Gemeenschappelijk standpunt door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VAN Brussel, 23 oktober 2006

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

11944/2/06 REV 2

Interinstitutioneel dossier:

2004/0220 (COD)

DEVGEN 205 NIS 97 PESC 740 RELEX 512 FIN 363 ACP 123 CADREFIN 247 CODEC 795

WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN

Betreft:

Gemeenschappelijk standpunt door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelings- samenwerking

VERORDENING (EG) Nr. .../2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT

EN DE RAAD

van

tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 179,

lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Om de communautaire buitenlandse hulp doelmatiger te maken, is een nieuw kader voor

de planning en de uitvoering van de hulp ontworpen. Bij Verordening (EG) nr. 1085/2006

van de Raad1 wordt een instrument voor pretoetredingssteun ingevoerd voor de

communautaire hulp aan kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten. Bij

Verordening (EG) nr. [...*] van [...]2 worden algemene bepalingen voor de invoering van

een het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument vastgelegd. Bij Verordening

(EG) nr. [...] van de Raad 3 wordt een financieringsinstrument voor samenwerking met

industrielanden en andere landen en gebiedsdelen met een hoog inkomen ingevoerd. Bij

Verordening (EG) nr. [...*]4 wordt een stabiliteitsinstrument ingevoerd. Bij Verordening

(EG) nr. [...*] wordt een instrument voor nucleaire veiligheidssamenwerking ingevoerd.

Bij Verordening (EG) nr. [...*]5 wordt een financieringsinstrument voor de bevordering

van democratie en mensenrechten in de wereld ingevoerd. Verordening (EG) nr. 1257/96

van de Raad6 heeft betrekking op humanitaire hulp. Bij deze verordening wordt een

financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking ingevoerd voor de rechtstreekse

ondersteuning van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Gemeenschap.

(2) De Gemeenschap voert op het gebied van ontwikkelingssamenwerking een beleid dat

gericht is op de verwezenlijking van doelstellingen als armoedebestrijding, duurzame

economische en sociale ontwikkeling, en harmonieuze en geleidelijke integratie van de

ontwikkelingslanden in de wereldeconomie.

(3) De Gemeenschap voert een samenwerkingsbeleid dat samenwerking, partnerschappen en

gemeenschappelijke ondernemingen tussen economische spelers in de Gemeenschap en de

partnerlanden en -regio's bevordert, en de dialoog tussen politieke, economische en sociale

partners in de betrokken sectoren stimuleert.

(4) De millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's), die door de Algemene

Vergadering van de Verenigde Naties op 8 september 2000 zijn aangenomen, zoals het

uitroeien van extreme armoede en honger, en de doelstellingen en beginselen in verband

met duurzame ontwikkeling die de Gemeenschap en haar lidstaten hebben goedgekeurd in

het kader van de Verenigde Naties (VN) en andere bevoegde internationale organisaties op

het gebied van ontwikkelingssamenwerking, vormen het doel van het beleid op het gebied

van ontwikkelingssamenwerking en het optreden van de Gemeenschap in internationale

fora.

(5) Met het oog op beleidscoherentie voor ontwikkeling is het van belang dat het

communautair beleid op andere gebieden dan ontwikkeling conform artikel 178 van het

Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap de inspanningen van

ontwikkelingslanden ter verwezenlijking van de MDG's ondersteunt.

(6) Een politiek klimaat dat vrede en stabiliteit, de eerbiediging van de mensenrechten, de

fundamentele vrijheden, de democratische beginselen, de rechtsstaat, goed bestuur en

gendergelijkheid garandeert, is een integrerend onderdeel van de ontwikkeling op de lange

termijn.

(7) Gezond en duurzaam economisch beleid is een conditio sine qua non voor ontwikkeling.

(8) De leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) hebben zich er op de vierde ministeriële

conferentie in Doha toe verbonden de handel in de ontwikkelingsstrategieën te integreren,

met de handel verband houdende technische bijstand en bijstand voor capaciteitsopbouw te

verstrekken, en de noodzakelijke maatregelen te nemen om de technologieoverdracht via

en voor de handel te vergemakkelijken, de relatie tussen buitenlandse directe investeringen

en handel en de onderlinge relatie tussen handel en milieu te versterken, en de ontwikke-

lingslanden bij de deelname aan nieuwe handelsbesprekingen en de uitvoering van de

resultaten daarvan te helpen.

(9) De Gemeenschappelijke Verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de

regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de

Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese

consensus"1 van 20 december 2005, en de daaropvolgende wijzigingen daarvan, stellen het

algemene kader vast voor het beleid van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkeling.

De planning en de uitvoering van de strategieën voor ontwikkelingshulp en -samenwerking

zouden hierdoor moeten worden gestuurd.

(10) Ontwikkelingssamenwerking dient door middel van geografische en thematische

programma's te geschieden. Geografische programma's dienen ter ondersteuning van de

ontwikkeling en ter versterking van de samenwerking met landen en regio's in Latijns-

Amerika, Azië, Centraal-Azië, het Midden-Oosten en Zuid-Afrika.

(11) De Gemeenschap en haar lidstaten hebben met sommige van deze partnerlanden en -regio's

partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten gesloten teneinde een aanzienlijke

bijdrage te kunnen leveren tot de ontwikkeling op de lange termijn van de partnerlanden en

het welzijn van hun bevolking. De partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten zijn

gebaseerd op gemeenschappelijke en universele waarden in verband met de eerbiediging

en de bevordering van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, en op de eerbiedi-

ging van de democratische beginselen en de rechtsstaat. Dit zijn essentiële elementen van

deze overeenkomsten. In dit verband moet eveneens aandacht worden besteed aan het recht

op fatsoenlijk werk en de rechten van mensen met een handicap. Geregelde, diepgaande

bilaterale betrekkingen tussen de Gemeenschap en de partnerlanden en de consolidatie van

de multilaterale instellingen zijn belangrijke factoren die in aanzienlijke mate bijdragen tot

het evenwicht en de ontwikkeling van de wereldeconomie, en die de rol en de plaats van de

Gemeenschap en van de partnerlanden en -regio's in de wereld versterken.

(12) Terwijl thematische programma's in de eerste plaats ontwikkelingslanden moeten onder-

steunen, dienen twee begunstigde landen, alsmede de landen en gebieden overzee (LGO)

die niet de kenmerken hebben om volgens de voorschriften van de Commissie voor

ontwikkelingsbijstand van de OESO (OECD/DAC) als ontvanger van officiële

ontwikkelingshulp (ODA) te worden aangemerkt en die vallen onder artikel 2, lid 4,

tweede alinea, eerste streepje, niettemin ook in aanmerking te kunnen komen voor

thematische programma's onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden. De

Gemeenschap moet thematische programma's financieren in landen, gebieden en regio's

die in aanmerking komen voor bijstand uit hoofde van een geografisch programma in het

kader van deze verordening, voor bijstand uit hoofde van Verordening nr. [...*] , of voor

geografische samenwerking uit hoofde van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). In

Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de

landen en gebieden overzee (LGO) met de Europese Economische Gemeenschap ("LGO-

besluit")1, dat van toepassing is tot 31 december 2011, zijn de voorwaarden vastgesteld

waaronder de LGO in aanmerking komen voor uit de algemene begroting van de Europese

Unie gefinancierde thematische activiteiten op het gebied van ontwikkelingshulp, die bij

deze verordening niet zijn gewijzigd.

(13) Thematische programma's moeten een uitgesproken meerwaarde bieden en programma's

van geografische aard aanvullen, die het algemene kader vormen voor de samenwerking

van de Gemeenschap met derde landen. De via thematische programma's uitgevoerde

ontwikkelingssamenwerking moet een aanvulling vormen op de geografische programma's

die in deze verordening en in Verordening nr. [...*] zijn vastgesteld, en op de

samenwerking uit hoofde van het EOF. Thematische programma's hebben betrekking op

een specifiek terrein dat van belang is voor een groep partnerlanden zonder geografische

samenhang, of op samenwerkingsactiviteiten in verschillende regio's of groepen

partnerlanden of, op een internationale operatie die niet in een specifiek geografisch gebied

wordt uitgevoerd. Zij vervullen tevens een belangrijke rol bij de externe ontwikkeling van

het beleid van de Gemeenschap, en bij het zorgen voor samenhang tussen de verschillende

sectoren en voor zichtbaarheid.

(14) Thematische programma's dienen ter ondersteuning van maatregelen op het gebied van

menselijke en sociale ontwikkeling, milieu en duurzaam beheer van natuurlijke rijk-

dommen en energie, niet-overheidsactoren en plaatselijke overheden, voedselzekerheid, en

migratie en asiel. De inhoud van de thematische programma's is op basis van de

corresponderende mededelingen van de Commissie aan het Europees Parlement en de

Raadvoorbereid.

(15) Het thematisch programma milieu en duurzaam beheer van rijkdommen, inclusief energie,

is onder meer bedoeld om internationale milieu-governance en het milieu- en het

(16) Het thematisch programma inzake migratie en asiel moet bijdragen tot de verwezenlijking

van de doelstellingen die in de conclusies van de Europese Raad van 15 en

16 december 2005 te Brussel zijn vervat, met name de verhoging van de financiële steun

van de Gemeenschap op terreinen die betrekking hebben op migratie of daaraan

gerelateerd zijn.

(17) Het communautaire beleid inzake voedselzekerheid is geëvolueerd in de richting van de

ondersteuning van algemene voedselzekerheidsstrategieën op nationaal, regionaal en

mondiaal niveau, waarbij het verlenen van voedselhulp wordt beperkt tot humanitaire

situaties en voedselcrises, waarbij verstoring van de lokale productie en de lokale markten

wordt voorkomen; ten aanzien van structureel kwetsbare landen die voor hun voedsel-

zekerheid in grote mate afhankelijk zijn van steun moet rekening worden gehouden met

hun specifieke situatie, teneinde een sterke daling van de communautaire hulp te

vermijden.

(18) Overeenkomstig de conclusies van de Raad van 24 mei 2005 moeten acties worden onder-

steund om de reproductieve en seksuele gezondheid in de ontwikkelingslanden te ver-

beteren en de eerbiediging van de daarmee verband houdende rechten te waarborgen, en

moet financiële bijstand en passende know how worden verstrekt ter bevordering van een

holistische aanpak en van de erkenning van de reproductieve en seksuele gezondheid en

rechten, zoals gedefinieerd in het actieprogramma van de International Conference on

Population and Development (ICPD), inclusief veilig moederschap en universele toegang

(19) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 266/2006 van het Europees Parlement en de Raad

van 15 februari 2006 tot instelling van begeleidende maatregelen voor landen van het

suikerprotocol die getroffen zijn door de hervorming van de suikerregeling van de EU1

dient tevens steun te worden verleend aan de ACS-landen van het suikerprotocol die

getroffen zijn door de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker,

teneinde het aanpassingsproces van deze landen te steunen.

(20) Zoals te lezen staat in de Verklaring inzake doelmatigheid van hulp die door het Forum op

hoog niveau betreffende doelmatigheid van hulp op 2 maart 2005 te Parijs is aangenomen,

zijn bij de uitvoering van het communautaire ontwikkelingsbeleid doelmatiger hulp,

grotere complementariteit en harmonisatie, alsook afstemming op en coördinatie van de

procedures, zowel tussen de Gemeenschap en haar lidstaten als in de betrekkingen met de

andere donors en ontwikkelingsactoren, noodzakelijk om de samenhang en de doeltref-

fendheid van de hulp te garanderen en de kosten voor de partnerlanden te verminderen.

(21) Om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken, moet een gedifferentieerde

benadering worden gekozen die afhankelijk is van de ontwikkelingscontext en -behoeften

en de partnerlanden en -regio's specifieke programma's biedt, welke zijn toegesneden op

hun eigen noden, strategieën, prioriteiten en pluspunten.

(22) Eigen verantwoordelijkheid van de partnerlanden voor de ontwikkelingsstrategieën is de

sleutel tot een succesvol ontwikkelingsbeleid: daarom moet worden aangemoedigd dat

zoveel mogelijk sectoren van de samenleving, waaronder gehandicapten en andere kwets-

bare groepen bij deze strategieën worden betrokken. Met het oog op eigen verantwoorde-

lijkheid, doeltreffendheid en transparantie dienen de samenwerkingsstrategieën van de

donoren en de procedures voor de toepassing van de maatregelen van de donoren zoveel

mogelijk te worden afgestemd op die van de partnerlanden.

(23) Aangezien er verbanden dienen te worden gelegd tussen humanitaire hulp en ontwikke-

lingshulp voor de lange termijn, mogen maatregelen die in aanmerking komen voor

financiering krachtens Verordening (EG) nr. [...*], in beginsel niet op grond van deze

verordening worden gefinancierd, tenzij de continuïteit in de samenwerking op het traject

van crisissituatie naar stabiele omstandigheden voor ontwikkeling moet worden bewaard.

(24) Ontkoppeling van de hulp in overeenstemming met de beste praktijken van de OECD/DAC

is een belangrijke factor om de hulp een grotere meerwaarde te verlenen en de plaatselijke

capaciteiten te versterken. In overeenstemming met de meest recente ontwikkelingen

inzake ontkoppeling dienen er regels te worden vastgesteld betreffende de deelname aan

openbare aanbestedingen en de gunning van opdrachten, en ook betreffende de oorsprong

van leveringen.

(25) De steun moet worden beheerd overeenkomstig de voorschriften voor buitenlandse hulp

die zijn vervat in Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002

houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de

Europese Gemeenschappen1, met passende bepalingen ter bescherming van de financiële

belangen van de Gemeenschap. Er dient verder naar te worden gestreefd de

ontwikkelingssamenwerking beter uit te voeren ten einde de juiste balans tussen

toegewezen financiële middelen en opnemingsvermogen te treffen en het bedrag aan

uitstaande verplichtingen te beperken.

(26) Deze verordening stelt voor de periode 2007-2013 het financieel kader vast dat voor de

begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormt in de zin van artikel 37 van het

Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de

Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer2.

(27) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld

overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de

voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoerings-

bevoegdheden3. De programma's en bepaalde uitvoeringsmaatregelen worden volgens de

procedure met het beheerscomité vastgesteld.

(28) De doelstellingen van de beoogde samenwerking met ontwikkelingslanden, gebieden en

regio's die geen lidstaten van de Gemeenschap zijn en die niet in aanmerking komen voor

communautaire steun op grond van Verordening (EG) nr. 1085/2006 of Verordening

nr. [...*], kunnen niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kunnen,

vanwege de omvang van het optreden, beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt.

De Gemeenschap kan derhalve maatregelen vaststellen overeenkomstig het in artikel 5 van

het Verdrag verankerde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel

neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om

deze doelstellingen te verwezenlijken.

(29) Deze verordening maakt het nodig de bestaande verordeningen in te trekken, met het oog

op de herstructurering van het instrument voor het externe optreden, met name op het

gebied van ontwikkelingssamenwerking,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Algemeen doel en werkingssfeer

  • 1. 
    De Gemeenschap financiert maatregelen ter ondersteuning van de samenwerking met de

ontwikkelingslanden, gebieden en regio's die voorkomen in de lijst van landen die inter-

nationale financiële steun ontvangen van de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand van de

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD/DAC), en die in

bijlage I bij deze verordening zijn opgenomen (hierna "partnerlanden en -regio's"

genoemd). De Commissie wijzigt bijlage I in overeenstemming met de herziening waaraan

de OECD/DAC de lijst van landen die internationale financiële steun ontvangen, regel-

matig onderwerpt en stelt het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis.

  • 2. 
    De Gemeenschap financiert thematische programma's in landen, gebieden en regio's die in

aanmerking komen voor bijstand uit hoofde van een geografisch programma van deze

verordening, zoals vastgesteld in de artikelen 5 tot 10, voor bijstand uit hoofde van

Verordening nr. [...*] of voor geografische samenwerking uit hoofde van het Europees

Ontwikkelingsfonds (EOF).

  • 3. 
    In deze verordening wordt onder "regio" verstaan, een geografische entiteit die meerdere

ontwikkelingslanden omvat.

TITEL I

DOELSTELLINGEN EN ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 2

Doelstellingen

  • 1. 
    De primaire en overkoepelende doelstelling van samenwerking uit hoofde van deze

verordening is het uitbannen van armoede in de partnerlanden en -regio's in het kader van

duurzame ontwikkeling, met inbegrip van de verwezenlijking van de millennium-

doelstellingen voor ontwikkeling (MDG's), alsook de bevordering van democratie, goed

bestuur en eerbiediging van de mensenrechten en van de rechtsstaat. In aansluiting hierop

heeft de samenwerking met partnerlanden en -regio's ten doel:

  • democratie, rechtsstatelijkheid, mensenrechten en fundamentele vrijheden, goed

bestuur, gendergelijkheid en de desbetreffende instrumenten van het internationaal

recht te consolideren en te ondersteunen;

  • de duurzame ontwikkeling - waaronder begrepen de politieke, economische, sociale

en ecologische aspecten - van de partnerlanden en -regio's, meer bepaald de armste,

te bevorderen;

  • de harmonische en geleidelijke integratie van die landen in de wereldeconomie te
  • een bijdrage te leveren tot het uitwerken van internationale maatregelen ter

bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en het duurzaam beheer

van de mondiale natuurlijke rijkdommen, teneinde duurzame ontwikkeling, met

aandacht voor klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit, te waarborgen;

  • en de relatie tussen de Gemeenschap en de partnerlanden en -regio's te versterken.
  • 2. 
    De samenwerking van de Gemeenschap op grond van deze verordening voldoet aan de

verbintenissen en de doelstellingen die de EU in het kader van de Verenigde Naties (VN)

en andere bevoegde internationale organisaties op het gebied van

ontwikkelingssamenwerking heeft onderschreven.

  • 3. 
    Het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap, zoals neergelegd in titel XX van het

Verdrag, vormt het juridisch kader voor de samenwerking met de partnerlanden en -regio's.

De Gemeenschappelijke Verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de

regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de

Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese

consensus" van 20 december 2005, en de daaropvolgende wijzigingen, vormen het

algemeen kader, de leidraad en het convergentiepunt bij het sturen van het

samenwerkingsbeleid van de Gemeenschap met partnerlanden en -regio's op grond van

deze verordening.

  • 4. 
    De in artikel 1, lid 1, bedoelde maatregelen worden zodanig ontworpen dat zij voldoen aan

de criteria voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) die door de OECD/DAC zijn

vastgesteld.

De in artikel 1, lid 2, bedoelde programma's worden zodanig ontworpen dat zij voldoen aan

de criteria voor ODA vastgesteld door de OECD/DAC, tenzij:

  • de kenmerken van de begunstigde anders gebieden, of
  • het programma een wereldomvattend initiatief, een communautaire beleidsprioriteit

of een internationale verplichting of toezegging van de Gemeenschap uitvoert, zoals

bedoeld in artikel 11, lid 2, en de maatregel niet de kenmerken heeft om aan zulke

criteria te voldoen.

Onverminderd artikel 2, lid 4, tweede alinea, eerste streepje, heeft ten minste 90% van de uit hoofde

van thematische programma's geplande uitgaven een zodanige opzet dat de door de OECD/DAC

vastgestelde criteria voor ODA vervuld zijn.

  • 5. 
    De communautaire bijstand op grond van deze verordening mag niet worden gebruikt ter

financiering van de aanschaf van wapens of munitie, militaire acties of acties die te maken

hebben met defensie.

  • 6. 
    Maatregelen in de zin van Verordening (EG) nr. [...*], met name artikel 4, die voor

financiering krachtens die verordening in aanmerking komen, worden in beginsel niet op

Onverminderd de noodzaak om de continuïteit in de samenwerking te bewaren op het

traject van crisissituatie naar stabiele omstandigheden voor ontwikkeling, worden maat-

regelen in de zin van Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996

betreffende humanitaire hulp1, die voor financiering krachtens die verordening in

aanmerking komen, niet gefinancierd uit hoofde van deze verordening.

Artikel 3

Algemene beginselen

  • 1. 
    De waarden waarop de Gemeenschap gegrondvest is zijn democratie, rechtsstatelijkheid,

en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; zij streeft ernaar,

door middel van dialoog en samenwerking, de gehechtheid aan deze waarden ook in de

partnerlanden en -regio's te ontwikkelen en te versterken.

  • 2. 
    Bij de uitvoering van deze verordening wordt gekozen voor een gedifferentieerde

benadering die afhankelijk is van de ontwikkelingscontext en -behoeften, en dus de

partnerlanden en -regio's een specifieke samenwerking biedt, die is toegesneden op hun

eigen noden, strategieën, prioriteiten en pluspunten.

De minst ontwikkelde landen en de lage-inkomenslanden krijgen prioriteit bij de algehele

toewijzing van de middelen, teneinde de MDG's te verwezenlijken. Passende aandacht

moet worden geschonken aan ondersteuning van de ontwikkeling ten gunste van de armen

in de landen met een modaal inkomen, vooral aan de landen met lage middeninkomens

  • 3. 
    De volgende horizontale aspecten worden in alle programma's opgenomen: bevordering

van de mensenrechten, gendergelijkheid, democratie, goed bestuur, rechten van het kind en

rechten van inheemse volkeren, milieuduurzaamheid en bestrijding van hiv/aids.

Bovendien wordt speciale aandacht geschonken aan de versteviging van de rechtsstaat, de

verbetering van de toegang tot het gerecht en de ondersteuning van het maatschappelijk

middenveld, alsmede aan bevordering van dialoog, participatie en verzoening en aan

institutionele opbouw.

  • 4. 
    De Gemeenschap houdt bij alle beleidsmaatregelen die gevolgen kunnen hebben voor de

partnerlanden en -regio's rekening met de doelstellingen van titel XX van het Verdrag, met

name artikel 2 van deze verordening. Voor de op grond van deze verordening gefinan-

cierde maatregelen streeft de Gemeenschap tevens, bij de beleidsbepaling, bij de

strategische planning en bij de programmering en uitvoering van de maatregelen, naar

samenhang met de andere terreinen van haar externe optreden.

  • 5. 
    De Gemeenschap en de lidstaten verbeteren de coördinatie en de complementariteit van

hun ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, door in te spelen op de prioriteiten van de

partnerlanden en -regio's op nationaal en regionaal niveau. Communautair beleid op het

gebied van ontwikkelingssamenwerking moet een aanvulling vormen op het beleid van de

lidstaten.

  • 6. 
    De Gemeenschap en de lidstaten trachten op regelmatige en frequente basis informatie uit

te wisselen, ook met andere donoren, en bevorderen een betere coördinatie en complemen-

tariteit van de donoren, door te streven naar gezamenlijke meerjarenprogrammering,

gebaseerd op de armoedebestrijdings- of equivalente strategieën van de partnerlanden en

de eigen begrotingsprocessen van de partnerlanden, door gemeenschappelijke

uitvoeringsmechanismen, met inbegrip van gedeelde analyse, door gezamenlijke

donormissies, en door het gebruik van medefinancieringsinstrumenten.

  • 7. 
    De Gemeenschap en de lidstaten bevorderen, ieder binnen zijn bevoegdheid, een multi-

laterale aanpak van de mondiale uitdagingen en stimuleren de samenwerking met de

multilaterale en regionale organisaties en instanties, zoals de internationale financiële

instellingen en de agentschappen, fondsen en programma's van de VN, en met andere

bilaterale donoren.

  • 8. 
    De Gemeenschap bevordert doelmatige samenwerking met partnerlanden en -regio's

overeenkomstig internationaal beproefde methoden. Zij bevordert:

  • a) 
    een ontwikkelingsproces dat onder leiding en verantwoordelijkheid van het

partnerland blijft. De Gemeenschap stemt haar steun in toenemende mate af op de

ontwikkelingsstrategieën, het hervormingsbeleid en de procedures van de partner-

landen. Zij draagt bij tot versterking van de wederzijdse verantwoordingsplicht

tussen partnerlanden en donoren, en stimuleert plaatselijke know how en plaatselijke

werkgelegenheid;

  • b) 
    inclusieve en participerende ontwikkelingsmethoden en ruime inschakeling van alle

segmenten van de samenleving in het ontwikkelingsproces en de nationale dialoog,

ook de politieke dialoog;

  • c) 
    doelmatige vormen en instrumenten van samenwerking, zoals beschreven in

artikel 25, overeenkomstig de beste praktijken van de OECD/DAC, aangepast aan de

bijzondere omstandigheden van elk partnerland of -gebied, met aandacht voor een

programmagerichte benadering, voorspelbare steunverlening, de ontwikkeling en het

gebruik van nationale systemen en resultaatgerichte ontwikkelingsmethoden, waar-

onder eventueel de streefcijfers en indicatoren van de MDG's;

  • d) 
    een beter effect van beleid en programma's middels de coördinatie en harmonisatie

tussen donoren om overlapping en herhaling te verminderen, de complementariteit te

verbeteren en initiatieven van alle donoren te steunen. De coördinatie vindt in de

partnerlanden en -regio's plaats, met behulp van overeengekomen richtsnoeren en

beginselen van beste praktijk inzake coördinatie en doelmatigheid van de hulp.

  • e) 
    een op de MDG's afgestemd profiel in landenstrategiedocumenten en in haar

meerjarenprogrammering.

  • 9. 
    De Commissie informeert het Europees Parlement en onderhoudt een regelmatige

gedachtewisseling met deze instelling.

  • 10. 
    De Commissie streeft naar een regelmatige informatie-uitwisseling met het maat-

TITEL II

GEOGRAFISCHE EN THEMATISCHE PROGRAMMA'S

Artikel 4

Verlening van communautaire bijstand

In overeenstemming met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de algemene

beginselen van deze verordening wordt de communautaire bijstand verleend door middel van

geografische en thematische programma's, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 16 en het

programma bedoeld in artikel 17.

Artikel 5

Geografische programma's

  • 1. 
    Een geografisch programma heeft betrekking op samenwerkingsactiviteiten op relevante

terreinen, met partnerlanden en -regio's die op geografische basis zijn geselecteerd.

  • 2. 
    In overeenstemming met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de

algemene beginselen van deze verordening omvat de communautaire bijstand aan de

landen in Latijns-Amerika, Azië, Centraal-Azië en het Midden-Oosten, zoals omschreven

in bijlage I, alsmede aan Zuid-Afrika, maatregelen op de volgende

Menselijke ontwikkeling:

  • b) 
    het voorzien in de essentiële noden van de bevolking, met primaire aandacht voor

basisonderwijs en gezondheid, in het bijzonder door:

Gezondheid:

  • i) 
    verbetering van de toegang tot en de verstrekking van gezondheidsdiensten voor lagere -

inkomensgroepen en gemarginaliseerde groepen waaronder vrouwen en kinderen, personen die

behoren tot groepen die worden gediscrimineerd op basis van ras, godsdienstige overtuiging of op

basis van enig ander criterium en personen met een handicap worden gediscrimineerd, waarbij de

desbetreffende MDG's centraal staan, namelijk terugdringing van de kindersterfte, verbetering van

de gezondheid van moeder en kind en de seksuele en reproductieve gezondheid en van de rechten

zoals vervat in de agenda van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling in

Caïro (ICDP), met aanpak van armoedegerelateerde ziekten, in het bijzonder hiv/aids, tuberculose

en malaria;

  • ii) 
    versterking van gezondheidszorgsystemen ter voorkoming van personeels-

crisissen in de gezondheidssector;

  • iii) 
    verbetering van de capaciteiten in het bijzonder op gebieden als

volksgezondheid en onderzoek en ontwikkeling;

Onderwijs:

  • iv) 
    voorrang geven aan kwaliteitsonderwijs in het basisonderwijs, en vervolgens in

het beroepsonderwijs, en ongelijkheden qua toegang tot onderwijs terug-

dringen; de bevordering van verplicht en gratis onderwijs tot op vijftienjarige

leeftijd teneinde alle vormen van kinderarbeid te bestrijden;

  • v) 
    streven naar wereldwijd basisonderwijs in 2015 en naar de opheffing van

genderongelijkheid in het onderwijs;

  • vi) 
    bevordering van beroepsopleiding, hoger onderwijs, een leven lang leren,

culturele, wetenschappelijke en technologische samenwerking, academische en

culturele uitwisselingen, alsmede verbetering van wederzijds begrip tussen de

partnerlanden en -regio's en de Gemeenschap;

Sociale samenhang en werkgelegenheid:

  • c) 
    bevordering van sociale samenhang als prioritaire doelstelling van de betrekkingen

tussen de Gemeenschap en de partnerlanden, waarbij fatsoenlijk werk en het sociaal

en budgettair beleid centraal staan, ter bestrijding van armoede, ongelijkheid,

werkloosheid en uitsluiting van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen;

  • d) 
    bestrijding van alle vormen van discriminatie wegens het behoren tot een bepaalde

groep en bevordering en bescherming van gendergelijkheid, de rechten van inheemse

volkeren en de rechten van het kind, waaronder ondersteuning van de uitvoering van

het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, en maatregelen voor de aanpak van

de problemen ondervonden door straatkinderen en kinderen die werk verrichten dat

gevaarlijk is en/of waardoor volledig onderwijs wordt belemmerd;

  • e) 
    versterking van het institutioneel kader ter bevordering en vergemakkelijking van de

oprichting van kleine en middelgrote ondernemingen met het oog op het stimuleren

van de werkgelegenheid;

Bestuur, democratie, mensenrechten en steun voor institutionele hervormingen:

  • f) 
    bevordering en bescherming van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten,

versterking van democratie, rechtsstatelijkheid, toegang tot de rechter, goed bestuur,

waaronder acties ter bestrijding van corruptie, onder meer doch niet uitsluitend door

capaciteitsopbouw en het versterken van het institutionele en wetgevende kader, met

name in de sectoren nationaal bestuur, beleidsbepaling en -uitvoering en beheer van

overheidsfinanciën en nationale middelen op transparante wijze;

  • g) 
    de ondersteuning van een actief maatschappelijk middenveld, met inbegrip van

organisaties die optreden als vertegenwoordigers van mensen die leven in armoede,

alsmede bevordering van de dialoog met het maatschappelijk middenveld, partici-

  • i) 
    de bevordering van samenwerking en beleidshervorming op het gebied van migratie

en asiel en het stimuleren van initiatieven voor capaciteitsopbouw, om een op

ontwikkeling gericht migratiebeleid te kunnen bepalen en uitvoeren, teneinde de

achterliggende oorzaken van migratie aan te pakken;

  • j) 
    de ondersteuning van effectief multilateralisme, waarbij meer bepaald het inter-

nationaal recht en de multilaterale verdragen op ontwikkelingsgebied worden in acht

genomen en metterdaad worden toegepast;

Handel en regionale integratie:

  • k) 
    de ondersteuning van de partnerlanden en -regio's op het gebied van handel,

investeringen en regionale integratie, met inbegrip van technische bijstand en

capaciteitsopbouw voor het bepalen en voeren van een degelijk handelsbeleid, het

stimuleren van een gunstiger ondernemingsklimaat, een goed economisch en

financieel beleid en de ontwikkeling van de particuliere sector, om de partnerlanden

en -regio's profijt te laten trekken van hun integratie in de wereldeconomie, alsmede

om sociale rechtvaardigheid en groei ten bate van de armen te ondersteunen;

  • l) 
    de ondersteuning van toegang tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de

uitvoering van overeenkomsten van de WTO door technische bijstand en

capaciteitsopbouw, in het bijzonder de uitvoering van de handelsaspecten van de

intellectuele eigendom (TRIP's), meer bepaald op het gebied van de

  • m) 
    de ondersteuning van economische en handelssamenwerking en versteviging van de

investeringsbetrekkingen tussen de Gemeenschap en de partnerlanden en -gebieden, waaronder

maatregelen om te zorgen dat de particuliere sector, waaronder lokale en Europese bedrijven,

bijdragen tot maatschappelijk verantwoorde en duurzame economische ontwikkelingen, waaronder

naleving van de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en

met maatregelen die lokale capaciteitsopbouw bevorderen;

Milieu en duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen:

  • n) 
    bevordering van duurzame ontwikkeling door milieubescherming en duurzaam

beheer van de natuurlijke hulpbronnen, waaronder bescherming van de biodiversiteit

en van bossen, onder meer activiteiten ter bevordering van behoud en duurzaam

beheer van bossen met de actieve participatie van lokale gemeenschappen en van van

bossen afhankelijke bevolkingsgroepen;

  • o) 
    ondersteuning van verbeteringen van het stadsmilieu;
  • p) 
    bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en veilig en duurzaam

beheer van chemische stoffen en afval, rekening houdend met de gevolgen daarvan

voor de gezondheid;

  • q) 
    zorgen voor eerbiediging en ondersteuning van de uitvoering van internationale

milieuakkoorden, zoals het Verdrag inzake biologische diversiteit, het VN-Verdrag

ter bestrijding van woestijnvorming en het VN-raamverdrag inzake

klimaatveranderingen overeenkomstig het EU-Actieplan inzake klimaatverandering,

alsmede van de bijbehorende protocollen en de eventuele latere wijzigingen;

  • r) 
    ontwikkeling van capaciteiten voor het voorbereid zijn op noodsituaties en de

preventie van natuurrampen;

Water en energie:

  • s) 
    ondersteuning van duurzaam geïntegreerd beheer van de waterreserves, met

bijzondere nadruk op wereldwijde toegang tot veilig drinkwater en rioolzuivering

overeenkomstig de MDG'S en duurzaam en efficiënt gebruik van watervoorraden,

mede voor landbouw- en industriële doeleinden;

  • t) 
    bevordering van een intensiever gebruik van duurzame-energietechnologieën;

Infrastructuur, communicatie en vervoer:

  • u) 
    bijdragen tot de ontwikkeling van economische infrastructuur, waaronder de onder-

steuning van regionale integratie en de bevordering van een verhoogd gebruik van

informatie- en communicatietechnologieën;

Plattelandsontwikkeling, ruimtelijke ordening, landbouw en voedselzekerheid:

  • v) 
    ondersteuning van duurzame plattelandsontwikkeling, met inbegrip van

decentralisatie en zelfbeschikking, met name met het oog op voedselveiligheid;

Post-crisissituaties en zwakke staten:

  • w) 
    wederopbouw en rehabilitatie op de middellange en lange termijn van regio's en

landen die getroffen zijn door conflicten, of door rampen van menselijke of

natuurlijke oorsprong, met inbegrip van ondersteuning van acties op het gebied van

mijnbestrijding, demobilisatie en reïntegratie, waarbij wordt gezorgd voor

samenhang tussen hulp, rehabilitatie en ontwikkeling, overeenkomstig artikel 2,

lid 6, rekening houdend met de bevoegdheden van de Gemeenschap en van haar

lidstaten;

  • x) 
    activiteiten op de middellange en lange termijn die gericht zijn op zelfvoorziening en

integratie of reïntegratie van ontwortelde bevolkingsgroepen, met zorg voor een

geïntegreerde aanpak van de aspecten humanitaire hulp, rehabilitatie, hulp aan

ontwortelde bevolkingsgroepen en ontwikkelingssamenwerking. De communautaire

maatregelen faciliteren het overgaan van een noodsituatie naar de fase van

ontwikkeling, onder stimulering van de sociaal-economische integratie of reïntegratie

van de getroffen bevolking, en stimuleren de vestiging of versteviging van

democratische structuren en de rol van de bevolking in het ontwikkelingsproces;

  • z) 
    uitvoering van voor de Gemeenschap en haar partners gemeenschappelijke ontwik-

kelingstaken, met name ondersteuning van sectorale dialoog, van de toepassing van

bilaterale overeenkomsten en van andere maatregelen die binnen de werkingssfeer

van deze verordening vallen.

Artikel 6

Latijns-Amerika

De communautaire bijstand aan Latijns-Amerika ondersteunt maatregelen die in overeenstemming

zijn met artikel 5 en met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de algemene

beginselen van deze verordening. Extra aandacht wordt geschonken aan de volgende samen-

werkingsterreinen, die de specifieke situatie in Latijns-Amerika weerspiegelen:

  • a) 
    bevordering van de sociale samenhang als gemeenschappelijk en prioritair doel van de

betrekkingen tussen de Gemeenschap en Latijns-Amerika, waarbij armoede, ongelijkheid

en uitsluiting moeten worden bestreden. Bijzondere aandacht gaat uit naar beleids-

maatregelen op het gebied van maatschappelijk welzijn en belastingen, productieve

investeringen in meer en betere banen, beleidsmaatregelen ter bestrijding van discriminatie

en van de productie en het gebruik van en de handel in drugs, en verbeteringen in de

sociale basisdiensten, met name volksgezondheid en onderwijs;

  • b) 
    het stimuleren van een grotere regionale integratie, met inbegrip van het ondersteunen van

verscheidene regionale integratieprocessen en de koppeling van netwerkinfrastructuren,

  • c) 
    ondersteuning van verbetering van het openbaar bestuur en van de overheidsinstellingen,

en van bescherming van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van het kind en

van inheemse volkeren;

  • d) 
    ondersteuning van de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ruimte van hoger

onderwijs van de EU en Latijns-Amerika;

  • e) 
    bevordering van duurzame ontwikkeling in al zijn facetten, met bijzondere aandacht voor

de bescherming van bossen en biologische diversiteit.

Artikel 7

Azië

De communautaire bijstand aan Azië ondersteunt maatregelen die in overeenstemming zijn met

artikel 5 en met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de algemene

beginselen van deze verordening. Er wordt extra aandacht geschonken aan de volgende samen-

werkingsterreinen, die de specifieke situatie in Azië weerspiegelen:

  • a) 
    nastreven van de MDG's op het gebied van gezondheid, met inbegrip van hiv/aids, en

onderwijs, onder meer door middel van een beleidsdialoog inzake sectorale hervormingen;

  • b) 
    behandelen van bestuursvraagstukken, met name in kwetsbare staten, om legitieme,

efficiënte en solide overheidsinstellingen en een actief en georganiseerd maatschappelijk

middenveld te helpen opbouwen, en om de bescherming van de mensenrechten, waaronder

  • c) 
    stimuleren van een grotere regionale integratie en samenwerking door middel van de

ondersteuning van verschillende processen van regionale integratie en dialoog;

  • d) 
    bijdragen aan de controle op epidemieën en zoönoses, alsmede tot het herstel van de

getroffen sectoren;

  • e) 
    bevordering van duurzame ontwikkeling in al zijn facetten, met bijzondere aandacht voor

de bescherming van bossen en biologische diversiteit;

  • f) 
    bestrijding van drugsproductie, -consumptie en -handel en andere handel.

Artikel 8

Centraal-Azië

De communautaire bijstand aan Centraal-Azië ondersteunt maatregelen die in overeenstemming

zijn met artikel 5 en met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de algemene

beginselen van deze verordening. Extra aandacht wordt geschonken aan de volgende samen-

werkingsterreinen, die de specifieke situatie in Centraal-Azië weerspiegelen:

  • a) 
    bevordering van constitutionele hervormingen en van de aanpassing van de wet- en regel-

geving aan die van de Gemeenschap, met inbegrip van versterking van de nationale

instellingen en organen die verantwoordelijk zijn voor de effectieve uitvoering van de

beleidsmaatregelen op de door de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten

bestreken terreinen, zoals verkiezingsinstanties, parlementen, hervorming van het

  • b) 
    bevordering van de ontwikkeling van een markteconomie en van de integratie van de

partnerlanden in de WTO, met dien verstande dat ook wordt gelet op de sociale aspecten

van de overgang;

  • c) 
    ondersteuning van efficiënt grensbeheer en grensoverschrijdende samenwerking ter

bevordering van duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling in grens-

gebieden;

  • d) 
    bestrijding van drugsproductie, -consumptie en -handel en andere handel;
  • e) 
    bestrijding van hiv/aids;
  • f) 
    bevordering van regionale samenwerking, dialoog en integratie, ook met de landen

vallende onder Verordening nr. [...*] en onder andere communautaire regelgeving, met

name stimuleren van samenwerking met betrekking tot milieu - meer bepaald water en

sanitaire voorzieningen - onderwijs, energie en vervoer, waaronder begrepen de zekerheid

en de veiligheid van de internationale energievoorziening en het internationale

energievervoer, koppelingen, netwerken en netwerkoperatoren, hernieuwbare energie-

bronnen en energie-efficiëntie.

Artikel 9

Midden-Oosten

De communautaire bijstand aan het Midden-Oosten ondersteunt maatregelen die in overeen-

stemming zijn met artikel 5 en met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de

algemene beginselen van deze verordening. Extra aandacht wordt geschonken aan de volgende

samenwerkingsterreinen, die de specifieke situatie in het Midden-Oosten weerspiegelen:

  • a) 
    bevordering van de sociale samenhang ter wille van de sociale rechtvaardigheid, met name

in verband met het gebruik van eigen nationale middelen, en ter wille van de politieke

gelijkheid, in het bijzonder door op te komen voor de mensenrechten en gendergelijkheid;

  • b) 
    bevordering van economische diversificatie, van de ontwikkeling van een markteconomie,

en van de integratie van de partnerlanden in deWTO;

  • c) 
    bevordering van regionale samenwerking, dialoog en integratie, ook met de landen die

vallen onder Verordening nr. [...*] en andere communautaire instrumenten, met steun voor

op integratie gerichte inspanningen in de regio, bijvoorbeeld op het gebied van economie,

energie, vervoer en vluchtelingen;

  • d) 
    sluiten van internationale overeenkomsten en de daadwerkelijke toepassing van het

internationaal recht, in het bijzonder VN-resoluties en multilaterale overeenkomsten,

aanmoedigen;

  • e) 
    behandeling van bestuursvraagstukken, met name in kwetsbare staten, om legitieme,

efficiënte en solide overheidsinstellingen en een actief en georganiseerd maatschappelijk

middenveld te helpen opbouwen, en om de bescherming van de mensenrechten, waaronder

de rechten van het kind, te bevorderen.

Artikel 10

Zuid-Afrika

De communautaire bijstand aan Zuid-Afrika ondersteunt maatregelen die in overeenstemming zijn

met artikel 5 en met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de algemene

beginselen van deze verordening. Extra aandacht wordt geschonken aan de volgende samen-

werkingsterreinen, die de specifieke situatie in Zuid-Afrika weerspiegelen:

  • a) 
    bijdragen aan versterking van een democratische samenleving, goed bestuur en een

rechtsstaat, in het belang van de regionale en continentale stabiliteit en integratie;

  • b) 
    ondersteuning van de aanpassingspogingen die in de regio worden ondernomen sedert de

instelling van een vrijhandelszone in het kader van de Overeenkomst inzake handel,

ontwikkeling en samenwerking tussen de Gemeenschap en Zuid-Afrika1 en andere

-

regionale regelingen;

  • c) 
    het bijdragen aan bestrijding van armoede, ongelijkheid en uitsluiting, onder andere door

het lenigen van de eerste behoeften van gemeenschappen die vroeger achtergesteld waren;

Artikel 11

Thematische programma's

  • 1. 
    Een thematisch programma vormt een aanvulling op de in artikelen 5 tot 10 vermelde

programma's en heeft betrekking op een specifiek onderwerp of terrein dat van belang is

voor een groep niet op geografische basis geselecteerde partnerlanden, op samen-

werkingsactiviteiten die op verschillende regio's of groepen van partnerlanden zijn gericht,

of op een internationale operatie die geografisch niet specifiek is.

  • 2. 
    In overeenstemming met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de

algemene beginselen van deze verordening, bieden de acties in het kader van het

thematisch programma een meerwaarde aan, en vormen zij een aanvulling op en één

geheel met de acties die worden gefinancierd op grond van de geografische programma's.

Voor deze acties gelden de volgende beginselen:

  • a) 
    de communautaire beleidsdoelstellingen kunnen niet op passende of doeltreffende

wijze worden verwezenlijkt met een geografisch programma en het thematische

programma wordt uitgevoerd door of via een intermediaire organisatie zoals een niet-

gouvernementele organisatie, een andere niet tot de overheid behorende actor, een

internationale organisatie of een multilateraal mechanisme. Hieronder vallen wereld-

omvattende initiatieven die de MDG's, duurzame ontwikkeling of mondiale

collectieve voorzieningen en acties in de lidstaten en toetredende landen

en/of

  • b) 
    de acties kunnen zijn:
  • multiregionale en/of horizontale acties, zoals proefprojecten en innovatie-

beleid;

  • acties waarover met de partnerregering(en) geen overeenstemming bestaat;
  • acties die van belang zijn voor het doel van een bepaald thematisch programma

en die beantwoorden aan een communautaire beleidsprioriteit of een inter-

nationale verplichting of toezegging van de Gemeenschap;

  • eventueel acties in gevallen waarin er geen geografisch programma bestaat of

dit programma is opgeschort.

Artikel 12

Investeren in mensen

  • 1. 
    Communautaire bijstand in het kader van het thematisch programma "Investeren in

mensen" heeft tot doel steun te verlenen aan acties op gebieden die rechtstreeks van

invloed zijn op de levensstandaard en het welzijn van de mensen, zoals hieronder

omschreven, met name in de armste en minst ontwikkelde landen en in de meest

achtergestelde bevolkingsgroepen.

  • 2. 
    Ter verwezenlijking van het in lid 1 genoemde doel en in overeenstemming met artikel 11

omvat het programma de volgende actieterreinen:

  • a) 
    goede gezondheid voor iedereen:
  • i) 
    bestrijding van aan armoede gerelateerde ziekten, meer bepaald de belang-

rijkste overdraagbare ziektes, omschreven in het Europees actieprogramma

tegen hiv/aids, malaria en tuberculose, in het bijzonder door:

  • de betaalbaarheid verbeteren van de belangrijkste farmaceutische producten en diagnostica

voor de drie ziekten, overeenkomstig de bepalingen van de TRIPs-overeenkomst, als uiteengezet in

de Verklaring van Doha inzake de TRIPs-overeenkomst en de volksgezondheid;

  • publieke en private investeringen aanmoedigen voor onderzoek naar en ontwikkeling van

nieuwe behandelingswijzen, nieuwe medicijnen, in het bijzonder vaccins, microbiciden en

innovatieve behandelmethoden;

  • wereldwijde initiatieven ondersteunen ter bestrijding van de drie voornaamste overdraagbare

ziekten in het kader van de armoedebestrijding, zoals het Wereldfonds ter bestrijding van hiv/aids,

tuberculose en malaria;

  • ii) 
    overeenkomstig de beginselen van de ICPD en de ICPD + 5 maatregelen ondersteunen om

de reproductieve en seksuele gezondheid in de ontwikkelingslanden te verbeteren en het recht van

vrouwen, mannen en adolescenten op een goede reproductieve en seksuele gezondheid te vrijwaren,

en financiële bijstand en passende expertise verstrekken ter bevordering van een holistische aanpak

en van de erkenning van de reproductieve en seksuele gezondheid en rechten als omschreven in het

ICPD-actieprogramma, inclusief veilig moederschap en universele toegang tot een alomvattend

aanbod van veilige en betrouwbare zorg en diensten, producten, onderwijs en voorlichting, met

inbegrip van informatie over allerlei methoden van gezinsplanning, onder meer in de vorm van:

  • terugdringing van de moedersterfte- en ziektecijfers, met name in landen en onder

-

bevolkingsgroepen die daardoor het zwaarst worden getroffen;

  • iii) 
    billijker toegang tot aanbieders van gezondheidszorg, voorzieningen en gezondheidsdiensten

door ondersteuning van:

  • maatregelen die de kritieke situatie op het gebied van menselijke hulpbronnen in de

-

gezondheidssector verhelpen;

  • systemen voor gezondheidsvoorlichting die de mogelijkheid bieden tot het opstellen, meten

en analyseren van uitgesplitste prestatiegegevens om tot betere gezondheids- en

ontwikkelingsresultaten en duurzame verstrekkingssystemen te komen;

  • betere spreiding van vaccinatie en immunisatie en bevordering van beschikbaarheid van en

-

toegang tot bestaande of nieuwe vaccins;

  • eerlijke mechanismen voor de financiering van een billijke toegang tot de gezondheidszorg.
  • iv) 
    een evenwichtige aanpak die de aandacht verdeelt over preventie, behandeling en zorg, zij

het met volstrekte prioriteit voor preventie, in het besef dat zij meer effect sorteert in combinatie

met behandeling en verzorging.

  • b) 
    Onderwijs, kennis en vaardigheden:
  • i) 
    speciale aandacht voor maatregelen om tegen 2015 wereldwijd basisonderwijs te

-

bewerkstelligen, in het kader van de MDG's en het Actiekader van Dakar: Onderwijs voor iedereen;

  • ii) 
    basisonderwijs, middelbaar en hoger onderwijs en beroepsopleiding ter verbetering van de

toegang tot het onderwijs voor alle kinderen en, in toenemende mate, voor vrouwen en mannen van

alle leeftijden, om kennis, vaardigheden en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten, en aldus

bij te dragen aan actief burgerschap en levenslange zelfontplooiing;

  • iii) 
    bevordering van basisonderwijs van hoge kwaliteit met bijzondere aandacht voor bieden van

toegang tot onderwijsprogramma's aan meisjes, kinderen in door conflicten getroffen gebieden en

kinderen uit gemarginaliseerde en meer kwetsbare sociale groeperingen; de bevordering van

verplicht gratis onderwijs tot op vijftienjarige leeftijd om alle vormen van kinderarbeid te

bestrijden;

  • iv) 
    ontwikkeling van methodes om leerresultaten te meten, voor een betere beoordeling van de

kwaliteit van het onderwijs, meer bepaald in lezen, schrijven en rekenen en in de voornaamste

levensvaardigheden;

  • v) 
    bevordering van harmonisatie en onderlinge afstemming onder donoren, ter bevordering van

universeel verplicht, gratis basisonderwijs van hoge kwaliteit door internationale of

meerlandeninitiatieven;

  • vi) 
    ondersteuning van een inclusieve kennismaatschappij en hulp om de digitale kloof en

-

kennis- en informatielacunes te dichten;

  • vii) 
    verbetering van kennis en innovatie door middel van wetenschap en technologie, alsmede

ontwikkeling van en toegang tot elektronische communicatienetten ter verbetering van sociaal-

economische groei en duurzame ontwikkeling in samenhang met de internationale dimensie van het

communautaire onderzoeksbeleid;

  • c) 
    Gendergelijkheid:
  • i) 
    het propageren van gendergelijkheid en vrouwenrechten, tot uitvoering van mondiale

verbintenissen als vastgelegd in de VN-Verklaring en het Actieplatform van Beijing en het Verdrag

inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, met inbegrip van de volgende

activiteiten:

  • ondersteuning van programma's die bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen

van het Actieplatform van Beijing, met bijzondere nadruk op gendergelijkheid in het bestuur en

politieke en maatschappelijke vertegenwoordiging en andere maatregelen voor de zelfbeschikking

van vrouwen;

  • versterking van de institutionele en operationele capaciteit van de voornaamste

belanghebbenden, organisaties van het maatschappelijk middenveld en vrouwenorganisaties en -

netwerken om hen te ondersteunen in hun streven naar gendergelijkheid en economische en sociale

zelfbeschikking, met inbegrip van noord-zuid- en zuid-zuid-netwerken en

bewustmakingscampagnes;

  • toevoeging van een genderperspectief bij het opbouwen van monitoring- en

statistiekcapaciteit door steun voor het uitwerken en verspreiden van naar sekse uitgesplitste

gegevens en indicatoren, alsmede gegevens en indicatoren betreffende gendergelijkheid;

  • het analfabetisme onder volwassen reduceren, met bijzondere nadruk op het lezen en

-

schrijven door vrouwen;

  • maatregelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen.
  • d) 
    Andere aspecten van menselijke en maatschappelijke ontwikkeling
  • i) 
    Cultuur:
  • bevordering van interculturele dialoog, van culturele verscheidenheid en van eerbiediging

-

van de gelijke waardigheid van alle culturen;

  • bevordering van internationale samenwerking die de cultuurindustrie doet bijdragen aan de

economische groei in ontwikkelingslanden en aldus haar volle potentieel bij de armoedebestrijding

tot gelding brengt, met aandacht voor thema's als markttoegang en intellectuele-eigendomsrechten;

  • bevordering van respect voor de sociale, culturele en spirituele waarden van inheemse

volkeren en minderheden ter bevordering van gelijkheid en rechtvaardigheid in multi-etnische

samenlevingen overeenkomstig de universele rechten van de mens op welke eenieder, ook

inheemse volkeren en minderheden, recht heeft;

  • ondersteuning van cultuur als economische sector die beloften voor ontwikkeling en groei

inhoudt.

  • ii) 
    werkgelegenheid en sociale cohesie:

fatsoenlijk werk op het handelsverkeer, duurzame en adequate mechanismen voor een eerlijke

financiering, doeltreffende werking - en bredere dekking - van stelsels voor sociale bescherming;

  • steun voor initiatieven voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden en de aanpassing

aan de handelsliberalisering, waaronder integratie van een werkgelegenheidsdimensie in het

ontwikkelingsbeleid, teneinde de Europese sociale waarden te helpen verspreiden;

  • bijdragen tot het propageren van de positieve sociale dimensie van de mondialisering en de

ervaring van de EU.

  • iii) 
    jongeren en kinderen:
  • bestrijding van alle vormen van kinderarbeid, kinderhandel en geweld tegen

kinderen en aanmoediging van een beleid dat aandacht heeft voor de

bijzondere kwetsbaarheid en mogelijkheden van jongeren en kinderen, de

bescherming van hun rechten en belangen, onderwijs, gezondheid en welzijn,

en dat hen allereerst laat meespreken en meehandelen;

  • de ontwikkelingslanden meer aandacht laten schenken aan en beter in staat

stellen tot de ontwikkeling van een beleid ten gunste van jongeren en kinderen;

  • pleiten voor concrete strategieën en acties in verband met de specifieke

problemen en uitdagingen waarmee jongeren en kinderen te maken hebben,

waarbij steeds hun belang voor ogen wordt gehouden. Kinderen en jongeren

moeten zeggenschap krijgen;

  • de positie van de Gemeenschap als voornaamste donor van ODA onder de internationale

instellingen benutten om multilatere donoren druk te laten uitoefenen ten gunste van beleid dat de

ernstigste vormen van kinderarbeid afschaft, inzonderheid gevaarlijke vormen, om uiteindelijk alle

vormen van kinderarbeid te doen verdwijnen, kinderhandel en geweld tegen kinderen te bestrijden,

alsmede om de rol van kinderen en jongeren als ontwikkelingsactoren te propageren.

Artikel 13

Milieu en duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van energie

  • 1. 
    Het thematisch programma milieu en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, waar-

onder water, en energie, is erop gericht de milieubeschermingsvereisten te integreren in het

ontwikkelingsbeleid en andere onderdelen van het extern beleid van de Gemeenschap, en is bedoeld

om, in het gezamenlijk belang van de Gemeenschap en de partnerlanden en -regio's, het milieu- en

energiebeleid van de Gemeenschap in het buitenland te helpen propageren.

  • 2. 
    Ter verwezenlijking van het in lid 1 genoemde doel en in overeenstemming met artikel 11

omvat het programma de volgende actieterreinen:

  • a) 
    de ontwikkelingslanden bij de bron te helpen de MDG inzake milieuduurzaamheid te

verwezenlijken door de opbouw van capaciteit voor milieu-integratie in de

ontwikkelingslanden, door steunverlening aan het maatschappelijk middenveld, aan

plaatselijke overheden en aan overlegfora, door monitoring en evaluatie van het

milieu, door de uitwerking van innovatieve methoden en door jumelage met als doel

ervaringen uit te wisselen en de samenwerking op deze gebieden met de

belangrijkste landen te intensiveren;

  • b) 
    te bevorderen dat communautaire initiatieven en verbintenissen die op internationaal en

regionaal niveau overeengekomen zijn, of een grensoverschrijdend karakter hebben, worden

uitgevoerd, middels steun voor duurzame ontwikkeling in de vorm van activiteiten betreffende de

huidige en toekomstige klimaatveranderingsproblemen, biodiversiteit, woestijnvorming, het

boswezen, bodemdegradatie, visserij en mariene hulpbronnen, naleving van milieunormen (met

betrekking tot producten en productieprocessen), veilige chemicaliën en afvalbeheer, bestrijding

van vertontreiniging, duurzame productie en consumptie en milieu-gerelateerde migratie. Dit

behelst voorts inspanningen ter bevordering van goed bestuur in de bosbouw en ter bestrijding van

illegale houtkap, in het bijzonder door FLEGT, en innovatieve activiteiten tot behoud en duurzaam

beheer van bossen met de actieve participatie van lokale gemeenschappen en van van bossen

afhankelijke bevolkingsgroepen.

Met betrekking tot water is het thematisch programma erop gericht een kader vast te stellen voor de

langetermijnbescherming van watervoorraden en duurzaam watergebruik te propageren door

ondersteuning van beleidscoördinatie;

  • c) 
    de milieudoelstellingen beter te integreren, middels methodologische ondersteuning,

verbetering van de milieudeskundigheid die beschikbaar is voor de beleidswerkzaamheden, de

integratie en innovatieve maatregelen van de Gemeenschap en voor het propageren van samenhang;

  • d) 
    versterking van het milieubestuur en ondersteuning van het uitwerken van

internationaal beleid, door te zorgen voor onderlinge verankering van de milieupijler

en de andere pijlers van het internationaal beheer voor duurzame ontwikkeling, door

te assisteren bij de milieumonitoring en -evaluatie op regionaal en internationaal

niveau, door meer steun te geven aan de secretariaten van de multilaterale milieu-

overeenkomsten, door de naleving en handhaving van multilaterale milieu-

overeenkomsten te bevorderen met doeltreffende maatregelen, zoals capaciteits-

opbouw, door internationale organisaties en processen, alsmede het maatschappelijk

middenveld en de beleidsdenkers te steunen en door internationale onderhandelingen

efficiënter te laten verlopen;

  • e) 
    het steunen van keuzes voor duurzame energie in de partnerlanden en -regio's, door

duurzame energie te integreren in ontwikkelingsplannen en -strategieën, door institutionele steun en

technische bijstand te ontwikkelen, door een gunstig wettelijk en beleidskader te scheppen dat

nieuwe bedrijven en investeerders in hernieuwbare energie aantrekt, door de rol van energie als

inkomensgenerator voor de armen te versterken, door innovatieve financieringsvormen te

bevorderen en door op al deze gebieden regionale samenwerking tussen regeringen, niet-

gouvernementele organisaties en de particuliere sector aan te moedigen. De strategische

maatregelen van de Gemeenschap zullen in het bijzonder aanmoediging verlenen voor het gebruik

van hernieuwbare energiebronnen, betere energie-efficiëntie en het uitwerken van een

energieregelgevingskader in de betrokken landen en regio's, en voor de vervanging van bijzonder

schadelijke energiebronnen door minder schadelijke.

Artikel 14

Niet-overheidsactoren en plaatselijke overheden in het ontwikkelingsproces

  • 1. 
    Het thematisch programma niet-overheidsactoren en plaatselijke overheden in het

ontwikkelingsproces heeft tot doel om medefinanciering te verlenen voor initiatieven op

ontwikkelingsgebied die worden voorgesteld en/of uitgevoerd door organisaties van het

maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden en afkomstig zijn van de Gemeenschap en

de partnerlanden. Ten minste 85% van de uit hoofde van dit thematisch programma geplande

financiering wordt aan niet-overheidsactoren toegewezen. Het programma wordt uitgevoerd in

overeenstemming met het doel van deze verordening en ter versterking van de capaciteit van niet-

overheidsactoren en plaatselijke overheden om aan de uitwerking van het beleid te kunnen

deelnemen, ten einde:

  • a) 
    te komen tot een meer op integratie en medebeslissing gebaseerde samenleving.

Meer bepaald moet:

  • i) 
    ontwikkeling ten goede komen aan bevolkingsgroepen die verstoken blijven

van algemene diensten en hulpbronnen en die uitgesloten zijn van de beleids-

vorming;

  • ii) 
    de capaciteit van de maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden in

de partnerlanden worden versterkt, zodat zij beter betrokken kunnen worden bij

het vaststellen en uitvoeren van strategieën voor leniging van de armoede en

  • b) 
    de Europese bevolking meer vertrouwd te maken met de ontwikkelingsproblematiek en in

de Gemeenschap en de toetredende landen actieve publieke steun te verwerven voor strategieën die

zijn gericht op armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling in de partnerlanden en voor eerlijker

verhoudingen tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden, en te dien einde de rol van het

maatschappelijk middenveld en de plaatselijke overheden te versterken;

  • c) 
    efficiëntere samenwerking te bereiken, synergie te bevorderen en een gestructureerde

dialoog mogelijk te maken tussen de netwerken van het maatschappelijk middenveld en

verenigingen van plaatselijke overheden, binnen hun organisaties zelf, alsook met de

instellingen van de Gemeenschap.

  • 2. 
    Ter verwezenlijking van het in lid 1 genoemde doel en in overeenstemming met artikel 11

omvat het programma de volgende actieterreinen:

  • a) 
    in ontwikkelingslanden en regio's in die zin optreden dat:
  • i) 
    participatieve ontwikkeling en processen, alsook inclusie van alle actoren,

vooral kwetsbare en gemarginaliseerde groepen worden bevorderd;

  • ii) 
    de capaciteitsontwikkeling bij de betrokken actoren op nationaal, regionaal of

lokaal niveau wordt ondersteund;

  • iii) 
    het kweken van wederzijds begrip wordt bevorderd;
  • iv) 
    de burgers gemakkelijker actief gaan deelnemen aan het ontwikkelingsproces
  • b) 
    het publiek bewuster maken van de ontwikkelingsproblematiek en de ontwikkelings-

educatie in de Gemeenschap en de toetredende landen uit te bouwen, het ontwikke-

lingsbeleid te verankeren in de Europese samenlevingen, in de Gemeenschap en de

toetredende landen meer overheidssteun beschikbaar te stellen voor armoede-

bestrijding en voor eerlijker betrekkingen tussen ontwikkelde en ontwikkelings-

landen, de gevoeligheid in de Gemeenschap voor de problemen en moeilijkheden

van de ontwikkelingslanden en hun bevolking te vergroten en te werken aan de

sociale dimensie van de globalisering;

  • c) 
    zorgen voor coördinatie en communicatie tussen de netwerken van maatschappelijke

organisaties en van plaatselijke overheden, binnen hun organisaties en tussen de

verschillende categorieën belanghebbenden die deelnemen aan het Europese en het

mondiale publieke debat over ontwikkeling.

  • 3. 
    Steun aan plaatselijke overheden in de partnerlanden wordt in de regel verleend in het

kader van de landenstrategiedocumenten, tenzij deze niet de nodige steun bieden, met

name in situaties zoals moeilijke partnerschappen, zwakke staten en situaties na conflicten.

Bij de berekening van de communautaire medefinanciering voor steun aan de plaatselijke

overheden en hun verenigingen wordt rekening gehouden met hun bijdragecapaciteit.

Artikel 15

Voedselzekerheid

  • 1. 
    Doel van het thematisch programma voedselzekerheid is, de voedselzekerheid voor de

armste en meest kwetsbare bevolkingsgroepen te verbeteren en bij te dragen tot de

verwezenlijking van de MDG inzake armoede en honger, door een reeks acties die de

algehele samenhang, complementariteit en continuïteit van de maatregelen van de

Gemeenschap waarborgen, onder meer op het gebied van de overgang van hulp naar

ontwikkeling.

  • 2. 
    Ter verwezenlijking van het in lid 1 genoemde doel en in overeenstemming met artikel 11

omvat het programma de volgende actieterreinen:

  • a) 
    bijdragen tot de terbeschikkingstelling van internationale collectieve voorzieningen,

met name vraaggestuurd onderzoek en technologische innovatie ten behoeve van de

armen, evenals capaciteitsontwikkeling en wetenschappelijke en technische

zuid-zuid- en zuid-noord-samenwerking en twinning;

  • b) 
    ondersteunen van mondiale, continentale en regionale programma's voor met name:
  • i) 
    de ondersteuning van informatie over voedselzekerheid en snelle-waar-

schuwingssystemen;

  • ii) 
    de ondersteuning van voedselzekerheid op specifieke gebieden zoals land-
  • iii) 
    de bevordering, versterking en aanvulling van nationale voedselzekerheids-

programma's en armoedebestrijdingsstrategieën op de korte, de middellange en

de langere termijn, en

  • iv) 
    de ondersteuning van netwerken van beleidsdeskundigen en niet-overheids-

actoren teneinde de mondiale voedselzekerheidsagenda te bevorderen;

  • c) 
    opkomen voor en voortgang maken met de mondiale voedselzekerheidsagenda. De

Gemeenschap blijft in het internationale debat de nadruk leggen op essentiële

voedselzekerheidsvraagstukken en bevordert de harmonisatie, samenhang en onder-

linge afstemming van het beleid en de hulpverstrekking van de ontwikkelings-

partners en de donoren. Met name moet de rol van het maatschappelijk middenveld

in voedselveiligheidsvraagstukken sterker bevorderd worden;

  • d) 
    aanpakken van de voedselonzekerheid in uitzonderlijke omstandigheden zoals

overgangssituaties en zwak staatsbestel, door een centrale rol te spelen in de

koppeling van hulp, rehabilitatie en ontwikkeling. Het thematisch programma:

  • i) 
    ondersteunt maatregelen om de productieve en sociale activa die essentieel zijn

voor de voedselzekerheid te beschermen, in stand te houden en te recupereren,

teneinde economische integratie en herstel op lange termijn mogelijk te maken;

en

  • ii) 
    ondersteunt crisispreventie en -beheersing om de kwetsbaarheid van mensen in
  • e) 
    ontwikkelen van innovatieve voedselzekerheidsbeleidslijnen, strategieën en

benaderingen, en het versterken van het potentieel voor het repliceren en de zuid-

zuid-verspreiding daarvan. Er kunnen maatregelen worden genomen op het gebied

van onder meer landbouw, met inbegrip van grondhervorming en grondbeleid,

duurzaam beheer van en toegang tot natuurlijke hulpbronnen, voedselzekerheid in

relatie tot plattelands- en plaatselijke ontwikkeling, met inbegrip van infrastructuur,

voeding, demografie en arbeid, migratie, gezondheid en onderwijs. Er wordt gezorgd

voor consistentie en complementariteit met andere communautaire programma's op

deze gebieden.

Artikel 16

Migratie en asiel

  • 1. 
    Doel van het thematisch programma voor samenwerking met derde landen op het gebied

van migratie en asiel is, deze landen te ondersteunen in hun inspanningen voor een beter

beheer van de migratiestromen in al hun dimensies. Hoewel het thematisch programma in

hoofdzaak gericht is op migratie naar de Gemeenschap, wordt ook rekening gehouden met

relevante zuid-zuid-migratiestromen.

  • 2. 
    Ter verwezenlijking van het in lid 1 genoemde doel en in overeenstemming met artikel 11

omvat het programma de volgende actieterreinen:

  • a) 
    versterking van de relatie tussen migratie en ontwikkeling, met name door de

bijdrage van diasporagemeenschappen aan de ontwikkeling van hun land van

oorsprong aan te moedigen en ervoor te zorgen dat de terugkeer van migranten meer

nut oplevert; de uittocht van hooggeschoolden (brain drain) af te remmen en de

circulaire migratie van geschoolde migranten te bevorderen; financiële over-

makingen van migranten naar hun land van oorsprong te vergemakkelijken;

vrijwillige terugkeer en reïntegratie van migranten te ondersteunen en capaciteit voor

migratiebeheer op te bouwen; inspanningen voor capaciteitsopbouw te bevorderen,

om landen te helpen een op ontwikkeling gericht migratiebeleid te bepalen en de

capaciteit te ontwikkelen om migratiestromen gezamenlijk te beheren;

  • b) 
    bevordering van een goed beheerde arbeidsmigratie, met name door informatie te

verstrekken over legale migratie en over de voorwaarden van binnenkomst en

verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Gemeenschap; informatie te

verstrekken over de mogelijkheden en behoeften in de lidstaten met betrekking tot

arbeidsmigratie en over de kwalificaties van migratiekandidaten uit derde landen;

steun te verlenen voor opleiding van kandidaten voor legale migratie vóór hun

vertrek; en de bepaling en implementatie van kaderwetgeving voor migrerende

werknemers in derde landen aan te moedigen;

  • c) 
    bestrijding van illegale migratie en het vergemakkelijken van de overname van niet-

legale immigranten, ook tussen derde landen, en in het bijzonder bestrijding van

mensensmokkel en mensenhandel; het ontmoedigen van illegale immigratie en

bewustmaking van de daarmee verbonden risico's; het verbeteren van de capaciteiten

op het gebied van grens-, visum- en paspoortbeheer, waaronder beveiliging van

documenten en eventueel de invoering van biometrische gegevens; alsmede

opsporing van vervalste documenten; daadwerkelijke implementatie van de met de

Gemeenschap gesloten overnameovereenkomsten en de uit internationale overeen-

komsten voortvloeiende verplichtingen; en bijstaan van derde landen bij het beheer

van niet-legale immigratie en de coördinatie van hun beleid;

  • d) 
    bescherming van migranten, ook van de meest kwetsbaren zoals vrouwen en

kinderen, tegen uitbuiting en uitsluiting, door maatregelen zoals het ontwikkelen van

wetgeving in de derde landen op het gebied van legale immigratie; ondersteunen van

integratie en niet-discriminatie, alsmede maatregelen om migranten te beschermen

tegen racisme en vreemdelingenhaat; voorkomen en bestrijden van mensenhandel en

elke vorm van slavernij;

  • e) 
    bevordering van asiel en internationale bescherming, onder meer met regionale

beschermingsprogramma's, met name door versterking van de institutionele

capaciteiten; ondersteunen van de registratie van asielzoekers en vluchtelingen;

bevordering van internationale normen en instrumenten voor de bescherming van

vluchtelingen; verlenen van steun voor verbetering van de opvang en de lokale

integratie, en streven naar duurzame oplossingen.

Artikel 17

ACS-landen van het suikerprotocol

  • 1. 
    De in bijlage III vermelde ACS-landen van het suikerprotocol, die getroffen zijn door de

communautaire hervorming van de suikermarkt komen in aanmerking voor een programma

van begeleidende maatregelen. De communautaire bijstand voor deze landen is gericht op

de ondersteuning van hun aanpassingsproces wanneer zij zich geconfronteerd zien met

nieuwe condities op de suikermarkt als gevolg van de hervorming van de

gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker. In de communautaire

bijstand wordt rekening gehouden met de aanpassingsstrategieën van de landen en wordt

bijzondere aandacht besteed aan de volgende samenwerkingsterreinen:

  • a) 
    verbetering van het concurrentievermogen van de suiker- en suikerrietsector, mits dit

een duurzaam proces is, rekening houdende met de situatie van de verschillende

belanghebbenden in de keten;

  • c) 
    aanpak van de bredere gevolgen van het aanpassingsproces, bijvoorbeeld, hoewel

niet uitsluitend, op het gebied van werkgelegenheid en sociale dienstverlening,

grondgebruik en milieuherstel, de energiesector, onderzoek en innovatie en macro-

economische stabiliteit.

  • 2. 
    Binnen het in bijlage IV genoemde bedrag stelt de Commissie het maximumbedrag vast

dat aan elk land van het suikerprotocol ter beschikking wordt gesteld voor het financieren

van de maatregelen bedoeld in lid 1; daarbij wordt uitgegaan van de behoeften van het

land, wat betreft met name het effect van de hervorming van de suikersector en het belang

van de suikersector voor de economie. De toewijzingscriteria worden vastgesteld aan de

hand van de gegevens over de verkoopseizoenen vóór 2004.

Nadere instructies betreffende de verdeling van het totaalbedrag onder de begunstigde

landen worden door de Commissie volgens de bedoelde procedure in artikel 35, lid 2,

vastgesteld.

TITEL III

PROGRAMMERING EN TOEWIJZING VAN FONDSEN

Artikel 18

Algemeen kader voor de programmering en de toewijzing van middelen

  • 1. 
    Voor de geografische programma's stelt de Commissie overeenkomstig artikel 19 voor elk

partnerland en voor elke partnerregio strategiedocumenten en indicatieve meerjaren-

programma's op en keurt zij overeenkomstig artikel 22 voor elk partnerland en voor elke

partnerregio jaarlijkse actieprogramma's goed.

Voor de thematische programma's stelt de Commissie overeenkomstig artikel 20

thematische strategiedocumenten op en keurt zij overeenkomstig artikel 22 actie-

programma's goed.

In uitzonderlijke omstandigheden kan de hulp van de Gemeenschap overeenkomstig

artikel 23 tevens de vorm aannemen van specifieke maatregelen waarin de strategie-

documenten en de indicatieve meerjarenprogramma's niet hebben voorzien.

  • 2. 
    De Commissie bepaalt de indicatieve meerjarentoewijzingen binnen elk geografisch

programma aan de hand van gestandaardiseerde, objectieve en transparante toewijzings-

criteria, op basis van de behoeften en de prestaties van de betrokken partnerlanden of

-regio's en indachtig de specifieke problemen van landen of regio's die in een crisis- of

conflictsituatie verkeren of gevoelig zijn voor natuurrampen, naast de specificiteit van de

verschillende programma's.

Bij het beoordelen van de behoeften wordt rekening gehouden met de bevolking, het

inkomen per hoofd, de mate van armoede, de inkomensverdeling en het niveau van de

sociale ontwikkeling. Bij het beoordelen van de prestaties wordt gelet op de politieke,

economische en maatschappelijke vooruitgang, de voortgang op het gebied van goed

bestuur en het effectieve gebruik van de hulp, met name de manier waarop een land

schaarse ontwikkelingsmiddelen, te beginnen met zijn eigen middelen, gebruikt.

  • 3. 
    Voor de versterking van de samenwerking tussen de ultraperifere regio's van de EU en de

aangrenzende partnerlanden en -regio's kan de Commissie in een specifiek financieel kader

voorzien.

Artikel 19

Geografische strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's

  • 1. 
    Bij de voorbereiding en uitvoering van strategiedocumenten worden de in artikel 3, leden 5

tot en met 8, van deze verordening neergelegde beginselen inzake de doeltreffendheid van

  • 2. 
    In overeenstemming met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen, de

beginselen en beleidsvoorschriften van deze verordening alsmede met bijlage IV, worden

de strategiedocumenten opgesteld voor een periode die niet langer is dan de

geldigheidsduur van deze verordening, en beogen zij een samenhangend kader te bieden

voor de samenwerking tussen de Gemeenschap en het partnerland of de partnerregio. De

indicatieve meerjarenprogramma's worden opgesteld op basis van de strategiedocumenten.

De strategiedocumenten worden onderworpen aan een evaluatie halverwege de looptijd of,

indien nodig, aan ad hoc evaluaties waarbij in voorkomend geval de beginselen en de

procedures worden toegepast die zijn overeengekomen in de partnerschaps- en samen-

werkingsovereenkomsten met de partnerlanden en -regio's.

  • 3. 
    De strategiedocumenten worden in beginsel opgesteld op basis van een dialoog met de

partnerlanden en -regio's waarbij ook het maatschappelijk middenveld en de regionale en

plaatselijke overheden van die landen en regio's worden betrokken, zodat voldoende eigen

verantwoordelijkheid voor het proces wordt genomen en de nationale ontwikkelings-

strategieën, en voornamelijk de strategieën voor armoedebestrijding, voldoende steun

krijgen.

  • 4. 
    Voor elk partnerland en voor elke partnerregio worden op basis van de strategie-

documenten indicatieve meerjarenprogramma's opgesteld. Indien mogelijk wordt hierover

een overeenkomst gesloten met de partnerlanden en -regio's.

De indicatieve meerjarenprogramma's worden indien nodig op basis van de resultaten van

de evaluatie halverwege de looptijd of de ad hoc evaluatie van de strategiedocumenten

aangepast.

De indicatieve meerjarentoewijzing kan worden verhoogd of verlaagd ten gevolge van de

evaluaties, met name in het licht van bijzondere behoeften zoals post-crisissituaties of

uitzonderlijke dan wel onbevredigende prestaties.

  • 5. 
    Indien zich omstandigheden voordoen zoals crises, post-conflictsituaties, bedreigingen

voor de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, kan de

samenwerkingsstrategie per land of per regio ad hoc worden geëvalueerd volgens een

bijzondere spoedprocedure. Deze evaluatie kan leiden tot een strategie per land of per regio

die de overgang naar ontwikkeling en samenwerking op de lange termijn moet bevorderen.

  • 6. 
    Overeenkomstig artikel 2, lid 6, garandeert de strategie tevens de samenhang, en voorkomt

zij wederzijdse overlapping, tussen de maatregelen die zijn genomen in het kader van deze

verordening en de maatregelen die in aanmerking komen voor financiering in het kader

van andere communautaire instrumenten, met name Verordening (EG) nr. [...*] en

Verordening (EG) nr. 1257/96. Ten aanzien van partnerlanden of groepen van

partnerlanden die rechtstreeks betrokken zijn bij of getroffen worden door een crisis of

post-crisis, wordt bij de indicatieve meerjarenprogramma's bijzondere nadruk gelegd op

versterking van de coördinatie tussen hulp, rehabilitatie en ontwikkeling, zodat de

overgang van noodsituatie naar ontwikkelingsfase kan worden verzekerd. Voor de landen

  • 7. 
    Ter stimulering van de regionale samenwerking kan de Commissie bij de vaststelling van

de jaarlijkse actieprogramma's van het in artikel 22 bedoelde type of de in artikel 23

bedoelde bijzondere maatregelen voor samenwerking, besluiten dat in het kader van dit

hoofdstuk de in bijlage V genoemde landen in aanmerking komen, overeenkomstig artikel

2, lid 4, eerste alinea, indien het uit te voeren project of programma een regionaal of

grensoverschrijdend karakter heeft. In de in dit artikel en in artikel 20 bedoelde

strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's kan in deze mogelijkheid

worden voorzien.

  • 8. 
    De Commissie en de lidstaten plegen in een vroeg stadium van het programmeringsproces

overleg met elkaar en met andere donors en ontwikkelingsactoren, waaronder vertegen-

woordigers van het maatschappelijk middenveld en regionale en plaatselijke overheden, ter

bevordering van de complementariteit van hun samenwerkingsactiviteiten.

Artikel 20

Strategiedocumenten voor thematische programma's

  • 1. 
    De thematische strategiedocumenten worden opgesteld voor een termijn die niet langer is

dan de geldigheidsduur van deze verordening. Zij bevatten een omschrijving van de communautaire

strategie voor het betrokken thema, de prioriteiten van de Gemeenschap, de situatie op

internationaal niveau en de activiteiten van de voornaamste partners. Zij zijn in overeenstemming

met het algemene doel en de werkingssfeer, de doelstellingen en de beginselen en de

De thematische strategiedocumenten bepalen de prioritaire terreinen die voor commu-

nautaire financiering in aanmerking komen, de specifieke doelstellingen, de verwachte

resultaten en de prestatie-indicatoren.

De thematische strategiedocumenten vermelden tevens de indicatieve financiële toe-

wijzingen, in hun totaliteit en per prioritair terrein, eventueel door vermelding van een

minimum- en een maximumbedrag.

De strategiedocumenten worden onderworpen aan een evaluatie halverwege de looptijd of,

indien nodig, aan ad hoc-evaluatie.

  • 2. 
    De Commissie en de lidstaten plegen in een vroeg stadium van de programmering,

onderling en met andere donoren en ontwikkelingsactoren, waaronder vertegenwoordigers

van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden, overleg ter bevordering

van de complementariteit van hun samenwerkingsactiviteiten.

  • 3. 
    Voor de deelname aan mondiale initiatieven worden middelen en prioritaire acties

vastgelegd.

Artikel 21

Goedkeuring van strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's

De in de artikelen 19 en 20 bedoelde strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's, en

de evaluaties daarvan, bedoeld in artikel 19, lid 2, en artikel 20, lid 1, alsmede de in artikel 17

TITEL IV

UITVOERING

Artikel 22

Goedkeuring van jaarlijkse actieprogramma's

  • 1. 
    De Commissie keurt jaarlijkse actieprogramma's goed die zijn opgesteld op basis van de in

de artikelen 19 en 20 bedoelde strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's.

In uitzonderlijke omstandigheden, met name indien een actieprogramma nog niet is goed-

gekeurd, kan de Commissie op basis van de in de artikelen 19 en 20 bedoelde strategie-

documenten en indicatieve meerjarenprogramma's volgens dezelfde regels en procedures

als voor de actieprogramma's maatregelen buiten de jaarlijkse actieprogramma's om

goedkeuren.

  • 2. 
    In de jaarlijkse actieprogramma's worden de doelstellingen, de terreinen waarop maat-

regelen worden genomen, de verwachte resultaten, de beheersprocedures en het totale

bedrag van de geplande financiering vastgesteld. Zij bevatten een beschrijving van de te

financieren acties, een indicatie van de overeenkomstige financieringsbedragen en het

indicatief tijdschema voor de uitvoering. De doelstellingen moeten meetbaar zijn en

tijdgebonden ijkpunten bevatten.

  • 4. 
    Op projectniveau vindt een passend milieu-onderzoek plaats, met inbegrip van een milieu-

effectbeoordeling voor milieugevoelige projecten, in het bijzonder voor belangrijke nieuwe

infrastructuur. Waar zulks relevant is, wordt bij de uitvoering van sectorale programma's

gebruik gemaakt van strategische milieueffectbeoordelingen. Geïnteresseerde

belanghebbenden worden bij de milieubeoordelingen betrokken en de resultaten worden

voor het publiek beschikbaar gesteld.

Artikel 23

Bijzondere maatregelen die niet in de strategiedocumenten

en de indicatieve meerjarenprogramma's zijn opgenomen

  • 1. 
    In geval van onvoorziene en naar behoren gerechtvaardigde behoeften of omstandigheden

in verband met natuurrampen, burgeroorlog of crisissituaties, waarvoor geen middelen

beschikbaar zijn krachtens Verordening (EG) nr. [...*] of Verordening (EG) nr. 1257/96

worden door de Commissie buiten de strategiedocumenten en de indicatieve

meerjarenprogramma's om "bijzondere maatregelen" getroffen.

Met bijzondere maatregelen kunnen tevens acties worden gefinancierd die de overgang van

noodhulp naar ontwikkelingsactiviteiten op de lange termijn vergemakkelijken, waaronder

activiteiten om de bevolking beter voor te bereiden op terugkerende crises.

  • 2. 
    Met bijzondere maatregelen worden de doelstellingen, de terreinen waarop maatregelen

worden getroffen, de verwachte resultaten, de beheersprocedures en het totale bedrag van

de geplande financiering vastgesteld. Zij bevatten een beschrijving van de te financieren

acties, een indicatie van de overeenkomstige bedragen van de financiering en het indicatief

tijdschema voor de uitvoering. Zij bevatten een definitie van het soort prestatie-indicatoren

die tijdens de uitvoering van de bijzondere maatregelen moeten worden gevolgd.

  • 3. 
    Bijzondere maatregelen van meer dan 10 miljoen EUR worden door de Commissie volgens

de in artikel 35, lid 2, bedoelde beheersprocedure goedgekeurd. Bijzondere maatregelen

waarvan de kosten minder dan 10 miljoen EUR bedragen, worden door de Commissie

binnen één maand na de goedkeuring ter kennis van de lidstaten en het Europees Parlement

gebracht.

  • 4. 
    Wijziging van de bijzondere maatregelen, zoals technische aanpassing, verlenging van de

uitvoeringstermijn, herschikking van de kredieten binnen de begroting, verhoging van de

begroting met een bedrag van minder dan 20% van de oorspronkelijke begroting of

vermindering van de begroting, hoeft niet volgens de in artikel 35, lid 2, bedoelde

procedure te geschieden, voorzover de wijziging de oorspronkelijke, in het besluit van de

Commissie vastgestelde doelstellingen onverlet laat. Dergelijke technische aanpassingen

worden binnen één maand ter kennis van de lidstaten en het Europees Parlement gebracht.

Artikel 24

Voorwaarden

  • 1. 
    Onverminderd artikel 31 komen ter uitvoering van de in artikel 22 bedoelde jaarlijkse

actieprogramma's en de in artikel 23 bedoelde bijzondere maatregelen, voor financiering

op grond van deze verordening in aanmerking:

  • a) 
    de partnerlanden, de partnerregio's en hun instellingen;
  • b) 
    de gedecentraliseerde organen van de partnerlanden, zoals gemeenten, provincies,

departementen en regio's;

  • c) 
    de gemengde organen die door de partnerlanden en -regio's en de Gemeenschap zijn

opgericht;

  • d) 
    internationale organisaties, waaronder regionale organisaties, organisaties, diensten

of missies die onder het stelsel van de VN vallen, internationale en regionale

financiële instellingen en ontwikkelingsbanken, voorzover zij een bijdrage leveren

tot het verwezenlijken van de doelstellingen van deze verordening;

  • e) 
    de instellingen en organen van de Gemeenschap, doch uitsluitend ter uitvoering van

de in artikel 26 bedoelde ondersteunende maatregelen;

  • f) 
    de agentschappen en bureaus van de EU;
  • g) 
    de volgende entiteiten en organen van de lidstaten, van partnerlanden en -regio's of

van andere derde staten die voldoen aan de in artikel 31 vastgestelde regels

betreffende de toegang tot de buitenlandse hulp van de Gemeenschap, voorzover zij

een bijdrage leveren tot het verwezenlijken van de doelstellingen van deze

verordening:

  • i) 
    overheids- of semi-overheidsinstanties, de plaatselijke overheden of collecti-

viteiten en hun groeperingen of representatieve organisaties;

  • ii) 
    ondernemingen, bedrijven en andere particuliere organisaties en economische

actoren;

  • iii) 
    financiële instellingen die in de partnerlanden en -regio's particuliere

investeringen subsidiëren, bevorderen en financieren;

  • iv) 
    niet-overheidsactoren, zoals bedoeld in lid 2;
  • v) 
    natuurlijke personen.
  • 2. 
    Niet-winstgevende niet-overheidsactoren die op grond van deze verordening voor

financiële hulp in aanmerking komen en op onafhankelijke en verantwoordingsplichtige

basis werken, zijn met name: niet-gouvernementele organisaties, organisaties van de

autochtone bevolkingen, organisaties die nationale en/of etnische minderheden vertegen-

woordigen, beroepsgroeperingen en plaatselijke actiegroepen, coöperaties, vakbonden,

organisaties die economische en sociale actoren vertegenwoordigen, organisaties ter

bestrijding van corruptie en fraude en ter bevordering van goed openbaar bestuur, burger-

rechtenorganisaties en organisaties die discriminatie bestrijden, plaatselijke organisaties

(en netwerken daarvan) die werkzaam zijn op het gebied van gedecentraliseerde regionale

samenwerking en integratie, nationale en internationale verenigingen van plaatselijke

overheden die in de ontwikkelingssfeer werkzaam zijn, verbruikersverenigingen, vrouwen-

en jongerenorganisaties, onderwijs-, culturele, onderzoeks- en wetenschappelijke

organisaties, universiteiten, kerken en religieuze verenigingen of gemeenschappen, media,

en alle niet-gouvernementele organisaties en onafhankelijke stichtingen, waaronder

onafhankelijke politieke stichtingen, die een bijdrage kunnen leveren tot het

verwezenlijken van de doelstellingen van deze verordening.

Artikel 25

Financieringsvormen

  • 1. 
    De communautaire financiering kan de volgende vormen aannemen:
  • b) 
    begrotingssteun, als het partnerland het beheer van de overheidsuitgaven op

voldoende transparante, verantwoordelijke en doeltreffende wijze controleert, zelf

een goed uitgewerkt macro-economisch of sectoraal beleid heeft ingesteld, dat door

de belangrijkste donoren, waaronder in voorkomend geval de internationale finan-

ciële instellingen, positief is beoordeeld. De Commissie zal consequent een resultaat-

gerichte aanpak volgen die gebaseerd is op resultaat- en prestatie-indicatoren, en

tevens strikte voorwaarden vaststellen en toezien op de naleving daarvan. Tevens zal

zij inspanningen van de partnerlanden ter ontwikkeling van de parlementaire

controle- en auditcapaciteit en ter bevordering van transparantie van en publieke

toegang tot informatie, ondersteunen. Begrotingssteun wordt alleen uitbetaald indien

er qua gevolgen en resultaten voldoende vooruitgang is geboekt met het verwezen-

lijken van de doelstellingen;

  • c) 
    sectorale ondersteuning;
  • d) 
    in uitzonderlijke gevallen, sectorale en algemene programma's ter ondersteuning van

de invoer, in de vorm van:

  • i) 
    sectorale invoerprogramma's in natura;
  • ii) 
    sectorale invoerprogramma's in de vorm van deviezensteun ter financiering van

sectorale invoer; en

  • iii) 
    algemene invoerprogramma's in de vorm van deviezensteun ter financiering
  • e) 
    middelen die ter beschikking worden gesteld van de EIB of andere financiële tussen-

personen voor het verstrekken, op basis van programma's van de Commissie en

onder de in artikel 32 bedoelde voorwaarden, van leningen (in het bijzonder ter

ondersteuning van investeringen in en de ontwikkeling van de particuliere sector),

risicokapitaal (met name in de vorm van achtergestelde of voorwaardelijke leningen)

of andere vormen van tijdelijke minderheidsparticipaties in het kapitaal van onder-

nemingen, en voor bijdragen in garantiefondsen, voorzover het financiële risico voor

de Gemeenschap tot deze middelen is beperkt;

  • f) 
    rentesubsidies, met name voor leningen op milieugebied;
  • g) 
    schuldverlichting, op grond van internationaal overeengekomen programma's voor

schuldverlichting;

  • h) 
    subsidies voor de financiering van maatregelen die worden voorgesteld door de

entiteiten bedoeld in artikel 24, lid 1, onder b), c), d), f), en onder g), punten i) tot en

met v);

  • i) 
    subsidies voor de financiering van de werkingskosten van de entiteiten, bedoeld in

artikel 24, lid 1, onder b), c), d), f), en onder g), punten i), iii) en iv);

  • j) 
    financiering van samenwerkingsprogramma's tussen overheidsinstellingen, plaatse-

lijke overheden, nationale overheidsorganen en particuliere entiteiten met een

openbaredienstverleningstaak, van de lidstaten en van de partnerlanden en -regio's;

  • l) 
    bijdragen in nationale fondsen die door de partnerlanden en -regio's zijn opgericht

om gezamenlijke medefinanciering door verschillende donoren aan te moedigen, of

aan fondsen die door een of meerdere andere donoren zijn opgericht om gezamenlijk

acties uit te voeren;

  • m) 
    participaties in het kapitaal van internationale financiële instellingen en regionale

ontwikkelingsbanken;

  • n) 
    menselijke en materiële middelen voor het beheer van en daadwerkelijk toezicht op

projecten en programma's door de partnerlanden en -regio's.

  • 2. 
    De financiering van de Gemeenschap wordt niet aangewend ter betaling van belastingen,

rechten of heffingen in de begunstigde landen.

Artikel 26

Ondersteunende maatregelen

  • 1. 
    De communautaire financiering kan de kosten dekken van voorbereidende werkzaam-

heden, follow-up, audits en evaluaties die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitvoering

van deze verordening en het verwezenlijken van de doelstellingen daarvan, bijvoorbeeld

studies, bijeenkomsten, informatie-, voorlichtings-, opleidings- en publiciteitscampagnes,

kosten van informaticanetwerken voor de uitwisseling van informatie, en alle andere

kosten van technische en administratieve bijstand die nodig zijn voor het beheer van het

  • 2. 
    Deze ondersteunende maatregelen hoeven niet noodzakelijkerwijs in de indicatieve

meerjarenprogramma's te worden opgenomen en kunnen derhalve buiten de strategie-

documenten en de indicatieve meerjarenprogramma's om worden gefinancierd. Zij kunnen

evenwel ook worden gefinancierd uit een indicatief meerjarenprogramma.

Ondersteunende maatregelen die niet in een indicatief meerjarenprogramma zijn opge-

nomen worden door de Commissie overeenkomstig artikel 23, leden 3 en 4, goedgekeurd.

Artikel 27

Medefinanciering

  • 1. 
    Maatregelen die op grond van deze verordening worden gefinancierd, kunnen worden

medegefinancierd, met name door:

  • a) 
    de lidstaten en hun regionale en plaatselijke overheden, in het bijzonder overheids- of

semi-overheidsinstanties;

  • b) 
    andere donorlanden, met name hun overheids- en semi-overheidsinstanties;
  • c) 
    internationale en regionale organisaties, met name internationale en regionale

financiële instellingen;

  • d) 
    ondernemingen, bedrijven en andere particuliere organisaties en economische

actoren, en andere niet-overheidsactoren;

  • 2. 
    In geval van parallelle medefinanciering wordt het project of programma in meerdere,

duidelijk te onderscheiden componenten opgedeeld, die elk worden gefinancierd door de

verschillende partners die de medefinanciering verstrekken, en wel zo dat de bestemming

van de financiering altijd traceerbaar is.

In geval van gemeenschappelijke medefinanciering worden de totale kosten van het project

of programma verdeeld tussen de partners die de medefinanciering verzorgen en worden de

geldmiddelen gemeenschappelijk ingebracht, dusdanig dat het niet mogelijk is de

financieringsbron van een specifieke activiteit in het kader van het project of programma

na te gaan.

  • 3. 
    In geval van gemeenschappelijke medefinanciering kan de Commissie voor de uitvoering

van gezamenlijke acties middelen ontvangen en beheren namens de in lid 1, onder a),

  • b) 
    en c), bedoelde entiteiten. Deze middelen worden behandeld als ontvangsten die in

overeenstemming met artikel 18 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 een

bestemming hebben gekregen.

Artikel 28

Beheer

  • 1. 
    De krachtens deze verordening gefinancierde maatregelen worden uitgevoerd overeen-

komstig de bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en elke herziening

daarvan.

  • 3. 
    In geval van gedecentraliseerd beheer mag de Commissie besluiten een beroep te doen op

de aanbestedingsprocedures of de procedures voor de toekenning van subsidies van het

partnerland of de partnerregio die de begunstigde is, nadat is geverifieerd dat zij voldoen

aan de ter zake geldende criteria van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en op

voorwaarde dat:

  • de procedures van het partnerland of de partnerregio die de begunstigde is, voldoen

aan de beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en non-

discriminatie, en alle belangenconflicten voorkomen;

  • het partnerland of de partnerregio die de begunstigde is, zich ertoe verbindt geregeld

na te gaan of de acties die uit de Algemene Begroting van de EU worden gefinan-

cierd, correct zijn uitgevoerd, passende maatregelen te nemen om onregelmatigheden

en fraude te voorkomen, en in voorkomend geval onrechtmatig uitgekeerde middelen

in rechte terug te vorderen.

Artikel 29

Vastleggingen

  • 1. 
    De begrotingsvastleggingen vinden plaats op basis van de besluiten die door de Commissie

krachtens artikel 22, lid 1, artikel 23, lid 1, en artikel 26, lid 1, zijn genomen.

  • 2. 
    De communautaire financiering kan de volgende juridische vormen aannemen:
  • subsidieovereenkomsten;
  • aanbestedingscontracten;
  • arbeidsovereenkomsten.

Artikel 30

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

  • 1. 
    Iedere overeenkomst die uit deze verordening voortvloeit, dient bepalingen ter

bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap te bevatten, met name ten

aanzien van onregelmatigheden, fraude, corruptie en andere illegale activiteiten,

overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december

1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese

Gemeenschappen1, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november

1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden

uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen

tegen fraudes en andere onregelmatigheden2 en Verordening (EG) nr. 1073/99 van de Raad

Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999

betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)3.

  • 2. 
    In de overeenkomst wordt uitdrukkelijk bepaald dat de Commissie en de Rekenkamer het

recht hebben een financiële controle, op basis van documenten of ter plaatse, uit te voeren

bij alle contractanten of subcontractanten die middelen van de Gemeenschap hebben

ontvangen. Voorts wordt in de overeenkomst de Commissie uitdrukkelijk gemachtigd

controles en verificaties ter plaatse uit te voeren, overeenkomstig Verordening (Euratom,

EG) nr. 2185/96.

  • 3. 
    In iedere overeenkomst ter uitvoering van de hulp wordt het in lid 2 bedoelde recht van de

Commissie en de Rekenkamer zowel tijdens als na de uitvoering van de overeenkomst

gewaarborgd.

Artikel 31

Deelname aan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten en procedures

voor de toekenning van subsidies en regels van oorsprong

  • 1. 
    De procedures voor aanbestedingen en subsidies op grond van deze verordening staan open

voor alle natuurlijke personen die onderdaan zijn van, en voor alle rechtspersonen die

gevestigd zijn in een lidstaat van de Gemeenschap, een door de Gemeenschap erkende

kandidaat-lidstaat of een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

De procedure voor overheidsopdrachten en subsidieovereenkomsten die op grond van een

geografisch programma in de zin van de artikelen 5 tot en met 10 worden gefinancierd

staat open voor natuurlijke personen die onderdaan zijn van, en voor rechtspersonen die

gevestigd zijn in een ontwikkelingsland dat in aanmerking komt op grond van bijlage I.

De procedure voor overheidsopdrachten en subsidieovereenkomsten die worden

gefinancierd op grond van een thematisch programma in de zin van de artikelen 11 tot en

met 16, en van het programma van artikel 17, staat open voor natuurlijke personen die

onderdaan zijn van, en voor rechtspersonen die gevestigd zijn in een ontwikkelingsland,

zoals bepaald door de OECD/DAC en in bijlage II, naast de natuurlijke of rechtspersonen

die overeenkomstig het thematisch programma of het programma van artikel 17, in

aanmerking komen. De Commissie publiceert en actualiseert bijlage II2 in

overeenstemming met de herziening waaraan de OECD/DAC de lijst van landen die

internationale financiële steun ontvangen, regelmatig onderwerpt, en stelt de Raad daarvan

in kennis.

  • 2. 
    De procedure voor overheidsopdrachten en subsidieovereenkomsten die op grond van deze

verordening worden gefinancierd, staat ook open voor natuurlijke personen die onderdaan

zijn van, en voor rechtspersonen die gevestigd zijn in een ander dan de in lid 1 genoemde

landen, mits wederkerige toegang tot hun buitenlandse hulp is vastgesteld.

Wederkerige toegang wordt verleend aan elk land dat de lidstaten en het betrokken

ontvangende land onder dezelfde voorwaarden toegang biedt.

De wederkerige toegang wordt vastgelegd in een apart besluit voor een bepaald land of

regionale groep landen. Het besluit wordt volgens de procedure van artikel 35, lid 2,

aangenomen en is ten minste één jaar van kracht.

Wederkerige toegang wordt, na vergelijking van de Gemeenschap en andere donors,

verleend op het sectorale niveau zoals omschreven in de OECD/DAC-categorieën of op het

nationale niveau van het donorland of het ontvangende land. De wederkerigheid is

afhankelijk van de transparantie, samenhang en evenredigheid van de door die donor

verleende steun, zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin. Het ontvangende land wordt

betrokken bij het in dit lid beschreven proces.

Aan de OECD/DAC-leden wordt automatisch wederzijdse toegang in de minst

ontwikkelde landen verleend, in de definitie van de OECD/DAC.

  • 3. 
    De procedure voor aanbestedingen en subsidies op grond van een communautair

instrument staat open voor internationale organisaties.

  • 4. 
    Het bovenstaande laat onverlet dat categorieën organisaties die op grond van hun aard of

locatie in verband met de doelstellingen van de uit te voeren actie in aanmerking komen,

kunnen deelnemen.

  • 5. 
    Voor de deskundigen gelden geen nationaliteitsvereisten. Het bovenstaande laat de

kwalitatieve en financiële vereisten die zijn opgenomen in de communautaire regels voor

overheidsopdrachten onverlet.

  • 6. 
    Alle goederen en materialen die aangekocht worden in het kader van een contract dat

gefinancierd wordt op grond van deze verordening moeten afkomstig zijn uit de

Gemeenschap of een op grond van de leden 1 en 2 in aanmerking komend land. Voor de

toepassing van deze verordening wordt "oorsprong" gedefinieerd conform de vigerende

Gemeenschapswetgeving betreffende de oorsprongsregels voor douanedoeleinden.

  • 7. 
    De Commissie kan in naar behoren gemotiveerde gevallen de deelneming toestaan van

natuurlijke en rechtspersonen uit landen met traditionele economische, handels- of

geografische banden met buurlanden of uit andere derde landen, evenals het gebruik van

leveranties en materialen van afwijkende oorsprong.

  • 8. 
    De Commissie kan, in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen, de deelname

van natuurlijke personen die onderdaan zijn van, en van rechtspersonen die gevestigd zijn

in een ander dan de in lid 1 en lid 2 genoemde landen toestaan, of de aankoop van

goederen en materialen van een andere dan de in lid 6 bedoelde oorsprong toestaan.

De afwijkingen kunnen gerechtvaardigd zijn indien de goederen en de diensten op de

markt van de betrokken landen niet beschikbaar zijn, in extreme noodgevallen of indien de

toepassing van de voorschriften voor het in aanmerking nemen de uitvoering van een

  • 9. 
    In het geval van een communautaire financiering betreffende een operatie die via een inter-

nationale organisatie wordt uitgevoerd, staat de procedure voor de gunning van opdrachten

en overeenkomsten open voor alle natuurlijke en rechtspersonen die op grond van de

leden 1 en 2 in aanmerking komen, alsmede voor alle natuurlijke en rechtspersonen die op

grond van de regels van de betrokken organisatie in aanmerking komen, waarbij moet

worden toegezien op gelijke behandeling van alle donoren. Dezelfde voorschriften gelden

voor goederen, materialen en deskundigen.

Indien de communautaire financiering betrekking heeft op een operatie die mede gefinan-

cierd wordt door een derde land, onverminderd de in lid 2 bedoelde wederkerigheid, met

een regionale organisatie of met een lidstaat, staat de procedure voor de gunning van

opdrachten en overeenkomsten open voor alle natuurlijke en rechtspersonen die op grond

van de leden 1, 2 en 3 in aanmerking komen, alsmede voor alle natuurlijke en rechts-

personen die op grond van de regelgeving van het derde land, de regionale organisatie of

de lidstaat in aanmerking komen. Dezelfde voorschriften gelden voor goederen, materialen

en deskundigen.

  • 10. 
    In het geval van hulp die op grond van het in artikel 14 omschreven thematisch programma

rechtstreeks via niet-overheidsactoren wordt verstrekt, is lid 1 niet van toepassing op de

criteria voor de selectie van potentiële begunstigden van subsidies.

De begunstigden van deze subsidies zijn onderworpen aan de voorschriften van dit artikel

wanneer het verstrekken van de hulp de gunning van aanbestedingscontracten vereist.

  • 11. 
    Om de armoede sneller te kunnen uitbannen door het stimuleren van lokale capaciteiten,

markten en aankopen, wordt in de partnerlanden speciale aandacht gegeven aan de

aanschaf ter plaatse en in de regio.

Inschrijvers aan wie opdrachten worden gegund, eerbiedigen de internationaal erkende

fundamentele arbeidsnormen en milieunormen, zoals de fundamentele normen van de IAO,

de overeenkomsten inzake vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen,

uitschakeling van gedwongen en verplichte arbeid, uitschakeling van discriminatie bij

arbeid en beroep en afschaffing van kinderarbeid.

De ontwikkelingslanden zal met alle noodzakelijk geachte technische ondersteuning

toegang worden geboden tot de communautaire buitenlandse hulp.

Artikel 32

Middelen die ter beschikking zijn gesteld van de Europese Investeringsbank

of andere financiële tussenpersonen

  • 1. 
    De in artikel 25, lid 1, onder e), bedoelde middelen worden beheerd door financiële tussen-

personen, de EIB of andere banken of organisaties die in staat zijn deze te beheren.

  • 2. 
    De Commissie dient per geval uitvoeringsbepalingen goed te keuren voor lid 1, met name

over de verdeling van de risico's, de beloning van de tussenpersoon die met de uitvoering is

belast, het gebruik en de invordering van de opbrengsten van de middelen en de afsluiting

Artikel 33

Beoordeling

  • 1. 
    De Commissie onderwerpt haar programma's geregeld aan toezicht en evaluatie, en zij

onderwerpt de resultaten van de toepassing van de geografische en thematische beleids-

lijnen en programma's en het sectoraal beleid en de doeltreffendheid van de program-

mering, eventueel door middel van externe onafhankelijke evaluaties, geregeld aan een

beoordeling, om na te gaan of de doelstellingen zijn verwezenlijkt en om aanbevelingen

voor verbeteringen in toekomstige maatregelen te kunnen doen. Voorstellen van het

Europees Parlement of de Raad voor externe onafhankelijke evaluaties worden naar

behoren in rekening genomen. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan de sociale

sectoren en aan de geboekte vooruitgang met betrekking tot de MDG's.

  • 2. 
    De Commissie zendt de beoordelingsverslagen ter informatie toe aan het Europees

Parlement en het bij artikel 35 ingestelde comité. De lidstaten kunnen verzoeken dat een

bepaalde beoordeling in het bij artikel 35, lid 3, ingestelde comité wordt besproken. De

uitkomst van deze bespreking wordt verwerkt in het ontwerp van de programma's en de

toewijzing van middelen.

  • 3. 
    Alle belanghebbenden, ook de niet-overheidsactoren en plaatstelijke overheden, worden

door de Commissie in voorkomend geval bij de beoordeling van de Gemeenschapshulp op

grond van deze verordening betrokken.

TITEL V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 34

Jaarverslag

  • 1. 
    De Commissie onderzoekt de vooruitgang bij de uitvoering van de maatregelen die

krachtens deze verordening zijn genomen en legt het Europees Parlement en de Raad een

jaarverslag over de uitvoering en de resultaten en, voorzover mogelijk, de voornaamste

resultaten en effecten van de hulp voor. Dit verslag wordt ook aan het Economisch en

Sociaal Comité en het Comité van de Regio's toegezonden.

  • 2. 
    Het jaarverslag bevat gegevens met betrekking tot het voorafgaande jaar inzake de gefinan-

cierde maatregelen, de resultaten van het toezicht en de beoordeling, de inschakeling van

de respectieve partners, en de uitvoering van de vastleggings- en de betalingskredieten per

partnerland en -regio en per samenwerkingsterrein. Het verslag zal een beoordeling

bevatten van de resultaten van de hulp, voorzover mogelijk aan de hand van specifieke en

meetbare indicatoren, en van de rol die de hulp heeft gespeeld bij het bereiken van de

doelstellingen van deze verordening. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan de sociale

sectoren en aan de geboekte vooruitgang met betrekking tot de MDG's.

Artikel 35

Comité

toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. De in artikel 4, lid 3, van

Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op 30 dagen.

toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

  • 4. 
    Het comité stelt zijn reglement van orde vast.
  • 5. 
    Een waarnemer van de EIB neemt deel aan de werkzaamheden van het comité voor wat

betreft kwesties die betrekking hebben op de Bank.

Artikel 36

Deelname van een derde land dat niet in aanmerking komt

op grond van deze verordening

Onverminderd artikel 3, lid 5, mag de Commissie omwille van de samenhang en de doeltreffend-

heid van de communautaire hulp bij de goedkeuring van de in artikel 22 bedoelde actieprogramma's

of de in artikel 23 bedoelde specifieke maatregelen besluiten, dat landen, gebieden en regio's die in

aanmerking komen voor communautaire hulp op grond van Verordening (EG) nr. 1085/2006 of

Verordening nr. [...*] , en op grond van het EOF, in aanmerking komen voor de maatregelen

krachtens deze verordening, indien het desbetreffende project of het geografisch of thematisch

programma een mondiaal, horizontaal, regionaal of grensoverschrijdend karakter heeft. De in de

artikelen 19 en 20 bedoelde strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's kunnen in

deze financieringsmogelijkheid voorzien. De bepalingen van artikel 10 in verband met de

voorwaarden om in aanmerking te komen en de bepalingen van artikel 31 betreffende de

voorwaarden in verband met deelname aan de procedures voor het plaatsen van

overheidsopdrachten en de procedures voor de toekenning van subsidies, en betreffende de regels

van oorsprong worden aangepast om de daadwerkelijke deelname van de betrokken landen,

gebieden en regio's mogelijk te maken.

Artikel 37

Opschorting van de hulp

Onverminderd de bepalingen in verband met de opschorting van de hulp die zijn opgenomen in de

met de partnerlanden en -regio's gesloten partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten, kan de

Raad, indien een partnerland de in artikel 3, lid 1, bedoelde beginselen niet eerbiedigt, het overleg

met het partnerland niet tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing leidt, overleg wordt

geweigerd of in bijzonder dringende gevallen, op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde

meerderheid van stemmen de nodige maatregelen nemen in verband met de hulp die krachtens deze

verordening aan het partnerland is verleend. De maatregelen kunnen de gehele of gedeeltelijke

opschorting van de hulp omvatten.

Artikel 38

Financiële bepalingen

  • 1. 
    Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van deze verordening beloopt

16 897 miljoen EUR voor de periode 2007-2013.

  • 2. 
    De indicatieve bedragen die zijn toegewezen aan de in de artikelen 5 tot en met 10 en de

artikelen 11 tot en met 16 en 17 bedoelde programma's staan in bijlage IV. Deze bedragen

zijn vastgesteld voor de periode 2007-2013.

  • 3. 
    De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen

van het meerjarig financieel kader.

  • 4. 
    Er is een indicatief bedrag van 465 miljoen EUR in het totale bedrag voor thematische

programma's opgenomen om de activiteiten ten behoeve van de ENPI-landen te

financieren.

Artikel 39

Intrekking

14 december 2005 inzake de toegang tot buitenlandse hulp1;

21 april 2004 betreffende de bevordering van gendergelijkheid in de ontwikkelings-

samenwerking2;

10 maart 2004 tot instelling van een programma voor financiële en technische

bijstand aan derde landen op het gebied van migratie en asiel (AENEAS)3;

2003 betreffende steun voor de bestrijding van aan armoede gerelateerde ziekten

(hiv/aids, tuberculose en malaria) in ontwikkelingslanden1;

15 juli 2003 betreffende steun voor beleid en maatregelen op het gebied van

reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in ontwikkelingslanden2;

29 oktober 2001 betreffende acties op het gebied van de hulp aan ontwortelde

bevolkingsgroepen in ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika en in Azië3;

7 november 2000 betreffende maatregelen ter bevordering van de reële integratie van

het milieuaspect in het ontwikkelingsproces in de ontwikkelingslanden4;

7 november 2000 betreffende maatregelen ter bevordering van het behoud en het

duurzaam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden5;

29 juni 2000 betreffende ontwikkelingssamenwerking met Zuid-Afrika1;

liseerde samenwerking2;

financiering van acties op gebieden die voor de ontwikkelingslanden van belang zijn,

met Europese niet-gouvernementele organisaties (NGO's) voor ontwikkeling3;

voedselhulpbeleid en het beheer van de voedselhulp en van de specifieke acties ter

ondersteuning van de voedselzekerheid4;

en technische hulp en economische samenwerking met de ontwikkelingslanden in

Latijns-Amerika en in Azië5.

  • 2. 
    De ingetrokken verordeningen blijven van toepassing voor rechtshandelingen en vast-

leggingen voor de begrotingsjaren voorafgaande aan 2007. Verwijzingen naar genoemde

verordeningen gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 40

Herziening

Uiterlijk op 31 december 2010 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag

voor met een beoordeling van de uitvoering van deze verordening in de eerste drie jaar, eventueel

vergezeld van een wetgevingsvoorstel om de nodige wijzigingen, inclusief de in bijlage IV

bedoelde indicatieve financiële toewijzingen, in de verordening aan te brengen.

Artikel 41

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in

het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Landen die in aanmerking komen volgens artikel 1, lid 1

Latijns-Amerika

  • 1. 
    Argentinië
  • 2. 
    Bolivia
  • 3. 
    Brazilië
  • 4. 
    Chili
  • 5. 
    Colombia
  • 6. 
    Costa Rica
  • 7. 
    Cuba
  • 8. 
    Ecuador
  • 9. 
    El Salvador
  • 10. 
    Guatemala
  • 11. 
    Honduras

Azië

  • 19. 
    Afghanistan
  • 20. 
    Bangladesh
  • 21. 
    Bhutan
  • 22. 
    Cambodja
  • 23. 
    China
  • 24. 
    India
  • 25. 
    Indonesië
  • 26. 
    Democratische Volksrepubliek Korea
  • 27. 
    Laos
  • 28. 
    Maleisië
  • 29. 
    Maldiven
  • 30. 
    Mongolië
  • 31. 
    Myanmar/Birma

Centraal-Azië

  • 38. 
    Kazachstan
  • 39. 
    Kirgizische Republiek
  • 40. 
    Tadzjikistan
  • 41. 
    Turkmenistan
  • 42. 
    Oezbekistan

Midden-Oosten

  • 43. 
    Iran
  • 44. 
    Irak
  • 45. 
    Oman
  • 46. 
    Saudi-Arabië
  • 47. 
    Jemen

Zuidelijk Afrika

  • 48. 
    Zuid-Afrika

BIJLAGE II

OECD/DAC-lijst van ODA-ontvangers

van toepassing vanaf 2006 voor verslaggeving over 2005, 2006 en 2007

Minst ontwikkelde landen Andere lage- inkomenslanden

(BNI per hoofd van de bevolking < 825 USD

in 2004) Lagere midden- inkomenslanden en

-gebieden

(BNI per hoofd van de bevolking 826 USD - 3255 USD in 2004) Hogere midden- inkomenslanden en

-gebieden

(BNI per hoofd van de bevolking 3256 USD - 10065 USD in 2004)

Afghanistan Angola Bangladesh Benin Bhutan Burkina Faso Burundi Cambodja Kaapverdië Centraal-Afrikaanse Republiek Tsjaad Comoren Democratische Republiek Congo Djibouti Equatoriaal-Guinea Eritrea Ethiopië Gambia Guinee Guinee-Bissau Haïti Kiribati Laos Lesotho Liberia Madagaskar Malawi

Maldiven

Mali Mauritanië Mozambique Myanmar Nepal Niger Kameroen Republiek Congo Ivoorkust Ghana India Kenia Democratische Volksrepubliek Korea Kirgizische Republiek Moldavië Mongolië Nicaragua Nigeria Pakistan Papoea-Nieuw-Guinea Tadzjikistan Oezbekistan Vietnam Zimbabwe Albanië Algerije Armenië Azerbeidzjan Wit-Rusland Bolivia Bosnië en Herzegovina Brazilië China Colombia Cuba Dominicaanse Republiek Ecuador Egypte

El Salvador Fiji Georgië Guatemala Guyana Honduras Indonesië Iran Irak Jamaica Jordanië Kazachstan

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië Republiek der Marshalleilanden Federale Staten van Micronesia · Anguilla Antigua en Barbuda Argentinië Barbados Belize Botswana

Chili Cookeilanden Costa Rica Kroatië Dominica Gabon Grenada Libanon Libië Maleisië Mauritius

· Mayotte Mexico

· Montserrat Nauru Oman Palau Panama Saudi-Arabië

Rwanda Samoa Sao Tomé en Principe Senegal Sierra Leone Salomonseilanden Somalië Sudan Tanzania Oost-Timor Togo Tuvalu Uganda Vanuatu Jemen Zambia Marokko Namibië Niue Palestijnse Autonome Gebieden Paraguay Peru Filippijnen Servië en Montenegro

Sri Lanka Suriname Swaziland Syrië Thailand

· Tokelau-eilanden Tonga Tunesië Turkmenistan Oekraïne

· Wallis en Futuna · Turks- en Caicoseilanden Uruguay Venezuela

· territorium.

(1) Saudi-Arabië heeft in 2004 de drempel van de hoge- inkomenslanden overschreden. Overeenkomstig de OECD/DAC-regels voor herziening van deze lijst, zal het in 2008 van de lijst verwijderd worden als het een hoge-inkomensland blijft in 2005 en 2006. Zijn netto ODA-ontvangsten aan van OECD/DAC-leden bedroegen 9,9 miljoen USD in 2003 en (voorlopig) 9,0 miljoen USD in 2004.

BIJLAGE III

ACS-landen van het suikerprotocol

  • 1. 
    Barbados
  • 2. 
    Belize
  • 3. 
    India
  • 4. 
    Ivoorkust Jamaica
  • 5. 
    Saint Kitts en Nevis
  • 6. 
    Volksrepubliek Congo
  • 7. 
    Guyana
  • 8. 
    Republiek Congo
  • 9. 
    Ivoorkust
  • 10. 
    Kenia
  • 11. 
    Madagascar
  • 12. 
    Malawi
  • 13. 
    Mauritius

BIJLAGE IV

Indicatieve financiële toewijzingen voor de periode 2007-2013 (in miljoen EUR)

Totaal 16 897

Geografische programma's 10 057

Latijns-Amerika 2 690

Azië 5 187

Centraal-Azië 719

Zuid-Afrika 980

Thematische programma's 5 596

Investeren in mensen 1 060

Milieu en duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen 804

Niet-overheidsactoren en plaatselijke overheden in het ontwikkelingsproces 1 639

BIJLAGE V

Landen en gebieden andere dan ontwikkelingslanden en -gebieden

  • 1. 
    Australië
  • 2. 
    Bahrein
  • 3. 
    Brunei
  • 4. 
    Canada
  • 5. 
    Chinees Taipei
  • 6. 
    Hongkong
  • 7. 
    Japan
  • 8. 
    Korea
  • 9. 
    Macau
  • 10. 
    Nieuw Zeeland
  • 11. 
    Koeweit
  • 12. 
    Qatar

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

22 jun
'05
COM(2005)266 - Instelling van begeleidende maatregelen voor landen van het suikerprotocol die getroffen zijn door de hervorming van de suikerregeling van de EU


29 sep
'04
Financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking


29 sep
'04
COM(2004)629 - Financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking


29 sep
'04
COM(2004)627 - Instrument voor pretoetredingssteun (IPA)


26 apr
'04
COM(2004)313 - Toegang tot buitenlandse hulp


30 jul
'03
COM(2003)465 - Bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen in het kader van de ontwikkelingssamenwerking


11 jul
'03
COM(2003)413 - Verlenging en wijziging van Verordening 1659/98 betreffende gedecentraliseerde samenwerking


11 jun
'03
COM(2003)355 - Instelling van een programma voor financiële en technische bijstand aan derde landen op het gebied van migratie en asiel


11 dec
'02
COM(2002)719 - Wijziging van Besluit 1999/468/EG tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden


7 mrt
'02
COM(2002)120 - Steun voor beleid en maatregelen op het gebied van reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in ontwikkelingslanden


 
 
publicatiedatum 23-10-2006
kenmerk 11944/2/06 REV 2

Inhoud