RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te bewaken en te verminderen, tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EG - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

EUROPESE UNIE

HET EUROPEES PARLEMENT DE RAAD

-

Brussel, 26 maart 2009

(OR. en)

2007/0019 (COD) PE-CONS 3740/08

ENV 1045 ENT 337 ENER 483 TRANS 498 CODEC 1909

WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN

Betreft:

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te bewaken en te verminderen, tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EG

RICHTLIJN 2009/.../EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van

tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG

met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie

en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te bewaken

en te verminderen, tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad

met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen

en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid artikel 95 en

artikel 175, lid 1, met betrekking tot artikel 1, punt 5 en artikel 2 van deze richtlijn,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gelet op het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité1,

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Bij Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998

betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof 1 zijn om volksgezondheids- en

milieuredenen minimumspecificaties vastgesteld voor benzine en dieselbrandstof voor

gebruik in het wegvervoer en in niet voor de weg bestemde mobiele machines.

(2) Een van de doelstellingen neergelegd in het zesde milieuactieplan van de Europese

Gemeenschap, dat is opgesteld bij Besluit Nr. 1600/2002/EG van 22 juli 20022, is het

bereiken van luchtkwaliteitsniveaus die geen significante negatieve effecten en risico's

voor de volksgezondheid en het milieu tot gevolg hebben. In haar aan Richtlijn

2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de

luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa3 gehechte verklaring, erkende de Commissie

dat er alleen wezenlijke vooruitgang kan worden geboekt met de doelstellingen van het

zesde milieuactieprogramma als de emissie van schadelijke luchtverontreinigende stoffen

wordt verminderd, en kondigde zij met name nieuwe wetgevingsvoorstellen aan met het

oog op een verdere vermindering van de in de lidstaten toegelaten emissies van de belang-

rijkste verontreinigende stoffen, de emissies die samenhangen met het tanken van benzine-

voertuigen bij tankstations, alsmede de aanpak van het zwavelgehalte van brandstoffen,

waaronder scheepsbrandstof.

(3) In het kader van het Kyoto-protocol heeft de Gemeenschap zich verbonden tot streefcijfers

inzake de emissie van broeikasgassen voor de periode 2008-2012. De Gemeenschap heeft

zich ook verplicht tot een vermindering van de broeikasgasemissies met 30% uiterlijk

in 2020 in het kader van een mondiaal akkoord, en tot een unilaterale vermindering met

20%. Alle sectoren zullen een bijdrage moeten leveren om deze doelstellingen te

verwezenlijken.

(4) Eén aspect van de broeikasgasemissies door de vervoersector is aangepakt via het

Europees beleid inzake de CO

2-emissies van auto's. De verbranding van brandstoffen in

het vervoer draagt aanzienlijk bij tot de totale emissie van broeikasgassen door de

Gemeenschap. Monitoring en vermindering van de broeikasgasemissies gedurende de

levenscyclus van bedoelde brandstoffen kan ertoe bijdragen dat de Gemeenschap haar

doelstellingen voor broeikasgasemissiereductie haalt door transportbrandstoffen meer

koolstofvrij te maken.

(5) De Gemeenschap heeft regelgeving aangenomen om de emissies van verontreinigende

stoffen door zware en lichte vrachtwagens te beperken. Specificatie van de gebruikte

brandstoffen is een factor die het gemak beïnvloedt waarmee aan dergelijke emissiegrens-

waarden kan worden voldaan.

(6) Een afwijking van de maximale benzinedampspanning in de zomer moet worden beperkt

tot lidstaten die in de zomerperiode lage omgevingstemperaturen hebben. Derhalve moet

worden aangegeven in welke lidstaten een afwijking wordt toegestaan. Dit zijn in beginsel

(7) Bij Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997

betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maat-

regelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige

verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele

machines1 zijn emissiegrenswaarden vastgesteld voor motoren van niet voor de weg

bestemde mobiele machines. Er moet brandstof worden geleverd die een goede

functionering van bedoelde motoren mogelijk maakt.

(8) De verbranding van brandstoffen voor het wegvervoer is verantwoordelijk voor ongeveer

20% van de emissie van broeikasgassen in de Gemeenschap. Eén van de methoden om

deze broeikasgasemissies terug te dringen, is bedoelde emissies te verminderen gedurende

de levenscyclus van deze brandstoffen. Dit kan op diverse manieren gebeuren. Gezien het

streven van de Gemeenschap naar een verdere verlaging van de emissie van broeikas-

gassen en het grote aandeel dat het wegvervoer heeft in deze emissies, is het passend een

mechanisme vast te stellen waarbij van brandstofleveranciers wordt geëist dat zij

rapporteren over de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de door hen

geleverde brandstoffen en dat zij deze emissies vanaf 2011 verminderen. De methode voor

de berekening van de broeikasgasemissies van biobrandstoffen gedurende de levenscyclus

dient gelijk te zijn aan die welke wordt vastgesteld voor de doeleinden van de berekening

van het effect van biobrandstoffen in het kader van Richtlijn 2009/.../EG van het Europees

Parlement en de Raad van .... ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare

bronnen+2.

(9) De leveranciers dienen de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid

energie van geleverde brandstof en energie voor 31 december 2020 stapsgewijs met

maximaal 10% te verminderen. Deze vermindering moet uiterlijk op 31 december 2020 ten

minste 6% bedragen ten opzichte van het in 2010 gerapporteerde gemiddelde EU-niveau

van emissies van broeikasgassen per eenheid energie uit fossiele brandstoffen gedurende

de levenscyclus van die brandstoffen, door middel van het gebruik van biobrandstoffen,

alternatieve brandstoffen en de vermindering van het affakkelen en ontluchten in olie-

productie-installaties. Door middel van een herziening moet er een verdere vermindering

met 2% worden bereikt door gebruikmaking van milieuvriendelijke technologieën voor

koolstofvastlegging en opslag en van elektrische voertuigen, en nog eens 2% via de

aankoop van kredieten in het kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling in het

kader van het Kyoto-protocol. Deze aanvullende verminderingen moeten bij de

inwerkingtreding van deze richtlijn niet bindend zijn voor lidstaten of brandstof-

leveranciers. Bij de herziening moet het niet-bindende karakter aan de orde worden

gesteld.

(10) Biobrandstoffen moeten op duurzame wijze worden geproduceerd. Biobrandstoffen die

worden gebruikt om de broeikasreductiedoelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken,

dienen derhalve te beantwoorden aan duurzaamheidscriteria. Om de samenhang tussen

energie- en milieubeleid te verzekeren en te vermijden dat een onsamenhangende aanpak

tot extra kosten voor het bedrijfsleven en tot incoherentie van de milieumaatregelen zou

leiden, is het van essentieel belang dat de duurzaamheidscriteria voor het gebruik van

(11) De toename van de wereldwijde vraag naar biobrandstoffen en de bij deze richtlijn

vastgestelde stimulansen voor het gebruik ervan mogen niet leiden tot de vernietiging van

gebieden met grote biodiversiteit. Deze beperkte reserves, die in diverse internationale

instrumenten als waardevol voor de gehele mensheid zijn erkend, moeten worden

beschermd. Gebruikers in de Gemeenschap zouden het bovendien moreel onaanvaardbaar

vinden als de toename van hun gebruik van biobrandstoffen zou leiden tot de vernietiging

van gebieden met grote biodiversiteit. Het is dan ook noodzakelijk duurzaamheidscriteria

vast te stellen om te garanderen dat biobrandstoffen voor stimuleringsmaatregelen alleen in

aanmerking kunnen komen wanneer kan worden gewaarborgd dat zij niet afkomstig zijn

van gebieden met grote biodiversiteit of wanneer de bevoegde autoriteiten ten aanzien van

voor natuurbescherming of voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde

ecosystemen of soorten aangewezen gebieden, geldig bewijs verstrekken dat het

verbouwen van de grondstoffen niet in strijd is met deze doelstellingen. Volgens de

gekozen duurzaamheidscriteria hebben bossen een grote biodiversiteit als het gaat om

oerbossen, volgens de definitie die gebruikt wordt door de Voedsel- en

Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in haar raming van het wereld-

bosbestand (Global Forest Resource Assessment), die wereldwijd door landen wordt

gehanteerd om de omvang van hun oerbos weer te geven of om bossen die door de

nationale natuurbeschermingswetgeving. Tevens vallen hieronder gebieden waar andere

bosproducten dan hout worden verzameld, mits de gevolgen van het menselijk ingrijpen

gering blijven. Andere bostypes in de zin van de definitie van de FAO, zoals gewijzigde

natuurlijke bossen, semi-natuurlijke bossen en plantages dienen niet als oerbossen te

omschakeling. Ook moeten zij gebruik kunnen maken van standaardwaarden. De werk-

zaamheden van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering bieden een

passende basis voor deze standaardwaarden. Deze werkzaamheden worden thans niet in

een vorm gegoten die de economische operatoren zonder meer kunnen gebruiken. Daarom

zou de Commissie richtsnoeren ter zake moeten opstellen die als uitgangspunt kunnen

dienen voor de berekening van de wijzigingen van koolstofvoorraden voor de doeleinden

van deze richtlijn, ook met betrekking tot deze wijzigingen voor beboste gebieden met een

bedekkingsgraad van 10 tot 30%, savannes, met struikgewas bedekte gronden en prairies.

(13) De Commissie dient methodes te ontwikkelen voor de beoordeling van het effect van het

droogleggen van veengebieden voor de broeikasgasemissies.

(14) Land mag niet worden gebruikt voor de productie van biobrandstoffen indien het verlies

van de koolstofvoorraden ervan door de omschakeling binnen een redelijke termijn,

rekening houdend met de hoogdringendheid van de klimaatverandering, niet kan worden

gecompenseerd door de broeikasgasvermindering resulterend uit de productie van bio-

brandstoffen. Dit zou onnodig moeizaam onderzoek door economische operatoren

vermijden en de omschakeling van land met grote koolstofvoorraden, die niet geschikt was

voor de productie van grondstoffen voor biobrandstoffen. De inventarisering van de

wereldwijde koolstofvoorraden toont aan dat waterrijke en permanent beboste gebieden

met een bedekkingsgraad van meer dan 30% in deze categorie moeten worden opgenomen.

Beboste gebieden met een bedekkingsgraad tussen 10 en 30% moeten eveneens worden

opgenomen, tenzij wordt aangetoond dat hun koolstofvoorraden laag genoeg zijn om hun

(15) De in deze richtlijn opgenomen stimulansen zullen de productie van biobrandstoffen

wereldwijd doen toenemen. Wanneer biobrandstoffen op basis van grondstoffen zijn

gemaakt, die in de Gemeenschap werden geproduceerd, moeten zij ook beantwoorden aan

de communautaire milieuvoorschriften voor de landbouw, met inbegrip van voorschriften

betreffende de bescherming van de kwaliteit van het grond- en het oppervlaktewater en

met sociale voorschriften. In dit verband bestaat er evenwel bezorgdheid dat in bepaalde

derde landen bij de productie van biobrandstof de minimumeisen op milieu- en sociaal

gebied niet in acht worden genomen. Derhalve dienen er stimulansen te worden gegeven

aan de ontwikkeling van multilaterale en bilaterale overeenkomsten en vrijwillige inter-

nationale of nationale regelingen die de voornaamste internationale milieuaspecten en

sociale aspecten bestrijken, zulks teneinde wereldwijd de duurzame productie van bio-

brandstof te bevorderen. Bij gebrek aan dergelijke overeenkomsten of regelingen zullen de

lidstaten de economische operatoren verzoeken over deze zaken verslag uit te brengen.

(16) De duurzaamheidscriteria zullen alleen effect hebben als ze een wijziging van het gedrag

van de marktdeelnemers tot gevolg hebben. Deze wijzigingen zullen pas plaatsvinden als

biobrandstoffen die aan die criteria beantwoorden een prijsvoordeel bieden ten opzichte

van die welke niet aan deze criteria voldoen. Volgens de massabalansmethode voor het

verifiëren van de naleving bestaat er een fysiek verband tussen de productie van biobrand-

stoffen die aan de duurzaamheidscriteria beantwoorden en het verbruik van biobrand-

stoffen in de Gemeenschap, waardoor een correct evenwicht ontstaat tussen vraag en aan-

bod en het prijsvoordeel groter is dan in systemen zonder dit verband. Om te garanderen

dat biobrandstoffen die aan de duurzaamheidscriteria voldoen tegen een hogere prijs

kunnen worden verkocht, dient de massabalansmethode te worden gebruikt om de naleving

ervan te controleren. Hierbij blijft de integriteit van het systeem behouden en worden

onredelijke lasten voor het bedrijfsleven vermeden. Naar andere controlesystemen moet

echter nader onderzoek plaatsvinden.

(17) Waar nodig houdt de Commissie naar behoren rekening met de millennium- ecosysteem-

evaluatie (Millennium Ecosystem Assessment), die nuttige gegevens bevat voor de

instandhouding van minimum de gebieden die in kritieke situaties een basisfunctie voor het

ecosysteem vervullen, zoals bescherming van stroomgebieden of erosiecontrole.

(18) Bij de berekening van broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van brand-

stoffen, moet ook rekening worden gehouden met afgeleide producten. De substitutie-

methode is geschikt voor het analyseren van het beleid. Zij is dat evenwel niet voor regel-

gevende doeleinden met betrekking tot individuele exploitanten en individuele leveringen

van vervoersbrandstoffen. In dit laatste geval is de energietoewijzings-methode het meest

geschikte instrument omdat die gemakkelijk toepasbaar en voorspelbaar is, contra-

productieve stimulansen tot een minimum beperkt en resultaten oplevert die in het

algemeen vergelijkbaar zijn met de resultaten van de substitutiemethode. Ten behoeve van

beleidsanalyses moet de Commissie in haar verslagen ook de resultaten van de substitutie-

methode opnemen.

(19) Om disproportionele administratieve lasten te vermijden, moet een lijst standaardwaarden

voor gebruikelijke productietrajecten voor de productie van biobrandstoffen worden

vastgesteld, die, steeds wanneer nieuwe betrouwbare gegevens beschikbaar komen,

geactualiseerd en uitgebreid wordt. Er wordt van uitgegaan dat exploitanten altijd het in die

lijst vermelde niveau van broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen kunnen eisen.

Als de standaardwaarde voor broeikasgasemissiereductie van een productietraject onder de

vereiste minimumreductie blijft, moeten producenten die wensen te bewijzen dat ze toch

aan dit minimumniveau voldoen, aantonen dat de feitelijke emissies van hun productie-

processen lager zijn dan die waarvan is uitgegaan bij de berekening van de standaard-

waarden.

(20) Het is dienstig dat de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van de standaard-

waarden, afkomstig zijn uit onafhankelijke wetenschappelijke bronnen en in voorkomend

geval worden geactualiseerd naarmate hun werk vordert. De Commissie zou deze bronnen

moeten aanmoedigen om zich ook bezig te houden met: de bij de teelt vrijkomende

emissies; het effect van regionale en klimatologische omstandigheden; het effect van de

teelt waarbij gebruik wordt gemaakt van duurzame en organische landbouwmethoden; en

de wetenschappelijke bijdragen van producenten in de Gemeenschap en in derde landen en

van het maatschappelijk middenveld.

(21) Om te vermijden dat het verbouwen van grondstoffen voor biobrandstoffen wordt

aangemoedigd op plaatsen waar dit tot hogere broeikasgasemissies zou leiden, moet het

gebruik van standaardwaarden voor het verbouwen van dergelijke grondstoffen worden

beperkt tot gebieden waar een dergelijk effect met zekerheid kan worden uitgesloten. Om

echter disproportionele administratieve lasten te vermijden, is het passend dat de lidstaten

nationale of regionale gemiddelden vaststellen voor de emissie van deze gewassen, en voor

de emissies van kunstmest.

(22) De wereldwijde vraag naar landbouwgrondstoffen stijgt. Het antwoord op deze stijgende

vraag ligt ten dele in een toename van het landbouwareaal. Het herstel van gronden die

ernstig zijn aangetast of vervuild en bijgevolg in hun huidige toestand niet voor landbouw-

doeleinden kunnen worden gebruikt, is een van de middelen om het landbouwareaal te

vergroten. De duurzaamheidsregeling moet het gebruik van hersteld aangetast land

de uitstoot van broeikasgas als gevolg van indirecte veranderingen in het landgebruik

zoveel mogelijk te beperken. Daarbij moet zij, op basis van de beste beschikbare weten-

schappelijke bewijzen, in het bijzonder analyseren welke factor voor indirecte

veranderingen in het landgebruik bij de berekening van broeikasgasemissies kan worden

gebruikt, hoe duurzame brandstoffen kunnen worden gestimuleerd op een wijze die de

gevolgen van veranderd landgebruik minimaliseert en hoe de duurzaamheid van biobrand-

stof kan worden vergroot in relatie tot indirecte veranderingen in het landgebruik. Bij het

ontwikkelen van deze methode dient de Commissie onder meer aandacht te besteden aan

het potentiële indirecte effecten op het landgebruik van biobrandstoffen op basis van non-

food cellulosemateriaal en lignocellulosisch materiaal.

(23) De maatregelen van de artikelen 7 ter tot en met 7 quinquies van Richtlijn 98/70/EG

bevorderen tevens de werking van de interne markt, omdat zij de duurzaamheidsvereisten

waaraan biobrandstoffen met het oog op de te halen streefcijfers moeten voldoen,

harmoniseren. Derhalve vergemakkelijken zij, overeenkomstig artikel 7 ter, lid 8 van die

richtlijn, de handel tussen de lidstaten in biobrandstoffen die aan deze voorwaarden

voldoen. Bijgevolg zijn zij gebaseerd op artikel 95 van het Verdrag.

(24) De gestage technische vooruitgang op het gebied van de auto- en brandstoftechnologieën,

gepaard aan het permanente streven om een zo hoog mogelijk niveau van bescherming van

milieu en volksgezondheid te waarborgen, maken een geregelde herziening van de brand-

stofspecificaties noodzakelijk op basis van verdere studies over en analyse van de effecten

van additieven en biobrandstofcomponenten op verontreinigende emissies. Over de

mogelijkheden om transportbrandstoffen meer koolstofvrij te maken, moet daarom regel-

matig worden gerapporteerd.

(25) Het gebruik van detergenten kan bijdragen tot het behoud van schone motoren en zo tot de

vermindering van verontreinigende emissies. Momenteel is er geen bevredigende manier

om brandstofmonsters te testen op hun reinigende eigenschappen. De verantwoordelijkheid

voor het informeren van de klant over de voordelen van detergenten en het gebruik daarvan

berust dus bij de leveranciers van brandstoffen en motorvoertuigen. De Commissie dient

evenwel na te gaan of verdere ontwikkelingen een betere aanpak mogelijk zouden maken

om het gebruik en de voordelen van detergenten te optimaliseren.

(26) De bepalingen betreffende het bijmengen van ethanol in benzine moeten worden

geëvalueerd op basis van de ervaring met de toepassing van Richtlijn 98/70/EG. De

evaluatie dient met name de grenswaarden te onderzoeken voor de dampspanning en

eventuele alternatieven om te waarborgen dat de dampspanning van ethanolmengsels

beneden aanvaardbare grenzen blijft.

(27) Het bijmengen van ethanol in benzine verhoogt de dampspanning van de resulterende

(28) Het bijmengen van ethanol in benzine veroorzaakt een niet-lineaire verandering van de

dampspanning van het resulterende brandstofmengsel. Er dient te worden voorzien in de

mogelijkheid om voor dergelijke mengsels een afwijking van de maximale dampspanning

in de zomerperiode toe te staan, na een passende beoordeling door de Commissie.

Afwijkingen moeten verenigbaar zijn met de Gemeenschapswetgeving inzake lucht-

kwaliteit en luchtverontreiniging. Afwijkingen dienen betrekking te hebben op de feitelijke

toename van de dampspanning ten gevolge van de toevoeging van een bepaald percentage

ethanol aan benzine.

(29) Teneinde het gebruik van brandstoffen met een laag koolstofgehalte te bevorderen met

inachtneming van de doelstellingen inzake de bestrijding van luchtverontreiniging, moeten

olieraffinaderijen indien mogelijk, de vereiste hoeveelheden benzine met lage damp-

spanning beschikbaar stellen. Aangezien dit nu niet het geval is, dient de dampspannings-

grenswaarde voor benzine-ethanolmengsels onder bepaalde voorwaarden opgetrokken

teneinde de ontwikkeling van de markt voor biobrandstoffen mogelijk te maken.

(30) De garantievoorwaarden voor sommige oudere voertuigen sluiten het gebruik van benzine

met een hoog biobrandstofgehalte uit. Deze voertuigen kunnen van een lidstaat naar een

andere lidstaat reizen. Daarom dient gedurende een overgangsperiode te worden gezorgd

voor voortgezette levering van voor deze oudere voertuigen geschikte benzine. De lidstaten

dienen in overleg met de belanghebbenden te zorgen voor een passende geografische

dekking die de vraag naar zulke benzine weerspiegelt. De aanduiding van benzine,

(31) Bijlage IV bij Richtlijn 98/70/EG moet worden aangepast ten einde het in de handel

brengen van dieselbrandstoffen met een hoger biobrandstofgehalte ("B7") dan dat van de

norm EN 590:2004 ("B5") mogelijk te maken. Deze norm moet dienovereenkomstig

worden aangepast en grenswaarden vaststellen voor niet in die bijlage opgenomen

technische parameters, zoals oxidatiebestendigheid, vlampunt, koolstofresidu, asgehalte,

watergehalte, totale verontreiniging, koperstripcorrosie, smeercapaciteit, kinematische

viscositeit, troebelingspunt, temperatuurgrens voor de filtreerbaarheid, fosforgehalte,

zuurgetal, peroxiden, zuurgetalvariatie, verstopping van de injecteurs en

stabiliteitsadditieven.

(32) Om het daadwerkelijk in de handel brengen van biobrandstoffen te vergemakkelijken,

moet het CEN worden aangemoedigd met spoed te blijven werken aan een norm die het

mengen van grotere hoeveelheden biobrandstofcomponenten in dieselbrandstof toestaat, en

met name een norm uit te werken voor "B10".

(33) Om technische redenen moet er een grenswaarde voor het methylvetzuurgehalte (FAME)

van dieselbrandstof worden vastgesteld. Een dergelijke grenswaarde is echter niet vereist

voor andere biobrandstofcomponenten, zoals dieselachtige koolwaterstoffen die via het

Fischer Tropschproces worden verkregen uit biomassa, of waterstofbehandelde

plantaardige olie.

(34) De lidstaten en de Commissie moeten de nodige maatregelen nemen om het in de handel

brengen van gasolie met een zwavelgehalte van 10 mg/kg vóór 1 januari 2011 te

(35) Het gebruik van specifieke metaalhoudende additieven, en in het bijzonder

methylcyclopentadieen-mangaan-tricarbonyl (MMT), kan het gevaar voor schade aan de

volksgezondheid verhogen en schade aan motoren en emissiebeperkingssystemen van

voertuigen veroorzaken. Vele voertuigfabrikanten adviseren geen brandstoffen met

metaalhoudende additieven te gebruiken; wanneer zulke brandstoffen wel worden gebruikt,

kan dat de garantie op het voertuig doen vervallen. Daarom moeten de gevolgen van het

gebruik van MMT in brandstof in overleg met alle betrokken partijen voortdurend in het

oog worden gehouden. In afwachting van nadere studie dienen er stappen te worden

ondernomen om de ernst van eventueel veroorzaakte schade te beperken. Er moet derhalve

een bovengrenswaarde worden vastgesteld voor het gebruik van MMT in brandstof, op

basis van de momenteel beschikbare wetenschappelijke kennis. Deze grenswaarde kan

alleen worden opgetrokken indien kan worden aangetoond dat hogere doseringen geen

schadelijke effecten hebben. Om te vermijden dat consumenten zonder het te weten de

garantie op hun voertuig verspelen, is het tevens noodzakelijk etikettering voor alle brand-

stoffen die metaalhoudende additieven bevatten, voor te schrijven.

(36) Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven"1 worden de

lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen

tabellen op te stellen, die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn

en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

(37) De voor de uitvoering van Richtlijn 98/70/EG vereiste maatregelen moeten worden

(38) In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven uitvoerings-

maatregelen vast te stellen met betrekking tot het mechanisme voor de bewaking en

vermindering van broeikasgasemissies, de methodes en waarden aan te passen die nodig

zijn voor de beoordeling van de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrand-

stoffen, de criteria en geografische grenzen voor graslanden met grote biodiversiteit vast te

stellen, de grenswaarden voor het MMT-gehalte van brandstof te herzien en de methode

voor de berekening van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, de toegestane

meetmethodes met betrekking tot brandstofspecificaties en de toegestane afwijking voor de

dampspanning van benzine waarin ethanol is bijgemengd, aan te passen aan de technische

en wetenschappelijke vooruitgang. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft

tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn door de methodologische

beginselen en waarden aan te passen, moeten ze worden vastgesteld volgens de in artikel 5

bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing .

(39) Richtlijn 98/70/EG bevat bepaalde brandstofspecificaties waarvan een aantal nu overbodig

is geworden. Bovendien werden in de richtlijn diverse afwijkingen opgenomen die nu niet

meer gelden. Om redenen van duidelijkheid moeten deze bepalingen derhalve worden

geschrapt.

(40) Bij Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van

het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen1 worden bepaalde aspecten

vastgesteld van het brandstofgebruik bij het vervoer over de binnenwateren. Het raakvlak

(41) Voor binnenschepen is nieuwe, schonere motortechnologie ontwikkeld. Deze motoren

kunnen alleen lopen op brandstof met een zeer laag zwavelgehalte. Het zwavelgehalte van

brandstof voor binnenschepen moet zo spoedig mogelijk worden verlaagd.

(42) Richtlijn 98/70/EG en Richtlijn 1999/32/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden

gewijzigd.

(43) Richtlijn 93/12/EEG van de Raad van 23 maart 1993 betreffende het zwavelgehalte van

bepaalde vloeibare brandstoffen1 is in de loop van de tijd aanzienlijk gewijzigd en bevat

als gevolg daarvan geen inhoudelijke elementen meer. Dientengevolge moet die richtlijn

worden ingetrokken.

(44) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de totstandbrenging van een

interne markt voor brandstoffen voor het wegvervoer en niet voor de weg bestemde

mobiele machines en waarborging van minimumniveaus van milieubescherming bij het

gebruik van deze brandstoffen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden

verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, door

een interne markt voor deze brandstoffen te waarborgen en het ontstaan van een interne

markt voor de voertuigen en machines die deze brandstoffen gebruiken, te

vergemakkelijken, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag

neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde

artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om

deze doelstellingen te verwezenlijken,

Artikel 1

Wijzigingen in Richtlijn 98/70/EG

Richtlijn 98/70/EG wordt als volgt gewijzigd:

  • 1) 
    Artikel 1 wordt vervangen door:

"Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze richtlijn geeft, voor wat betreft wegvoertuigen en niet voor de weg bestemde mobiele

machines (met inbegrip van binnenschepen wanneer deze niet op zee varen), landbouw-

trekkers en bosbouwmachines, en pleziervaartuigen wanneer deze niet op zee varen:

(a) technische specificaties van brandstoffen voor voertuigen met motoren met

elektrische ontsteking en voertuigen met compressieontstekingsmotoren, ter

bescherming van de gezondheid en het milieu, met inachtneming van de technische

vereisten van deze motoren; en

(b) een streefcijfer voor de vermindering van broeikasgasemissies gedurende de

levenscyclus.";

  • 2) 
    Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

(a) In de eerste alinea:

  • i) 
    Punt 3 wordt vervangen door:

"3. 'gasoliën voor niet voor de weg bestemde mobiele machines (met

inbegrip van binnenschepen), landbouwtrekkers en bosbouwmachines, en

pleziervaartuigen': uit aardolie verkregen vloeistoffen die vallen onder de

GN-codes 2710 19 41 en 2710 19 45* en die bestemd zijn voor gebruik in

motoren als bedoeld in de Richtlijnen 94/25/EG**, 97/68/EG*** en

2000/25/EG****;

__________________

  • De nummering van deze GN-codes zoals gespecificeerd in het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.6.1987, blz. 1).

** PB L 164 van 30.6.1994, blz. 15.

*** PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1.

**** PB L 173 van 12.7.2000, blz. 1.";

  • ii) 
    worden de volgende punten toegevoegd:

"5. 'lidstaten met lage omgevingstemperaturen in de zomerperiode':

  • 6. 
    'broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus': alle netto emissies van

CO2, CH4 en N2O die aan de brandstof (met inbegrip van alle

bijmengsels) of geleverde energie kunnen worden toegeschreven.

Hieronder vallen alle relevante stadia van winning of teelt, daaronder

begrepen verandering van landgebruik, vervoer en distributie, verwerking

en verbranding, ongeacht de plaats waar deze emissies plaatsvinden;

  • 7. 
    'broeikasgasemissies per eenheid energie': de totale massa CO2-

equivalente broeikasgasemissies verbonden aan de brandstof of geleverde

energie, gedeeld door de totale energie-inhoud van de geleverde brand-

stof of energie (voor brandstof, uitgedrukt als de lage verbrandings-

waarde ervan);

  • 8. 
    'leverancier': de entiteit die brandstof langs een punt voert waar accijns

wordt geheven of, indien er geen accijns verschuldigd is, elke andere

relevante, door een lidstaat aangewezen entiteit;

  • 9. 
    'biobrandstoffen': dezelfde betekenis als in Richtlijn 2009/...+/EG van het

Europees Parlement en de Raad van ... ter bevordering van het gebruik

van energie uit hernieuwbare bronnen*.

__________________

  • PB ...";
  • 3) 
    artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

(a) De leden 2 tot en met 6 worden vervangen door:

"2. De lidstaten zien erop toe dat op hun grondgebied slechts benzine in de handel

kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van

bijlage I.

Voor de perifere gebieden kunnen de lidstaten evenwel specifieke maatregelen

treffen om benzine met een maximumzwavelgehalte van 10 mg/kg in de handel

te brengen. De lidstaten die van deze mogelijkheid gebruik maken, stellen de

Commissie hiervan in kennis.

  • 3. 
    Tot 2013 schrijven de lidstaten voor dat de leveranciers ervoor moeten zorgen

dat benzine met een maximum zuurstofgehalte van 2,7% en een maximum

ethanolgehalte van 5% in de handel wordt gebracht. Indien zij dit noodzakelijk

achten, kunnen zij deze maatregel verlengen. Zij zorgen ervoor dat de

consument naar behoren wordt voorgelicht over het biobrandstofgehalte van

benzine en in het bijzonder over de wijze waarop de diverse benzinemengsels

moeten worden gebruikt.

  • 4. 
    Onverminderd lid 5 kunnen lidstaten met een lage omgevingstemperatuur

gedurende de zomerperiode benzine in de handel brengen met een maximale

dampspanning van 70kPa.

Lidstaten waarop de in de eerste alinea bedoelde afwijking niet van toepassing

is, kunnen uit hoofde van lid 5 gedurende de zomerperiode benzine met ethanol

in de handel brengen met een maximale dampspanning van 60kPa, met

daarbovenop de in bijlage III vermelde toegestane afwijking van de maximale

dampspanning, op voorwaarde dat het ethanol biobrandstof is.

  • 5. 
    Indien de lidstaten gebruik wensen te maken van een van de in lid 4 genoemde

afwijkingen, stellen zij de Commissie hiervan in kennis en verstrekken zij haar

alle relevante informatie. De Commissie beoordeelt de wenselijkheid en duur

van de afwijking, met inachtneming van:

(a) het vermijden van sociaaleconomische problemen als gevolg van de

hogere dampspanning, met inbegrip van de noodzaak van technische

aanpassingen binnen een bepaalde tijdslimiet; en

(b) de gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid van de hogere

dampspanning en in het bijzonder de gevolgen voor de naleving van de

Gemeenschapswetgeving inzake luchtkwaliteit, zowel in de betrokken

lidstaat als in de andere lidstaten.

Indien uit de beoordeling van de Commissie blijkt dat de afwijking ertoe leidt

dat niet voldoende voldaan wordt aan de Gemeenschapswetgeving inzake

luchtkwaliteit of luchtvervuiling, met inbegrip van de relevante grenswaarden

en emissieplafonds, wordt de aanvraag geweigerd. De Commissie houdt

eveneens rekening met de relevante streefwaarden.

Indien de Commissie binnen zes maanden na ontvangst van alle relevante

informatie geen bezwaar tegen het verzoek heeft aangetekend, kan de

betrokken lidstaat de uitzonderingsmaatregel waarom het heeft verzocht

toepassen.

  • 6. 
    Onverminderd lid 1 kunnen de lidstaten het in de handel brengen van kleine

hoeveelheden gelode benzine met een loodgehalte van maximaal 0,15 g/l

blijven toestaan tot een maximum van 0,03% van de totale verkoop, voor

distributie door speciale belanghebbende groeperingen ten behoeve van oude,

karakteristieke voertuigen.";

(b) Lid 7 wordt geschrapt;

  • 4) 
    Artikel 4 wordt vervangen door:

"Artikel 4

Dieselbrandstof

  • 1. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat op hun grondgebied slechts dieselbrandstof in de

handel kan worden gebracht die voldoet aan de milieutechnische specificaties van

bijlage II.

Met inachtneming van de vereisten van Bijlage II mogen de lidstaten toestaan dat

diesel met een methylvetzuurgehalte (FAME) van meer dan 7% in de handel wordt

gebracht.

De lidstaten zorgen ervoor dat de consument naar behoren wordt voorgelicht over het

biobrandstofgehalte van dieselbrandstof, in het bijzonder FAME.

  • 2. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat uiterlijk op 1 januari 2008 gasoliën die bedoeld zijn

om in niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van binnen-

schepen), landbouwtrekkers of bosbouwmachines en pleziervaartuigen te worden

gebruikt, op hun grondgebied slechts in de handel mogen worden gebracht indien

hun zwavelgehalte niet meer dan 1 000 mg/kg zwavel bedraagt. Met ingang van 1

januari 2001 is het maximaal toelaatbare zwavelgehalte van deze gasoliën 10 mg/kg.

De lidstaten zorgen ervoor dat andere vloeibare brandstoffen dan deze gasoliën enkel

mogen gebruikt worden op binnenschepen en op pleziervaartuigen als het zwavel-

In verband met minder ernstige verontreiniging in de toeleveringsketen, kunnen de

lidstaten per 1 januari 2011 echter toestaan dat gasolie die bestemd is voor gebruik in

niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van binnenschepen),

landbouwtrekkers of bosbouwmachines en pleziervaartuigen tot 20 mg/kg zwavel

bevat op het laatste punt van distributie aan de eindverbruiker. De lidstaten kunnen

tevens toestaan dat tot 31 december 2011 gasolie met een zwavelgehalte tot 1 000

mg/kg in de handel wordt gebracht voor railvoertuigen, landbouwtrekkers en

bosbouwmachines, op voorwaarde dat het goed functioneren van de emissie-

beperkingssystemen niet in gevaar wordt gebracht.

  • 3. 
    Voor de perifere gebieden kunnen de lidstaten evenwel specifieke maatregelen

treffen om dieselbrandstof en gasoliën met een maximumzwavelgehalte van 10

mg/kg in de handel te brengen. De lidstaten die van deze mogelijkheid gebruik

maken, stellen de Commissie hiervan in kennis.

  • 4. 
    Voor lidstaten met streng winterweer mag het maximale distillatiepunt van 65% bij

een temperatuur van 250 °C voor dieselbrandstof en gasolie vervangen worden door

een maximaal distillatiepunt van 10% (volumeprocent) bij een temperatuur van

180 °C.";

  • 5) 
    Het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 7 bis

Vermindering van de broeikasgasemissies

  • 1. 
    De lidstaten wijzen de leverancier of leveranciers aan die verantwoordelijk is of zijn

voor de bewaking en rapportage inzake de broeikasgasemissies gedurende de

levenscyclus per eenheid energie uit geleverde brandstof en energie. De lidstaten

zorgen ervoor dat leveranciers van elektriciteit voor wegvoertuigen, indien zij dat

wensen, een bijdrage kunnen leveren aan de in lid 2 genoemde reductieverplichting

indien zij kunnen aantonen dat zij de voor deze voertuigen geleverde elektriciteit

naar behoren kunnen meten en bewaken.

Met ingang van 1 januari 2011 brengen de brandstofleveranciers jaarlijks verslag uit

aan de door de lidstaat aangewezen autoriteit over de broeikasgasintensiteit van in

elke lidstaat geleverde brandstof en energie, door minimaal de volgende informatie te

verstrekken:

(a) het totale volume van iedere soort geleverde brandstof of energie, onder

vermelding van de plaats van aankoop en herkomst; en

(b) broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie.

De lidstaten zorgen ervoor dat de verslagen gecontroleerd worden.

  • 2. 
    De lidstaten verlangen van de leveranciers dat zij voor 31 december 2020 zo

geleidelijk mogelijk de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid

energie uit geleverde brandstof of energie met 10% verminderen ten opzichte van de

in lid 5 onder b) bedoelde uitgangswaarde voor brandstoffen. Deze vermindering

behelst:

(a) 6% op uiterlijk 31 december 2020. De lidstaten kunnen van de leveranciers

verlangen dat zij met het oog op deze vermindering aan de volgende

tussentijdse streefcijfers voldoen: 2% per 31 december 2014 en 4% per

31 december 2017;

(b) een indicatief aanvullend streefcijfer, waarop artikel 9, lid 1, onder h) van

toepassing is, van 2% per 31 december 2020 dat door een of beide van de

volgende methoden wordt bereikt:

  • i) 
    de levering van energie voor vervoer voor gebruik in alle wegvoertuigen,

niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van

binnenschepen), landbouwtrekkers of bosbouwmachines en

pleziervaartuigen;

  • ii) 
    het gebruik van elke technologie (met inbegrip van afvang en opslag van

koolstof) waarmee broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per

eenheid energie van geleverde brandstof of energie kan worden

(c) een indicatief aanvullend streefcijfer, waarop artikel 9, lid 1, onder i) van

toepassing is, van 2% per 31 december 2020, dat bereikt wordt door gebruik te

maken van de via het mechanisme voor schone ontwikkeling van het Kyoto-

protocol aangekochte kredieten, overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd in

Richtln 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van

13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in

broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap*, met het oog op

verminderingen in de brandstofvoorzieningssector.

  • 3. 
    Broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van biobrandstoffen worden

berekend in overeenstemming met artikel 7 quinquies. Broeikasgasemissies

gedurende de levenscyclus van andere brandstoffen en energiebronnen worden

berekend op basis van een uit hoofde van lid 5 van dit artikel ontwikkelde methode.

  • 4. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat een groep leveranciers, indien zij dit wensen,

gezamenlijk aan de in lid 2 neergelegde reductieverplichting mogen voldoen. In dit

geval worden zij voor de doeleinden van lid 2 als een enkele leverancier beschouwd.

  • 5. 
    De voor de uitvoering van dit artikel vereiste maatregelen, tot wijziging van niet-

essentiële elementen van deze richtlijn door haar aan te vullen, worden vastgesteld

overeenkomstig de in artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Deze maatregelen omvatten met name:

(b) de methode waarin voor 1 januari 2011 de uitgangsnorm voor brandstof wordt

aangegeven op basis van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus

per eenheid energie van fossiele brandstoffen in 2010, voor de doeleinden van

lid 2;

(c) alle maatregelen die nodig zijn om lid 4 uit te voeren;

(d) de methode voor de berekening van de bijdrage van elektrische wegvoertuigen,

die in overeenstemming moet zijn met artikel 3, lid 4 van Richtlijn

2009/...+/EG.

__________________

  • PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.";
  • 6) 
    De volgende artikelen worden ingevoegd:

"Artikel 7 ter

Duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen

  • 1. 
    Ongeacht of de grondstoffen op of buiten het grondgebied van de Gemeenschap

werden verbouwd, wordt energie uit biobrandstoffen alleen in aanmerking worden

genomen voor de doeleinden van artikel 7 bis indien deze voldoen aan de

duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6 van dit artikel.

Biobrandstoffen die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of

bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden

genomen voor de doeleinden bedoeld in artikel 7 bis, slechts te voldoen aan het

duurzaamheidscriterium omschreven in lid 2 van dit artikel.

  • 2. 
    Om voor de doeleinden bedoeld in lid 1 in aanmerking te komen moet de

broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen

minstens 35% bedragen.

Met ingang van 1 januari 2017 moet, om voor de doeleinden bedoeld in lid 1 in

aanmerking te komen, de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik

van biobrandstoffen minstens 50% bedragen. Vanaf 1 januari 2018 dient de reductie

van die broeikasgasemissie minstens 60% te bedragen voor biobrandstoffen die zijn

geproduceerd in installaties welke op of na 1 januari 2017 in gebruik zijn genomen.

De broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen wordt berekend

overeenkomstig artikel 7 quinquies, lid 1.

In het geval van biobrandstoffen die geproduceerd zijn in installaties die op

23 januari 2008 operationeel waren, is de eerste alinea van toepassing met ingang

van 1 april 2013.

  • 3. 
    De biobrandstoffen waarmee rekening wordt gehouden voor de doeleinden bedoeld

in lid 1 mogen niet geproduceerd zijn op basis van grondstoffen van land met een

grote biodiversiteit, d.w.z. land dat in of na januari 2008 een van de hierna vermelde

statussen had, ongeacht of het die status nog steeds heeft:

(a) oerbos en andere beboste gronden, d.w.z. bos en andere beboste gronden met

inheemse soorten, waar er geen duidelijke tekenen van menselijke activiteit

zichtbaar zijn en de ecologische processen niet in significante mate zijn

verstoord;

(b) aangewezen gebieden:

  • i) 
    bij wet of door de bevoegde autoriteiten voor

natuurbeschermingsdoeleinde; of

  • ii) 
    voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen

of soorten, die bij internationale overeenkomst zijn erkend of zijn

opgenomen op lijsten van intergouvernementele organisaties of de

Internationale Unie voor het behoud van de natuur en de natuurlijke

hulpbronnen, mits deze gebieden zijn erkend overeenkomstig de

procedure van artikel 7 quater, lid 4, tweede alinea;

tenzij wordt aangetoond dat de productie van die grondstof geen invloed heeft op die

natuurbeschermingsdoeleinden;

(c) graslanden met grote biodiversiteit, die

  • i) 
    natuurlijk zijn, namelijk graslanden die zonder menselijk ingrijpen

grasland zouden blijven en die hun natuurlijke soortensamenstelling en

ecologische kenmerken en processen hebben behouden; of

  • ii) 
    niet natuurlijk zijn, namelijk. graslanden die zonder menselijk ingrijpen

zouden ophouden graslanden te zijn en die rijk zijn aan soorten en niet

zijn aangetast, tenzij is aangetoond dat het oogsten van de grondstoffen

noodzakelijk is voor het behouden van de status van graslanden.

De Commissie stelt de criteria en geografische grenzen vast om te bepalen welke

graslanden onder punt c) van de eerste alinea vallen. Een dergelijke maatregel, die

beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te

vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 4, bedoelde

regelgevingsprocedure met toetsing.

  • 4. 
    Biobrandstoffen mogen, om voor de doeleinden bedoeld in lid 1 in aanmerking te

komen, niet geproduceerd zijn op basis van grondstoffen die afkomstig zijn van

grond waarin veel koolstof is vastgelegd, namelijk grond die in januari 2008 een

hierna vermelde status had en deze status niet langer heeft:

(a) waterrijk gebied, met name land dat permanent of tijdens een groot gedeelte

van het jaar onder water staat of verzadigd is;

(b) permanent beboste gebieden, met name gebieden van meer dan één hectare met

bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van meer dan 30%, of

bomen die deze waarden ter plaatse kunnen bereiken;

(c) gebieden van meer dan één hectare met bomen van hoger dan vijf meter en een

bedekkingsgraad van 10 tot 30%, of bomen die deze waarden ter plaatse

kunnen bereiken, tenzij kan worden aangetoond dat de vóór en na teelt

aanwezige koolstofvoorraden van een zodanige omvang zijn dat bij toepassing

van de in bijlage IV, deel C, vastgestelde methode aan de voorwaarden van

lid 2 van dit artikel zou zijn voldaan.

De bepalingen in deze alinea zijn niet van toepassing indien de grond op het ogenblik

waarop de grondstof werd verkregen, dezelfde status had als in januari 2008.

  • 5. 
    Biobrandstoffen die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden bedoeld in

lid 1 mogen niet vervaardigd zijn uit grondstoffen van land dat in januari 2008

veengebied was, tenzij kan worden aangetoond dat de ontginning en exploitatie van

deze grondstof niet gepaard gaan met de drooglegging van bodem die daarvoor niet

werd afgewaterd.

  • 6. 
    In de Gemeenschap verbouwde landbouwgrondstoffen die worden gebruikt voor de

productie van biobrandstoffen en die worden meegeteld voor de doeleinden bedoeld

in artikel 7 bis, moeten worden verkregen overeenkomstig de eisen en normen,

vermeld in de bepalingen, bedoeld in de titel "Milieu", in deel A van bijlage III en in

punt 9 van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari

2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake

rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers*, alsmede

overeenkomstig de krachtens artikel 6, lid 1, van die verordening vastgestelde

minimumeisen inzake goede landbouw- en milieuconditie.

  • 7. 
    De Commissie dient, over zowel derde landen als lidstaten die significante

hoeveelheden grondstoffen leveren voor in de Gemeenschap verbruikte

biobrandstoffen, om de twee jaar bij het Europees Parlement en de Raad een verslag

in over de nationale maatregelen die zijn genomen ter vervulling van de in de leden 2

tot en met 5, bedoelde duurzaamheidscriteria en over de maatregelen ter bescherming

van de bodem, het water en de lucht. Het eerste verslag wordt in 2012 ingediend.

De Commissie brengt om de twee jaar aan het Europese Parlement en aan de Raad

verslag uit over de gevolgen van de toegenomen vraag naar biobrandstof voor de

sociale duurzaamheid in de Gemeenschap en derde landen, en over de gevolgen van

het biobrandstofbeleid van de Gemeenschap voor de beschikbaarheid van

levensmiddelen tegen een betaalbare prijs, met name voor de bevolking in de

ontwikkelingslanden, en voor verdere ontwikkelingskwesties. In het verslag komt

ook aan de orde in hoeverre de rechten inzake landgebruik worden nageleefd. Het

verslag vermeldt voor derde landen en lidstaten die significante hoeveelheden

grondstoffen leveren voor in de Gemeenschap verbruikte biobrandstoffen, welke van

de volgende verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) ieder land

heeft bekrachtigd en toepast:

  • Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid (nr. 29);
  • Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de

bescherming van het vakverenigingsrecht (nr. 87);

  • Verdrag betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te

organiseren en collectief te onderhandelen (nr. 98);

  • Verdrag betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke

arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde (nr. 100);

  • Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid (nr. 105);
  • Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep (nr. 111);
  • Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces

(nr. 138);

  • Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de

uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid (nr. 182).

Deze verslagen vermelden voor derde landen en lidstaten die significante

hoeveelheden grondstoffen leveren voor in de Gemeenschap verbruikte

biobrandstoffen, of dat land heeft bekrachtigd en toepast:

  • het Protocol van Cartagena inzake Bioveiligheid;
  • de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde dier- en

plantensoorten.

Het eerste verslag wordt in 2012 ingediend. De Commissie stelt zo nodig

corrigerende maatregelen voor, met name wanneer uit bepaalde elementen blijkt dat

de productie van biobrandstoffen een aanzienlijke invloed heeft op de prijs van

levensmiddelen.

  • 8. 
    De lidstaten mogen niet weigeren om, wegens andere duurzaamheidsredenen, voor

de doeleinden bedoeld in lid 1 rekening te houden met overeenkomstig dit artikel

verkregen biobrandstoffen.

Artikel 7 quater

Controle op de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen

  • 1. 
    Indien voor de doeleinden van artikel 7 bis biobrandstoffen moeten worden

meegeteld, verlangen de lidstaten dat de marktdeelnemers aantonen dat aan de

duurzaamheidscriteria van artikel 7 ter, leden 2 tot en met 5, is voldaan. Zij

verplichten de marktdeelnemers daartoe gebruik te maken van een

massabalanssysteem waarbij voorzien wordt in

(a) leveringen van grondstoffen of biobrandstoffen met verschillende

duurzaamheidskenmerken, die mogen worden gemengd;

(b) informatie over de duurzaamheidskenmerken en omvang van de onder a)

bedoelde leveringen, die aantonen dat ze aan het mengsel moeten toegewezen

blijven;

(c) de som van alle leveringen die uit het mengsel zijn gehaald, dezelfde

duurzaamheidscriteria heeft, in dezelfde hoeveelheden, als de som van alle

leveringen die aan het mengsel worden toegevoegd.

  • 2. 
    De Commissie brengt in 2010 en 2012 bij het Europees Parlement en de Raad

verslag uit over de werking van de in lid 1 beschreven

massabalansverificatiemethode en over de mogelijkheid om andere

verificatiemethoden toe te staan voor sommige of alle types grondstoffen of

biobrandstoffen. De Commissie beoordeelt daarbij de verificatiemethoden waarbij

informatie over de duurzaamheidskenmerken niet fysiek hoeft te worden toegewezen

aan bepaalde leveringen of mengsels. Bij de beoordeling houdt zij rekening met de

noodzaak om de integriteit en doeltreffendheid van het verificatiesysteem te

behouden en tegelijk te vermijden dat onredelijke lasten worden opgelegd aan het

bedrijfsleven. Indien nodig gaat dit verslag vergezeld van voorstellen aan het

Europees Parlement en de Raad voor het gebruik van andere verificatiemethoden.

  • 3. 
    De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de marktdeelnemers

betrouwbare informatie indienen en de gegevens die gebruikt zijn om die informatie

op te stellen, op verzoek ter beschikking van de lidstaat stellen. De lidstaten

verplichten de marktdeelnemers om een passende norm op te stellen voor

onafhankelijke audits van de ingediende informatie, en om aan te tonen dat dit

gebeurd is. Tijdens de audits moet worden nagegaan of de door de marktdeelnemers

gebruikte systemen nauwkeurig en betrouwbaar zijn en beschermd tegen fraude;

voorts worden de frequentie en de methode van de monsterneming gecontroleerd en

wordt de deugdelijkheid van de gegevens beoordeeld.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens hebben met name betrekking op de

naleving van de in artikel 7 ter, leden 2 tot en met 5, bedoelde duurzaamheidscriteria,

passende en relevante gegevens over maatregelen ter bescherming van bodem, water

en lucht, voor herstel van aangetast land, ter voorkoming van overmatig

watergebruik in gebieden waar water schaars is, alsmede passende en relevante

gegevens over maatregelen die zijn genomen om rekening te houden met de in

artikel 7 ter, lid 7, tweede alinea, bedoelde elementen.

De Commissie bepaalt de lijst van in de eerste twee alinea's bedoelde passende en

relevante gegevens volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde raadgevingsprocedure.

Zij ziet er met name op toe dat het verstrekken van deze gegevens geen buitensporige

administratieve last meebrengt voor de marktdeelnemers in het algemeen of voor

kleine boerenbedrijven, telersverenigingen en coöperaties in het bijzonder.

De in dit lid neergelegde verplichtingen zijn van toepassing ongeacht of de

biobrandstoffen in de Gemeenschap geproduceerd dan wel ingevoerd zijn.

De lidstaten dienen de in de eerste alinea bedoelde gegevens in samengevoegde vorm

in bij de Commissie. De Commissie maakt deze gegevens bekend op het

transparantieplatform bedoeld in artikel 24 van Richtlijn 2009/...+/EG, en wel in

samengevatte vorm en met behoud van de vertrouwelijkheid van commercieel

gevoelige informatie.

  • 4. 
    De Gemeenschap streeft ernaar met derde landen bilaterale of multilaterale

overeenkomsten te sluiten waarvan de bepalingen inzake duurzaamheidscriteria in

overeenstemming zijn met die van deze richtlijn. Indien de Gemeenschap

overeenkomsten heeft gesloten met bepalingen die de in artikel 7 ter, leden 2 tot en

met 5, bedoelde duurzaamheidscriteria bestrijken, kan de Commissie besluiten dat

die overeenkomsten aantonen dat biobrandstoffen die geproduceerd zijn op basis van

in die landen verbouwde grondstoffen, voldoen aan die duurzaamheidscriteria.

Wanneer die overeenkomsten worden gesloten, moet de nodige aandacht worden

besteed aan maatregelen voor de instandhouding van gebieden die in kritieke

situaties dienst doen als fundamenteel ecosysteem (bijvoorbeeld als het gaat om

bescherming van stroomgebieden of erosiebestrijding) of voor de bescherming van

bodem, water en lucht, aan indirecte veranderingen in landgebruik, het herstel van

aangetaste grond, het vermijden van overmatig waterverbruik in gebieden waar water

schaars is, alsmede aan de in artikel 7 ter, lid 7, tweede alinea, genoemde elementen.

De Commissie kan beslissen dat vrijwillige nationale of internationale regelingen

waarbij normen worden bepaald voor de productie van biomassaproducten, accurate

gegevens bevatten met het oog op de toepassing van artikel 7 ter, lid 2, of dat in die

regelingen wordt aangetoond dat leveringen van biobrandstoffen voldoen aan de

duurzaamheidscriteria van artikel 7 ter, leden 3 en 5. De Commissie kan besluiten dat

deze regelingen accurate gegevens moeten bevatten over de maatregelen die zijn

genomen voor de instandhouding van gebieden die in kritieke situaties dienst doen

als fundamenteel ecosysteem (bijvoorbeeld als het gaat om bescherming van

stroomgebieden of erosiebestrijding), voor de bescherming van bodem, water en

lucht, het herstel van aangetast land, voorkoming van overmatig watergebruik in

gebieden waar water schaars is en over de in artikel 7 ter, lid 7, tweede alinea,

bedoelde elementen. Voor de toepassing van artikel 7 ter, lid 3, onder b, ii), kan de

Commissie tevens gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of

bedreigde ecosystemen of soorten erkennen die bij internationale overeenkomst zijn

erkend of opgenomen zijn op lijsten van intergouvernementele organisaties of de

Internationale Unie voor het behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen.

De Commissie kan beslissen dat vrijwillige nationale of internationale regelingen

voor het meten van broeikasgasemissiereducties accurate gegevens moeten bevatten

met het oog op de toepassing van artikel 7 ter, lid 2.

De Commissie kan beslissen dat de gronden die in een nationaal of regionaal

  • 5. 
    De Commissie neemt de besluiten uit hoofde van lid 4 alleen als de overeenkomst of

regeling in kwestie voldoet aan passende normen inzake betrouwbaarheid,

transparantie en onafhankelijke auditing. Regelingen voor het meten van

broeikasgasemissiereducties moeten ook voldoen aan de methodologische eisen van

bijlage IV. De lijsten van gebieden met een grote biodiversiteit als bedoeld in

artikel 7 ter, lid 3, onder b, ii), moeten voldoen aan passende normen inzake

objectiviteit en coherentie met op internationaal niveau erkende normen en voorzien

in passende beroepsprocedures.

  • 6. 
    De beslissingen uit hoofde van lid 4 worden genomen volgens de in artikel 11, lid 1

ter, bedoelde raadplegingsprocedure. Dergelijke beslissingen blijven ten hoogste vijf

jaar geldig.

  • 7. 
    Als een marktdeelnemer bewijsmiddelen of gegevens voorlegt die zijn verkregen in

het kader van een overeenkomst of regeling ten aanzien waarvan een beslissing uit

hoofde van lid 4 is genomen, voor zover die beslissing van toepassing is, mag een

lidstaat niet verlangen dat deze marktdeelnemer nog meer bewijzen levert om de

naleving van de duurzaamheidscriteria van artikel 7 ter, leden 2 tot en met 5, aan te

tonen noch dat hij de in lid 3, tweede alinea, bedoelde gegevens betreffende

maatregelen verstrekt.

  • 8. 
    De Commissie gaat op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief na of artikel 7

ter is toegepast met betrekking tot een bron van biobrandstoffen en beslist, binnen de

zes maanden na ontvangst van een verzoek en overeenkomstig de in artikel 11, lid 3,

bedoelde raadplegingsprocedure of de betrokken lidstaat de uit die bron verkregen

biobrandstoffen in aanmerking mag nemen voor de toepassing van artikel 7 bis.

  • 9. 
    Uiterlijk op 31 december 2012 brengt de Commissie aan het Europees Parlement en

de Raad verslag uit over:

(a) de doeltreffendheid van de regeling die is ingevoerd voor de

informatieverstrekking over duurzaamheidscriteria; en

(b) de vraag of het haalbaar en raadzaam is eisen in te voeren met betrekking tot

lucht-, water of bodembescherming, rekening houdend met de meest recente

wetenschappelijke gegevens en de internationale verplichtingen van de

Gemeenschap.

De Commissie zal zo nodig corrigerende maatregelen voorstellen.

Artikel 7 quinquies

Berekening van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van biobrandstoffen

  • 1. 
    De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van biobrandstoffen worden met

het oog op de toepassing van artikel 7 bis en artikel 7 ter, lid 2, als volgt berekend:

(a) indien een standaardwaarde voor broeikasgasemissiereducties met betrekking

tot het productietraject van de biobrandstof is vastgesteld in deel A of B van

bijlage IV, en indien de el-waarde voor deze vloeistoffen berekend

overeenkomstig punt 7 van deel C van bijlage IV, gelijk is aan of lager is dan

nul, wordt die standaardwaarde gebruikt;

(b) de werkelijke waarde, berekend overeenkomstig de in deel C van bijlage IV,

vastgestelde methode, wordt gebruikt; of

(c) een waarde, berekend als de som van de factoren van de formule in punt 1 van

deel C van bijlage IV, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in

bijlage IV, deel D of E kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de

werkelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage IV, deel C, voor

alle andere factoren.

  • 2. 
    Uiterlijk op 31 maart 2010 dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in met

de lijst van die gebieden op hun grondgebied die volgens Verordening (EG)

nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende

de opstelling van een gemeenschappelke nomenclatuur van territoriale eenheden

voor de statistiek (NUTS) in de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale

eenheden voor de statistiek ("NUTS")** als niveau 2 dan wel als een meer

gedesaggregeerd NUTS-niveau zijn ingedeeld; voor deze gebieden zijn de

broeikasgasemissies ten gevolge van het verbouwen van landbouwgrondstoffen naar

verwachting lager dan of gelijk aan de emissies waarover verslag is uitgebracht

onder de titel "Gedesaggregeerde standaardwaarden voor teelt" in bijlage IV, deel D

van deze richtlijn. De lidstaten beschrijven ook de methode en de gegevens die zij

gebruikt hebben om die lijst op te stellen. De gebruikte methode houdt rekening met

de bodemkenmerken, het klimaat en de verwachte opbrengst aan grondstoffen.

  • 3. 
    De in bijlage IV, deel A, vermelde standaardwaarden en de in bijlage IV, deel D,

vermelde gedesaggregeerde standaardwaarden voor teelt mogen alleen worden

gebruikt als de grondstoffen:

(a) worden verbouwd buiten de Gemeenschap;

(b) worden verbouwd in regio's in de Gemeenschap, die voorkomen op de in lid 2

bedoelde lijsten; of

  • 4. 
    Uiterlijk op 31 maart 2010 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de

Raad een verslag in over de haalbaarheid van het opstellen van lijsten van gebieden

in derde landen waarvoor de typische broeikasgasemissies ten gevolge van het

verbouwen van landbouwgrondstoffen naar verwachting lager dan of gelijk zullen

zijn aan de emissies die worden gemeld onder de titel "teelt" in bijlage IV, deel D,

vergezeld, voor zover mogelijk, van deze lijsten en een beschrijving van de methode

en de gegevens die zijn gebruikt om deze op te stellen. Indien nodig voegt de

Commissie voorstellen dienaangaande bij haar verslag.

  • 5. 
    De Commissie brengt uiterlijk 31 december 2012, en vervolgens om de twee jaar,

verslag uit over de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage IV, delen B

en E, waarbij zij bijzondere aandacht besteedt aan emissies van het vervoer en de

verwerkende industrie en, waar nodig, kan besluiten om de waarden te corrigeren.

Deze maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen,

wordt vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met

toetsing.

  • 6. 
    De Commissie legt uiterlijk op 31 december 2010 aan het Europees Parlement en de

Raad een verslag voor waarin het effect van indirecte veranderingen in landgebruik

op de emissie van broeikasgassen wordt beschreven en waarin wordt nagegaan hoe

dat effect kan worden beperkt. Waar nodig gaat dit verslag vergezeld van een op de

beste beschikbare wetenschappelijke gegevens gebaseerd voorstel, waarin met name

Dit voorstel bevat de nodige waarborgen om zekerheid te verschaffen voor

investeringen die aan de toepassing van deze methode voorafgaan. Voor installaties

die vóór eind 2013 biobrandstoffen produceerden, heeft de toepassing van de in de

eerste alinea bedoelde maatregelen tot 31 december 2017 niet tot gevolg dat door

deze installaties geproduceerde biobrandstoffen worden geacht niet te voldoen aan de

duurzaamheidseisen van deze richtlijn indien zij dat anders wel zouden hebben

gedaan, op voorwaarde dat deze biobrandstoffen een broeikasgasemissiereductie van

minimaal 45% opleveren. Dit geldt voor de capaciteit van biobrandstofinstallaties

aan het eind van 2012.

Het Europees Parlement en de Raad zullen trachten op uiterlijk 31 december 2012

een beslissing te nemen over eventueel met dat doel door de Commissie in te dienen

voorstellen.

  • 7. 
    Bijlage IV kan worden aangepast aan de technische en wetenschappelijke

vooruitgang, onder meer door het toevoegen van waarden voor nieuwe

productietrajecten voor biobrandstoffen voor dezelfde of andere grondstoffen en door

de in deel C neergelegde methoden te wijzigen. Dergelijke maatregelen, die beogen

niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, onder meer door haar aan te

vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde

regelgevingsprocedure met toetsing.

Met betrekking tot de standaardwaarden en de methode in bijlage IV, gaat bijzondere

aandacht uit naar:

  • de administratieve-verwerkingswijze voor afvalstoffen en residuen;
  • de administratieve-verwerkingswijze voor nevenproducten;
  • de administratieve-verwerkingswijze voor warmtekrachtkoppeling; en
  • de status die aan residuen van landbouwproducten wordt gegeven als

nevenproducten.

De standaardwaarden voor biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie worden zo

spoedig mogelijk herzien.

Bij een aanpassing van of toevoeging aan de lijst van standaardwaarden in bijlage IV

worden de volgende punten gevolgd:

(a) als een factor in geringe mate bijdraagt tot de totale emissies, als de variatie

beperkt is of als de kosten of moeilijkheden voor het vaststellen van werkelijke

waarden groot zijn, worden standaardwaarden gebruikt die typisch zijn voor

normale productieprocessen;

(b) in alle andere gevallen worden standaardwaarden gebruikt die conservatief zijn

voor normale productieprocessen.

  • 8. 
    Er worden gedetailleerde definities vastgesteld, waaronder technische specificaties

voor de in bijlage IV, deel C, punt 7 ter, genoemde categorieën. Deze maatregelen,

die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te

vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 4, bedoelde

regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 7 sexies

Uitvoeringsmaatregelen en rapporten over de duurzaamheid van biobrandstoffen

  • 1. 
    Bij de uitvoeringsmaatregelen bedoeld in artikel 7 ter, lid 3, tweede alinea, artikel 7

quater, lid 3, derde alinea, artikel 7 quater, lid 6, artikel 7 quater, lid 8, artikel 7

quinquies, lid 5, artikel 7 quinquies, lid 7, eerste alinea en artikel 7 quinquies, lid 8

wordt ook ten volle rekening gehouden met de doelstellingen van Richtlijn

2009/...+/EG.

  • 2. 
    De verslagen van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad als bedoeld

in artikel 7 ter (7), artikel 7 quater, lid 2, artikel 7 quater, lid 9, artikel 7 quinquies,

leden 4, 5 en 6, eerste alinea, alsook de verslagen en informatie die worden ingediend

krachtens artikel 7 quater, lid 3, eerste en vijfde alinea, en artikel 7 quinquies, lid 2,

worden opgesteld en toegestuurd voor de doelstellingen van zowel Richtlijn

2009/...+/EG als van deze richtlijn.

__________________

  • 7) 
    Artikel 8, lid 1, wordt vervangen door:

"1. De lidstaten controleren of de voorschriften van de artikelen 3 en 4 voor benzine en

dieselbrandstoffen worden nageleefd, uitgaande van de analytische methode

waarnaar respectievelijk in de Europese normen EN 228:2004 en EN 590:2004 wordt

verwezen.";

  • 8) 
    Het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 8 bis

Metaalhoudende additieven

  • 1. 
    De Commissie beoordeelt de risico's voor de volksgezondheid en het milieu van het

gebruik van metaalhoudende additieven in brandstoffen en ontwikkelt hiervoor een

testmethode. Uiterlijk op 31 december 2012 legt de Commissie haar conclusies voor

aan het Europees Parlement en de Raad.

  • 2. 
    In afwachting van de in lid 1 bedoelde testmethode mogen brandstoffen vanaf

1 januari 2011 per liter niet meer dan 6 mg mangaan van het metaalhoudende

additief methylcyclopentadieen-mangaan-tricarbonyl (MMT) bevatten. Met ingang

van 1 januari 2014 bedraagt het maximumgehalte 2 mg mangaan per liter.

  • 3. 
    Het onder lid 2 gespecifieerde maximumgehalte MMT in brandstoffen wordt herzien

op basis van de resultaten van de evaluatie aan de hand van de in lid 1 bedoelde

testmethode. Het kan tot nul worden verlaagd indien de risicobeoordeling dit

rechtvaardigt. Het kan niet worden verhoogd tenzij de risicobeoordeling dit

rechtvaardigt. Een dergelijke maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van

deze richtlijn te wijzigen, wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 4,

bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

  • 4. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat op plaatsen waar brandstoffen met metaalhoudende

additieven aan de consument worden verkocht, op een label staat aangegeven

hoeveel metaalhoudende additieven de betrokken brandstof bevat.

  • 5. 
    Dit label moet de volgende tekst bevatten: "Bevat metaalhoudende additieven".
  • 6. 
    Het label wordt duidelijk zichtbaar bevestigd op de plaats waar de informatie over de

brandstofsoort is aangegeven. Het label is van zodanige afmetingen en van een

zodanig lettertype dat het duidelijk zichtbaar en makkelijk leesbaar is.";

  • 9) 
    Artikel 9 wordt vervangen door:

"Artikel 9

Verslaglegging

  • 1. 
    Uiterlijk op 31 december 2012, en vervolgens om de drie jaar, brengt de Commissie

verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, waar nodig vergezeld van een

voorstel tot wijziging van deze richtlijn. In dit verslag worden met name de volgende

aspecten behandeld:

(a) het gebruik en de ontwikkeling van de motorvoertuigtechnologie en, met name,

de haalbaarheid van een verhoging van het maximum toegestane

biobrandstofgehalte van benzine en diesel, alsmede de noodzaak om de in

artikel 3 lid 3 genoemde datum te herzien;

(b) het Gemeenschapsbeleid inzake de CO

2-emissies van het wegvervoer;

(c) de mogelijkheid om de vereisten van bijlage II, en met name de grenswaarde

voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen, toe te passen op niet voor de

weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van binnenschepen),

landbouwtrekkers, bosbouwmachines en pleziervaartuigen;

(d) de toename van het gebruik van detergenten in brandstoffen;

(e) het gebruik van andere metaalhoudende additieven dan MMT in brandstoffen;

(f) de totale hoeveelheid bestanddelen die in benzine en diesel worden gebruikt,

met inachtneming van de communautaire milieuwetgeving, met inbegrip van

de doelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de

Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire

maatregelen betreffende het waterbeleid* en de dochterrichtlijnen;

(g) de gevolgen van de in artikel 7 bis, lid 2, bedoelde streefcijfers van het

emissiehandelssysteem om broeikasgassen te verminderen;

(h) de eventuele noodzaak om artikel 2, leden 6 en 7 en artikel 7 bis, lid 2, onder b)

aan te passen teneinde de bijdragen te evalueren die mogelijk zijn om per 2020

een reductie tot 10% van broeikasgassen te verwezenlijken. Deze

overwegingen worden gebaseerd op de potentiële vermindering van

broeikasgasemissies van brandstoffen en energie in de Gemeenschap, waarbij

met name rekening wordt gehouden met alle ontwikkelingen op het gebied van

milieuveilige technologieën voor de afvang en opslag van koolstof en van

elektrische wegvoertuigen, alsmede de in artikel 7 bis, lid 2, onder b bedoelde

kosteneffectiviteit van de middelen om deze emissies te verminderen;

(i) de mogelijkheid voor leveranciers om aanvullende maatregelen in te voeren om

broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus met 2% per eenheid energie te

verminderen ten opzichte van de in artikel 7 bis, lid 5, onder b bedoelde

uitgangsnorm voor brandstoffen, via het gebruik van via het mechanisme voor

schone ontwikkeling van het Kyoto-protocol aangekochte kredieten

overeenkomstig de voorwaarden van Richtlijn 2003/87/EG neergelegde

voorwaarden, teneinde eventuele verdere bijdragen te evalueren om per 2020

een reductie van 10% van broeikasgassen te verwezenlijken, zoals bedoeld in

artikel 7 bis, lid 2, onder c) van deze Richtlijn;

(j) een geactualiseerde kosten-batenrekening en effectbeoordeling van een

vermindering tot onder 60kPa van de toegestane maximale dampspanning voor

benzine gedurende de zomerperiode.

  • 2. 
    Uiterlijk in 2014 brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad

verslag uit over de verwezenlijking van de in artikel 7 bis genoemde doelstelling

voor broeikasgasemissies in 2020, waarbij zij rekening houdt met de noodzaak van

samenhang tussen deze doelstelling en de in artikel 3 lid 3 van Richtlijn 2009/...+/EG

bedoelde doelstelling, met betrekking tot het aandeel van hernieuwbare

energiebronnen in de vervoersector en in de context van de in de artikel 23, leden 8

en 9, van deze richtlijn bedoelde verslagen.

Indien nodig voegt de Commissie voorstellen over de wijziging van de doelstelling

  • 10) 
    Artikel 10, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Indien de in de bijlagen I of II bedoelde toegestane analysemethodes moeten worden

aangepast aan de vooruitgang van de techniek, kunnen maatregelen tot wijziging van

niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, worden vastgesteld volgens de in

artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Bijlage III kan ook

worden aangepast aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang. Deze

maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, wordt

vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met

toetsing.";

  • 11) 
    Artikel 11 wordt vervangen door:

"Artikel 11

Comitéprocedure

  • 1. 
    Behoudens de in lid 2 bedoelde gevallen, wordt de Commissie bijgestaan door het

Comité voor de brandstofkwaliteit.

  • 2. 
    Voor aangelegenheden die verband houden met de duurzaamheid van

biobrandstoffen volgens de artikelen 7 ter, 7 quater en 7 quinquies wordt de

Commissie bijgestaan door het bij artikel 25, lid 2 van Richtlijn 2009/...+/EG

ingestelde Comité voor de duurzaamheid van biobrandstoffen en vloeibare biomassa.

  • 3. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit

1999/468/EG van toepassing met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

  • 4. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en

artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8

van dat besluit.";

  • 12) 
    Artikel 14 wordt geschrapt;
  • 13) 
    Bijlagen I, II, III en IV worden vervangen door de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

Wijzigingen in Richtlijn 1999/32/EG

Richtlijn 1999/32/EG wordt als volgt gewijzigd:

  • 1) 
    Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

(a) punt 3 wordt vervangen door:

"3. Scheepsbrandstof: een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die bestemd

is voor gebruik, of gebruikt wordt, aan boord van een schip, met inbegrip van

de in ISO 8217 gedefinieerde stoffen. Deze omvat uit aardolie verkregen

vloeibare brandstof die gebruikt wordt aan boord van binnenschepen of

pleziervaartuigen, zoals omschreven in Richtlijn 97/68/EG van het Europees

Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge

aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de

uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige

verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde

mobiele machines* en Richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de

Raad van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en

bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot

pleziervaartuigen**, indien deze vaartuigen zich op zee bevinden.

  • 2) 
    Artikel 4 ter wordt als volgt gewijzigd:

(a) de titel wordt vervangen door: "Maximum zwavelgehalte van mariene brandstoffen

gebruikt door in communautaire havens aangemeerde vaartuigen";

(b) in lid 1 wordt punt a) geschrapt;

(c) In lid 2 wordt punt b) geschrapt.

  • 3) 
    Artikel 6, lid 1 bis, derde alinea, wordt vervangen door:

"De monsterneming begint op de datum waarop de betrokken grenswaarde voor het

maximumzwavelgehalte van de brandstof van kracht wordt. Zij wordt met een voldoende

regelmaat en in voldoende hoeveelheden uitgevoerd, en wel zodanig dat de monsters

representatief zijn voor de onderzochte brandstof en voor de brandstof die door vaartuigen

in de betrokken zeegebieden en havens wordt gebruikt.".

Artikel 3

Intrekking

Richtlijn 93/12/EEG wordt ingetrokken.

Artikel 4

Omzetting

  • 1. 
    De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden

om uiterlijk op 31 december 2010 aan deze richtlijn te voldoen.

Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van deze maatregelen.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de

officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die

verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

  • 2. 
    De lidstaten doen de Commissie mededeling van de tekst van de voornaamste bepalingen

van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het

Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

"BIJLAGE I

MILIEUTECHNISCHE SPECIFICATIES VOOR IN DE HANDEL

VERKRIJGBARE BRANDSTOFFEN VOOR VOERTUIGEN

MET ELEKTRISCHE ONTSTEKINGSMOTOREN

Type: Benzine

Parameter (1) Eenheid Grenswaarden(2)

Minimum Maximum

Research-octaangetal 95 (3) -

Motoroctaangetal 85 -

Dampspanning, zomerperiode (4) kPa - 60,0 (5)

Distillatie:

  • verdampt bij 100ºC vol % 46,0 -
  • verdampt bij 150ºC vol % 75,0 -

Parameter (1) Eenheid Grenswaarden(2)

Minimum Maximum

Zuurstofhoudende verbindingen

  • methanol vol % 3,0
  • ethanol (er moeten eventueel stabilisatoren vol % 10,0

worden toegevoegd)

  • isopropylalcohol vol % - 12,0
  • tert-butylalcohol vol % - 15,0
  • isobutylalcohol vol % - 15,0
  • ethers met vijf of meer koolstofatomen per vol % - 22,0

molecuul

  • andere zuurstofhoudende verbindingen (6) vol % - 15,0

Zwavelgehalte mg/kg - 10,0

Loodgehalte g/l - 0,005

(1) De testmethoden komen overeen met de methoden van de norm EN 228:2004. De lidstaten mogen in plaats daarvan de in EN 228:2004 als vervangende norm aangemerkte testmethode gebruiken indien deze methode even nauwkeurig en precies is als de testmethode die wordt vervangen.

(2) De hier gegeven cijfers zijn "werkelijke waarden". Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van de norm EN ISO 4259:2006 "Aardolieproducten: bepalingen en toepassing van nauwkeurige gegevens in relatie tot de testmethoden" en bij de vaststelling van een minimumwaarde is rekening gehouden met een minimumverschil van 2 R boven nul (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in de norm EN ISO 4259:2006 gegeven criteria.

(3) De lidstaten mogen besluiten het in de handel brengen van normale ongelode benzine met een motor-octaangetal (MON) van ten minste 81 en een research-octaangetal (RON) van ten minste 91 verder toe te laten.

(4) De zomerperiode begint uiterlijk op 1 mei en eindigt niet voor 30 september. Voor lidstaten met lage omgevingstemperaturen in de zomerperiode begint de zomerperiode uiterlijk op 1 juni en eindigt zij niet voor 31 augustus.

(5) Voor lidstaten met een lage omgevingstemperatuur in de zomerperiode waarop in overeenstemming met artikel 3, leden 4 en 5 een afwijking van toepassing is, bedraagt de dampspanning maximaal 70kPa. Voor lidstaten waarop in overeenstemming met artikel 3, lid 4 en lid 5 een afwijking voor benzine waarin ethanol is bijgemengd van toepassing is, bedraagt de maximale dampspanning 60kPa, plus de in bijlage III vermelde toegestane afwijking van de maximale dampspanning.

(6) Overige monoalcoholen en ethers waarvan het eindkookpunt niet hoger is dan in de norm EN 228:2004 is vastgesteld.

BIJLAGE II

MILIEUTECHNISCHE SPECIFICATIES VOOR IN DE HANDEL VERKRIJGBARE

BRANDSTOFFEN VOOR VOERTUIGEN MET COMPRESSIEONTSTEKINGSMOTOREN

Type: Diesel

Parameter (1) Eenheid Grenswaarden(2)

Minimum Maximum

Cetaangetal 51,0 -

Dichtheid bij 15 ºC kg/m3 - 845

Distillatie:

  • 95% teruggewonnen bij ºC - 360

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen % m/m - 8

Zwavelgehalte mg/kg - 10

FAME-gehalte - EN 14078 % - 7 (3)

(1) De testmethoden komen overeen met de methoden van de norm EN 590:2004. Lidstaten mogen in plaats daarvan de in EN 590:2004 als vervangende norm aangemerkte testmethode gebruiken indien deze methode even nauwkeurig en precies is als de testmethode die wordt vervangen.

(2) De hier gegeven cijfers zijn "werkelijke waarden". Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van de norm EN ISO 4259:2006 "Aardolieproducten: bepalingen en toepassing van nauwkeurige gegevens in relatie tot de testmethoden" en bij de vaststelling van een minimumwaarde is rekening gehouden met een minimumverschil van 2 R boven nul (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in de norm EN ISO 4259:2006 gegeven criteria.

(3) FAME moet voldoen aan EN 14214.

BIJLAGE III

TOEGESTANE AFWIJKING VOOR DE DAMPSPANNING VAN BENZINE

WAARIN BIOETHANOL IS BIJGEMENGD

Bioethanolgehalte (Vol%) Toegestane afwijking van de dampspanning

(kPa)

1 3,65

2 5,95

3 7,20

4 7,80

5 8,0

6 8,0

7 7,94

8 7,88

9 7,82

10 7,76

De toegestane afwijking van de dampspanning voor benzine met een bioethanolgehalte dat tussen

BLAGE IV

REGELS VOOR DE BEREKENING VAN BROEIKASGASEMISSIES GEDURENDE DE

LEVENSCYCLUS VAN BIOBRANDSTOFFEN

A. Typische en standaardwaarden voor biobrandstoffen die geproduceerd zijn zonder

nettokoolstofemissies door wijzigingen in het landgebruik

Productietraject van biobrandstoffen Typische Standaard-

broeikasgasemissierbroeikasgasemissier

educties educties

Suikerbietethanol 61% 52%

Graanethanol (procesbrandstof niet gespecificeerd) 32% 16%

Graanethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK- installatie) 32% 16%

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler) 45% 34%

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK- installatie) 53% 47%

Graanethanol (stro als procesbrandstof in WKK- installatie) 69% 69%

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie) 56% 49%

Productietraject van biobrandstoffen Typische Standaard-

broeikasgasemissierbroeikasgasemissier

educties educties

Suikerrietethanol 71% 71%

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ethyl-tertiair- butylether (ETBE) Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van amyl-tertiair- ethylether (TAEE) Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad 45% 38%

Biodiesel uit zonnebloemen 58% 51%

Biodiesel uit sojabonen 40% 31%

Biodiesel uit palmolie (proces niet gespecificeerd) 36% 19%

biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek) 62% 56%

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke(*) afvalolie 88% 83%

Productietraject van biobrandstoffen Typische Standaard-

broeikasgasemissierbroeikasgasemissier

educties educties

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad 51% 47%

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen 65% 62%

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces niet gespecificeerd) 40% 26%

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek) 68% 65%

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad 58% 57%

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas 80% 73%

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas 84% 81%

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas 86% 82%

(*) Niet inbegrepen dierlijke olie vervaardigd van dierlijke bijproducten die zijn ingedeeld als categorie 3-materiaal overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten

1.

B. Geraamde typische en standaardwaarden voor toekomstige biobrandstoffen die in

januari 2008 niet of in verwaarloosbare hoeveelheden in de handel waren, voor zover ze

zijn geproduceerd zonder netto koolstofemissies door wijzigingen in landgebruik

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgasemissier educties Standaard- broeikasgasemissier educties

Ethanol uit graanstro 87% 85%

Ethanol uit afvalhout 80% 74%

Ethanol uit geteeld hout 76% 70%

Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout 95% 95%

Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout 93% 93%

Dimethylether uit afvalhout (DME) 95% 95%

DME uit geteeld hout 92% 92%

Methanol uit afvalhout 94% 94%

Methanol uit geteeld hout 91% 91%

Het gedeelte methyl-tertiair-butylether uit hernieuwbare bronnen (MTBE) Gelijk aan het gebruikte traject voor methanolproductie

C. Methodologie

  • 1. 
    Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van transportbrandstoffen worden

als volgt berekend:

E= e

ec + e

l + e

p + e

td + e

u - e

sca e

ccs - e

ccr e

ee

waarin:

E = de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de brandstof;

e

ec = de emissies ten gevolge het verbouwen of ontginnen van grondstoffen;

e

l = de op jaarbasis berekende emissies van wijzigingen in koolstofvoorraden door

-

wijzigingen van landgebruik;

e

p = emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten;

e

td = emissies ten gevolge van vervoer en distributie;

e

u = emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof;

e

sca = emissiereducties door koolstofaccumulatie in de bodem als gevolg van beter

-

landbouwbeheer;

e

ccs = emissiereducties door het afvangen en geologisch opslaan van koolstof;

e

ccr = emissiereducties door het afvangen en vervangen van koolstof; en

e

ee = emissiereducties door extra elektriciteit door warmtekrachtkoppeling.

Met de emissies ten gevolge van de productie van machines en apparatuur wordt geen

rekening gehouden.

  • 2. 
    Broeikasgasemissies ten gevolge van brandstoffen (E) worden uitgedrukt in gram CO

2-

equivalent per MJ brandstof (gCO

2eq/MJ).

3 In afwijking van punt 2 mogen voor vervoersbrandstoffen de waarden die berekend

worden in termen van gCO

2eq/MJ worden aangepast om rekening te houden met de

verschillen tussen brandstoffen op het vlak van nuttig verricht werk. Dergelijke

aanpassingen worden alleen gedaan wanneer de verschillen in nuttig verricht werk worden

aangetoond.

  • 4. 
    Broeikasgasemissiereducties door het gebruik van biobrandstoffen worden als volgt

berekend:

REDUCTIE = (E

F E

B)/E

F

waarin:

  • 5. 
    Met het oog op de toepassing van punt 1 wordt rekening gehouden met de broeikasgassen

CO

2, N

2O en CH

  • 4. 
    Voor de berekening van de CO

2-equivalentie worden aan deze gassen

de volgende waarden toegekend:

CO

2: 1

N

2O: 296

CH

4: 23

  • 6. 
    Emissies door het verbouwen of ontginnen van grondstoffen, eec, komen onder meer vrij

door het proces van ontginnen of verbouwen zelf, door het verzamelen van de

grondstoffen, door afval en lekken en door de productie van chemische stoffen of

producten die worden gebruikt voor het ontginnen of verbouwen. Met het afvangen van

CO

2 bij het verbouwen van grondstoffen wordt geen rekening gehouden. Gecertificeerde

broeikasgasemissiereducties door het affakkelen in olieproductie-installaties op enige

plaats ter wereld worden afgetrokken. Ramingen van de emissies ten gevolge van teelt

kunnen worden afgeleid uit het gebruik van gemiddelden voor kleinere geografische

gebieden dan die welke worden gebruikt bij de berekening van de standaardwaarden, als

een alternatief voor het gebruik van werkelijke waarden.

  • 7. 
    Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door wijzigingen in

landgebruik, e

l, worden berekend door de totale emissies te delen door twintig jaar. Voor

de berekening van deze emissies wordt de volgende regel toegepast:

e

l = (CS

R CS

  • A) 
    x 3,664 x 1/20 x 1/P -e

B1

waarin:

e

l = op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van veranderingen van

koolstofvoorraden door wijzigingen in landgebruik (gemeten als massa CO

2-

equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen);

CS

R = de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als

massa koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het

referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee

tijdstippen: januari 2008 of twintig jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;

CS

A = de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijke landgebruik (gemeten als

massa koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie); Wanneer vorming

van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt

de waarde voor CS

A de geraamde voorraad per landeenheid na twintig jaar of

-

wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;

P = de productiviteit van het gewas (gemeten als energie van de biobrandstof per

landeenheid per jaar); en

e

B = bonus van 29 gCO

2eq/MJ voor biobrandstof indien de biomassa afkomstig is van

hersteld aangetast land, mits aan de in punt 8 gestelde voorwaarden is voldaan.

  • 8. 
    De bonus van 29 gCO

2eq/MJ wordt toegekend indien wordt bewezen dat het land:

(a) in januari 2008 niet voor landbouwdoeleinden of andere doeleinden werd gebruikt;

en

(b) tot een van de volgende categorieën behoort:

  • i) 
    hetzij ernstig is aangetast, ook als het gaat om land dat voorheen voor

landbouwdoeleinden werd gebruikt;

  • ii) 
    hetzij ernstig vervuild is.

De bonus van 29 gCO

2eq/MJ geldt voor een periode van X jaar, vanaf de datum dat

het land naar landbouwgebruik wordt omgezet, mits ten aanzien van het onder in

punt i) bedoelde land gezorgd wordt voor een gestage groei van de koolstofvoorraad

en een aanzienlijk vermindering van de erosieverschijnselen en dat voor het onder

punt ii) bedoelde land de bodemvervuiling wordt teruggedrongen.

  • 9. 
    De in punt 8, onder b), bedoelde categorieën worden als volgt gedefinieerd:

(a) onder "ernstig aangetaste gronden" wordt verstaan, gronden die gedurende een lange

tijdspanne significant verzilt zijn of die een significant laag gehalte aan organische

stoffen bevatten en die aan ernstige erosie lijden;

(b) onder "ernstig vervuilde gronden" wordt verstaan, gronden die wegens hun

vervuiling niet geschikt zijn voor het verbouwen van levensmiddelen of diervoeders.

Land waarover de Commissie een beslissing heeft genomen overeenkomstig artikel 7

quater, lid 3, vierde alinea, komt in aanmerking.

  • 10. 
    Het richtsnoer dat wordt vastgesteld krachtens Bijlage V, Deel C, punt 10 van Richtlijn

2009/...+/EG, dient als uitgangspunt voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond

voor de doeleinden van deze richtlijn.

  • 11. 
    Emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten, ep, omvatten de emissies van de

verwerking zelf, van afval en lekken en van de productie van chemische stoffen of

producten die bij de verwerking worden gebruikt.

Bij het berekenen van het verbruik aan elektriciteit die niet in de brandstofproductie-

installatie is geproduceerd, wordt de intensiteit van de broeikasgasemissie ten gevolge van

de productie en distributie van de elektriciteit geacht gelijk te zijn aan de gemiddelde

intensiteit van de emissies ten gevolge van de productie en distributie van elektriciteit in

een bepaald gebied. In afwijking van deze regel, mogen producenten een gemiddelde

waarde hanteren voor de elektriciteit die wordt geproduceerd door een individuele

installatie voor elektriciteitsproductie, als die installatie niet is aangesloten op het

elektriciteitsnet;

  • 12. 
    De emissies ten gevolge van vervoer en distributie, e

td, omvatten de emissies ten gevolge

van het vervoer en de opslag van grondstoffen en halfvergewerkte materialen en van de

opslag en distributie van afgewerkte materialen. Emissies ten gevolge van vervoer en

distributie die onder punt 6 in aanmerking worden genomen, vallen niet onder dit punt.

  • 13. 
    De emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof, e

u, worden geacht nul te zijn voor

biobrandstoffen.

  • 14. 
    Met betrekking tot de emissiereducties door het afvangen en geologisch opslaan van

koolstof, e

ccs, die niet zijn meegerekend in e

p, wordt alleen rekening gehouden met CO

2 die

het directe gevolg is van de ontginning, het vervoer, de verwerking en de distributie van

brandstof.

  • 15. 
    Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof, e

ccr,

  • 16. 
    Met betrekking tot de emissiereductie door extra elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling,

eee, wordt rekening gehouden met de extra elektriciteit van brandstofproductie-installaties

die gebruik maken van warmtekrachtkoppeling, behalve als de voor de

warmtekrachtkoppeling gebruikte brandstoffen andere bijproducten zijn dan residuen van

landbouwgewassen. Bij het berekenen van de extra elektriciteit wordt de omvang van de

warmtekrachtkoppelinginstallatie geacht te volstaan om minstens de warmte te leveren die

nodig is om de brandstof te produceren. De broeikasgasemissiereductie ten gevolge van

deze extra elektriciteit wordt geacht gelijk te zijn aan de hoeveelheid broeikasgas die zou

worden uitgestoten als een gelijke hoeveelheid elektriciteit werd opgewekt in een centrale

die gebruik maakt van dezelfde brandstof als de warmtekrachtkoppelinginstallatie.

  • 17. 
    Wanneer een proces voor de productie van brandstof niet alleen de brandstof waarvoor de

emissies worden berekend oplevert, maar ook één of meer andere producten

(bijproducten), worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de brandstof of het

tussenproduct ervan en de bijproducten, in verhouding tot hun energie-inhoud (de

calorische onderwaarde, in het geval van andere bijproducten dan elektriciteit).

  • 18. 
    Met het oog op de in punt 17 vermelde berekening zijn de te verdelen emissies e

ec + e

l, +

fracties van e

p, e

td en e

ee die ontstaan tot en met de stap van het proces waarin een

bijproduct wordt geproduceerd. Als een toewijzing aan bijproducten heeft plaatsgevonden

in een eerdere stap van het proces van de cyclus, wordt hiervoor de emissiefractie gebruikt

die in de laatste stap is toegewezen aan het tussenproduct in plaats van de totale emissies.

In het geval van biobrandstoffen wordt met het oog op deze berekening rekening gehouden

met alle bijproducten, inclusief elektriciteit, die niet onder punt 16 vallen, behalve residuen

van landbouwproducten zoals stro, bagasse, vliezen, kolven en notendoppen. Bijproducten

met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op deze berekening geacht een

energie-inhoud nul te hebben.

Afval, residuen van landbouwproducten, zoals stro, bagasse, vliezen, kolven en noten-

doppen, en residuen van verwerkende installaties, met inbegrip van ruwe glycerine (niet-

geraffineerde glycerine), worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies

te veroorzaken totdat ze worden verzameld.

In het geval van brandstoffen die in raffinaderijen worden geproduceerd, is de raffinaderij

de analyse-eenheid met het oog op de in punt 17 vermelde berekening.

  • 19. 
    Voor de in punt 4 bedoelde berekening wordt voor biobrandstoffen de laatste beschikbare

gemiddelde werkelijke emissie van het fossiele deel van in de Gemeenschap verbruikte

benzine en diesel, zoals gerapporteerd krachtens deze richtlijn, gebruikt voor de

vergelijking met fossiele brandstof (EF). Als deze gegevens niet beschikbaar zijn, wordt de

waarde 83,8 gCO

2eq/MJ gebruikt.

D. Gedesaggregeerde standaardwaarden voor biobrandstoffen

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor teelt: 'e

ec', zoals gedefinieerd in deel C van deze

bijlage

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemis sies(gCO

2eq/MJ)

2eq/MJ)

Suikerbietethanol 12 12

Graanethanol 23 23

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap 20 20

Suikerrietethanol 14 14

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad 29 29

Biodiesel uit zonnebloemen 18 18

Biodiesel uit sojabonen 19 19

Biodiesel uit palmolie 14 14

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemis sies(gCO

/MJ)

2eq/MJ) 2eq

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie*

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad 30 30

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen 18 18

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie 15 15

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad 30 30

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas

(*) Niet inbegrepen dierlijke olie vervaardigd van dierlijke bijproducten die zijn ingedeeld als categorie 3-materiaal overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor verwerking (inclusief extra elektriciteit): 'e

p - e

ee', zoals

gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemis sies(gCO

2eq/MJ)

2eq/MJ)

Suikerbietethanol 19 26

Graanethanol (procesbrandstof niet gespecificeerd) 32 45

Graanethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK- installatie) 32 45

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler) 21 30

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK- installatie) 14 19

Graanethanol (stro als procesbrandstof in WKK-installatie) 1 1

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie) 15 21

Suikerrietethanol 1 1

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemis sies(gCO

2eq/MJ)

2eq/MJ)

Biodiesel uit palmolie (proces niet gespecificeerd) 35 49

biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek) 13 18

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie 9 13

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad 10 13

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen 10 13

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces niet gespecificeerd) 30 42

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek) 7 9

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad 4 5

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas 14 20

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas 8 11

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas 8 11

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie: 'e

td', zoals gedefinieerd in deel C

van deze bijlage

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemis sies(gCO

2eq/MJ)

2eq/MJ)

Suikerbietethanol 2 2

Graanethanol 2 2

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap 2 2

Suikerrietethanol 9 9

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad 1 1

Biodiesel uit zonnebloemen 1 1

Biodiesel uit sojabonen 13 13

Biodiesel uit palmolie 5 5

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie 1 1

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemis sies(gCO

2eq/MJ)

2eq/MJ)

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen 1 1

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie 5 5

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad 1 1

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas 3 3

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas 5 5

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas 4 4

Totaal voor teelt, verwerking, vervoer en distributie

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemi ssies(gCO

/M

2eq/MJ) 2eq

J)

Suikerbietethanol 33 40

Graanethanol (procesbrandstof niet gespecificeerd) 57 70

Graanethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK- installatie) 57 70

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler) 46 55

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie) 39 44

Graanethanol (stro als procesbrandstof in WKK-installatie) 26 26

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie) 37 43

Suikerrietethanol 24 24

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemi ssies(gCO

2eq/M

2eq/MJ) J)

Biodiesel uit koolzaad 46 52

Biodiesel uit zonnebloemen 35 41

Biodiesel uit sojabonen 50 58

Biodiesel uit palmolie (proces niet gespecificeerd) 54 68

biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek) 32 37

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie 10 14

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad 41 44

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen 29 32

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces niet gespecificeerd) 50 62

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek) 27 29

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad 35 36

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas 17 23

E. Geraamde gedesaggregeerde standaardwaarden voor toekomstige biobrandstoffen die in

januari 2008 niet of in verwaarloosbare hoeveelheden in de handel waren

Gedesaggregeerde waarden voor teelt: 'e

ec', zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemi ssies(gCO

/M

2eq/MJ) 2eq

J)

Ethanol uit graanstro 3 3

Ethanol uit afvalhout 1 1

Ethanol uit geteeld hout 6 6

Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout 1 1

Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout 4 4

DME uit afvalhout 1 1

DME uit geteeld hout 5 5

Methanol uit afvalhout 1 1

Methanol uit geteeld hout 5 5

Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen Gelijk aan het gebruikte traject voor methanolproductie

Gedesaggregeerde waarden voor verwerking (inclusief extra elektriciteit): 'e

p - e

ee', zoals

gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemi ssies(gCO

2eq/MJ) 2eq/M

J)

Ethanol uit graanstro 5 7

Ethanol uit hout 12 17

Fischer-Tropsch diesel uit hout

DME uit hout

Methanol uit hout

Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen Gelijk aan het gebruikte traject voor methanolproductie

Gedesaggregeerde waarden voor vervoer en distributie: 'e

td', zoals gedefinieerd in deel C van deze

bijlage

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemi ssies(gCO

2eq/M

2eq/MJ) J)

Ethanol uit graanstro 2 2

Ethanol uit afvalhout 4 4

Ethanol uit geteeld hout 2 2

Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout 3 3

Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout 2 2

DME uit afvalhout 4 4

DME uit geteeld hout 2 2

Methanol uit afvalhout 4 4

Methanol uit geteeld hout 2 2

Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen Gelijk aan het gebruikte traject voor methanolproductie

Totaal voor teelt, verwerking, vervoer en distributie

Productietraject van biobrandstoffen Typische broeikasgas- emissies (gCOStandaard- broeikasgasemi ssies(gCO

/M

2eq/MJ) 2eq

J)

Ethanol uit graanstro 11 13

Ethanol uit afvalhout 17 22

Ethanol uit geteeld hout 20 25

Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout 4 4

Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout 6 6

DME uit afvalhout 5 5

DME uit geteeld hout 7 7

Methanol uit afvalhout 5 5

Methanol uit geteeld hout 7 7

Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen Gelijk aan het gebruikte traject voor methanolproductie

"

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

6 sep
'95
COM(1995)350 - Harmonisatie van nationale wetgeving inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes van inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines


15 apr
'92
COM(1992)141 - Harmonisatie van nationale wetgeving met betrekking tot PLEZIERVAARTUIGEN


10 jun
'91
COM(1991)154 - Zwavelgehalte van gasolie


Kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof


 
 
publicatiedatum 26-03-2009
kenmerk 3740/08

Inhoud