RAAD VAN Brussel, 26 januari 2007 (30.01)
(OR. en)
DE EUROPESE UNIE
Interinstitutioneel dossier: 5531/07
2004/0047 (COD) 2004/0048 (COD) 2004/0049 (COD)
CODEC 62 TRANS 15
NOTA
van:
het secretariaat-generaal
aan: het Comité van permanente vertegenwoordigers/de Raad
Betreft: - Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot
wijziging van Richtlijn 91/440/EEG van de Raad betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap
-
-Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de
certificering van het treinpersoneel belast met de besturing van locomotieven en treinen op het spoorwegnet van de Gemeenschap
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad
betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het internationale treinverkeer
Vervolgens presenteerde de heer Savary (PSE, F), opnieuw namens de Commissie regionaal beleid,
vervoer en toerisme, zijn verslag. De rapporteur attendeerde op het toepassingsgebied van de
toekomstige richtlijn, met name op de noodzaak om de bepalingen ervan toe te passen op alle
personeelsleden die veiligheidstaken verrichten, en niet alleen op bestuurders, zoals voorzien is in
het gemeenschappelijk standpunt1.
De rapporteur refereerde tevens aan de financiering van de opleiding van bestuurders, en aan het
weer opnemen van het in eerste lezing door het EP aangenomen amendement waarin staat dat een
spoorwegonderneming die een werknemer van een andere spoorwegonderneming te werk stelt, aan
de onderneming die de werknemer heeft opgeleid, een bedrag moet betalen dat evenredig is met de
kosten van de opleiding2.
Vervolgens presenteerde de heer Sterckx (ALDE, BE), wederom namens de Commissie regionaal
beleid, vervoer en toerisme, zijn ontwerp-verslag; hij merkte op dat het voornaamste verschil van
mening tussen de Raad en het Europees Parlement verband houdt met de toepassing van de
toekomstige richtlijn op internationaal, dan wel op binnenlands spoorvervoer.
II. DEBAT
Veertig leden van het Europees Parlement namen het woord in het debat dat daarop volgde; de
ontwerp-verslagen van de heren Savary en Sterckx konden op veel bijval rekenen.
Verscheidene leden van de PSE-fractie en van de Verts/ALE-fractie verzetten zich evenwel tegen
Mevrouw Karin Roth, secretaris van het Parlement, wees namens het voorzitterschap op het belang
van de drie voorstellen en verklaarde dat het voorzitterschap bereid is zo spoedig mogelijk
tot een akkoord te komen.
De heer Barrot presenteerde het standpunt van de Commissie met betrekking tot de voorgestelde
amendementen, dat in een later stadium schriftelijk zal worden meegedeeld4.
III . STEMMING
Het Europees Parlement keurde 18 van de amendementen met betrekking tot het verslag van de
heer Jarzembowski goed (bijlage I bij deze nota5), 32 amendementen met betrekking tot het verslag
van de heer Savary (dat wil zeggen, alle amendementen die door de commissie zijn aangenomen)
(bijlage II bij deze nota6), en 63 van de amendementen met betrekking tot het verslag van de heer
Sterckx (bijlage III bij deze nota7).
BIJLAGE I
(18.1.2007)
Ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap ***II
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 91/440/EEG van de Raad betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap, en van Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur (5895/2/2006 C6- 0309/2006 2004/0047(COD))
(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)
Het Europees Parlement,
gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (5895/2/2006 C6-0309/2006)8,
gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt9 inzake het voorstel van de Commissie aan
het Europees Parlement en de Raad (COM(2004)0139)10,
gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,
gelet op artikel 62 van zijn Reglement,
gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme
(A6-0475/2006),
-
1.hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het
Gemeenschappelijk standpunt van de Raad Amendementen van het Parlement
Amendement 2
OVERWEGING 6
(6) De markt voor internationale passagiersvervoerdiensten zou niet kunnen worden opengesteld zonder dat een gedetailleerd regelgevingskader voor toegang tot de infrastructuur voorhanden is, significante vooruitgang op het gebied van interoperabiliteit wordt geboekt, en de veiligheid op het spoor op nationaal en Europees niveau in een strikte normatieve structuur wordt ingebed. Aan al deze voorwaarden is nu voldaan door de omzetting van de Richtlijn 2001/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 91/440/EEG van de Raad, Richtlijn 2004/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 tot wijziging van Richtlijn 91/440/EEG van de Raad, Richtlijn 2001/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, Richtlijn 2001/14/EG, alsook Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de veiligheid van de spoorwegen. Op de voor de openstelling van de markt voor internationale passagiersvervoerdiensten voorgestelde datum moet er sprake zijn van een gevestigde en geconsolideerde praktijk met betrekking tot dit nieuwe regelgevingskader. Daar is een zekere tijd voor nodig. Daarom dient 1 januari 2010 de streefdatum voor het openstellen van de markt te zijn. (6) De markt voor passagiersvervoerdiensten zou niet kunnen worden opengesteld zonder dat een gedetailleerd regelgevingskader voor toegang tot de infrastructuur voorhanden is, significante vooruitgang op het gebied van interoperabiliteit wordt geboekt, en de veiligheid op het spoor op nationaal en Europees niveau in een strikte normatieve structuur wordt ingebed. Aan al deze voorwaarden is nu voldaan door de omzetting van de Richtlijn 2001/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 91/440/EEG van de Raad, Richtlijn 2004/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 tot wijziging van Richtlijn 91/440/EEG van de Raad, Richtlijn 2001/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, Richtlijn 2001/14/EG, alsook Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de veiligheid van de spoorwegen. Op de voor de openstelling van de markt voor passagiersvervoerdiensten voorgestelde datum moet er sprake zijn van een gevestigde en geconsolideerde praktijk met betrekking tot dit nieuwe regelgevingskader. Lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, hebben het recht de streefdatum van 2017 voor nationale passagiersvervoerdiensten maximaal vijf jaar uit te stellen.
Amendement 3
OVERWEGING 8
(8) De invoering van deze nieuwe open en internationale diensten met tussenstops mag niet leiden tot de openstelling van de markt voor binnenlandse passagiersvervoerdiensten, maar moet enkel gericht zijn op stops die het internationale traject ondersteunen. Derhalve moet de invoering ervan betrekking hebben op diensten die hoofdzakelijk zijn bedoeld om passagiers te vervoeren op een internationaal traject. Bij de bepaling of dat het hoofddoel van de dienst is, moet rekening worden gehouden met criteria zoals het aandeel van de omzet en van het volume dat gegenereerd wordt door het vervoer van hetzij binnenlandse, hetzij internationale passagiers, alsmede de lengte van de dienst. Dit dient te worden bepaald door de onderscheiden toezichthoudende instantie, op verzoek van de belanghebbende partijen. Schrappen
Amendement 8
OVERWEGING 13
(13) Met het oog op de financiering van de openbaredienstverplichtingen is het opportuun de lidstaten toe te staan om overeenkomstig het Gemeenschapsrecht een heffing toe te passen op passagiersvervoerdiensten op hun grondgebied. (13) Om een bijdrage te leveren aan de exploitatie van passagiersvervoerdiensten op trajecten waarmee voldaan wordt aan een openbaredienstverplichting is het opportuun de lidstaten die dit wensen toe te staan de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor deze diensten toestemming te geven een heffing toe te passen op passagiersvervoerdiensten die onder hun bevoegdheid vallen.
Amendement 11
OVERWEGING 15 BIS (nieuw)
(15 bis) Voor de inrichting van gespecialiseerde infrastructuren, zoals hogesnelheidsspoorlijnen, hebben de spoorwegondernemingen behoefte aan zekerheid op het gebied van planning en wetgeving die recht doet aan het belang van de omvangrijke investeringen op lange termijn. Daarom moet het voor hen mogelijk worden gemaakt als regel kaderovereenkomsten met een looptijd van maximaal vijftien jaar te sluiten. Hiertoe moet Richtlijn 2001/14/EG dienovereenkomstig worden gewijzigd.
Amendement 13
OVERWEGING 17
(17) De toepassing van deze richtlijn moet worden beoordeeld op basis van een verslag van de Commissie dat twee jaar na de openstelling van de markt voor internationale passagiersvervoerdiensten moet worden ingediend. (17) De toepassing van deze richtlijn moet worden beoordeeld op basis van twee verslagen van de Commissie die elk een jaar na de openstelling van de markt voor internationale, respectievelijk nationale passagiersvervoerdiensten moeten worden ingediend. Vóór 31 december 2012 wordt nog een verslag door de Commissie ingediend waarin met name wordt ingegaan op de stand van de voorbereidingen voor de openstelling van de spoorwegmarkt voor nationale passagiersvervoerdiensten en waarin eventueel flankerende maatregelen ter vergemakkelijking van deze stap worden voorgesteld.
(18 ter) In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven maatregelen van algemene strekking te nemen die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen volgens de regelgevingsprocedure met toetsing bedoeld in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.
__________
1 PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit
gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz.11).
Amendement 16
ARTIKEL 1, PUNT 8
Artikel 10, lid 3 bis, alinea 1 (Richtlijn 91/440/EEG)
3bis. De spoorwegondernemingen die onder de werkingssfeer van artikel 2 vallen, krijgen uiterlijk op 1 januari 2010 recht op toegang tot de infrastructuur van alle lidstaten met het oog op de exploitatie van internationale passagiersvervoerdiensten. Bij een internationale passagiersvervoerdienst hebben de spoorwegondernemingen het recht op het internationale traject passagiers te laten instappen op elk station en ze te laten uitstappen op een ander station, ook wanneer die in dezelfde lidstaat liggen. 3bis. De spoorwegondernemingen die onder de werkingssfeer van artikel 2 vallen, krijgen met het oog op de exploitatie van internationale passagiersvervoerdiensten uiterlijk op 1 januari 2010 recht op toegang tot de infrastructuur van alle lidstaten. Bij een internationale passagiersvervoerdienst hebben de spoorwegondernemingen het recht op het internationale traject passagiers te laten instappen op elk station en ze te laten uitstappen op een ander station, ook wanneer die in dezelfde lidstaat liggen.
Amendement 21
ARTIKEL 1, PUNT 8
Artikel 10, lid 3 septies, alinea 1 (Richtlijn 91/440/EEG)
3 septies. Onverminderd lid 3 ter, kunnen de lidstaten, onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden, de betrokken autoriteiten toestaan een heffing op te leggen aan alle passagiersvervoerdiensten op hun grondgebied om bij te dragen aan de financiering van de compensatie van de openbaredienstverplichting uit hoofde van een openbaredienstcontract dat overeenkomstig de communautaire wetgeving is gesloten. 3 septies. Onverminderd lid 3 ter, kunnen de lidstaten, onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden, een voor het spoorwegvervoer bevoegde autoriteit toestaan een heffing op te leggen aan spoorwegondernemingen die een internationale passagiersvervoerdienst verzorgen ten behoeve van de exploitatie van onder de bevoegdheid van deze autoriteit vallende trajecten die tussen twee stations in deze lidstaat worden geëxploiteerd.
In dat geval worden spoorwegondernemingen die een binnenlandse vervoerdienst verzorgen aan dezelfde heffing op de exploitatie van die routes onderworpen.
Amendement 22
ARTIKEL 1, PUNT 8
Artikel 10, lid 3 septies, alinea 2 (richtlijn 91/440/EEG)
Overeenkomstig de communautaire wetgeving mag de compensatie niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen, rekening houdend met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst uit de uitvoering van die verplichtingen, geheel of gedeeltelijk te dekken. De heffing is bedoeld om deze autoriteit te compenseren voor het nakomen van openbaredienstverplichtingen in het kader van een openbaredienstcontract dat overeenkomstig de communautaire wetgeving is gesloten. De compensatie mag niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen, rekening houdend met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst uit de uitvoering van die verplichtingen, te dekken.
Amendement 24
ARTIKEL 1, PUNT 9
Artikel 10, lid 8, streepje 1 (Richtlijn 91/440/EEG)
de uitvoering van deze richtlijn in de lidstaten en de efficiënte werking van de verschillende betrokken organen; de uitvoering van deze richtlijn in de lidstaten, vooral haar gevolgen in de kleine lidstaten, en de efficiënte werking van de verschillende betrokken organen;
Amendement 25
ARTIKEL 1, PUNT 10
Artikel 10, lid 9 (Richtlijn 91/440/EEG)
-
9.Uiterlijk op 31 december 2012 dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een verslag in over de uitvoering van het bepaalde in artikel 10, lid 3. 9. Uiterlijk op 1 januari 2018 dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een verslag in over de uitvoering van het bepaalde in artikel 10, leden 3 ter en quinquies.
In een uiterlijk op 31 december 2012 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's voor te leggen verslag geeft de Commissie een specifieke analyse van de stand van de voorbereidingen voor de openstelling van de spoorwegmarkt voor nationale passagiersvervoerdiensten. In dit verslag stelt de Commissie, indien van toepassing, verdere aanvullende maatregelen voor met het oog op de vergemakkelijking van de openstelling van deze markt en de nakoming van de openbaredienstverplichtingen.
Amendement 27
ARTIKEL 1, PUNT 10 TER (nieuw)
Artikel 11 bis, lid 3 (Richtlijn 91/440/EEG)
10 ter) Artikel 11 bis, lid 3 wordt vervangen
door:
"3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, gelden artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG, met inachtneming van artikel 8 daarvan."
Amendement 30
ARTIKEL 2 PUNT 4
Artikel 17, lid 5 bis, alinea 3 (Richtlijn 2001/14/EG)
Vanaf 1 januari 2010 kan een eerste kaderovereenkomst voor een periode van 5 jaar worden opgesteld, die eenmaal met 5 jaar verlengd kan worden, op basis van de capaciteitskenmerken die worden gebruikt door de aanvragers die voor 1 januari 2010 diensten exploiteren, teneinde rekening te houden met specifieke investeringen of met het bestaan van commerciële overeenkomsten. De in artikel 30 bedoelde toezichthoudende instantie is bevoegd voor het verlenen van toestemming voor de inwerkingtreding van zo'n overeenkomst. Vanaf 1 januari 2010 voor internationale passagiersvervoerdiensten kan een eerste kaderovereenkomst voor een periode van 5 jaar worden opgesteld, die eenmaal met 5 jaar verlengd kan worden, op basis van de capaciteitskenmerken die worden gebruikt door de aanvragers die voor 1 januari 2010 diensten exploiteren, teneinde rekening te houden met specifieke investeringen of met het bestaan van commerciële overeenkomsten. De in artikel 30 bedoelde toezichthoudende instantie is bevoegd voor het verlenen van toestemming voor de inwerkingtreding van zo'n overeenkomst.
Amendement 32
ARTIKEL 2, PUNT 5 TER (nieuw)
Artikel 35, lid 3 (Richtlijn 2001/14/EG)
5 ter) Artikel 35, lid 3 wordt vervangen
door:
"3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, gelden artikel 5 bis, leden 1 t/m 4 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG, met inachtneming van artikel 8 daarvan."
BIJLAGE II
(18.1.2007)
Bevoegdheidsbewijs van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegnet van de Gemeenschap besturen ***II
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake het bevoegdheidsbewijs van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegnet van de Gemeenschap besturen (5893/5/2006 C6-0310/2006 2004/0048(COD))
(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)
Het Europees Parlement,
gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (5893/5/2006 C6-0310/2006)11,
gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt12 inzake het voorstel van de Commissie aan
het Europees Parlement en de Raad (COM(2004)0142)13,
gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,
gelet op artikel 62 van zijn Reglement,
gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme
(A6-0480/2006),
-
1.hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het
Parlement;
Gemeenschappelijk standpunt van de Raad Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis) Deze richtlijn ligt in het verlengde van en is grotendeels gebaseerd op de "historische", op 27 januari 2004 door de sociale partners bereikte overeenkomsten tussen de Gemeenschap van Europese Spoorwegen (CER) en de Europese Federatie van Vervoerswerknemers (ETF) inzake het Europees rijbewijs voor bestuurders op grensoverschrijdende interoperabele diensten, en inzake bepaalde aspecten van de arbeidsvoorwaarden voor mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten verrichten
1.
_____________
1 PB L 195 van 27.7.2005, blz. 18.
Amendement 2
Overweging 11
(11) De vakbekwaamheden van het personeel en de gezondheids- en veiligheidsvoorwaarden worden in het kader van de interoperabiliteitrichtlijnen ontwikkeld, met name als onderdeel van de TSI "technische specificaties en interoperabiliteit". Er moet worden gezorgd voor samenhang tussen deze TSI en de bijlagen bij deze richtlijn. Daartoe neemt de Commissie wijzigingen aan volgens de procedure van het comité, op basis van een door dat comité uitgebracht advies. (11) De vakbekwaamheden van het personeel en de gezondheids- en veiligheidsvoorwaarden worden in het kader van de interoperabiliteitrichtlijnen ontwikkeld, met name als onderdeel van de TSI Exploitatie en beheer van het treinverkeer. Er moet worden gezorgd voor samenhang tussen deze TSI en de bijlagen bij deze richtlijn. De Commissie zorgt hiervoor door de relevante TSI te wijzigen of aan te passen aan deze richtlijn en de bijlagen hierbij volgens de procedures waarin Richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem
2 PB L 110 van 20.4.2001, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG.
Amendement 3
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis) De Commissie moet met name maatregelen van algemene strekking kunnen vaststellen tot wijziging van niet- essentiële onderdelen van deze richtlijn of ter aanvulling van de richtlijn met nieuwe niet-essentiële onderdelen. Deze maatregelen moeten worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing waarin artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG voorziet.
Amendement 5
Artikel 1
Doelstelling Voorwerp
Deze richtlijn stelt de voorwaarden en procedures vast voor het bevoegdheidsbewijs van machinisten die locomotieven en treinen van het spoorwegnet in de Gemeenschap besturen. Zij bepaalt welke verantwoordelijke taken toevallen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, de machinisten en de overige betrokkenen in de sector, met name spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en opleidingscentra. Deze richtlijn stelt de voorwaarden en procedures vast voor het bevoegdheidsbewijs van machinisten die locomotieven en treinen besturen en van ander treinpersoneel dat veiligheidstaken op het spoorwegnet van de Gemeenschap verricht. Zij bepaalt hiertoe ook welke verantwoordelijke taken toevallen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, de machinisten en de overige betrokkenen in
de sector, met name spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en opleidingscentra.
Amendement 7
Artikel 3, letter b bis) (nieuw)
b bis) "ander treinpersoneel dat veiligheidstaken verricht": personeel aan boord van de trein dat geen machinist is, maar bijdraagt aan de veiligheid van de trein, de passagiers en de vervoerde goederen.
Amendement 8
Artikel 4, punt 3, inleidende formule en letter a)
-
3.Het bevoegdheidsbewijs machtigt de houder tot het besturen van een trein in een of meer van de volgende categorieën: 3. Het bevoegdheidsbewijs machtigt de houder tot het besturen van een trein in een van de volgende categorieën of in beide:
-
a)categorie A: rangeerlocomotieven, werktreinen, onderhoudsspoorwagens en locomotieven die gebruikt worden voor het rangeren; a) categorie A: rangeerlocomotieven, werktreinen en voertuigen voor het onderhoud van het spoorwegnet;
Amendement 9
Artikel 4, lid 4
-
4.De Commissie stelt vóór ...*, volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde procedure, op basis van een door het Bureau opgestelde ontwerp-tekst, een communautair model vast voor de vergunning, het bevoegdheidsbewijs, en het gewaarmerkte afschrift van het bevoegdheidsbewijs en bepaalt de fysieke kenmerken daarvan. Daarbij houdt de Commissie rekening met maatregelen die vervalsing moet tegengaan. 4. De Commissie stelt vóór ...*, volgens de in artikel 31, lid 2 bis, bedoelde procedure, op basis van een door het Bureau opgestelde ontwerp-tekst, de maatregelen vast tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn door haar aan te vullen en die betrekking hebben op een communautair model voor de vergunning, het bevoegdheidsbewijs, en het gewaarmerkte afschrift van het bevoegdheidsbewijs en bepaalt de fysieke kenmerken daarvan. Daarbij houdt de Commissie rekening met maatregelen die vervalsing moet tegengaan.
Amendement 10
Artikel 6, lid 1 bis (nieuw)
1 bis. De bevoegde instantie kan deze taak alleen delegeren volgens de voorwaarden van artikel 19.
Amendement 11
Artikel 7 bis (nieuw)
Artikel 7 bis
Wederzijdse erkenning
-
1.Wanneer de treinbestuurder in het bezit is van het rijbewijs en het bevoegdheidsbewijs afgegeven overeenkomstig deze richtlijn, mag hij een trein besturen, mits de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder die voor het vervoer in kwestie verantwoordelijk is, in het bezit is van een veiligheidscertificaat, respectievelijk een veiligheidsvergunning, zij het alleen op het netwerk waarvoor het bevoegdheidsbewijs en het veiligheidscertificaat of de veiligheidsvergunning geldig zijn.
Amendement 13
Artikel 18, lid 2
-
2.Indien een machinist meent dat zijn gezondheidstoestand reden geeft tot twijfels over zijn arbeidsgeschiktheid, dan stelt hij de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder daar onmiddellijk van in kennis. 2. De werkgever of, in voorkomend geval, de machinist zelf stelt de bevoegde instantie onverwijld in kennis van iedere wijziging in zijn gezondheidstoestand die aanleiding kan geven tot twijfel omtrent de bekwaamheid van de treinbestuurder en de wenselijkheid om zijn rijbewijs of bevoegdheidsbewijs te handhaven.
Zodra de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder constateert, of er door een arts van in kennis wordt gesteld dat de gezondheid van een machinist zodanig is verslechterd dat er aanleiding
is te twijfelen aan zijn arbeidsgeschiktheid, dan neemt zij/hij onmiddellijk de nodige maatregelen, onder verwijzing naar de in bijlage II, punt 3.1, van deze richtlijn beschreven keuring. Daarnaast moet worden gewaarborgd dat de machinist tijdens de dienst geen enkel moment onder invloed verkeert van welke stof dan ook, die zijn concentratievermogen, waakzaamheid of gedrag zou kunnen beïnvloeden. In het geval dat de arbeidsongeschiktheid langer duurt dan drie maanden, dan wordt de bevoegde autoriteit hiervan onmiddellijk
in kennis gesteld.
Amendement 14
Artikel 18, lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Indien de bevoegde instantie constateert of ervan op de hoogte wordt gebracht dat een treinbestuurder niet langer aan een of meer gestelde eisen voldoet, trekt zij het rijbewijs onmiddellijk in en deelt zij haar met redenen omklede besluit onverwijld mede aan de betrokkene, alsook aan diens werkgever, zulks onverminderd het in artikel 21 bedoelde recht van beroep. De schorsing is voorlopig of definitief, naar gelang van de grootte van het risico voor de spoorwegveiligheid. De bevoegde instantie werkt het in artikel 22 bedoelde register bij. Zodra hij op de hoogte is gebracht van het besluit, trekt de werkgever het bevoegdheidsbewijs tijdelijk of definitief in, op grond van de motivering van de bevoegde instantie. De werkgever werkt het in artikel 22 bedoelde register bij.
Indien een werkgever vaststelt dat een treinbestuurder niet meer aan een of meer gestelde eisen voldoet, trekt hij het bevoegdheidsbewijs onmiddellijk in en deelt hij de betrokkene en de bevoegde instantie onverwijld zijn met redenen omklede besluit mee. De werkgever werkt het in artikel 22 bedoelde register bij.
Amendement 15
Artikel 18, lid 2 ter (nieuw)
2 ter. De lidstaten zien erop toe dat, in geval van intrekking van een rijbewijs of een bevoegdheidsbewijs, een onafhankelijke procedure wordt ingesteld ter toetsing en eventueel hernieuwde toelating. Het betrokken personeelslid kan zich op deze procedure beroepen.
Amendement 16
Artikel 18, lid 2 quater (nieuw)
2 quater. De lidstaten treffen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat rijbewijzen en bevoegdheidsbewijzen worden vervalst en onbevoegden toegang krijgen tot het in artikel 22 bedoelde register. De werkgever is verplicht erop toe te zien dat het rijbewijs en het bevoegdheidsbewijs van de voor hem werkende machinisten te allen tijde geldig zijn.
Amendement 19
Artikel 19, lid 5
-
5.Wanneer de bevoegde autoriteit taken aan derden delegeert of uitbesteedt, zijn deze derden of de onderaannemers verplicht, bij de uitvoering van deze taken, de verplichtingen die krachtens deze richtlijn op de bevoegde autoriteiten rusten, in acht te nemen. 5. Wanneer de bevoegde autoriteit taken aan derden delegeert of uitbesteedt, zijn deze derden of de onderaannemers verplicht, bij de uitvoering van deze taken, de verplichtingen die krachtens deze richtlijn op de bevoegde autoriteiten rusten, in acht te nemen, met name:
-
a)verificatie van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid: uitgevoerd door bedrijfsartsen of instellingen voor arbeidsgeneeskunde die door de bevoegde instantie worden erkend;
-
b)verificatie van de psychologische
geschiktheid: uitgevoerd door psychologen, verkeerspsychologen of instellingen voor arbeidspsychologie die door de bevoegde instantie worden erkend;
-
c)verificatie van de algemene
beroepsbekwaamheid: uitgevoerd door instellingen en examinatoren die beide door de bevoegde instantie worden erkend;
Amendement 20
Artikel 22, punt 2 bis (nieuw)
2 bis. De machinist heeft te allen tijde toegang tot zijn gegevens die in de registers van de bevoegde instanties en van de spoorwegondernemingen zijn opgeslagen en op verzoek wordt hem een afschrift verstrekt.
Amendement 21
Artikel 22, lid 3
-
3.De bevoegde autoriteiten werken met het Bureau samen om de interoperabiliteit van de in de leden 1 of 2 bedoelde registers te garanderen. Met het oog hierop keurt de Commissie volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde procedure en op basis van een door het Bureau uitgewerkt project, vóór ...* de basisparameters goed van de aan te leggen registers, zoals de te registreren gegevens, het formaat van deze gegevens, alsmede het protocol voor gegevensuitwisseling, toegangsrechten, bewaartermijn van gegevens en in geval van faillissement de te volgen procedures. 3. De bevoegde autoriteiten werken met het Bureau samen om de interoperabiliteit van de in de leden 1 of 2 bedoelde registers te garanderen. Met het oog hierop stelt de Commissie volgens de in artikel 31, lid 2 bis, bedoelde procedure en op basis van een door het Bureau uitgewerkt project, vóór ...
de maatregelen vast tot wijziging van niet- essentiële onderdelen van deze richtlijn door haar aan te vullen en die betrekking hebben op de basisparameters van de aan te leggen registers, zoals de te registreren gegevens, het formaat van deze gegevens, alsmede het protocol voor gegevensuitwisseling, toegangsrechten, bewaartermijn van gegevens en in geval van faillissement de te volgen procedures.
Amendement 22
Artikel 23, lid 3
-
3.De gedetailleerde opleidingsdoelstellingen worden genoemd in bijlage IV voor de vergunning en in de bijlagen V en VI voor het bevoegdheidsbewijs. Deze kunnen als volgt worden aangevuld: 3. De gedetailleerde opleidingsdoelstellingen worden genoemd in bijlage IV voor de vergunning en in de bijlagen V en VI voor het bevoegdheidsbewijs. Daar niet- essentiële elementen van deze richtlijn betreft, kunnen deze doelstellingen als volgt worden aangevuld:
Amendement 23
Artikel 23 bis (nieuw)
Artikel 23 bis
Financiering van de opleiding
De spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders zijn contractueel aansprakelijk voor de beroepsopleiding, zowel de basisopleiding als de bijscholing.
Een spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder waarvoor een machinist werkt wiens opleiding geheel of gedeeltelijk is gefinancierd door een andere spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder waarmee de machinist de arbeidsverhouding na minder dan vijf jaar activiteit vrijwillig heeft stopgezet, betaalt deze spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder de kosten van de opleiding in kwestie terug: het bedrag dat wordt terugbetaald, is omgekeerd evenredig met de activiteitsperiode van de machinist bij de spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder die de opleiding heeft gefinancierd.
De gedetailleerde regels voor de uitvoering van deze bepaling en de berekening van het bedrag dat wordt terugbetaald, worden vastgesteld op basis van een aanbeveling van het Bureau overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 881/2004.
Amendement 25
Hoofdstuk VIII, titel
Bevoegdheidsbewijs van andere personeelsleden Bevoegdheidsbewijs van ander treinpersoneel
Amendement 26
Artikel 27
Het Bureau stelt in een uiterlijk ...* uit te brengen verslag het profiel en de taken vast van de andere personeelsleden op de locomotief en de trein die cruciale taken uitvoeren voor de veiligheid en hun vakbekwaamheden dienovereenkomstig bijdragen tot de veiligheid op het spoor, en op communautair niveau moeten worden geregeld door middel van een systeem van vergunningen en/of bevoegdheidsbewijzen dat te vergelijken is met het door deze richtlijn ingestelde systeem. 1. Het andere treinpersoneel dat veiligheidstaken verricht, moet in het bezit zijn van een bevoegdheidsbewijs voor ander treinpersoneel dat aangeeft dat het voldoet aan de minimumvereisten op het gebied van medische geschiktheid, basisopleiding en algemene beroepsbekwaamheid.
___________
-
*Twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
-
2.Dit bevoegdheidsbewijs voor ander treinpersoneel wordt afgegeven door de spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder waarvoor het lid van het treinpersoneel in kwestie werkt. Het bevoegdheidsbewijs voor ander treinpersoneel is eigendom van de onderneming die het heeft afgegeven; overeenkomstig artikel 13, lid 3 van Richtlijn 2004/49/EG kan de houder er evenwel een gewaarmerkt afschrift van krijgen.
-
3.Op verzoek van een lid van het treinpersoneel dat veiligheidstaken verricht en dat overeenkomstig dit artikel is gecertificeerd, geeft de bevoegde autoriteit een formele validering af met de naam van de onderneming die het bevoegdheidsbewijs voor ander treinpersoneel heeft afgegeven, de voorwaarden waaraan voor de verkrijging van het bevoegdheidsbewijs voor ander treinpersoneel is voldaan en de duur van de dienst waarvoor het personeelslid is erkend. Deze formele validering is eigendom van het personeelslid.
verricht, van toepassing.
-
6.Uiterlijk ...* specificeert het Bureau overeenkomstig de artikelen 3, 4, 6, 12 en 17 van Verordening (EG) nr. 881/2004 het profiel en de taken van het andere treinpersoneel dat veiligheidstaken verricht en de in lid 1 genoemde minimumvereisten.
-
7.Uiterlijk op ...** neemt de Commissie een besluit over de uitvoering van dit artikel volgens de in artikel 31, lid 2 bis genoemde regelgevingsprocedure met toetsing, op basis van aanbevelingen van de het Bureau.
__________________
-
*Een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
** Twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
Amendement 27
Artikel 30
De bijlagen worden aangepast aan de vooruitgang van de wetenschap en de techniek volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde procedure. De maatregelen die ten doel hebben niet- essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, en die nodig zijn om de bijlagen aan te passen aan de vooruitgang van de wetenschap en de techniek, worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, met volledige inachtneming van de procedures en bevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 881/2004, met name de artikelen 3, 4, 6, 12 en 17 daarvan.
Amendement 29
Artikel 31, lid 2 ter (nieuw)
2 ter. Om dwingende urgente redenen en wanneer de door de Commissie geplande maatregelen overeenkomen met het advies van het comité, zijn in voorkomend geval artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dit besluit.
Amendement 30
Artikel 33
Uiterlijk ... bekijkt het Bureau de mogelijkheid van het gebruik van een chipkaart die de vergunning en het bevoegdheidsbewijs, bedoeld in artikel 4 combineert en stelt een kosten/batenanalyse op. In bepaalde gevallen keurt de Commissie, volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde procedure en op basis van een door het Bureau opgesteld ontwerp, de technische en functionele specificaties van een dergelijke chipkaart goed. De invoering van de chipkaart kan aanpassing van de bijlagen noodzaken overeenkomstig artikel 30. Uiterlijk ...* bekijkt het Bureau de mogelijkheid van het gebruik van een chipkaart die de vergunning en het bevoegdheidsbewijs, bedoeld in artikel 4 combineert en stelt een kosten/batenanalyse op. In bepaalde gevallen stelt de Commissie, volgens de in artikel 31, lid 2 bis, bedoelde procedure en op basis van een door het Bureau opgesteld ontwerp, de technische en functionele specificaties van een dergelijke chipkaart vast die ten doel hebben niet- essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen. De invoering van de chipkaart kan aanpassing van de bijlagen noodzaken overeenkomstig artikel 30.
Amendement 32
Bijlage I, lid 3, letter n bis) (nieuw)
n bis) datum van het laatste medisch onderzoek van de houder.
Amendement 33
Bijlage II, punt 3, sub 3.1, aline 2, 3 en 4
De frequentie van de keuringen moet door de arts worden verhoogd als dit op grond van de gezondheidstoestand van de betrokkene noodzakelijk is. De frequentie van de keuringen moet door de bedrijfsarts worden verhoogd als dit op grond van de gezondheidstoestand van de betrokkene noodzakelijk is.
Met inachtneming van artikel 16, lid 1, vindt er een passende medische keuring plaats indien er reden is om aan te nemen dat een houder van een vergunning of bevoegdheidsbewijs niet langer voldoet aan de in bijlage II, punt 1, genoemde medische eisen. Met inachtneming van artikel 16, lid 1, vindt er een passende medische keuring plaats indien er reden is om aan te nemen dat een houder van een vergunning of bevoegdheidsbewijs niet langer voldoet aan de in bijlage II, punt 1, genoemde medische eisen.
De lichamelijke geschiktheid wordt regelmatig en na elk arbeidsongeval gecontroleerd. De arts of de medische dienst van de onderneming kan besluiten een aanvullende medische keuring te verrichten, in het bijzonder na een ziekteverlof van minsten dertig dagen of meer. De werkgever moet de bedrijfsarts vragen de lichamelijke geschiktheid van de machinist te controleren, wanneer hij deze om veiligheidsredenen heeft geschorst. De lichamelijke geschiktheid wordt regelmatig en na elk arbeidsongeval, alsmede bij werkonderbrekingen na een ongeval met personen gecontroleerd. De bedrijfsarts of de medische dienst van de onderneming kan besluiten een aanvullende medische keuring te verrichten, in het bijzonder na een ziekteverlof van minsten dertig dagen of meer. De werkgever moet de erkende bedrijfsarts vragen de lichamelijke geschiktheid van de machinist te controleren, wanneer hij deze om veiligheidsredenen heeft geschorst.
BIJLAGE III
(18.1.2007)
Rechten en verplichtingen van reizigers in het internationale treinverkeer ***II
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het internationale treinverkeer (5892/1/2006 C6-0311/2006 2004/0049(COD))
(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)
Het Europees Parlement,
gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (5892/1/2006 C6-0311/2006)14,
gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt15 inzake het voorstel van de Commissie aan
het Europees Parlement en de Raad (COM(2004)0143)16,
gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,
gelet op artikel 62 van zijn Reglement,
gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme
(A6-0479/2006),
-
1.hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het
Parlement;
-
2.verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de
Gemeenschappelijk standpunt van de Raad Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Titel van de verordening
Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het internationale treinverkeer Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer
Amendement 2
Overweging 1
(1) In het kader van het gemeenschappelijke vervoerbeleid is het belangrijk de gebruikersrechten voor zich tussen de lidstaten verplaatsende reizigers in het internationale treinverkeer te waarborgen en de kwaliteit en effectiviteit van de diensten voor reizigers in het internationale treinverkeer tussen de lidstaten te verbeteren, teneinde te helpen bij het vergroten van het aandeel van het spoorwegvervoer in verhouding tot andere vervoerswijzen. (1) In het kader van het gemeenschappelijke vervoerbeleid is het belangrijk de gebruikersrechten voor reizigers in het treinverkeer te waarborgen en de kwaliteit en effectiviteit van de diensten voor reizigers in het treinverkeer te verbeteren, teneinde te helpen bij het vergroten van het aandeel van het spoorwegvervoer in verhouding tot andere vervoerswijzen.
Amendement 3
Overweging 6
(6) De versterking van de rechten van reizigers in het internationale treinverkeer moet gebaseerd zijn op het bestaande internationaal recht dienaangaande dat is opgenomen in aanhangsel A - Uniforme regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers (CIV) bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationaal spoorwegvervoer van 3 juni 1999 (Protocol 1999). (6) De versterking van de rechten van reizigers in het treinverkeer moet gebaseerd zijn op het bestaande internationaal recht dienaangaande dat is opgenomen in aanhangsel A - Uniforme regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers (CIV) bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationaal spoorwegvervoer van 3 juni 1999 (Protocol 1999). Het is echter wenselijk om het toepassingsgebied van deze verordening uit te breiden en niet alleen internationale maar ook nationale treinreizigers te beschermen.
Amendement 4
Overweging 7
(7) De spoorwegondernemingen moeten samenwerken om de overstap van reizigers in het internationale treinverkeer van de ene exploitant op de andere te vergemakkelijken door, telkens als dit mogelijk is, rechtstreekse vervoersbewijzen aan te bieden. (7) De spoorwegondernemingen moeten samenwerken om de overstap van reizigers van de ene exploitant op de andere te vergemakkelijken door, telkens als dit mogelijk is, rechtstreekse vervoersbewijzen aan te bieden.
Amendement 5
Overweging 8
(8) Het verstrekken van informatie en vervoerbewijzen aan reizigers in het internationale treinverkeer moet worden vergemakkelijkt door geautomatiseerde systemen aan te passen aan gemeenschappelijke specificaties. (8) Het verstrekken van informatie en vervoerbewijzen aan reizigers in het treinverkeer moet worden vergemakkelijkt door geautomatiseerde systemen aan te passen aan gemeenschappelijke specificaties.
Amendement 6 Overweging 10
(10) Internationale reizigersspoordiensten moeten ten goede komen aan de burgers in het algemeen. Bijgevolg moeten personen met verminderde mobiliteit, ongeacht of deze veroorzaakt wordt door een functiebeperking, leeftijd of enige andere factor, mogelijkheden krijgen om gebruik te maken van het reizen per spoor die vergelijkbaar zijn met die van andere burgers. Personen met verminderde mobiliteit hebben hetzelfde recht als alle andere burgers op vrij verkeer, keuzevrijheid en non-discriminatie. Onder meer moet er bijzondere aandacht worden besteed aan het verstrekken van informatie aan personen met verminderde mobiliteit over de toegankelijkheid van spoordiensten, de voorwaarden betreffende de toegang tot het rollend materieel en de faciliteiten aan boord. Om reizigers met zintuiglijke beperkingen zo goed mogelijk over vertragingen in te lichten dienen, voorzover passend, visuele en auditieve systemen te worden gebruikt. Mensen met verminderde mobiliteit moeten zonder extra kosten hun vervoerbewijs in de trein kunnen kopen. (10) Reizigersspoordiensten moeten ten goede komen aan de burgers in het algemeen. Bijgevolg moeten personen met verminderde mobiliteit, ongeacht of deze veroorzaakt wordt door een functiebeperking, leeftijd of enige andere factor, mogelijkheden krijgen om gebruik te maken van het reizen per spoor die vergelijkbaar zijn met die van andere burgers. Personen met verminderde mobiliteit hebben hetzelfde recht als alle andere burgers op vrij verkeer, keuzevrijheid en non-discriminatie. Onder meer moet er bijzondere aandacht worden besteed aan het verstrekken van informatie aan personen met verminderde mobiliteit over de toegankelijkheid van spoordiensten, de voorwaarden betreffende de toegang tot het rollend materieel en de faciliteiten aan boord. Om reizigers met zintuiglijke beperkingen zo goed mogelijk over vertragingen in te lichten dienen, voorzover passend, visuele en auditieve systemen te worden gebruikt. Mensen met verminderde mobiliteit moeten zonder extra kosten hun vervoerbewijs in de trein kunnen kopen.
Amendement 7
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis) Spoorwegondernemingen en stationsbeheerders moeten rekening houden met de behoeften van gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit, door middel van de naleving van de TSI voor personen met beperkte mobiliteit, ten einde ervoor te zorgen dat overeenkomstig de bestaande communautaire voorschriften inzake overheidsopdrachten alle gebouwen en al het rollend materieel in geval van aankopen van nieuw materiaal of constructies en bij belangrijke verbouwingen toegankelijk worden gemaakt door geleidelijk de fysieke obstakels en functionele belemmeringen uit
de weg te ruimen.
Amendement 8 Overweging 11
(11) Spoorwegondernemingen moeten zich verplicht verzekeren, of soortgelijke regelingen treffen, voor hun aansprakelijkheid ten aanzien van internationale treinreizigers bij ongevallen. Het bedrag van de minimumdekking te verzekeren door spoorwegondernemingen moet in de toekomst opnieuw worden bezien. (11) Spoorwegondernemingen moeten zich verplicht verzekeren, of soortgelijke regelingen treffen, voor hun aansprakelijkheid ten aanzien van treinreizigers bij ongevallen. Het is wenselijk om een minimumverzekeringsdekking voor spoorwegondernemingen vast te stellen.
Amendement 9 Overweging 12
(12) Betere rechten inzake vergoeding en bijstand in het geval van vertraging, gemiste aansluiting of uitval van een internationale dienst moeten leiden tot krachtiger stimulansen voor de internationale treinreizigersmarkt, ten voordele van de reizigers. (12) Betere rechten inzake vergoeding en bijstand in het geval van vertraging, gemiste aansluiting of uitval van een dienst moeten leiden tot krachtiger stimulansen voor de treinreizigersmarkt, ten voordele van de reizigers.
Amendement 11
Overweging 16
(16) Internationale treinreizigers moeten bij elke spoorwegonderneming of verkoper van vervoerbewijzen een klacht kunnen indienen met betrekking tot de rechten en verplichtingen waarin deze verordening voorziet, en zij moeten binnen een redelijke termijn hierop een antwoord krijgen. (16) Treinreizigers moeten bij elke spoorwegonderneming of verkoper van vervoerbewijzen een klacht kunnen indienen met betrekking tot de rechten en verplichtingen waarin deze verordening voorziet, en zij moeten binnen een redelijke termijn hierop een antwoord krijgen.
Amendement 12
Overweging 17
(17) Spoorwegondernemingen moeten kwaliteitsnormen voor de internationale passagiersvervoerdiensten per spoor uitwerken, beheren en controleren. Schrappen
Amendement 13
Overweging 21
(21) Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de ontwikkeling van de communautaire spoorwegen en de invoering van reizigersrechten in het internationale spoorwegverkeer, met het oog op de belangrijke internationale dimensies en de noodzaak van internationale samenwerking op het gebied van het internationale reizigersverkeer niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegd subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegd evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. (21) Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de ontwikkeling van de communautaire spoorwegen en de invoering van reizigersrechten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegd subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegd evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Amendement 14
Overweging 22
(22) Deze verordening heeft ten doel grensoverschrijdende integratie te ondersteunen in gebieden waar burgers van twee of meer aangrenzende lidstaten voor een aanzienlijk deel werken en wonen in de andere lidstaat. Daarom moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om tijdelijk vrijstellingen te verlenen voor afzonderlijke grensoverschrijdende diensten. Die diensten kunnen vervoer verrichten in een, in twee of meer lidstaten gelegen, agglomeratie of regio, in gebieden waar een aanzienlijk deel van de dienst buiten de Gemeenschap wordt geëxploiteerd, waar een kort gedeelte van het traject als doorreis door een andere lidstaat verloopt, of waar het traject alleen voor de laatste halte de grens naar een andere lidstaat oversteekt. (22) Deze verordening heeft ten doel reizigersrechten in te voeren in het nationale en internationale treinverkeer. Een aantal bepalingen van deze verordening zullen grote aanpassingen vergen in een aantal lidstaten. Daarom moeten lidstaten, die zich in een uitzonderlijke situatie bevinden, de mogelijkheid hebben om tijdelijk een vrijstelling te verlenen voor bepaalde maatregelen voorzien in deze verordening voor nationale reizen op hun grondgebied of een gedeelte hiervan. In een aantal lidstaten voorzien de openbaredienstcontracten in een systeem van passende schadevergoedingen die in geval van vertraging betaald moeten worden aan de overheid. Lidstaten die in een dergelijk systeem voorzien in hun openbaredienstcontracten moeten de mogelijkheid hebben om tijdelijk vrijgesteld te worden van de bepalingen van deze verordening betreffende schadevergoedingen ingeval van vertraging.
Amendement 15
Amendement 16
Artikel 1, letter e)
-
e)de definitie van en het toezicht op dienstkwaliteitsnormen voor internationale diensten, de beheersing van risico's voor de persoonlijke veiligheid van de reizigers en de behandeling van klachten, en e) de beheersing van risico's voor de persoonlijke veiligheid van de reizigers en de behandeling van klachten, en
Amendement 17
Artikel 2, lid 1
-
1.Onverminderd de leden 2, 3 en 4 is deze verordening in de hele Gemeenschap van toepassing op internationale reizen op binnenlandse en internationale diensten, die worden verstrekt door een of meer spoorwegondernemingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 95/18/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen1. Deze verordening is van toepassing op alle treinreizen en -diensten in de hele Gemeenschap, die worden verstrekt door een of meer spoorwegondernemingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 95/18/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen
1 een
vergunning is verleend.
1 een vergunning
is verleend.
Openbaredienstcontracten moeten tenminste het niveau van bescherming garanderen waarin door deze verordening wordt voorzien.
Amendement 18
Amendement 20
Artikel 2, lid 3
-
3.Hoofdstuk V is tevens van toepassing op binnenlandse reizen op internationale diensten. Schrappen
Amendement 21
Artikel 2, lid 4
-
4.Een lidstaat kan, op een transparante en niet-discriminerende wijze, voor een maximale periode van vijf jaar een tijdelijke vrijstelling, die kan worden verlengd, toekennen voor de toepassing van de bepalingen van deze verordening voor bepaalde internationale diensten of internationale reizen, die zich in een uitzonderlijke situatie bevinden omdat 4. Een lidstaat kan, op een transparante en niet-discriminerende wijze, voor een maximale periode van tien jaar, in uitzonderlijke omstandigheden die de onmiddellijke of kortetermijnuitvoering van deze verordening belemmeren wegens belangrijke noodzakelijke investeringen en praktische problemen bij de aanpassing van de spoorwegstructuur en de modernisering van het rollend materieel, tijdelijke vrijstelling toekennen voor de toepassing van de bepalingen van deze verordening, met name de bepalingen van de artikelen 8 en 9 betreffende vervoerbewijzen en informatiesystemen en de artikelen 14 en 15 betreffende terugbetaling en schadevergoeding voor bepaalde diensten of specifieke trajectgedeelten.
-
a)de internationale dienst vervoer verricht om te voldoen aan de vervoersbehoeften van een in twee of meer lidstaten gelegen agglomeratie of regio, of
Amendement 22
Artikel 2, lid 4 bis (nieuw)
4 bis. Lidstaten waarvan de openbaredienstcontracten reeds voorzien in regelingen voor terugbetaling en schadevergoeding in geval van vertragingen, gemiste aansluitingen en uitvallen kunnen aan de spoorwegondernemingen gedurende een periode van tien jaar een tijdelijke vrijstelling toekennen van de bepalingen van de artikelen 14 en 15 van deze richtlijn die beperkt is tot de geleverde dienst en het specifieke trajectgedeelte. Een dergelijke vrijstelling is toelaatbaar voor regelingen die een niveau van bescherming van de reizigersrechten bieden dat equivalent is met deze voorzien in deze verordening.
Amendement 23
Artikel 2, lid 4 ter (nieuw)
4 ter. De lidstaten stellen de Commissie van de volgens lid 4 bis toegekende vrijstellingen in kennis. De Commissie gaat na of een vrijstelling strookt met de bepalingen van dit artikel en niet in strijd is met de belangen van de Gemeenschap.
Amendement 25
Artikel 3, punt 17
-
17."persoon met verminderde mobiliteit": elke persoon wiens mobiliteit bij het gebruik van vervoer verminderd is wegens een lichamelijke handicap (zintuiglijk of motorisch, permanent of tijdelijk), intellectuele deficiëntie of enige andere oorzaak van invaliditeit, of leeftijd, en wiens situatie passende aandacht en aanpassing aan de persoonlijke behoeften van de voor alle reizigers beschikbaar gestelde diensten vereist; 17. "gehandicapte persoon of persoon met beperkte mobiliteit": elke persoon wiens mobiliteit bij het gebruik van vervoer beperkt is ten gevolge van een lichamelijke (zintuiglijke of motorische, permanente of tijdelijke) handicap, een intellectuele handicap of stoornis, of enige andere oorzaak van handicap, of ten gevolge van leeftijd, en wiens situatie passende aandacht en aanpassing aan de persoonlijke behoeften van de voor alle reizigers beschikbaar gestelde diensten vereist;
(Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst.)
Amendement 26
Artikel 4
Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk zijn op de sluiting en de uitvoering van een vervoerovereenkomst en de verstrekking van informatie en vervoerbewijzen de titels II en III van bijlage I van toepassing. Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk zijn op de sluiting en de uitvoering van een overeenkomst inzake het vervoer van personen en hun bagage en de verstrekking van informatie en vervoerbewijzen de titels II en III van bijlage I van toepassing.
Amendement 69
Amendement 27
Artikel 6
Verplichting tot het verstrekken van Verplichting tot het verstrekken van
informatie over de beëindiging van informatie over de beëindiging van
internationale diensten treindiensten
De spoorwegondernemingen maken met De spoorwegondernemingen maken met
passende middelen en vóór hun passende middelen en vóór hun
uitvoeringsbesluiten bekend dat zij uitvoeringsbesluiten bekend dat zij
internationale diensten beëindigen. treindiensten beëindigen.
Amendement 28
Artikel 7, lid 1
-
1.Onverminderd artikel 9 verstrekken spoorwegondernemingen en verkopers van vervoerbewijzen die namens een of meer spoorwegondernemingen vervoerovereenkomsten aanbieden, de reiziger op verzoek ten minste de in bijlage II, deel I, vermelde informatie over de internationale reizen waarvoor door de betrokken spoorwegonderneming een vervoerovereenkomst wordt aangeboden. Verkopers van vervoerbewijzen die voor eigen rekening vervoerovereenkomsten aanbieden, en touroperators, verstrekken die informatie voor zover deze beschikbaar is. 1. Onverminderd artikel 9 verstrekken spoorwegondernemingen en verkopers van vervoerbewijzen die namens een of meer spoorwegondernemingen vervoerovereenkomsten aanbieden, de reiziger op verzoek ten minste de in bijlage II, deel I, vermelde informatie over de reizen waarvoor door de betrokken spoorwegonderneming een vervoerovereenkomst wordt aangeboden. Verkopers van vervoerbewijzen die voor eigen rekening vervoerovereenkomsten aanbieden, en touroperators, verstrekken die informatie voor zover deze beschikbaar
is.
Amendement 31
Artikel 8
-
1.De spoorwegondernemingen en verkopers van vervoerbewijzen bieden, voorzover beschikbaar, vervoerbewijzen, rechtstreekse vervoerbewijzen en boekingen aan. 1. De spoorwegondernemingen en verkopers van vervoerbewijzen bieden, voorzover beschikbaar, vervoerbewijzen, rechtstreekse vervoerbewijzen en boekingen aan.
Onverminderd lid 2 verstrekken de spoorwegondernemingen de vervoerbewijzen aan de reizigers via ten minste een van de volgende
verkooppunten: 1 bis. Onverminderd lid 2 verstrekken de spoorwegondernemingen de vervoerbewijzen aan de reizigers via ten minste een van de volgende
verkooppunten:
-
a)loketten of automaten; a) loketten of automaten;
-
b)telefoon/internet of enige andere op grote schaal beschikbare informatietechnologie; b) telefoon/internet of enige andere op grote schaal beschikbare informatietechnologie;
-
c)in de treinen. c) in de treinen.
1 ter. Onverminderd de leden 2 en 2 bis, vestrekken de spoorwegondernemingen vervoerbewijzen in het kader van openbaredienstcontracten via ten minste een van de volgende verkooppunten:
-
a)loketten of automaten;
-
b)in de treinen.
-
2.De spoorwegondernemingen bieden de mogelijkheid om in de trein vervoerbewijzen voor de gewenste dienst te verkrijgen, tenzij dit beperkt of onmogelijk is in het kader van beveiligings- of fraudebestrijdingsbeleid, dan wel wegens verplichte boeking van een treinreis of op redelijke commerciële gronden. 2. De spoorwegondernemingen bieden de mogelijkheid om in de trein vervoerbewijzen voor de gewenste dienst te verkrijgen, tenzij dit beperkt of onmogelijk is in het kader van beveiligings- of fraudebestrijdingsbeleid, dan wel wegens verplichte boeking van een treinreis of op redelijke commerciële gronden.
Amendement 32
Artikel 11, lid 2
-
2.Uiterlijk ...* dient de Commissie bij het 2. De minimale verzekeringsdekking voor spoorwegondernemingen bedraagt XXX EUR.
Europees Parlement en de Raad een verslag in over de vaststelling van een bedrag voor een minimumverzekeringsdekking voor spoorwegondernemingen. Voor zover dienstig, gaat het vergezeld van passende voorstellen of aanbevelingen ter zake.
__________
-
*Eén jaar na de aanneming van deze verordening.
Amendement 63
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Schade in geval van dood of letsel van
reizigers
De aansprakelijkheid van een spoorwegonderneming voor schade in geval van dood of lichamelijk letsel van een reiziger is financieel niet begrensd.
Amendement 34
Artikel 12, lid 1
-
1.Indien een reiziger wordt gedood of gewond raakt, betaalt de spoorwegonderneming onverwijld en in ieder geval uiterlijk vijftien dagen nadat de identiteit van de schadevergoedingsgerechtigde natuurlijke persoon is vastgesteld, een voorschot dat toereikend moet zijn om de onmiddellijke economische noden te lenigen en dat evenredig is aan het geleden nadeel. 1. Indien, als bedoeld in artikel 56, lid 1 van bijlage I, een reiziger wordt gedood of gewond raakt, betaalt de spoorwegonderneming onverwijld en in ieder geval uiterlijk vijftien dagen nadat de identiteit van de schadevergoedingsgerechtigde natuurlijke persoon is vastgesteld, een voorschot dat toereikend moet zijn om de onmiddellijke economische noden te lenigen en dat evenredig is aan het geleden nadeel.
Amendement 64
Artikel 12 bis (nieuw)
Artikel 12 bis
Betwisting van aansprakelijkheid
Zelfs indien de spoorwegonderneming haar aansprakelijkheid voor het door een door haar vervoerde reiziger opgelopen lichamelijk letsel betwist, blijft zij de enige gesprekspartner van de reiziger en de enige instantie waarvan de reiziger schadevergoeding kan eisen, onverminderd de regresvordering in verband met aansprakelijkheid die door de spoorwegonderneming jegens derden kan worden ingesteld.
Amendement 35
Artikel 13
Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk is op de aansprakelijkheid van de spoorwegondernemingen ten aanzien van vertragingen, gemiste aansluitingen en uitvallen bijlage I, titel IV, hoofdstuk II, van toepassing. Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk is op de aansprakelijkheid van de spoorwegondernemingen ten aanzien van vertragingen, gemiste aansluitingen en uitvallen bijlage I, titel IV, hoofdstuk II, van toepassing. Bijlage I, artikel 32, lid 2 is eveneens van toepassing op de artikelen 14 en 15 van deze verordening.
Amendement 36
Artikel 15, lid 1, eerste alinea, inleidende formule
Amendement 37
Artikel 15, lid 1, alinea 1 bis (nieuw)
Reizigers in het bezit van een abonnement die geconfronteerd worden met opeenvolgende vertragingen of uitval gedurende de looptijd van hun abonnement, kunnen om schadevergoeding verzoeken. De schadevergoeding kan worden uitbetaald in de vorm van een prijsvermindering bij aankoop van een nieuw abonnement of in de vorm van een verlenging van de geldigheidsduur van het bestaande abonnement.
Spoorwegondernemingen bepalen vooraf, in nauw overleg met vertegenwoordigers van de gebruikers of met de overheid in het kader van openbaredienstcontracten, de criteria van stiptheid en betrouwbaarheid van de betrokken dienst die gehanteerd zullen worden bij toepassing van dit lid.
De spoorwegondernemingen bepalen ook de modaliteiten voor uitvoering, meer bepaald wat betreft het bewijs dat de houder van het abonnement daadwerkelijk de vertraagde diensten heeft gebruikt.
Amendement 38
Artikel 15, lid 1, alinea 2 bis (nieuw)
De schadevergoeding voor vertraging wordt altijd berekend in verhouding tot de prijs die de reiziger effectief betaalde voor de vertraagde dienst. Wanneer het een vervoersovereenkomst zoals een reispas betreft die recht geeft op verschillende trajecten, wordt de vergoeding berekend in verhouding tot de prijs van één traject.
Amendement 40
Artikel 15, lid 2
-
2.De vergoeding van de prijs van het vervoerbewijs wordt betaald binnen 14 dagen na de indiening van het verzoek om schadevergoeding. De schadevergoeding kan in bonnen en/of andere diensten worden uitbetaald indien de voorwaarden soepel zijn (met name wat betreft de geldigheidsduur en de bestemming). De schadevergoeding wordt op verzoek van de reiziger uitbetaald in geld indien bonnen of andere diensten voor de reiziger geen waarde zouden hebben. 2. De vergoeding van de prijs van het vervoerbewijs wordt betaald binnen een maand na de indiening van het verzoek om schadevergoeding. De schadevergoeding kan in bonnen en/of andere diensten worden uitbetaald indien de voorwaarden soepel zijn (met name wat betreft de geldigheidsduur en de bestemming). De schadevergoeding wordt op verzoek van de reiziger uitbetaald
in geld.
Amendement 41
Artikel 16, lid 2, letter a)
-
a)maaltijden en verfrissingen die in een redelijke verhouding staan tot de wachttijd, indien ze in het station beschikbaar zijn: a) maaltijden en verfrissingen die in een redelijke verhouding staan tot de wachttijd, indien ze in het station beschikbaar zijn of kunnen worden aangeleverd;
Amendement 42
Artikel 17
Informatie voor personen met Recht op vervoer
verminderde mobiliteit
-
1.Op verzoek verstrekken de spoorwegonderneming, de verkoper van vervoerbewijzen of de touroperator personen met verminderde mobiliteit informatie over de toegankelijkheid van spoorwegdiensten en over de voorwaarden voor de toegang tot het rollend materieel alsmede over de faciliteiten aan boord. 1. Onverminderd de toegangsregels voorzien in de leden 2 en 2 bis, mogen spoorwegondernemingen, verkopers van vervoerbewijzen of touroperators op grond van beperkte mobiliteit niet weigeren een boeking te aanvaarden of een vervoerbewijs af te geven. Boekingen en vervoerbewijzen worden personen met beperkte mobiliteit aangeboden zonder extra kosten.
2 bis. Een spoorwegonderneming, een verkoper van vervoersbewijzen of touroperator mag enkel weigeren een boeking te aanvaarden of een vervoerbewijs af te geven aan een persoon met beperkte mobiliteit of verlangen dat deze door een andere persoon wordt begeleid, indien dit strikt noodzakelijk is om te voldoen aan de in lid 2 vermelde toegangsvoorschriften.
Amendement 43
Artikel 18
Recht op vervoer Informatie voor personen met beperkte
mobiliteit
-
1.Spoorwegondernemingen, verkopers van vervoerbewijzen of touroperators mogen niet op grond van verminderde mobiliteit weigeren een boeking te aanvaarden of een vervoerbewijs af te geven. Boekingen en vervoerbewijzen worden personen met verminderde mobiliteit aangeboden zonder extra kosten. 1. Op verzoek verstrekken de spoorwegonderneming, de verkoper van vervoerbewijzen of de touroperator personen met beperkte mobiliteit informatie over de toegankelijkheid van spoorwegdiensten en over de voorwaarden voor de toegang tot het rollend materieel overeenkomstig de toegangsregels in de zin van artikel 17, lid 2 en informeren zij personen met beperkte mobiliteit over de faciliteiten aan boord.
-
2.Onverminderd lid 1 mag een spoorwegonderneming een verkoper van vervoerbewijzen of touroperator weigeren een boeking te aanvaarden van of een vervoerbewijs afgeven aan een persoon met verminderde mobiliteit of verlangen dat deze door een andere persoon wordt begeleid overeenkomstig de in artikel 17, lid 2, vermelde toegangsvoorschriften.
Amendement 44
Artikel 18 bis (nieuw)
Artikel 18 bis
Toegankelijkheid
De spoorwegonderneming en de stationbeheerder zorgen ervoor dat de toegankelijkheid van het station, de perrons, de voertuigen en andere voorzieningen voor personen met beperkte mobiliteit gewaarborgd is.
Wanneer de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit niet gewaarborgd is, zorgen de spoorwegonderneming en/of de stationbeheerder er voor dat:
-
a)stations, perrons en andere voorzieningen toegankelijk gemaakt worden voor personen met beperkte mobiliteit wanneer ze ingrijpend gerenoveerd worden.
-
b)alle nieuwe voertuigen die aangekocht worden, toegankelijk zijn voor personen met beperkte mobiliteit.
Amendement 45
Artikel 19, lid 1
-
1.Bij vertrek, overstap of aankomst op een bemand spoorwegstation van een persoon met verminderde mobiliteit verleent de stationsbeheerder gratis bijstand op zodanige wijze dat de persoon, onverminderd de toegangsregels die zijn vastgelegd in artikel 17, lid 2, kan instappen, overstappen of uitstappen in verband met de dienst waarvoor hij een vervoerbewijs heeft gekocht. Voor de toepassing van dit artikel wordt een station als niet-bemand beschouwd indien de taken van het dienstdoende personeel in verband met de veiligheid, de beveiliging, de verkoop van vervoerbewijzen of de bescherming van de inkomsten uitsluiten dergelijke bijstand te bieden. 1. Bij vertrek, overstap of aankomst op een bemand spoorwegstation van een persoon met verminderde mobiliteit verleent de stationsbeheerder gratis bijstand op zodanige wijze dat de persoon, onverminderd de toegangsregels die zijn vastgelegd in artikel 17, lid 2, kan instappen of uitstappen in verband met de dienst waarvoor hij een vervoerbewijs heeft gekocht. Bij vertrek, overstap of aankomst op een onbemand spoorwegstation van een persoon met beperkte mobiliteit, doen de spoorwegonderneming en de stationsbeheerder elke redelijke inspanning om die bijstand te bieden of te zorgen voor alternatieve voorzieningen of regelingen van gelijkwaardige of nog betere toegankelijkheid, die die persoon in staat stellen zijn reis te volbrengen.
Amendement 46
Artikel 19, lid 2 bis (nieuw)
2 bis. In het geval van een onbemand station zorgen de spoorwegonderneming en de stationsbeheerder ervoor dat ten behoeve van gehandicapte personen of personen met een beperkte mobiliteit de informatie over de dichtstbijzijnde bemande stations en de meest elementaire geboden hulpdiensten direct en gemakkelijk bereikbaar is, zowel binnen als buiten het spoorwegstation.
Amendement 66
Artikel 19, lid 2 ter (nieuw)
2 ter. Voor de toepassing van dit artikel wordt ook een persoon in begeleiding van kleine kinderen aangemerkt als een persoon met beperkte mobiliteit.
Amendement 47
Artikel 20, lid 2
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bijstand aan boord verstaan bijstand die aan een persoon met verminderde mobiliteit wordt verleend om die persoon in staat te stellen toegang tot dezelfde diensten in de trein te hebben als de andere reizigers, indien de mate van de verminderde mobiliteit van de persoon hem belet onafhankelijk en veilig toegang tot die diensten te hebben. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bijstand aan boord verstaan alle redelijke inspanningen die worden geleverd om bijstand te verlenen aan een persoon met verminderde mobiliteit om die persoon in staat te stellen toegang tot dezelfde diensten in de trein te hebben als de andere reizigers. Indien de mate van de verminderde mobiliteit van de persoon hem belet onafhankelijk en veilig toegang tot die diensten te hebben. Wanneer er geen treinpersoneel aan boord is, kunnen de spoorwegondernemingen zorgen voor andere voorzieningen en regelingen die hetzelfde effect hebben.
Amendement 48
Artikel 21, letter d)
-
d)Onverminderd de bevoegdheden van andere entiteiten ten aanzien van gebieden buiten het terrein van het spoorwegstation wijst de stationsbeheerder binnen en buiten het station punten aan waar personen met verminderde mobiliteit hun aankomst op het station kunnen melden en, zo nodig, om bijstand kunnen verzoeken. d) Onverminderd de bevoegdheden van andere entiteiten ten aanzien van gebieden buiten het terrein van het spoorwegstation wijst de eigenaar van het station of diens gemachtigde binnen en buiten het station punten aan waar personen met verminderde mobiliteit hun aankomst op het station kunnen melden en, zo nodig, om bijstand kunnen verzoeken.
Amendement 49
Artikel 21, letter e)
-
e)Er wordt bijstand verleend op voorwaarde dat de persoon zich meldt bij het aangewezen punt: e) Er wordt bijstand verleend op voorwaarde dat de persoon zich meldt bij het aangewezen punt, uiterlijk 30 minuten
vóór:
-
-op een voorafgaandelijk door de spoorwegonderneming meegedeeld tijdstip, uiterlijk 90 minuten voor de bekendgemaakte vertrektijd; of, - de bekendgemaakte vertrektijd; of,
-
-indien geen tijdstip is meegedeeld, uiterlijk 30 minuten voor de bekendgemaakte vertrektijd. - het tijdstip waarop de reizigers worden verzocht aanwezig te zijn.
Amendement 50
Amendement 51
Artikel 24, lid 2
-
2.Reizigers kunnen een klacht indienen bij elke van de betrokken spoorwegonderneming of bij de betrokken verkoper van vervoerbewijzen. De spoorwegonderneming of de verkoper aan wie de klacht is gericht, geeft binnen 20 dagen een gemotiveerd antwoord of deelt, in gerechtvaardigde gevallen, de reiziger mee op welke datum binnen een termijn van minder dan drie maanden vanaf de datum van de klacht uiterlijk een antwoord kan worden verwacht. 2. Reizigers kunnen een klacht indienen bij elke van de betrokken spoorwegonderneming of bij de betrokken verkoper van vervoerbewijzen. De spoorwegonderneming of de verkoper aan wie de klacht is gericht, geeft binnen één maand een gemotiveerd antwoord of deelt, in gerechtvaardigde gevallen, de reiziger mee op welke datum binnen een termijn van minder dan drie maanden vanaf de datum van de klacht uiterlijk een antwoord kan worden verwacht.
Amendement 68
Artikel 24 bis (nieuw)
Artikel 24 bis
Verslag over de dienstkwaliteit
De spoorwegondernemingen publiceren elk jaar samen met hun jaarverslag een verslag over hun dienstkwaliteit. Deze resultaten worden gepubliceerd op de internetwebsite van de spoorwegondernemingen en de website van de bevoegde instanties. Zij worden tevens gepubliceerd op de website van het Europees Spoorwegbureau, waar ze gepresenteerd worden op een toegankelijke manier die een vergelijking van de resultaten van de spoorwegondernemingen mogelijk maakt.
Amendement 54
Artikel 25 bis (nieuw)
Artikel 25 bis
Regres
De spoorwegonderneming heeft het recht om de schadevergoeding die zij aan de reizigers heeft betaald van de infrastructuurbeheerder terug te eisen. Deze aansprakelijkheid van de infrastructuurbeheerder doet geen afbreuk aan de toepassing van de in artikel 11 van Richtlijn 2001/14/EG neergelegde prestatieregeling. De schadevergoeding overeenkomstig hoofdstuk IV van deze verordening staat in verhouding tot de prijs van het treinpad wanneer de prestatieregeling niet in een systeem van schadevergoeding voorziet.
Amendement 55
Hoofdstuk VII, titel
HANDHAVING INFORMATIE EN HANDHAVING
Amendement 56
Artikel 25 ter (nieuw)
Artikel 25 ter
Informatie aan de reizigers over hun
Amendement 57
Artikel 31, lid 2, alinea 1
-
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
Amendement 58
Bijlage I, titel III
VERVOER VAN HANDBAGAGE, DIEREN, BAGAGE EN VOERTUIGEN VERVOER VAN HANDBAGAGE, DIEREN, BAGAGE EN VOERTUIGEN ZOALS KINDERWAGENS, ROLSTOELEN, FIETSEN EN SPORTUITRUSTING
Amendement 59
Bijlage I, artikel 12, lid 1 bis (nieuw)
1 bis. Alle treinen, ook grensoverschrijdende en hogesnelheidstreinen, moeten de reizigers de mogelijkheid bieden om in een daartoe ingerichte ruimte kinderwagens, rolstoelen, fietsen en sportuitrusting mee te nemen.
Amendement 60
Bijlage I, artikel 26, lid 1 bis (nieuw)
1 bis. Zelfs indien de spoorwegmaatschappij haar aansprakelijkheid voor het door een door haar vervoerde reiziger opgelopen lichamelijk letsel betwist, blijft zij de enige gesprekspartner van de reiziger en de enige instantie waarvan de reiziger schadevergoeding kan eisen, onverminderd de regresvordering in verband met aansprakelijkheid die door de spoorwegmaatschappij jegens derden kunnen worden ingesteld.
Amendement 61
Bijlage III
MINIMUMKWALITEITSNORMEN Schrappen
VOOR DIENSTVERLENING
Informatie en vervoerbewijzen Stiptheid van internationale diensten en algemene beginselen om dienstverstoringen aan te pakken Uitvallen van internationale diensten Netheid van rollend materieel en netheid van stationsfaciliteiten (luchtkwaliteit in rijtuigen, hygiëne van sanitaire voorzieningen, enz.) Klantentevredenheidsonderzoek Klachtenbehandeling, terugbetalingen en schadevergoeding wegens niet voldoen aan kwaliteitseisen Bijstand aan personen met verminderde mobiliteit.
| publicatiedatum | 26-01-2007 |
|---|---|
| kenmerk | 5531/07 |
