Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking - Politiek akkoord over het gemeenschappelijk standpunt - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VANBrussel, 6 oktober 2006 (12.10)

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

13635/06

Interinstitutioneel dossier

2004/0220 (COD)

DEVGEN 243 NIS 125 PESC 927 RELEX 650 FIN 452 ACP 157 CADREFIN 289 CODEC 1047

NOTA A-PUNT

van:

d.d.:

het Comité van permanente vertegenwoordigers

4 oktober 2006

aan: de Raad

nr. vorig doc.: 13410/06, 13412/06 + COR 1

nr. Comv.: 13689/04 + COR 1

Betreft: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking

  • Politiek akkoord over het gemeenschappelijk standpunt

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot invoering van

een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 179,

lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Om de communautaire buitenlandse hulp doelmatiger te maken, is een nieuw kader voor de

planning en de uitvoering van de hulp ontworpen. Bij Verordening (EG) nr. xxx van de Raad van

xxx wordt een instrument voor pretoetredingssteun (hierna "IPA" genoemd) ingevoerd voor de

communautaire hulp aan kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten. Bij Verordening

(EG) nr. xxx van het Europees Parlement en de Raad van xxx wordt het Europees nabuurschaps- en

partnerschapsinstrument (hierna ,,ENPI" genoemd) ingevoerd. Bij Verordening (EG) nr.xxx van de

Raad van xxx wordt een financieringsinstrument voor industrielanden en andere landen en gebieds-

delen met een hoog inkomen ingevoerd. Bij Verordening (EG) nr. xxx van het Europees Parlement

en de Raad van xxx wordt een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en

(3) De Gemeenschap voert een samenwerkingsbeleid dat samenwerking, partnerschappen en

gemeenschappelijke ondernemingen tussen economische spelers in de Gemeenschap en de

partnerlanden en -regio's bevordert, en de dialoog tussen politieke, economische en sociale partners

in de betrokken sectoren stimuleert.

(4) De millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, die in 2000 door de Algemene Vergadering

van de Verenigde Naties zijn aangenomen, zoals het uitroeien van extreme armoede en honger, en

de doelstellingen en beginselen in verband met duurzame ontwikkeling die de Gemeenschap en

haar lidstaten hebben goedgekeurd in het kader van de Verenigde Naties en andere bevoegde inter-

nationale organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, vormen de leidraad voor het

beleid van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en voor haar optreden

dienaangaande in internationale fora.

(5) Met het oog op beleidscoherentie voor ontwikkeling is het van belang dat het communautair

beleid op andere gebieden dan ontwikkeling conform artikel 178 van het Verdrag tot oprichting van

de Europese Gemeenschap de inspanningen van ontwikkelingslanden ter verwezenlijking van de

millenniumdoelstellingen ondersteunt.

(6) Een politiek klimaat dat vrede en stabiliteit, de eerbiediging van de mensenrechten, de

fundamentele vrijheden, de democratische beginselen, de rechtsstaat, goed bestuur en gender-

gelijkheid garandeert, is fundamenteel voor ontwikkeling op de lange termijn.

(7) Gezond en duurzaam economisch beleid is een conditio sine qua non voor ontwikkeling.

(9) De Gemeenschappelijke Verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen

van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie

betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese consensus inzake

ontwikkeling" van 20 december 2005 1, vormt, met de eventuele latere wijzigingen, het algemene

kader voor het optreden van de Gemeenschap in ontwikkelingsaangelegenheden De planning en de

uitvoering van de strategieën voor ontwikkelingshulp en -samenwerking dienen hierdoor te worden

gestuurd.

(10) Het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid dient te worden uitgevoerd door middel van

geografische en thematische programma's. Geografische programma's ondersteunen de

ontwikkeling van en versterken de samenwerking met landen en regio's in Latijns-Amerika, Azië,

Centraal-Azië, het Midden-Oosten en Zuid-Afrika.

(11) De Gemeenschap en haar lidstaten hebben met sommige van deze partnerlanden en -regio's

partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten gesloten teneinde een aanzienlijke bijdrage te

kunnen leveren tot de ontwikkeling op de lange termijn van de partnerlanden en het welzijn van hun

bevolking. De essentiële elementen die ten grondslag liggen aan deze partnerschaps- en samen-

werkingsovereenkomsten zijn de gemeenschappelijke en universele waarden van eerbiediging en

bevordering van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, de democratische beginselen en de

rechtsstaat. In dit verband moet ook aandacht gaan naar het recht op fatsoenlijk werk en de rechten

van gehandicapten. Het onderhouden en uitdiepen van bilaterale betrekkingen tussen de

Gemeenschap en de partnerlanden en het consolideren van de multilaterale instellingen zijn

belangrijke factoren die in aanzienlijke mate bijdragen tot het evenwicht en de ontwikkeling van de

(12) Hoewel thematische programma's in de eerste plaats ontwikkelingslanden moeten onder-

steunen, dienen twee begunstigde landen, alsmede de landen en gebieden overzee die niet de

kenmerken hebben om volgens de voorschriften van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van

de OESO als ontvanger van officiële ontwikkelingshulp te worden aangemerkt en die vallen onder

artikel 2, lid 4, tweede alinea, eerste streepje, niettemin onder de in deze verordening gestelde

voorwaarden voor thematische programma's in aanmerking te komen. De Gemeenschap moet

thematische programma's financieren in landen, regio's en gebieden die in aanmerking komen voor

bijstand uit hoofde van een geografisch programma in het kader van deze verordening, voor

bijstand uit hoofde van Verordening nr. xxx van het Europees Parlement en de Raad van xxx

houdende vaststelling van de algemene beginselen voor de invoering van het Europees

nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI), of voor geografische samenwerking uit hoofde

van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). In Besluit 2001/822/EG van de Raad van

27 november 2001, dat van toepassing is tot 31 december 2011, zijn de voorwaarden vastgesteld

waaronder de landen en gebieden overzee in aanmerking komen voor uit de Gemeenschaps-

begroting gefinancierde thematische activiteiten op het gebied van ontwikkelingshulp, die bij deze

verordening niet worden gewijzigd.

(13) Thematische programma's moeten een uitgesproken meerwaarde bieden en programma's van

geografische aard aanvullen, die het algemene kader vormen voor de samenwerking van de

Gemeenschap met derde landen. De via thematische programma's uitgevoerde ontwikkelings-

samenwerking moet een aanvulling vormen op de geografische programma's die in deze

verordening en in Verordening nr. xxx van het Europees Parlement en de Raad van xxx, houdende

vaststelling van de algemene beginselen voor de invoering van het Europees nabuurschaps- en

(14) Thematisch programma's dienen ter ondersteuning van maatregelen op het gebied van

menselijke en sociale ontwikkeling, milieu en duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen en

energie, niet-overheidsactoren en plaatselijke overheden, voedselzekerheid, en migratie en asiel. De

inhoud van de thematische programma's is op basis van de overeenkomstige mededelingen van de

Commissie aan de Raad en het Europees Parlement 1 opgesteld.

(15) Het thematisch programma milieu en duurzaam beheer van rijkdommen, inclusief energie, is

onder meer bedoeld om internationale milieu-governance en het milieu- en het energiebeleid van de

EU in het buitenland te promoten.

(16) Het thematisch programma migratie en asiel moet bijdragen tot de verwezenlijking van de

doelstellingen die in de conclusies van de Europese Raad van 15 december 2005 vervat zijn, met

name de financiële steun van de Gemeenschap in haar betrekkingen met derde landen op terreinen

die betrekking hebben op migratie of daaraan gerelateerd zijn, te verhogen.

(17) Het communautaire beleid inzake voedselzekerheid is geëvolueerd in de richting van de

ondersteuning van algemene voedselzekerheidsstrategieën op nationaal, regionaal en mondiaal

niveau, waarbij het verlenen van voedselhulp wordt beperkt tot humanitaire situaties en voedsel-

crises en waarbij verstoring van de lokale productie en de lokale markten wordt voorkomen; ten

aanzien van structureel kwetsbare landen die voor hun voedselzekerheid in grote mate afhankelijk

zijn van steun moet rekening worden gehouden met hun specifieke situatie, om te vermijden dat de

communautaire hulp die naar die landen gaat, sterk vermindert.

(18) Overeenkomstig de conclusies van de Raad van 24 mei 2005 moeten acties worden onder-

steund om de reproductieve en seksuele gezondheid in de ontwikkelingslanden te verbeteren en de

eerbiediging van de daarmee verband houdende rechten te waarborgen, en moet financiële bijstand

en passende knowhow worden verstrekt ter bevordering van een holistische aanpak en van de

erkenning van de reproductieve en seksuele gezondheid en rechten, zoals gedefinieerd in het ICPD-

actieprogramma, inclusief veilig moederschap en universele toegang tot een alomvattend aanbod

van veilige en betrouwbare diensten op het gebied van reproductieve en seksuele gezondheid. Bij de

uitvoering van samenwerkingsmaatregelen dienen in voorkomend geval de op de ICPD genomen

beslissingen strikt in acht te worden genomen.

(19) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 266/2006 van het Europees Parlement en de Raad van

15 februari 2006 tot instelling van begeleidende maatregelen voor landen van het suikerprotocol

dient tevens steun te worden verleend aan de landen van het suikerprotocol die getroffen zijn door

de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker, teneinde het aanpassings-

proces van deze landen te steunen.

(20) Bij de uitvoering van het communautaire ontwikkelingsbeleid zijn effectievere hulp, een

grotere complementariteit en een betere harmonisatie, onderlinge afstemming en coördinatie van de

procedures, zowel tussen de Gemeenschap en haar lidstaten als in de betrekkingen met de andere

donoren en ontwikkelingsactoren, noodzakelijk om de samenhang en de doeltreffendheid van de

hulp te garanderen en de kosten voor de partnerlanden te verminderen, overeenkomstig de

verklaring die door het Forum op hoog niveau over harmonisatie in maart 2005 te Parijs is

aangenomen.

(22) Eigen verantwoordelijkheid van de partnerlanden voor de ontwikkelingsstrategieën is de

sleutel tot een succesvol ontwikkelingsbeleid; hiertoe moet worden aangemoedigd dat alle sectoren

van de samenleving, waaronder gehandicapten en andere kwetsbare groepen, zoveel mogelijk bij

deze strategieën worden betrokken. Met het oog doelmatigheid en transparantie en om de eigen

verantwoordelijkheid van landen te stimuleren, dienen de samenwerkingsstrategieën en de

uitvoeringsprocedures van de donoren zoveel mogelijk op die van de partnerlanden te worden

afgestemd.

(23) Aangezien er effectieve verbanden dienen te worden gelegd tussen humanitaire hulp en

ontwikkelingshulp voor de lange termijn, dienen maatregelen die in aanmerking komen voor

financiering krachtens Verordening (EG) xxx van het Europees Parlement en de Raad van xxx tot

invoering van een stabiliteitsinstrument, in beginsel niet op grond van deze verordening te worden

gefinancierd, tenzij de samenwerkingscontinuïteit op het traject van een crisissituatie naar een

stabiel ontwikkelingsklimaat gewaarborgd moet worden.

(24) Ontkoppeling van de hulp in overeenstemming met de beste praktijken van de Commissie voor

Ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling van

de OESO is een belangrijke factor om de hulp een grotere meerwaarde te verlenen en de plaatselijke

capaciteiten te versterken. In overeenstemming met de meest recente ontwikkelingen inzake

ontkoppeling dienen er regels te worden vastgesteld betreffende de deelname aan openbare

aanbestedingen en de gunning van opdrachten, en ook betreffende de oorsprong van leveringen.

(25) De steun moet worden beheerd overeenkomstig de voorschriften voor buitenlandse hulp die

(26) Bij deze verordening wordt voor de periode 2007-2013 een toewijzing van middelen vast-

gesteld die voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormt in de zin van

artikel 38 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de

Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer.

(27) De uitvoeringsvoorschriften van deze verordening worden vastgesteld overeenkomstig

Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de

uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden. De programma's en

bepaalde uitvoeringsmaatregelen worden volgens de beheerscomité-procedure vastgesteld.

(28) Sommige doelstellingen van de beoogde samenwerking met ontwikkelingslanden, gebieden en

regio's die geen lidstaten van de Gemeenschap zijn en die niet in aanmerking komen voor

communautaire steun op grond van Verordening (EG) nr. [.] van [.] tot instelling van een instrument

voor pretoetredingssteun (IPA) of Verordening nr. xxx van het Europees Parlement en de Raad van

xxx, houdende vaststelling van de algemene beginselen voor de invoering van een Europees

nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI), welke niet voldoende door de lidstaten kunnen

worden verwezenlijkt, kunnen vanwege de omvang van het optreden beter door de Gemeenschap

worden verwezenlijkt. De Gemeenschap kan derhalve maatregelen vaststellen overeenkomstig het

in artikel 5 van het Verdrag verankerde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde

artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze

doelstellingen te verwezenlijken.

(29) De bestaande verordeningen moeten worden ingetrokken met het oog op de herstructurering

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Algemeen doel en werkingssfeer

  • 1. 
    De Gemeenschap financiert maatregelen ter ondersteuning van de samenwerking met de

ontwikkelingslanden, gebieden en regio's die voorkomen in de lijst van hulpontvangende landen

van de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische

Samenwerking en Ontwikkeling (OESO/DAC), en die in bijlage 1 bij deze verordening zijn

opgenomen (hierna "partnerlanden- en -regio's" genoemd). De Commissie wijzigt bijlage 1 in

overeenstemming met de herziening waaraan de OESO/DAC de lijst van hulpontvangende landen

regelmatig onderwerpt en stelt het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis.

  • 2. 
    De Gemeenschap financiert thematische programma's in landen, regio's en gebieden die in

aanmerking komen voor bijstand uit hoofde van een geografisch programma van deze verordening,

zoals vastgesteld in de artikelen 5 tot en met 10, voor bijstand uit hoofde van Verordening nr. xxx

van het Europees Parlement en de Raad van xxx houdende vaststelling van de algemene beginselen

voor de invoering van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) of voor

geografische samenwerking uit hoofde van het Europees Ontwikkelingsfonds.

  • 3. 
    In deze verordening wordt onder "regio" verstaan, een geografische entiteit die meerdere

ontwikkelingslanden omvat.

TITEL I

DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

Artikel 2

Doelstellingen

  • 1. 
    De primaire en overkoepelende doelstelling van samenwerking uit hoofde van deze verordening

is het uitbannen van armoede in de partnerlanden en -regio's in het kader van duurzame

ontwikkeling, met inbegrip van het nastreven van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling,

alsook de bevordering van democratie en goed bestuur en de eerbiediging van de mensenrechten en

van de rechtsstaat. In aansluiting hierop heeft de samenwerking met partnerlanden en -regio's ten

doel:

democratie, rechtsstatelijkheid, mensenrechten en fundamentele vrijheden, goed bestuur,

gendergelijkheid en de desbetreffende instrumenten van het internationaal recht te

consolideren en te ondersteunen;

de duurzame ontwikkeling - waaronder begrepen de politieke, economische, sociale en

ecologische aspecten - van de partnerlanden en -regio's, meer bepaald de armste, te

bevorderen;

  • 2. 
    De samenwerking van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening voldoet aan de

verbintenissen en de doelstellingen die de EU in het kader van de Verenigde Naties en andere

bevoegde internationale organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking heeft

onderschreven.

  • 3. 
    Het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap, zoals neergelegd in titel XX van het Verdrag,

vormt het juridisch kader voor de samenwerking met de partnerlanden en -regio's. De

Gemeenschappelijke Verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de

lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het

ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese consensus inzake ontwikkeling" van

20 december 20051, en de daaropvolgende wijzigingen, vormen het algemeen kader, de leidraad en

het convergentiepunt bij het sturen van het samenwerkingsbeleid van de Gemeenschap met

partnerlanden en -regio's uit hoofde van deze verordening.

  • 4. 
    De in artikel 1, lid 1, bedoelde maatregelen hebben een zodanige opzet dat de door de Commissie

voor Ontwikkelingsbijstand van de OESO vastgestelde criteria voor officiële ontwikkelingshulp

vervuld zijn.

De in artikel 1, lid 2, bedoelde programma's hebben een zodanige opzet dat de door de Commissie

voor Ontwikkelingsbijstand van de OESO vastgestelde criteria voor officiële ontwikkelingshulp

vervuld zijn, tenzij:

Onverminderd artikel 2, lid 4, tweede alinea, eerste streepje, heeft ten minste 90% van de uit hoofde

van thematische programma's geplande uitgaven een zodanige opzet dat de door de Commissie voor

Ontwikkelingsbijstand van de OESO vastgestelde criteria voor officiële ontwikkelingshulp vervuld

zijn.

  • 5. 
    De communautaire bijstand op grond van deze verordening mag niet worden gebruikt ter

financiering van de aanschaf van wapens of munitie, noch voor operaties die gevolgen hebben op

militair of defensiegebied.

  • 6. 
    Maatregelen vallende onder Verordening (EG) xxx van het Europees Parlement en de Raad van

xxx tot invoering van een stabiliteitsinstrument, met name artikel 4, die voor financiering krachtens

die verordening in aanmerking komen, worden in beginsel niet uit hoofde van deze verordening

gefinancierd, tenzij de samenwerkingscontinuïteit op het traject van een crisissituatie naar een

stabiel ontwikkelingsklimaat gewaarborgd moet worden.

Onverminderd de noodzaak de samenwerkingscontinuïteit op het traject van een crisissituatie naar

een stabiel ontwikkelingsklimaat te waarborgen, worden maatregelen vallende onder Verordening

(EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp1 die voor financiering

uit hoofde van die verordening in aanmerking komen, niet gefinancierd uit hoofde van deze

verordening.

Artikel 3

Algemene beginselen

De minst ontwikkelde landen en de lage-inkomenslanden krijgen prioriteit bij de algehele

toewijzing van de middelen, teneinde de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te verwezen-

lijken. Passende aandacht moet worden geschonken aan ondersteuning van de ontwikkeling ten

gunste van de armen in de midden-inkomenslanden, vooral aan de landen met lagere midden-

inkomens waarvan vele soortgelijke problemen als de lage-inkomenslanden kennen.

  • 3. 
    De volgende horizontale aspecten maken deel uit van alle programma's: bevordering van de

mensenrechten, gendergelijkheid, democratie, goed bestuur, rechten van het kind en rechten van

inheemse volkeren, milieuduurzaamheid en bestrijding van hiv/aids. Bovendien wordt speciale

aandacht geschonken aan versteviging van de rechtsstaat, verbetering van de toegang tot de rechter

en ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, alsmede aan bevordering van dialoog,

participatie en verzoening en aan institutionele opbouw.

  • 4. 
    De Gemeenschap houdt bij alle beleidsmaatregelen die gevolgen kunnen hebben voor de

partnerlanden en -regio's rekening met de doelstellingen van titel XX van het Verdrag, met name

artikel 2. Voor de uit hoofde van deze verordening gefinancierde maatregelen streeft de

Gemeenschap tevens, bij de beleidsbepaling, bij de strategische planning en bij de programmering

en uitvoering van de maatregelen, naar samenhang met de andere terreinen van haar externe

optreden.

  • 5. 
    De Gemeenschap en de lidstaten verbeteren de coördinatie en de complementariteit van hun

ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, door in te spelen op de prioriteiten van partnerlanden en

-regio's, op het niveau van de landen en de regio's. Communautair beleid op het gebied van

  • 7. 
    De Gemeenschap en de lidstaten bevorderen op hun respectieve bevoegdheidsterreinen, een

multilaterale aanpak van de mondiale uitdagingen en stimuleren de samenwerking met multilaterale

en regionale organisaties en instanties, zoals de internationale financiële instellingen en de agent-

schappen, fondsen en programma's van de Verenigde Naties, en met andere bilaterale donoren.

8 De Gemeenschap bevordert effectieve samenwerking met partnerlanden en -regio's overeen-

komstig internationaal beproefde methoden. Zij bevordert:

  • a) 
    een ontwikkelingsproces dat onder leiding en verantwoordelijkheid van het partnerland blijft.

De Gemeenschap stemt haar steun in toenemende mate af op de ontwikkelingsstrategieën, het

hervormingsbeleid en de procedures van de partnerlanden. Zij draagt bij tot versterking van de

wederzijdse verantwoordingsplicht tussen partnerlanden en donoren, en stimuleert plaatselijke

deskundigheid en plaatselijke werkgelegenheid;

  • b) 
    inclusieve en participerende ontwikkelingsbenaderingen en brede inschakeling van alle

segmenten van de samenleving in het ontwikkelingsproces en de nationale dialoog, ook de

politieke dialoog;

  • c) 
    effectieve vormen en instrumenten van samenwerking, zoals beschreven in artikel 25,

overeenkomstig de beste praktijken van de OESO/DAC, aangepast aan de bijzondere

omstandigheden van elk partnerland of -gebied, met aandacht voor een programmagerichte

benadering, voorspelbare steunfinanciering, de ontwikkeling en het gebruik van nationale

systemen en resultaatgerichte benaderingen van ontwikkeling, waaronder in voorkomend geval

de streefcijfers en indicatoren van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

  • d) 
    een beter effect van beleid en programma's middels coördinatie en harmonisatie onder donoren

TITEL II

GEOGRAFISCHE EN THEMATISCHE PROGRAMMA'S

Artikel 4

In overeenstemming met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de algemene

beginselen van deze verordening wordt de communautaire bijstand verleend door middel van de

geografische en thematische programma's, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 16 en het in

artikel 17 bedoelde programma.

Artikel 5

Geografische programma's

  • 1. 
    Een geografisch programma heeft betrekking op samenwerkingsactiviteiten op relevante

terreinen, met partnerlanden en -regio's die op geografische basis zijn geselecteerd.

  • 2. 
    In overeenstemming met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de

algemene beginselen van deze verordening omvat de communautaire bijstand aan Latijns-Amerika,

Azië, Centraal -Azië en het Midden-Oosten, zoals omschreven in bijlage 1, alsmede aan Zuid-

Afrika, maatregelen op de volgende samenwerkingsgebieden:

  • a) 
    het ondersteunen van beleidsmaatregelen die gericht zijn op armoedebestrijding en op het

-

verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

  • i) 
    verbetering van de toegang tot en de verstrekking van gezondheidsdiensten voor lagere-

inkomensgroepen en gemarginaliseerde groepen waaronder vrouwen en kinderen, personen die tot

groepen behoren die op basis van etnische afkomst, godsdienstige overtuiging of anderszins worden

gediscrimineerd en personen met een handicap, waarbij de desbetreffende millenniumdoelstellingen

voor ontwikkeling centraal staan, namelijk terugdringing van de kindersterfte, verbetering van de

gezondheid van moeder en kind en de seksuele en reproductieve gezondheid en van de rechten

zoals vervat in de agenda van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling in

Caïro (ICDP), met aanpak van armoedegerelateerde ziekten, in het bijzonder hiv/aids, tuberculose

en malaria;

  • ii) 
    versterking van gezondheidszorgsystemen om kritieke situaties met betrekking tot de menselijke

-

hulpbronnen in de gezondheidssector te voorkomen;

  • iii) 
    verbetering van de capaciteiten, in het bijzonder op gebieden als volksgezondheid en onderzoek

-

en ontwikkeling;

Onderwijs:

  • iv) 
    in het basisonderwijs voorrang geven aan het verstrekken van kwaliteitsonderricht met

aansluitende beroepsopleiding, en aan het terugdringen van ongelijkheden inzake toegang tot het

onderwijs; gratis, verplicht onderwijs tot op vijftienjarige leeftijd bevorderen, om alle vormen van

kinderarbeid te bestrijden;

  • v) 
    streven naar wereldwijd basisonderwijs in 2015 en naar opheffing van genderongelijkheid in het
  • c) 
    bevordering van sociale samenhang als prioritair doelstelling van de betrekkingen tussen de

Gemeenschap en de partnerlanden, waarbij fatsoenlijk werk en sociaal en budgettair beleid centraal

staan, ter bestrijding van armoede, ongelijkheid, werkloosheid en uitsluiting van kwetsbare en

gemarginaliseerde groepen;

  • d) 
    bestrijding van alle vormen van discriminatie wegens het behoren tot een bepaalde groep en

bevordering en bescherming van gendergelijkheid, de rechten van inheemse volkeren en de rechten

van het kind, waaronder ondersteuning van de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten

van het kind, en maatregelen voor de aanpak van de problemen ondervonden door straatkinderen en

kinderen die werk verrichten dat gevaarlijk is en/of waardoor volledig onderwijs wordt belemmerd;

  • e) 
    versterking van het institutionele kader ter bevordering en vergemakkelijking van de oprichting

-

van kleine en middelgrote ondernemingen met het oog op het stimuleren van de werkgelegenheid;

Bestuur, democratie, mensenrechten en steun voor institutionele hervormingen:

  • f) 
    bevordering en bescherming van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten, versterking

van democratie, rechtsstatelijkheid, toegang tot de rechter, goed bestuur, waaronder acties ter

bestrijding van corruptie, onder meer doch niet uitsluitend door capaciteitsopbouw en het versterken

van het institutionele en wetgevende kader, met name in de sectoren nationaal bestuur, beleids-

bepaling en -uitvoering en beheer van overheidsfinanciën en nationale middelen op transparante

wijze;

  • g) 
    ondersteuning van een actief maatschappelijk middenveld, met inbegrip van organisaties die
  • i) 
    bevordering van samenwerking en beleidshervorming op het gebied van migratie en asiel en

stimulering van initiatieven voor capaciteitsopbouw, tot bepaling en uitvoering van een

ontwikkelingsgericht migratiebeleid dat de diepere oorzaken van migratie aanpakt;

  • j) 
    ondersteuning van effectief multilateralisme, meer bepaald door ontwikkelingsrelevant

internationaal recht en ontwikkelingsrelevante multilaterale verdragen te aanvaarden en metterdaad

toe passen;

Handel en regionale integratie

  • k) 
    de ondersteuning van de partnerlanden en -regio's op het gebied van handel, investeringen en

regionale integratie, met inbegrip van technische bijstand en capaciteitsopbouw voor het bepalen en

voeren van een degelijk handelsbeleid, het stimuleren van een gunstiger ondernemingsklimaat, een

goed economisch en financieel beleid en de ontwikkeling van de particuliere sector, om de

partnerlanden en -regio's profijt te laten trekken van hun integratie in de wereldeconomie, alsmede

om sociale rechtvaardigheid en groei ten bate van de armen te ondersteunen;

  • l) 
    de ondersteuning van toegang tot de Wereldhandelsorganisatie en de uitvoering van WTO-

overeenkomsten door technische bijstand en capaciteitsopbouw, in het bijzonder de uitvoering van

de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs), meer bepaald op het gebied van de

volksgezondheid;

  • m) 
    de ondersteuning van economische en handelssamenwerking en versteviging van de

investeringsbetrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en de partnerlanden en -gebieden, onder

Milieu en duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen:

  • n) 
    bevordering van duurzame ontwikkeling door milieubescherming en duurzaam beheer van de

natuurlijke hulpbronnen, waaronder bescherming van de biodiversiteit en van bossen, onder meer

activiteiten ter bevordering van behoud en duurzaam beheer van bossen met de actieve participatie

van lokale gemeenschappen en van van bossen afhankelijke bevolkingsgroepen;

  • o) 
    ondersteuning van verbeteringen in stedelijke omgevingen;
  • p) 
    bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en veilig en duurzaam beheer van

-

chemische stoffen en afval, rekening houdend met de gevolgen daarvan voor de gezondheid;

  • q) 
    zorgen voor eerbiediging en ondersteuning van de uitvoering van internationale milieu-

akkoorden, zoals het Verdrag inzake biologische diversiteit, het Verdrag ter bestrijding van

woestijnvorming en het Raamverdrag inzake klimaatverandering overeenkomstig het EU-Actieplan

inzake klimaatverandering, alsmede van de bijbehorende protocollen en de eventuele latere

wijzigingen;

  • r) 
    ontwikkeling van capaciteiten voor het voorbereid zijn op noodsituaties en de preventie van

-

natuurrampen;

Water en energie

  • s) 
    ondersteuning van duurzaam geïntegreerd beheer van de waterreserves, met bijzondere nadruk op

wereldwijde toegang tot veilig drinkwater en rioolzuivering overeenkomstig de millennium-

Infrastructuur, communicatie en vervoer

  • u) 
    bijdragen tot de ontwikkeling van economische infrastructuur, waaronder de ondersteuning van

regionale integratie en de bevordering van een verhoogd gebruik van informatie- en communicatie-

technologieën;

Plattelandsontwikkeling, ruimtelijke ordening, landbouw en voedselzekerheid

  • v) 
    ondersteuning van duurzame plattelandsontwikkeling, met inbegrip van decentralisatie en

-

zelfbeschikking, met name met het oog op voedselveiligheid;

Post-crisissituaties en zwakke staten

  • w) 
    wederopbouw en rehabilitatie op de middellange en lange termijn van regio's en landen die

getroffen zijn door conflicten, of door rampen van menselijke of natuurlijke oorsprong, met

inbegrip van ondersteuning van acties op het gebied van mijnbestrijding, demobilisatie en

reïntegratie, waarbij wordt gezorgd voor samenhang tussen hulp, rehabilitatie en ontwikkeling,

overeenkomstig artikel 2, lid 6, rekening houdend met de bevoegdheden van de Gemeenschap en

van haar lidstaten;

  • x) 
    activiteiten op de middellange en lange termijn die gericht zijn op zelfvoorziening en integratie

of reïntegratie van ontwortelde bevolkingsgroepen, met zorg voor een geïntegreerde aanpak van de

aspecten humanitaire hulp, rehabilitatie, hulp aan ontwortelde bevolkingsgroepen en ontwikkelings-

samenwerking; De communautaire maatregelen faciliteren het overgaan van een noodsituatie naar

de fase van ontwikkeling, onder stimulering van de sociaal-economische integratie of reïntegratie

  • y) 
    ondersteuning van basisdienstverlening en het opbouwen van legitieme, effectieve en solide

-

overheidsinstellingen in zwakke of falende staten;

  • z) 
    uitvoering van voor de Gemeenschap en haar partners gemeenschappelijke ontwikkelingstaken,

met name ondersteuning van sectorale dialoog, van de toepassing van bilaterale overeenkomsten en

van andere maatregelen die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen.

Artikel 6

Latijns-Amerika

De communautaire bijstand aan Latijns-Amerika ondersteunt maatregelen die in overeenstemming

zijn met artikel 5 en met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de algemene

beginselen van deze verordening. Extra aandacht wordt geschonken aan de volgende samen-

werkingsterreinen, die de specifieke situatie in Latijns-Amerika weerspiegelen:

  • a) 
    bevordering van de sociale samenhang als gemeenschappelijk en prioritair doel van de

betrekkingen tussen de Gemeenschap en Latijns-Amerika, waarbij armoede, ongelijkheid en

uitsluiting moeten worden bestreden. Bijzondere aandacht gaat uit naar beleidsmaatregelen op het

gebied van maatschappelijk welzijn en belastingen, productieve investeringen in meer en betere

banen, beleidsmaatregelen ter bestrijding van discriminatie en van de productie en het gebruik van

en de handel in drugs, en verbeteringen in de sociale basisdiensten, met name volksgezondheid en

onderwijs;

  • b) 
    het stimuleren van een grotere regionale integratie, met inbegrip van het ondersteunen van
  • d) 
    ondersteuning van de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ruimte van hoger onderwijs

-

van de EU en Latijns-Amerika;

  • e) 
    bevordering van duurzame ontwikkeling in al zijn facetten, met bijzondere aandacht voor de

bescherming van bossen en biologische diversiteit.

Artikel 7

Azië

De communautaire bijstand aan Azië ondersteunt maatregelen die in overeenstemming zijn met

artikel 5 en met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de algemene

beginselen van deze verordening. Er wordt extra aandacht geschonken aan de volgende samen-

werkingsterreinen, die de specifieke situatie in Azië weerspiegelen:

  • a) 
    nastreven van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling op het gebied van gezondheid, met

inbegrip van hiv/aids, en onderwijs, onder meer door middel van een beleidsdialoog inzake

sectorale hervormingen;

  • b) 
    behandelen van bestuursvraagstukken, met name in kwetsbare staten, om legitieme, efficiënte en

solide overheidsinstellingen en een actief en georganiseerd maatschappelijk middenveld te helpen

opbouwen, en om de bescherming van de mensenrechten, waaronder de rechten van het kind, te

bevorderen;

  • c) 
    stimuleren van een grotere regionale integratie en samenwerking door middel van de onder-

Artikel 8

Centraal-Azië

De communautaire bijstand aan Centraal-Azië ondersteunt maatregelen die in overeenstemming

zijn met artikel 5 en met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de algemene

beginselen van deze verordening. Extra aandacht wordt geschonken aan de volgende samen-

werkingsterreinen, die de specifieke situatie in Centraal-Azië weerspiegelen:

  • a) 
    bevordering van constitutionele hervormingen en van de aanpassing van de wet- en regelgeving

aan die van de Gemeenschap, met inbegrip van versterking van de nationale instellingen en organen

die verantwoordelijk zijn voor de effectieve uitvoering van de beleidsmaatregelen op de door de

partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten bestreken terreinen, zoals verkiezingsinstanties,

parlementen, hervorming van het overheidsbestuur en beheer van de overheidsfinanciën;

  • b) 
    bevordering van de ontwikkeling van een markteconomie en van de integratie van de partner-

landen in de Wereldhandelsorganisatie, met dien verstande dat ook wordt gelet op de sociale

aspecten van de overgang;

  • c) 
    ondersteuning van efficiënt grensbeheer en grensoverschrijdende samenwerking ter bevordering

-

van duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling in grensgebieden;

  • d) 
    bestrijding van drugsproductie, -consumptie en -handel en andere handel;
  • e) 
    bestrijding van hiv/aids;

Artikel 9

Midden-Oosten

De communautaire bijstand aan het Midden-Oosten ondersteunt maatregelen die in overeen-

stemming zijn met artikel 5 en met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de

algemene beginselen van deze verordening. Extra aandacht wordt geschonken aan de volgende

samenwerkingsterreinen, die de specifieke situatie in het Midden-Oosten weerspiegelen:

  • a) 
    bevordering van de sociale samenhang ter wille van de sociale rechtvaardigheid, met name in

verband met het gebruik van eigen nationale middelen, en ter wille van de politieke gelijkheid, in

het bijzonder door op te komen voor de mensenrechten en gendergelijkheid;

  • b) 
    bevordering van economische diversificatie, van de ontwikkeling van een markteconomie, en van

-

de integratie van de partnerlanden in de Wereldhandelsorganisatie;

  • c) 
    bevordering van regionale samenwerking, dialoog en integratie, ook met de landen die onder

Verordening nr. xxx van het Europees Parlement en de Raad van xxx vallen, houdende vaststelling

van de algemene beginselen voor de invoering van het Europees nabuurschaps- en partnerschaps-

instrument (ENPI) en andere communautaire instrumenten, met steun voor op integratie gerichte

inspanningen in de regio, bijvoorbeeld op het gebied van economie, energie, vervoer en

vluchtelingen;

  • d) 
    sluiten van internationale overeenkomsten en de daadwerkelijke toepassing van het internationaal

-

recht, in het bijzonder VN-resoluties en multilaterale overeenkomsten, aanmoedigen;

Artikel 10

Zuid-Afrika

De communautaire bijstand aan Zuid-Afrika ondersteunt maatregelen die in overeenstemming zijn

met artikel 5 en met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de algemene

beginselen van deze verordening. Extra aandacht wordt geschonken aan de volgende samen-

werkingsterreinen, die de specifieke situatie in Zuid-Afrika weerspiegelen:

  • a) 
    bijdragen aan versterking van een democratische samenleving, goed bestuur en een rechtsstaat, in

-

het belang van de regionale en continentale stabiliteit en integratie;

  • b) 
    ondersteuning van de aanpassingspogingen die in de regio worden ondernomen sedert de

instelling van een vrijhandelszone in het kader van de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling

en samenwerking en andere regionale regelingen;

  • c) 
    het bijdragen aan bestrijding van armoede, ongelijkheid en uitsluiting, onder andere door het

-

lenigen van de eerste behoeften van gemeenschappen die vroeger achtergesteld waren;

  • d) 
    het bestrijden van de hiv/aids-pandemie en de gevolgen ervan voor de samenleving in Zuid-

Afrika.

Artikel 11

Thematische programma's

  • 1. 
    Een thematisch programma vormt een aanvulling op de in artikels 5 tot en met 10 vermelde

programma's en heeft betrekking op een specifiek onderwerp of terrein dat van belang is voor een

groep niet op geografische basis geselecteerde partnerlanden, op samenwerkingsactiviteiten die op

verschillende regio's of groepen van partnerlanden zijn gericht, of op een internationale operatie die

geografisch niet specifiek is.

  • 2. 
    In overeenstemming met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de

algemene beginselen van deze verordening, bieden de acties in het kader van het thematisch

programma een meerwaarde aan, en vormen zij een aanvulling op en één geheel met de acties die

worden gefinancierd op grond van de geografische programma's. Voor deze acties gelden de

volgende beginselen:

  • a) 
    de communautaire beleidsdoelstellingen kunnen niet op passende of doeltreffende wijze worden

verwezenlijkt met een geografisch programma en het programma wordt uitgevoerd door of via een

intermediaire organisatie zoals een niet-gouvernementele organisatie, een andere niet tot de

overheid behorende actor, een internationale organisatie of een multilateraal mechanisme. Hier-

onder vallen wereldomvattende initiatieven die de Millenniumdoelstellingen, duurzame

ontwikkeling of mondiale collectieve voorzieningen en acties in de lidstaten en toetredende landen

ondersteunen middels een afwijking van artikel 24, zoals bedoeld in het thematisch programma,

  • acties die van belang zijn voor het doel van een bepaald thematisch programma en die

beantwoorden aan een communautaire beleidsprioriteit of een internationale verplichting of

toezegging van de Gemeenschap;

  • eventueel acties in gevallen waarin er geen geografisch programma bestaat of dit programma is

opgeschort.

Artikel 12

Investeren in mensen

(1) Communautaire bijstand in het kader van het thematisch programma Investeren in mensen heeft

tot doel steun te verlenen aan acties op gebieden die rechtstreeks van invloed zijn op de levens-

standaard en het welzijn van de mensen, zoals hieronder omschreven, met name in de armste en

minst ontwikkelde landen en in de meest achtergestelde bevolkingsgroepen.

(2) Ter verwezenlijking van het in lid 1 genoemde doel en in overeenstemming met artikel 11

omvat het programma de volgende actieterreinen:

  • a) 
    goede gezondheid voor iedereen:
  • i) 
    bestrijding van aan armoede gerelateerde ziekten, meer bepaald de belangrijkste overdraagbare

ziektes, omschreven in het Europees actieprogramma tegen hiv/aids, malaria en tuberculose, in het

bijzonder door:

  • wereldwijde initiatieven ondersteunen ter bestrijding van de drie voornaamste overdraagbare

ziekten in het kader van de armoedebestrijding, zoals het Wereldfonds ter bestrijding van hiv/aids,

tuberculose en malaria;

  • ii) 
    overeenkomstig de beginselen van de ICPD en de ICPD + 5 maatregelen ondersteunen om de

reproductieve en seksuele gezondheid in de ontwikkelingslanden te verbeteren en het recht van

vrouwen, mannen en adolescenten op een goede reproductieve en seksuele gezondheid te vrijwaren,

en financiële bijstand en passende expertise verstrekken ter bevordering van een holistische aanpak

en van de erkenning van de reproductieve en seksuele gezondheid en rechten als omschreven in het

ICPD-actieprogramma, inclusief veilig moederschap en universele toegang tot een alomvattend

aanbod van veilige en betrouwbare zorg en diensten, producten, onderwijs en voorlichting op het

gebied van reproductieve en seksuele gezondheid, met inbegrip van informatie over allerlei

methoden van gezinsplanning, onder meer in de vorm van:

  • terugdringing van de moedersterfte- en ziektecijfers, met name in landen en onder bevolkings-

-

groepen die daardoor het zwaarst worden getroffen;

  • iii) 
    billijker toegang tot aanbieders van gezondheidszorg, voorzieningen en gezondheidsdiensten

door ondersteuning van:

  • maatregelen die de kritieke situatie op het gebied van menselijke hulpbronnen in de gezondheids-

-

sector verhelpen;

  • systemen voor gezondheidsvoorlichting die de mogelijkheid bieden tot het opstellen, meten en
  • iv) 
    een evenwichtige aanpak die de aandacht verdeelt over preventie, behandeling en zorg, zij het

met volstrekte prioriteit voor preventie, in het besef dat zij meer effect sorteert in combinatie met

behandeling en verzorging.

  • b) 
    Onderwijs, kennis en vaardigheden:
  • i) 
    speciale aandacht voor maatregelen om tegen 2015 wereldwijd basisonderwijs te bewerkstelligen,

in het kader van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en het Actiekader van Dakar:

Onderwijs voor iedereen;

  • ii) 
    basisonderwijs, middelbaar en hoger onderwijs en beroepsopleiding ter verbetering van de

toegang tot het onderwijs voor alle kinderen en, in toenemende mate, voor vrouwen en mannen van

alle leeftijden, om kennis, vaardigheden en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten, en aldus

bij te dragen aan actief burgerschap en levenslange zelfontplooiing;

  • iii) 
    bevordering van basisonderwijs van hoge kwaliteit, met bijzondere aandacht voor bieden van

toegang tot onderwijsprogramma's aan meisjes, kinderen in door conflicten getroffen gebieden en

kinderen uit gemarginaliseerde en meer kwetsbare sociale groeperingen; bevordering van gratis,

verplicht onderwijs tot op vijftienjarige leeftijd om alle vormen van kinderarbeid te bestrijden;

  • iv) 
    ontwikkeling van methodes om leerresultaten te meten, voor een betere beoordeling van de

kwaliteit van het onderwijs, meer bepaald in lezen, schrijven en rekenen en in de voornaamste

levensvaardigheden;

  • v) 
    bevordering van harmonisatie en onderlinge afstemming onder donoren, ter bevordering van
  • vii) 
    verbetering van kennis en innovatie door middel van wetenschap en technologie, alsmede

ontwikkeling van en toegang tot elektronische communicatienetten ter verbetering van sociaal-

economische groei en duurzame ontwikkeling in samenhang met de internationale dimensie van het

communautaire onderzoeksbeleid.

  • c) 
    Gendergelijkheid:
  • i) 
    het propageren van gendergelijkheid en vrouwenrechten, tot uitvoering van mondiale

verbintenissen als vastgelegd in de Verklaring en het Actieplatform van Beijing en het Verdrag

inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, met inbegrip van de volgende

activiteiten:

  • ondersteuning van programma's die bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van

het Actieplatform van Beijing, met bijzondere nadruk op gendergelijkheid in het bestuur en

politieke en maatschappelijke vertegenwoordiging en andere maatregelen voor de zelf-

beschikking van vrouwen;

  • versterking van de institutionele en operationele capaciteit van de voornaamste belang-

hebbenden, organisaties van het maatschappelijk middenveld en vrouwenorganisaties en

-netwerken om hen te ondersteunen in hun streven naar gendergelijkheid en economische en

sociale zelfbeschikking, met inbegrip van noord-zuid- en zuid-zuid-netwerken en bewust-

makingscampagnes;

  • toevoeging van een genderperspectief bij het opbouwen van monitoring- en statistiekcapaciteit
  • bevordering van interculturele dialoog, van culturele verscheidenheid en van eerbiediging van

de gelijke waardigheid van alle culturen;

  • bevordering van internationale samenwerking die de cultuurindustrie doet bijdragen aan de

economische groei in ontwikkelingslanden en aldus haar volle potentieel bij de armoede-

bestrijding tot gelding brengt, met aandacht voor thema's als markttoegang en intellectuele-

eigendomsrechten;

  • bevordering van respect voor de sociale, culturele en spirituele waarden van inheemse volkeren

en minderheden ter wille van de gelijkheid en de rechtvaardigheid in multi-etnische samen-

levingen conform de universele rechten van de mens, waarop iedereen, ook inheemse volkeren

en personen die tot minderheden behoren, aanspraak kan maken;

  • ondersteuning van cultuur als economische sector die beloften voor ontwikkeling en groei

inhoudt.

  • ii) 
    Werkgelegenheid en sociale cohesie:
  • bevordering van een geïntegreerde sociale en economische benadering, met aandacht voor

productieve werkgelegenheid, behoorlijk werk voor iedereen, sociale cohesie, ontwikkeling van

menselijk potentieel, rechtvaardigheid, sociale zekerheid en het in kaart brengen van de

werkgelegenheidsproblematiek en verhoging van de kwaliteit van de werkgelegenheid in de

informele sector en het mondiger maken van vakverenigingen, overeenkomstig de beginselen

van de IAO-verdragen en de internationale toezeggingen van de Gemeenschap;

  • bijdragen tot het propageren van de positieve sociale dimensie van de mondialisering en de

ervaring van de EU.

  • iii) 
    Jongeren en kinderen:
  • bestrijding van alle vormen van kinderarbeid, kinderhandel en geweld tegen kinderen en

aanmoediging van beleid dat aandacht heeft voor de bijzondere kwetsbaarheid en de

mogelijkheden van jongeren en kinderen, de bescherming van hun rechten en belangen,

onderwijs, gezondheid en welzijn, te beginnen met participatie en zelfbeschikking;

  • de ontwikkelingslanden meer aandacht laten schenken aan en beter in staat stellen tot de

ontwikkeling van een beleid ten gunste van jongeren en kinderen;

  • pleiten voor concrete strategieën en acties in verband met de specifieke problemen en

uitdagingen waarmee jongeren en kinderen te maken hebben, waarbij steeds hun belang voor

ogen wordt gehouden. De participatie van kinderen en jongeren moet gewaarborgd zijn.

  • de positie van de Gemeenschap als voornaamste donor van officiële ontwikkelingshulp onder de

internationale instellingen benutten om multilatere donoren druk te laten uitoefenen ten gunste

van beleid dat de ernstigste vormen van kinderarbeid, met name de gevaarlijke vormen, afschaft

om alle vormen van kinderarbeid daadwerkelijk uit te bannen, kinderhandel en geweld tegen

kinderen te bestrijden, en de rol van kinderen en jongeren als ontwikkelingsactoren te

propageren.

Artikel 13

Milieu en duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van energie

  • 1. 
    Het thematisch programma milieu en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, waaronder

water, en energie, is erop gericht de milieubeschermingsvereisten te integreren in het

ontwikkelingsbeleid en andere onderdelen van het extern beleid van de Gemeenschap, en is bedoeld

om, in het gezamenlijk belang van de Gemeenschap en de partnerlanden en -regio's, het milieu- en

energiebeleid van de Gemeenschap in het buitenland te helpen propageren.

  • 2. 
    Ter verwezenlijking van het in lid 1 genoemde doel en in overeenstemming met artikel 11 omvat

het programma de volgende actieterreinen:

  • a) 
    de ontwikkelingslanden bij de bron te helpen de Millenniumontwikkelingsdoelstelling inzake

milieuduurzaamheid te verwezenlijken door de opbouw van capaciteit voor milieu-integratie in de

ontwikkelingslanden, door steunverlening aan het maatschappelijk middenveld, aan plaatselijke

autoriteiten en aan overlegfora, door milieumonitoring en -beoordeling, door de uitwerking van

innovatieve methoden en door jumelage met als doel ervaringen uit te wisselen en de samenwerking

op deze gebieden met de belangrijkste landen te intensiveren;

  • b) 
    te bevorderen dat communautaire initiatieven en verbintenissen die op internationaal en regionaal

niveau overeengekomen zijn, of een grensoverschrijdend karakter hebben, worden uitgevoerd,

middels steun voor duurzame ontwikkeling in de vorm van activiteiten betreffende de huidige en

toekomstige klimaatveranderingsproblemen, biodiversiteit, woestijnvorming, het boswezen,

bodemdegradatie, visserij en mariene hulpbronnen, naleving van milieunormen (met betrekking tot

producten en productieprocessen), veilige chemicaliën en afvalbeheer, bestrijding van

vertontreiniging, duurzame productie en consumptie en milieu-gerelateerde migratie. Dit behelst

voorts inspanningen ter bevordering van goed bestuur in de bosbouw en ter bestrijding van illegale

houtkap, in het bijzonder door FLEGT, en innovatieve activiteiten tot behoud en duurzaam beheer

van bossen met de actieve participatie van lokale gemeenschappen en van van bossen afhankelijke

bevolkingsgroepen.

Met betrekking tot water is het thematisch programma erop gericht een kader vast te stellen voor de

langetermijnbescherming van watervoorraden en duurzaam watergebruik te propageren door

ondersteuning van beleidscoördinatie.

  • c) 
    de milieudoelstellingen beter te integreren, middels methodologische ondersteuning, verbetering

van de milieudeskundigheid die beschikbaar is voor de beleidswerkzaamheden, de integratie en

innovatieve maatregelen van de Gemeenschap en voor het propageren van samenhang;

  • d) 
    versterking van het milieubestuur en ondersteuning van het uitwerken van internationaal beleid,

door te werken aan coherentie tussen de milieupijler en de andere pijlers van het internationaal

bestuur voor duurzame ontwikkeling en door te assisteren bij de milieumonitoring en -beoordeling

  • e) 
    het steunen van keuzes voor duurzame energie in de partnerlanden en -regio's, door duurzame

energie te integreren in ontwikkelingsplannen en -strategieën, door institutionele steun en

technische bijstand te ontwikkelen, door een gunstig wettelijk en beleidskader te scheppen dat

nieuwe bedrijven en investeerders in hernieuwbare energie aantrekt, door de rol van energie als

inkomensgenerator voor de armen te versterken, door innovatieve financieringsvormen te

bevorderen en door op al deze gebieden regionale samenwerking tussen regeringen, niet-

gouvernementele organisaties en de particuliere sector aan te moedigen. De strategische maat-

regelen van de Gemeenschap zullen in het bijzonder aanmoediging verlenen voor het gebruik van

hernieuwbare energiebronnen, betere energie-efficiëntie en het uitwerken van een energieregel-

gevingskader in de betrokken landen en regio's, en voor de vervanging van bijzonder schadelijke

energiebronnen door minder schadelijke.

Artikel 14

Niet-overheidsactoren en plaatselijke overheden in het ontwikkelingsproces

  • 1. 
    Het thematisch programma niet-overheidsactoren en plaatselijke overheden in het ontwikkelings-

proces heeft tot doel om medefinanciering te verlenen voor initiatieven op ontwikkelingsgebied die

worden voorgesteld en/of uitgevoerd door organisaties van het maatschappelijk middenveld en

plaatselijke overheden en afkomstig zijn van de Gemeenschap en de partnerlanden. Ten minste 85%

van de uit hoofde van dit thematisch programma geplande financiering wordt aan niet-overheids-

actoren toegewezen. Het programma wordt uitgevoerd in overeenstemming met het doel van deze

verordening en ter versterking van de capaciteit van niet-overheidsactoren en plaatselijke overheden

  • de Europese bevolking meer vertrouwd te maken met de ontwikkelingsproblematiek en in de

Gemeenschap en de toetredende landen actieve publieke steun te verwerven voor strategieën die

zijn gericht op armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling in de partnerlanden en voor eerlijker

verhoudingen tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden, en te dien einde de rol van het

maatschappelijk middenveld en de plaatselijke overheden te versterken;

  • efficiëntere samenwerking te bereiken, synergie te bevorderen en een gestructureerde dialoog

mogelijk te maken tussen de netwerken van het maatschappelijk middenveld en verenigingen van

plaatselijke overheden, binnen hun organisaties zelf, alsook met de instellingen van de

Gemeenschap.

(2) Ter verwezenlijking van het in lid 1 genoemde doel en in overeenstemming met artikel 11

omvat het programma de volgende actieterreinen:

  • a) 
    in ontwikkelingslanden en regio's in die zin optreden dat (i) participatieve ontwikkeling en

processen, alsook inclusie van alle actoren, vooral kwetsbare en gemarginaliseerde groepen worden

bevorderd; (ii) de capaciteitsontwikkeling bij de betrokken actoren op nationaal, regionaal of lokaal

niveau wordt ondersteund; (iii) het kweken van wederzijds begrip wordt bevorderd; (iv) de burgers

gemakkelijker actief gaan deelnemen aan het ontwikkelingsproces en beter in staat zijn tot handelen

over te gaan;

  • b) 
    het publiek bewuster maken van de ontwikkelingsproblematiek en de ontwikkelingseducatie in

de Gemeenschap en de toetredende landen uit te bouwen, het ontwikkelingsbeleid te verankeren in

de Europese samenlevingen, in de Gemeenschap en de toetredende landen meer overheidssteun

(3) Steun aan plaatselijke overheden in de partnerlanden wordt in de regel verleend in het kader van

de landenstrategiedocumenten, tenzij deze niet de nodige steun bieden, met name in situaties zoals

moeilijke partnerschappen, zwakke staten en situaties na conflicten.

Bij de berekening van de communautaire medefinanciering voor steun aan de plaatselijke

overheden en hun verenigingen wordt rekening gehouden met hun bijdragecapaciteit.

Artikel 15

Voedselzekerheid

(1) Doel van het thematisch programma voedselzekerheid is, de voedselzekerheid voor de armste en

meest kwetsbare bevolkingsgroepen te verbeteren en bij te dragen tot de verwezenlijking van de

millenniumontwikkelingsdoelstelling inzake armoede en honger, door een reeks acties die de

algehele samenhang, complementariteit en continuïteit van de maatregelen van de Gemeenschap

waarborgen, onder meer op het gebied van de overgang van hulp naar ontwikkeling.

(2) Ter verwezenlijking van het in lid 1 genoemde doel en in overeenstemming met artikel 11

omvat het programma de volgende actieterreinen:

  • a) 
    bijdragen tot de terbeschikkingstelling van internationale collectieve voorzieningen, met name

vraaggestuurd onderzoek en technologische innovatie ten behoeve van de armen, evenals

capaciteitsontwikkeling en wetenschappelijke en technische zuid-zuid- en zuid-noord-samen-

werking en twinning;

  • c) 
    opkomen voor en voortgang maken met de mondiale voedselzekerheidsagenda. De Gemeenschap

blijft in het internationale debat de nadruk leggen op essentiële voedselzekerheidsvraagstukken en

bevordert de harmonisatie, samenhang en onderlinge afstemming van het beleid en de hulp-

verstrekking van de ontwikkelingspartners en de donoren. Met name moet de rol van het maat-

schappelijk middenveld in voedselveiligheidsvraagstukken sterker bevorderd worden;

  • d) 
    aanpakken van de voedselonzekerheid in uitzonderlijke omstandigheden zoals overgangssituaties

en zwak staatsbestel, door een centrale rol te spelen in de koppeling van hulp, rehabilitatie en

ontwikkeling. Het thematisch programma i) ondersteunt maatregelen om de productieve en sociale

activa die essentieel zijn voor de voedselzekerheid te beschermen, in stand te houden en te

recupereren, teneinde economische integratie en herstel op lange termijn mogelijk te maken, en

  • ii) 
    ondersteunt crisispreventie en -beheersing om de kwetsbaarheid van mensen in crisissituaties te

-

verminderen en hun weerbaarheid te versterken;

  • e) 
    ontwikkelen van innovatieve voedselzekerheidsbeleidslijnen, strategieën en benaderingen, en het

versterken van het potentieel voor het repliceren en de zuid-zuid-verspreiding daarvan. Er kunnen

maatregelen worden genomen op het gebied van onder meer landbouw, met inbegrip van grond-

hervorming en grondbeleid, duurzaam beheer van en toegang tot natuurlijke hulpbronnen, voedsel-

zekerheid in relatie tot plattelands- en plaatselijke ontwikkeling, met inbegrip van infrastructuur,

voeding, demografie en arbeid, migratie, gezondheid en onderwijs. Er wordt gezorgd voor

consistentie en complementariteit met andere communautaire programma's op deze gebieden.

Artikel 16

(2) Ter verwezenlijking van het in lid 1 genoemde doel en in overeenstemming met artikel 11

omvat het programma de volgende actieterreinen:

  • a) 
    versterking van de relatie tussen migratie en ontwikkeling, met name door de bijdrage van

diasporagemeenschappen aan de ontwikkeling van hun land van oorsprong aan te moedigen en

ervoor te zorgen dat de terugkeer van migranten meer nut oplevert; de uittocht van hoog-

geschoolden (brain drain) af te remmen en de circulaire migratie van geschoolde migranten te

bevorderen; financiële overmakingen van migranten naar hun land van oorsprong te vergemak-

kelijken; vrijwillige terugkeer en reïntegratie van migranten te ondersteunen en capaciteit voor

migratiebeheer op te bouwen; inspanningen voor capaciteitsopbouw te bevorderen, om landen te

helpen een op ontwikkeling gericht migratiebeleid te bepalen en de capaciteit te ontwikkelen om

migratiestromen gezamenlijk te beheren;

  • b) 
    bevordering van een goed beheerde arbeidsmigratie, met name door informatie te verstrekken

over legale migratie en over de voorwaarden van binnenkomst en verblijf op het grondgebied van

de lidstaten van de Gemeenschap; informatie te verstrekken over de mogelijkheden en behoeften in

de lidstaten met betrekking tot arbeidsmigratie en over de kwalificaties van migratiekandidaten uit

derde landen; steun te verlenen voor opleiding van kandidaten voor legale migratie vóór hun

vertrek; en de bepaling en implementatie van kaderwetgeving voor migrerende werknemers in

derde landen aan te moedigen;

  • c) 
    bestrijding van illegale migratie en het vergemakkelijken van de overname van niet-legale

immigranten, ook tussen derde landen, en in het bijzonder bestrijding van mensensmokkel en

  • d) 
    bescherming van migranten, ook van de meest kwetsbaren zoals vrouwen en kinderen, tegen

uitbuiting en uitsluiting, door maatregelen zoals het ontwikkelen van wetgeving in de derde landen

op het gebied van legale immigratie; ondersteunen van integratie en niet-discriminatie, alsmede

maatregelen om migranten te beschermen tegen racisme en vreemdelingenhaat; voorkomen en

bestrijden van mensenhandel en elke vorm van slavernij;

  • e) 
    bevordering van asiel en internationale bescherming, onder meer met regionale beschermings-

programma's, met name door versterking van de institutionele capaciteiten; ondersteunen van de

registratie van asielzoekers en vluchtelingen; bevordering van internationale normen en

instrumenten voor de bescherming van vluchtelingen; verlenen van steun voor verbetering van de

opvang en de lokale integratie, en streven naar duurzame oplossingen.

Artikel 17

ACS-landen van het suikerprotocol

(1) De in bijlage 3 vermelde ACS-landen van het suikerprotocol, die getroffen zijn door de

communautaire hervorming van de suikermarkt komen in aanmerking voor begeleidende maat-

regelen. De communautaire bijstand voor deze landen is gericht op de ondersteuning van hun

aanpassingsproces wanneer zij zich geconfronteerd zien met nieuwe condities op de suikermarkt als

gevolg van de hervorming van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker. In

de communautaire bijstand wordt rekening gehouden met de aanpassingsstrategieën van de landen

en wordt bijzondere aandacht besteed aan de volgende samenwerkingsterreinen:

(2) Binnen het in bijlage 4 genoemde bedrag stelt de Commissie het maximumbedrag vast dat aan

elk land van het suikerprotocol ter beschikking wordt gesteld voor het financieren van de maat-

regelen bedoeld in lid 1; daarbij wordt uitgegaan van de behoeften van het land, wat betreft met

name het effect van de hervorming van de suikersector en het belang van de suikersector voor de

economie. De toewijzingscriteria worden vastgesteld aan de hand van de gegevens over de

verkoopseizoenen vóór 2004.

Nadere instructies betreffende de verdeling van het totaalbedrag onder de begunstigden worden

volgens de in artikel 35, lid 2, bedoelde procedure door de Commissie vastgesteld.

TITEL III

PROGRAMMERING EN TOEWIJZING VAN FONDSEN

Artikel 18

Algemeen kader voor de programmering en de toewijzing van middelen

(1) Voor de geografische programma's stelt de Commissie overeenkomstig artikel 19 voor elk

partnerland en voor elke partnerregio strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's op

en keurt zij overeenkomstig artikel 22 voor elk partnerland en voor elke partnerregio jaarlijkse

actieprogramma's goed.

Voor de thematische programma's stelt de Commissie overeenkomstig artikel 20 thematische

strategiedocumenten op en keurt zij overeenkomstig artikel 22 actieprogramma's goed.

(2) De Commissie bepaalt de indicatieve meerjarentoewijzingen binnen elk geografisch programma

aan de hand van gestandaardiseerde, objectieve en transparante toewijzingscriteria, op basis van de

behoeften en de prestaties van de betrokken partnerlanden of -regio's en indachtig de specifieke

problemen van landen of regio's die in een crisis- of conflictsituatie verkeren of gevoelig zijn voor

natuurrampen, naast de specificiteit van de verschillende programma's.

Bij het beoordelen van de behoeften wordt rekening gehouden met de bevolking, het inkomen per

hoofd, de mate van armoede, de inkomensverdeling en het niveau van de sociale ontwikkeling. Bij

het beoordelen van de prestaties wordt gelet op de politieke, economische en maatschappelijke

vooruitgang, de voortgang op het gebied van goed bestuur en het effectieve gebruik van de hulp,

met name de manier waarop een land schaarse ontwikkelingsmiddelen, te beginnen met zijn eigen

middelen, gebruikt.

(3) Voor de versterking van de samenwerking tussen de ultraperifere regio's van de EU en de

aangrenzende partnerlanden en -regio's kan de Commissie in een specifiek financieel kader

voorzien.

Artikel 19

Geografische strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's

  • 1. 
    Bij de voorbereiding en uitvoering van strategiedocumenten worden de in artikel 3, leden 5 tot en

met 8, van deze verordening neergelegde beginselen inzake de doeltreffendheid van hulp toegepast,

te weten nationale verantwoordelijkheid, partnerschap, coördinatie, harmonisatie, afstemming op de

De strategiedocumenten worden onderworpen aan een evaluatie halverwege de looptijd of, indien

nodig, aan ad hoc evaluaties waarbij in voorkomend geval de beginselen en de procedures worden

toegepast die zijn overeengekomen in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten met de

partnerlanden en -regio's;

  • 3. 
    De strategiedocumenten worden in beginsel opgesteld op basis van een dialoog met de partner-

landen en -regio's waarbij ook het maatschappelijk middenveld en de regionale en plaatselijke

overheden van die landen en regio's worden betrokken, zodat voldoende eigen verantwoordelijkheid

voor het proces wordt genomen en de nationale ontwikkelingsstrategieën, en voornamelijk de

strategieën voor armoedebestrijding, voldoende steun krijgen.

  • 4. 
    Voor elk partnerland en voor elke partnerregio worden op basis van de strategiedocumenten

indicatieve meerjarenprogramma's opgesteld. Indien mogelijk wordt hierover een overeenkomst

gesloten met de partnerlanden en -regio's.

De indicatieve meerjarenprogramma's bepalen de prioritaire terreinen die voor communautaire

financiering in aanmerking komen, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten en de

prestatie-indicatoren.

De indicatieve meerjarenprogramma's vermelden tevens de indicatieve financiële toewijzingen,

zowel in totaal als per prioritair terrein, eventueel door vermelding van een minimum- en een

maximumbedrag. Deze toewijzingen zijn in overeenstemming met de in bijlage 4 vermelde

indicatieve toewijzingen.

(6) Overeenkomstig artikel 2, lid 6, garandeert de strategie tevens de samenhang, en voorkomt zij

wederzijdse overlapping, tussen de maatregelen die zijn genomen in het kader van deze verordening

en de maatregelen die in aanmerking komen voor financiering in het kader van andere communau-

taire instrumenten, met name Verordening (EG) nr. xxx van het Europees Parlement en de Raad van

xxx tot invoering van een stabiliteitsinstrument en Verordening (EG) nr. 1257/96 van 20 juni 1996

betreffende humanitaire hulp. Ten aanzien van partnerlanden of groepen van partnerlanden die

rechtstreeks betrokken zijn bij of getroffen worden door een crisis of post-crisis, wordt bij de

indicatieve meerjarenprogramma's bijzondere nadruk gelegd op versterking van de coördinatie

tussen hulp, rehabilitatie en ontwikkeling, zodat de overgang van noodsituatie naar ontwikkelings-

fase kan worden verzekerd. Voor de landen en regio's waar zich regelmatig natuurrampen voor-

doen, ligt de nadruk op de voorbereiding op en het voorkomen van rampen en de beheersing van de

gevolgen van dit soort rampen.

  • 7. 
    Ter stimulering van de regionale samenwerking kan de Commissie bij de vaststelling van de

jaarlijkse actieprogramma's van het in artikel 22 bedoelde type of de in artikel 23 bedoelde

bijzondere maatregelen voor samenwerking, besluiten dat voor samenwerkingsmaatregelen uit

hoofde van dit hoofdstuk de in bijlage 5 genoemde landen uitgevoerde projecten of programma's

met een regionaal of grensoverschrijdend karakter in aanmerking komen, overeenkomstig artikel 2,

lid 4, eerste alinea. In de in de artikelen 19 en 20 bedoelde strategiedocumenten en indicatieve

meerjarenprogramma's kan in deze mogelijkheid worden voorzien.

(8) De Commissie en de lidstaten plegen in een vroeg stadium van het programmeringsproces

overleg met elkaar en met andere donors en ontwikkelingsactoren, waaronder vertegenwoordigers

De thematische strategiedocumenten bepalen de prioritaire terreinen die voor communautaire

financiering in aanmerking komen, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten en de

prestatie-indicatoren.

De thematische strategiedocumenten vermelden tevens de indicatieve financiële toewijzingen, in

hun totaliteit en per prioritair terrein, eventueel door vermelding van een minimum- en een

maximumbedrag.

De thematische strategiedocumenten worden onderworpen aan een herziening halverwege de

looptijd of, indien nodig, aan ad hoc-herzieningen.

  • 2. 
    De Commissie en de lidstaten plegen in een vroeg stadium van de programmering, onderling en

met andere donoren en ontwikkelingsactoren, waaronder vertegenwoordigers van het maat-

schappelijk middenveld en plaatselijke overheden, overleg ter bevordering van de complemen-

tariteit van hun samenwerkingsactiviteiten.

(3) Voor de deelname aan mondiale initiatieven worden middelen en prioritaire acties vastgelegd.

Artikel 21

Goedkeuring van strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's

De in de artikelen 19 en 20 bedoelde strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's, en

de evaluaties daarvan, bedoeld in artikel 19, leden 1 en 3, en artikel 20, lid 1, alsmede de

begeleidende maatregelen, bedoeld in artikel 17, worden door de Commissie volgens de in

In uitzonderlijke omstandigheden, met name indien een actieprogramma nog niet is goedgekeurd,

kan de Commissie op basis van de in de artikelen 19 en 20 bedoelde strategiedocumenten en

indicatieve meerjarenprogramma's volgens dezelfde regels en procedures als voor de actie-

programma's maatregelen buiten de jaarlijkse actieprogramma's om goedkeuren.

(2) In de jaarlijkse actieprogramma's worden de doelstellingen, de terreinen waarop maatregelen

worden genomen, de verwachte resultaten, de beheersprocedures en het totale bedrag van de

geplande financiering vastgesteld. Zij bevatten een beschrijving van de te financieren acties, een

indicatie van de overeenkomstige financieringsbedragen en het indicatief tijdschema voor de

uitvoering. De doelstellingen moeten meetbaar zijn en tijdgebonden ijkpunten bevatten.

(3) De jaarlijkse actieprogramma's worden door de Commissie volgens de in artikel 35, lid 2,

bedoelde beheersprocedure goedgekeurd.

  • 4. 
    Op projectniveau vindt een passend milieu-onderzoek plaats, met inbegrip van een milieu-

effectbeoordeling voor milieugevoelige projecten, in het bijzonder voor belangrijke nieuwe

infrastructuur. Waar zulks relevant is, wordt bij de uitvoering van sectorale programma's gebruik

gemaakt van strategische milieueffectbeoordelingen. Geïnteresseerde belanghebbenden worden bij

de milieubeoordelingen betrokken en de resultaten worden voor het publiek beschikbaar gesteld.

Artikel 23

Bijzondere maatregelen die niet in de strategiedocumenten en de indicatieve meerjarenprogramma's

zijn opgenomen

Met bijzondere maatregelen kunnen tevens acties worden gefinancierd die de overgang van nood-

hulp naar ontwikkelingsactiviteiten op de lange termijn vergemakkelijken, waaronder activiteiten

om de bevolking beter voor te bereiden op terugkerende crises.

(2) Met bijzondere maatregelen worden de doelstellingen, de terreinen waarop maatregelen worden

getroffen, de verwachte resultaten, de beheersprocedures en het totale bedrag van de geplande

financiering vastgesteld. Zij bevatten een beschrijving van de te financieren acties, een indicatie van

de overeenkomstige bedragen van de financiering en het indicatief tijdschema voor de uitvoering.

Zij bevatten een definitie van het soort prestatie-indicatoren die tijdens de uitvoering van de

bijzondere maatregelen moeten worden gevolgd.

(3) Bijzondere maatregelen van meer dan 10 miljoen euro worden door de Commissie volgens de in

artikel 35, lid 2, bedoelde beheersprocedure goedgekeurd. Bijzondere maatregelen waarvan de

kosten minder dan 10 miljoen euro bedragen, worden door de Commissie binnen één maand na de

goedkeuring ter kennis van de lidstaten en het Europees Parlement gebracht.

(4) Wijziging van de bijzondere maatregelen, zoals technische aanpassing, verlenging van de

uitvoeringstermijn, herschikking van de kredieten binnen de begroting, verhoging van de begroting

met een bedrag van minder dan 20% van de oorspronkelijke begroting of vermindering van de

begroting, hoeft niet volgens de in artikel 35, lid 2, bedoelde procedure te geschieden, voorzover de

wijziging de oorspronkelijke, in het besluit van de Commissie vastgestelde doelstellingen onverlet

laat. Dergelijke technische aanpassingen worden binnen één maand ter kennis van de lidstaten en

het Europees Parlement gebracht.

  • a. 
    de partnerlanden, de partnerregio's en hun instellingen;
  • b. 
    de gedecentraliseerde organen van de partnerlanden, zoals gemeenten, provincies,

departementen en regio's;

  • c. 
    de gemengde organen die door de partnerlanden en -regio's en de Gemeenschap zijn opgericht;
  • d. 
    internationale organisaties, waaronder regionale organisaties, organisaties, diensten of missies

die onder het stelsel van de Verenigde Naties vallen, internationale en regionale financiële

instellingen en ontwikkelingsbanken, voorzover zij een bijdrage leveren tot het verwezenlijken

van de doelstellingen van deze verordening;

  • e. 
    de instellingen en organen van de Gemeenschap, doch uitsluitend ter uitvoering van de in

artikel 26 bedoelde ondersteunende maatregelen;

  • f. 
    de agentschappen en bureaus van de Europese Unie;
  • g. 
    de volgende entiteiten en organen van de lidstaten, van partnerlanden en -regio's of van andere

derde staten die voldoen aan de in artikel 31 vastgestelde regels betreffende de toegang tot de

buitenlandse hulp van de Gemeenschap, voorzover zij een bijdrage leveren tot het

verwezenlijken van de doelstellingen van deze verordening:

  • i) 
    overheids- of semi-overheidsinstanties, de plaatselijke overheden of collectiviteiten en hun

groeperingen of representatieve organisaties;

  • 2. 
    Niet-winstgevende niet-overheidsactoren die voor financiële steun uit hoofde van deze

verordening in aanmerking komen en op onafhankelijke en verantwoordingsplichtige basis werken,

zijn met name: niet-gouvernementele organisaties, organisaties van de autochtone bevolkingen,

organisaties die nationale en/of etnische minderheden vertegenwoordigen, beroepsgroeperingen en

plaatselijke actiegroepen, coöperaties, vakbonden, organisaties die economische en sociale actoren

vertegenwoordigen, organisaties ter bestrijding van corruptie en fraude en ter bevordering van goed

openbaar bestuur, burgerrechtenorganisaties en organisaties die discriminatie bestrijden, plaatselijke

organisaties (en netwerken daarvan) die werkzaam zijn op het gebied van gedecentraliseerde

regionale samenwerking en integratie, nationale en internationale verenigingen van plaatselijke

overheden die in de ontwikkelingsfeer werkzaam zijn, verbruikersverenigingen, vrouwen- en

jongerenorganisaties, onderwijs-, culturele, onderzoeks- en wetenschappelijke organisaties,

universiteiten, kerken en religieuze verenigingen of gemeenschappen, media, en alle niet-

gouvernementele organisaties en onafhankelijke stichtingen, waaronder onafhankelijke politieke

stichtingen, die een bijdrage kunnen leveren tot het verwezenlijken van de doelstellingen van deze

verordening.

Artikel 25

Financieringsvormen

(1) De communautaire financiering kan de volgende vormen aannemen:

  • a. 
    projecten en programma's;
  • c. 
    sectorale ondersteuning;
  • d. 
    in uitzonderlijke gevallen, sectorale en algemene programma's ter ondersteuning van de invoer,

in de vorm van (i) sectorale invoerprogramma's in natura, (ii) sectorale invoerprogramma's in de

vorm van deviezensteun ter financiering van sectorale invoer, en (iii) algemene

invoerprogramma's in de vorm van deviezensteun ter financiering van de algemene invoer van

een grote verscheidenheid aan producten;

  • e. 
    middelen die ter beschikking worden gesteld van de Europese Investeringsbank of andere

financiële tussenpersonen voor het verstrekken, op basis van programma's van de Commissie en

onder de in artikel 32 bedoelde voorwaarden, van leningen (in het bijzonder ter ondersteuning

van investeringen in en de ontwikkeling van de particuliere sector), risicokapitaal (met name in

de vorm van achtergestelde of voorwaardelijke leningen) of andere vormen van tijdelijke

minderheidsparticipaties in het kapitaal van ondernemingen, en voor bijdragen in garantie-

fondsen, voorzover het financiële risico voor de Gemeenschap tot deze middelen is beperkt;

  • f. 
    rentesubsidies, met name voor leningen op milieugebied;
  • g. 
    schuldverlichting, op grond van internationaal overeengekomen programma's voor schuld-

verlichting;

  • h. 
    subsidies voor de financiering van maatregelen die worden voorgesteld door de entiteiten

bedoeld in artikel 24, lid 1, onder b), c), d), f), en onder g), punten i) tot en met v);

  • i. 
    subsidies voor de financiering van de werkingskosten van de entiteiten, bedoeld in artikel 24,
  • l. 
    bijdragen in nationale fondsen die door de partnerlanden en -regio's zijn opgericht om

gezamenlijke medefinanciering door verschillende donoren aan te moedigen, of aan fondsen die

door een of meerdere andere donoren zijn opgericht om gezamenlijk acties uit te voeren;

  • m. 
    participaties in het kapitaal van internationale financiële instellingen en regionale

ontwikkelingsbanken;

  • n. 
    menselijke en materiële middelen voor het beheer van en daadwerkelijk toezicht op projecten en

programma's door de partnerlanden en -regio's;

(2) De financiering van de Gemeenschap wordt niet aangewend ter betaling van belastingen,

rechten of heffingen in de begunstigde landen.

Artikel 26

Ondersteunende maatregelen

(1) De communautaire financiering kan de kosten dekken van voorbereidende werkzaamheden,

monitoring, audits en evaluaties die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze

verordening en het verwezenlijken van de doelstellingen daarvan, bijvoorbeeld studies, bijeen-

komsten, informatie-, voorlichtings-, opleidings- en publiciteitscampagnes, kosten van informatica-

netwerken voor de uitwisseling van informatie, en alle andere kosten van technische en

administratieve bijstand die nodig zijn voor het beheer van het programma. Dit omvat ook de

uitgaven voor administratieve ondersteuning door de delegaties van de Commissie die zich

bezighouden met het beheer van de in het kader van deze verordening gefinancierde projecten.

Artikel 27

Medefinanciering

(1) Maatregelen die op grond van deze verordening worden gefinancierd, kunnen worden mede-

gefinancierd, met name door:

  • a. 
    de lidstaten en hun regionale en plaatselijke overheden, in het bijzonder overheids- of semi-

overheidsinstanties;

  • b. 
    andere donorlanden, met name hun overheids- en semi-overheidsinstanties;
  • c. 
    internationale en regionale organisaties, met name internationale en regionale financiële

instellingen;

  • d. 
    ondernemingen, bedrijven en andere particuliere organisaties en economische actoren, en andere

niet-overheidsactoren;

  • e. 
    de partnerlanden of de partnerregio's die de begunstigden van de middelen zijn.

(2) In geval van parallelle medefinanciering wordt het project of programma in meerdere, duidelijk

te onderscheiden componenten opgedeeld, die elk worden gefinancierd door de verschillende

partners die de medefinanciering verstrekken, en wel zo dat de bestemming van de financiering

altijd traceerbaar is.

In geval van gemeenschappelijke medefinanciering worden de totale kosten van het project of

(3) In geval van gemeenschappelijke medefinanciering kan de Commissie voor de uitvoering van

gezamenlijke acties middelen ontvangen en beheren namens de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde

entiteiten. Deze middelen worden behandeld als ontvangsten die in overeenstemming met artikel 18

van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad een bestemming hebben gekregen.

Artikel 28

Beheer

(1) De krachtens deze verordening gefinancierde maatregelen worden uitgevoerd overeenkomstig

de bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad en alle herzieningen

daarvan.

(2) In geval van medefinanciering en in andere naar behoren gerechtvaardigde gevallen mag de

Commissie overheidstaken, met name taken tot uitvoering van de begroting, toevertrouwen aan de

in artikel 54, lid 2, onder c), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad genoemde

entiteiten.

(3) In geval van gedecentraliseerd beheer mag de Commissie besluiten een beroep te doen op de

aanbestedingsprocedures of de procedures voor de toekenning van subsidies van het partnerland of

de partnerregio die de begunstigde is, nadat is geverifieerd dat zij voldoen aan de ter zake geldende

criteria van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad en op voorwaarde dat:

  • de procedures van het partnerland of de partnerregio die de begunstigde is, voldoen aan de

beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en non-discriminatie, en alle

Artikel 29

Vastleggingen

(1) De begrotingsvastleggingen vinden plaats op basis van de besluiten die door de Commissie

krachtens artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 1, en artikel 12, lid 2, zijn genomen.

(2) De communautaire financiering kan de volgende juridische vormen aannemen:

financieringsovereenkomsten;

-

subsidieovereenkomsten;

-

aanbestedingscontracten;

arbeidsovereenkomsten.

Artikel 30

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

(1) Iedere overeenkomst die uit deze verordening voortvloeit, dient bepalingen ter bescherming van

de financiële belangen van de Gemeenschap te bevatten, met name ten aanzien van onregelmatig-

heden, fraude, corruptie en andere illegale activiteiten, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom)

nr. 2988/95, Verordening (EG, Euratom) nr. 2185/96 en Verordening (EG) nr. 1073/99 van de

Raad.

(3) In iedere overeenkomst ter uitvoering van de hulp wordt het in lid 2 bedoelde recht van de

Commissie en de Rekenkamer zowel tijdens als na de uitvoering van de overeenkomst

gewaarborgd.

Artikel 31

Deelname aan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten en procedures voor de

toekenning van subsidies en regels van oorsprong

(1) De procedures voor aanbestedingen en subsidies op grond van deze verordening staan open voor

alle natuurlijke personen die onderdaan zijn van, en voor alle rechtspersonen die gevestigd zijn in

een lidstaat van de Gemeenschap, een door de Europese Gemeenschap erkende kandidaat-lidstaat of

een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

De procedure voor overheidsopdrachten en subsidieovereenkomsten die op grond van een thema-

tisch programma in de zin van de artikelen 11 tot en met 16 worden gefinancierd, staat open voor

natuurlijke personen die onderdaan zijn van, en voor rechtspersonen die gevestigd zijn in een

ontwikkelingsland, zoals bepaald in de OESO/DAC-lijst en in bijlage 2, naast de natuurlijke of

rechtspersonen die overeenkomstig het thematisch programma in aanmerking komen. De

Commissie publiceert en actualiseert bijlage 2 in overeenstemming met de herziening waaraan de

OESO/DAC de lijst van landen die internationale financiële steun ontvangen, regelmatig

onderwerpt, en stelt de Raad daarvan in kennis.

De procedure voor overheidsopdrachten en subsidieovereenkomsten die op grond van een geo-

Wederkerige toegang wordt verleend aan elk land dat de lidstaten en het betrokken ontvangende

land onder dezelfde voorwaarden toegang biedt.

De wederkerige toegang wordt vastgelegd in een apart besluit voor een bepaald land of regionale

groep landen. Het besluit wordt volgens de in artikel 35, lid 2, bedoelde procedure aangenomen en

is ten minste één jaar van kracht.

Wederkerige toegang wordt, na vergelijking van de Gemeenschap en andere donors, verleend op

het sectorale niveau zoals omschreven in de OESO/DAC-categorieën of op het nationale niveau van

het donorland of het ontvangende land. De wederkerigheid is afhankelijk van de transparantie,

samenhang en evenredigheid van de door die donor verleende steun, zowel in kwalitatieve als

kwantitatieve zin. Het ontvangende land wordt betrokken bij het in dit lid beschreven proces.

Aan de leden van de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand van de OESO wordt automatisch

wederzijdse toegang in de minst ontwikkelde landen verleend, in de definitie van de Commissie

voor Ontwikkelingsbijstand van de OESO.

(3) De procedure voor aanbestedingen en subsidies op grond van een communautair instrument

staat open voor internationale organisaties.

(4) Het bovenstaande laat onverlet dat categorieën organisaties die op grond van hun aard of locatie

in verband met de doelstellingen van de uit te voeren actie in aanmerking komen, kunnen

deelnemen.

(5) Voor de deskundigen gelden geen nationaliteitsvereisten. Het bovenstaande laat de kwalitatieve

(7) De Commissie kan in naar behoren gemotiveerde gevallen de deelneming toestaan van natuur-

lijke en rechtspersonen uit landen met traditionele economische, handels- of geografische banden

met buurlanden of uit andere derde landen, evenals het gebruik van leveranties en materialen van

afwijkende oorsprong.

(8) De Commissie kan, in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen, de deelname van

natuurlijke personen die onderdaan zijn van, en van rechtspersonen die gevestigd zijn in een ander

dan de in lid 1 en lid 2 genoemde landen toestaan, of de aankoop van goederen en materialen van

een andere dan de in lid 6 bedoelde oorsprong toestaan.

De afwijkingen kunnen gerechtvaardigd zijn indien de goederen en de diensten op de markt van de

betrokken landen niet beschikbaar zijn, in extreme noodgevallen of indien de toepassing van de

voorschriften voor het in aanmerking nemen de uitvoering van een project, programma of actie

onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken.

(9) In het geval van een communautaire financiering betreffende een operatie die via een inter-

nationale organisatie wordt uitgevoerd, staat de procedure voor de gunning van opdrachten en over-

eenkomsten open voor alle natuurlijke en rechtspersonen die op grond van de leden 1 en 2 in aan-

merking komen, alsmede voor alle natuurlijke en rechtspersonen die op grond van de regels van de

betrokken organisatie in aanmerking komen, waarbij moet worden toegezien op gelijke behandeling

van alle donoren. Dezelfde voorschriften gelden voor goederen, materialen en deskundigen.

Indien de communautaire financiering betrekking heeft op een operatie die mede gefinancierd wordt

door een derde land, onverminderd de in lid 2 bedoelde wederkerigheid, met een regionale organi-

(10) In het geval van hulp die op grond van het in artikel 14 omschreven thematisch programma

rechtstreeks via niet-overheidsactoren wordt verstrekt, is lid 1 niet van toepassing op de criteria

voor de selectie van potentiële begunstigden van subsidies.

De begunstigden van deze subsidies zijn onderworpen aan de voorschriften van dit artikel wanneer

het verstrekken van de hulp de gunning van aanbestedingscontracten vereist.

(11) Om de armoede sneller te kunnen uitbannen door het stimuleren van lokale capaciteiten,

markten en aankopen, wordt in de partnerlanden speciale aandacht gegeven aan de aanschaf ter

plaatse en in de regio.

Inschrijvers aan wie opdrachten worden gegund, eerbiedigen de internationaal erkende funda-

mentele arbeidsnormen en milieunormen, zoals de fundamentele normen van de IAO, de overeen-

komsten inzake vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen, uitschakeling van

gedwongen en verplichte arbeid, uitschakeling van discriminatie bij arbeid en beroep en afschaffing

van kinderarbeid.

De ontwikkelingslanden zal met alle noodzakelijk geachte technische ondersteuning toegang

worden geboden tot de communautaire buitenlandse hulp.

Artikel 32

Middelen die ter beschikking zijn gesteld van de Europese Investeringsbank of andere financiële

tussenpersonen

Artikel 33

Evaluatie

  • 1. 
    De Commissie onderwerpt haar programma's geregeld aan monitoring en toetsing, en zij

evalueert geregeld de resultaten van de toepassing van de geografische en thematische beleidslijnen

en programma's en het sectoraal beleid en de doeltreffendheid van de programmering, eventueel

door middel van externe onafhankelijke evaluaties, om na te gaan of de doelstellingen zijn

verwezenlijkt en om aanbevelingen voor verbeteringen in toekomstige maatregelen te kunnen doen.

Met voorstellen van het Europees Parlement of de Raad voor onafhankelijke externe evaluaties

wordt terdege rekening gehouden. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan de sociale sectoren

en aan de geboekte vooruitgang met betrekking tot de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling.

(2) De Commissie zendt de evaluatieverslagen ter informatie toe aan het Europees Parlement en het

in artikel 35 bedoelde comité. De lidstaten kunnen verzoeken dat specifieke evaluaties in het in

artikel 35, lid 3, bedoelde comité worden besproken. De uitkomst van deze bespreking wordt

verwerkt in het ontwerp van de programma's en de toewijzing van middelen.

(3) Alle relevante belanghebbenden, waaronder niet-overheidsactoren en plaatselijke overheden,

worden door de Commissie bij de evaluatie van de communautaire bijstand uit hoofde van deze

verordening betrokken.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 34

Jaarverslag

  • 1. 
    De Commissie onderzoekt de vooruitgang bij de uitvoering van de maatregelen die krachtens

deze verordening zijn genomen en legt het Europees Parlement en de Raad een jaarverslag over de

uitvoering en de resultaten en, voorzover mogelijk, de voornaamste resultaten en effecten van de

hulp voor. Dit verslag wordt ook aan het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de

Regio's toegezonden.

  • 2. 
    Het jaarverslag bevat gegevens met betrekking tot het voorafgaande jaar inzake de gefinancierde

maatregelen, de resultaten van monitoring en evaluatie, de inschakeling van de respectieve partners,

en de uitvoering van de vastleggings- en de betalingskredieten per partnerland en -regio en per

samenwerkingsterrein. Het verslag zal een beoordeling bevatten van de resultaten van de hulp,

voorzover mogelijk aan de hand van specifieke en meetbare indicatoren, en van de rol die de hulp

heeft gespeeld bij het bereiken van de doelstellingen van deze verordening. Bijzondere aandacht

wordt geschonken aan de sociale sectoren en aan de geboekte vooruitgang met betrekking tot de

millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling.

Artikel 35

Comité

(1) De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

(2) Bij verwijzing naar dit lid zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met

naleving van artikel 8 van dit besluit. De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde

termijn wordt vastgesteld op 30 dagen.

(3) Bij verwijzing naar dit lid zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met

naleving van artikel 8 van dit besluit.

(4) Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

(5) Een waarnemer van de Europese Investeringsbank neemt deel aan de werkzaamheden van het

comité voor wat betreft kwesties die betrekking hebben op de Bank.

Artikel 36

Deelname van een derde land dat niet in aanmerking komt op grond op grond van deze verordening

Onverminderd artikel 3, lid 5, mag de Commissie omwille van de samenhang en de doel-

treffendheid van de communautaire hulp bij de goedkeuring van de in artikel 22 bedoelde actie-

programma's of de in artikel 23 bedoelde specifieke maatregelen besluiten, dat landen, gebieden en

regio's die in aanmerking komen voor communautaire hulp op grond van Verordening (EG) nr. [.]

van de Raad van [.] tot instelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA) of Verordening

nr. xxx van het Europees Parlement en de Raad van [.] houdende vaststelling van de algemene

beginselen voor de invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI),

en op grond van het Europees Ontwikkelingsfonds, in aanmerking komen voor de maatregelen

krachtens deze verordening, indien het desbetreffende project of het geografisch of thematisch

programma een mondiaal, horizontaal, regionaal of grensoverschrijdend karakter heeft. De in de

artikelen 19 en 20 bedoelde strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's kunnen in

deze financieringsmogelijkheid voorzien. De bepalingen van artikel 10 in verband met de voor-

waarden om in aanmerking te komen en de bepalingen van artikel 31 betreffende de voorwaarden in

verband met deelname aan de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten en de

procedures voor de toekenning van subsidies, en betreffende de regels van oorsprong worden

aangepast om de daadwerkelijke deelname van de betrokken landen, gebieden en regio's mogelijk

te maken.

Artikel 37

Artikel 38

Financiële bepalingen

  • 1. 
    Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van deze verordening beloopt

16.897 miljoen euro voor de periode 2007--2013.

  • 2. 
    De indicatieve bedragen die zijn toegewezen aan de in de artikelen 5 tot en met 10 en de

artikelen 11 tot en met 16 en 17 bedoelde programma's staan in bijlage 4. Deze bedragen zijn

vastgesteld voor de periode 2007-2013.

  • 3. 
    De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit goedgekeurd binnen de grenzen van

de financiële vooruitzichten.

  • 4. 
    Er is een indicatief bedrag van 465 miljoen euro in het totale bedrag voor thematische

programma's opgenomen om de activiteiten ten behoeve van de ENPI-landen te financieren.

Artikel 39

  • 1. 
    De volgende verordeningen op de datum van inwerkingtreding van deze verordening door deze

verordening vervangen:

  • a) 
    Verordening (EG) nr. 2110/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005

inzake de toegang tot buitenlandse hulp

  • b) 
    Verordening (EG) nr. 806/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004
  • d) 
    Verordening (EG) nr. 491/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot

instelling van een programma voor financiële en technische bijstand aan derde landen op het gebied

van migratie en asiel (AENEAS)

  • e) 
    Verordening (EG) nr. 1567/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003

betreffende steun voor beleid en maatregelen op het gebied van reproductieve en seksuele

gezondheid en rechten in ontwikkelingslanden

  • f) 
    Verordening (EG) nr. 2130/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 29 oktober 2001

betreffende acties op het gebied van de hulp aan ontwortelde bevolkingsgroepen in ontwikkelings-

landen in Latijns-Amerika en in Azië;

  • g) 
    Verordening (EG) nr. 2493/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 7 november 2000

betreffende maatregelen ter bevordering van de reële integratie van het milieuaspect in het

ontwikkelingsproces in de ontwikkelingslanden

  • h) 
    Verordening (EG) nr. 2494/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 7 november 2000

betreffende maatregelen ter bevordering van het behoud en het duurzaam beheer van tropische

bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden

  • i) 
    Verordening (EG) nr. 1726/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000

betreffende ontwikkelingssamenwerking met Zuid-Afrika

  • j) 
    Verordening (EG) nr. 1659/98 van de Raad van 17 juli 1998 betreffende gedecentraliseerde

samenwerking, verlengd en gewijzigd bij Verordeningen (EG) nr. 995/2002 en 625/2004

  • k) 
    Verordening (EG) nr. 1658/98 van de Raad van 17 juli 1998 betreffende de medefinanciering van

acties op gebieden die voor de ontwikkelingslanden van belang zijn, met Europese niet-

gouvernementele organisaties (NGO's) voor ontwikkeling

  • l) 
    Verordening (EG) nr. 1292/96 van de Raad van 27 juni 1996 betreffende het voedselhulpbeleid

en het beheer van de voedselhulp en van de specifieke acties ter ondersteuning van de voedsel-

zekerheid, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1726/2001 van het Europees Parlement en de Raad

van 23 juli 2001 houdende wijziging van artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1292/96 van de Raad

betreffende het voedselhulpbeleid en het beheer van de voedselhulp en van de specifieke acties ter

ondersteuning van de voedselzekerheid

  • m) 
    Verordening (EEG) nr. 443/92 van de Raad van 25 februari 1992 inzake financiële en technische

hulp en economische samenwerking met de ontwikkelingslanden in Latijns- Amerika en in Azië

  • 2. 
    De ingetrokken verordeningen blijven van toepassing voor rechtshandelingen en vastleggingen

voor de begrotingsjaren voorafgaande aan 2007. Verwijzingen naar genoemde verordeningen

gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 40

Herziening van de verordening

Artikel 41

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het

Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing van 1 januari 2007 tot en met

31 december 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, [...]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

Bijlage 1

Landen die in aanmerking komen voor geografische en thematische programma's

Latijns-Amerika

  • 1. 
    Argentinië
  • 2. 
    Bolivia
  • 3. 
    Brazilië
  • 4. 
    Chili
  • 5. 
    Colombia
  • 6. 
    Costa Rica
  • 7. 
    Cuba
  • 8. 
    Ecuador
  • 9. 
    El Salvador
  • 10. 
    Guatemala
  • 11. 
    Honduras
  • 12. 
    Mexico
  • 13. 
    Nicaragua
  • 14. 
    Panama
  • 15. 
    Paraguay
  • 16. 
    Peru
  • 27. 
    Laos
  • 28. 
    Maleisië
  • 29. 
    Maldiven
  • 30. 
    Mongolië
  • 31. 
    Myanmar/Birma
  • 32. 
    Nepal
  • 33. 
    Pakistan
  • 34. 
    Filippijnen
  • 35. 
    Sri Lanka
  • 36. 
    Thailand
  • 37. 
    Vietnam

Centraal-Azië

  • 38. 
    Kazachstan
  • 39. 
    Kirgizische Republiek
  • 40. 
    Tadzjikistan
  • 41. 
    Turkmenistan
  • 42. 
    Oezbekistan

Midden-Oosten

Bijlage 2

DAC-lijst van ontvangers van officiële ontwikkelingshulp

van toepassing vanaf 2006 voor verslaggeving in 2005, 2006 en 2007

minst ontwikkelde andere lage-lagere midden-hogere midden-

landen inkomenslanden inkomenslanden en inkomenslanden en

(BNI per hoofd van de -gebieden -gebieden

bevolking < 825$ in (BNI per hoofd van de (BNI per hoofd van de

2004) bevolking 826$ - 3255 $ bevolking 3256$ -

in 2004) 10065$ in 2004)

Afghanistan Kameroen Albanië · Anguilla

Angola Republiek Congo Algerije Antigua en Barbuda

Bangladesh Ivoorkust Armenië Argentinië

Benin Ghana Azerbeidzjan Barbados

Bhutan India Wit-Rusland Belize

Burkina Faso Kenia Bolivia Botswana

Burundi Democratische Bosnië en Chili

Cambodja Volksrepubliek Korea Herzegovina Cookeilanden

Kaapverdië Kirgizische Republiek Brazilië Costa Rica

Centraal-Afrikaanse Moldavië China Kroatië

Republiek Mongolië Colombia Dominica

Tsjaad Nicaragua Cuba Gabon

Comoren Nigeria Dominicaanse Grenada

Democratische Pakistan Republiek Libanon

Lesotho Jamaica Seychelles

Liberia Jordanië South Africa

Madagaskar Kazachstan St. Helena

Malawi voormalige St. Kitts-Nevis

Maldiven Joegoslavische St. Lucia

Mali Republiek Macedonië St. Vincent &

Mauritanië Republiek der Grenadines

Mozambique Marshalleilanden Trinidad & Tobago

Myanmar Federale Staten van Turkey

Nepal Micronesia Turks & Caicos

Niger Marokko Islands

Rwanda Namibië Uruguay

Samoa Niue Venezuela

Sao Tomé en Principe Palestijnse Autonome

Senegal Gebieden

Sierra Leone Paraguay

Salomonseilanden Peru

Somalië Filippijnen

Sudan Servië en Montenegro

Tanzania Sri Lanka

Oost-Timor Suriname

Togo Swaziland

· territorium.

(1) Saudi-Arabië heeft in 2004 de drempel van de hoge- inkomenslanden overschreden.

Overeenkomstig de DAC-regels voor herziening van deze lijst, zal het in 2008 van de lijst

verwijderd worden als het een hoge-inkomensland blijft in 2005 en 2006. Zijn netto ontvangsten

aan officiële ontwikkelingshulp van DAG-leden bedroegen 9,9 miljoen USD in 2003 en (voorlopig)

9,0 miljoen USD in 2004.

________________

Bijlage 3

ACS-landen van het suikerprotocol

  • 1. 
    Barbados
  • 2. 
    Belize
  • 3. 
    Guyana
  • 4. 
    Jamaica
  • 5. 
    Saint Kitts en Nevis
  • 6. 
    Volksrepubliek Congo
  • 7. 
    Fiji
  • 8. 
    Republiek Congo
  • 9. 
    Ivoorkust
  • 10. 
    Kenia
  • 11. 
    Madagaskar
  • 12. 
    Malawi
  • 13. 
    Mauritius
  • 14. 
    Mozambique
  • 15. 
    Swaziland
  • 16. 
    Tanzania

Bijlage 4

Indicatieve financiële toewijzingen voor de periode 2007-2013 (in miljoen euro)

Totaal 16.897

Geografische programma's 10.057

Latijns-Amerika 2.690

Azië 5.187

Centraal-Azië 719

Zuid-Afrika 980

Midden-Oosten 481

Thematische programma's: 5.596

Investeren in mensen 1.060

Milieu en duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen

804

Bijlage 5

Landen en gebieden andere dan ontwikkelingslanden en -gebieden

  • 1. 
    Australië
  • 2. 
    Bahrein
  • 3. 
    Brunei
  • 4. 
    Canada
  • 5. 
    Chinees Taipei
  • 6. 
    Hongkong
  • 7. 
    Japan
  • 8. 
    Korea
  • 9. 
    Macau
  • 10. 
    Nieuw Zeeland
  • 11. 
    Koeweit
  • 12. 
    Qatar
  • 13. 
    Singapore
  • 14. 
    Verenigde Arabische Emiraten
  • 15. 
    Verenigde Staten van Amerika

Verklaringen voor de notulen van de Raadszitting waarin het gemeenschappelijk standpunt

formeel wordt aangenomen

Verklaring van de Commissie ad artikel 5

De Commissie bevestigt opnieuw dat het uitbannen van armoede en het verwezenlijken van de

millenniumdoelstellingen de kern vormen van het hoofddoel van haar ontwikkelingshulp.

Zij herinnert eraan dat zij in 2002 met het Europees Parlement heeft afgesproken dat een

referentiepunt van 35% van de hulp aan ontwikkelingslanden moet worden bestemd voor sociale

infrastructuur en diensten, waarbij werd erkend dat de bijdrage van de EU moet worden gezien als

deel van de totale steun die donors verlenen aan de sociale sectoren en dat enige soepelheid de norm

moet zijn.

Sedertdien is, als resultaat van de omzetting van het ontwikkelingsbeleid in landenprogramma's en

vervolgens in vastleggingen, de steun voor sociale infrastructuur tot meer dan 35% gestegen en

wordt het Europees Parlement volledig op de hoogte gesteld van de vooruitgang. Hoewel dit

specifieke referentiepunt achterhaald is, zal de Commissie jaarlijks verslag blijven uitbrengen over

deze cijfers.

Ten eerste streeft de Commissie ernaar basisgezondheidszorg en onderwijs, en de sociale samen-

hang in zijn geheel, prioritair te stellen in het kader van haar programmerende en uitvoerende rol

voor landenprogramma's die onder het DCI vallen, en in de programmeringsdocumenten een MDG-

profiel op te nemen. In de dialoog met de partnerlanden zal de Commissie deze ook aanmoedigen

om in hun eigen ontwikkelingsstrategieën de sociale sector voorrang te geven.

Voorts zal de Commissie ervoor trachten te zorgen dat een referentiepunt van 20% van de bijstand

die zij heeft vastgelegd in het kader van de landenprogramma's die onder het DCI vallen, uiterlijk

2009 voor basisonderwijs, secundair onderwijs en basisgezondheidszorg zal worden bestemd, door

middel van project-, programma- of begrotingssteun voor deze sectoren, waarbij een gemiddelde

van alle geografische gebieden wordt genomen en wordt erkend dat enige soepelheid de norm moet

zijn, zoals uitzonderlijke bijstand.

Ten slotte verbindt de Commissie zich, om haar verantwoordíngsplicht met betrekking tot deze

doelstellingen te garanderen, tot meer toezicht, evaluatie en verslaglegging, waarbij bijzondere

aandacht zal worden besteed aan sociale sectoren en aan de vorderingen bij de verwezenlijking van

de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling.

Verklaring van de Commissie betreffende suiker, artikel 17:

Er is besloten om de ACS-landen van het suikerprotocol bij te staan om zich aan te passen aan de

Gezamenlijke verklaring van de Raad en de Commissie ad artikel 28, lid 2, inzake de overdracht

van uitvoeringstaken:

Met betrekking tot de taken van de uitvoering van de begroting heeft de Commissie een door de

Raad aan te nemen voorstel ingediend voor de herziening van Verordening (EG) nr. 1605/2002 van

de Raad, waarbij wordt bepaald op welke wijze dergelijke taken worden toevertrouwd aan de in

artikel 27, lid 1, onder a), b) en c), van deze verordening bedoelde instanties.

Verklaring van de Commissie betreffende de comités van artikel 35:

De vergaderingen zullen zodanig georganiseerd worden dat de adviezen en gedachtewisselingen

worden samengevoegd per geografisch ( Latijns-Amerika, Azië, Midden-Oosten, Centraal-Azië,

Zuid-Afrika) en thematisch programma (migratie, niet-overheidsactoren, milieu, investeren in

mensen, voedselzekerheid).

Verklaring van de Commissie inzake het indicatieve bedrag voor thematische programma's

(ENPI - artikel 38, lid 4)

De Commissie verbindt zich ertoe bij het programmeren van de thematische programma's rekening

te houden met de geografische uitsplitsing die aanvankelijk door de Commissie was voorgesteld

tussen landen die in aanmerking komen voor het Europees nabuurschaps- en partnerschaps-

instrument (ENPI), enerzijds, en landen die in aanmerking komen voor het financieringsinstrument

voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), anderzijds.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

25 jan
'06
COM(2006)18 - Investeren in mensen - Mededeling over het thematisch programma voor menselijke en sociale ontwikkeling en de financiële vooruitzichten 2007-2013


25 jan
'06
COM(2006)19 - Thematisch programma "Niet-overheidsactoren en lokale autoriteiten in het ontwikkelingsproces”


25 jan
'06
COM(2006)20 - Extern optreden - Thematisch programma voor hetmilieu en hetduurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen met inbegrip van energie


25 jan
'06
COM(2006)21 - Thematische voedselzekerheidsstrategie - Werk maken van het voedselzekerheidsprogramma om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te bereiken


25 jan
'06
COM(2006)26 - Thematisch programma voor de samenwerking met derde landen op het gebied van migratie en asiel


22 jun
'05
COM(2005)266 - Instelling van begeleidende maatregelen voor landen van het suikerprotocol die getroffen zijn door de hervorming van de suikerregeling van de EU


29 sep
'04
Financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking


29 sep
'04
COM(2004)629 - Financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking


26 apr
'04
COM(2004)313 - Toegang tot buitenlandse hulp


30 jul
'03
COM(2003)465 - Bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen in het kader van de ontwikkelingssamenwerking


 
 
publicatiedatum 06-10-2006
kenmerk 13635/06

Inhoud