningsuiting is een van de belangrijkste punten van zorg vanwege verontrustende

tendensen in China naar meer beperkingen in de media en op het internet, aanhoudingen en

Administratieve straffen in de vorm van heropvoeding door arbeid blijven een ernstige schending

van de mensenrechten vormen. In aansluiting op een aantal wetgevende stappen zullen beroepen

tegen de doodstraf, naar verwacht wordt, opener worden behandeld. China geeft echter nog steeds

geen statistieken over de doodstraf vrij, wat aanleiding geeft tot bezorgdheid over het aantal

jaarlijks terechtgestelden. Minderheden in Xinjiang krijgen te maken met repressie uit vrees van het

centrale gezag voor Oejgoerse activisten die streven naar onafhankelijkheid voor Oost-Turkestan.

De mensenrechtenreputatie van de Democratische Volksrepubliek Korea (DPRK) is in ruime kring

een van de slechtste ter wereld. In het najaar diende de EU bij de Derde Commissie van de AVVN

een landenspecifieke resolutie in waarin de DPRK werd opgeroepen alle mensenrechten en

fundamentele vrijheden volledig te eerbiedigen, te zorgen voor de kwaliteit van de humanitaire

bijstand, en volledig samen te werken met de speciale rapporteur van de VN (voor meer

bijzonderheden, zie hoofdstuk 5.1). In de AVVN-resolutie wordt een optreden van de VN

voorgesteld indien de DPRK de verzoeken van de CHR voor verbetering blijft negeren.

De EU leverde in het voorjaar van 2006 speciale inspanningen om de DPRK ervan te overtuigen af

te zien van de doodstraf, en zij benadrukte voorts de wenselijkheid dat de DPRK samenwerkt met

de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten in het land, professor Vitit Muntarbhorn.

De EU maakt zich zorgen over de moeilijkheden die Europese NGO's en bureaus voor humanitaire

hulp ondervinden vanwege de door Pyongyang genomen restrictieve maatregelen.

De EU heeft kunnen bijdragen aan een aanzienlijke verbetering van de mensenrechtensituatie in de

provincie Atjeh, dankzij de Waarnemingsmissie voor Atjeh waarvan het toezicht op de

mensenrechten een van de kerntaken is. Dit blijkt eveneens uit de benoeming van een

plaatsvervangend hoofd van de missie voor reïntegratie, amnestie en mensenrechten (voor meer

informatie, zie het tekstkader betreffende de Waarnemingsmissie voor Atjeh in hoofdstuk 3.1).

De EU besteedde veel aandacht aan Oost-Timor waar de interne veiligheid in het voorjaar 2006

ernstig verslechterd is. Geweld en onrust vormden een gevaar voor de verwezenlijkingen van het

jongste land in Azië sinds het begin van zijn onafhankelijkheid in 2002. De EU sprak, mede op het

niveau van de Europese Raad in juni 2006, zijn diepe bezorgdheid uit over de ontwikkelingen in het

land, en prees Portugal voor het zenden van politiefunctionarissen ingevolge verzoeken van de

Oost-Timorese regering om bijstand bij het handhaven van de veiligheid ter plaatse. De EU

benadrukte dat de berechting van de ernstige mensenrechtenschendingen van 1999 in Oost-Timor

moet worden voltooid. De EU benadrukte tevens dat de internationale gemeenschap zich ten doel

heeft gesteld het land te ondersteunen bij het herstel van de openbare orde en bij het streven naar

verzoening tussen de partijen bij het conflict. De EU sprak in mei 2006 haar bezorgdheid uit over de

ontwikkelingen in het land, en verwelkomde de positieve reacties van een aantal regeringen op

verzoeken van de regering van Oost-Timor om te helpen de veiligheid te herstellen en te

handhaven. De Commissie keurde op 9 juni 2006 een nationaal strategiedocument en een indicatief

programma goed waarin, naast steun voor plattelandsontwikkeling, voorrang wordt verleend aan

institutionele capaciteitsopbouw. Het feit dat het bureau van de Provedor (ombudsman) voor

Ondanks de gestage vooruitgang inzake mensenrechten op de Filipijnen in de afgelopen jaren,

sprak de EU haar bezorgdheid uit over de op 24 februari 2006 uitgeroepen noodtoestand. De EU

riep in haar contacten met het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Filipijnen de regering op

de mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen, en zij hoopte op een spoedige opheffing van de

noodtoestand. Deze werd dan ook op 3 maart 2006 opgeheven, een week nadat hij was uitgeroepen.

Positiever is dan weer dat de EU zeer ingenomen was met de ondertekening door president Arroyo,

op 24 juni 2006, van de wetgeving waarmee de doodstraf op de Filipijnen wordt afgeschaft. De EU

houdt permanent toezicht op de mensenrechtensituatie in de Filipijnen en heeft haar bezorgdheid

uitgesproken over de onbevredigende uitvoering van de meeste akkoorden, overeenkomsten en

verdragen op het gebied van de mensenrechten, en met name over buitengerechtelijke executies

(van politieke activisten, journalisten, mensenrechtenverdedigers, rechters en advocaten). De

Filipijnen zijn in april 2006 toegevoegd aan de lijst van prioritaire landen op het stuk van kinderen

en gewapende conflicten.

6.5. Midden-Oosten

In Iran bleven ernstige schendingen van de mensenrechten plaatsvinden. Sinds het jongste

jaarverslag is weinig of geen vooruitgang geboekt wat betreft de voornaamste aandachtspunten van

de EU. In vele opzichten is de situatie zelfs verslechterd. De doodstraf wordt veelvuldig gebruikt,

ook voor jeugdige daders. De vrijheid van meningsuiting wordt sterk beknot. Er wordt regelmatig

bericht over foltering. Mensenrechtenverdedigers blijven berichten over pesterijen en intimidatie.

In de betrokken periode hebben EU-vertegenwoordigers vraagstukken op het gebied van de

mensenrechten bij tal van gelegenheden bij de Iraanse overheid aangekaart. De aan de orde gestelde

punten omvatten onder meer het veroordelen tot de doodstraf en het geselen van jeugdige

delinquenten, het intimideren door de overheid van mensen die hun mening vreedzaam verkondigen

of uiten, en de vervolging van religieuze minderheden, vooral de Bahá'ís en de Sufi-gemeenschap.

De EU gaf tevens uiting aan haar bezorgdheid over de ernstige beperkingen van de vrijheid van

meningsuiting, waaronder de sluiting van kranten, de strenge aanpak van web-bloggers en de

detentie van politieke gevangenen. Tijdens de verslagperiode vonden er geen bijeenkomsten in het

kader van de mensenrechtendialoog tussen de EU en Iran plaats (voor nadere informatie, zie

hoofdstuk 3.4.2). Tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in december 2005

waren alle EU-lidstaten mede-indiener van een resolutie over de mensenrechten in Iran. In de

resolutie werd diepe bezorgdheid geuit over de aanhoudende schendingen van de mensenrechten, en

werd Iran verzocht zich te houden aan zijn vrijwillig aangegane internationale verplichtingen.

De bevordering van de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat zijn belangrijke

aandachtgebieden in de betrekkingen van de EU met Irak. De EU-steun aan het grondwetgevend en

verkiezingsproces in 2005 was aanzienlijk. Naast omvangrijke financiële steun, leverde de EU ook

een aantal deskundigen die in de aanloop naar de verkiezingen van december zouden samenwerken

met de Onafhankelijke Verkiezingscommissie van Irak. De EU heeft via haar geïntegreerde

rechtsstaatmissie voor Irak (EUJUST LEX) sedert juli 2005 in EU-lidstaten een opleiding in beheer

en strafrechtelijk onderzoek verstrekt aan 700 hoge functionarissen van de politiediensten, het

In september 2005 hebben de EU en Irak een gezamenlijke verklaring over de politieke dialoog

ondertekend. De EU heeft deze dialoog benut om de doelstellingen van de EU op het gebied van de

mensenrechten te bevorderen en haar punten van zorg in verband met de mensenrechten in Irak tot

uiting te brengen. De EU sprak haar teleurstelling uit over het feit dat de doodstraf in september

2005 opnieuw is ingevoerd in Irak en heeft sedertdien herhaaldelijk aangedrongen op de afschaffing

ervan. Andere aan de orde gestelde zorgpunten hadden betrekking op regelingen voor de registratie

en de werking van NGO's, alsook op beschuldigingen van mensenrechtenschendingen door de

Iraakse veiligheidsdiensten.

De Europese Raad verwelkomde in juni 2006 het nieuwe Iraakse regeringsprogramma dat zich ten

doel stelt de rechtsstaat te verdedigen en de nationale eenheid en verzoening te bevorderen, en hij

bevestigde andermaal de bereidheid van de EU om Irak op deze gebieden bij te staan.

In Saudi-Arabië vonden er het afgelopen jaar een aantal positieve ontwikkelingen plaats, maar het

tempo van de hervormingen blijft traag. Tot verbeteringen op mensenrechtengebied behoorden de

verkiezingen in beroepsorganisaties, de instelling van een gouvernementele

mensenrechtencommissie en de voortzetting van de nationale dialoog. Het publiek in Saudi-Arabië

wordt zich ook steeds bewuster van mensenrechtenkwesties. In december verwelkomde de Raad de

verkiezing van twee vrouwen in de raad van bestuur van de Kamer van Koophandel van Jeddah,

naar aanleiding van de eerste verkiezingen voor een Saudisch overheidsorgaan die ook voor

vrouwelijke kandidaten openstonden. Er blijft echter grote bezorgdheid over de

6.6. Analyse van landgerichte acties

Een horizontale blik, hoewel veeleer beknopt en niet volledig, leert dat het aandeel van EU-

activiteiten op mensenrechtengebied in verschillende delen van de wereld vrij aanzienlijk is

geworden. De regionale comités beraden zich regelmatig op land- en regiospecifieke

mensenrechtenkwesties. Zo heeft de persoonlijk vertegenwoordiger van de SG/HR voor de

mensenrechten regionale comités bezocht en aldus de uitvoering van de prioriteiten en richtsnoeren

voor het mensenrechtenbeleid van de EU op regionaal niveau voor het voetlicht helpen brengen.

Een ander voorbeeld is de missie voor civiele crisisbeheersing in Atjeh/Indonesië, waar toezicht

door de hoge vertegenwoordiger voor het eerst een belangrijk onderdeel van een missie voor civiele

crisisbeheersing uitmaakte. De mogelijkheden om de mensenrechten te integreren in de uitvoering

van het EU-beleid, zijn nog steeds legio.

Deze ontwikkeling toont eens te meer het belang aan van niet-aflatende inspanningen om de

mensenrechten in de andere beleidssectoren te integreren, en van samenhang en consistentie van het

beleid en het optreden van de EU en haar lidstaten op mensenrechtengebied. Tekortkomingen of

inconsistenties op dit gebied zouden de geloofwaardigheid van ons beleid ondermijnen.

Voorts blijkt uit het EU-beleid op landenniveau duidelijk de zeer nauwe band tussen

mensenrechtenwerkzaamheden en de bevordering van de democratie. Deze onderwerpen

  • 7. 
    CONCLUSIE

Dit achtste jaarverslag over de mensenrechten toont aan in welke mate het externe en interne beleid

van de EU thans op beslissende wijze wordt geïnspireerd door mensenrechten, democratie en goed

bestuur. Door het groeiend aantal lidstaten is het nog duidelijker geworden dat interne ervaringen

van de EU met mensenrechtenschendingen nopen tot follow-up en actie. De EU moet aantonen dat

zij de mensenrechten binnen haar grenzen volledig eerbiedigt en doeltreffend optreedt tegen

mogelijke interne inbreuken. Alleen dan zal de EU met meer gezag kunnen spreken in de

internationale fora.

BIJLAGE I

OVERVIEW OF PROJECTS SELECTED FOR SUPPORT UNDER THE EIDHR

BETWEEN 1 JULY 2005 AND 30 JUNE 2006

I/ Projects selected through Global Calls for Proposals 92

Support for the abolition of the death penalty

Max. EC

Organisation Project Title Country

contribution

The Independent Jamaica Advocacy for the Abolition of the Death Jamaica 320.000

Council for Human Rights Penalty

International Helsinki A Coordinated Civil Society Campaign to Kazakhstan 423.694

Federation for Human Rights Abolish the Death Penalty in Central

Asian States

Nederlandse organisatie voor Awareness raising and lobbying against WB Gaza 298.339

internationale ontwikkelings-the Death Penalty in the occupied

samenwerking Palestinian Territory

Collectif des Ligues et Campagne de plaidoyer pour l'abolition Rwanda 300.000

Associations de Défense des de la peine de mort au Rwanda

Droits de l'Homme au Rwanda

Inter Press Service International Strengthening Awareness on the Worldwide 314.921

Prevention of torture

Max. EC

Organisation Project Title Country contributio

n

Avocats sans Frontières L'émergence du droit à un procès Burundi 920.000

équitable pour les victimes de torture au

Burundi

Great Britain China Centre Cutting Torture in the People's Republic China 583.845

of China: From Impunity to

Accountability

Friedrich Naumann Stiftung Eliminating Torture in India: from Public India 1.349.735

Awareness to State Accountability

Italian Consortium of Solidarity Coalition Against Torture - Preventing Israel 357.268

Torture in Israel and the Occupied

Territories

Associazione Italiana Donne Innovative tools for the abandonment of Kenya 304.936

Per Lo Sviluppo the practice of female genital mutilation /

cutting (FGM/C)

Toplum ve Hukuk Arastirmalari TOHAV Prevention of Torture Project Turkey 268.090

Vakfi / Foundation for Social

and Legal Studies

Rehabilitation of victims of torture

Max. EC

Organisation Project Title Country

contribution

Medica Tirana New approach to gender-specific trauma Albania 241.211

work with female torture survivors

Centro de Investigación y Proyecto integral de rehabilitación a Chile 1.035.000

tratamiento del stress afectados por la tortura y otras violaciones

a los derechos humanos en el Cono Sur de

América Latina. Contribución a la lucha

contra la impunidad y por la prevención

de la tortura.

Human Rights Foundation of Project concerning the treatment and Turkey 736.840

Turkey rehabilitation centres for torture survivors

IFF-Refugio München Partnership for Health Care, Worldwide 1.500.000

Rehabilitation and Support for Survivors

of Torture, Gross Human Rights

Violations and War and their Families in

Germany

Consiglio Italiano per i VI.TO. Hospitality and Care of Victims of Worldwide 596.880

Rifugiati Torture

SPIRASI - The centre for care The Centre for the Care of Survivors of Worldwide 693.222

of survivors of torture (ccst) Torture (CCST) at SPIRASI: Core costs

Behandlungszentrum Folteropfer Multimodal Rehabilitation of Torture Worldwide 1.132.320

Klinikum Victims and their Families in

Germany and Ukraine

ICAR Foundation Providing rehabilitation and seeking Worldwide 697.509

justice for victims of torture

The Kosovo Rehabilitation Centre Rehabilitation of Torture Victims and Worldwide 571.134

for Torture Victims Torture Prevention

Psycho-Social Centre for Beyond PTSD Life after Torture Worldwide 544.500

Refugees Düsseldorf e.V.-

Psychosoziales Zentrum für

Flüchtlinge Düsseldorf

Terre des Hommes Italia Onlus Fortalecimiento del servicio de Colombia 412.665

Rehabilitación psicosocial de niños,

niñas, jóvenes y sus familias victimas

de tortura en Colombia ofrecido por

el Centro de Atención Psicosocial en

Bogotá y las regiones

The international psycho - The programme of rehabilitation of Georgia 487.500

Rehabilitation centre for victims torture victims in Georgia

of torture, violence and

pronounced

Treatment and Rehabilitation Strengthening of Rehabilitation WB Gaza 966.701

Center for Victims of Torture Services to Victims of Torture in the

Combating impunity through international justice

Organisation Project Title Country Max. EC

contribution

Avocats sans Frontières Renforcer les capacités des acteurs locaux DR Congo 941.280

oeuvrant dans l'assistance juridique des

prévenus et des victimes de crimes

internationaux

OXFAM Generando condiciones políticas, jurídicas y Chile 478.317

ciudadanas para crear/modificar los

mecanismos de exigibilidad existente la

ratificación del Estatuto de Roma en Chile

Parliamentarians for Parliamentary Campaign for the Universality Worldwide 900.000

Global Action of the Rome Statute (PGA ICC Campaign)

World Federalist NGO Coalition for the International Criminal Worldwide 1.000.000

Movement Institute for Court ("CICC" or "Coalition"), a project of

Global Policy on behalf of the World Federalist Movement-Institute for

the NGO Coalition Global Policy ("WFM-IGP").

Gustav-Stresemann Information & ratification campaign on the Worldwide 768.620

Institute e.V. GSI ICC in Russia, Turkey and Central Asian

Academy for European Countries

Politics and Economics

Comitato non c'e pace Combating impunity: a global campaign for Worldwide 611.783

Support for democracy, good governance and the rule of law

Organisation Project Title Country Max. EC

contribution

Comitato Internazionale Per Lo Appui à l'éducation, à la citoyenneté et à la Algeria 752.700

Sviluppo Dei Popolu CISP restauration d'espace de dialogue

démocratique dans les régions de Kabylie,

Boumerdes et Alger

Avocats Sans Frontières Appui à un meilleur accès à la justice des Algeria 742.720

populations les plus vulnérables en Algérie.

IMED Istituto per il mediterraneo Actions pour l'Intégrité Physique, les Droits Algeria 385.732

humains et l'Autonomie des Femmes

Search for common ground Enhancing the Capacity of Media and Civil Angola 634.662

Society to Contribute to Sustainable Peace

in Angola

Terre des Hommes Italia Onlus Developing a rights-based approach for Bangladesh 948.299

anti-trafficking actions in South Asia

Concern Universal Prevention of Cross-Border Trafficking of Bangladesh 566.700

Women and Children

Handicap International Self Help and Advocacy for Rights and BiH 600.000

Equal opportunities for people with

disabilities in South east Europe (Share-

See)

RCN Justice et Démocratie Programme d'appui à la justice au Burundi: Burundi 952.043

Forum pour le renforcement Projet de renforcement du cadre de Burundi 165.836

de la société civile concertation de la société civile

Burundaise

Comunita Impegno Servizio Renforcement des capacités des Burundi 376.571

Volontariato CISV institutions et de la société civile dans

la Province de Karusi

BBC World Service Trust Tuning into Human Rights: Improving China 679.099

the Coverage of Human Rights and

Democratisation Issues on Chinese

Television

The Rights Practice Strengthening democratic processes in China 315.847

China: public participation in decision-

making

The Centre on Housing Rights Human Rights Defence and the Colombia 355.974

and Evictions Consolidation of Civil Society in

Colombia: Promoting and Protecting

the Human Rights of Internally

Displaced Persons in Colombia

Corporación Susma Mujer Observatorio de Los Derechos Colombia 200.007

Humanos de Las Mujeres en Colombia

Comitato Internazionale Per Programa de Fortalecimiento de los Colombia 1.499.904

Lo Sviluppo Dei Popoli Sistemas de Gobierno Local, la

Democracia y el Estado de Derecho

HABEN The Human Rights Approach to Civil Eritrea 214.784

Society Capacity Development in

Eritrea (HRA/CSCD-Eritrea)

Live & Learn Imagining Tomorrow; Towards a Fiji 200.000

Environmental Peace Building Education for Children

Education

Georgian Young Lawyers' Strengthening Rule of Law in Georgia Georgia 300.000

Association

Women in law and Bonne gouvernance et participation Ghana 1.019.608

Development in Africa / des femmes dans sept pays d'Afrique

Femmes, Droit et de l'Ouest

Développement en Afrique

Bureau sous rég

OXFAM GB Community Networks for Democracy Guatemala 465.000

and Human Rights in Guatemala

DanChurchAid Promoting Civil Society Control of Guatemala 420.000

Government Security Services in

Guatemala through Increased

Accountability, Transparency, and

Responsibility

Cooperazione Internazionale Fortalecimiento de la capacidad de Guatemala 907.000

incidencia de la sociedad civil

guatemalteca en los procesos de

HIVOS - Humanistic Institute Proyecto Kiem - Tejiendo Redes Contra Guatemala 809.829

for Cooperation with la Impunidad

Developing Countries

Associazione Volontari per Il « Respekte moun, bati kay » « Haiti 976.000

Servizio Internazionale Respectez tout le monde et contribuez à

la reconstruction de l'Homme ». Projet

intégré pour la résolution des conflits

familiaux et socio-politiques

Initiative de la Société Civile Participation de la société civile à Haiti 282.151

l'amélioration de la gouvernance du pays

National Peace Campaign Conflict Resolution and Peace-building India 299.520

in Nepal: A Project Proposal for

Capacity Building.

Worldview Nepal Towards Conflict Transformation India 299.251

Through A More Independent Media

And Increased Citizen Participation

Internews Europe Community Radio: Assisting Indonesia's Indonesia 638.772

new media expansion

Adallah: the legal centre for Promoting Access to the Israeli Legal Israel 513.684

arab minority rights in Israel System for Arab Citizens of Israel

Bimkom Planners for Public Outreach and Advocacy Israel 295.799

Planning Rights Campaign to strengthen the rights of

Comitato di Coordinamento Civil society and public administrations: Mozambique 638.144

delle Organizzazioni per il working together to protect human rights

Servizio Volontario in Maputo Province, Mozambique

Istituto Sindacale per la Supporting and networking Civil Mozambique 672.554

Cooperazione allo Sviluppo Society Organisations and Public

Institutions for an improved capacity to

face Human Rights issues in

Mozambique

Instituto Marquês de Valle Civic Education and Promotion of Mozambique 713.133

Flôr Human Rights

BBS World Service Trust Budget monitoring through the Nigerian Nigeria 1.243.746

media

The Law Society of England The Nigeria Law Project Phase 2 Nigeria 1.001.456

and Wales

Centre for Democracy & Strengthening Budget Transparency Nigeria 1.200.000

Development through Public Participation: Monitoring

NEEDS and SEEDS in Nigeria:

Development Initiatives Project on Gender Budget Transparency Nigeria 150.000

Network and accountability

Konrad-Adenauer-Stiftung Strengthening civil society through WB Gaza 320.000

enhancing the accountability and good

governance in the NGO sector

The Democracy and Workers' Promoting good governance among WB Gaza 217.298

The Law Society of England The Pakistan Bar to provide free legal Pakistan 574.818

and Wales representation for children in detention

Gruppo Volontariato Civile Conflictos Interculturales: Una respuesta Peru 1.151.746

democrática y participativa regional

desde Bolivia, Ecuador y Perú.

London School of Economics Russian human rights networks for Russia 1.285.500

and Political Science conscripts and the military: Joint action

for the rule of law.

RCN Justice et Démocratie Appui aux institutions judiciaires et à la Rwanda 960.000

société civile, pour une meilleure

application des principes fondamentaux

de droit rwandais.

Collectif des Ligues et Projet d'appui de la société civile au Rwanda 599.607

Associations de Défense des processus Gacaca au Rwanda (P.A.P.G),

Droits de l'Homme au Rwanda Phase II.

CARE UK Rights Awareness and Action project Rwanda 1.372.662

Christian Aid /GB Leh Wi Push Pis strengthening Sierra 867.093

democratisation and human rights in Leone

Sierra Leone

Association Enfants du Monde- Centre pour la promotion des droits de Sudan 480.000

droits de l'Homme l'enfant

Avocats Sans Frontières Renforcement du rôle de l'avocat au Thailand 443.833

Cambodge pour une justice plus

Cambodian Defenders Cambodian Defender's Project (CDP) Thailand 926.706

Project Legal Aid and Rule of Law Advocacy

Action

CARE Deutschland Promotion of Human Rights and Legal Thailand 640.000

Assistance in the Context of Sexual

Behaviour

Institute for international Civil Rights for South East Anatolia Turkey 295.958

assistance and solidarity

Counterpart Creative Improving access to justice for rural Ukraine 445.562

Center population

Movimento Laici La participación democrática de los Uruguay 1.199.770

America Latina jóvenes: una promesa de futuro para los

países miembros de MERCOSUR y

Chile

HIVOS - Humanistic Capacity building of human right Zimbabwe 852.330

Institute For Cooperation defenders in Zimbabwe to optimise their

with Developing basic human rights work in the

Countries prevailing legal and socio-political

environment.

Media Monitoring 50% Core funding for Media Zimbabwe 154.519

Project Zimbabwe Monitoring Project of Zimbabwe

(MMPZ

Institut Arabe des Droits Renforcement des capacités de la société Arab world 735.107

Support for promoting the rights of indigenous peoples

Max. EC

Organisation Project Title Country

contribution

OXFAM UK Positive Action by Brazilian Indigenous Brazil 577.862

Peoples through International Human

Rights Instruments

Forest Peoples Project Securing the Rights of Indigenous Forest Cameroon 455.000

Peoples in Central Africa through

Capacity Building and Legal and Human

Rights Support at the Local, National and

International Levels.

Corporación ONG de Desarrollo Formación de líderes mapuche para Chile 172.977

Lonko Kilapang conocer y ejercer sus derechos y participar

en la generación o adecuación de

instrumentos jurídicos nacionales e

internacionales

Paz y Tercer Mundo Fortalecimiento de capacidades e Colombia 413.361

incidencia de los Pueblos Indígenas de

Colombia para la promoción y puesta en

práctica de sus derechos y mecanismos de

protección

Hilfswerk Austria Fortalecimento Organizativo y Politico de Colombia 484.414

Mugarik Gabe Observatorio indígena de politicas Colombia 340.038

publicas de desarrollo y derechos étnicos

DanChurchAid Promoting Indigenous People's Rights in Guatemala 477.287

Guatemala through Information and

Advocacy

Asian Indigenous and Tribal Realisation of Indigenous Peoples Rights India 207.066

Peoples Network at National Level in Asia

Rural Community Development Advocacy for the Rights of Indigenous India 299.996

Society People (ARIP)

Mainyoito Pastoralist Integrated Maasai Indigenous Peoples' Rights Kenya 260.660

Development Organisation Initiative

Centro Educativo Ixtliyollotl Jóvenes indígenas de Puebla en pro de la Mexico 150.000

A.C. construcción de una cultura para el

ejercicio de la vida democrática y de los

derechos humanos

Russian association of «Center of legal resources of the Russia 298.048

indigenous peoples of the North, indigenous peoples of the North, Siberia

Siberia and the Far East and Far East of Russian Federation»

Asia Indigenous Peoples Pact Advancing Indigenous Peoples Rights in Thailand 239.930

Foundation the Asia Region

International Work Group for Indigenous rights advocacy and capacity Worldwide 719.464

Indigenous Affairs enhancement project. A multi-

level international program to promote the

Support for promoting the rights of minorities and for combating discrimination and

xenophobia

Organisation Project Title Country Max. EC

contribution

Stichting CARE Nederland Bosnian Roma Human Rights Project BiH 262.797

Institut für Internazionale The Folk High Schools in Samtskhe-Georgia 400.000

Zusammenarbeit des DEU Javakheti a Chance of Integration of

Minorities

BBC World Service Trust Making Waves: A Community Radio Georgia 400.000

Project for Georgia

Action Aid Strengthening the capacity of ethnic India 400.000

minorities to advocate for their rights

and entitlements

Asamblea de Cooperacion por la Combating Racism by implementing the Israel 300.000

Paz programme "I spy with my little eye" in

Israel

Mossawa Center, the Advocacy Combating Racism and Conflict Israel 298.660

Centre for the Arab Citizens of Transformation in Israel

Israel

International Step by Step Minority Exclusion: Education for Kazakhstan 333.275

Association Social Justice in Central Asia

European Roma Rights Center Promoting the rights of minorities. Turkey 360.957

Minority Rights Group Combating discrimination and promoting Turkey 471.960

minority rights in Turkey

CCF Kinderhilfswerk Integration and Empowerment of Minority Worldwide 389.260

Children and Youth in Albania and Serbia

CARE Deutschland Youth Activists combating racism, Worldwide 300.000

xenophobia and discrimination and

promoting the rights of minorities among

young people of different ethnic background

in the towns of Leskovac, Vranje and

Vranjska Banja.

Humanitarian Law Fund Promoting minority rights in the future Worldwide 226.945

through reparation for human rights abuses in

the past

Regional Human Rights Masters Programmes

Organisation Project Title Country Max. EC

contribution

Foundation for International Mediterranean Master's Programme in Worldwide 1.488.705

Studies Human Rights and Democratisation

University of Sarajevo CIPS European Regional Master's Degree in BiH 1.123.253

DHR Democracy and Human Rights in

South-East Europe (EU-SEE-MA)

Centre for Human Rights Master of Laws (LLM) Programme in South Africa 1.500.000

Human Rights and Democratisation in

Africa

Universidad Andina Simón Maestria Latinoamericana en Derechos Colombia 387.586

Bolivar Humanos y Democracia

Election Training

Max. EC

Organisation Project Title Country

contribution

Electoral Reform International Training activities linked to election Worldwide 1.799.910

Services ERIS observation and EU Election Observation

Missions (NEEDS II)

Support for a network for conflict prevention

Organisation Project Title Country Max. EC

contribution

International Crisis Group Conflict Prevention Partnership Worldwide 1.125.000

II/ Projects selected through Country Calls for Proposals

Country specific calls for EIDHR micro-projects were concluded for the following countries:

Albania, Algeria, Angola, Bolivia, Bosnia & Herzegovina, Brazil, Burundi, Cambodia, Colombia,

DR Congo, Egypt, Ethiopia, Georgia, Haiti, Indonesia, Israel, Côte d'Ivoire, Jordan, Kazakhstan,

Kyrgyzstan, Lebanon, Mexico, Morocco, Mozambique, Nepal, Nigeria, Pakistan, Peru, Russia,

Rwanda, Sudan, Syria, Tajikistan, Turkey, Ukraine, Venezuela, Vietnam, West Bank and Gaza,

Zimbabwe.

III/ Projects selected without a call for proposals 93

Organisation Project Title Country Max. EC

contribution

United Nations Children Fund - Child Welfare Reform in Azerbaijan: Azerbaijan 300.000

UNICEF capacity building and awareness raising

United Nations Children Fund - Bangladesh - Birth Registration Bangladesh 999.000

UNICEF

Media Consulta International Awareness-raising TV/Radio programmes Belarus 1.919.865

Holding for Belarus

United Nations Development Promotion of a wider application of Belarus 600.000

Programme international human rights standards in

the administration of justice in Belarus

Nordisk Ministerrad Belarusian Higher Education for Belarus 2.226.006

Democracy and Human Rights

Office for Democratic Democratisation and Human Rights Belarus 142.798

Institutions and Human Rights Initiatives in Belarus

United Nations High Planes de Desarrollo Municipal y Colombia 550.000

Commissioner for Human Derechos Humanos

Rights

United Nations Development Support to Good Governance in Iran Iran 1.000.000

Programme

United Nations Development EIDDHR - Support to the Constitutional Iraq 5.000.000

Programme Process in Iraq

International Organisation for Iraq Election Support Project (ESP) Iraq 2.298.150

Migration

United Nations Development Promotion of Human Rights Culture in Iraq 2.600.000

Programme Iraq through support to Human Rights

civil society organisations

United Nations Children Fund - Development of a Child Rights Kazakhstan 350.000

UNICEF Ombudsman

United Nations Development La Defensoría del Pueblo y el seguimiento Peru 832.412

Programme a las recomendaciones de la Comisión de

la Verdad y la Reconciliación

Sierra Leone Special Court Victims Justice and Legacy Project Sierra Leone 695.244

United Nations Development Support to the Khmer Rouge Tribunal Thailand 995.100

Programme (KRT) - Cambodian budget share of KRT

operations

United Nations Development Support for the Strengthening of the Rule Zimbabwe 600.000

Programme of Law through Enhanced Capacity of

Stakeholders in Zimbabwe

United Nations Children's Fund Mainstreaming Child rights and Worldwide 997.088

promoting non violence

International Criminal Tribunal Outreach programme for the Worldwide 500.000

for the Former Yugoslavia International Criminal Tribunal for the

former Yugoslavia (ICTY)

United Nations High Enhancing OHCHR capacity in Worldwide 1.804.000

Commissioner for Human preventing and responding to human

Rights rights violations

Council of Europe Promoting the democratic process Worldwide 780.000

United Nations High Strengthening National Human Rights Worldwide 790.648

Commissioner for Human Institutions (OHCHR)

Rights

DOCIP Indigenous Peoples' Renforcement des capacités des peuples Worldwide 950.000

Centre for documentation, autochtones aux Nations Unies par

research and information l'appui logistique, informatif,

documentaire et le transfert de

connaissances

International Labour Promotion of indigenous and tribal Worldwide 800.000

Organisation peoples' rights through implementation

of the principles of ILO Convention No.

169.

Council of Europe Equal rights and treatment for Roma Worldwide 275.000

BIJLAGE II

Websites met verdere informatie

Zeer veel aanvullende informatie over de Europese Unie is beschikbaar op het internet. Deze

informatie kan via de EUROPA-server worden geraadpleegd op: http://www.europa.eu

Europe Direct is een dienst die u helpt een antwoord te vinden op uw vragen over de Europese

Unie. Deze dienst is bereikbaar op het volgende gratis nummer: 00 800 6 7 8 9 10 11

Nadere informatie over het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie is beschikbaar op de

volgende webadressen:

http://www.consilium.europa.eu/human-rights

http://www.ec.europa.eu/comm/external_relations/human_rights/intro

http://www.europarl.europa.eu/comparl/human_rights/default_en.htm

Zoals in dit verslag is vermeld, is een aantal internationale organisaties actief op het gebied van de

mensenrechten. Op hun websites kan nadere informatie over hun activiteiten worden ingewonnen:

Verenigde Naties; www.un.org

-

Internationale Arbeidsorganisatie; www.ilo.org

VN-Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens; www.unhchr.ch

Verscheidene internationale NGO's verschaffen op hun diverse websites een veelheid aan

informatie over mensenrechtenkwesties in de hele wereld, bijvoorbeeld:

Amnesty International; www.amnesty.org

-

Human Rights Watch; www.hrw.org

nternationale Federatie voor de Rechten van de Mens (FIDH); www.fidh.org

-

Het Internationale Comité van het Rode Kruis; www.icrc.org

________________

[TEKST VOOR BUITENZIJDE ACHTEROMSLAG]

In dit achtste jaarverslag van de EU over de mensenrechten worden de acties en beleidsmaatregelen

beschreven die de EU tussen 1 juli 2005 en 30 juni 2006 heeft ondernomen in het kader van haar

streven de wereldwijde naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te

bevorderen. In dit verslag, dat overigens niet volledig is, wordt dieper ingegaan op

mensenrechtenkwesties die aanleiding waren tot bezorgdheid en wordt een overzicht gegeven van

wat de EU zowel binnen de Unie als daarbuiten heeft gedaan om voor deze problemen een

oplossing te vinden.

________________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

24 mei
'06
COM(2006)249 - Bevordering van waardig werk voor iedereen - Bijdrage van de EU aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk over de hele wereld


22 mrt
'06
COM(2006)136 - Tenuitvoerlegging van het partnerschap voor groei en werkgelegenheid : Europa moet een voorbeeld worden op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen


28 nov
'05
COM(2005)604 - Situatie van de personen met een handicap in de uitgebreide EU : het Europees Actieplan 2006-2007


18 okt
'05
COM(2005)514 - Bestrijding van mensenhandel : een geïntegreerde benadering en voorstellen voor een actieplan


1 sep
'05
COM(2005)391 - Gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven


1 sep
'05
COM(2005)389 - Gemeenschappelijke agenda voor integratie - Kader voor de integratie van onderdanen van derde landen in de EU


1 sep
'05
COM(2005)388 - Regionale beschermingsprogramma’s


13 jul
'05
COM(2005)311 - Voorstel voor een GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT EN DE COMMISSIE Het ontwikkelingsbeleid van de EU « De Europese consensus » {SEC(2005) 929 }


8 mrt
'05
COM(2005)81 - Europees Genderinstituut


26 mei
'04
COM(2004)391 - Gemeenschappelijke code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen


 
 
publicatiedatum 04-10-2006
kenmerk 13522/1/06 REV 1

Inhoud