RAAD VAN Brussel, 10 september 2008 (11.09)
(OR. fr)
DE EUROPESE UNIE PUBLIC
12892/08 ADD 1
LIMITE
Interinstitutioneel dossier:
2008/0171 (COD)
PESC 1107 COHOM 91 CONUN 91 SOC 484
VOORSTEL
van:
de Europese Commissie
d.d.: 29 augustus 2008
Betreft: Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het facultatieve protocol bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap
Hierbij gaat voor de delegaties het voorstel van de Commissie dat bij brief van de heer
Jordi AYET PUIGARNAU, directeur, aan de heer Javier SOLANA, secretaris-generaal/hoge
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
Brussel, 28.8.2008 COM(2008) 530 definitief
2008/0171 (COD)
VOL. II
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het facultatieve protocol bij
het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap
TOELICHTING
INLEIDING
Op 13 december 2006 hechtte de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties haar goedkeuring aan het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het facultatieve protocol bij dit verdrag. De Commissie voerde de onderhandelingen over het verdrag namens de Europese Gemeenschap op basis van de onderhandelingsrichtsnoeren van
de Raad van 24 mei 2004.
Bij het besluit van ... heeft de Raad de Gemeenschap gemachtigd om het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap te sluiten.
Op 3 mei 2008 zijn het verdrag en het facultatieve protocol bij dit verdrag in werking getreden. Aangezien het facultatieve protocol nog niet is ondertekend, moet de toetreding ertoe worden voorgesteld.
RECHTSGRONDSLAG
De artikelen 13 en 26, artikel 47, lid 2, artikel 55, artikel 71, lid 1, artikel 80, lid 2, de artikelen 89, 93, 95 en 285, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, tweede zin, en artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, worden als rechtsgrondslag gekozen.
SUBSIDIARITEITSBEGINSEL
Aangezien het VN-verdrag en het facultatieve protocol bij dit verdrag verschillende bevoegdheidsniveaus betreffen, is het subsidiariteitsbeginsel van toepassing. Aangezien zowel de Gemeenschap als de lidstaten bevoegd zijn, moeten zowel de Gemeenschap als de lidstaten tot het facultatieve protocol toetreden. Het voorstel is derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.
Europees Parlement brengt advies uit binnen een termijn die de Raad naar gelang van de urgentie kan vaststellen.
.
AANVULLENDE INFORMATIE
De voorgestelde maatregel valt niet onder de EER-overeenkomst.
2008/0171 (COD)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het facultatieve protocol bij
het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 13 en 26, artikel 47, lid 2, artikel 55, artikel 71, lid 1, artikel 80, lid 2, de artikelen 89, 93, 95 en 285, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, tweede zin, en artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gezien het voorstel van de Commissie1,
Gezien het advies van het Europees Parlement2,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) In mei 2004 heeft de Raad de Commissie gemachtigd om namens de Europese Gemeenschap te onderhandelen over het Verdrag van de Verenigde Naties ter bevordering en bescherming van de rechten en de waardigheid van personen met een handicap.
(2) Het VN-verdrag is op 30 maart 2007 namens de Gemeenschap ondertekend onder voorbehoud van mogelijke sluiting ervan op een latere datum, overeenkomstig Besluit.../.../EG van de Raad van ....
(8) Zowel de Gemeenschap als haar lidstaten zijn bevoegd op de gebieden waarop het VN-verdrag en het protocol erbij betrekking hebben. De Gemeenschap en de lidstaten moeten bijgevolg de in het facultatieve protocol vastgestelde verplichtingen nakomen en in het geval van een gedeelde bevoegdheid alle rechten die hen zijn verleend op een coherente manier uitoefenen. In het kader van het bij het facultatieve protocol vastgestelde monitoringmechanisme moeten de Gemeenschap en haar lidstaten dan ook overleggen en samenwerken als het Gemeenschapsrecht in het geding is.
(9) Overeenkomstig artikel 12, lid 1, van het protocol moet de Gemeenschap bij de nederlegging van de akte van toetreding ook een verklaring nederleggen waarin wordt gespecificeerd voor welke aangelegenheden waarop het verdrag en het protocol van toepassing zijn de lidstaten de bevoegdheid aan haar hebben overgedragen,
BESLUIT:
Artikel 1
-
1.De toetreding van de Europese Gemeenschap tot het facultatieve protocol bij Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap wordt goedgekeurd.
-
2.De tekst van het protocol is aan dit besluit gehecht. De tekst van de verklaringen is opgenomen in bijlage 2.
Artikel 2
-
1.De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon of personen aan te wijzen die bevoegd is of zijn om overeenkomstig artikel 9 van het protocol de akte van toetreding tot het protocol namens de Europese Gemeenschap bij de secretaris- generaal van de Verenigde Naties neder te leggen.
-
3.Zo nodig kan het comité van dit interne overleg op de hoogte worden gebracht.
Artikel 4
De Raad beslist op basis van een voorstel van de Commissie of hij namens de Gemeenschap bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties een wijziging van het protocol indient overeenkomstig artikel 15, lid 1, van het protocol.
Artikel 5
De Raad beslist op basis van een voorstel van de Commissie of hij het protocol namens de Gemeenschap opzegt door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de secretaris- generaal van de Verenigde Naties, overeenkomstig artikel 16 van het protocol.
Artikel 6
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
BIJLAGE 1
Facultatief protocol bij het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
Artikel 1
-
1.Een staat die partij is bij dit protocol ("staat die partij is") erkent dat het Comité voor de rechten van personen met een handicap ("het comité") bevoegd is voor het in ontvangst nemen en onderzoeken van meldingen van of namens personen of groepen van personen die vallen onder de rechtsmacht van de staat die partij is en die beweren het slachtoffer te zijn van een schending van de bepalingen van het verdrag door deze staat.
-
2.Het comité neemt geen meldingen in ontvangst met betrekking tot een staat die partij is bij het verdrag, maar niet bij dit protocol.
Artikel 2
Het comité beschouwt een melding als onontvankelijk:
-
a)wanneer zij anoniem is;
-
b)wanneer zij misbruik inhoudt van het recht om dergelijke meldingen te doen of onverenigbaar is met de bepalingen van het verdrag;
-
c)wanneer dezelfde aangelegenheid reeds door het comité werd onderzocht, dan wel in het kader van een andere internationale onderzoeks- of beslechtingsprocedure werd of wordt onderzocht;
-
d)wanneer niet alle beschikbare nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput. Uitzonderingen op deze regel zijn mogelijk wanneer de toepassing van de rechtsmiddelen onredelijk lang op zich laat wachten of waarschijnlijk geen effectief regres zal opleveren;
nodige voorlopige maatregelen te treffen teneinde mogelijk onherstelbare schade voor het/de slachtoffer(s) van de beweerde schending te voorkomen.
-
2.Wanneer het comité gebruik maakt van zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 1, houdt dat niet in dat de melding als ontvankelijk of gegrond wordt beschouwd.
Artikel 5
Het comité onderzoekt de meldingen krachtens dit protocol achter gesloten deuren. Na onderzoek van een melding zendt het comité zijn eventuele suggesties en aanbevelingen toe aan de betrokken staat die partij is, evenals aan de melder.
Artikel 6
-
1.Indien het comité betrouwbare informatie ontvangt dat een staat die partij is de in het verdrag genoemde rechten op ernstige of systematische wijze schendt, verzoekt het comité die staat die partij is om aan het onderzoek van de informatie mee te werken en te dien einde zijn opmerkingen met betrekking tot die informatie in te dienen.
-
2.Het comité kan op grond van de eventueel geformuleerde opmerkingen van de betrokken staat die partij is, evenals van enige andere betrouwbare informatie waarover het beschikt, een of meer van zijn leden aanwijzen om een onderzoek te voeren en zo spoedig mogelijk verslag uit te brengen aan het comité. Wanneer zulks gerechtvaardigd is, kan het onderzoek met instemming van de staat die partij is bezoeken op diens grondgebied omvatten.
-
3.Na de bevindingen van een dergelijk onderzoek te hebben onderzocht, deelt het comité die bevindingen aan de betrokken staat die partij is mee, samen met eventuele opmerkingen en aanbevelingen.
-
4.Na ontvangst van de bevindingen en van de opmerkingen en aanbevelingen van het comité dient de betrokken staat die partij is zijn opmerkingen binnen een termijn van zes maanden bij het comité in.
Artikel 9
De secretaris-generaal van de Verenigde Naties is depositaris van dit protocol.
Artikel 10
Dit protocol staat vanaf 30 maart 2007 op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York open voor ondertekening door alle staten en organisaties voor regionale integratie die het verdrag hebben ondertekend.
Artikel 11
Dit protocol wordt ter bekrachtiging voorgelegd aan de staten die het hebben ondertekend en die het verdrag hebben bekrachtigd of ertoe zijn toegetreden. Het dient formeel te worden bevestigd door de organisaties voor regionale integratie die dit protocol hebben ondertekend en het verdrag formeel hebben bevestigd of ertoe zijn toegetreden. Het staat open voor toetreding door elke staat of organisatie voor regionale integratie die het verdrag heeft bekrachtigd, formeel heeft bevestigd of ertoe is toegetreden, maar die het protocol niet heeft ondertekend.
Artikel 12
-
1.Een "organisatie voor regionale integratie" is een organisatie die is opgericht door soevereine staten van een bepaalde regio waaraan haar lidstaten de bevoegdheid hebben overgedragen ter zake van aangelegenheden waarop het verdrag en dit protocol van toepassing zijn. Dergelijke organisaties leggen in hun akten van formele bevestiging of toetreding vast in welke mate zij bevoegd zijn ter zake van aangelegenheden waarop het verdrag en dit protocol van toepassing zijn.
Deze organisaties doen de depositaris tevens mededeling van iedere relevante verandering in de reikwijdte van hun bevoegdheden.
Artikel 14
-
1.Voorbehouden die onverenigbaar zijn met het onderwerp en het doel van dit protocol zijn niet toegestaan.
-
2.Voorbehouden kunnen te allen tijde worden ingetrokken.
Artikel 15
-
1.Elke staat die partij is kan een wijziging van dit protocol voorstellen en indienen bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. De secretaris-generaal deelt voorgestelde wijzigingen mede aan de staten die partij zijn met het verzoek hem te berichten of zij een vergadering van de staten die partij zijn verlangen, teneinde de voorstellen te bestuderen en daarover te beslissen. Indien, binnen vier maanden na de datum van deze mededeling, ten minste een derde van de staten die partij zijn een dergelijke vergadering verlangt, roept de secretaris-generaal de vergadering onder auspiciën van de Verenigde Naties bijeen. Wijzigingen die worden aangenomen door een meerderheid van twee derde van de aanwezige staten die partij zijn en hun stem uitbrengen, worden door de secretaris-generaal voorgelegd aan de Algemene Vergadering en vervolgens ter aanvaarding aan alle staten die partij zijn.
-
2.Een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel aangenomen en goedgekeurde wijziging, treedt in werking dertig dagen nadat het aantal neergelegde akten van aanvaarding twee derde bedraagt van het aantal staten die partij waren op de datum waarop de wijziging aangenomen werd. De wijziging treedt vervolgens voor elke staat die partij is in werking dertig dagen na de datum waarop deze zijn instrument van aanvaarding heeft nedergelegd. Een wijziging is uitsluitend bindend voor de staten die partij zijn die haar aanvaard hebben.
Artikel 16
Een staat die partij is kan dit protocol opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de secretaris-generaal.
BIJLAGE 2
-
1.Verklaring van de Europese Gemeenschap overeenkomstig artikel 12, lid 1, van het
facultatieve protocol bij het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
De huidige leden van de Europese Gemeenschap zijn het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië
en Noord-Ierland.
Deze verklaring bevat de bevoegdheden die de lidstaten bij het protocol tot oprichting van de Europese Gemeenschap aan de Gemeenschap hebben overgedragen op de gebieden waarop het verdrag betrekking heeft.
De Gemeenschap beschikt over gedeelde bevoegdheid op het gebied van de bestrijding van discriminatie op grond van handicap (artikel 13), het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal (artikel 26, de artikelen 45-48 en artikel 55), landbouw (de artikelen 36 en 37), vervoer per spoor, vervoer over de weg, zeevaart en luchtvaart (de artikelen 71 en 80), steunmaatregelen van de staten (de artikelen 87 en 88), indirecte belastingen (artikel 93), interne markt (artikel 95), gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers (artikel 141), en statistieken (artikel 285). Overeenkomstig artikel 125 streven de lidstaten en de Gemeenschap naar de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid. Overeenkomstig artikel 149 draagt de Gemeenschap bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen. Overeenkomstig artikel 150 legt de Gemeenschap inzake beroepsopleiding een beleid ten uitvoer waardoor de activiteiten van de lidstaten worden versterkt en aangevuld. Overeenkomstig artikel 158 ontwikkelt en vervolgt de Gemeenschap haar optreden gericht op de versterking van de economische en sociale samenhang teneinde de harmonische ontwikkeling van de Gemeenschap in haar geheel te bevorderen.
Richtlijn 2001/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/ EEG en van Richtlijn 97/27/EG (PB L 125 van 13.2.2002, blz. 1)
Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PB L 237 van 24.8.1991, blz. 1-24)
Richtlijn 96/48/EG betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hoge- snelheidsspoorwegsysteem
(PB L 235 van 17.9.1996, blz. 6-24), gewijzigd bij
Richtlijn 2004/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 114-163)
Richtlijn 2001/16/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (PB L 110 van 20.4.2001, blz. 1-27), gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 114-163)
Richtlijn 2003/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 houdende wijziging van Richtlijn 98/18/EG van de Raad inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PB L 123 van 17.5.2003, blz. 18 21)
Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG)
nr. 3820/85 van de Raad en Richtlijn 91/349/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 76/914/EEG van de Raad (PB L 226 van 10.9.2003, blz. 4-17)
Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelke regels inzake compensatie en bstand aan luchtreizigers b instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (Voor de EER relevante tekst) (PB L 46 van 17.2.2004, blz. 1 8)
Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (Voor de EER relevante tekst) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1)
Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 14 41)
Verordening (EG) nr. 8/2008 van de Commissie van 11 december 2007 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad ten aanzien van gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures van toepassing op commercieel vervoer per vliegtuig (Voor de EER relevante tekst) (PB L 10 van 12.1.2008, blz. 1 206)
Beschikking 2008/164/EG van de Commissie van 21 december 2007 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit "personen met beperkte mobiliteit" voor het conventionele
trans-Europese spoorwegsysteem en het trans-Europees
hogesnelheidsspoorwegsysteem (PB L 64 van 7.3.2008, blz. 72 205)
Richtlijn 95/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende liften (PB L 312 van 7.9.1995, blz. 1)
Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 34)
Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en - diensten (Kaderrichtlijn) (PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33)
Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele
(Voor de EER relevante tekst) (PB L 165 van 3.7.2003, blz.1) en gerelateerde uitvoeringsverordeningen
Verordening (EG) nr. 458/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 25 april 2007 betreffende het Europees systeem van geďntegreerde statistieken voor de sociale bescherming (Essobs) (Voor de EER relevante tekst) (PB L 113 van 30.4.2007, blz. 3)
Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PB L 105 van 23.4.1983, blz. 1)
Richtlijn 83/181/EEG van de Raad van 28 maart 1983 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d) van Richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoerde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen (PB L 105 van 23.4.1983)
Beschikking 2006/774/EG van de Raad van 7 november 2006 waarbij bepaalde lidstaten worden gemachtigd om overeenkomstig de bij artikel 28, lid 6, van Richtlijn 77/388/EEG vastgestelde procedure een verlaagd btw-tarief toe te passen op bepaalde arbeidsintensieve diensten (PB L 314 van 15.11.2006, blz. 28 32)
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1)
Richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (PB L 225 van 12.8.1986, blz. 40)
Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23)
Beschikking 2006/544/EG van de Raad van 18 juli 2006 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB L 215 van 5.8.2006, blz. 26)
Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1)
Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114)
Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad ("richtlijn oneerlijke handelspraktijken")
(PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22)
Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25)
Besluit nr. 1720/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 tot vaststelling van een actieprogramma op het gebied van een leven lang leren (PB L 327 van 24.11.2006, blz. 45)
Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1)
Verordening (EG, Euratom) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1)
De reikwijdte en de uitoefening van de communautaire bevoegdheden ontwikkelen zich voortdurend en de Gemeenschap zal deze verklaring indien nodig dan ook aanvullen of wijzigen overeenkomstig artikel 12,1, lid 1, van het protocol.
| publicatiedatum | 10-09-2008 |
|---|---|
| kenmerk | 12892/08 ADD 1 |
