Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VANBrussel, 27 oktober 2008 (29.10)

(OR. en)

DE EUROPESE UNIEPUBLIC

14648/08 ADD 2

LIMITE

Interinstitutioneel dossier:

2007/0064 (COD)

AGRILEG 182 CODEC 1400 -

VERSLAG - ADDENDUM

van:

de Groep landbouwraden en -attachés

aan: het Coreper (1e deel)

nr. vorig doc.: 13546/08

nr. Comv.: 8653/07 + ADD 1 + ADD 2

Betreft: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90

Hierbij gaat voor de delegaties de door het voorzitterschap voorgestelde tekst van de ontwerp-

BIJLAGE

ONTWERP-

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor

residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong en

tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37 en

artikel 152, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie 1

,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité2,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's3

, 4

(1 bis) Om de volksgezondheid te beschermen moeten de maximumwaarden voor residuen worden

vastgesteld overeenkomstig algemeen erkende beginselen voor veiligheidsbeoordeling, waarbij

rekening moet worden gehouden met toxicologische risico's, verontreiniging door het milieu, en

microbiologische en farmacologische effecten van residuen. Ook moet rekening worden

gehouden met andere wetenschappelijke beoordelingen van de veiligheid van de betrokken

stoffen, die eventueel zijn verricht door internationale organisaties of in de Gemeenschap

gevestigde wetenschappelijke organen.

(2) Deze verordening heeft rechtstreeks betrekking op de volksgezondheid en is van belang voor de

werking van de interne markt voor producten van dierlijke oorsprong als opgenomen in bijlage I

bij het Verdrag. Daarom moeten voor verscheidene levensmiddelen van dierlijke oorsprong,

waaronder vlees, vis, melk, eieren en honing, maximumwaarden voor residuen van

farmacologisch werkzame stoffen worden vastgesteld.

(3) Bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire

procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor

diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong 1

zijn communautaire

procedures vastgesteld voor het beoordelen van de veiligheid van residuen van farmacologisch

werkzame stoffen aan de hand van veiligheidsvoorschriften voor levensmiddelen. Een

farmacologisch werkzame stof mag alleen bij voedselproducerende dieren worden gebruikt als

de beoordeling positief uitvalt. Als het nodig wordt geacht voor de bescherming van de

gezondheid van de mens, worden voor dergelijke stoffen maximumwaarden voor residuen

vastgesteld.

(5) De resolutie van het Europees Parlement van 3 mei 2001 over de beschikbaarheid van

geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik1

, de openbare raadpleging die de

Commissie in 2004 heeft gehouden en de beoordeling van de opgedane ervaring door de

Commissie hebben uitgewezen dat de procedures voor het vaststellen van maximumwaarden

voor residuen moeten worden gewijzigd, terwijl het algemene systeem voor het vaststellen

van deze waarden in stand moet worden gehouden.

(6) De maximumwaarden voor residuen zijn de ijkpunten voor de vaststelling, overeenkomstig

Richtlijn 2001/82/EG, van wachttijden in vergunningen voor het in de handel brengen van

geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die bestemd zijn voor voedselproducerende

dieren en voor de controle op residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong in de

lidstaten en aan grensinspectieposten.

(7) Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in

de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met

thyreostatische werking, alsmede van -agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen

81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/229/EEG2

verbiedt het gebruik van bepaalde stoffen voor

specifieke doeleinden bij voedselproducerende dieren. Deze verordening moet van

toepassing zijn onverminderd de Gemeenschapswetgeving die het gebruik van bepaalde

stoffen met hormonale werking bij voedselproducerende dieren verbiedt.

(8) In Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van

(9) In Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van

28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de

levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden 1

is het

communautair wetgevend kader voor levensmiddelen vastgesteld en zijn definities op dit

gebied opgenomen. Deze definities moeten van toepassing zijn in het kader van de

wetgeving inzake maximumwaarden voor residuen.

(10) In Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004

inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levens-

middelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzij2

n

zijn algemene

levensmiddelencontrolevoorschriften voor de Europese Gemeenschap vastgesteld en zijn

definities op dit gebied opgenomen. Deze definities en voorschriften moeten van toepassing

zijn in het kader van de wetgeving inzake maximumwaarden voor residuen. Er moet

prioriteit worden verleend aan de opsporing van het illegale gebruik van stoffen en een deel

van de monsters moet aan de hand van een op risico's gebaseerde aanpak worden

geselecteerd.

(11) Artikel 57 van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van

31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van

vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig

gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau 3belast het Europees

Geneesmiddelenbureau, hierna "het bureau" genoemd, met de taak advies uit te brengen

(13) Uit de openbare raadpleging en uit het feit dat de laatste jaren slechts weinig vergunningen

voor geneesmiddelen voor voedselproducerende dieren zijn verleend, blijkt dat de

verplichting om aan Verordening (EEG) nr. 2377/90 te voldoen tot een beperkte beschik-

baarheid van deze geneesmiddelen heeft geleid.

(14) Om de diergezondheid en het dierenwelzijn te kunnen waarborgen, moeten geneesmiddelen

beschikbaar zijn om specifieke aandoeningen te behandelen. Het ontbreken van geschikte

geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik om bepaalde aandoeningen bij specifieke

diersoorten te behandelen, kan bovendien leiden tot verkeerd of onrechtmatig gebruik van

stoffen.

(15) Het bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 ingestelde systeem moet dan ook worden gewijzigd,

mede om de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor voedselproducerende dieren te

vergroten. Om dit doel te bereiken moet worden bepaald dat het bureau systematisch moet

overwegen een voor een bepaalde diersoort of voor een bepaald levensmiddel vastgestelde

maximumwaarde voor residuen op een andere diersoort of een ander levensmiddel toe te

passen. In dit verband dient de toereikendheid van de reeds inherent in het systeem

aanwezige veiligheidsfactoren in aanmerking te worden genomen om ervoor te zorgen dat

de voedselveiligheid en het dierenwelzijn niet in het gedrang komen.

(16) geschrapt en opgenomen in nieuwe overweging 1 bis.

(18) Om het algehele kader voor maximumwaarden van residuen soepel te kunnen uitvoeren, zijn

gedetailleerde voorschriften betreffende de vorm en inhoud van aanvragen tot vaststelling

van maximumwaarden voor residuen en betreffende de methodologische beginselen voor de

risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicomanagement nodig.

(19) Naast geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik worden in de veehouderij ook andere

producten gebruikt, zoals biociden, waarop de specifieke residuenwetgeving niet van

toepassing is. Die biociden zijn omschreven in Richtlijn 98/8/EG van het Europees

Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van

biociden. Bovendien kunnen geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik waarvoor in de

Gemeenschap geen vergunning voor het in de handel brengen is verleend, in landen buiten

de Gemeenschap wel zijn toegelaten. De reden hiervoor kan zijn dat bepaalde ziekten of

diersoorten in andere gebieden vaker voorkomen, of dat bedrijven besloten hebben een

product niet in de Gemeenschap in de handel te brengen. Het feit dat een product in de

Gemeenschap niet is toegelaten, betekent niet noodzakelijkerwijs dat het gebruik ervan

onveilig is. De Commissie moet op basis van een advies van het bureau maximumwaarden

voor de residuen van de farmacologisch werkzame stoffen van dergelijke producten kunnen

vaststellen volgens de beginselen die zijn vastgesteld voor farmacologisch werkzame stoffen

die bedoeld zijn voor toepassing in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik. Tevens

moet Verordening (EG) nr. 726/2004 worden gewijzigd om de taken van het bureau uit te

breiden met het uitbrengen van advies over de maximumwaarden van residuen van

(20) In het kader van de Codex Alimentarius draagt de Gemeenschap bij tot de ontwikkeling van

internationale normen voor maximumwaarden voor residuen en waarborgt zij dat het hoge

niveau van bescherming van de gezondheid van de mens dat in de Gemeenschap is bereikt,

niet wordt aangetast. Daarom moet de Gemeenschap de door haar in de desbetreffende

vergadering van de Commissie van de Codex Alimentarius gesteunde maximumwaarden

voor residuen zonder verdere risicobeoordeling overnemen. Daarmee wordt de consistentie

tussen de internationale normen en de Gemeenschapswetgeving inzake maximumwaarden

voor residuen in levensmiddelen verder vergroot.

(21) Levensmiddelen worden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004 onderworpen aan

controles op residuen van farmacologisch werkzame stoffen. Ook als uit hoofde van deze

verordening geen maximumwaarde voor residuen van dergelijke stoffen is vastgesteld, kun-

nen zij in levensmiddelen voorkomen als gevolg van verontreiniging door het milieu of als

gevolg van de aanwezigheid van een natuurlijke metaboliet in het dier. Met laboratorium-

onderzoek kunnen dergelijke residuen bij steeds lagere niveaus worden opgespoord. De

controle op dergelijke residuen verschilt per lidstaat.

(21 bis) Krachtens Richtlijn 97/78/EG moet elke uit een derde land ingevoerde partij veterinaire

controles ondergaan, en in Beschikking nr. 2005/34 van de Commissie worden geharmoni-

seerde normen vastgesteld voor analyses op bepaalde residuen in producten van dierlijke

oorsprong die uit derde landen worden ingevoerd. De bepalingen van deze beschikking

moeten worden uitgebreid tot alle producten van dierlijke oorsprong die in de Gemeenschap

(22) Daarom is het passend dat de Gemeenschap voorziet in procedures voor het vaststellen van

actiedrempels voor controles bij concentraties van de residuen waarvoor laboratorium-

analyse technisch haalbaar is, teneinde de intracommunautaire handel en de invoer te

vergemakkelijken, zonder dat daarbij het hoge beschermingsniveau voor de gezondheid van

de mens in de Gemeenschap wordt aangetast. Het vaststellen van actiedrempels voor

controles mag echter geenszins als voorwendsel dienen om het illegale gebruik van

verboden of niet-toegelaten stoffen toe te staan bij de behandeling van voedselproducerende

dieren. Daarom moet elk residu van dergelijke stoffen in levensmiddelen van dierlijke

oorsprong als ongewenst worden beschouwd.

(22 bis) Het is tevens dienstig dat de Gemeenschap een geharmoniseerde aanpak vaststelt

ingeval lidstaten een steeds terugkerend probleem vaststellen, aangezien dat zou kunnen

duiden op een systematisch verkeerd gebruik van een bepaalde stof of een veronachtzaming

van de door derde landen geboden garanties ten aanzien van de productie van levens-

middelen die bestemd zijn voor invoer in de Gemeenschap. De lidstaten moeten de

Commissie steeds terugkerende problemen melden, en er moeten passende follow-

upmaatregelen worden genomen.

(23) De huidige wetgeving inzake maximumwaarden voor residuen moet worden vereenvoudigd

door in één verordening van de Commissie alle besluiten betreffende de indeling van

farmacologisch werkzame stoffen ten aanzien van residuen onder te brengen.

(24) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vast-

(25) De Commissie moet met name de bevoegdheid krijgen om methodologische beginselen vast

te stellen voor de risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicomanagement met betrek-

king tot de bepaling van de maximumwaarden voor residuen, alsmede om voorschriften

inzake de voorwaarden voor extrapolatie, maatregelen tot vaststelling van actiedrempels,

met inbegrip van maatregelen om deze opnieuw te bezien, en methodologische beginselen

en wetenschappelijke methoden voor de vaststelling van actiedrempels aan te nemen.

Aangezien het maatregelen van algemene strekking betreft, die bedoeld zijn om niet-

essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door deze verordening aan te vullen

met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten deze worden vastgesteld volgens de regel-

gevingsprocedure met toetsing van artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.

(25 bis) Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met

toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie voor de

aanneming van maatregelen tot vaststelling van actiedrempels en maatregelen tot herziening

daarvan de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure

kunnen toepassen.

(26) Daar de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk bescherming van de gezond-

heid van de mens en de diergezondheid en waarborging van de beschikbaarheid van

passende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, niet voldoende door de lidstaten

kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het

optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap,

(28) Er moet worden voorzien in een overgangsperiode om de Commissie in staat te stellen een

verordening voor te bereiden en vast te stellen waarin de farmacologisch werkzame stoffen

en hun indeling op basis van maximumwaarden voor residuen overeenkomstig de bijlagen I

tot en met IV bij Verordening (EEG) nr. 2377/90, alsmede sommige andere uitvoerings-

bepalingen voor deze nieuwe verordening, worden opgenomen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

  • 1. 
    Met het oog op het waarborgen van de voedselveiligheid omvat deze verordening voor-

schriften en procedures voor het vaststellen van:

(a) het maximumgehalte aan residuen van een farmacologisch werkzame stof dat toelaatbaar is in levensmiddelen van dierlijke oorsprong ("maximumwaarde voor residuen");

(b) het voor controledoeleinden vastgestelde niveau voor residuen van een farmacologisch werkzame stof, voor bepaalde stoffen waarvoor uit hoofde van deze verordening geen maximumwaarde voor residuen is vastgesteld ("actiedrempel").

  • 2. 
    Deze verordening is niet van toepassing op:

(a) werkzame bestanddelen van biologische oorsprong die bestemd zijn om een

actieve of passieve immuniteit teweeg te brengen of een toestand van

  • 3. 
    Deze verordening is van toepassing onverminderd de Gemeenschapswetgeving die het

gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking, thyreostatische werking, alsmede van

-agonisten bij voedselproducerende dieren verbiedt, zoals vervat in Richtlijn 96/22/EG.

Artikel 2

Definities

Naast de definities in artikel 1 van Richtlijn 2001/82/EG, artikel 2 van Verordening (EG)

nr. 882/2004 en de artikelen 2 en 3 van Verordening (EG) nr. 178/2002 gelden voor de toepassing

van deze verordening de volgende definities:

  • a) 
    onder "residuen van farmacologisch werkzame stoffen" worden verstaan alle farmacologisch

werkzame stoffen, uitgedrukt in milligram of microgram per kilogram vers product,

ongeacht of het werkzame stoffen, excipientia of afbraakproducten zijn, en de metabolieten

daarvan, die achterblijven in levensmiddelen van dierlijke oorsprong;

  • b) 
    "voedselproducerende dieren": dieren die specifiek met het oog op de productie van

levensmiddelen worden gefokt, gehouden, geslacht of verzameld.

TITEL II

MAXIMUMWAARDEN VOOR RESIDUEN

HOOFDSTUK 1: RISICOBEOORDELING EN -BEHEER

Afdeling 1: Farmacologisch werkzame stoffen die in de Gemeenschap worden gebruikt

voor toepassing in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik

Artikel 3

Aanvraag van een advies van het bureau

Behoudens in gevallen waarin de in artikel 13, lid 3 bedoelde procedure van de Codex Alimentarius

van toepassing is, moet voor elke farmacologisch werkzame stof die bedoeld is voor gebruik in

geneesmiddelen die in de Gemeenschap aan voedselproducerende dieren worden toegediend, een

advies van het Europees Geneesmiddelenbureau ("het bureau") betreffende de maximumwaarde

voor residuen worden opgesteld door het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig

gebruik ("het comité"), die ingesteld zijn bij respectievelijk de artikelen 55 en 30 van Verordening

(EG) nr. 726/2004.

Aanvragers van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel voor dier-

geneeskundig gebruik waarin een dergelijke stof wordt toegepast, personen die voornemens zijn een

Artikel 4

Advies van het bureau

  • 1. 
    Het advies van het bureau omvat een wetenschappelijke risicobeoordeling en aanbevelingen

inzake risicomanagement.

  • 2. 
    Met de wetenschappelijke risicobeoordeling en de aanbevelingen inzake risicomanagement

wordt beoogd een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens te waar-

borgen en tegelijkertijd ervoor te zorgen dat de gezondheid van mensen en dieren en het

dierenwelzijn niet negatief worden beïnvloed doordat geen geschikte geneesmiddelen voor

diergeneeskundig gebruik beschikbaar zijn. Bij dergelijke aanbevelingen wordt rekening

gehouden met eventuele relevante wetenschappelijke bevindingen van de Europese

Autoriteit voor voedselveiligheid.

Artikel 5

Extrapolatie

Om te waarborgen dat toegelaten geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik beschikbaar zijn

voor aandoeningen van voedselproducerende diersoorten, overweegt het bureau, onder waarborging

van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens, bij de uitvoering van

wetenschappelijke risicobeoordelingen en de opstelling van aanbevelingen inzake risico-

Artikel 6

Wetenschappelijke risicobeoordeling

  • 1. 
    Bij de wetenschappelijke risicobeoordeling wordt gelet op het metabolisme en de depletie van

farmacologisch werkzame stoffen bij relevante diersoorten en op het type en de hoeveelheid

residuen die een mens gedurende zijn leven zonder noemenswaardig gezondheidsrisico kan

consumeren, uitgedrukt als de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI). Als de Commissie

overeenkomstig artikel 12, lid 1, heeft voorzien in alternatieven voor de ADI, mogen die ook

worden gebruikt.

  • 2. 
    De wetenschappelijke risicobeoordeling betreft:

(a) het type en de hoeveelheid residuen die worden geacht geen gevaar voor de gezondheid

van de mens te vormen;

(b) het risico van toxicologische, farmacologische of microbiologische effecten bij

mensen;

(c) residuen die in levensmiddelen van plantaardige oorsprong voorkomen of uit het milieu

afkomstig zijn.

  • 3. 
    Als een beoordeling van het metabolisme en de depletie van de stof niet mogelijk is, kan bij

de wetenschappelijke risicobeoordeling rekening worden gehouden met monitorings- of

blootstellingsgegevens.

  • a) 
    de beschikbaarheid van alternatieve stoffen voor de behandeling van de betrokken diersoorten

en de noodzakelijkheid van de beoordeelde stof om onnodig dierenleed te voorkomen of om

de gezondheid van degenen die de dieren behandelen te beschermen;

  • b) 
    andere legitieme factoren, zoals de technologische aspecten van de levensmiddelen- en

diervoederproductie, de uitvoerbaarheid van controles, de gebruiksvoorwaarden, de

toepassing van de stoffen in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, goede praktijken

bij het gebruik van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik en biociden, en de kans op

verkeerd of onrechtmatig gebruik;

c)

de vraag of er al dan niet een maximumwaarde voor residuen of een voorlopige maximum-

waarde voor residuen moet worden vastgesteld voor een farmacologisch werkzame stof in

geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, de hoogte van die maximumwaarde, en

eventuele voorwaarden of beperkingen voor het gebruik van de betrokken stof;

d)

de vraag of de verstrekte gegevens ontoereikend zijn om een veilige maximumwaarde vast te

stellen, dan wel of, gezien het een gebrek aan wetenschappelijke gegevens, geen definitieve

conclusie kan worden getrokken omtrent het risico voor de gezondheid van de mens van

residuen van een stof. In ieder geval kan geen maximumwaarde voor residuen worden

aanbevolen.

Artikel 8

Aanvragen en procedures

  • 2. 
    Het bureau zorgt ervoor dat het advies van het comité wordt uitgebracht binnen 210 dagen na

ontvangst van een geldige aanvraag overeenkomstig artikel 3 en lid 1 van dit artikel. Deze

termijn wordt opgeschort wanneer het bureau vraagt binnen een specifieke termijn nadere

informatie over de stof te verstrekken, totdat de gevraagde nadere informatie is verstrekt.

  • 3. 
    Het bureau zendt het in artikel 4 bedoelde advies naar de aanvrager. Binnen 15 dagen na

ontvangst van het advies kan de aanvrager het bureau schriftelijk in kennis stellen van zijn

voornemen om bezwaar aan te tekenen. In dat geval zendt de aanvrager binnen zestig dagen

na ontvangst van het advies een gedetailleerd bezwaarschrift naar het bureau.

Het comité besluit binnen zestig dagen na ontvangst van het bezwaarschrift of het zijn advies

moet herzien. De motivering van het besluit over het bezwaarschrift wordt bij het in lid 4

bedoelde definitieve advies gevoegd.

  • 4. 
    Het bureau zendt het definitieve advies, met vermelding van zijn conclusies, binnen 15 dagen

na goedkeuring naar de Commissie en de aanvrager.

Afdeling 2: Andere farmacologisch werkzame stoffen waarvoor het bureau om advies

kan worden verzocht

Artikel 9

(a) de betrokken stof is toegelaten voor toepassing in een geneesmiddel voor diergenees-

kundig gebruik in een derde land en er is voor deze stof geen aanvraag tot vast-

stelling van een maximumwaarde voor residuen met betrekking tot het betrokken

levensmiddel of de betrokken diersoort overeenkomstig artikel 3 ingediend; of

(b) de betrokken stof is opgenomen in een geneesmiddel dat bedoeld is om te worden

gebruikt overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2001/82/EG, en er is voor deze stof

geen aanvraag tot vaststelling van een maximumwaarde voor residuen met

betrekking tot het betrokken levensmiddel of de betrokken diersoort overeenkomstig

artikel 3 ingediend.

In het geval van punt b), wanneer het kleinere soorten of beperkt gebruik betreft, kan het verzoek

bij het bureau worden ingediend door een belanghebbende partij of organisatie.

De artikelen 4 tot en met 7 zijn van toepassing.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde verzoeken om advies moeten voldoen aan de voor-

schriften voor vorm en inhoud die de Commissie overeenkomstig artikel 12, lid 1, heeft vastgesteld.

  • 2. 
    Het bureau zorgt ervoor dat het advies van het comité wordt uitgebracht binnen 210 dagen na

ontvangst van het verzoek door de Commissie, een lidstaat, een belanghebbende partij of

  • 3. 
    Het bureau zendt het definitieve advies, met vermelding van zijn conclusies, binnen 15 dagen

na goedkeuring naar de Commissie en, in voorkomend geval, naar de lidstaat of de belang-

hebbende partij of organisatie die het verzoek heeft ingediend.

Artikel 9 bis

Farmacologisch werkzame stoffen in biociden die in de veehouderij worden gebruikt

  • 1. 
    Voor de toepassing van artikel 10, lid 2, onder ii), van Richtlijn 98/8/EG wordt, voor een

farmacologisch werkzame stof die bedoeld is om in een in de veehouderij toegepast biocide te

worden gebruikt, de maximumwaarde voor residuen vastgesteld:

(a) overeenkomstig de procedure van artikel 9 voor:

  • combinaties van werkzame stoffen/productsoorten die zijn opgenomen in het

tienjarige werkprogramma als bedoeld in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG,

  • combinaties van werkzame stoffen/productsoorten die moeten worden opgenomen in

de bijlagen I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG, waarvoor een dossier door de in artikel

11, lid 1, punt b), van die richtlijn bedoelde bevoegde autoriteit vóór de datum van

  • 2. 
    De Commissie deelt de in lid 1 bedoelde farmacologisch werkzame stoffen in overeenkomstig

artikel 13. Met het oog op de indeling neemt de Commissie een in artikel 14 bedoelde

verordening aan.

Eventuele specifieke bepalingen betreffende de gebruiksvoorwaarden van de overeenkomstig de

eerste alinea ingedeelde stoffen worden echter krachtens artikel 10, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG

vastgesteld.

  • 3. 
    De kosten voor beoordelingen door het bureau naar aanleiding van een verzoek overeenkomstig

lid 1, punt a), worden gedekt door de begroting van het bureau als bedoeld in artikel 67 van

Verordening (EG) nr. 726/2004. Dit is echter niet van toepassing op de beoordelingskosten die

door een overeenkomstig artikel 62, lid 1, van Verordening (EG) nr. 726/2004 als rapporteur

aangewezen lidstaat worden gemaakt voor de vaststelling van een maximumwaarde voor

residuen, als die lidstaat reeds een vergoeding voor deze beoordeling heeft ontvangen op grond

van artikel 25 van Richtlijn 98/8/EG.

Het bedrag van de vergoedingen voor beoordelingen die door het bureau en de als rapporteur

aangewezen lidstaten worden verricht ingevolge een aanvraag overeenkomstig artikel 1, punt b),

wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 70 van Verordening (EG) nr. 726/2004. Verordening

(EG) nr. 297/95 van de Raad inzake de vergoedingen die aan het Europees Bureau voor de

geneesmiddelenbeoordeling dienen te worden betaald, is van toepassing.

Afdeling 3: Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 10

Herziening van een advies

Wanneer de Commissie, de in artikel 3 bedoelde aanvrager, of een lidstaat ten gevolge van nieuwe

gegevens van oordeel is dat een advies moet worden herzien om de gezondheid van mens of dier te

beschermen, kunnen zij het bureau verzoeken een nieuw advies over de betrokken stoffen uit te

brengen.

Wanneer een maximumwaarde voor residuen voor een farmacologisch werkzame stof overeen-

komstig deze verordening is vastgesteld voor specifieke levensmiddelen of diersoorten, zijn de

artikelen 3 en 9 van toepassing op de vaststelling van een maximumwaarde voor residuen voor die

stof in andere levensmiddelen of diersoorten.

Het verzoek moet vergezeld gaan van informatie over het te beoordelen vraagstuk. Op het nieuwe

advies is artikel 8, leden 2, 3 en 4, dan wel artikel 9, leden 2 en 3, van toepassing.

Artikel 11

Publicatie van adviezen

De in de artikelen 4, 9 en 10 bedoelde adviezen worden door het bureau gepubliceerd, met

Artikel 12

Uitvoeringsmaatregelen

  • 1. 
    De Commissie stelt in overleg met het bureau en volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde

regelgevingsprocedure de vorm vast waarin de in artikel 3 bedoelde aanvragen en de in

artikel 9 bedoelde verzoeken moeten worden ingediend, alsmede de inhoud van deze

aanvragen en verzoeken;

  • 2. 
    De Commissie stelt in overleg met het bureau, de lidstaten en de belanghebbende partijen het

volgende vast:

(a) de methodische beginselen, met inbegrip van technische voorschriften volgens

internationaal overeengekomen normen, voor de in de artikelen 6 en 7 bedoelde

risicobeoordeling en aanbevelingen inzake risicomanagement.

(b) voorschriften voor het toepassen van maximumwaarden voor residuen voor een

bepaald levensmiddel op een ander levensmiddel dat afkomstig is van dezelfde

diersoort, of het toepassen van maximumwaarden voor residuen voor een of meer

diersoorten op andere diersoorten, zoals bedoeld in artikel 5. In deze voorschriften

wordt bepaald op welke wijze en onder welke voorwaarden wetenschappelijke

gegevens over residuen in een bepaald levensmiddel of in een of meer diersoorten

kunnen worden gebruikt voor de vaststelling van maximumwaarden voor residuen in

HOOFDSTUK II INDELING

Artikel 13

Indeling van farmacologisch werkzame stoffen

  • 1. 
    De farmacologisch werkzame stoffen waarvoor het bureau overeenkomstig artikel 4, 9 of 10

een advies betreffende maximumwaarden voor residuen heeft uitgebracht, worden door de

Commissie ingedeeld.

  • 2. 
    De indeling omvat een lijst van farmacologisch werkzame stoffen met vermelding van de

therapeutische klassen waartoe zij behoren. Bij de indeling wordt voor elke farmacologisch

werkzame stof en in voorkomend geval voor specifieke levensmiddelen/diersoorten ook een

van de volgende zaken vastgesteld:

(a) een maximumwaarde voor residuen;

(b) een voorlopige maximumwaarde voor residuen;

(c) het ontbreken van de noodzaak om een maximumwaarde voor residuen vast te

stellen;

  • 3. 
    Er wordt een maximumwaarde voor residuen vastgesteld wanneer dit nodig blijkt te zijn om

de menselijke gezondheid te beschermen:

(a) op grond van een advies van het bureau overeenkomstig artikel 4, 9 of 10; of

(b)

op grond van het besluit van de Codex Alimentarius-Commissie, zonder bezwaar van

de delegatie van de Gemeenschap, over een maximumwaarde voor residuen van een

farmacologisch werkzame stof bestemd voor toepassing in een geneesmiddel voor

diergeneeskundig gebruik, op voorwaarde dat de wetenschappelijke gegevens die in

aanmerking zijn genomen, voorafgaand aan het besluit in de Codex Alimentarius-

Commissie zijn medegedeeld aan de delegatie van de Gemeenschap. In dit geval is

een aanvullende beoordeling door het bureau niet nodig.

  • 4. 
    Er kan een voorlopige maximumwaarde voor residuen van een farmacologisch werkzame stof

worden vastgesteld wanneer de wetenschappelijke gegevens onvolledig zijn, mits er geen

redenen zijn om aan te nemen dat de residuen van de betrokken stof bij het voorgestelde

niveau een gevaar voor de gezondheid van de mens vormen.

De voorlopige maximumwaarde voor residuen geldt voor een bepaalde termijn van ten

hoogste vijf jaar. Deze termijn kan eenmalig met ten hoogste twee jaar worden verlengd

wanneer aangetoond is dat lopende wetenschappelijke studies daardoor kunnen worden

voltooid.

  • 6. 
    In elk van de volgende gevallen wordt de toediening van een stof aan voedselproducerende

dieren op grond van een advies overeenkomstig artikel 4, 9 of 10 verboden:

(a) wanneer de aanwezigheid van een farmacologisch werkzame stof of residuen

ervan in levensmiddelen van dierlijke oorsprong een risico voor de menselijke

gezondheid kan vormen;

(b) wanneer met betrekking tot residuen van een stof geen definitieve conclusie kan

worden getrokken omtrent het risico voor de gezondheid van de mens.

  • 7. 
    Wanneer dit nodig blijkt om de menselijke gezondheid te beschermen, worden bij de indeling

voorwaarden en beperkingen vermeld voor het gebruik of de toepassing van een in genees-

middelen voor diergeneeskundig gebruik toegepaste farmacologisch werkzame stof waarvoor

een maximumwaarde voor residuen geldt of waarvoor geen maximumwaarde voor residuen is

vastgesteld.

Artikel 13 bis

Versnelde procedure voor een advies van het bureau

  • 1. 
    In specifieke gevallen, wanneer voor een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik of een

biocide een dringende toelating noodzakelijk is om de gezondheid van mens of dier of het

dierenwelzijn te beschermen, kan de Commissie, eenieder die overeenkomstig artikel 3 advies

  • 2. 
    De vorm en inhoud van de aanvraag worden vastgesteld door de Commissie overeenkomstig

de bepalingen van artikel 12, lid 1.

  • 3. 
    In afwijking van de in artikel 8, lid 2, en artikel 9, lid 2, vastgestelde termijnen zorgt het

bureau ervoor dat het advies van het comité wordt uitgebracht binnen 120 dagen na ontvangst

van de aanvraag.

Artikel 13 ter

Toediening van stoffen aan voedselproducerende dieren

Alleen farmacologisch werkzame stoffen die conform artikel 13, lid 2, onder a), b) of c), worden

ingedeeld, mogen binnen de Gemeenschap aan voedselproducerende dieren worden toegediend, op

voorwaarde dit in overeenstemming met de bepalingen van Richtlijn 2001/82/EG geschiedt.

De voorgaande alinea is niet van toepassing in geval van klinische proeven die door de bevoegde

autoriteiten zijn aanvaard na kennisgeving of goedkeuring ervan overeenkomstig de geldende

wetgeving en die niet tot gevolg hebben dat levensmiddelen, die worden verkregen van

landbouwhuisvee dat voor dergelijke proeven wordt gebruikt, residuen bevatten die gevaar

opleveren voor de gezondheid van de mens.

Artikel 14

Procedure

  • 1. 
    Binnen dertig dagen na ontvangst van het advies van het bureau als bedoeld in artikel 4,

artikel 9, lid 1, of artikel 10, stelt de Commissie een ontwerp-verordening op met het oog op

de in artikel 13 bedoelde indeling. De Commissie stelt eveneens een ontwerp-verordening op

binnen dertig dagen na ontvangst van het besluit dat door de Codex Alimentarius-Commissie,

zonder bezwaar van de delegatie van de Gemeenschap, is aangenomen ten gunste van de

vaststelling van een maximumwaarde voor residuen als bedoeld in artikel 13, lid 3.

Indien het advies van het bureau vereist is en de ontwerp-verordening daarvan afwijkt, geeft

de Commissie een gedetailleerde uiteenzetting van de redenen voor de afwijkingen.

  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde verordening wordt door de Commissie volgens de in artikel 20, lid 2,

bedoelde regelgevingsprocedure goedgekeurd binnen dertig dagen na het einde van de

regelgevingsprocedure.

  • 3. 
    Bij de versnelde procedure als bedoeld in artikel 13 bis, stelt de Commissie de in lid 1 van dit

artikel bedoelde verordening vast volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde regelgevings-

procedure en binnen 15 dagen na het einde daarvan.

TITEL III

ACTIEDREMPELS

Artikel 15

Vaststelling en heroverweging

Wanneer dit met het oog op de uitvoering van controles op ingevoerde of in de handel gebrachte

levensmiddelen van dierlijke oorsprong overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004

noodzakelijk wordt geacht, kan de Commissie actiedrempels vaststellen voor residuen van

farmacologisch werkzame stoffen die niet overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder a), b) of c), zijn

ingedeeld.

De actiedrempels worden regelmatig opnieuw bezien in het licht van nieuwe wetenschappelijke

gegevens in verband met voedselveiligheid, het resultaat van de in artikel 19 ter vermelde controles

en de technologische vooruitgang.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden

vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om

dwingende urgente redenen mag de Commissie gebruik maken van de in artikel 21, lid 4, bedoelde

urgentieprocedure.

  • 2. 
    Onverminderd artikel 29, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 178/2002 verzoekt

de Commissie in voorkomend geval de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid een risico-

beoordeling uit te voeren om te bepalen of de actiedrempels afdoende zijn om de gezondheid

van de mens te beschermen. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid brengt binnen

210 dagen na ontvangst van een dergelijk verzoek advies uit aan de Commissie.

  • 3. 
    De beginselen van risicobeoordeling worden toegepast om een hoog niveau van bescherming

van de gezondheid te waarborgen. De risicobeoordeling is gebaseerd op door de Commissie

in overleg met de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid vast te stellen methodologische

beginselen wetenschappelijke methoden.

Deze voorschriften, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen

door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 3, bedoelde regel-

gevingsprocedure met toetsing.

Artikel 17

Bijdrage van de Gemeenschap aan ondersteunende maatregelen voor actiedrempels

Wanneer het voor de toepassing van deze titel nodig is dat de Gemeenschap maatregelen financiert

om de vaststelling en toepassing van de actiedrempels te ondersteunen, is artikel 66, lid 1, onder c),

van Verordening (EG) nr. 882/2004 van toepassing.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 18

Analysemethoden

Het bureau raadpleegt de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004 door de Commissie

aangewezen communautaire referentielaboratoria voor laboratoriumanalyse van residuen over

geschikte analysemethoden voor het opsporen van residuen van farmacologisch werkzame stoffen

waarvoor overeenkomstig artikel 13 maximumwaarden voor residuen zijn vastgesteld. Met het oog

op geharmoniseerde controles, stelt het bureau deze methoden ter beschikking in de overeenkomstig

Verordening (EG) nr. 882/2004 aangewezen communautaire referentielaboratoria en nationale

referentielaboratoria.

Artikel 19

Verkeer van levensmiddelen

Wanneer aan deze verordening en haar uitvoeringsmaatregelen is voldaan, mogen de lidstaten de

Artikel 19 bis

In de handel brengen

Levensmiddelen van dierlijke oorsprong die residuen van een farmacologisch werkzame stof

bevatten die

  • 1) 
    ingedeeld zijn overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder a), b) of c), en die de overeenkomstig

deze verordening vastgestelde maximumwaarde voor residuen overschrijden, of

  • 2) 
    niet ingedeeld zijn overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder a), b) of c), tenzij voor die stof

overeenkomstig deze verordening een actiedrempel is vastgesteld en het residuenniveau onder

die actiedrempel ligt,

worden geacht niet in overeenstemming te zijn met de Gemeenschapswetgeving.

De nadere regels voor de maximumwaarde van residuen ten behoeve van de controle van

levensmiddelen van dierlijke oorsprong die zijn behandeld volgens de bepalingen van artikel 11 van

Richtlijn 2001/82/EG, worden aangenomen door de Commissie volgens de in artikel 21, lid 2,

bedoelde regelgevingsprocedure.

Artikel 19 ter

  • 2. 
    Wanneer de onderzoeks- of analyseresultaten voor producten van dezelfde oorsprong een

terugkerend patroon vertonen dat wijst op een mogelijk probleem, registreert de bevoegde

autoriteit de bevindingen en brengt zij de Commissie en de andere lidstaten in het Permanent

Comité voor de voedselketen en de diergezondheid hiervan op de hoogte.

  • 3. 
    Waar passend doet de Commissie voorstellen en brengt zij, in het geval van derde landen van

oorsprong, deze kwestie onder de aandacht van de bevoegde instantie van het betrokken land

of de betrokken landen van oorsprong en verzoekt zij hen om de terugkerende aanwezigheid

van deze residuen te verklaren.

  • 4. 
    De gedetailleerde voorschriften ter zake worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 21,

lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. -

Artikel 20

Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor

diergeneeskundig gebruik.

  • 2. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van

toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 21

Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de

diergezondheid.

  • 2. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van

toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van

Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op één maand.

  • 3. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van

Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

  • 4. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van

Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 22

Indeling van farmacologisch werkzame stoffen krachtens Verordening (EEG) nr. 2377/90

  • 1. 
    Binnen zestig dagen na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie volgens
  • 2. 
    De Commissie of de lidstaten kunnen ook voor elke in lid 1 bedoelde stof waarvoor

overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2377/90 een maximumwaarde voor residuen is

vastgesteld, het bureau om advies verzoeken betreffende de in artikel 5 bedoelde extrapolatie

naar andere diersoorten of weefsels.

De procedure van artikel 14 is van toepassing.

Artikel 22 bis

Verslag aan het Europees Parlement en de Raad

  • 1. 
    Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening brengt de Commissie bij het

Europees Parlement en bij de Raad verslag uit.

  • 2. 
    Het verslag behandelt met name de bij de toepassing van deze verordening opgedane ervaring,

met name die welke is opgedaan met stoffen voor meervoudig gebruik die overeenkomstig

deze verordening zijn ingedeeld.

  • 3. 
    Het verslag gaat, zo nodig, vergezeld van passende voorstellen.

Artikel 23

Artikel 23 bis

Wijziging

  • 1. 
    Verordening (EG) nr. 726/2004 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 57 wordt lid 1, onder g), vervangen door:

"het uitbrengen van advies over de maximumgehalten aan residuen van geneesmiddelen voor

diergeneeskundig gebruik en in de veehouderij gebruikte biociden die in levensmiddelen van

dierlijke oorsprong kunnen worden aanvaard overeenkomstig Verordening ..."

  • 2. 
    Richtlijn 2001/82/EG wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 11, lid 2, wordt vervangen door:

"2. De bepalingen van lid 1 zijn van toepassing op voorwaarde dat de farmacologisch werkzame

stoffen in het geneesmiddel zijn opgenomen in bijlage I, II of III bij Verordening (EEG) nr.

2377/90 en de dierenarts een passende wachttijd vaststelt.

Tenzij op het gebruikte geneesmiddel de wachttijd voor de betrokken diersoorten is aangegeven,

mag de opgegeven wachttijd niet minder bedragen dan:

  • 7 dagen: voor eieren,

Artikel 10, lid 3, wordt vervangen door:

"3. In afwijking van artikel 11 en volgens de in artikel 89, lid 2, bedoelde procedure stelt de

Commissie een lijst van stoffen vast:

  • die essentieel zijn voor de behandeling van paardachtigen, of
  • een klinische meerwaarde bieden in vergelijking met andere voor paardachtigen beschikbare

behandelingsopties,

en waarvoor de wachttijd niet minder dan zes maanden bedraagt, overeenkomstig de

controlemechanismen die zijn vastgesteld in Beschikking 93/623/EEG en Beschikking 2000/68/EG

van de Commissie."

Artikel 24

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in

het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

17 apr
'07
Vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong


17 apr
'07
COM(2007)194 - Gemeenschappelijke procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong


29 sep
'04
COM(2004)599 - Geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik


5 feb
'03
COM(2003)52 - Officiële controles van diervoeders en levensmiddelen


11 dec
'02
COM(2002)719 - Wijziging van Besluit 1999/468/EG tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden


11 jul
'02
COM(2002)377 - Specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong


22 mrt
'02
COM(2002)153 - Toevoegingsmiddelen voor diervoeding


27 dec
'01
COM(2001)789 - Aanpassing van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegden die zijn vastgelegd in volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag goedgekeurde besluiten van het Europees Parlement en de Raad


26 nov
'01
COM(2001)404 - Wijziging van Richtlijn 2001/82/EG tot vaststelling van een gemeenschappelijk wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik


26 nov
'01
COM(2001)404 - Gemeenschappelijke procedures voor het verlenen van vergunningen, het toezicht en de geneesmiddelenbewaking met betrekking tot geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling


 
 
publicatiedatum 27-10-2008
kenmerk 14648/08 ADD 2

Inhoud