VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VAN Brussel, 16 januari 2009

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

16765/08

Interinstitutioneel dossier:

2008/0103 (CNS)

AGRI 427 AGRIORG 132 AGRIFIN 110

WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN

Betreft:

VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling van gemeen- schappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steun- verlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003

VERORDENING (EG) Nr. .../2009 VAN DE RAAD

van

tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen

inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers

in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers,

tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006,

(EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 36,

artikel 37 en artikel 299, lid 2,

Gelet op de Akte van toetreding van 1979, en met name op punt 6 van het daaraan gehechte

Protocol nr. 4 betreffende katoen,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Op grond van bepalingen die zijn opgenomen in de in 2003 en 2004 goedgekeurde

hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) moeten de

doeltreffendheid van de hervormingen worden onderzocht. De Commissie heeft in dit

verband op 20 november 2007 bij het Europees Parlement en de Raad de mededeling

"Voorbereiding van de gezondheidscontrole van de GLB-hervorming" ingediend1. Er moet

rekening worden gehouden met deze mededeling, de bespreking van de belangrijkste

daarin vervatte elementen in het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch

en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's en de talrijke bijdragen in het kader van

het openbaar overleg.

(2) Bepaalde elementen van het steunmechanisme moeten worden aangepast, zo blijkt in het

bijzonder uit de ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van Verordening (EG)

nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke

voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het

gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen2. Met

name moeten meer vormen van rechtstreekse steun worden ontkoppeld en dient de werking

van de bedrijfstoeslagregeling te worden vereenvoudigd. Bovendien is Verordening (EG)

nr. 1782/2003 herhaaldelijk grondig gewijzigd. Om deze redenen en omwille van de

duidelijkheid moet zij worden ingetrokken en worden vervangen door de onderhavige

verordening.

(3) Op grond van Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt een verlaging of uitsluiting toegepast

van de rechtstreekse steun aan landbouwers die niet voldoen aan bepaalde voorschriften op

het gebied van volksgezondheid, gezondheid van dieren en planten, milieu en dieren-

welzijn. Deze "randvoorwaarden" maken integraal deel uit van de communautaire

steunverlening in de vorm van rechtstreekse betalingen en dienen derhalve te worden

behouden. Een aantal voorschriften binnen de werkingssfeer van de randvoorwaarden

blijkt echter onvoldoende betrekking te hebben op landbouwactiviteiten of landbouwgrond,

of gaat veeleer de nationale autoriteiten aan dan de landbouwers. Daarom dient de

werkingssfeer van de randvoorwaarden te worden aangepast.

(4) Om te voorkomen dat landbouwgrond wordt opgegeven en te waarborgen dat deze grond

in goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden, is bovendien bij Verordening (EG)

nr. 1782/2003 een communautair kader vastgesteld waarbinnen de lidstaten normen

vaststellen met inachtneming van de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden,

inclusief de bodem- en klimaatgesteldheid en de bestaande landbouwsystemen,

grondgebruik, vruchtwisseling, landbouwpraktijken en de structuur van de landbouw-

bedrijven. Dit kader moet worden gehandhaafd. De ervaring leert echter dat bepaalde

normen niet voldoende relevant zijn of niet voldoende positieve effecten hebben om te

rechtvaardigen dat zij door alle lidstaten worden toegepast. Dergelijke normen moeten

derhalve facultatief zijn voor de lidstaten. Om voor een zo consistent mogelijk kader te

zorgen, mag een norm niet facultatief zijn indien de betrokken lidstaat vóór 2009 op basis

van de betrokken norm reeds een minimumeis heeft vastgesteld of indien er met betrekking

(5) De afschaffing van de verplichte braaklegging in het kader van de bedrijfstoeslagregeling

overeenkomstig deze verordening kan in bepaalde gevallen nadelige gevolgen hebben voor

het milieu, met name voor sommige landschapselementen. Daarom moeten de commu-

nautaire bepalingen die tot doel hebben duidelijk omschreven landschapselementen te

beschermen, worden aangescherpt. In specifieke situaties moet een lidstaat ook in de

vaststelling en/of het behoud van habitats kunnen voorzien.

(6) In bepaalde gebieden wordt het steeds problematischer de watervoorraden voor land-

bouwactiviteiten te beschermen en te beheren. Het communautaire kader voor een goede

landbouw- en milieuconditie dient daarom ook te worden versterkt teneinde water tegen

verontreiniging en afspoeling te beschermen en het watergebruik te beheren.

(7) In Verordening (EG) nr. 1782/2003 is het positieve effect van blijvend grasland op het

milieu erkend. De maatregelen in die verordening ter bevordering van de instandhouding

van bestaand blijvend grasland om een massale omzetting in bouwland te voorkomen,

dienen te worden gehandhaafd.

(8) Voor een beter evenwicht tussen de beleidsinstrumenten die op bevordering van duurzame

landbouw zijn gericht enerzijds, en die welke bevordering van de plattelandsontwikkeling

tot doel hebben anderzijds, is bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 op verplichte basis een

systeem ingevoerd waarbij de rechtstreekse betalingen geleidelijk worden verlaagd

("modulatie"). Dit systeem moet worden behouden en moet de vrijstelling van modulatie

voor de eerste 5000 euro aan rechtstreekse betalingen omvatten.

(9) De besparingen die voortvloeien uit modulatie worden gebruikt voor de financiering van

maatregelen in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid. Sinds de aanneming van

Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt de landbouwsector geconfronteerd met nieuwe,

veeleisende uitdagingen, zoals de klimaatverandering en het toenemende belang van bio-

energie, alsook de behoefte aan beter waterbeheer en aan een efficiëntere bescherming van

de biodiversiteit. Als verdragsluitende partij bij het Protocol van Kyoto1 is de Europese

Gemeenschap ertoe gehouden haar beleid aan te passen in het licht van de klimaat-

veranderingsproblematiek. Naar aanleiding van ernstige problemen in verband met water-

schaarste en droogte oordeelde de Raad bovendien in zijn conclusies "Waterschaarste en

droogten" van 30 oktober 2007 dat de waterbeheersvraagstukken in de landbouw nader

moeten worden bestudeerd. Voorts heeft de Raad er in zijn conclusies "Het biodiversiteits-

verlies uiterlijk in 2010 een halt toeroepen" van 18 december 2006 op gewezen dat de

bescherming van de biodiversiteit een zeer belangrijke uitdaging blijft en dat, hoewel

belangrijke vorderingen zijn geboekt, extra inspanningen moeten worden geleverd, wil de

Gemeenschap haar biodiversiteitsdoelstelling voor 2010 halen. Aangezien innovatie met

name kan bijdragen tot de ontwikkeling van nieuwe technologieën, producten en procédés,

dient zij de inspanningen om deze uitdagingen aan te pakken te ondersteunen. In 2015

verstrijkt de melkquotaregeling die is ingesteld op grond van Verordening (EG)

nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke

ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal

landbouwproducten2. De zuivelproducenten zullen bijgevolg specifieke inspanningen

moeten leveren om zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen, met name in

(10) De Gemeenschap erkent de noodzaak om deze nieuwe uitdagingen in het kader van haar

beleid aan te pakken. Op het gebied van de landbouw vormen de plattelandsontwikkelings-

programma's die zijn goedgekeurd in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van

de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het

Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)1, hiertoe een geschikt

instrument. Om de lidstaten in staat te stellen hun plattelandsontwikkelingsprogramma's

dienovereenkomstig aan te passen zonder hun lopende activiteiten op het gebied van

plattelandsontwikkeling op andere gebieden te beperken, dienen aanvullende financiële

middelen ter beschikking te worden gesteld. De financiële vooruitzichten voor de periode

2007-2013 bieden echter geen ruimte om het plattelandsontwikkelingsbeleid van de

Gemeenschap met de nodige extra financiële middelen toe te rusten. In deze omstandig-

heden dienen de vereiste financiële middelen grotendeels te worden gehaald uit de

opbrengsten van een geleidelijke verhoging van de voor de modulatie geldende

verlagingspercentages voor de rechtstreekse betalingen.

(11) Kenmerkend voor de verdeling van de rechtstreekse inkomenssteun over de landbouwers is

dat een groot aantal betalingen worden toegewezen aan een vrij gering aantal grootschalige

begunstigden. Het moge duidelijk zijn dat het voor een efficiënte verwezenlijking van het

met inkomenssteun beoogde doel niet nodig is dat aan grootschalige begunstigden

hetzelfde steunbedrag per eenheid wordt toegekend. Grote begunstigden hebben bovendien

een groter aanpassingsvermogen en kunnen bijgevolg gemakkelijker werken met lagere

steunbedragen per eenheid. Daarom is het billijk te verwachten dat landbouwers met hoge

(12) De bijzondere geografische ligging, het insulaire karakter, de geringe oppervlakte, het

bergachtige reliëf en het klimaat leggen de landbouw in de ultraperifere gebieden extra

lasten op. Om deze lasten en beperkingen te milderen, moeten landbouwers in de

ultraperifere gebieden vrijgesteld worden van de verplichte verlaging via de modulatie.

(13) Lidstaten die voor vrijwillige modulatie hebben geopteerd, moeten de verhoogde

percentages voor de verplichte modulatie in aanmerking nemen. Verordening (EG)

nr. 378/2007 van de Raad van 27 maart 2007 houdende voorschriften voor een vrijwillige

modulatie van de rechtstreekse betalingen waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 tot

vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse

steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling

van bepaalde steunregelingen voor landbouwers voorziet1, dient daarom overeenkomstig te

worden gewijzigd.

(14) De bedragen die voortvloeien uit de toepassing van de bij Verordening (EG) nr. 1782/2003

vastgestelde verlaging van vijf procentpunten in het kader van de modulatie moeten aan de

lidstaten worden toegewezen op basis van dezelfde criteria als die welke in die verordening

zijn vastgesteld, dat wil zeggen objectieve criteria waarbij wordt bepaald dat een zeker

percentage van de bedragen in de lidstaat blijft waar de bedragen zijn gegenereerd. Met het

oog op de structurele aanpassingen ten gevolge van de afschaffing van de interventie voor

rogge, dienen de specifieke maatregelen voor bepaalde roggeproducerende regio's, die met

een deel van de door de modulatie gegenereerde bedragen moeten worden gefinancierd, te

worden gehandhaafd. Tevens moeten de bedragen die afkomstig zijn uit de toepassing van

(15) Met het oog op een vlottere werking van de modulatie, vooral wat de procedures voor de

verlening van rechtstreekse betalingen aan landbouwers en de overdrachten naar de

plattelandsontwikkelingsprogramma's betreft, dient voor elke lidstaat een nettomaximum te

worden vastgesteld voor de betalingen die na toepassing van de modulatie aan de land-

bouwers moeten worden verricht. Teneinde rekening te houden met de specifieke

kenmerken van de GLB-steun in de ultraperifere gebieden en met het feit dat modulatie

niet van toepassing is op rechtstreekse betalingen, mogen in die gebieden de nettomaxima

van de betrokken lidstaten niet van toepassing zijn op de rechtstreekse betalingen.

Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering

van het gemeenschappelijk landbouwbeleid1 moet derhalve dienovereenkomstig worden

gewijzigd.

(16) Landbouwers in de nieuwe lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie

toetreden worden geleidelijk in het systeem voor rechtstreekse betalingen geïntegreerd aan

de hand van een bijzonder mechanisme waarin hun respectieve toetredingsovereenkomsten

voorzien. Met het oog op een gepast evenwicht tussen de beleidsinstrumenten ter

bevordering van de duurzame landbouw enerzijds, en die ter bevordering van de

plattelandontwikkeling anderzijds, dient de modulatieregeling pas op landbouwers in de

nieuwe lidstaten van toepassing te worden wanneer het niveau van de rechtstreekse

betalingen in die lidstaten gelijk is aan het in de andere lidstaten dan de nieuwe lidstaten

geldende niveau.

(17) Toepassing van de modulatie mag er niet toe leiden dat het nettobedrag dat aan een land-

(18) Om ervoor te zorgen dat de bedragen ter financiering van het GLB de jaarlijkse maxima

van de financiële vooruitzichten niet overschrijden, moet het financieel mechanisme van

Verordening (EG) nr. 1782/2003, dat voorziet in aanpassing van de rechtstreekse steun

wanneer volgens de vooruitzichten het submaximum van rubriek 2, met een veilig-

heidsmarge van 300 000 000 euro, in een bepaald begrotingsjaar zal worden overschreden,

worden gehandhaafd. Rekening houdend met de niveaus van de rechtstreekse betalingen

die tengevolge van de geleidelijke integratie aan landbouwers in de nieuwe lidstaten

worden verricht, mag in het kader van de toepassing van het mechanisme voor geleidelijke

integratie op alle in de nieuwe lidstaten verleende rechtstreekse betalingen het instrument

voor begrotingsdiscipline in die lidstaten pas in werking treden wanneer het in die lidstaten

geldende niveau van de rechtstreekse betalingen ten minste gelijk is aan het niveau dat in

de andere lidstaten dan de nieuwe lidstaten geldt. Aangezien het eigen middel, bedoeld in

artikel 2, lid 1, onder c), van Besluit 2007/436/EG, Euratom van 7 juni 2007 betreffende

het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen1 in de algemene

begroting van de Europese Gemeenschappen, in de Gemeenschapsbegroting een bijzonder

gewicht heeft, is het passend er bij wijze van uitzondering in te voorzien dat de Raad op

voorstel van de Commissie het noodzakelijke besluit ter toepassing van het instrument van

financiële discipline vaststelt.

(19) Om de landbouwers te helpen zich te voegen naar de normen voor een moderne,

kwalitatief hoogwaardige landbouw, is het noodzakelijk dat de lidstaten het omvattend

systeem van advisering ten behoeve van landbouwbedrijven als bedoeld in Verordening

(20) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1290/2005 moeten de lidstaten de nodige

maatregelen treffen om zich ervan te vergewissen dat de door het Europees Landbouw-

garantiefonds (ELGF) gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze

worden uitgevoerd, en om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen. Hiertoe

moeten zij een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor de rechtstreekse betalingen

toepassen. Om de Gemeenschapssteun doeltreffender te maken en beter te kunnen

controleren moeten de lidstaten toestemming krijgen om het geïntegreerd systeem ook toe

te passen op Gemeenschapsregelingen die niet onder deze verordening vallen.

(21) De voornaamste bestanddelen van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem moeten

worden gehandhaafd, met name bepalingen inzake een geautomatiseerde gegevensbank,

een systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen, steunaanvragen van de

landbouwers, een geharmoniseerd controlesysteem en, wat de bedrijfstoeslagregeling

betreft, een systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten.

(22) Het beheer van kleine bedragen blijkt omslachtig te zijn voor de bevoegde autoriteiten van

de lidstaten. Om buitensporige administratieve lasten te voorkomen dienen de lidstaten als

algemene regel af te zien van rechtstreekse betalingen indien het bedrag van de betaling

lager zou liggen dan 100 euro of indien het subsidiabele areaal van het bedrijf waarvoor

steun wordt aangevraagd, minder dan één hectare bedraagt. Aangezien de structuur-

kenmerken van de landbouweconomie van de lidstaten grote verschillen vertonen en

aanzienlijk kunnen afwijken van de gemiddelde landbouwbedrijfsstructuur in de

Gemeenschap, dienen specifieke bepalingen te worden vastgesteld om de lidstaten de

mogelijkheid te bieden minima toe te passen die hun specifieke situatie weerspiegelen. In

verband met de zeer specifieke landbouwbedrijfsstructuur in de ultraperifere gebieden en

op de eilanden in de Egeïsche Zee, moeten voor deze gebieden geen minima worden

toegepast. De lidstaten dienen voorts de mogelijkheid te hebben om, rekening houdend met

de structuurkenmerken van hun landbouwsector, te opteren voor de eerste, dan wel de

tweede soort minima. Voor de bijzondere toeslagrechten die aan landbouwers met een

zogenaamd "bedrijf zonder land" zijn toegewezen, heeft de toepassing van een op het

aantal hectaren gebaseerde drempel geen nut. Voor dergelijke landbouwers dient derhalve

het aan de gemiddelde steun gerelateerde minimumbedrag te gelden. Om een gelijke

behandeling te waarborgen van landbouwers voor wier directe betalingen een geleidelijke

integratie van toepassing is, moet het minimum worden gebaseerd op het uiteindelijke

bedrag dat aan het einde van het proces van geleidelijke integratie wordt toegekend.

(23) Uit de ervaring met de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling is gebleken dat de

ontkoppelde inkomenssteun in sommige gevallen werd toegewezen aan begunstigden wier

landbouwactiviteiten slechts een onbeduidend deel van hun totale economische activiteit

uitmaakten of wier zakelijk doel niet of nauwelijks gericht was op de uitoefening van een

landbouwactiviteit. Om de verlening van landbouwinkomenssteun aan dergelijke

begunstigden te voorkomen en om ervoor te zorgen dat de communautaire steun volledig

wordt gebruikt om de landbouwgemeenschap een redelijke levensstandaard te garanderen,

moeten lidstaten waar dergelijke toewijzingen plaatsvinden, de bevoegdheid krijgen om af

te zien van de op de onderhavige verordening gebaseerde rechtstreekse betalingen aan

dergelijke natuurlijke of rechtspersonen.

(24) De bevoegde nationale autoriteiten dienen de betalingen waarin de communautaire steun-

regelingen voorzien, binnen een voorgeschreven termijn volledig aan de begunstigden uit

te keren onder voorbehoud van de verlagingen waarin de onderhavige verordening

voorziet. Met het oog op een flexibeler beheer van de rechtstreekse betalingen dienen de

lidstaten de mogelijkheid te krijgen om de rechtstreekse betalingen in maximaal twee

tranches per jaar te verrichten.

(25) De rechtstreekse inkomenssteun waarin de steunregelingen in het kader van het GLB voor-

zien, heeft vooral tot doel de landbouwgemeenschap een redelijke levensstandaard te

verzekeren. Dit doel hangt nauw samen met de instandhouding van plattelandsgebieden.

Om iedere verkeerde besteding van communautaire middelen te vermijden, mogen geen

steunbetalingen worden gedaan aan landbouwers die de voorwaarden voor het verkrijgen

(26) Om de doelstellingen van het GLB te verwezenlijken, moeten de communautaire steun-

regelingen aan veranderende ontwikkelingen kunnen worden aangepast, zo nodig op korte

termijn. De begunstigden kunnen er bijgevolg niet op vertrouwen dat de steunvoorwaarden

ongewijzigd blijven, en dienen voorbereid te zijn op een mogelijke herziening van de

regelingen, met name in het licht van economische ontwikkelingen of de begrotings-

situatie.

(27) Bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 is een bedrijfstoeslagregeling ingesteld waarin de

verschillende bestaande steunmechanismen in één regeling voor ontkoppelde rechtstreekse

betalingen zijn ondergebracht. Uit de ervaring met de toepassing van de bedrijfstoeslag-

regeling is gebleken dat een aantal elementen van deze regeling in het belang van de land-

bouwers en de beheersautoriteiten kan worden vereenvoudigd. Aangezien de bedrijfs-

toeslagregeling inmiddels ten uitvoer is gelegd door alle lidstaten die dat moesten doen, is

een aantal bepalingen over de voorlopige toepassing van deze regeling bovendien

achterhaald en aan aanpassing toe. In dit verband werd in een aantal gevallen een

aanzienlijke onderbenutting van toeslagrechten geconstateerd. Aangezien dit probleem

moet worden vermeden en in aanmerking moet worden genomen dat de landbouwers

inmiddels voldoende vertrouwd zijn met de werking van de bedrijfstoeslagregeling, moet

de oorspronkelijk vastgestelde periode voor het afstaan van niet-gebruikte toeslagrechten

aan de nationale reserve, worden ingekort tot twee jaar.

(28) De belangrijkste bestanddelen van de bedrijfstoeslagregeling moeten behouden blijven. De

vaststelling van de nationale maxima dient er met name voor te zorgen dat het totale

(29) Als gevolg van de geleidelijke integratie van nieuwe sectoren in de bedrijfstoeslagregeling

moet de definitie van grond die in aanmerking komt voor de toepassing van de regeling of

voor de activering van toeslagrechten, worden herzien. Steunverlening voor met groenten

en fruit beteelde oppervlakten in lidstaten die ervoor gekozen hebben deze sector later in

de bedrijfstoeslagregeling op te nemen, dient echter te worden uitgesloten. Voorts moeten

specifieke bepalingen voor hennep worden vastgesteld om te voorkomen dat steun wordt

verleend aan illegale teelten.

(30) De verplichte braaklegging van bouwland had oorspronkelijk tot doel het aanbod te

beheersen. Dit instrument is als gevolg van marktontwikkelingen in de sector akkerbouw-

gewassen en de invoering van ontkoppelde steun echter overbodig geworden en moet

worden afgeschaft. De overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde

braakleggingstoeslagrechten moeten daarom worden geactiveerd voor hectaren die voldoen

aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden die voor elk ander toeslagrecht gelden. De afschaffing

van de braakleggingsverplichting kan tot gevolg hebben dat land dat in aanmerking kwam

voor het activeren van braakleggingstoeslagrechten, niet langer daarvoor in aanmerking

komt. Om ervoor te zorgen dat dergelijk land daarvoor in aanmerking blijft komen, moet

worden bepaald dat bepaalde beboste gebieden, met inbegrip van gebieden die worden

bebost op grond van nationale regelingen die stroken met de desbetreffende voorschriften

van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of gebieden die aan bepaalde milieuafspraken zijn

onderworpen, in aanmerking komen voor de bedrijfstoeslagregeling.

(31) Niet alleen werd voordien gekoppelde marktsteun in de bedrijfstoeslagregeling

opgenomen, maar ook werd het bedrag van de toeslagrechten in lidstaten die kozen voor de

uitvoering van het historische model, gebaseerd op het individuele niveau van in het

verleden verleende steun. Nu de bedrijfstoeslagregeling reeds geruime tijd van toepassing

is en er meer sectoren omvat, wordt het steeds moeilijker om de legitimiteit van

aanzienlijke individuele verschillen in het steunniveau, die slechts gebaseerd zijn op in het

verleden verleende steun, te rechtvaardigen. Daarom moeten de lidstaten die hebben

gekozen voor de toepassing van het historische model, de mogelijkheid krijgen om onder

bepaalde voorwaarden en met inachtneming van de algemene beginselen van de

Gemeenschapswetgeving en de doelstellingen van het GLB de toegewezen toeslagrechten

in die zin te herzien dat de betrokken eenheidsbedragen dichter bij elkaar komen te liggen.

De lidstaten kunnen bij de vaststelling van dichter bij elkaar liggende bedragen rekening

houden met de specifieke kenmerken van geografische gebieden. Met het oog op het

gelijktrekken van de toeslagrechten moet worden voorzien in een adequate overgangs-

periode en een beperkte verlagingsmarge, teneinde de landbouwers in de gelegenheid te

stellen zich op een redelijke wijze aan de veranderende steunniveaus aan te passen.

(32) In het kader van Verordening (EG) nr. 1782/2003 kregen de lidstaten de mogelijkheid de

bedrijfstoeslagregeling aan de hand van het historische, dan wel het regionale model ten

uitvoer te leggen. De lidstaten hebben inmiddels de gelegenheid gehad om de gevolgen van

hun keuze vanuit economisch en administratief standpunt te evalueren. Tegen deze achter-

grond dient de lidstaten de kans te worden geboden hun oorspronkelijke keuze in het licht

van de opgedane ervaring te herzien. Hiertoe dient, naast de mogelijkheid het bedrag van

de toeslagrechten gelijk te trekken, aan de lidstaten die het historische model hebben

toegepast, de mogelijkheid te worden geboden over te schakelen naar een

geregionaliseerde toepassing van de bedrijfstoeslagregeling, overeenkomstig de opties

waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 reeds voorziet. De lidstaten zouden met name de

territoriale spreiding van de directe steun moeten kunnen bijstellen door een geleidelijk

herverdeling tussen de regio's. Deze mogelijkheid zou de lidstaten meer flexibiliteit bieden,

zodat zij de directe steun op de meest passende wijze kunnen sturen conform de in artikel

33 van het Verdrag neergelegde doelstellingen en op basis van objectieve, niet-

discriminerende criteria, zoals landbouwpotentieel en milieuoverwegingen. Lidstaten die

hebben geopteerd voor het regionale model, moeten eveneens in de gelegenheid worden

gesteld hun besluit onder bepaalde voorwaarden te herzien in de zin dat, met inachtneming

van de algemene beginselen van de Gemeenschapswetgeving en de doelstellingen van het

GLB, de bedragen van de toeslagrechten volgens vooraf vastgestelde jaarlijkse stappen

dichter bij elkaar komen te liggen. Met het oog op het gelijktrekken van de toeslagrechten

moet worden voorzien in een adequate overgangsperiode en een beperkte verlagingsmarge,

teneinde de landbouwers in de gelegenheid te stellen zich op een redelijke wijze aan de

(33) De lidstaten konden in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 ingevoerde

bedrijfstoeslagregeling bepaalde betalingen geheel of gedeeltelijk van de toepassing van

die regeling uitsluiten. Die verordening voorzag ook in de evaluatie en, eventueel,

herziening van die optie in het licht van markt- en structurele ontwikkelingen. Uit de

analyse van de in dit verband opgedane ervaring blijkt dat er inzake te verbouwen

producten dankzij de ontkoppeling soepeler keuzes kunnen worden gemaakt, waardoor de

producenten hun beslissingen over de productie kunnen afstemmen op rendabiliteit en de

signalen van de markt. Dit geldt met name voor de sectoren akkerbouwgewassen en hop,

en in bepaalde mate ook voor de sectoren rund- en kalfsvlees en zaaizaad. De gedeeltelijk

gekoppelde betalingen voor de sectoren akkerbouwgewassen en hop moeten daarom met

ingang van 2010 in de bedrijfstoeslagregeling worden opgenomen. Wat hop betreft,

mochten de lidstaten op grond van Verordening (EG) nr. 1782/2003 een deel van de

areaalsteun voor hop aan erkende producentenorganisaties verlenen. Teneinde de

producentenorganisaties in staat te stellen hun activiteiten te blijven uitoefenen zoals

voorheen, wordt in Verordening (EG) nr. 1234/2007 als gewijzigd bij Verordening (EG)

nr. .../20091* van ... tot wijziging van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, bepaald dat

in de betrokken lidstaat voor dezelfde activiteiten gelijke bedragen worden toegepast. Deze

bedragen moeten daarom in mindering worden gebracht van de nationale maxima waarin

de onderhavige verordening voor die lidstaat voorziet. Om de landbouwers in de sectoren

rund- en kalfsvlees en zaaizaad in de gelegenheid te stellen zich aan de nieuwe steun-

bepalingen aan te passen, dienen de betalingen voor rund- en kalfsvlees alsmede de steun

voor zaaizaad uiterlijk in 2012 geïntegreerd te zijn. Aangezien gedeeltelijk gekoppelde

(34) Wat de sector zoogkoeien, schapen- en geitenvlees betreft, kan het echter nog steeds nodig

zijn om in het belang van de landbouweconomie in bepaalde regio's, met name waar geen

economische alternatieven voor landbouwers voorhanden zijn, een minimaal landbouw-

productieniveau te handhaven. Daarom moeten de lidstaten kunnen opteren voor het

behoud van gekoppelde steun op het huidige niveau of op een lager niveau. In dat geval

moet, met name met het oog op de traceerbaarheid van de dieren, worden bepaald dat de

identificatie- en registratievoorschriften van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het

Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en

registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvlees-

producten1, en van Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot

vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten2 in acht

moeten worden genomen.

(35) De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om tot 10% van hun nationaal maximum voor

de bedrijfstoeslagregeling te gebruiken voor de verlening van specifieke steun in duidelijk

omschreven gevallen. Deze steun moet de lidstaten in staat stellen milieu- en dieren-

welzijnsproblemen aan te pakken en de kwaliteit en de afzet van landbouwproducten te

verbeteren. Tevens dient te worden voorzien in specifieke steun om de gevolgen van de

geleidelijke afschaffing van de melkquota en de ontkoppeling van de steun in bijzonder

kwetsbare sectoren op te vangen. Gezien het toenemende belang van doeltreffend

risicobeheer moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen financieel bij te dragen aan door

de landbouwers te betalen oogst-, dier- en plantverzekeringspremies en aan de vergoeding

van bepaalde economische verliezen ten gevolge van dier- of plantenziekten en milieu-

ongevallen. Met het oog op de naleving van de door de Gemeenschap aangegane

internationale verbintenissen moeten de middelen die voor gekoppelde steun kunnen

worden gebruikt, tot een gepast niveau worden beperkt, terwijl er tegelijk overgangs-

maatregelen moeten worden toegestaan voor lidstaten die bijzondere moeilijkheden

ondervinden. De voorwaarden voor de financiële bijdrage aan oogst-, dier- en plant-

verzekeringen en vergoedingen tengevolge van dier- of plantenziekten en milieuongevallen

moeten dienovereenkomstig worden vastgesteld. Voorts moeten de lidstaten die een beroep

gedaan hebben op artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 een voldoende

overgangstermijn krijgen zodat ze vlot kunnen overschakelen op de nieuwe regels voor

specifieke steun.

(36) De ervaring heeft geleerd dat de lidstaten de beschikbare middelen onder de nationale

maxima voor de bedrijfstoeslagregeling momenteel niet volledig benutten, met name bij

niet-activering van toeslagrechten. Om een efficiëntere benutting van middelen te

bevorderen, is het zinvol om de lidstaten toe te staan steun te verlenen boven hun nationale

maxima, tot een zodanig bedrag dat zij binnen de marges van onderbesteding ten opzichte

van hun nationale maxima blijven. Dat bedrag moet worden berekend op grond van de

onderbesteding ten opzichte van de begroting voor het recentste beschikbare jaar en mag

de eerbiediging van het totale nettomaximum van de rechtstreekse betalingen per lidstaat

niet in het gedrang brengen. Daarom, en om ervoor te zorgen dat de landbouwers niet met

onvoorziene verlagingen van de betalingen te maken krijgen, moet de berekening binnen

bepaalde veiligheidsmarges plaatsvinden. Deze bedragen moeten worden gebruikt voor de

financiering van specifieke steun of worden overgedragen naar het ELFPO.

(37) De rechtstreekse betalingen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling waren gebaseerd op

de referentiebedragen van de in het verleden ontvangen rechtstreekse betalingen of op

geregionaliseerde bedragen per hectare. De landbouwers in de nieuwe lidstaten kregen

geen rechtstreekse betalingen van de Gemeenschap en beschikten niet over historische

referenties voor de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002. Daarom werd in Verordening (EG)

nr. 1782/2003 bepaald dat de bedrijfstoeslagregeling in de nieuwe lidstaten moest worden

gebaseerd op geregionaliseerde bedragen per hectare. Nu deze landen reeds enige jaren

deel uitmaken van de Gemeenschap, kan het gebruik van referentieperioden echter worden

overwogen voor de nieuwe lidstaten die nog niet op de bedrijfstoeslagregeling zijn

overgeschakeld. Om de overgang naar de bedrijfstoeslagregeling te vergemakkelijken en

met name om speculatieve aanvragen te voorkomen, dient de nieuwe lidstaten daarom de

mogelijkheid te worden geboden om de oppervlakten waarvoor, historisch gezien, steun

werd verleend in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling, in aanmerking

te nemen voor de berekening van de toeslagrechten in het kader van de

bedrijfstoeslagregeling.

(38) In het kader van het regionale model voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling

dient de nieuwe lidstaten de mogelijkheid te worden geboden om het bedrag van het

toeslagrecht per hectare op basis van objectieve criteria aan te passen, teneinde een gelijke

behandeling van alle landbouwers te garanderen en marktverstoringen te voorkomen.

(39) De nieuwe lidstaten moeten dezelfde mogelijkheden als de andere lidstaten krijgen om de

bedrijfstoeslagregeling gedeeltelijk ten uitvoer te leggen.

(40) De ontkoppeling van de rechtstreekse steun en de invoering van de bedrijfstoeslagregeling

waren hoekstenen in de hervorming van het GLB. In 2003 bestond echter een aantal

redenen om specifieke steun voor een aantal gewassen te behouden. De ervaring die is

opgedaan bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de ontwikkeling van

de marktsituatie wijzen erop dat regelingen die in 2003 van de toepassing van de

bedrijfstoeslagregeling werden uitgesloten, inmiddels met het oog op een meer

marktgerichte en duurzame landbouw in de regeling kunnen worden opgenomen. Dit geldt

met name voor de sector olijfolie, waar slechts een marginale vorm van koppeling werd

toegepast, alsmede voor de betalingen in de sectoren durumtarwe, eiwithoudende

gewassen, aardappelzetmeel en noten, waar het nut van ontkoppeling wordt bekrachtigd

door de afnemende doeltreffendheid van de resterende gekoppelde betaling. Met

betrekking tot vlas en hennep, gedroogde voedergewassen en aardappelzetmeel moet de

verwerkingssteun eveneens worden ontkoppeld en moeten de betrokken bedragen in de

bedrijfstoeslagregeling worden geïntegreerd. Met betrekking tot eiwithoudende gewassen,

rijst, aardappelzetmeel, noten, vlas en hennep, is het passend de steun voor die sectoren

vanaf 2012 in de bedrijfstoeslagregeling op te nemen, en de lidstaten tegelijkertijd toe te

staan te besluiten om deze steun, met uitzondering van de verwerkingssteun bedoeld in

Verordening (EG) nr. 1234/2007, vroeger op te nemen. Wat noten betreft, moeten de

lidstaten de mogelijkheid krijgen het nationale deel van de steun op een gekoppelde manier

te blijven betalen om zo de gevolgen van de ontkoppeling beter te kunnen opvangen.

(41) Als gevolg van de integratie van nieuwe sectoren in de bedrijfstoeslagregeling moet

worden voorzien in de berekening van het nieuwe niveau van individuele inkomenssteun in

het kader van die regeling. Met betrekking tot noten, aardappelzetmeel, vlas en hennep en

gedroogde voedergewassen, moet deze stijging worden toegekend op basis van de steun

die de landbouwers gedurende de laatste jaren hebben ontvangen. Wat de integratie van

betalingen betreft die gedeeltelijk van de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling waren

uitgesloten, moeten de lidstaten echter de mogelijkheid krijgen de oorspronkelijke

referentieperioden te gebruiken. Voor aardappelzetmeel moet bij de vaststelling van de

voor distributie in Duitsland en Nederland beschikbare hoeveelheden rekening worden

gehouden met de grensoverschrijdende levering van in de een van deze lidstaten

geproduceerd aardappelzetmeel ten behoeve van verwerking in de andere lidstaat.

Teneinde te voorzien in de specifieke behoeften van hun landbouwsectoren en ervoor te

zorgen dat de steun die de landbouwers in het verleden hebben ontvangen niet drastisch

wordt verminderd, dient de lidstaten te worden toegestaan de in de bedrijfstoeslagregeling

op te nemen middelen binnen bepaalde grenzen te gebruiken om steun te verlenen aan

landbouwers die in dezelfde periode in andere sectoren bepaalde landbouwactiviteiten

hebben uitgeoefend, zoals het gebruik van grasland of het houden van dieren.

(42) Om de sector energiegewassen bij zijn ontwikkeling te helpen, is bij Verordening (EG)

nr. 1782/2003 specifieke steun voor deze gewassen vastgesteld. Vanwege recente

ontwikkelingen in de sector bio-energie, en met name de grote vraag naar dergelijke

producten op de internationale markten en de invoering van bindende streefdoelen voor het

(43) Toen de katoensector in de bedrijfstoeslagregeling is geïntegreerd, werd het noodzakelijk

geacht om, ter voorkoming van eventuele productieverstoringen in de katoenproducerende

gebieden, de steun gedeeltelijk aan de katoenproductie gekoppeld te houden door middel

van een gewasspecifieke betaling per subsidiabele hectare. Deze benadering moet worden

aangehouden overeenkomstig de doelstellingen die zijn opgenomen in Protocol nr. 4

inzake katoen bij de Akte van Toetreding van 1979.

(44) Om de gevolgen van het herstructureringsproces in lidstaten die de in Verordening (EG)

nr. 320/2006 van de Raad van 20 februari 2006 tot instelling van een tijdelijke regeling

voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap1 vastgestelde

herstructureringssteun hebben verleend, op te vangen, moet de steun gedurende maximaal

vijf opeenvolgende jaren, waarin was voorzien voor producenten van suikerbieten en

suikerriet, worden gehandhaafd.

(45) Bij de opneming van de sectoren fruit en groenten in de bedrijfstoeslagregeling is bepaald

dat voor aardbeien en frambozen een tijdelijke gekoppelde oppervlaktesteun zou worden

toegekend. Het is passend de oorspronkelijk geplande termijn voor de toekenning van deze

steun te verlengen en tegelijkertijd deze steun los te koppelen van de productie. Nationale

maxima moeten worden aangepast om hiermee rekening te houden.

(46) Het vereenvoudigd en op areaal gebaseerd steunmechanisme voor rechtstreekse betalingen

in de nieuwe lidstaten, de regeling inzake een enkele areaalbetaling, is een doeltreffend en

eenvoudig systeem gebleken voor de verlening van inkomenssteun aan landbouwers in de

(47) Naar aanleiding van de respectieve hervormingen van de sectoren suiker en groenten en

fruit en de opname van deze sectoren in de bedrijfstoeslagregeling moeten de lidstaten die

voor toepassing van de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben geopteerd,

toestemming krijgen om inkomenssteun in de vorm van afzonderlijke betalingen te

verlenen aan producenten van suikerbieten, suikerriet en cichorei en aan producenten van

bepaalde soorten groenten en fruit. Deze lidstaten moeten tevens toestemming krijgen om

afzonderlijke specifieke steun te verlenen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor

de andere lidstaten gelden.

(48) Als gevolg van de geleidelijke invoering van rechtstreekse betalingen in de nieuwe

lidstaten, werd het nieuwe lidstaten toegestaan aanvullende nationale rechtstreekse

betalingen te doen. De voorwaarden voor dergelijke betalingen moeten worden

gehandhaafd.

(49) Bij de initiële toewijzing van toeslagrechten door de lidstaten is een aantal vergissingen

begaan die aan de basis lagen van bijzonder hoge betalingen aan landbouwers. Deze niet-

naleving van de voorschriften leidt normaliter tot een financiële correctie totdat

corrigerende maatregelen zijn getroffen. Gezien de tijd die verlopen is sedert voor het eerst

toeslagrechten zijn toegewezen, zou de vereiste correctie echter voor lidstaten oneven-

redige juridische en administratieve problemen met zich meebrengen. Omwille van de

rechtszekerheid dient de toewijzing van dergelijke betalingen daarom te worden

geregulariseerd.

(50) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1782/2003 hebben Frankrijk, Portugal en Spanje

besloten de rechtstreekse betalingen voor respectievelijk de Franse overzeese

departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden buiten de bedrijfs-

toeslagregeling te laten en deze toe te kennen onder de in titel IV van die verordening

vastgestelde voorwaarden. Een deel van de in die titel vastgestelde steun is volledig in de

bedrijfstoeslagregeling opgenomen. Ter wille van de vereenvoudiging en om rekening te

houden met de specifieke omstandigheden van de ultraperifere gebieden, dient deze soort

steun te worden beheerd in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 247/2006 van de

Raad van 30 januari 2006 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten

behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie vastgestelde steunprogramma's1.

Hiertoe moeten de betrokken fondsen worden overgeheveld van de nationale maxima voor

de rechtstreekse betalingen naar het in die verordening vastgestelde bedrag. Opdat de

betrokken lidstaten de steunprogramma's kunnen aanpassen, dienen die overdrachten pas in

2010 plaats te vinden. Inmiddels zullen in de ultraperifere gebieden rechtstreekse

betalingen van toepassing zijn, conform het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1782/2003.

Verordening (EG) nr. 247/2006 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(51) Er moet worden vastgesteld dat bepalingen van de onderhavige verordening die aanleiding

kunnen geven tot mogelijk als staatssteun te beschouwen nationale maatregelen, tenzij in

de onderhavige verordening anders is vastgesteld, worden uitgesloten van de toepassing

van de regels inzake staatssteun aangezien in de betrokken bepalingen reeds adequate

steunverleningsvoorwaarden ter voorkoming van ongerechtvaardigde concurrentie-

(52) De voor de uitvoering van de onderhavige verordening vereiste maatregelen moeten

worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot

vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende

uitvoeringsbevoegdheden1.

(53) Opdat de bij deze verordening ingevoerde vereenvoudingsmechanismen ten bate komen

van zowel de lidstaten als de landbouwers, met name vanaf de afschaffing van de braak-

leggingsverplichting, dient deze verordening per 1 januari 2009 in werking te treden. De

bepalingen die tot een vermindering van de rechten van de landbouwers kunnen leiden of

nieuwe verplichtingen scheppen, onder andere de randvoorwaarden waaraan de

landbouwers het hele jaar moeten voldoen, mogen echter pas vanaf 2010 in werking treden

en, wat betreft de norm inzake het aanleggen van bufferstroken langs waterlopen pas per

1 januari 2012. Voorts moeten de lidstaten voldoende tijd krijgen voor de

tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake een verdere ontkoppeling van rechtstreekse

betalingen en inzake de herziening van in het kader van de hervorming van 2003 genomen

beslissingen. Daarom moeten de betrokken bepalingen van de onderhavige verordening

pas met ingang van 2010 van toepassing worden en moet de ingetrokken Verordening

(EG) nr. 1782/2003 in 2009 worden toegepast op de steunregelingen die pas met ingang

van 2010 in de bedrijfstoeslagregeling worden opgenomen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

Artikel 1

Werkingssfeer

Bij deze verordening worden vastgesteld:

  • a) 
    gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse betalingen;
  • b) 
    een inkomenssteunregeling voor landbouwers (hierna de "bedrijfstoeslagregeling"

genoemd);

  • c) 
    een voorlopige vereenvoudigde inkomenssteunregeling voor landbouwers in de nieuwe

lidstaten, als gedefinieerd in artikel 2, punt g) (hierna de "regeling inzake een enkele

areaalbetaling" genoemd);

  • d) 
    steunregelingen voor landbouwers die rijst, zetmeelaardappelen, eiwithoudende gewassen,

noten, zaden, katoen, suiker, groenten en fruit, schapenvlees, geitenvlees, rundvlees of

kalfsvlees produceren;

  • e) 
    een kader om de nieuwe lidstaten, als gedefinieerd in artikel 2, punt g), in staat te stellen de

rechtstreekse betalingen aan te vullen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van de onderhavige verordening gelden de volgende definities:

  • a) 
    "landbouwer": een natuurlijke of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of

rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale

recht, waarvan het bedrijf zich bevindt op het grondgebied van de Gemeenschap als

bedoeld in artikel 299 van het Verdrag en die een landbouwactiviteit uitoefent;

  • b) 
    "bedrijf": het geheel van de productie-eenheden dat door de landbouwer wordt beheerd en

zich bevindt op het grondgebied van eenzelfde lidstaat;

  • c) 
    "landbouwactiviteit": landbouwproducten produceren, fokken of telen tot en met het

oogsten, het melken, het fokken en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de

grond in goede landbouw- en milieuconditie als vastgesteld op grond van artikel 6 houden;

  • d) 
    "rechtstreekse betaling": een betaling die rechtstreeks aan landbouwers wordt toegekend op

grond van een in bijlage I genoemde steunregeling;

  • e) 
    "betalingen in een bepaald kalenderjaar" of "betalingen tijdens de referentieperiode": de

voor het betrokken jaar/de betrokken jaren toegekende of toe te kennen betalingen met

inbegrip van alle betalingen voor andere perioden die in dat kalenderjaar/die kalenderjaren

beginnen;

  • f) 
    "landbouwproducten": de in bijlage I van het Verdrag genoemde producten, exclusief

visserijproducten, alsmede katoen;

  • g) 
    "nieuwe lidstaten": Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije,

Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije;

  • h) 
    "landbouwgrond": om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend

grasland of voor de teelt van blijvende gewassen.

Artikel 3

Financiering van rechtstreekse betalingen

De in bijlage I bij de onderhavige verordening genoemde steunregelingen worden gefinancierd

overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt c), van Verordening (EG) nr. 1290/2005.

TITEL II

ALGEMENE BEPALINGEN

INZAKE RECHTSTREEKSE BETALINGEN

HOOFDSTUK 1

RANDVOORWAARDEN

Artikel 4

Belangrijkste eisen

  • 1. 
    Een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, neemt de in bijlage II genoemde uit

de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de in artikel 6 bedoelde eisen inzake goede

landbouw- en milieuconditie in acht.

De in de eerste alinea bedoelde verplichting geldt alleen voor de landbouwactiviteit van de

landbouwer of de landbouwgrond van het bedrijf.

  • 2. 
    De bevoegde nationale autoriteit bezorgt de landbouwer, onder meer met gebruikmaking

van elektronische hulpmiddelen, de lijst van de in acht te nemen uit de regelgeving

voortvloeiende beheerseisen en eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie.

Artikel 5

Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen

  • 1. 
    De in bijlage II opgenomen uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen worden

vastgesteld in communautaire regelgeving op de volgende gebieden:

  • a) 
    volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten,
  • b) 
    milieu,
  • c) 
    dierenwelzijn.
  • 2. 
    De in bijlage II genoemde besluiten gelden in de versie waarin zij van kracht zijn en, in het

geval van richtlijnen, zoals geïmplementeerd door de lidstaten.

Artikel 6

Goede landbouw- en milieuconditie

  • 1. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat alle landbouwgrond, in het bijzonder grond die niet langer

wordt gebruikt voor productiedoeleinden, in goede landbouw- en milieuconditie wordt

gehouden. De lidstaten stellen op nationaal of op regionaal niveau minimumeisen inzake

goede landbouw- en milieuconditie vast op basis van het in bijlage III vastgestelde kader,

rekening houdend met de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden, met inbegrip

van de bodem- en de klimaatgesteldheid, de bestaande landbouwsystemen, het

De in de derde kolom van bijlage III vermelde normen zijn facultatief, tenzij:

  • a) 
    een lidstaat vóór 1 januari 2009 een minimumeis inzake goede landbouw- en

milieuconditie voor de betrokken norm had vastgesteld, en/of;

  • b) 
    in de lidstaat nationale voorschriften inzake de norm worden toegepast.
  • 2. 
    De andere dan de nieuwe lidstaten zien erop toe dat grond die op de voor de aanvragen van

oppervlaktesteun voor 2003 vastgestelde datum blijvend grasland was, als blijvend

grasland wordt gehandhaafd. De nieuwe lidstaten, behoudens Bulgarije en Roemenië, zien

erop toe dat grond die op 1 mei 2004 blijvend grasland was, als blijvend grasland wordt

gehandhaafd. Bulgarije en Roemenië zien erop toe dat grond die op 1 januari 2007 blijvend

grasland was, als blijvend grasland wordt gehandhaafd.

Een lidstaat mag evenwel, in naar behoren gerechtvaardigde omstandigheden, afwijken van

het bepaalde in de eerste alinea, mits er maatregelen worden getroffen om te voorkomen

dat de totale oppervlakte blijvend grasland aanzienlijk afneemt.

De eerste alinea is niet van toepassing op permanent grasland dat zal worden bebost, indien

die bebossing verenigbaar is met het milieu, en met uitsluiting van de aanplant van

kerstbomen en snelgroeiende soorten met korte omlooptijd.

HOOFDSTUK 2

MODULATIE EN FINANCIËLE DISCIPLINE

Artikel 7

Modulatie

  • 1. 
    Elk in een bepaald kalenderjaar aan een landbouwer te verlenen bedrag aan rechtstreekse

betalingen dat 5000 euro overschrijdt, wordt voor elk jaar tot en met 2012 verlaagd met de

volgende percentages:

  • a) 
    2009: 7%,
  • b) 
    2010: 8%,
  • c) 
    2011: 9%,
  • d) 
    2012: 10%.
  • 2. 
    De in lid 1 vastgestelde verlagingspercentages worden met 4 percentpunten verhoogd voor

bedragen van meer dan 300 000 euro.

  • 3. 
    De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op rechtstreekse betalingen aan landbouwers in de

Franse overzeese departementen, op de Azoren en Madeira, op de Canarische Eilanden en

Artikel 8

ettomaxima

  • 1. 
    Onverminderd artikel 11 mogen de totale nettobedragen van de rechtstreekse betalingen

die na toepassing van de artikelen 7 en 10 van de onderhavige verordening en artikel 1 van

Verordening (EG) nr. 378/2007, met uitzondering van de rechtstreekse betalingen uit

hoofde van Verordening (EG) nr. 247/2006 en Verordening (EG) nr. 1405/2006, in een

bepaalde lidstaat in een bepaalde kalenderjaar mogen worden toegekend, niet hoger liggen

dat de in bijlage IV bij de onderhavige verordening vastgestelde maxima. Zo nodig passen

de lidstaten een lineaire verlaging toe op de bedragen aan rechtstreekse betalingen

waarvoor de verlaging bedoeld in de artikelen 7 en 10 van de onderhavige verordening en

artikel 1 van Verordening (EG) nr. 378/2007 geldt, om ervoor te zorgen dat de in

bijlage IV vastgestelde maxima in acht worden genomen

  • 2. 
    De Commissie herziet de in bijlage IV van de onderhavige verordening vastgestelde

maxima volgens de in artikel 141, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde

procedure herzien om rekening te houden met:

  • a) 
    wijzigingen van de totale maximumbedragen aan rechtstreekse betalingen die kunnen

worden toegekend,

  • b) 
    wijzigingen van de vrijwillige modulatieregeling waarin Verordening (EG) nr.

378/2007 voorziet,

Artikel 9

Uit de modulatie voortvloeiende bedragen

  • 1. 
    De bedragen die in andere dan de nieuwe lidstaten voortvloeien uit de toepassing van de in

artikel 7 vastgestelde verlagingen zijn overeenkomstig dit artikel beschikbaar als

aanvullende communautaire steun voor maatregelen in het kader van

plattelandsontwikkelingsprogramma's die overeenkomstig Verordening (EG)

nr. 1698/2005 worden gefinancierd met middelen uit het ELFPO.

  • 2. 
    De met een procentpunt overeenkomende bedragen worden toegekend aan de lidstaten

waar de desbetreffende bedragen zijn gegenereerd. De uit de toepassing van de verlaging

met 4 procentpunten voortvloeiende bedragen worden volgens de in artikel 141, lid 2,

bedoelde procedure aan de betrokken lidstaten toegewezen op basis van de volgende

criteria:

  • a) 
    landbouwgrond,
  • b) 
    werkgelegenheid in de landbouw,
  • c) 
    bruto binnenlands product (BBP) per inwoner gecorrigeerd voor koopkracht.

Elke betrokken lidstaat ontvangt evenwel ten minste 80% van het totaal aan in de eerste

alinea bedoelde bedragen die in die lidstaat worden gegenereerd.

  • 3. 
    Indien het aandeel van rogge in de totale graanproductie van een lidstaat tijdens de periode

2000-2002 gemiddeld meer dan 5% bedraagt en zijn aandeel in de totale communautaire

roggeproductie in dezelfde periode meer dan 50% bedraagt, wordt minimaal 90% van de

bedragen die in die lidstaat door modulatie worden gegenereerd, in afwijking van lid 2,

tweede alinea, tot en met 2013 naar die lidstaat teruggesluisd.

Onverminderd de in artikel 68 geboden mogelijkheden is in dat geval ten minste 10% van

het aan die lidstaat toegekende bedrag beschikbaar voor de in lid 1 bedoelde maatregelen

in rogge producerende regio's.

Voor de toepassing van dit lid wordt onder "graan" verstaan, de in bijlage V opgenomen

producten.

  • 4. 
    Het resterende bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 7, lid 1, en de bedragen

die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7, lid 2, worden volgens de in artikel 141,

lid 2, bedoelde procedure toegewezen aan de lidstaat waar de betrokken bedragen zijn

gegenereerd. Dit bedrag wordt gebruikt overeenkomstig artikel 69, lid 5 bis, van

Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Artikel 10

Bijzondere voorschriften voor de modulatie in de nieuwe lidstaten

  • 1. 
    Artikel 7 is op landbouwers in een nieuwe lidstaat in een bepaald kalenderjaar slechts van
  • 2. 
    Indien artikel 7 van toepassing is op landbouwers in een nieuwe lidstaat, mag het op grond

van artikel 7, lid 1, geldende percentage niet meer bedragen dan het verschil tussen het

krachtens artikel 121 voor die lidstaat geldende niveau van de rechtstreekse betalingen en

het niveau in de andere dan de nieuwe lidstaten, rekening houdend met op grond van

artikel 7, lid 1, toegepaste verlagingen.

  • 3. 
    Het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 7, leden 1 en 2, wordt volgens de in

artikel 141, lid 2, bedoelde procedure toegewezen aan de nieuwe lidstaat waar de overeen-

komstige bedragen zijn gegenereerd. Dit bedrag wordt gebruikt overeenkomstig artikel 69,

lid 5 bis, van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Artikel 11

Financiële discipline

  • 1. 
    Om ervoor te zorgen dat de bedragen ter financiering van de marktuitgaven en de

rechtstreekse betalingen in het kader van het GLB, die momenteel onder bijlage I,

rubriek 2, van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en

de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer1 vallen,

de jaarlijkse maxima die zijn vastgesteld in Besluit 2002/929/EG van de

vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van

18 november 2002 betreffende de conclusies van de Europese Raad van Brussel van 24 en

25 oktober 20022 niet overschrijden, wordt een aanpassing van de rechtstreekse betalingen

  • 2. 
    Op basis van een voorstel dat de Commissie indient uiterlijk op 31 maart van het

kalenderjaar waarop de in lid 1 bedoelde aanpassingen van toepassing zijn, stelt de Raad

deze aanpassingen vast uiterlijk op 30 juni van het zelfde kalenderjaar.

  • 3. 
    In het kader van de toepassing van de in artikel 121 vastgestelde toenameregeling op alle

in de nieuwe lidstaten toegekende rechtstreekse betalingen, is lid 1 van dit artikel voor de

nieuwe lidstaten pas van toepassing vanaf het kalenderjaar waarvoor het in de nieuwe

lidstaten geldende niveau van de rechtstreekse betalingen ten minste gelijk is aan het

niveau van die betalingen dat dan geldt in de andere lidstaten dan de nieuwe lidstaten.

HOOFDSTUK 3

BEDRIJFSADVISERINGSSYSTEEM

Artikel 12

Bedrijfsadviseringssysteem

  • 1. 
    De lidstaten zetten een systeem op voor de advisering van de landbouwers over grond- en

bedrijfsbeheer (hierna het "bedrijfsadviseringssysteem" genoemd), dat wordt beheerd door

één of meer aangewezen autoriteiten of door particuliere instanties.

  • 2. 
    Het bedrijfsadviseringssysteem heeft ten minste betrekking op de uit de regelgeving

voortvloeiende beheerseisen en de goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in

hoofdstuk 1.

  • 3. 
    Landbouwers kunnen op vrijwillige basis aan het bedrijfsadviseringssysteem deelnemen.

De lidstaten kunnen op grond van objectieve criteria bepalen welke categorieën

landbouwers, in welke rangorde, toegang tot het bedrijfsadviseringssysteem krijgen.

  • 4. 
    Uiterlijk op 31 december 2010 dient de Commissie bij de Raad een verslag in over de

toepassing van het bedrijfsadviseringssysteem, indien nodig vergezeld van passende

voorstellen.

Artikel 13

Verplichtingen van de aangewezen autoriteiten

en de particuliere instanties

Onverminderd de nationale wetgeving inzake toegang tot documenten zorgen de lidstaten ervoor

dat de in artikel 12, lid 1, bedoelde aangewezen autoriteiten en particuliere instanties geen bij hun

adviseringsactiviteit verkregen persoonlijke of individuele informatie en gegevens meedelen aan

andere personen dan de landbouwer die het betrokken bedrijf beheert, met uitzondering van bij hun

activiteit geconstateerde onregelmatigheden of inbreuken die vallen onder een in communautair of

nationaal recht vastgestelde verplichting om een overheidsorgaan te informeren, in het bijzonder in

HOOFDSTUK 4

GEÏNTEGREERD BEHEERS- EN CONTROLESYSTEEM

Artikel 14

Werkingssfeer

Elke lidstaat zet een geïntegreerd beheers- en controlesysteem op (hierna het "geïntegreerd

systeem" genoemd).

Het geïntegreerd systeem is van toepassing op de in bijlage I vermelde steunregelingen.

Voor zover nodig, is het ook van toepassing op het beheer en de controle inzake de in de

hoofdstukken 1 en 2 vastgestelde voorschriften.

Artikel 15

Onderdelen van het geïntegreerd systeem

  • 1. 
    Het geïntegreerd systeem omvat de volgende onderdelen:
  • a) 
    een geautomatiseerde gegevensbank;
  • b) 
    een systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen;
  • c) 
    een systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten
  • d) 
    steunaanvragen;
  • e) 
    een geïntegreerd controlesysteem;
  • f) 
    één enkel systeem om de identiteit te registreren van elke landbouwer die een

steunaanvraag indient.

  • 2. 
    Wanneer de artikelen 52 en 53 van de onderhavige verordening van toepassing zijn, omvat

het geïntegreerd systeem een systeem voor de identificatie en de registratie van dieren dat

is opgezet overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 en Verordening (EG)

nr. 21/2004.

  • 3. 
    De lidstaten kunnen in het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen een

geografisch informatiesysteem voor de olijventeelt opnemen.

Artikel 16

Geautomatiseerde gegevensbank

  • 1. 
    In de geautomatiseerde gegevensbank worden voor elk landbouwbedrijf de gegevens uit de

steunaanvragen opgenomen.

Deze gegevensbank moet met name de mogelijkheid bieden om via de bevoegde autoriteit

van de lidstaat de gegevens betreffende de kalenderjaren en/of verkoopseizoenen vanaf

  • 2. 
    De lidstaten kunnen gedecentraliseerde gegevensbanken opzetten op voorwaarde dat deze

gegevensbanken en de administratieve procedures om de gegevens vast te leggen en te

raadplegen, op het hele grondgebied van de lidstaat homogeen van opzet zijn en onderling

compatibel zijn om kruiscontroles mogelijk te maken.

Artikel 17

Systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen

Het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen wordt opgezet op basis van kaarten of

kadastrale documenten of andere cartografische gegevens. Daarbij wordt gebruikgemaakt van

technieken op basis van een geautomatiseerd geografisch informatiesysteem, bij voorkeur inclusief

orthobeelden van lucht- of satellietopnamen, met een homogene norm die een precisie waarborgt

die ten minste overeenkomt met die van kaarten op schaal 1:10000.

Artikel 18

Systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten

  • 1. 
    Er wordt een systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten opgezet

zodanig dat het verificatie van de toeslagrechten en kruiscontroles door vergelijking met de

steunaanvragen en door vergelijking met het systeem voor de identificatie van de

landbouwpercelen mogelijk maakt.

  • 2. 
    Het in lid 1 bedoelde systeem moet de mogelijkheid bieden om via de bevoegde autoriteit

Artikel 19

Steunaanvragen

  • 1. 
    Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor rechtstreekse betalingen in waarin, voor

zover van toepassing, worden vermeld:

  • a) 
    alle landbouwpercelen op het bedrijf en, bij toepassing van artikel 15, lid 3, door de

lidstaat, het aantal olijfbomen en de standplaats ervan in het perceel,

  • b) 
    de voor activering aangegeven toeslagrechten,
  • c) 
    alle andere bij de onderhavige verordening of door de betrokken lidstaat

voorgeschreven gegevens.

  • 2. 
    De lidstaten verstrekken, onder meer met gebruikmaking van elektronische hulpmiddelen,

vooraf opgestelde formulieren die zijn gebaseerd op de in het voorgaande jaar

geconstateerde oppervlakten, en grafisch materiaal dat de ligging van die oppervlakten en,

in voorkomend geval, de standplaats van olijfbomen aangeeft. Een lidstaat kan besluiten

dat in de steunaanvraag alleen de veranderingen ten opzichte van de in het voorgaande jaar

ingediende steunaanvraag hoeven te worden opgegeven.

  • 3. 
    Een lidstaat kan besluiten dat één en dezelfde steunaanvraag betrekking heeft op

verscheidene of alle in bijlage I vermelde steunregelingen of andere steunregelingen.

Artikel 20

Verificatie van de voorwaarden voor subsidiabiliteit

  • 1. 
    De lidstaten voeren administratieve controles van de steunaanvragen uit om de

subsidiabiliteitsvoorwaarden van de steun te verifiëren.

  • 2. 
    De administratieve controles worden aangevuld met een op verificatie van de

subsidiabiliteit van de steun gericht systeem van controles ter plaatse. Hiertoe stellen de

lidstaten een steekproefplan op voor de landbouwbedrijven.

De lidstaten kunnen teledetectietechnieken en GNSS-technieken (Global Navigation

Satellite System - wereldwijd satellietnavigatiesysteem) gebruiken als middel om

inspecties ter plaatse van landbouwpercelen uit te voeren.

  • 3. 
    Elke lidstaat wijst een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de bij

dit hoofdstuk voorgeschreven controles en inspecties.

Wanneer een lidstaat een regeling treft om sommige aspecten van de op grond van dit

hoofdstuk te verrichten werkzaamheden op te dragen aan gespecialiseerde instellingen of

bedrijven, dient de aangewezen autoriteit de controle over en de verantwoordelijkheid voor

de betrokken werkzaamheden te behouden.

Artikel 21

Verlagingen en uitsluitingen bij niet-naleving

van de subsidiabiliteitsvoorschriften

  • 1. 
    Onverminderd elke in artikel 23 bedoelde verlaging en uitsluiting, worden, wanneer een

landbouwer niet blijkt te voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de toekenning

van de steun waarin de onderhavige verordening voorziet, op de toegekende of toe te

kennen betaling of het deel daarvan waarvoor aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden is

voldaan, de verlagingen en uitsluitingen toegepast die volgens de in artikel 141, lid 2,

bedoelde procedure worden vastgesteld.

  • 2. 
    Het verlagingspercentage staat in verhouding tot de ernst, de omvang, het permanente

karakter en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving en kan gaan tot volledige

uitsluiting van één of meer steunregelingen voor één of meer kalenderjaren.

Artikel 22

Controles op de naleving van de randvoorwaarden

  • 1. 
    De lidstaten verrichten inspecties ter plaatse, om na te gaan of een landbouwer de in

hoofdstuk 1 bedoelde verplichtingen nakomt.

  • 2. 
    De lidstaten kunnen gebruik maken van hun bestaande beheers- en controlesystemen om

erop toe te zien dat de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de eisen inzake

Deze systemen, en met name het overeenkomstig Richtlijn 2008/71/EEG van 15 juli 2008

met betrekking tot de identificatie en de registratie van varkens1, Verordening (EG)

nr. 1760/2000 en Verordening (EG) nr. 21/2004 opgezette systeem voor de identificatie en

de registratie van dieren, moeten compatibel zijn met het in artikel 26, lid 1, van de

onderhavige verordening bedoelde geïntegreerd systeem.

Artikel 23

Verlaging of uitsluiting van betalingen bij niet-naleving

van de voorschriften inzake de randvoorwaarden

  • 1. 
    Wanneer de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen of de eisen inzake goede

landbouw- en milieuconditie op om het even welk moment in een bepaald kalenderjaar

(hierna het "betrokken kalenderjaar" genoemd) niet worden nageleefd tengevolge van een

handelen of nalaten dat rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de landbouwer die de

steunaanvraag in het betrokken kalenderjaar heeft ingediend, wordt het totaalbedrag van de

rechtstreekse betalingen die na toepassing van de artikelen 7, 10 en 11 aan die landbouwer

worden of moeten worden toegekend, verlaagd of uitgesloten overeenkomstig de op grond

van artikel 24 vastgestelde uitvoeringsbepalingen.

De eerste alinea is tevens van toepassing wanneer de betrokken niet-naleving het gevolg is

van een handelen of nalaten dat rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de persoon aan

wie of door wie de landbouwgrond was overgedragen.

In afwijking van de tweede alinea, wordt vanaf 2010, indien de persoon aan wie het

handelen of nalaten rechtstreeks kan worden toegeschreven, een steunaanvraag in het

betrokken kalenderjaar heeft ingediend, de vermindering of de uitsluiting toegepast op de

aan die persoon toegekende of toe te kennen totale bedragen aan rechtstreekse betalingen.

  • 2. 
    Onverminderd lid 1 en overeenkomstig de voorwaarden zoals vastgesteld in de in

artikel 24, lid 1, van de onderhavige verordening bedoelde uitvoeringsbepalingen, kunnen

de lidstaten besluiten geen verlaging of uitsluiting toe te passen, indien die verlaging of

uitsluiting ten hoogste 100 euro per landbouwer en per kalenderjaar bedraagt.

Indien een lidstaat besluit gebruik te maken van de in de eerste alinea geboden

mogelijkheid, neemt de bevoegde autoriteit het volgende jaar de nodige maatregelen om

ervoor te zorgen dat de landbouwer de betrokken geconstateerde niet-naleving corrigeert.

De constatering van de niet-naleving en de verplichting corrigerende actie te ondernemen

worden de landbouwer meegedeeld.

Artikel 24

Uitvoeringsbepalingen met betrekking tot verlagingen of uitsluitingen

van betalingen bij niet-naleving van de voorschriften inzake de randvoorwaarden

  • 1. 
    Volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure worden uitvoeringsbepalingen

betreffende de in artikel 23 bedoelde verlagingen en uitsluitingen vastgesteld. Daarbij

wordt rekening gehouden met de ernst, de omvang, het permanente karakter en de

  • 2. 
    Bij nalatigheid bedraagt het verlagingspercentage niet meer dan 5% en bij herhaalde niet-

naleving niet meer dan 15%.

In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten besluiten dat geen verlaging

wordt toegepast wanneer een geval van niet-naleving, gelet op de ernst, de omvang en het

permanente karakter ervan, als van gering belang moet worden beschouwd. Gevallen van

niet-naleving die een rechtstreeks gevaar voor de volksgezondheid of de gezondheid van

dieren vormen, worden evenwel niet als van gering belang beschouwd.

Tenzij de landbouwer onmiddellijk corrigerende actie heeft ondernomen waarmee een

einde wordt gemaakt aan de geconstateerde niet-naleving, treft de bevoegde autoriteit de

vereiste maatregelen, welke in voorkomend geval kunnen worden beperkt tot een

administratieve controle, om ervoor te zorgen dat de landbouwer de geconstateerde niet-

naleving corrigeert. De constatering van geringe niet-naleving en de verplichting

corrigerende actie te ondernemen worden de landbouwer meegedeeld.

  • 3. 
    In geval van opzettelijke niet-naleving mag het verlagingspercentage in principe niet lager

zijn 20% en kan het tot de volledige uitsluiting van één of meer steunregelingen gaan en

voor één of meer kalenderjaren gelden.

  • 4. 
    Het totale bedrag van verlagingen en uitsluitingen voor één kalenderjaar kan niet meer

belopen dan het totaalbedrag zoals bedoeld in artikel 23, lid 1.

Artikel 26

Compatibiliteit van steunregelingen met het geïntegreerd systeem

  • 1. 
    Voor de toepassing van de in bijlage VI vermelde steunregelingen zorgen de lidstaten

ervoor dat de voor die regelingen toegepaste beheers- en controleprocedures op de

volgende punten compatibel zijn met het geïntegreerd systeem:

  • a) 
    de geautomatiseerde gegevensbank,
  • b) 
    de systemen voor de identificatie van de landbouwpercelen,
  • c) 
    de administratieve controles.

Hiertoe worden de gegevensbank, de systemen en de controles, bedoeld onder a), b) en c)

zo opgezet dat zij geschikt zijn om zonder problemen of conflicten samen te functioneren

of onderling gegevens uit te wisselen.

  • 2. 
    Voor de toepassing van andere dan de in bijlage VI opgenomen communautaire of

nationale steunregelingen kunnen de lidstaten één of meer onderdelen van het geïntegreerd

systeem opnemen in hun beheers- en controleprocedures.

Artikel 27

Informatieverstrekking en controle

  • 2. 
    Na de betrokken bevoegde autoriteiten tijdig te hebben geïnformeerd, kunnen door de

Commissie aangestelde gemachtigde vertegenwoordigers overeenkomstig artikel 37 van

Verordening (EG) nr. 1290/2005:

  • a) 
    elk onderzoek of elke controle verrichten met betrekking tot de maatregelen die zijn

genomen om het geïntegreerd systeem op te zetten en uit te voeren;

  • b) 
    controles verrichten bij de in artikel 20, lid 3, bedoelde gespecialiseerde instellingen

en bedrijven.

  • 3. 
    Onverminderd de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor de uitvoering en toepassing

van het geïntegreerd systeem, kan de Commissie de hulp van gespecialiseerde instanties of

personen inroepen om het opzetten van, het toezicht op en het gebruik van het geïntegreerd

systeem te vergemakkelijken, en met name om de bevoegde autoriteiten van de lidstaten

desgewenst technische adviezen te verstrekken.

HOOFDSTUK 5

ANDERE ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 28

Minimumvereisten voor het ontvangen van rechtstreekse betalingen

  • 1. 
    Met ingang van 2010 kennen de lidstaten in de volgende gevallen geen rechtstreekse
  • b) 
    indien het subsidiabele areaal van het bedrijf waarvoor rechtstreekse betalingen

worden aangevraagd of moeten worden toegekend vóór de in artikel 21 bedoelde

verlagingen en uitsluitingen minder dan één hectare bedraagt.

De lidstaten kunnen, om rekening te houden met de structuur van hun landbouweconomie,

de in de punten a) en b) bedoelde drempels aanpassen binnen de in bijlage VII vastgestelde

limieten.

Voor landbouwers die over de in artikel 44, lid 1, bedoelde bijzondere toeslagrechten

beschikken, is alleen de onder a) bedoelde voorwaarde van toepassing.

De betrokken lidstaten kunnen besluiten dit lid niet toe te passen in de Franse overzeese

departementen, op de Azoren en Madeira, op de Canarische Eilanden en op de eilanden in

de Egeïsche Zee.

Indien het betaalde bedrag wordt verlaagd ten gevolge van een geleidelijke invoering van

rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 121 van de onderhavige verordening,

bijlage VII, of punt K, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, of bijlage IX, punt C, van de

onderhavige verordening wordt het aangevraagde of toe te kennen bedrag berekend op

basis van het definitieve bedrag van de door de landbouwer te ontvangen steun.

  • 2. 
    Met ingang van 2010 kunnen de lidstaten objectieve en niet-discriminerende criteria

opstellen om ervoor te zorgen dat er geen rechtstreekse betalingen worden verstrekt aan

een natuurlijke of rechtspersoon:

  • b) 
    wiens voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel niet de uitoefening van een

landbouwactiviteit is.

  • 3. 
    Toeslagrechten die op grond van lid 1 of lid 2 gedurende twee opeenvolgende jaren geen

recht op betalingen geven, worden toegevoegd aan de nationale reserve.

Artikel 29

Betaling

  • 1. 
    Tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald, worden de betalingen op grond

van de in bijlage I genoemde steunregelingen volledig aan de begunstigden uitgekeerd.

  • 2. 
    De betalingen worden in maximaal twee tranches per jaar uitgekeerd binnen de periode

van 1 december tot en met 30 juni van het volgende kalenderjaar.

  • 3. 
    Betalingen op grond van de in bijlage I vermelde steunregelingen worden pas verricht

nadat de lidstaat op grond van artikel 20 de subsidiabiliteitsvoorwaarden heeft getoetst.

  • 4. 
    In afwijking van lid 2 en volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure kan de

Commissie

  • a) 
    voorzien in voorschotten;
  • b) 
    de lidstaten machtigen om, onder voorbehoud van de begrotingssituatie, vóór

1 december in regio's waar de landbouwers zich als gevolg van uitzonderlijke

omstandigheden voor ernstige financiële moeilijkheden geplaatst zien, voorschotten

uit te betalen:

  • i) 
    tot 50% van de betalingen

of

  • ii) 
    tot 80% van de betalingen indien er reeds is voorzien in voorschotten.

Artikel 30

Misleiding

Onverminderd bijzondere bepalingen in afzonderlijke steunregelingen, wordt niet uitbetaald aan

begunstigden van wie vaststaat dat zij de voorwaarden voor de uitbetaling kunstmatig hebben

gecreëerd om een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van de betrokken

steunregeling.

Artikel 31

Overmacht en uitzonderlijke omstandigheden

Voor de toepassing van de onderhavige verordening worden overmacht en uitzonderlijke

omstandigheden door de bevoegde autoriteit erkend in gevallen als:

  • a) 
    het overlijden van de landbouwer;
  • b) 
    langdurige arbeidsongeschiktheid van de landbouwer;
  • c) 
    een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in ernstige mate heeft

aangetast;

  • d) 
    het door een ongeluk tenietgaan van veehouderijgebouwen van het bedrijf;
  • e) 
    een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan heeft getroffen.

Artikel 32

Evaluatie

De in bijlage I vermelde steunregelingen zijn van toepassing onverminderd de mogelijkheid deze op

elk tijdstip in het licht van de economische ontwikkelingen en de begrotingssituatie te herzien.

TITEL III

BEDRIJFSTOESLAGREGELING

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE TENUITVOERLEGGING

Artikel 33

Toeslagrechten

  • 1. 
    In het kader van de bedrijfstoeslagregeling wordt steun beschikbaar gesteld voor

landbouwers die:

  • a) 
    beschikken over toeslagrechten die zij overeenkomstig Verordening (EG) nr.

1782/2003 hebben verkregen;

  • b) 
    op grond van de onderhavige verordening toeslagrechten verwerven:
  • i) 
    via overdracht,
  • ii) 
    uit de nationale reserve,
  • iii) 
    krachtens bijlage IX,
  • 2. 
    Voor de toepassing van artikel 47, lid 2, artikel 57, lid 6, artikel 64, lid 2, en artikel 66

wordt een landbouwer geacht over toeslagrechten te beschikken indien er toeslagrechten

aan hem zijn toegewezen of definitief zijn overgedragen.

  • 3. 
    Voor de overeenkomstig artikel 53, lid 2, artikel 63, lid 2, en artikel 71, punt j), van

Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde braakleggingstoeslagrechten gelden vorige

braakleggingsverplichtingen niet.

Artikel 34

Activering van toeslagrechten per subsidiabele hectare

  • 1. 
    De steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling wordt aan landbouwers toegekend na

activering van een toeslagrecht per subsidiabele hectare. Elk geactiveerd toeslagrecht geeft

recht op betaling van het in het kader van dat toeslagrecht vastgestelde bedrag.

  • 2. 
    Voor de toepassing van deze titel wordt onder "subsidiabele hectare" verstaan:
  • a) 
    om het even welke landbouwgrond van het bedrijf, en grond beplant met hakhout

met een korte omlooptijd (GN-code ex 0602 90 41), die wordt gebruikt voor een

landbouwactiviteit of die, indien de grond ook voor niet-landbouwactiviteiten

gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt, en

  • b) 
    om het even welke grond die in 2008 recht gaf op betalingen uit hoofde van de

bedrijfstoeslagregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling en die

  • i) 
    niet langer voldoet aan de subsidiabiliteitsdefinitie als gevolg van de uitvoering

van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van

de vogelstand1 en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de

instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna2 en van

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van

23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire

maatregelen betreffende het waterbeleid3, of

  • ii) 
    voor de looptijd van de toepasselijke verbintenis van de individuele

landbouwer wordt bebost op grond van artikel 31 van Verordening (EG)

nr. 1257/1999 van de Raad van 27 mei 1999 inzake steun voor

plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de

Landbouw (EOGFL)4, of artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of

een nationale regeling waarvan de voorwaarden stroken met artikel 43, leden 1,

2 en 3 van genoemde verordening.

  • iii) 
    voor de looptijd van de toepasselijke verbintenis van de individuele

landbouwer braakgelegd is krachtens de artikelen 22 tot en met 24 van

Verordening (EG) nr. 1257/1999 of krachtens artikel 39 van Verordening (EG)

nr. 1698/2005.

Artikel 35

Aangifte van subsidiabele hectaren

  • 1. 
    De landbouwer geeft aan welke percelen overeenstemmen met de subsidiabele hectaren die

met een toeslagrecht gepaard gaan. Behalve in gevallen van overmacht of in uitzonderlijke

omstandigheden moeten deze percelen ter beschikking van de landbouwer staan op een

door de lidstaat vastgesteld tijdstip, maar niet later dan de in die lidstaat vastgestelde datum

voor wijziging van de steunaanvraag.

  • 2. 
    De lidstaten kunnen, in naar behoren gemotiveerde gevallen, de landbouwer toestaan zijn

aangifte te wijzigen op voorwaarde dat hij het aantal hectares in acht neemt dat

overeenstemt met zijn toeslagrechten en de voorwaarden in acht neemt die worden gesteld

aan de betaling voor het betrokken areaal.

Artikel 36

Wijziging van de toeslagrechten

De toeslagrechten per hectare worden niet gewijzigd, tenzij in de onderhavige verordening anders is

bepaald.

De Commissie stelt volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsbepalingen vast

inzake de wijziging, met ingang van 2010, van toeslagrechten en met name delen van toeslag-

rechten.

Artikel 37

Meervoudige aanvragen

De met het aantal subsidiabele hectaren overeenkomende oppervlakte waarvoor een aanvraag voor

een bedrijfstoeslag wordt ingediend, kan het voorwerp zijn van een aanvraag voor enig andere

rechtstreekse betaling, alsmede voor iedere andere steun die niet onder de onderhavige verordening

valt, tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald.

Artikel 38

Gebruik van grond in het kader van de uitgestelde integratie van de sector groenten en fruit

Wanneer een lidstaat heeft besloten gebruik te makenvan de in artikel 51, tweede alinea, van

Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde optie (hierna "uitgestelde integratie" genoemd), zijn

de percelen in de regio's waarop dat besluit van toepassing is, tot uiterlijk 31 december 2010 niet

subsidiabel indien deze percelen worden gebruikt voor:

  • a) 
    de productie van groenten en fruit,
  • b) 
    de productie van consumptieaardappelen, of
  • c) 
    kwekerijproducten.

In het kader van de in de eerste alinea bedoelde uitgestelde integratie kunnen de lidstaten besluiten

secundaire teelten toe te laten op de subsidiabele hectaren gedurende een periode van ten hoogste

drie maanden die elk jaar op 15 augustus begint. Op verzoek van een lidstaat kan deze datum

volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure echter worden gewijzigd voor gebieden waar

granen gewoonlijk eerder worden geoogst wegens klimaatredenen.

Artikel 39

Gebruik van grond voor de productie van hennep

  • 1. 
    Voor de productie van hennep gebruikte arealen zijn slechts subsidiabel wanneer het

gehalte aan tetrahydrocannabinol van de gebruikte rassen maximaal 0,2% bedraagt. De

lidstaten voeren een systeem in voor het controleren van het gehalte aan

tetrahydrocannabinol van de geteelde gewassen op ten minste 30% van de henneparealen.

Indien een lidstaat voor deze teelt een systeem van voorafgaande vergunningen invoert,

geldt echter een minimum van 20%.

  • 2. 
    Volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure wordt het toekennen van betalingen

afhankelijk gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad van bepaalde rassen.

Artikel 40

ationale maxima

  • 1. 
    De totale waarde van alle toegewezen toeslagrechten en van de overeenkomstig artikel 51,

lid 2, en artikel 69, lid 3, van de onderhavige verordening of, voor 2009, overeenkomstig

artikel 64, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde maxima mag voor elke

lidstaat en voor elk jaar niet hoger zijn dan het in bijlage VIII van de onderhavige

verordening vastgestelde overeenkomstige nationale maximum.

Indien toeslagrechten worden toegewezen aan wijnbouwers, past de Commissie, rekening

houdend met de meest recente gegevens die haar overeenkomstig artikel 9 en artikel 102,

lid 6, van Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad van 29 april 2008 houdende een

gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt1 door de lidstaten ter beschikking worden

gesteld, de in bijlage VIII bij de onderhavige verordening vastgestelde nationale maxima

aan volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure. Uiterlijk op 1 december van het

jaar dat voorafgaat aan de aanpassing van de nationale maxima, stellen de lidstaten de

Commissie in kennis van het regionale gemiddelde van de bedragen van de in bijlage IX,

punt B, van de onderhavige verordening bedoelde toeslagrechten.

  • 2. 
    Zo nodig past de lidstaat een lineaire verlaging op het bedrag van de toeslagrechten toe om

de naleving van het in bijlage VIII vastgestelde maximum te garanderen.

Artikel 41

ationale reserve

  • 1. 
    Elke lidstaat beheert een nationale reserve waarin het verschil wordt opgenomen tussen:
  • a) 
    de in bijlage VIII van de onderhavige verordening vastgestelde nationale maxima; en
  • b) 
    het totaalbedrag van alle toegewezen toeslagrechten en de overeenkomstig artikel 51,

lid 2, en artikel 69, lid 3, van de onderhavige verordening of, voor 2009,

overeenkomstig artikel 64, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde

maxima.

  • 2. 
    De lidstaten kunnen de nationale reserve gebruiken om op basis van objectieve criteria en

op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en

markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, bij voorrang toeslagrechten toe te

wijzen aan landbouwers die met hun landbouwactiviteiten beginnen.

  • 3. 
    Lidstaten die artikel 68, lid 1, punt c), niet toepassen, kunnen de nationale reserve

gebruiken om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke

behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en

concurrentieverstoringen worden vermeden, toeslagrechten vast te stellen voor

landbouwers in gebieden waar aan een of andere vorm van overheidssteun gekoppelde

herstructurerings- en ontwikkelingsprogramma's lopen om te voorkomen dat het land

  • 4. 
    De nieuwe lidstaten gebruiken de nationale reserve om, op basis van objectieve en niet-

discriminerende criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de

landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden

voorkomen, toeslagrechten toe te wijzen aan landbouwers die zich in een bijzondere, door

de Commissie volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure te omschrijven situatie

bevinden.

  • 5. 
    In het kader van de toepassing van dit artikel kunnen de lidstaten het eenheidsbedrag van

de toeslagrechten en/of het aantal aan landbouwers toegewezen toeslagrechten verhogen.

Artikel 42

Ongebruikte toeslagrechten

Toeslagrechten die gedurende twee jaar niet zijn geactiveerd overeenkomstig artikel 34, worden

toegevoegd aan de nationale reserve, behalve in gevallen van overmacht of uitzonderlijke

omstandigheden. Voor 2009 worden toeslagrechten die gedurende het tweejarige tijdvak 2007-2008

niet geactiveerd waren echter niet aan de nationale reserve toegevoegd indien zij in 2006

geactiveerd waren; voor 2010 worden toeslagrechten die gedurende het tweejarige tijdvak

2008-2009 niet zijn geactiveerd niet aan de nationale reserve toegevoegd indien zij in 2007

geactiveerd waren.

Artikel 43

Zelfs in het geval van overdracht door feitelijke of verwachte vererving mogen de

toeslagrechten evenwel uitsluitend worden gebruikt in de lidstaat waar de toeslagrechten

zijn vastgesteld.

Een lidstaat kan besluiten dat toeslagrechten alleen binnen eenzelfde regio mogen worden

overgedragen of gebruikt.

  • 2. 
    Toeslagrechten kunnen worden overgedragen door verkoop of elke andere vorm van

definitieve overdracht met of zonder grond. Verhuur of soortgelijke transacties zijn

daarentegen slechts toegestaan indien de overdracht van de toeslagrechten gepaard gaat

met de overdracht van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren.

  • 3. 
    Indien toeslagrechten worden verkocht, met of zonder land, kunnen de lidstaten, met

inachtneming van de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, besluiten dat een

deel van de verkochte toeslagrechten aan de nationale reserve wordt toegevoegd of dat het

eenheidsbedrag van de toeslagrechten wordt verlaagd ten behoeve van de nationale

reserve, op basis van door de Commissie volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde

procedure vast te stellen criteria.

Artikel 44

Voorwaarden voor bijzondere toeslagrechten

  • 1. 
    Tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald, gelden voor toeslagrechten die
  • 2. 
    In afwijking van artikel 34, lid 1, wordt een landbouwer die over bijzondere toeslagrechten

beschikt, door de lidstaat gemachtigd om af te wijken van de verplichting zijn

toeslagrechten te activeren op basis van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren,

op voorwaarde dat deze landbouwer ten minste:

  • a) 
    50% van de tijdens de in Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde referentieperiode

uitgeoefende en in grootvee-eenheden (GVE) uitgedrukte landbouwactiviteiten

behoudt of,

  • b) 
    in het geval van de op grond van artikel 60 vastgestelde bijzondere toeslagrechten,

50% van de vóór de overgang naar de bedrijfstoeslagregeling uitgeoefende en in

grootvee-eenheden (GVE) uitgedrukte landbouwactiviteiten behoudt of,

  • c) 
    in het geval van artikel 65, 50% van de gedurende de toepassing van de artikelen 67

en 68 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 uitgeoefende landbouwactiviteiten,

uitgedrukt in GVE, behoudt.

Een landbouwer die bijzondere toeslagrechten toegewezen heeft gekregen op grond van

zowel Verordening (EG) nr. 1782/2003 als de onderhavige verordening, is evenwel

verplicht om ten minste 50% van de hoogste van de in de eerste alinea bedoelde

activiteitsgraden te behouden.

De in de eerste alinea vastgestelde voorwaarde is niet van toepassing op Malta.

Artikel 45

Herziening van de toeslagrechten

  • 1. 
    In gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten die de bedrijfstoeslagregeling op grond van

titel III, de hoofdstukken 1 tot en met 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 hebben

ingevoerd met inachtneming van de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht,

besluiten om in of na 2010 de bedragen van de toeslagrechten dichter bij elkaar te brengen.

Om vanaf 2010 te gelden, moet het besluit uiterlijk op 1 augustus 2009 genomen zijn. In

alle andere gevallen moet het uiterlijk op 1 augustus 2010 genomen zijn.

  • 2. 
    Voor de toepassing van de eerste alinea van lid 1 kunnen jaarlijks de toeslagrechten

geleidelijk worden gewijzigd op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.

Indien de wijziging een vermindering van de waarde van de toeslagrechten tot gevolg

heeft, wordt deze wijziging doorgevoerd in ten minste drie vooraf vastgestelde jaarlijkse

stappen.

In elk van de in de eerste alinea bedoelde jaarlijkse stappen bedraagt de vermindering van

de waarde van de toeslagrechten niet meer dan 50% van het verschil tussen de

oorspronkelijke en de uiteindelijke waarde. Indien de waardevermindering minder dan

10% van de oorspronkelijke waarde bedraagt, mogen de lidstaten minder dan drie stappen

toepassen.

  • 3. 
    De lidstaten kunnen besluiten dit artikel toe te passen:
  • a) 
    op het gepaste geografische niveau, dat wordt vastgesteld op basis van objectieve en

niet-discriminerende criteria, zoals hun institutionele of administratieve structuur

en/of het agrarische potentieel; of

  • b) 
    in de regio die is vastgesteld overeenkomstig artikel 46, lid 2, indien artikel 46, lid 4,

wordt toegepast.

HOOFDSTUK 2

REGIONALE EN GEDEELTELIJKE UITVOERING

AFDELING 1

REGIONALE UITVOERING

Artikel 46

Regionale toewijzing van het in artikel 40 bedoelde maximum

  • 1. 
    Een lidstaat die de bedrijfstoeslagregeling overeenkomstig titel III, hoofdstukken 1 tot en

met 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 heeft ingevoerd, kan besluiten de bedrijfs-

toeslagregeling in of na 2010 op regionaal niveau toe te passen onder de in deze afdeling

vastgestelde voorwaarden. Om vanaf 2010 te gelden, moet het besluit uiterlijk op

  • 2. 
    De lidstaten stellen de regio's vast op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria,

zoals hun institutionele of administratieve structuur en het regionale agrarische potentieel.

Lidstaten kunnen hun gehele grondgebied als één regio beschouwen.

  • 3. 
    De lidstaten verdelen het in artikel 40 bedoelde nationale maxima op basis van objectieve

en niet-discriminerende criteria over de regio's. De lidstaten kunnen besluiten dat deze

regionale maxima jaarlijks geleidelijk worden gewijzigd in ten hoogste drie vooraf

vastgestelde jaarlijkse stappen en op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria,

zoals landbouwpotentieel of milieuoverwegingen.

  • 4. 
    Indien een lidstaat die de leden 1, 2 en 3 toepast, besluit artikel 47 niet toe te passen, past

hij, voor zover nodig om de toepasselijke regionale maxima na te leven, de waarde van de

toeslagrechten in elk van zijn regio's aan. Hiertoe wordt de waarde van de toeslagrechten

lineair verlaagd of verhoogd. De totale verlaging van de waarde van de toeslagrechten op

grond van dit lid is beperkt tot 10% van hun oorspronkelijke waarde.

  • 5. 
    Indien een lidstaat besluit zowel artikel 45 als dit artikel toe te passen, wordt met de in

lid 4 van het onderhavige artikel bedoelde verlagingen van de waarde van de

toeslagrechten rekening gehouden bij de berekening van de in artikel 45, lid 2, vastgestelde

grenswaarden.

Artikel 47

Regionalisering van de bedrijftoeslagregeling

  • 1. 
    In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten besluiten niet meer dan 50%

van het op grond van artikel 46 vastgestelde regionale maximum te verdelen over alle land-

bouwers wier bedrijf in de betrokken regio is gelegen, met inbegrip van landbouwers die

niet over toeslagrechten beschikken.

  • 2. 
    De landbouwers ontvangen toeslagrechten waarvan het eenheidsbedrag wordt berekend

door het overeenkomstige deel van het op grond van artikel 46 vastgestelde regionale

maximum te delen door het aantal subsidiabele hectaren zoals dat op regionaal niveau is

vastgesteld.

Het bedrag van deze toeslagrechten wordt verhoogd wanneer een landbouwer voordat dit

artikel van toepassing is over toeslagrechten beschikt. Hiertoe wordt het regionale

eenheidsbedrag van elk van de toeslagrechten van de betrokken landbouwer verhoogd met

een bedrag dat wordt berekend op basis van het totale bedrag van de toeslagrechten

waarover de landbouwer op een door de betrokken lidstaat te bepalen datum beschikt.

Deze verhogingen worden berekend binnen de grenzen van het resterende deel van het

regionale maximum, na toepassing van lid 1.

  • 3. 
    Het aantal toeslagrechten per landbouwer is gelijk aan het aantal hectaren dat hij overeen-

komstig artikel 34, lid 2, aangeeft in het jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling

Artikel 48

Herziening van de toeslagrechten

  • 1. 
    In gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten die artikel 47 toepassen in overeenstemming

met de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht besluiten om in het jaar dat volgt

op de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling op regionaal niveau als bedoeld in

artikel 46, lid 1, de bedragen van de op grond van deze afdeling vastgestelde

toeslagrechten dichter bij elkaar te brengen

Om vanaf 2010 te gelden, moet dat besluit uiterlijk op 1 augustus 2009 genomen zijn. In

alle andere gevallen moet het uiterlijk op 1 augustus 2010 genomen zijn.

Voor de toepassing van de eerste alinea kunnen jaarlijks de toeslagrechten geleidelijk

worden gewijzigd op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria. Indien de

wijziging een vermindering van de waarde van de toeslagrechten tot gevolg heeft, wordt

deze wijziging doorgevoerd in ten minste twee vooraf vastgestelde jaarlijkse stappen.

  • 2. 
    In gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten die de bedrijfstoeslagregeling op grond van

titel III, hoofdstuk 5, afdeling 1, of hoofdstuk 6, van Verordening (EG) nr. 1782/2003

hebben ingevoerd met inachtneming van de algemene beginselen van het

Gemeenschapsrecht, besluiten om in of na 2010 de bedragen van de toeslagrechten dichter

bij elkaar te brengen. Om vanaf 2010 te gelden, moet dat besluit uiterlijk op 1 augustus

2009 genomen zijn. In alle andere gevallen moet het uiterlijk op 1 augustus 2010 genomen

Voor de toepassing van de eerste alinea worden jaarlijks de toeslagrechten geleidelijk

gewijzigd op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria. Indien de wijziging een

vermindering van de waarde van de toeslagrechten tot gevolg heeft, wordt deze wijziging

doorgevoerd in ten minste drie vooraf vastgestelde jaarlijkse stappen.

De eerste alinea geldt onverminderd de door lidstaten genomen besluiten krachtens

artikel 63, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003. Deze lidstaten kunnen afwijken van

het in de eerste alinea vastgestelde minimumaantal stappen en van de in lid 3 van dit artikel

vastgestelde maxima.

  • 3. 
    In elk van de in alinea 1 en 2 bedoelde jaarlijkse stappen bedraagt de vermindering van de

waarde van de toeslagrechten niet meer dan 50% van het verschil tussen de

oorspronkelijke en de uiteindelijke waarde. Indien de waardevermindering minder dan

10% van de oorspronkelijke waarde bedraagt, mogen de lidstaten minder dan drie stappen

toepassen.

  • 4. 
    De lidstaten kunnen besluiten de leden 1, 2 en 3 toe te passen op het gepaste geografische

niveau, dat wordt vastgesteld op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals

hun institutionele of administratieve structuur en/of het agrarische potentieel.

Artikel 49

Grasland

De lidstaten die artikel 47 toepassen, kunnen op basis van objectieve en niet-discriminerende

criteria en met inachtneming van het krachtens artikel 46 vastgestelde regionale maximum of een

deel daarvan, verschillende eenheidsbedragen van de toeslagrechten vaststellen voor de aan de in

artikel 47, lid 1, bedoelde landbouwers toe te wijzen toeslagrechten:

  • a) 
    voor op de voor de aanvragen van oppervlaktesteun voor 2008 vastgestelde datum als

grasland gebruikte hectaren en voor andere subsidiabele hectaren, dan wel,

  • b) 
    voor op de voor de aanvragen van oppervlaktesteun voor 2008 vastgestelde datum als

blijvend grasland gebruikte hectaren en voor andere subsidiabele hectaren.

Artikel 50

Voorwaarden voor de krachtens deze afdeling vastgestelde toeslagrechten

  • 1. 
    Toeslagrechten die zijn vastgesteld overeenkomstig deze afdeling of titel III, hoofdstuk 5,

afdeling 1, of hoofdstuk 6 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, mogen slechts worden

overgedragen binnen één regio of tussen regio's indien de bedragen van de toeslagrechten

per hectare dezelfde zijn en de toeslagrechten in die regio's worden gebruikt.

  • 2. 
    Behoudens andersluidende bepalingen in deze afdeling, gelden de overige bepalingen van

AFDELING 2

GEDEELTELIJKE UITVOERING

Artikel 51

Algemene bepalingen

  • 1. 
    De lidstaten die krachtens titel III, hoofdstuk 5, afdeling 2, van Verordening (EG)

nr. 1782/2003 betalingen in de sectoren schapenvlees en geitenvlees of de betalingen voor

rund- en kalfsvlees hebben toegekend, kunnen vóór 1 augustus 2009 besluiten deze

betalingen onder de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden verder toe te kennen. Zij

kunnen ook besluiten het aandeel van hun nationale maxima dat moet worden gebruikt

voor de toekenning van deze betalingen vast te stellen op een lager niveau dan het niveau

waartoe is besloten overeenkomstig artikel 64, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

Indien een lidstaat dit besluit niet neemt, worden de betalingen met ingang van 2010

overeenkomstig artikel 66 van deze verordening in de bedrijfstoeslagregeling geïntegreerd.

In het geval van de in artikel 53, lid 2, van deze verordening bedoelde betalingen voor

rund- en kalfsvlees kunnen de lidstaten voor 1 augustus 2010 ook besluiten de betalingen

niet toe te kennen, maar deze met ingang van 2011 overeenkomstig artikel 66 van deze

verordening in de bedrijfstoeslagregeling te integreren.

Lidstaten die op grond van artikel 68 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003 de

betalingen voor groenten en fruit volledig of gedeeltelijk van de bedrijfstoeslagregeling

hebben uitgesloten, kunnen:

  • a) 
    met ingang van 2010 de betalingen voor groenten en fruit toekennen volgens de in

deze afdeling vastgestelde voorwaarden en in overeenstemming met het op grond

van artikel 68 ter, leden 1 en 2, en artikel 143 ter quater, leden 1 en 2, van

Verordening (EG) nr. 1782/2003 genomen besluit, of

  • b) 
    voor 1 augustus 2009 besluiten de op grond van artikel 68 ter van Verordening (EG)

nr. 1782/2003 van de bedrijfstoeslagregeling uitgesloten betalingen voor groenten en

fruit overeenkomstig artikel 66 van deze verordening in de bedrijfstoeslagregeling te

integreren, of

  • c) 
    voor 1 augustus 2009 besluiten de overgangsbetaling voor groenten en fruit onder de

in deze afdeling vastgestelde voorwaarden toe te kennen op een lager niveau dan het

niveau waartoe is besloten overeenkomstig van artikel 68 ter van Verordening (EG)

nr. 1782/2003.

De nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast,

kunnen, wanneer zij de bedrijfstoeslagregeling invoeren, besluiten de in de eerste alinea

bedoelde betalingen toe te kennen onder de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden. In

het geval van de overgangsbetaling voor groenten en fruit passen de nieuwe lidstaten die

  • 2. 
    Al naargelang de door iedere lidstaat gemaakte keuze bepaalt de Commissie volgens de in

artikel 141, lid 2, bedoelde procedure een maximum voor elk van de in de artikelen 52, 53

en 54 genoemde rechtstreekse betalingen.

Dit maximum is gelijk aan het aandeel van elk type rechtstreekse betaling in de in artikel

40 bedoelde nationale maxima, vermenigvuldigd met de verlagingspercentages die de

lidstaten overeenkomstig de artikelen 52, 53 en 54 toepassen.

Artikel 52

Betalingen voor schapenvlees en geitenvlees

De lidstaten mogen tot 50% van het aandeel van de in artikel 40 van de onderhavige verordening

bedoelde nationale maxima dat overeenkomt met de in bijlage VI bij Verordening (EG)

nr. 1782/2003 opgenomen betalingen in de sectoren schapenvlees en geitenvlees, behouden. In dat

geval doen zij jaarlijks een extra betaling aan landbouwers.

De extra betaling wordt volgens de voorwaarden van titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 10, van de

onderhavige verordening en met inachtneming van het overeenkomstig artikel 51, lid 2, van de

onderhavige verordening bepaalde maximum verleend aan landbouwers die schapen en geiten

houden.

Artikel 53

Rund- en kalfsvleesbetalingen

  • 1. 
    De lidstaten die artikel 68, lid 2, onder a), i), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 hebben

toegepast en de nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben

toegepast, mogen het aandeel van de in artikel 40 van de onderhavige verordening

bedoelde nationale maxima dat overeenkomt met de in bijlage VI van Verordening (EG)

nr. 1782/2003 opgenomen zoogkoeienpremie, geheel of gedeeltelijk behouden. In die

gevallen doen zij jaarlijks een extra betaling aan landbouwers.

De extra betaling wordt volgens de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 11, van de

onderhavige verordening vastgestelde voorwaarden en met inachtneming van het

overeenkomstig artikel 51, lid 2, van de onderhavige verordening bepaalde maximum

verleend aan landbouwers die zoogkoeien houden.

  • 2. 
    In 2010 en 2011 mogen de lidstaten die artikel 68, lid 1, artikel 68, lid 2, punt a), ii), of

artikel 68, lid 2, punt b), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 hebben toegepast en nieuwe

lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast, het aandeel

van de in artikel 40 van de onderhavige verordening bedoelde nationale maxima dat

overeenkomt met de slachtpremie voor kalveren, de slachtpremie voor andere runderen dan

kalveren of de speciale premie voor mannelijke runderen, geheel of gedeeltelijk behouden.

In die gevallen doen zij jaarlijks een extra betaling aan landbouwers. De extra betalingen

Artikel 54

Overgangsbetalingen voor groenten en fruit

  • 1. 
    Tot en met 31 december 2011 mogen de lidstaten tot 50% van de aandelen van de in

artikel 40 van de onderhavige verordening bedoelde nationale maxima die bestemd zijn

voor steun voor de productie van tomaten, behouden.

In dit geval doet de betrokken lidstaat jaarlijks binnen het overeenkomstig artikel 51, lid 2,

vastgestelde maximum een extra betaling aan landbouwers.

De extra betaling wordt verleend aan landbouwers die tomaten produceren overeenkomstig

de voorwaarden van titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 8, van de onderhavige verordening.

  • 2. 
    De lidstaten mogen:
  • a) 
    tot en met 31 december 2010, tot 100% behouden van het aandeel in de in artikel 40

van de onderhavige verordening genoemde nationale maxima dat bestemd is voor

steun voor de productie van bepaalde in de derde alinea bedoelde andere groente- en

fruitgewassen dan eenjarige die ter verwerking worden geleverd en subsidiabel

waren uit hoofde van de steunregelingen van Verordening (EG) nr. 2201/96 en

Verordening (EG) nr. 2202/96; en

  • b) 
    van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012, tot 75% behouden van het aandeel

in de in artikel 40 van de onderhavige verordening genoemde nationale maxima dat

bestemd is voor steun voor de productie van bepaalde in de derde alinea bedoelde

andere groente- en fruitgewassen dan eenjarige die ter verwerking worden geleverd

en subsidiabel waren uit hoofde van de steunregelingen van Verordening (EG)

nr. 2201/96 van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der

markten in de sector verwerkte produkten op basis van groenten en fruit1 en

Verordening (EG) nr. 2202/96 van de Raad van 28 oktober 1996 tot invoering van

een steunregeling voor telers van bepaalde citrussoorten2.

In dit geval doet de betrokken lidstaat jaarlijks binnen het overeenkomstig artikel 51,

lid 2, van de onderhavige verordening vastgestelde maximum een extra betaling aan

landbouwers.

De extra betaling wordt volgens de voorwaarden van titel IV, hoofdstuk 1, afdeling

8, toegekend aan landbouwers die een of meer van de volgende groente- en

fruitsoorten produceren, zoals vastgesteld door de betrokken lidstaat:

  • i) 
    verse vijgen,
  • ii) 
    verse citrusvruchten,
  • iii) 
    tafeldruiven,
  • 3. 
    De in de leden 1 en 2 bedoelde aandelen van de nationale maxima worden vastgesteld in

bijlage X.

HOOFDSTUK 3

UITVOERING IN DE NIEUWE LIDSTATEN DIE

DE REGELING INZAKE EEN ENKELE AREAALBETALING

HEBBEN TOEGEPAST

Artikel 55

Invoering van de bedrijfstoeslagregeling in de lidstaten die de regeling inzake

een enkele areaalbetaling hebben toegepast

  • 1. 
    Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, is deze titel van toepassing op de nieuwe

lidstaten die de in titel V, hoofdstuk 2, bedoelde regeling inzake een enkele areaalbetaling

hebben toegepast.

Artikel 41 en hoofdstuk 2, afdeling 1, zijn niet van toepassing.

  • 2. 
    Elke nieuwe lidstaat die de regeling inzake een enkele areaalbetaling heeft toegepast,

neemt de in artikel 51, lid 1, en artikel 69, lid 1, bedoelde besluiten uiterlijk op 1 augustus

van het jaar vóór het jaar waarin hij de bedrijfstoeslagregeling voor het eerst zal toepassen.

  • 3. 
    Elke nieuwe lidstaat die de regeling inzake een enkele areaalbetaling heeft toegepast,

behalve Bulgarije en Roemenië kan, in aanvulling op de in artikel 34, lid 2, vastgestelde

subsidiabiliteitsvoorwaarden bepalen dat onder "subsidiabele hectare" wordt verstaan,

landbouwgrond van het bedrijf die op 30 juni 2003 in goede landbouwconditie verkeerde,

ongeacht of die grond op die datum in productie was.

Artikel 56

Steunaanvraag

  • 1. 
    De landbouwers vragen steun op grond van de bedrijfstoeslagregeling uiterlijk op een door

de nieuwe lidstaten vast te stellen datum aan, maar niet later dan 15 mei.

  • 2. 
    Behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden worden alleen

toeslagrechten toegekend aan de landbouwers die uiterlijk op 15 mei van het eerste

toepassingsjaar van de bedrijfstoeslagregeling een aanvraag in het kader van de

bedrijfstoeslagregeling hebben ingediend.

Artikel 57

ationale reserve

  • 1. 
    Elke nieuwe lidstaat past op zijn in artikel 40 bedoelde nationale maximum een lineaire

procentuele verlaging toe, die een nationale reserve vormt.

  • 2. 
    De nieuwe lidstaten gebruiken de nationale reserve om, op basis van objectieve criteria en

op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en

markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen, toeslagrechten toe te wijzen aan

landbouwers die zich in een bijzondere, door de Commissie volgens de in artikel 141, lid 2,

bedoelde procedure te omschrijven situatie bevinden.

  • 3. 
    Gedurende het eerste toepassingsjaar van de bedrijfstoeslagregeling kunnen de nieuwe

lidstaten de nationale reserve gebruiken om op basis van objectieve criteria en op zodanige

wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en

concurrentieverstoringen worden voorkomen, toeslagrechten toe te kennen aan

landbouwers in specifieke sectoren die zich in een bijzondere situatie bevinden als gevolg

van de overgang naar de bedrijfstoeslagregeling.

  • 4. 
    De nieuwe lidstaten kunnen de nationale reserve gebruiken om, op basis van objectieve

criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt

gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, toeslagrechten toe

te wijzen aan landbouwers die na 1 januari van het eerste toepassingsjaar van de bedrijfs-

toeslagregeling met hun landbouwactiviteit zijn begonnen en dat jaar geen rechtstreekse

betaling hebben ontvangen.

  • 5. 
    De nieuwe lidstaten die artikel 68, lid 1, punt c), niet toepassen, kunnen de nationale

reserve gebruiken om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke

behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt-

  • 6. 
    Voor de toepassing van de leden 2 tot en met 5, kunnen de lidstaten het eenheidsbedrag

van de toeslagrechten waarover de betrokken landbouwer beschikt tot een maximum van

5000 euro verhogen of kunnen zij nieuwe toeslagrechten aan de betrokken landbouwer

toewijzen.

  • 7. 
    De nieuwe lidstaten passen een lineaire verlaging op de toeslagrechten toe indien hun

nationale reserve ontoereikend is om de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde gevallen te dekken.

Artikel 58

Regionale toewijzing van de nationale maxima, bedoeld in artikel 40

  • 1. 
    De nieuwe lidstaten kunnen de bedrijfstoeslagregeling op regionaal niveau toepassen.
  • 2. 
    De nieuwe lidstaten stellen de regio's vast op basis van objectieve en niet-discriminerende

criteria.

  • 3. 
    In voorkomend geval verdelen de nieuwe lidstaten het in artikel 40 bedoelde nationale

maximum, na toepassing van de in artikel 57 bedoelde verlaging, over de regio's op basis

van objectieve en niet-discriminerende criteria.

Artikel 59

Toewijzing van toeslagrechten

  • 1. 
    Landbouwers ontvangen toeslagrechten waarvan het eenheidsbedrag wordt berekend door
  • 2. 
    Het aantal toeslagrechten per landbouwer is gelijk aan het aantal hectaren dat de betrokken

landbouwer overeenkomstig artikel 35, lid 1, aangeeft in het eerste toepassingsjaar van de

bedrijfstoeslagregeling, behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.

  • 3. 
    In afwijking van lid 2 kunnen de nieuwe lidstaten besluiten dat het aantal toeslagrechten

per landbouwer gelijk is aan het jaarlijkse gemiddelde van alle hectaren die recht gaven op

de enkele areaalbetaling gedurende een of meer jaar van een door de betrokken lidstaat

vast te stellen representatieve periode die, behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke

omstandigheden, niet na 2008 mag vallen.

Voor een landbouwer die tijdens de representatieve periode een landbouwactiviteit is

begonnen, wordt het gemiddelde aantal hectaren gebaseerd op de betalingen die hem zijn

toegekend tijdens het kalenderjaar/de kalenderjaren waarin hij de landbouwactiviteit heeft

uitgeoefend.

Artikel 60

Landbouwers die geen subsidiabele hectaren hebben

Een landbouwer die actief was in de sectoren rund- en kalfsvlees, zuivel of schapenvlees en

geitenvlees die het recht heeft overeenkomstig artikel 57, lid 3, en artikel 59 toeslagrechten te

ontvangen waarvoor hij in het eerste toepassingsjaar van de bedrijfstoeslagregeling geen

subsidiabele hectaren heeft, krijgt, tot een maximum van 5000 euro per toeslagrecht, bijzondere

toeslagrechten als bedoeld in artikel 44 toegewezen.

Artikel 61

Grasland

Nieuwe lidstaten kunnen ook, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en met

inachtneming van het krachtens artikel 58 vastgestelde regionale maximum of een deel ervan, voor

de in artikel 59, lid 1, bedoelde landbouwers verschillende eenheidsbedragen van de toeslagrechten

vaststellen:

  • a) 
    voor hectaren grasland zoals geïdentificeerd op 30 juni 2008 en voor andere subsidiabele

hectaren, dan wel,

  • b) 
    voor hectaren blijvend grasland zoals geïdentificeerd op 30 juni 2008 en voor andere

subsidiabele hectaren.

Artikel 62

Voorwaarden voor toeslagrechten

  • 1. 
    Overeenkomstig dit hoofdstuk vastgestelde toeslagrechten mogen slechts worden over-

gedragen binnen één regio of tussen regio's met dezelfde toeslagrechten per hectare.

  • 2. 
    Nieuwe lidstaten kunnen, in overeenstemming met het algemene beginsel van het Gemeen-

schapsrecht, besluiten de bedragen van de overeenkomstig dit hoofdstuk vastgestelde

toeslagrechten dichter bij elkaar te brengen. Dit besluit wordt genomen uiterlijk 1 augustus

Voor de toepassing van de eerste alinea worden jaarlijks de toeslagrechten geleidelijk

gewijzigd op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en volgens van tevoren

bepaalde jaarlijkse stappen.

  • 3. 
    Behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden kan een landbouwer

zijn toeslagrechten zonder grond alleen overdragen nadat hij, in de zin van artikel 34, ten

minste 80% van zijn toeslagrechten gedurende ten minste een kalenderjaar heeft

geactiveerd, dan wel nadat hij alle toeslagrechten die hij gedurende het eerste jaar van

toepassing van de bedrijfstoeslagregeling niet heeft gebruikt, vrijwillig heeft afgestaan aan

de nationale reserve.

HOOFDSTUK 4

INTEGRATIE VAN GEKOPPELDE STEUN

IN DE BEDRIJFSTOESLAGREGELING

Artikel 63

Integratie van gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling

  • 1. 
    Met ingang van 2010 integreren de lidstaten de steun die beschikbaar is in het kader van de

in bijlage XI opgenomen regelingen voor gekoppelde steun overeenkomstig de in de

artikelen 64, 65, 66 en 67 vastgestelde voorschriften in de bedrijfstoeslagregeling.

  • 2. 
    In afwijking van lid 1:
  • a) 
    mogen de lidstaten die overeenkomstig titel III, hoofdstukken 1 tot en met 4, van

Verordening (EG) nr. 1782/2003 de bedrijfstoeslagregeling hebben ingevoerd,

besluiten de in lid 1 bedoelde steun geheel of gedeeltelijk te gebruiken voor het

vaststellen van toeslagrechten of het verhogen van de waarde van toeslagrechten op

basis van het soort landbouwactiviteiten die de landbouwers in de periode 2005-2008

gedurende een of meer jaren hebben uitgeoefend, en op basis van objectieve en niet-

discriminerende criteria, zoals landbouwpotentieel of milieuoverwegingen;

  • b) 
    mogen de lidstaten die overeenkomstig titel III, hoofdstuk 5, afdeling 1, of

hoofdstuk 6, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 de bedrijfstoeslagregeling hebben

ingevoerd of die gebruik maken van de in artikel 47 van deze verordening geboden

keuzemogelijkheid, besluiten de in lid 1 bedoelde steun geheel of gedeeltelijk te

gebruiken om het bedrag van alle toeslagrechten te verhogen met een extra bedrag

dat overeenkomt met de verhoging van het regionale maximum, gedeeld door het

totale aantal toeslagrechten.

De lidstaten kunnen de verhoging van het bedrag van de toeslagrechten ook

differentiëren door rekening te houden met de in artikel 64, lid 1, bedoelde criteria

dan wel op basis van het soort landbouwactiviteiten die de landbouwers in de periode

2005-2008 gedurende een of meer jaren hebben uitgeoefend, en op basis van

objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals landbouwpotentieel of

  • 3. 
    Lidstaten die gebruik maken van de in lid 2, onder a), bedoelde afwijking, nemen passende

maatregelen om ervoor te zorgen dat landbouwers die de in lid 1 bedoelde steun hebben

genoten, niet worden uitgesloten van de bedrijfstoeslagregeling. Zij zien er met name op

toe dat de totale steun die de landbouwers na de integratie van de in lid 1 bedoelde

regelingen inzake gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling zullen ontvangen, niet

minder bedraagt dan 75% van de gemiddelde jaarlijkse steun die de landbouwers in de

toepasselijke referentieperiodes bedoeld in de artikelen 64, 65 en 66 op grond van de

rechtstreekse betalingen hebben ontvangen.

Artikel 64

Integratie van gekoppelde steun die is uitgesloten

uit de bedrijfstoeslagregeling

  • 1. 
    De in bijlage XII vermelde bedragen die beschikbaar waren voor gekoppelde steun in het

kader van de in bijlage XI, punten 1 en 2, vermelde steunregelingen, worden door de

lidstaten op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria verdeeld over de

landbouwers in de betrokken sectoren met inachtneming van, met name, de steun die deze

landbouwers direct of indirect in het kader van de betrokken steunregelingen hebben

ontvangen gedurende een of meer jaren van de periode 2005-2008. Voor de in bijlage XI,

punten 1 en 2, bedoelde steunregelingen inzake aardappelzetmeel kunnen de lidstaten

evenwel de uit hoofde van die regelingen beschikbare bedragen verdelen met

inaanmerkingneming van de hoeveelheden aardappelen waarvoor tussen de

  • 2. 
    De lidstaten verhogen het bedrag van de toeslagrechten waarover de betrokken

landbouwers beschikten op basis van de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van

lid 1.

De verhoging van het bedrag per toeslagrecht per landbouwer wordt berekend door de in

de eerste alinea bedoelde bedragen te delen door het aantal toeslagrechten van elke

betrokken landbouwer.

Aan landbouwers in een betrokken sector die niet over toeslagrechten beschikken, worden

evenwel toeslagrechten toegewezen waarvan:

  • a) 
    het aantal gelijk is aan het aantal hectaren dat hij overeenkomstig artikel 35, lid 1,

aangeeft voor het jaar waarin de regeling voor gekoppelde steun wordt geïntegreerd

in de bedrijfstoeslagregeling,

  • b) 
    het bedrag wordt vastgesteld door het door de toepassing van lid 1 verkregen bedrag

te delen door het overeenkomstig het bepaalde onder a) van deze alinea vastgestelde

aantal.

  • 3. 
    Indien het bedrag per steunregeling lager is dan 250 000 euro, kan de betrokken lidstaat

evenwel besluiten de bedragen niet te verdelen, maar deze aan de nationale reserve toe te

voegen.

Artikel 65

Integratie van gekoppelde steun die gedeeltelijk is uitgesloten

van de bedrijfstoeslagregeling

De bedragen die beschikbaar waren voor gekoppelde steun in het kader van de in bijlage XI, punt 3,

vermelde steunregelingen, worden door de lidstaten over de landbouwers in de betrokken sectoren

verdeeld naar evenredigheid van de steun die deze landbouwers in het kader van de betrokken

steunregelingen hebben ontvangen gedurende de toepasselijke in Verordening (EG) nr. 1782/2003

bedoelde referentieperioden.

De lidstaten kunnen evenwel een meer recente representatieve periode kiezen op basis van

objectieve en niet-discriminerende criteria en, indien een lidstaat de bedrijfstoeslagregeling

overeenkomstig titel III, hoofdstuk 5, afdeling 1, of hoofdstuk 6 van Verordening (EG)

nr. 1782/2003 heeft ingevoerd of gebruik maakt van de in artikel 47 van de onderhavige

verordening geboden mogelijkheid, op basis van artikel 63, lid 2, onder b).

De lidstaten verhogen het bedrag van de toeslagrechten van de betrokken landbouwers of wijzen

toeslagrechten toe overeenkomstig artikel 64, lid 2.

Indien een landbouwer die krachtens de artikelen 67 en 68 van Verordening (EG) nr. 1782/2003

rechtstreekse betalingen ontving, het recht zou hebben overeenkomstig dit artikel toeslagrechten te

ontvangen waarvoor hij in het jaar van de integratie van de regeling voor gekoppelde steun in de

bedrijfstoeslagregeling geen subsidiabele hectaren heeft, of indien zijn toeslagrecht per hectare

Artikel 66

Facultatieve integratie van gekoppelde steun die gedeeltelijk

is uitgesloten van de bedrijfstoeslagregeling

Indien een lidstaat:

  • a) 
    het in artikel 51, lid 1, eerste alinea, bedoelde besluit niet neemt;
  • b) 
    ter toepassing van artikel 51, lid 1, tweede alinea, besluit de in artikel 53, lid 2, bedoelde

betalingen voor rund- en kalfsvlees niet toe te kennen met ingang van 2011; of

  • c) 
    ter toepassing van artikel 51, lid 1, derde alinea, besluit de betalingen voor groenten en

fruit niet toe te kennen,

worden de bedragen die beschikbaar waren voor gekoppelde steun in het kader van de in bijlage XI,

punt 4, vermelde steunregelingen, overeenkomstig artikel 65 in de bedrijfstoeslagregeling

geïntegreerd.

Artikel 67

Vervroegde integratie van gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling

De lidstaten kunnen vóór 1 augustus 2009 besluiten de in titel IV, afdeling 5, bedoelde steun voor

zaaizaad en de in bijlage XI, punt 1, bedoelde regelingen, met uitzondering van de specifieke

kwaliteitspremie voor durumtarwe, in 2010 of 2011 in de bedrijfstoeslagregeling te integreren. In

HOOFDSTUK 5

SPECIFIEKE STEUN

Artikel 68

Algemene voorschriften

  • 1. 
    De lidstaten kunnen specifieke steun verlenen aan de landbouwers onder de in dit

hoofdstuk vastgestelde voorwaarden:

  • a) 
    voor:
  • i) 
    specifieke soorten van landbouw die belangrijk zijn voor de bescherming of de

verbetering van het milieu,

  • ii) 
    de verbetering van de kwaliteit van landbouwproducten,
  • iii) 
    de verbetering van de afzet van landbouwproducten,
  • iv) 
    de toepassing van aangescherpte dierenwelzijnsnormen,
  • v) 
    specifieke landbouwactiviteiten die meerwaarde voor het landbouwmilieu

opleveren;

  • b) 
    om de specifieke nadelen te verhelpen waarmee landbouwers in de sectoren zuivel,

rund- en kalfsvlees, schapenvlees, geitenvlees en rijst, die actief zijn in economisch

of ecologisch kwetsbare gebieden,worden geconfronteerd, of in dezelfde sectoren,

voor economisch kwetsbare soorten landbouw,

  • c) 
    in gebieden met herstructurerings- en ontwikkelingsprogramma's om te voorkomen

dat het land wordt verlaten en/of om specifieke nadelen voor landbouwers in die

gebieden te helpen compenseren,

  • d) 
    in de vorm van bijdragen aan oogst-, dier- en plantverzekeringspremies,

overeenkomstig de in artikel 70 vastgestelde voorwaarden,

  • e) 
    bij wijze van onderlinge fondsen voor dier- en plantenziekten en milieuongevallen,

overeenkomstig de in artikel 71 vastgestelde voorwaarden.

  • 2. 
    De in lid 1, onder a), bedoelde steun mag slechts worden verleend indien:
  • a) 
    met betrekking tot de in lid 1, onder a), punt v), bedoelde specifieke

landbouwactiviteiten,

  • i) 
    wordt voldaan aan de in artikel 39, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG)

nr. 1698/2005 bedoelde voorschriften, en alleen om daadwerkelijk gemaakte

extra kosten en verbeurde inkomsten te dekken met het oog op het bereiken

van de betrokken doelstelling; en

  • b) 
    met betrekking de in lid 1, onder a), punt ii), bedoelde verbetering van de kwaliteit

van landbouwproducten, wordt voldaan aan de bepalingen van Verordening (EG)

nr. 509/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele

specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen1, Verordening (EG)

nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van

geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en

levensmiddelen2, Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007

inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten3 en

deel II, titel II, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007,

  • c) 
    met betrekking tot de in lid 1, onder a), punt iii), bedoelde verbetering van de afzet

van landbouwproducten, wordt voldaan aan de in de artikelen 2 tot en met 5 van

Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad van 17 december 2007 inzake

voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de

binnenmarkt en in derde landen4 vastgestelde criteria.

  • 3. 
    De in lid 1, onder b), bedoelde steun mag slechts worden verleend voor zover dat als

stimulans noodzakelijk is om de huidige productie op peil te houden.

Voor de sectoren schapenvlees, geitenvlees, rund- en kalfsvlees, mag, indien die steun en

de op grond van de artikelen 52 en 53 verleende steun samen worden toegepast, de totale

steun niet hoger zijn dan het totaalbedrag van de steun dat wordt verkregen na toepassing

van de maximumpercentages die de lidstaten mogen behouden overeenkomstig de

  • 4. 
    De steun, bedoeld in:
  • a) 
    lid 1, onder a) en d), wordt verleend in de vorm van jaarlijkse extra betalingen,
  • b) 
    lid 1, onder b), wordt verleend in de vorm van jaarlijkse extra betalingen, zoals

veebetalingen of graslandpremies,

  • c) 
    lid 1, onder c), wordt verleend in de vorm van een verhoging van het eenheidsbedrag

van de toeslagrechten en/of het aantal toeslagrechten van de landbouwer,

  • d) 
    lid 1, onder e), wordt verleend in de vorm van de in artikel 71 bedoelde compensatie-

betalingen.

  • 5. 
    Toeslagrechten waarvan het eenheidsbedrag is verhoogd en extra toeslagrechten, als

bedoeld in lid 4, onder c), mogen slechts worden overgedragen indien samen met de

toeslagrechten een overeenkomstig aantal hectaren wordt overgedragen.

  • 6. 
    Steun die uit hoofde van lid 1 wordt verleend, moet in overeenstemming zijn met andere

communautaire maatregelen en beleidslijnen.

  • 7. 
    De Commissie stelt volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure de voorwaarden

voor de in lid 2, onder a), ii), bedoelde goedkeuring van de Commissie en de voorwaarden

voor de toekenning van de in deze afdeling bedoelde steun vast, met name om de

samenhang met andere communautaire maatregelen en ander communautair beleid te

garanderen en cumulatie van steun te voorkomen.

  • 8. 
    Lidstaten die het in artikel 69, lid 1, bedoelde besluit hebben genomen kunnen dat uiterlijk

op 1 augustus 2011 herzien en vanaf 2012 besluiten om

  • a) 
    de bedragen voor de financiering van de in dit hoofdstuk bedoelde steun wijzigen

binnen de limieten van artikel 69; of

  • b) 
    specifieke steunverlening op grond van dit hoofdstuk te beëindigen.

Al naargelang het door iedere lidstaat op grond van de eerste alinea genomen besluit,

bepaalt de Commissie volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure het overeen-

komstige maximum voor die steun.

Wanneer een lidstaat besluit om de toepassing van dit hoofdstuk te beëindigen of wanneer

hij de bedragen voor de financiering ervan vermindert, is artikel 72, lid 2, van toepassing.

Artikel 69

Financiële bepalingen voor specifieke steun

  • 1. 
    De lidstaten kunnen uiterlijk 1 augustus 2009, 2010 of 2011 besluiten om met ingang van

het jaar volgend op dat besluit tot 10% van hun in artikel 40 bedoelde nationale maxima, of

in het geval van Malta, een bedrag van 2 000 000 euro, te gebruiken voor de in artikel 68,

lid 1, bedoelde specifieke steun.

  • 2. 
    De lidstaten mogen de inhouding van 10% toepassen op sectorale basis, door 10% te

behouden van het aandeel van hun in artikel 41 van Verordening (EG) nr. 1782/2003

bedoelde nationale maximum voor een in bijlage VI bij die verordening genoemde sector.

De ingehouden bedragen mogen alleen worden gebruikt voor de toepassing van de in

artikel 68, lid 1, van deze verordening bedoelde steun, in de sectoren waarop de inhouding

betrekking heeft.

  • 3. 
    Al naargelang het door iedere lidstaat op grond van lid 1 genomen besluit betreffende het

bedrag van het nationale maximum dat moet worden gebruikt, bepaalt de Commissie

volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure het overeenkomstige maximum voor

die steun.

Met als enige doel ervoor te zorgen dat aan de nationale maxima bedoeld in artikel 40,

lid 2, wordt voldaan, worden de bedragen die worden gebruikt voor de in artikel 68, lid 1,

onder c), bedoelde steun van het in artikel 40, lid 1, bedoelde nationale maximum

afgetrokken. Zij worden meegeteld als toegewezen toeslagrechten.

  • 4. 
    Steun als bedoeld in lid 1, onder a), punten i), ii), iii) en iv), en lid 1, onder b) en e), van

artikel 68, wordt beperkt tot 3,5% van de nationale maxima bedoeld in artikel 40, of in het

geval van Malta, tot het bedrag van 2 000 000 euro als bedoeld in artikel 69, lid 1, van deze

verordening, en kan met name worden gebruikt voor de financiering van de maatregelen

bedoeld in artikel 68, lid 1, onder b), van deze verordening in de zuivelsector.

  • 5. 
    In afwijking van lid 4, wordt tijdens de kalenderjaren 2010 tot en met 2013 in de lidstaten

die steun hebben verleend voor zoogkoeien overeenkomstig artikel 69 van Verordening nr.

1782/2003 zonder dat zij de optie van artikel 68, lid 2, onder i) van die verordening hebben

toegepast, de in lid 4 opgenomen limiet op 6% van hun in artikel 40 bedoelde nationale

maximum vastgesteld. Voorts wordt in lidstaten waar meer dan 60% van de melkproductie

ten noorden van de 62e breedtegraad plaatsvindt, die limiet op 10% van hun in artikel 40

bedoelde nationale maximum vastgesteld.

Steun die de 3,5% van hun in artikel 40 bedoelde nationale maximum vastgesteld

overschrijdt, zal echter uitsluitend worden gebruikt voor de financiering van maatregelen

bedoeld in artikel 68, lid 1, onder b,) van deze Verordening in de zuivel- en de

rundvleessector.

De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2013 verslag aan de Raad uit over de

toepassing van dit lid.

  • 6. 
    De lidstaten zorgen voor de middelen die nodig zijn ter financiering van de steun bedoeld

in:

  • a) 
    artikel 68, lid 1, waarbij wordt uitgegaan van een bedrag dat door de Commissie

wordt berekend op grond van lid 7 en dat wordt vastgesteld overeenkomstig de

procedure van artikel 141, lid 2, en/of

  • b) 
    artikel 68, lid 1, onder a), b), c) en d), door een lineaire verlaging toe te passen op het
  • c) 
    lid 68, lid 1, onder e), door, zo nodig, een lineaire verlaging toe te passen op een of

meer van de betalingen die aan de begunstigden van de betrokken betalingen moeten

worden gedaan overeenkomstig deze titel en binnen de in de leden 1 en 4

vastgestelde grenzen.

Met als enige doel ervoor te zorgen dat aan de nationale maxima bedoeld in artikel 40,

lid 2, wordt voldaan, wordt wanneer een lidstaat gebruik maakt van de in punt a) van de

eerste alinea van dit lid opgenomen optie, het betrokken bedrag niet meegeteld bij de

berekening van de in lid 3 vastgestelde maxima.

  • 7. 
    De in lid 6, onder a) bedoelde bedragen zullen gelijk zijn aan het verschil tussen:
  • a) 
    de nationale maxima die in bijlage VIII of bijlage VIII bis van Verordening (EG)

nr. 1782/2003 zijn vastgesteld voor 2007, na toepassing van artikel 10, lid 1, van die

Verordening en artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 378/2007 en na een

verlaging met 0,5%; en

  • b) 
    de uitvoering in het kader van de begroting 2008 van de bedrijfstoeslagregeling en de

betalingen bedoeld in titel III, hoofdstuk 5, afdeling 2 en afdeling 3, van Verordening

(EG) nr. 1782/2003, wat betreft de betalingen met betrekking tot het in punt a) van

deze alinea bedoelde verlaagde maximum voor 2007.

Dit bedrag is in geen geval hoger dan 4% van het maximum bedoeld in punt a) van deze

alinea.

Voor de nieuwe lidstaten die in 2007 de bedrijfstoeslagregeling toegepast hebben, wordt

dit bedrag vermenigvuldigd met 1,75 in 2010, 2 in 2011, 2,25 in 2012 en 2,5 vanaf 2013.

Op verzoek van een lidstaat herziet de Commissie de bedragen volgens de in artikel 141,

lid 2, bedoelde procedure en op basis van de gedetailleerde regels die volgens dezelfde

procedure worden vastgesteld.

Het gebruik van die bedragen door de lidstaten laat de toepassing van artikel 8 van deze

verordening onverlet.

  • 8. 
    Het in lid 1, in artikel 68, lid 8, en in artikel 131, lid 1, bedoelde besluit bepaalt welke

maatregelen zullen worden toegepast en bevat alle nadere uitvoeringsregelingen

betreffende de toepassing van dit hoofdstuk, met inbegrip van de beschrijving van de

voorwaarden om in aanmerking te komen voor de toe te passen maatregelen, het betrokken

bedrag en de financiële middelen die ter beschikking moeten worden gesteld.

  • 9. 
    De nieuwe lidstaten kunnen besluiten de leden 1, 2, 4, 5 en 6 van dit artikel en lid 1 van

artikel 131 toe te passen op basis van hun nationale maxima:

  • a) 
    voor het jaar 2016 in het geval van Bulgarije en Roemenië,
  • b) 
    voor het jaar 2013 voor de overige nieuwe lidstaten.

In dat geval is artikel 132 niet van toepassing op de maatregelen die overeenkomstig dit

artikel worden genomen.

Artikel 70

Oogst-, dier- en plantverzekering

  • 1. 
    De lidstaten kunnen financieel bijdragen in premies om de oogst, de dieren en de planten te

verzekeren tegen door ongunstige weersomstandigheden en dier- of plantenziekten of

plagen veroorzaakte economische verliezen.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

  • a) 
    onder "ongunstige weersomstandigheden" wordt verstaan weersomstandigheden die

met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals vorst, hagel, ijs, regen of

droogte,

  • b) 
    onder "dierziekten" wordt verstaan ziekten die zijn vermeld in de lijst van dierziekten

die is opgesteld door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) en/of in de

lijst van dierziekten die is opgenomen in de bijlage bij Beschikking 90/424/EEG van

de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied1,

  • c) 
    "economische verliezen": aanvullende kosten die een landbouwer maakt als gevolg

van door hem genomen uitzonderlijke maatregelen om het aanbod op de betrokken

markt of substantieel productieverlies te verminderen.

  • 2. 
    Er mag alleen financieel worden bijdragen voor door ongunstige weersomstandigheden,

dier- of plantenziekten of plagen veroorzaakte verliezen die voor een landbouwer leiden tot

  • 3. 
    De per landbouwer toegekende financiële bijdrage bedraagt maximaal 65% van de

verschuldigde verzekeringspremie.

De lidstaten kunnen het bedrag van de voor de financiële bijdrage in aanmerking komende

premie koppelen aan een adequaat maximum.

  • 4. 
    Er wordt slechts in dekking door de oogst- en/of dier- en/of plantverzekering voorzien

indien de ongunstige weersomstandigheden of de uitbraak van een dier- of plantenziekte of

plaag officieel als zodanig zijn erkend door de bevoegde autoriteit van de betrokken

lidstaat.

De lidstaten stellen in voorkomend geval vooraf criteria vast op grond waarvan formele

erkenning wordt geacht te zijn verleend.

  • 5. 
    De verzekeringsbetalingen zijn bestemd ter vergoeding van niet meer dan de totale kosten

van de vervanging van de in lid 1 bedoelde verliezen en zijn niet gekoppeld aan eisen

inzake wat of hoeveel in de toekomst moet worden geproduceerd.

  • 6. 
    De financiële bijdrage wordt rechtstreeks aan de betrokken landbouwer betaald.
  • 7. 
    De middelen die de lidstaten aan financiële bijdragen uitgeven, worden door de

Gemeenschap met de in artikel 69, lid 1, bedoelde middelen voor 75% meegefinanceerd.

Het bepaalde in de eerste alinea doet op geen enkele wijze afbreuk aan bevoegdheden van

de lidstaten om hun deelname in de financiering van de financiële bijdragen en het deel

van de verzekeringspremie dat door de landbouwers wordt gedragen geheel of gedeeltelijk

te dekken met behulp van in de betrokken sectoren toegepaste verplichte regelingen voor

collectieve aansprakelijkheid. Dit is mogelijk onverminderd de artikelen 125 terdecies en

125 quaterdecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

  • 8. 
    De lidstaten dragen er zorg voor dat economische verliezen die gecompenseerd worden op

grond van andere communautaire bepalingen waaronder artikel 44 van Verordening (EG)

nr. 1234/2007 en andere gezondheids-, veterinaire of fytosanitaire maatregelen niet extra

worden gecompenseerd conform lid 1, eerste alinea.

  • 9. 
    De financiële bijdrage mag de werking van de interne markt voor verzekeringsdiensten niet

belemmeren. De verlening van de financiële bijdrage mag niet worden beperkt tot door één

verzekeringsonderneming of één groep ondernemingen aangeboden verzekeringen, noch

worden gekoppeld aan de voorwaarde dat de verzekering moet worden afgesloten bij een

in de betrokken lidstaat gevestigde onderneming.

Artikel 71

Onderlinge fondsen voor dier- en plantenziekten en milieuongevallen

  • 1. 
    De lidstaten kunnen in de vorm van financiële bijdragen aan onderlinge fondsen de land-

bouwers vergoeden voor economische verliezen als gevolg van de uitbraak van een dier- of

  • 2. 
    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
  • a) 
    "onderling fonds": een door de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving

geaccrediteerd systeem dat de aangesloten landbouwers in de gelegenheid stelt zich

te verzekeren en aan de betrokken landbouwers die als gevolg van de uitbraak van

een dier- of plantenziekte of een milieuongeval economische verliezen hebben

geleden, compensatiebetalingen te doen;

  • b) 
    "economische verliezen": aanvullende kosten die een landbouwer maakt als gevolg

van door hem genomen uitzonderlijke maatregelen om het aanbod op de betrokken

markt of substantieel productieverlies te verminderen;

  • c) 
    "milieuongeval": een specifiek voorval van verontreiniging, besmetting of degradatie

van de kwaliteit van het milieu als gevolg van een specifieke gebeurtenis, met een

beperkte geografische uitwerking. Hieronder vallen niet algemene milieurisico's die

niet het gevolg zijn van een specifieke gebeurtenis, zoals klimaatverandering of zure

regen.

  • 3. 
    Wat dierziekten betreft, wordt alleen financiële compensatie toegekend voor de ziekten die

zijn vermeld in de lijst van dierziekten die is opgesteld door de Wereldorganisatie voor

diergezondheid (OIE) en/of in de lijst van dierziekten die is opgenomen in de bijlage bij

Beschikking 90/424/EEG.

  • 4. 
    De lidstaten dragen er zorg voor dat economische verliezen die financieel gecompenseerd
  • 5. 
    De uit de onderlinge fondsen gefinancierde vergoeding wordt rechtstreeks aan de

aangesloten, door de economische verliezen getroffen landbouwers betaald.

De vergoeding die door de onderlinge fondsen wordt betaald, is afkomstig uit:

  • a) 
    door de aangesloten of niet-aangesloten landbouwers, of andere exploitanten in de

landbouwketen in het fonds gestort kapitaal of,

  • b) 
    door de fondsen afgesloten commerciële leningen, en
  • c) 
    de conform lid 11 terugbetaalde bedragen.

Initieel kapitaal wordt niet gefinancierd met openbare middelen.

  • 6. 
    De in lid 1 bedoelde financiële bijdragen kunnen betrekking hebben op:
  • a) 
    de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen, gespreid over

maximaal drie jaar,

  • b) 
    de terugbetaling van het kapitaal en de betaling van de rente voor commerciële

leningen die het onderling fonds heeft afgesloten ter financiering van de voor de

landbouwers bestemde vergoeding,

  • c) 
    de bedragen die het onderling fonds uit zijn kapitaal betaalt in de vorm van

vergoedingen aan de landbouwers.

Wanneer het fonds overeenkomstig de eerste alinea, onder c), een vergoeding betaalt, volgt

de openbare financiële bijdrage hetzelfde tempo als een commerciële lening met een

minimale looptijd.

  • 7. 
    De financiële bijdrage bedraagt niet meer dan 65 % van de in lid 6 bedoelde kosten. Niet

door de financiële bijdragen gedekte kosten komen ten laste van de aangesloten

landbouwers.

De lidstaten kunnen de voor een financiële bijdrage in aanmerking komende kosten

beperken aan de hand van:

  • a) 
    maxima per fonds,
  • b) 
    adequate maxima per eenheid.
  • 8. 
    De middelen die de lidstaten aan financiële bijdragen uitgeven, worden door de

Gemeenschap met de in artikel 69, lid 1, bedoelde middelen voor 75% meegefinancierd.

Het bepaalde in de eerste alinea doet op geen enkele wijze afbreuk aan bevoegdheden van

de lidstaten om hun deelname en/of de deelname van aangesloten landbouwers in de

financiering van de financiële bijdragen geheel of gedeeltelijk te dekken met behulp van in

de betrokken sectoren toegepaste verplichte regelingen inzake collectieve

aansprakelijkheid. Dit is mogelijk onverminderd de artikelen 125 terdecies en

125 quaterdecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

  • 10. 
    De lidstaten dienen jaarlijks een verslag over de tenuitvoerlegging van dit artikel in bij de

Commissie. De Commissie stelt de vorm, de inhoud, het tijdschema en de termijnen van de

verslaglegging vast volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure.

  • 11. 
    Wanneer een landbouwer op grond van dit artikel een vergoeding ontvangt uit een

onderling fonds, wordt het recht dat de landbouwer in voorkomend geval op grond van het

communautair of het nationaal recht heeft om de vergoede economische verliezen op een

derde partij te verhalen, volgens een door de betrokken lidstaat vast te stellen regeling

overgedragen aan het onderling fonds.

Artikel 72

Overgangsbepalingen

  • 1. 
    Indien een lidstaat die artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 toepaste, worden de

krachtens dat artikel 69 ingehouden bedragen overeenkomstig artikel 65 van de

onderhavige verordening in de bedrijfstoeslagregeling geïntegreerd.

  • 2. 
    Indien een lidstaat die artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 toepaste, besluit de

specifieke steun waarin wordt voorzien bij dit hoofdstuk, toe te passen, kan hij in afwijking

van lid 1 de krachtens artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 ingehouden

bedragen gebruiken om de in artikel 69, lid 6, van de onderhavige verordening bedoelde

financieringsbehoefte te dekken. Indien de in artikel 69, lid 6 bedoelde

financieringsbehoefte lager uitvalt dan de krachtens artikel 69 van Verordening (EG)

  • 3. 
    Indien een lidstaat besluit de specifieke steun waarin wordt voorzien bij dit hoofdstuk toe

te passen en tevens krachtens artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 maatregelen

toepaste die niet verenigbaar zijn met dit hoofdstuk, kan die lidstaat uiterlijk op

1 augustus 2009 besluiten om krachtens artikel 68 van de onderhavige verordening in

2010, 2011 en 2012 de maatregelen met de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften toe te

passen die krachtens artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 zijn meegedeeld. In

afwijking van artikel 69, lid 4, kan de totale steun in het kader van de in artikel 68, lid 1,

onder a), b) en e), bedoelde maatregelen worden beperkt tot het plafond dat conform artikel

69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 voor de bedoelde lidstaat is vastgesteld.

In dat geval kunnen de lidstaten ook, uiterlijk op 1 augustus 2009 besluiten om dergelijke

maatregelen jaarlijks aan te passen teneinde ze geleidelijk verenigbaar met dit hoofdstuk te

maken. Indien een lidstaat besluit de maatregelen niet verenigbaar te maken, worden de

betrokken bedragen overeenkomstig artikel 65 van de onderhavige verordening in de

bedrijfstoeslagregeling geïntegreerd.

  • 4. 
    De lidstaten kunnen de in dit hoofdstuk bedoelde steun toekennen vanaf 2009, mits zij in

afwijking van artikel 69, lid 6, van deze verordening de in artikel 68, lid 1, bedoelde steun

alleen financieren met behulp van de bedragen van de nationale reserve en er nationale

bepalingen van kracht zijn op de termijn die de lidstaten hebben vastgesteld voor de

indiening van de steunaanvraag.

TITEL IV

ANDERE STEUNREGELINGEN

HOOFDSTUK 1

COMMUNAUTAIRE STEUNREGELINGEN

AFDELING 1

GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR RIJST

Artikel 73

Werkingssfeer

Voor 2009, 2010 en 2011 wordt aan de landbouwers die rijst van GN-code 1006 10 produceren,

steun verleend onder de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden ("gewasspecifieke betaling voor

rijst").

Artikel 74

Steunvoorwaarden en steunbedrag

  • 1. 
    De gewasspecifieke betaling voor rijst wordt verleend per met rijst ingezaaide hectare

Gewassen die volgens de plaatselijke normen op volledig ingezaaide oppervlakten worden

geteeld, maar het bloeistadium niet bereiken als gevolg van door de betrokken lidstaten

erkende uitzonderlijke weersomstandigheden, blijven echter voor de steun in aanmerking

komen op voorwaarde dat de betrokken oppervlakten tot dit groeistadium niet voor enig

ander doel worden gebruikt.

  • 2. 
    Op grond van de fysieke opbrengsten in de betrokken lidstaten bedraagt de

gewasspecifieke betaling voor rijst:

Lidstaat EUR/ha

Bulgarije 345,255

Griekenland 561,00

Spanje 476,25

Frankrijk

Europees grondgebied 411,75

Frans-Guyana 563,25

Italië 453,00

Hongarije 232,50

Portugal 453,75

Roemenië 126,075

Artikel 75

Arealen

Hierbij worden voor elke producerende lidstaat de volgende basisarealen vastgesteld:

Lidstaat EUR/ha

Bulgarije 4 166

Griekenland 20 333

Spanje 104 973

Frankrijk

Europees grondgebied 19 050

uitsluitend voor 2009, Frans-Guyana 4 190

Italië 219 588

Hongarije 3 222

Portugal 24 667

Roemenië 500

Een lidstaat kan zijn basisareaal of zijn basisarealen op basis van objectieve en niet-discriminerende

criteria in subbasisarealen onderverdelen.

Artikel 76

Overschrijding van de arealen

  • 2. 
    Indien een lidstaat zijn basisareaal onderverdeelt in subbasisarealen, geldt de verlaging van

lid 1 alleen voor landbouwers in subbasisarealen waar de subbasisareaallimiet is over-

schreden. Deze verlaging wordt toegepast wanneer in de betrokken lidstaat de

oppervlakten in de subarealen die de subbasisareaallimiet niet hebben bereikt, zijn

herverdeeld in subarealen waar de subbasisareaallimiet is overschreden.

AFDELING 2

STEUN VOOR ZETMEELAARDAPPELTELERS

Artikel 77

Werkingssfeer en bedrag van de steun

Voor de verkoopseizoenen 2009/2010, 2010/2011 en 2011/2012 wordt er, onder de in deze afdeling

neergelegde voorwaarden, steun toegekend aan landbouwers die voor de zetmeelproductie

bestemde aardappelen produceren ("steun voor zetmeelaardappeltelers").

De steun bedraagt 66,32 euro per hoeveelheid aardappelen die nodig is voor de productie van één

ton zetmeel.

Het bedrag wordt aangepast op grond van het zetmeelgehalte van de aardappelen.

Artikel 78

Voorwaarden

De steun voor zetmeelaardappeltelers wordt slechts uitbetaald voor de hoeveelheid aardappelen

waarvoor tussen de aardappelproducent en de aardappelzetmeelfabrikant een teeltcontract is

gesloten, binnen de grenzen van het aan de aardappelzetmeelfabrikant toegewezen contingent

overeenkomstig in artikel 84 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad.

AFDELING 3

PREMIE VOOR EIWITHOUDENDE GEWASSEN

Artikel 79

Werkingssfeer

Voor 2009, 2010 en 2011 wordt aan de eiwithoudende gewassen producerende landbouwers steun

verleend onder de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden ("premie voor eiwithoudende

gewassen").

Eiwithoudende gewassen omvatten:

  • a) 
    erwten van GN-code 0713 10,
  • b) 
    tuinbonen, paardenbonen en duivenbonen van GN-code 0713 50,

Artikel 80

Bedrag en subsidiabiliteit

De premie voor eiwithoudende gewassen bedraagt 55,57 euro per hectare na het melkrijpheids-

stadium geoogste eiwithoudende gewassen.

Gewassen die volgens de plaatselijke normen op volledig ingezaaide oppervlakten worden geteeld,

maar het melkrijpheidsstadium niet bereiken als gevolg van door de betrokken lidstaten erkende

uitzonderlijke weersomstandigheden, blijven echter voor de premie voor eiwithoudende gewassen

in aanmerking komen op voorwaarde dat de betrokken oppervlakten tot dit groeistadium niet voor

enig ander doel worden gebruikt.

Artikel 81

Areaal

  • 1. 
    Het gegarandeerde maximumareaal waarvoor de premie voor eiwithoudende gewassen kan

worden verleend, bedraagt 1 648 000 ha.

  • 2. 
    Indien de oppervlakte waarvoor de premie voor eiwithoudende gewassen wordt

aangevraagd, groter is dan het gegarandeerde maximumareaal, wordt in het betrokken jaar

de oppervlakte per landbouwer waarvoor de premie voor eiwithoudende gewassen wordt

aangevraagd, volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure proportioneel verlaagd.

AFDELING 4

AREAALBETALING VOOR NOTEN

Artikel 82

Communautaire areaalbetaling voor noten

  • 1. 
    Voor 2009, 2010 en 2011 wordt aan noten producerende landbouwers onder de in deze

afdeling (hierna "Areaalbetaling voor noten") vastgestelde voorwaarden een

communautaire steun verleend.

Noten omvatten:

  • a) 
    amandelen van de GN-codes 0802 11 en 0802 12,
  • b) 
    hazelnoten van de GN-codes 0802 21 en 0802 22,
  • c) 
    walnoten van de GN-codes 0802 31 en 0802 32,
  • d) 
    pimpernoten (pistaches) van GN-code 0802 50,
  • e) 
    sint-jansbrood van GN-code 1212 10 10.
  • 2. 
    De lidstaten mogen de areaalbetaling voor noten differentiëren naar de producten of door

de in artikel 83, lid 3, vastgestelde nationale gegarandeerde arealen (hierna: "NGA's") te

vergroten of te verkleinen. In elke lidstaat mag het totaalbedrag aan in een bepaald jaar

toegekende areaalbetalingen voor noten echter niet hoger zijn dan het in artikel 83, lid 4,

genoemde maximum.

Artikel 83

Arealen

  • 1. 
    Een lidstaat kent de communautaire areaalbetaling voor noten toe onder een maximum dat

wordt berekend door het aantal in lid 3 vastgestelde hectaren van zijn NGA te

vermenigvuldigen met het gemiddelde bedrag van 120,75 euro.

  • 2. 
    Het gegarandeerde maximumareaal bedraagt 829 229 ha.
  • 3. 
    Het in lid 2 vastgestelde gegarandeerde maximumareaal wordt verdeeld in de volgende

NGA's:

Nationaal gegarandeerd areaal NGA (ha)

België 100

Bulgarije 11 984

Duitsland 1 500

Griekenland 41 100

Spanje 568 200

Frankrijk 17 300

Italië 130 100

Cyprus 5 100

Luxemburg 100

Hongarije 2 900

Nederland 100

Oostenrijk 100

Polen 4 200

Portugal 41 300

Roemenië 1 645

Slovenië 300

Slowakije 3 100

Verenigd Koninkrijk 100

  • 4. 
    Een lidstaat kan zijn NGA op basis van objectieve criteria onderverdelen in subarealen,

met name op regionaal niveau of in relatie tot de productie.

Artikel 84

Overschrijding van de subarealen

Wanneer een lidstaat zijn NGA onderverdeelt in subarealen en één of meer subarealen zijn

overschreden, wordt in het betrokken jaar de oppervlakte per landbouwer waarvoor een

areaalbetaling voor noten is aangevraagd, voor de landbouwers in de subarealen waar de limieten

zijn overschreden, proportioneel verlaagd. Deze verlaging wordt toegepast wanneer in de betrokken

lidstaat de oppervlakten in de subarealen die hun limieten niet hebben bereikt, zijn herverdeeld in de

subarealen waar deze limieten zijn overschreden.

Artikel 85

Voorwaarden voor subsidiabiliteit

  • 1. 
    Uitbetaling van de areaalbetaling voor noten is met name afhankelijk van een minimale

perceelsgrootte en boomdichtheid.

  • 2. 
    De lidstaten kunnen aan het toekennen van de areaalbetaling voor noten de voorwaarde

verbinden dat de landbouwers lid zijn van een overeenkomstig artikel 125 ter van

Verordening (EG) nr. 1234/2007 erkende producentenorganisatie.

  • 3. 
    Indien lid 2 wordt toegepast, mogen de lidstaten besluiten dat de betaling van de in lid 1

bedoelde areaalbetaling voor noten plaatsvindt aan een producentenorganisatie ten behoeve

van haar leden. Het door de telersvereniging ontvangen steunbedrag wordt in dat geval

Artikel 86

ationale steun

  • 1. 
    De lidstaten kunnen, als aanvulling op de areaalbetaling voor noten, nationale steun tot een

maximum van 120,75 euro per hectare per jaar verlenen.

  • 2. 
    De nationale steun kan slechts worden uitbetaald voor de oppervlakten waarvoor de

areaalbetaling voor noten wordt ontvangen.

  • 3. 
    De lidstaten kunnen aan het toekennen van de nationale steun de voorwaarde verbinden dat

de landbouwers lid zijn van een overeenkomstig artikel 125 ter van Verordening (EG)

nr. 1234/2007 erkende producentenorganisatie.

AFDELING 5

STEUN VOOR ZAAIZAAD

Artikel 87

Steun

  • 1. 
    Voor 2009, 20101 en 2011 verlenen de lidstaten die artikel 70 van Verordening (EG)

nr. 1782/2003 hebben toegepast en geen gebruik maken van de in artikel 67 bedoelde

optie, jaarlijks, onder de in deze afdeling neergelegde voorwaarden, de in bijlage XIII

  • 2. 
    Indien het voor certificering aanvaarde areaal waarvoor de steun voor zaaizaad wordt

aangevraagd, ook wordt gebruikt voor het aanvragen van steun uit hoofde van de

bedrijfstoeslagregeling, wordt het bedrag van de steun voor zaaizaad, behalve in het geval

van zaad van de in bijlage XIII, punten 1 en 2, bedoelde soorten, verlaagd, evenwel niet tot

onder de 0, met het bedrag van de steun die uit hoofde van de bedrijfstoeslagregeling in

een bepaald jaar voor het betrokken areaal wordt verleend.

  • 3. 
    Het bedrag van de aangevraagde steun voor zaaizaad overschrijdt niet het maximum dat

door de Commissie wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 141, lid 2,

en overeenkomt met het aandeel van de steun voor zaaizaad voor de betrokken soorten in

het in artikel 40 bedoelde nationale maximum, vastgesteld overeenkomstig artikel 64, lid 2,

van Verordening (EG) nr. 1782/2003 ("maximum voor zaaizaad"). Voor de nieuwe

lidstaten komt dit maximum echter overeen met het in bijlage XIV vermelde bedrag.

Overschrijdt het totale bedrag van de aangevraagde steun voor zaaizaad het door de

Commissie vastgestelde maximum, dan wordt het steunbedrag per landbouwer dat jaar

proportioneel verlaagd.

  • 4. 
    De variëteiten van hennep (Cannabis sativa L) die voor de steun voor zaaizaad krachtens

dit artikel in aanmerking komen, worden vastgesteld volgens de in artikel 141, lid 2,

bedoelde procedure.

AFDELING 6

GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR KATOEN

Artikel 88

Werkingssfeer

Aan landbouwers die katoen van GN-code 5201 00 produceren, wordt steun toegekend onder de in

deze afdeling vastgestelde voorwaarden (hierna "gewasspecifieke betaling voor katoen").

Artikel 89

Subsidiabiliteit

  • 1. 
    De gewasspecifieke betaling voor katoen wordt toegekend per hectare subsidiabel katoen-

areaal. Om subsidiabel te zijn moet het areaal bestaan uit landbouwgrond waarvoor de

lidstaat een vergunning voor de katoenproductie heeft verleend, zijn ingezaaid met

toegelaten rassen en daadwerkelijk zijn afgeoogst in normale groeiomstandigheden.

De gewasspecifieke betaling voor katoen wordt betaald voor katoen van eerlijke

handelskwaliteit.

  • 2. 
    De lidstaten verlenen de vergunning, respectievelijk de toelating, voor de in lid 1 bedoelde

grond en rassen overeenkomstig uitvoeringsbepalingen en voorwaarden die volgens de in

Artikel 90

Basisarealen, vaste opbrengsten en referentiebedragen

  • 1. 
    De basisarealen zijn de volgende:
  • Bulgarije: 3 342 ha,
  • Griekenland: 250 000 ha,
  • Spanje: 48 000 ha,
  • Portugal: 360 ha.
  • 2. 
    De vaste opbrengsten voor de referentieperiode zijn de volgende:
  • Bulgarije: 1,2 ton/ha,
  • Griekenland: 3,2 ton/ha,
  • Spanje: 3,5 ton/ha,
  • Portugal: 2,2 ton/ha.
  • 3. 
    Het steunbedrag per subsidiabele hectare wordt bepaald door de in lid 2 vastgestelde

opbrengsten te vermenigvuldigen met de volgende referentiebedragen:

  • Bulgarije: 671,33 euro,
  • Griekenland: 251,75 euro,
  • Spanje: 400,00 euro,
  • Portugal: 252,73 euro.
  • 4. 
    Indien in een bepaald jaar het subsidiabele katoenareaal in een bepaalde lidstaat het in lid 1

vastgestelde basisareaal overschrijdt, wordt het in lid 3 voor die lidstaat vastgestelde

steunbedrag verlaagd in verhouding tot de overschrijding van het basisareaal.

  • 5. 
    De nadere voorschriften voor de toepassing van dit artikel worden overeenkomstig de in

artikel 141, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

Artikel 91

Erkende brancheorganisaties

  • 1. 
    Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder "erkende brancheorganisatie" verstaan

een rechtspersoon die is samengesteld uit katoenproducerende landbouwers en ten minste

één egreneringsbedrijf en onder meer de volgende activiteiten verricht:

  • b) 
    de opstelling van standaardcontractformulieren die verenigbaar zijn met de

voorschriften van de Gemeenschap,

  • c) 
    sturen van de productie in de richting van producten die beter zijn afgestemd op de

behoeften van de markt en de vraag van de consument, met name op het gebied van

kwaliteit en consumentenbescherming,

  • d) 
    de actualisering van methoden en middelen ter verbetering van de productkwaliteit,
  • e) 
    de ontwikkeling van marketingstrategieën om de afzet van katoen te bevorderen door

middel van kwaliteitscertificeringsregelingen.

  • 2. 
    De lidstaat waar de egreneringsbedrijven zijn gevestigd, erkent de brancheorganisaties die

voldoen aan de volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure vast te stellen criteria.

Artikel 92

Betaling van de steun

  • 1. 
    De gewasspecifieke betaling voor katoen per subsidiabele hectare wordt aan de

landbouwers toegekend overeenkomstig artikel 90.

  • 2. 
    Aan de bij een erkende brancheorganisatie aangesloten landbouwers wordt per

subsidiabele hectare die binnen het in artikel 90, lid 1, vastgestelde basisareaal is gelegen,

de gewasspecifieke betaling voor katoen toegekend, verhoogd met een bedrag van 2 euro.

AFDELING 7

STEUN VOOR SUIKERBIETEN- EN SUIKERRIETTELERS

Artikel 93

Werkingssfeer

  • 1. 
    In de lidstaten die de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 320/2006 vastgestelde

herstructureringssteun hebben toegekend voor ten minste 50% van de op 20 februari 2006

in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006

houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker1 vastgestelde

suikerquota, wordt, onder de in deze afdeling neergelegde voorwaarden, aan suikerbieten-

en suikerriettelers steun toegekend.

  • 2. 
    De steun aan suikerbieten- en suikerriettelers wordt toegekend voor maximaal vijf

opeenvolgende jaren vanaf het verkoopseizoen waarin de in lid 1 bedoelde drempel van

50% is bereikt en loopt uiterlijk tot en met het verkoopseizoen 2013/2014.

Artikel 94

Voorwaarden

De steun aan suikerbieten- en suikerriettelers wordt toegekend voor de hoeveelheden quotumsuiker

verkregen uit suikerbieten of suikerriet die zijn geleverd op grond van overeenkomstig artikel 50

Artikel 95

Steunbedrag

De in artikel 93 bedoelde steun wordt uitgedrukt per ton witte suiker van standaardkwaliteit. Het

bedrag van de steun is gelijk aan de helft van het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag van

het in bijlage XV van de onderhavige verordening bedoelde maximum voor de betrokken lidstaat in

het overeenkomstige jaar, te delen door het totaal van de op 20 februari 2006 in bijlage III bij

Verordening (EG) nr. 318/2006 vastgestelde quota voor suiker en inulinestroop.

Behoudens voor Bulgarije en Roemenië zijn de artikelen 121 en 132 van de onderhavige

verordening niet van toepassing op steun voor suikerbieten- en suikerriettelers.

AFDELING 8

OVERGANGSBETALINGEN VOOR GROENTEN EN FRUIT

Artikel 96

Bij wijze van overgangsmaatregel verleende oppervlaktesteun

  • 1. 
    Indien artikel 54, lid 1, of artikel 128, lid 1, gedurende de in die bepalingen genoemde

periode wordt toegepast, kan onder de in deze afdeling uiteengezette voorwaarden een bij

wijze van overgangsmaatregel verleende oppervlaktesteun worden toegekend aan

landbouwers die voor verwerking geleverde tomaten produceren.

  • 2. 
    Indien artikel 54, lid 2, of artikel 128, lid 2, gedurende de in die bepalingen genoemde

periode wordt toegepast, kan onder de in deze afdeling uiteengezette voorwaarden een bij

wijze van overgangsmaatregel verleende oppervlaktesteun worden toegekend aan

landbouwers die een of meer van de in artikel 54, lid 2, derde alinea, vermelde en voor

verwerking geleverde groente- en fruitproducten produceren, zoals bepaald door de

lidstaten.

Artikel 97

Bedrag van de steun en subsidiabiliteit

  • 1. 
    De lidstaten stellen de steun per hectare waarop tomaten en de in artikel 54, lid 2, derde

alinea, vermelde groente- en fruitproducten worden verbouwd, op basis van objectieve en

niet-discriminerende criteria vast.

  • 2. 
    Het totale bedrag van de in lid 1 bedoelde steun mag het overeenkomstig artikel 51, lid 2,

of artikel 128 vastgestelde maximum in geen geval overschrijden.

  • 3. 
    De in lid 1 voorziene steun wordt slechts toegekend voor oppervlakten waarvan de

productie valt onder een contract voor verwerking tot een van de in artikel 1, lid 1, onder

j), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 opgenomen producten.

  • 4. 
    De lidstaten kunnen aan de toekenning van de in lid 1 voorziene steun de voorwaarde

verbinden dat aanvullende objectieve en niet-discriminerende criteria worden nageleefd,

AFDELING 9

OVERGANGSBETALING VOOR ZACHT FRUIT

Artikel 98

Betaling voor zacht fruit

  • 1. 
    Voor de periode tot en met 31 december 2011 wordt, onder de in deze afdeling

neergelegde voorwaarden, bij wijze van overgangsmaatregel oppervlaktesteun verleend

aan producenten van aardbeien van GN-code 0810 10 00 en frambozen van

GN-code 0810 20 10 die worden geleverd ter verwerking (hierna "de overgangsbetaling

voor zacht fruit").

  • 2. 
    De overgangsbetaling voor zacht fruit wordt slechts toegekend voor oppervlakten waarvan

de productie valt onder een contract voor verwerking tot een van de in artikel 1, lid 1,

onder j), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 opgenomen producten.

  • 3. 
    De overgangsbetaling voor zacht fruit bedraagt 230 euro per hectare.
  • 4. 
    De lidstaten kunnen, als aanvulling op de overgangsbetaling voor zacht fruit, nationale

steun verlenen. De som van de communautaire en de nationale steun mag niet meer

bedragen dan 400 euro per hectare.

  • 5. 
    De overgangsbetaling voor zacht fruit mag slechts worden toegekend voor maximaal de

volgende aan de lidstaten toegekende nationale gegarandeerde arealen:

Maximaal nationaal gegarandeerd areaal

Lidstaat

(in ha)

Bulgarije 2 400

Hongarije 1 700

Letland 400

Litouwen 600

Polen 48 000

Indien het subsidiabele areaal in een lidstaat en in een gegeven jaar het maximale nationale

gegarandeerde areaal overschrijdt, wordt de in lid 3 genoemde overgangsbetaling voor

zacht fruit verlaagd in verhouding tot de overschrijding van het maximale nationale

gegarandeerde areaal.

  • 6. 
    De artikelen 121 en 132 zijn niet van toepassing op de overgangsbetaling voor zacht fruit.

AFDELING 10

PREMIES IN DE SCHAPEN- EN GEITENVLEESSECTOREN

Artikel 99

Werkingssfeer

Artikel 100

Definities

In deze afdeling zijn de volgende definities van toepassing:

  • a) 
    "ooi": elk vrouwelijk schaap dat ten minste één keer heeft gelammerd of ten minste één

jaar oud is;

  • b) 
    "geit": elke vrouwelijke geit die ten minste één keer heeft gelammerd of ten minste één jaar

oud is.

Artikel 101

Ooien- en geitenpremie

  • 1. 
    Aan landbouwers die ooien houden op hun bedrijf, kan op aanvraag een premie voor het

aanhouden van ooien worden verleend (ooienpremie).

  • 2. 
    Aan landbouwers die geiten houden op hun bedrijf, kan op aanvraag een premie voor het

aanhouden van geiten worden toegekend (geitenpremie). Deze premie wordt toegekend

aan landbouwers in specifieke gebieden waar de productie aan de volgende twee criteria

voldoet:

  • a) 
    de geitenhouderij is voornamelijk gericht op de productie van geitenvlees;
  • 3. 
    De ooienpremie en de geitenpremie worden toegekend in de vorm van een jaarlijkse

betaling per subsidiabel dier, per kalenderjaar en per landbouwer binnen de grenzen van

individuele maxima. Het minimumaantal dieren waarvoor een premieaanvraag wordt

ingediend, wordt vastgesteld door de lidstaat. Dit minimum bedraagt niet minder dan 10 en

niet meer dan 50.

  • 4. 
    Per ooi bedraagt de premie 21 euro. Voor landbouwers die melk van ooien of producten op

basis van melk van ooien verkopen, bedraagt de premie per ooi evenwel 16,8 euro.

  • 5. 
    Per geit bedraagt de premie 16,8 euro.

Artikel 102

Aanvullende premie

  • 1. 
    Er wordt een aanvullende premie betaald aan de landbouwers in de gebieden waar de

productie van schapen- en geitenvlees een traditionele activiteit is of aanzienlijk bijdraagt

aan de plattelandseconomie. De lidstaten stellen deze gebieden vast. In ieder geval wordt

de aanvullende premie slechts toegekend aan landbouwers met een bedrijf waarvan de

oppervlakte cultuurgrond voor ten minste 50% ligt in probleemgebieden als bedoeld in

Verordening (EG) nr. 1257/1999.

  • 2. 
    De aanvullende premie wordt eveneens toegekend aan verweidende landbouwers op

voorwaarde dat:

  • a) 
    ten minste 90% van de dieren waarvoor de premie wordt aangevraagd, gedurende ten

minste 90 opeenvolgende dagen wordt geweid in een in aanmerking komend gebied

dat overeenkomstig lid 1 is vastgesteld, en

  • b) 
    de vestigingsplaats van het bedrijf ligt in een welomschreven geografisch gebied

waarvoor de lidstaat heeft vastgesteld dat het verweiden er van oudsher in de

schapen- en/of de geitenhouderij wordt toegepast en dat de betrokken verplaatsingen

van dieren noodzakelijk zijn wegens het ontbreken van voldoende voedergewassen

gedurende de verweidingsperiode.

  • 3. 
    Het bedrag van de aanvullende premie wordt vastgesteld op 7 euro per ooi en per geit. De

aanvullende premie wordt verleend op dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de

verlening van de ooien- en geitenpremie.

Artikel 103

Gemeenschappelijke voorschriften voor de premies

  • 1. 
    De premies worden aan de begunstigde landbouwers betaald op basis van het aantal ooien

en/of geiten dat op hun bedrijf is gehouden gedurende een minimumperiode waarvan de

duur wordt bepaald volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 104

Individuele maxima

  • 1. 
    Op 1 januari 2009 is het in artikel 101, lid 3, bedoelde individuele maximum van elke

landbouwer gelijk aan het aantal premierechten waarover hij op 31 december 2008

overeenkomstig de desbetreffende communautaire voorschriften beschikte.

  • 2. 
    De lidstaten doen het nodige om ervoor te zorgen dat de som van de premierechten voor

hun grondgebied het in lid 4 vastgestelde nationale maximum niet overschrijdt en dat de in

artikel 106 bedoelde nationale reserve kan worden gehandhaafd.

Is na de periode waarin de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig

artikel 122 werd toegepast, artikel 52 van toepassing, dan geschieden de toewijzing van de

individuele maxima aan de producenten en de vorming van de nationale reserve als

bedoeld in artikel 106 uiterlijk vóór het einde van het eerste jaar van toepassing van de

bedrijfstoeslagregeling.

  • 3. 
    De premierechten die op grond van de krachtens lid 2, eerste alinea, genomen maatregel

zijn ingetrokken, worden geannuleerd.

  • 4. 
    De volgende nationale maxima zijn van toepassing:

Lidstaat Nationale maxima (ha)

Bulgarije 2 058,483

Tsjechië 66,733

Denemarken 104,000

Estland 48,000

Spanje 19 580,000

Frankrijk 7 842,000

Cyprus 472,401

Letland 18,437

Litouwen 17,304

Hongarije 1 146,000

Polen 335,880

Portugal 2 690,000

Roemenië 5 880,620

Slovenië 84,909

Slowakije 305,756

Finland 80,000

Totaal 40 730,523

Artikel 105

Overdracht van premierechten

  • 1. 
    Wanneer een landbouwer zijn bedrijf verkoopt of anderszins overdraagt, kan hij al zijn

premierechten overdragen aan degene die het bedrijf overneemt.

  • 2. 
    Een landbouwer kan zijn rechten ook geheel of gedeeltelijk aan andere landbouwers

overdragen zonder zijn bedrijf over te dragen.

In geval van een overdracht van rechten zonder overdracht van het bedrijf wordt een deel

van de overgedragen premierechten dat ten hoogste 15% bedraagt, zonder enige

compensatie aan de nationale reserve van de lidstaat waar het bedrijf zich bevindt,

afgestaan voor kosteloze herverdeling.

De lidstaten kunnen premierechten verwerven van landbouwers die er vrijwillig mee

instemmen hun rechten geheel of gedeeltelijk af te staan. In dat geval kunnen uit de

nationale begroting betalingen voor de verwerving van dergelijke rechten aan de betrokken

landbouwers worden verricht.

In afwijking van het bepaalde in lid 1 en in naar behoren gemotiveerde omstandigheden

kunnen de lidstaten bepalen dat de overdracht van rechten in geval van verkoop of andere

overdracht van het bedrijf wordt uitgevoerd via de nationale reserve.

  • 4. 
    De lidstaten kunnen vóór een door hen vast te stellen datum tijdelijke overdrachten

toestaan van dat deel van de premierechten dat de landbouwer die erover beschikt, niet zal

doen gelden.

Artikel 106

ationale reserve

  • 1. 
    Elke lidstaat houdt een nationale reserve van premierechten aan.
  • 2. 
    Premierechten die op grond van artikel 105, lid 2, of andere communautaire bepalingen

zijn ingetrokken, worden toegevoegd aan de nationale reserve.

  • 3. 
    De lidstaten kunnen de premierechten binnen de grenzen van hun nationale reserve

toewijzen aan de landbouwers. Bij die toewijzing geven zij voorrang aan met name

nieuwkomers, jonge landbouwers of andere prioritaire landbouwers.

Artikel 107

Maxima

De som van de bedragen van alle aangevraagde premies mag het door de Commissie overeen-

komstig artikel 51, lid 2, vastgestelde maximum niet overschrijden.

Overschrijdt het totale bedrag van de aangevraagde steun het vastgestelde maximum, dan wordt het

steunbedrag per landbouwer dat jaar proportioneel verlaagd.

AFDELING 11

RUND- EN KALFSVLEESBETALINGEN

Artikel 108

Werkingssfeer

Indien artikel 53 wordt toegepast, kennen de lidstaten, tenzij in de onderhavige verordening anders

is bepaald, onder de in deze afdeling uiteengezette voorwaarden, de extra betaling of extra

betalingen toe die de betrokken lidstaat overeenkomstig dat artikel heeft gekozen.

Artikel 109

Definities

Voor de toepassing van deze sectie wordt verstaan onder:

  • a) 
    "regio": een lidstaat of een gebied in een lidstaat, naar keuze van de betrokken lidstaat;
  • b) 
    "stier": een ongecastreerd mannelijk rund;
  • c) 
    "os": een gecastreerd mannelijk rund;
  • d) 
    "zoogkoe": een koe van een vleesras of verkregen door kruising met een vleesras, die

behoort tot een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de

Artikel 110

Speciale premie

  • 1. 
    Aan landbouwers die op hun bedrijf mannelijke runderen houden, kan op aanvraag een

speciale premie worden toegekend. Deze premie wordt per kalenderjaar en per bedrijf

binnen de grenzen van de regionale maxima toegekend voor ten hoogste 90 dieren van elke

in lid 2 bedoelde leeftijdstranche.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "regionaal maximum" verstaan, het aantal

dieren waarvoor in een regio en voor een bepaald kalenderjaar een speciale premie kan

worden toegekend.

  • 2. 
    De speciale premie wordt ten hoogste:
  • a) 
    één keer toegekend voor elke stier van ten minste negen maanden oud;
  • b) 
    twee keer toegekend voor elke os, namelijk:
  • i) 
    de eerste keer als het dier negen maanden oud is,
  • ii) 
    de tweede keer nadat het dier 21 maanden oud is geworden.
  • 3. 
    Om voor de speciale premie in aanmerking te komen:
  • a) 
    moet ieder dier waarvoor een aanvraag is ingediend, gedurende een volgens de

procedure van artikel 141, lid 2, nader te bepalen periode door de landbouwer

  • b) 
    moet ieder dier tot de slacht of de uitvoer vergezeld gaan van een dierenpaspoort als

bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1760/2000, waarop alle relevante

gegevens in verband met de premie zijn vermeld, of, als een dergelijk paspoort niet

voorhanden is, van een gelijkwaardig administratief document.

  • 4. 
    Als in een regio het totale aantal stieren van ten minste negen maanden oud en ossen van

negen tot 20 maanden oud, waarvoor een premie is aangevraagd en die voldoen aan de

voorwaarden voor de toekenning van de speciale premie, het in lid 8 vastgestelde

toepasselijke regionale maximum overschrijdt, wordt het totale aantal dieren dat op grond

van lid 2, onder a) en b), voor een premie in aanmerking komt, in het betrokken jaar per

landbouwer proportioneel verlaagd.

  • 5. 
    In afwijking van de leden 1 en 4 kunnen de lidstaten op basis van objectieve criteria die

deel uitmaken van een plattelandsontwikkelingsbeleid en alleen indien zowel de

milieuaspecten als de werkgelegenheidsaspecten in aanmerking worden genomen, het

maximumaantal van 90 dieren per bedrijf en leeftijdstranche wijzigen of niet toepassen. In

dat geval kunnen de lidstaten besluiten lid 4 zo toe te passen dat de vereiste vermindering

verwezenlijkt wordt om aan het toepasselijke regionale maximum te voldoen, zonder dat er

verminderingen opgelegd worden aan kleine landbouwers die voor het betrokken jaar geen

speciale premies hebben aangevraagd voor meer dan een minimumaantal dieren dat door

de betrokken lidstaat is vastgesteld.

  • 6. 
    De lidstaten kunnen besluiten de speciale premie toe te kennen bij het slachten van de
  • 7. 
    De speciale premie bedraagt:
  • a) 
    210 euro per subsidiabele stier;
  • b) 
    150 euro per subsidiabele os en leeftijdstranche.
  • 8. 
    De volgende regionale maxima zijn van toepassing:

Lidstaat Regionaal maximum

Bulgarije 90 343

Tsjechië 244 349

Denemarken 277 110

Duitsland 1 782 700

Estland 18 800

Cyprus 12 000

Letland 70 200

Litouwen 150 000

Polen 926 000

Roemenië 452 000

Slovenië 92 276

Slowakije 78 348

Finland 250 000

Zweden 250 000

Artikel 111

Zoogkoeienpremie

  • 1. 
    Aan landbouwers die op hun bedrijf zoogkoeien houden, kan op aanvraag een premie voor

het aanhouden van zoogkoeien worden toegekend (zoogkoeienpremie). Deze premie wordt

toegekend in de vorm van een premie per jaar en per landbouwer, binnen de individuele

maxima.

  • 2. 
    De zoogkoeienpremie wordt toegekend aan alle landbouwers
  • a) 
    die geen melk of zuivelproducten leveren in de 12 maanden vanaf de dag van

indiening van de aanvraag,

Rechtstreekse levering van melk of zuivelproducten van het bedrijf aan de

consument vormt echter geen beletsel voor de toekenning van de premie;

  • b) 
    die melk of zuivelproducten leveren en wier totaal individueel quotum als bedoeld in

artikel 67 van Verordening (EEG) nr. 1234/2007 ten hoogste 120 000 kilogram

bedraagt.

De lidstaten kunnen evenwel volgens door hen te bepalen objectieve en niet-

discriminerende criteria besluiten deze kwantitatieve beperking te wijzigen of niet toe te

passen, op voorwaarde dat de landbouwers gedurende ten minste zes opeenvolgende

maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag een aantal zoogkoeien houden dat

Voor de vaststelling van het aantal op grond van de eerste alinea, onder a) en b),

subsidiabele dieren wordt op basis van het individuele melkquotum van het bedrijf op

31 maart van het betrokken kalenderjaar, uitgedrukt in ton, en op basis van de gemiddelde

melkopbrengst bepaald of de koeien tot een zoogkoeienbeslag dan wel tot een

melkkoeienbeslag behoren.

  • 3. 
    Het recht van de landbouwers op de premie wordt beperkt door toepassing van het in

artikel 112 gedefinieerde individuele maximum.

  • 4. 
    De premie per subsidiabel dier bedraagt 200 euro.
  • 5. 
    Mits er geen discriminatie tussen veehouders in de betrokken lidstaat plaatsvindt, mogen

de lidstaten een aanvullende nationale zoogkoeienpremie van maximaal 50 euro per dier

toekennen.

Voor bedrijven die zijn gevestigd in een in de artikelen 5 en 8 van Verordening (EG)

nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het

Cohesiefonds1 omschreven regio, wordt de eerste schijf van deze aanvullende premie, ten

belope van 24,15 euro per dier, gefinancierd door het ELGF.

Voor bedrijven op het gehele grondgebied van een lidstaat waarvan het koeienbeslag

gekenmerkt wordt door een hoog aandeel zoogkoeien dat ten minste 30% van het totale

aantal koeien uitmaakt, en waarvan ten minste 30% van de geslachte mannelijke runderen

  • 6. 
    Voor de toepassing van dit artikel worden alleen vaarzen in aanmerking genomen van een

vleesras of voortgekomen uit een kruising met een dergelijk ras, die deel uitmaken van een

beslag van voor de vleesproductie bestemde kalveren.

Artikel 112

Individueel maximum voor zoogkoeien

  • 1. 
    Aan elke landbouwer die zoogkoeien houdt, wordt steun verleend binnen de individuele

maxima die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 126, lid 2, van Verordening (EG)

nr. 1782/2003.

  • 2. 
    De lidstaten doen het nodige om ervoor te zorgen dat de som van de premierechten voor

hun grondgebied het in lid 5 vastgestelde nationale maximum niet overschrijdt en dat de in

artikel 114 bedoelde nationale reserve kan worden gehandhaafd.

Indien, na de periode waarin de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig

artikel 122 van toepassing was, artikel 53, lid 1, wordt toegepast, geschieden de toewijzing

van de individuele maxima aan de producenten en de vorming van de nationale reserve als

bedoeld in artikel 114 uiterlijk vóór het einde van het eerste jaar van toepassing van de

bedrijfstoeslagregeling.

  • 3. 
    Als voor de in lid 2 bedoelde aanpassing de individuele maxima van landbouwers moeten

worden verlaagd, gebeurt dit zonder compensatiebetaling en op basis van objectieve

criteria, met name:

  • a) 
    de mate waarin de landbouwers hun individuele maxima hebben gebruikt gedurende

de drie referentiejaren die aan 2000 voorafgaan;

  • b) 
    de uitvoering van een investerings- of extensiveringsprogramma in de

rundvleessector;

  • c) 
    specifieke natuurlijke omstandigheden of de toepassing van sancties waardoor de

premie gedurende ten minste één referentiejaar niet of slechts gedeeltelijk is betaald;

  • d) 
    andere uitzonderlijke omstandigheden waardoor de betalingen voor ten minste één

referentiejaar niet stroken met de werkelijke situatie zoals geconstateerd gedurende

de voorgaande jaren.

  • 4. 
    De premierechten die op grond van de overeenkomstig lid 2, eerste alinea, genomen

maatregel zijn ingetrokken, worden geannuleerd.

  • 5. 
    De volgende nationale maxima zijn van toepassing:

Lidstaat Nationaal maximum

België 394 253

Bulgarije 16 019

Tsjechië 90 300

Estland 13 416

Spanje 1 441 539

Frankrijk 3 779 866

Cyprus 500

Letland 19 368

Litouwen 47 232

Hongarije 117 000

Malta 454

Oostenrijk 375 000

Polen 325 581

Portugal 458 941

Roemenië 150 000

Slovenië 86 384

Slowakije 28 080

Artikel 113

Overdracht van premierechten voor zoogkoeien

  • 1. 
    Wanneer een landbouwer zijn bedrijf verkoopt of anderszins overdraagt, kan hij al zijn

rechten op de zoogkoeienpremie overdragen aan degene die zijn bedrijf overneemt.

  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde landbouwer kan zijn rechten ook geheel of gedeeltelijk aan andere

landbouwers overdragen zonder zijn bedrijf over te dragen.

Wanneer premierechten worden overgedragen zonder overdracht van het bedrijf wordt een

deel van de overgedragen rechten dat ten hoogste 15% bedraagt, zonder enige compensatie

aan de nationale reserve van de lidstaat waar het bedrijf zich bevindt, afgestaan voor

kosteloze herverdeling.

  • 3. 
    De lidstaten:
  • a) 
    nemen de nodige maatregelen om te voorkomen dat premierechten door overdracht

terechtkomen buiten gevoelige zones of buiten regio's waar de rundveehouderij voor

de plaatselijke economie van groot belang is;

  • b) 
    kunnen bepalen dat de overdracht van rechten zonder overdracht van het bedrijf

hetzij rechtstreeks tussen landbouwers, hetzij via de nationale reserve plaatsvindt.

  • 4. 
    De lidstaten kunnen vóór een door hen vast te stellen datum tijdelijke overdrachten

Artikel 114

ationale reserve van premierechten voor zoogkoeien

  • 1. 
    Elke lidstaat houdt een nationale reserve van premierechten voor zoogkoeien aan.
  • 2. 
    Onverminderd artikel 112, lid 4, worden premierechten die op grond van artikel 113, lid 2,

tweede alinea, of andere communautaire bepalingen zijn ingetrokken, aan de nationale

reserve toegevoegd.

  • 3. 
    De lidstaten kennen de premierechten binnen de grenzen van hun nationale reserve toe aan

met name nieuwkomers, jonge landbouwers en andere prioritaire landbouwers.

Artikel 115

Vaarzen

  • 1. 
    In afwijking van artikel 111, lid 3, van de onderhavige verordening kunnen lidstaten waar

meer dan 60% van de zoogkoeien en de vaarzen gehouden worden in berggebieden in de

zin van artikel 50 van Verordening (EG) nr. 1698/2005, besluiten de toekenning van de

zoogkoeienpremie voor vaarzen afzonderlijk te beheren van die voor zoogkoeien, binnen

de grenzen van een afzonderlijk nationaal maximum dat door de betrokken lidstaat wordt

vastgesteld.

Dat afzonderlijke nationale maximum mag niet meer bedragen dan 40% van het nationale

maximum van de betrokken lidstaat als bedoeld in artikel 112, lid 5. Dat nationale

maximum moet verlaagd worden met de hoeveelheid die gelijk is aan het afzonderlijke

nationale maximum. Wanneer in een lidstaat die van de in dit lid geboden mogelijkheid

gebruik maakt, het totaal aantal vaarzen waarvoor een premie is aangevraagd en die

voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van de zoogkoeienpremie, het

afzonderlijke nationale maximum overschrijdt, moet het aantal subsidiabele vaarzen per

landbouwer voor het betrokken jaar proportioneel worden verlaagd.

  • 2. 
    Voor de toepassing van dit artikel worden alleen vaarzen van een vleesras of

voortgekomen uit een kruising met een dergelijk ras in aanmerking genomen.

Artikel 116

Slachtpremie

  • 1. 
    Een landbouwer die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op aanvraag in aanmerking komen

voor een slachtpremie. De premie wordt, binnen nader vast te stellen nationale maxima,

toegekend bij het slachten van in aanmerking komende dieren of de uitvoer daarvan naar

een derde land.

Voor de slachtpremie komen in aanmerking:

  • a) 
    stieren, ossen, koeien en vaarzen van ten minste acht maanden;
  • 2. 
    De premie bedraagt:
  • a) 
    80 euro per subsidiabel dier als omschreven in lid 1, onder a);
  • b) 
    50 euro per subsidiabel dier als omschreven in lid 1, onder b).
  • 3. 
    De in lid 1 bedoelde nationale maxima worden vastgesteld per lidstaat en afzonderlijk voor

beide groepen dieren als omschreven onder a) en b), van dat lid. Elk maximum is gelijk

aan het aantal dieren in elke van deze twee groepen dat in 1995 in de betrokken lidstaat is

geslacht. Het aantal vanuit die lidstaat naar een derde land uitgevoerde dieren, volgens de

gegevens van Eurostat of andere gepubliceerde officiële statistische gegevens voor dat jaar

die door de Commissie zijn geaccepteerd, wordt bij dat maximum opgeteld.

Voor de nieuwe lidstaten zijn de volgende maxima van toepassing:

Kalveren van meer dan 1 en

Stieren, ossen, koeien en minder dan 8 maanden oud met

vaarzen een slachtgewicht van ten

hoogste 185 kg

Bulgarije 22 191 101 542

Tsjechië 483 382 27 380

Estland 107 813 30 000

Cyprus 21 000 --

Letland 124 320 53 280

Litouwen 367 484 244 200

Hongarije 141 559 94 439

  • 4. 
    Wanneer in een bepaalde lidstaat het totale aantal dieren waarvoor een aanvraag is

ingediend met betrekking tot een van de twee in lid 1, onder a) of b), bedoelde groepen

dieren en die voldoen aan de voorwaarden voor het toekennen van de slachtpremie, het

nationale maximum voor die groep overschrijdt, wordt het totale aantal subsidiabele dieren

van die groep per landbouwer voor het betrokken jaar proportioneel verlaagd.

Artikel 117

Gemeenschappelijke voorschriften voor de premies

Alleen dieren die geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG)

nr. 1760/2000, komen in aanmerking voor betalingen op grond van deze afdeling.

Er wordt evenwel van uitgegaan dat een dier waarover de in artikel 7, lid 1, tweede streepje, van

Verordening (EG) nr. 1760/2000 vastgestelde gegevens op de eerste dag van de volgens de

procedure van artikel 141, lid 2, van de onderhavige verordening bepaalde aanhoudperiode van het

dier aan de bevoegde autoriteit zijn gemeld, eveneens in aanmerking komt voor de betaling.

Artikel 118

Maxima

De som van de bedragen van alle op grond van deze afdeling aangevraagde rechtstreekse betalingen

mag het door de Commissie overeenkomstig artikel 51, lid 2, vastgestelde maximum niet

overschrijden.

Artikel 119

Krachtens Richtlijn 96/22/EG verboden stoffen

  • 1. 
    Wanneer residuen van stoffen die op grond van Richtlijn 96/22/EG van de Raad van

29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde

stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking,

alsmede van ß-agonisten1 verboden zijn of residuen van stoffen die op grond van die

richtlijn zijn toegestaan maar op illegale wijze zijn gebruikt, overeenkomstig de relevante

bepalingen van Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake

controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende

dieren en in producten daarvan2 worden aangetroffen bij een dier van het rundveebeslag

van een landbouwer, dan wel wanneer een niet-toegestane stof of een niet-toegestaan

product, of een op grond van Richtlijn 96/22/EG toegestane stof of toegestaan product

die/dat evenwel illegaal voorhanden is, in welke vorm ook op het bedrijf van die

landbouwer wordt aangetroffen, wordt de betrokken landbouwer voor het kalenderjaar

waarin een en ander is vastgesteld, uitgesloten van de bedragen waarin de bepalingen van

deze afdeling voorzien.

In geval van recidive kan de uitsluitingsperiode naar gelang van de ernst van de

overtreding verlengd worden tot vijf jaar, te rekenen vanaf het jaar waarin de recidive is

geconstateerd.

HOOFDSTUK 2

NATIONALE STEUN

Artikel 120

ationale steun voor noten

  • 1. 
    Vanaf 2012, of wanneer ter toepassing van artikel 67 de in afdeling 4 van hoofdstuk 1 van

deze titel bedoelde areaalbetaling voor noten in de bedrijfstoeslagregeling is geïntegreerd,

kunnen de lidstaten nationale steun ten belope van maximaal 120,75 euro per hectare per

jaar toekennen aan landbouwers die de volgende producten produceren:

  • a) 
    amandelen van de GN-codes 0802 11 en 0802 12,
  • b) 
    hazelnoten van de GN-codes 0802 21 en 0802 22,
  • c) 
    walnoten van de GN-codes 0802 31 en 0802 32,
  • d) 
    pimpernoten (pistaches) van GN-code 0802 50,
  • e) 
    sint-jansbrood van GN-code 1212 10 10.
  • 2. 
    De maximumarealen waarvoor nationale steun mag worden betaald, zijn vastgesteld in de

onderstaande tabel.

Lidstaat Maximumareaal (ha)

België 100

Bulgarije 11 984

Duitsland 1 500

Griekenland 41 100

Spanje 568 200

Frankrijk 17 300

Italië 130 100

Cyprus 5 100

Luxemburg 100

Hongarije 2 900

Nederland 100

Polen 4 200

Portugal 41 300

Roemenië 1 645

Slovenië 300

Slowakije 3 100

Verenigd Koninkrijk 100

  • 3. 
    De lidstaten kunnen aan het toekennen van de nationale steun de voorwaarde verbinden dat

TITEL V

TENUITVOERLEGGING VAN

DE RECHTSTREEKSE BETALINGEN

IN DE NIEUWE LIDSTATEN

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 121

Invoering van rechtstreekse betalingen

In de nieuwe lidstaten, behoudens Bulgarije en Roemenië, worden de rechtstreekse betalingen

ingevoerd overeenkomstig de volgende regeling inzake toename, uitgedrukt als percentage van het

dan geldende niveau van deze betalingen in andere dan de nieuwe lidstaten:

60% in 2009,

70% in 2010,

80% in 2011,

In Bulgarije en Roemenië worden de rechtstreekse betalingen ingevoerd overeenkomstig de

volgende regeling inzake toename, uitgedrukt als percentage van het dan geldende niveau van deze

betalingen in andere dan de nieuwe lidstaten:

35% in 2009,

40% in 2010,

50% in 2011,

60% in 2012,

70% in 2013,

80% in 2014,

90% in 2015,

100% vanaf 2016.

HOOFDSTUK 2

REGELING INZAKE EEN ENKELE AREAALBETALING

Artikel 122

Regeling inzake een enkele areaalbetaling

  • 1. 
    De nieuwe lidstaten die hebben besloten de rechtstreekse betalingen, behalve voor 2009,

2010 en 2011, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 9, van deze verordening vastgestelde

overgangsbetaling voor zacht fruit, en, voor 2009, de in titel IV, hoofdstuk 5, van

Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde betaling voor energiegewassen, te vervangen

door een regeling inzake een enkele areaalbetaling, verlenen steun aan de landbouwers

overeenkomstig dit artikel.

  • 2. 
    De enkele areaalbetaling wordt op jaarbasis toegekend. Zij wordt berekend door het

overeenkomstig artikel 123 vastgestelde jaarlijkse totaalbedrag te delen door het

overeenkomstig artikel 124 bepaalde landbouwareaal van elke nieuwe lidstaat.

  • 3. 
    De regeling inzake een enkele areaalbetaling kan worden toegepast tot en met 31 december

2013. De nieuwe lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus van het laatste

toepassingsjaar in kennis van hun voornemen om de toepassing te beëindigen.

  • 4. 
    Na afloop van de toepassingsperiode van de regeling inzake een enkele areaalbetaling

worden de rechtstreekse betalingen toegepast overeenkomstig de desbetreffende

communautaire voorschriften en op basis van de kwantitatieve parameters zoals

basisarealen, maxima voor premies en gegarandeerde maximumhoeveelheden (GMH's) die

voor elke rechtstreekse betaling in de Toetredingsakten van 2003 en 2005 en latere

communautaire regelgeving zijn gespecificeerd. De percentages die in artikel 121 voor de

betrokken jaren zijn vastgesteld, worden vervolgens toegepast.

Artikel 123

Jaarlijks totaalbedrag

  • 1. 
    Voor elke nieuwe lidstaat stelt de Commissie een jaarlijks totaalbedrag vast dat

overeenkomt met de som van de middelen die voor het betrokken kalenderjaar ter

toekenning van rechtstreekse betalingen in de nieuwe lidstaat beschikbaar zouden zijn.

Het jaarlijkse totaalbedrag wordt vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende

communautaire voorschriften en op basis van de kwantitatieve parameters zoals

basisarealen, maxima voor premies en gegarandeerde maximumhoeveelheden die voor

elke rechtstreekse betaling in de Toetredingsakten van 2003 en 2005 en latere

communautaire regelgeving zijn gespecificeerd.

Het jaarlijkse totaalbedrag wordt aangepast aan de hand van het desbetreffende, in

artikel 121 opgenomen percentage voor de geleidelijke invoering van rechtstreekse

  • 2. 
    Indien de enkele areaalbetalingen in een nieuwe lidstaat in een bepaald jaar het jaarlijkse

totaalbedrag van die lidstaat zouden overschrijden, wordt het nationale hectarebedrag in

die nieuwe lidstaat proportioneel verlaagd door toepassing van een verlagingscoëfficiënt.

Artikel 124

Areaal in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling

  • 1. 
    Het landbouwareaal van een nieuwe lidstaat, behoudens Bulgarije en Roemenië, in het

kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling is het deel van zijn oppervlakte

cultuurgrond dat op 30 juni 2003 in goede landbouwconditie verkeerde, ongeacht of het op

die datum in productie was, zo nodig aangepast op basis van objectieve en niet-

discriminerende criteria die na goedkeuring door de Commissie door die nieuwe lidstaat

worden vastgesteld.

Voor de toepassing van deze titel wordt onder "oppervlakte cultuurgrond" verstaan de

totale door bouwland, blijvend grasland, blijvende gewassen en tuinen voor eigen gebruik

ingenomen oppervlakte zoals door de Commissie bepaald voor haar statistische

doeleinden.

Voor Bulgarije en Roemenië is het landbouwareaal in het kader van de regeling inzake een

enkele areaalbetaling het deel van hun oppervlakte cultuurgrond dat in goede landbouw-

conditie verkeert, ongeacht of het in productie is, waar nodig bijgesteld op basis van

objectieve en niet-discriminerende criteria die na goedkeuring door de Commissie door

  • 2. 
    Met het oog op de toekenning van betalingen in het kader van de regeling inzake een

enkele areaalbetaling komen alle landbouwpercelen die voldoen aan de in lid 1

vastgestelde criteria, alsmede landbouwpercelen beplant met hakhout met korte omlooptijd

(GN-code ex 0602 90 41), die op 30 juni 2003 in goede landbouwconditie verkeerden, in

aanmerking. Voor Bulgarije en Roemenië komen evenwel alle landbouwpercelen die

voldoen aan de in lid 1 vastgestelde criteria, alsmede landbouwpercelen beplant met

hakhout met korte omlooptijd (GN-code ex 0602 90 41), in aanmerking.

Behalve in geval van overmacht of in uitzonderlijke omstandigheden zijn de in de eerste

alinea bedoelde percelen op de door de lidstaat vastgestelde datum, maar niet later dan de

door die lidstaat vastgestelde datum voor wijziging van een steunaanvraag, ter beschikking

van de landbouwer.

De minimumgrootte van de in aanmerking komende oppervlakte per bedrijf waarvoor

betalingen kunnen worden aangevraagd, is 0,3 ha. Elke nieuwe lidstaat kan echter op basis

van objectieve criteria en na goedkeuring door de Commissie besluiten die

minimumgrootte tot maximaal 1 ha te verhogen.

  • 3. 
    Er bestaat geen verplichting om te produceren of om de productiefactoren te gebruiken. De

landbouwers kunnen de in lid 4 bedoelde grond echter gebruiken voor om het even welke

landbouwdoeleinden. Artikel 39 is van toepassing op de productie van hennep.

  • 4. 
    Alle grond waarvoor betalingen in het kader van de regeling inzake een enkele
  • 5. 
    Landbouwers die steun in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling

ontvangen, moeten aan de in bijlage II bedoelde uit de regelgeving voortvloeiende beheers-

eisen voldoen overeenkomstig het volgende tijdschema:

  • a) 
    de in bijlage II, punt A, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van

1 januari 2009;

  • b) 
    de in bijlage II, punt B, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van

1 januari 2011;

  • c) 
    de in bijlage II, punt C, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van

1 januari 2013.

  • 6. 
    Voor Bulgarije en Roemenië is de toepassing van de artikelen 4, 5, 23, 24 en 25 facultatief

tot en met 31 december 2011, voor zover deze bepalingen verband houden met uit de

regelgeving voortvloeiende beheerseisen. Met ingang van 1 januari 2012 moet een

landbouwer die in die lidstaten betalingen in het kader van de regeling inzake een enkele

areaalbetaling ontvangt, aan de in bijlage II bedoelde uit de regelgeving voortvloeiende

beheerseisen voldoen overeenkomstig het volgende tijdschema:

  • a) 
    de in bijlage II, punt A, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van

1 januari 2012;

  • b) 
    de in bijlage II, punt B, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van
  • 8. 
    De toepassing van de regeling inzake een enkele areaalbetaling doet op geen enkele wijze

afbreuk aan de verplichting van een nieuwe lidstaat uitvoering te geven aan de in

Verordening (EG) nr. 1760/2000 en Verordening (EG) nr. 21/2004 vastgestelde

communautaire regels betreffende de identificatie en de registratie van dieren.

Artikel 125

Communicatie

De nieuwe lidstaten stellen de Commissie gedetailleerd in kennis van de ter uitvoering van dit

hoofdstuk genomen maatregelen, en met name van de op grond van artikel 123, lid 2, genomen

maatregelen.

HOOFDSTUK 3

AFZONDERLIJKE BETALINGEN EN SPECIFIEKE STEUN

Artikel 126

Afzonderlijke suikerbetaling

  • 1. 
    Nieuwe lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter bis van Verordening

(EG) nr. 1782/2003 vastgestelde optie, verlenen een afzonderlijke suikerbetaling aan voor

de regeling inzake een enkele areaalbetaling in aanmerking komende landbouwers. Deze

betaling wordt verleend op basis van de in 2006 en 2007 door de betrokken lidstaten

  • 2. 
    De afzonderlijke suikerbetaling wordt verleend binnen de grenzen van de in bijlage XV

vastgestelde maxima.

  • 3. 
    In afwijking van lid 2 kan elke betrokken nieuwe lidstaat uiterlijk op 31 maart van het jaar

waarvoor de afzonderlijke suikerbetaling wordt verleend, en op basis van objectieve

criteria besluiten om een lager maximum voor de afzonderlijke suikerbetaling toe te passen

dan het maximum dat in bijlage XV is opgenomen. Indien het totaal van de

overeenkomstig lid 1 vastgestelde bedragen hoger ligt dan het door de betrokken nieuwe

lidstaten bepaalde maximum, wordt het aan de landbouwers te verlenen jaarlijkse bedrag

proportioneel verlaagd.

Artikel 127

Afzonderlijke betaling voor groenten en fruit

  • 1. 
    Nieuwe lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter ter van Verordening

(EG) nr. 1782/2003 vastgestelde optie, verlenen een afzonderlijke betaling voor groenten

en fruit aan voor de regeling inzake een enkele areaalbetaling in aanmerking komende

landbouwers. Deze betaling wordt verleend volgens de in 2007 door de betrokken lidstaten

vastgestelde criteria.

  • 2. 
    De afzonderlijke betaling voor groenten en fruit wordt verleend binnen de grenzen van het

aandeel van het in artikel 40 bedoelde nationale maximum dat is bestemd voor groenten en

fruit, of, wanneer de nieuwe lidstaten gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter ter,

Artikel 128

Afzonderlijke overgangsbetaling voor groenten en fruit

  • 1. 
    Nieuwe lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter quater, lid 1, van

Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde optie, mogen tot en met 31 december 2011

ten hoogste 50% behouden van het aandeel van de in artikel 41 van de onderhavige

verordening bedoelde nationale maxima dat bestemd is voor tomaten van GN-code

7020 00 00 overeenkomstig het door hen in 2007 genomen besluit.

In dit geval verricht de betrokken lidstaat binnen de grenzen van het volgens de in

artikel 141, lid 2, bedoelde procedure vastgestelde maximum jaarlijks een extra betaling

aan landbouwers.

De extra betaling wordt verleend aan landbouwers die tomaten produceren overeenkomstig

de voorwaarden van titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 8, van de onderhavige verordening.

  • 2. 
    Nieuwe lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter quater, lid 2, van

Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde optie, mogen overeenkomstig het door hen

in 2007 genomen besluit:

  • a) 
    tot en met 31 december 2010 ten hoogste 100% behouden van het aandeel van de in

artikel 40 van de onderhavige verordening bedoelde nationale maxima dat bestemd is

voor in de in artikel 54, lid 2, derde alinea, van de onderhavige verordening bedoelde

  • b) 
    van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 ten hoogste 75% behouden van het

aandeel van de in artikel 40 van de onderhavige verordening bedoelde nationale

maxima dat bestemd is voor in de in artikel 54, lid 2, derde alinea, van de

onderhavige verordening bedoelde andere groente- en fruitgewassen dan eenjarige.

In dit geval verricht de betrokken lidstaat binnen de grenzen van het volgens de in

artikel 141, lid 2, bedoelde procedure vastgestelde maximum jaarlijks een extra betaling

aan landbouwers.

De extra betaling wordt toegekend aan landbouwers die een of meer van de in artikel 54,

lid 2, derde alinea, van de onderhavige verordening opgenomen groente- en fruitproducten

produceren, zoals vastgesteld door de betrokken lidstaat.

  • 3. 
    De nieuwe lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter quater van

Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde opties, mogen voor 1 augustus 2009

besluiten het in 2007 genomen besluit te herzien met de bedoeling:

  • a) 
    deze betalingen volledig of gedeeltelijk te integreren in de regeling inzake een enkele

areaalbetaling. In dat geval worden, in afwijking van artikel 130, de betrokken

bedragen opgenomen in het in artikel 123, lid 1, bedoelde jaarlijkse totaalbedrag, of

  • b) 
    deze betalingen volledig of gedeeltelijk te integreren in de in artikel 127 bedoelde

afzonderlijke betaling voor groenten en fruit. In dat geval wordt de nieuwe betaling

toegekend op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals die van

bijlage IX, deel A, punt 2, en met betrekking tot een representatieve periode die

eindigt in 2008.

Artikel 129

Afzonderlijke betaling voor zacht fruit

  • 1. 
    In afwijking van artikel 122 kunnen de nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele

areaalbetaling toepassen, voor 1 augustus 2011 besluiten om met ingang van 2012 een

afzonderlijke betaling voor zacht fruit toe te kennen. De toekenning geschiedt aan de hand

van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals de betalingen die zijn ontvangen uit

hoofde van de overgangsbetaling voor zacht fruit uit hoofde van artikel 98 en met

betrekking tot een door de lidstaat vast te stellen referentieperiode, maar niet na 2008.

  • 2. 
    De afzonderlijke betaling voor zacht fruit wordt toegekend binnen de grenzen van de in

bijlage XII voor de betaling voor zacht fruit genoemde bedragen.

  • 3. 
    In 2012 kunnen de lidstaten die dit artikel toepassen naast de betaling voor zacht fruit ook

nationale steun toekennen. Het totale bedrag van de communautaire en de nationale steun

mag de volgende maxima niet overschrijden:

  • Bulgarije: 960 000 euro
  • Letland: 160 000 euro
  • Litouwen: 240 000 euro
  • Hongarije: 680 000 euro
  • Polen: 19 200 000 euro.

Artikel 130

Gemeenschappelijke bepalingen inzake de afzonderlijke betalingen

  • 1. 
    De middelen die ter beschikking worden gesteld voor de toekenning van de in de

artikelen 126, 127, 128 en 129 bedoelde betaling, worden niet opgenomen in het in

artikel 123, lid 1, vermelde jaarlijkse totaalbedrag. Indien artikel 126, lid 3, wordt

toegepast, wordt het verschil tussen het in bijlage XV vermelde maximum en het werkelijk

toegepaste maximum evenwel opgenomen in het in artikel 123, lid 1, bedoelde jaarlijkse

totaalbedrag.

  • 2. 
    Artikel 132 is niet van toepassing op de in de artikelen 127, 128 en 129 bedoelde
  • 3. 
    Bij feitelijke of verwachte vererving worden de in artikel 126 bedoelde afzonderlijke

betaling voor suiker, de in artikel 127 bedoelde afzonderlijke betaling voor groenten en

fruit en de in artikel 129 bedoelde afzonderlijke betaling voor zacht fruit toegekend aan de

landbouwer die het bedrijf heeft geërfd, mits deze landbouwer in aanmerking komt voor de

regeling inzake een enkele areaalbetaling.

Artikel 131

Specifieke steun

  • 1. 
    De nieuwe lidstaten die de regeling inzake de enkele areaalbetaling toepassen, kunnen

uiterlijk op 1 augustus van 2009, 2010 of 2011 besluiten om met ingang van het jaar na die

beslissing tot 10% van hun in artikel 40 bedoelde nationale maxima te gebruiken om de in

artikel 68, lid 1, bedoelde steun aan landbouwers toe te kennen overeenkomstig titel III,

hoofdstuk 5, naar gelang van het geval.

  • 2. 
    In afwijking van artikel 68, lid 4, punt c), wordt de in artikel 68, lid 1, punt c), bedoelde

steun toegekend in de vorm van een verhoging van de in het kader van de regeling inzake

een enkele areaalbetaling toegekende bedragen per hectare.

Artikel 68, lid 3, tweede alinea, geldt niet voor de nieuwe lidstaten die de regeling inzake

de enkele areaalbetaling toepassen.

  • 3. 
    In afwijking van artikel 69, lid 6, zorgen de nieuwe lidstaten die de in artikel 122 bedoelde

regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen, voor de middelen die nodig zijn ter

financiering van de steun bedoeld in lid 1 van dit artikel door:

  • a) 
    het jaarlijkse totaalbedrag bedoeld in artikel 123 te verlagen en/of
  • b) 
    een lineaire verlaging toe te passen op de rechtstreekse betalingen, met uitzondering

van de regeling inzake een enkele areaalbetaling.

  • 4. 
    De in lid 1 bedoelde bedragen worden door de Commissie vastgesteld volgens de in

artikel 141, lid 2, bedoelde procedure.

De bedragen worden afgetrokken van de in artikel 123, lid 1, bedoelde jaarlijkse totaal-

bedragen van de betrokken nieuwe lidstaten.

HOOFDSTUK 4

AANVULLENDE NATIONALE RECHTSTREEKSE BETALINGEN

EN RECHTSTREEKSE BETALINGEN

Artikel 132

Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen

en rechtstreekse betalingen

  • 2. 
    Onder voorbehoud van toestemming van de Commissie kunnen de nieuwe lidstaten

eventuele rechtstreekse betalingen aanvullen:

  • a) 
    tot 30 procentpunten boven het in artikel 121 bedoelde voor het betrokken jaar

geldende niveau. Voor Bulgarije en Roemenië geldt het volgende:65% van het

niveau van de rechtstreekse betalingen in de Gemeenschap in haar samenstelling op

30 april 2004 in 2009, en vanaf 2010 tot 50 procentpunten boven het in artikel 121

bedoelde voor het betrokken jaar geldende niveau. Tsjechië kan de rechtstreekse

betalingen in de sector aardappelzetmeel echter aanvullen tot 100% van het niveau

dat geldt in andere dan de nieuwe lidstaten. De in titel IV, hoofdstuk 7, van

Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde rechtstreekse betalingen kunnen door de

nieuwe lidstaten evenwel tot 100% worden aangevuld. Voor Bulgarije en Roemenië

zijn de volgende maximumpercentages van toepassing: 95% in 2009 en 100% met

ingang van 2010;

of

  • b) 
    i) wat de andere rechtstreekse betalingen dan de bedrijfstoeslag betreft, tot het

totale niveau van de rechtstreekse steun waarop de landbouwer in de nieuwe

lidstaat in het kalenderjaar 2003 per product op grond van een met GLB-steun

vergelijkbare nationale regeling recht zou hebben, verhoogd met 10

procentpunten. Voor Litouwen is het referentiejaar evenwel het kalenderjaar

2002.Voor Bulgarije en Roemenië is het referentiejaar het kalenderjaar 2006.

  • ii) 
    wat de bedrijfstoeslagregeling betreft, wordt het totale bedrag van de

aanvullende nationale rechtstreekse steun die een nieuwe lidstaat voor een

bepaald jaar toekent, beperkt door een specifiek totaalbedrag. Dit totaalbedrag

is gelijk aan het verschil tussen:

  • het totale bedrag aan met GLB-steun vergelijkbare nationale

rechtstreekse steun dat in de betrokken nieuwe lidstaat beschikbaar zou

zijn voor het kalenderjaar 2003 of, in het geval van Litouwen, het

kalenderjaar 2002, telkens verhoogd met 10 procentpunten. Voor

Bulgarije en Roemenië is het referentiejaar evenwel het kalenderjaar

2006. Voor Slovenië geldt een verhoging van 25 procentpunten, en

  • het in bijlage VIII opgenomen nationale maximum voor deze nieuwe

lidstaat, zo nodig aangepast overeenkomstig artikel 51, lid 2.

Bij de berekening van het in het eerste streepje bedoelde totale bedrag worden

meegerekend de nationale rechtstreekse betalingen of aandelen daarvan die

overeenkomen met de communautaire rechtstreekse betalingen of aandelen

daarvan die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het

feitelijke maximum voor de betrokken nieuwe lidstaat overeenkomstig artikel

40 en artikel 51, lid 2.

Voor elke betrokken rechtstreekse betaling kan een nieuwe lidstaat kiezen voor de

toepassing van punt a) of punt b) van de eerste alinea.

Vanaf 2012 is de totale rechtstreekse steun die na de toetreding in de nieuwe lidstaat aan

een landbouwer kan worden toegekend uit hoofde van de betrokken rechtstreekse betaling

met inbegrip van alle aanvullende nationale rechtstreekse betalingen, niet hoger dan het

niveau van de rechtstreekse steun waarop die landbouwer recht zou hebben uit hoofde van

de overeenkomstige rechtstreekse betaling die op dat moment geldt voor andere dan de

nieuwe lidstaten, rekening houdend met de toepassing van artikel 7, lid 1, juncto artikel 10.

  • 3. 
    Cyprus kan de rechtstreekse steun die aan een landbouwer wordt betaald uit hoofde van

rechtstreekse betalingen in het kader van een in bijlage I opgenomen steunregelingen,

aanvullen tot het totale niveau van de steun waarop de landbouwer in 2001 in Cyprus recht

zou hebben gehad.

De autoriteiten van Cyprus zorgen ervoor dat de totale rechtstreekse steun die na de

toetreding in Cyprus uit hoofde van de betrokken rechtstreekse betaling met inbegrip van

alle aanvullende nationale rechtstreekse betalingen aan een landbouwer wordt toegekend,

in geen geval hoger is dan de rechtstreekse steun waarop die landbouwer recht zou hebben

uit hoofde van de overeenkomstige rechtstreekse betaling in het betrokken jaar in andere

dan de nieuwe lidstaten.

De totale bedragen van de aanvullende nationale steun die kan worden verleend, zijn

  • 4. 
    Indien een nieuwe lidstaat besluit de regeling inzake een enkele areaalbetaling toe te

passen, kan die nieuwe lidstaat onder de in de leden 5 en 8 bepaalde voorwaarden

aanvullende nationale rechtstreekse steun verlenen.

  • 5. 
    Het totale bedrag aan aanvullende nationale steun dat bij toepassing van de regeling inzake

een enkele areaalbetaling in een bepaald jaar wordt toegekend, kan worden beperkt aan de

hand van een specifiek totaalbedrag per (sub)sector, op voorwaarde dat dat

(sub)sectorspecifieke totaalbedrag slechts betrekking kan hebben op:

  • a) 
    de met de bedrijfstoeslagregeling gecombineerde rechtstreekse betalingen en/of
  • b) 
    voor 2009 een of meer van de rechtstreekse betalingen die overeenkomstig artikel 70,

lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de bedrijfstoeslagregeling worden of

kunnen worden uitgesloten of waarvoor een gedeeltelijke uitvoering als bedoeld in

artikel 64, lid 2, van die verordening mogelijk is.

  • c) 
    vanaf 2010, een of meer van de rechtstreekse betalingen waarop de in artikel 51,

lid 2, en artikel 68 van die verordening bedoelde gedeeltelijke uitvoering of

specifieke steun kan worden toegepast.

Dit totaalbedrag is gelijk aan het verschil tussen:

  • a) 
    het totale bedrag van de steun per (sub)sector dat voortvloeit uit de toepassing van lid

2, tweede alinea, punt a) of punt b), naar gelang van het geval, en

  • 6. 
    De nieuwe lidstaat kan op basis van objectieve criteria na toestemming van de Commissie

beslissen welke bedragen aan aanvullende nationale steun kunnen worden verleend.

  • 7. 
    De toestemming van de Commissie:
  • a) 
    vermeldt de betrokken met GLB-steun vergelijkbare nationale regelingen inzake

rechtstreekse betalingen in geval van toepassing van lid 2, eerste alinea, onder b),

  • b) 
    bepaalt tot welk niveau de aanvullende nationale steun kan worden betaald, hoe hoog

de aanvullende nationale steun is en, in voorkomend geval, welke voorwaarden voor

de toekenning van die steun gelden,

  • c) 
    wordt verleend onder voorbehoud van welke aanpassingen ook die eventueel nodig

zijn als gevolg van ontwikkelingen in het GLB.

  • 8. 
    De toekenning van aanvullende nationale betalingen of steun is niet mogelijk voor

landbouwactiviteiten waarvoor in andere dan de nieuwe lidstaten niet in rechtstreekse

betalingen is voorzien.

Artikel 133

Staatssteun op Cyprus

Cyprus kan naast de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen als overgangsmaatregel

degressieve nationale steun toekennen tot eind 2012. Deze staatssteun wordt in een soortgelijke

Rekening houdend met de aard en het bedrag van de in 2001 toegekende nationale steun, kan

Cyprus aan de in bijlage XVII genoemde (sub)sectoren staatssteun toekennen tot de in die bijlage

vermelde bedragen.

De staatssteun wordt toegekend onder voorbehoud van alle aanpassingen die eventueel nodig zijn

als gevolg van ontwikkelingen in het GLB. Indien dergelijke aanpassingen noodzakelijk blijken,

wordt het bedrag van de steun of worden de voorwaarden voor de toekenning daarvan gewijzigd op

grond van een besluit van de Commissie.

Cyprus legt de Commissie jaarlijks een verslag voor over de uitvoering van de maatregelen inzake

staatssteun, waarin de steunvormen en -bedragen per (sub)sector worden vermeld.

TITEL VI

FINANCIËLE OVERDRACHTEN

Artikel 134

Financiële overdracht voor herstructurering in de katoenproducerende regio's

Per kalenderjaar wordt in het kader van uit het ELFPO gefinancierde plattelandsontwikkelings-

programma's een bedrag van 22 000 000 euro ter beschikking gesteld als aanvullende

communautaire steun voor maatregelen in katoenproducerende regio's.

Artikel 135

Financiële overdracht voor herstructurering in de tabakproducerende regio's

Met ingang van het begrotingsjaar 2011 wordt, in het kader van uit het ELFPO gefinancierde

plattelandsontwikkelingsprogramma's, voor lidstaten waar de tabaksproducenten in 2000, 2001

en 2002 steun ontvingen op grond van Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad van

30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak1, een

bedrag van 484 000 000 euro ter beschikking gesteld als aanvullende communautaire steun voor

maatregelen in tabakproducerende regio's.

Artikel 136

Overdracht aan het ELFPO

De lidstaten kunnen uiterlijk 1 augustus 2009 beslissen om vanaf het begrotingsjaar 2011 een

conform artikel 69, lid 7, te berekenen bedrag ter beschikking te stellen voor communautaire steun

in het kader van programma's en financiering voor plattelandsontwikkeling op grond van het

ELFPO in plaats van een beroep te doen op artikel 69, lid 6, onder a).

TITEL VII

UITVOERINGS-, OVERGANGS-

EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

UITVOERINGSBEPALINGEN

Artikel 137

Bevestiging van toeslagrechten

  • 1. 
    Toeslagrechten die vóór 1 januari 2009 aan landbouwers worden toegewezen, worden met

ingang van 1 januari 2010 als wettelijk en conform beschouwd.

  • 2. 
    Lid 1 is niet van toepassing op toeslagrechten die op basis van feitelijk onjuiste aanvragen

aan landbouwers zijn toegewezen, tenzij de landbouwer de fout niet redelijkerwijs had

kunnen ontdekken.

  • 3. 
    Het bepaalde in lid 1 doet niet af aan de bevoegdheid van de Commissie om in artikel 31

van Verordening (EG) nr. 1290/2005 bedoelde beslissingen te nemen met betrekking tot

uitgaven die zijn gedaan voor betalingen betreffende een kalenderjaar tot en met 2009.

Artikel 138

Toepassing op de ultraperifere gebieden

De titels III en IV zijn niet van toepassing op de Franse overzeese departementen, de Azoren en

Madeira en de Canarische Eilanden.

Artikel 139

Staatssteun

In afwijking van artikel 180 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en van artikel 3 van Verordening

(EG) nr. 1184/2006 van de Raad van 24 juli 2006 inzake de toepassing van bepaalde regels

betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten1, zijn de

artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag niet van toepassing op betalingen die de lidstaten in het

kader van de artikelen 41, 57, 64, 68, 69, 70, 71, 82, lid 2, 86, 98, lid 4, 111, lid 5, 120, 129, lid 3,

131, 132 en 133 van de onderhavige verordening verrichten overeenkomstig de onderhavige

verordening.

Artikel 140

Verstrekken van informatie aan de Commissie

De lidstaten verstrekken de Commissie uitvoerige informatie over de ter uitvoering van de

onderhavige verordening genomen maatregelen, en met name over de maatregelen betreffende de

Artikel 141

Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door een Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen.
  • 2. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van

toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een

maand.

Artikel 142

Uitvoeringsbepalingen

Volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure worden uitvoeringsbepalingen voor de

onderhavige verordening vastgesteld. Het betreft met name:

  • a) 
    uitvoeringsbepalingen inzake de vaststelling van een bedrijfsadviseringssysteem;
  • b) 
    uitvoeringsbepalingen betreffende de criteria voor de toewijzing van de door de toepassing

van de modulatie beschikbaar komende bedragen;

  • c) 
    uitvoeringsbepalingen betreffende het verlenen van de steunbedragen waarin de

onderhavige verordening voorziet, met inbegrip van de voorwaarden voor subsidiabiliteit,

  • d) 
    uitvoeringsbepalingen betreffende de bedrijfstoeslagregeling, met name de vorming van de

nationale reserve, de overdracht van toeslagrechten, de definitie van blijvende gewassen,

blijvend grasland en grasland, de in titel III, hoofdstukken 2 en 3, vastgestelde opties en de

integratie van de in titel III, hoofdstuk 4, bedoelde gekoppelde betalingen;

  • e) 
    uitvoeringsbepalingen voor titel V;
  • f) 
    uitvoeringsbepalingen betreffende de integratie van steun voor groenten en fruit,

consumptieaardappelen en kwekerijproducten in de bedrijfstoeslagregeling, met inbegrip

van de aanvraagprocedure in het eerste uitvoeringsjaar, en betreffende de in titel IV,

hoofdstuk 1, afdelingen 8 en 9, bedoelde betalingen;

  • g) 
    uitvoeringsbepalingen betreffende de integratie van steun voor de wijnsector in de

bedrijfstoeslagregeling, met inbegrip van de aanvraagprocedure in het eerste

uitvoeringsjaar, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 479/2008;

  • h) 
    met betrekking tot hennep, uitvoeringsbepalingen betreffende specifieke

controlemaatregelen en methoden voor het bepalen van de gehalten aan

tetrahydrocannabinol;

  • i) 
    de wijzigingen van bijlage I die noodzakelijk kunnen worden in het licht van de criteria

van artikel 1;

  • j) 
    wijzigingen van de bijlagen V en IX die noodzakelijk kunnen worden in het licht van met
  • l) 
    de wijzigingen die in de steunaanvraag kunnen worden aangebracht, en vrijstelling van de

verplichting om een steunaanvraag in te dienen;

  • m) 
    regels inzake de minimale informatie die in de steunaanvragen moet worden opgenomen;
  • n) 
    regels inzake de administratieve controles, inspecties ter plaatse en de inspectie door

middel van teledetectie;

  • o) 
    regels inzake de toepassing van de verlagingen en uitsluitingen van betalingen in geval van

niet-nakoming van de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 4 en 22, met inbegrip van

de gevallen waarin geen verlagingen en uitsluitingen worden toegepast;

  • p) 
    wijzigingen van bijlage VI die noodzakelijk kunnen worden in het licht van de criteria van

artikel 26;

  • q) 
    de communicatie tussen de lidstaten en de Commissie;
  • r) 
    maatregelen die nodig en naar behoren gerechtvaardigd zijn om in een noodsituatie

praktische en specifieke problemen op te lossen, in het bijzonder met betrekking tot de

uitvoering van titel II, hoofdstuk 4, en titel III, hoofdstukken 2 en 3; deze maatregelen

kunnen afwijken van sommige delen van de onderhavige verordening, maar slechts zolang

en voor zover dat absoluut noodzakelijk is;

  • s) 
    met betrekking tot katoen, uitvoeringsbepalingen inzake:

HOOFDSTUK 2

OVERGANGS - EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 143

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1290/2005

Verordening (EG) nr. 1290/2005 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    artikel 12, lid 2, wordt vervangen door:

"2. De Commissie stelt de bedragen vast die overeenkomstig artikel 9, artikel 10, lid 4,

artikel 134, artikel 135 en artikel 136 van Verordening (EG) nr. .../2009 van ... van

de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen

inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het

gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen

voor landbouwers*+, en overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr.

378/2007 van de Raad van 27 maart 2007 houdende voorschriften voor een

vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen waarin Verordening (EG)

nr. 1782/2003 voorziet** en artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 479/2008 van

de Raad van 29 april 2008 houdende een gemeenschappelijke ordening van de

wijnmarkt*** ter beschikking van het ELFPO worden gesteld.

  • 2. 
    artikel 18, lid 3, wordt vervangen door:

"3. De in artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. .../2009+ bedoelde nationale maxima,

gecorrigeerd aan de hand van de in artikel 11, lid 1, van die verordening bedoelde

aanpassingen, worden beschouwd als financiële maxima in euro."

Artikel 144

Wijziging van Verordening (EG) nr. 247/2006

Verordening (EG) nr. 247/2006 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    artikel 23, lid 2, wordt vervangen door:

"2. De Gemeenschap financiert de maatregelen waarin de titels II en III van de

onderhavige verordening voorzien, tot het volgende jaarlijkse maximum:

miljoen euro

Begrotings-Begrotings-Begrotings-Begrotings-Begroting-

jaar 2007 jaar 2008 jaar 2009 jaar 2010 jaar 2011

en volgende

Franse overzeese 126,6 262,6 269,4 273,0 278,41

departementen

Azoren en Madeira 77,9 86,98 87,08 87,18 106,21

Canarische Eilanden 127,3 268,4 268,4 268,4 268,42

";

  • 2. 
    Het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 24 ter

  • 1. 
    De lidstaten dienen uiterlijk op 1 augustus 2009 bij de Commissie de ontwerp-

wijzigingen van het algemeen programma in waarmee de in artikel 23, lid 2,

doorgevoerde wijzigingen worden weergegeven die zijn doorgevoerd bij

Verordening (EG) nr. .../2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke

voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers

in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van

bepaalde steunregelingen voor landbouwers*+.

  • 2. 
    De Commissie evalueert de ingediende wijzigingen en besluit volgens de in

artikel 26, lid 2, bedoelde procedure uiterlijk vier maanden na de indiening van de

wijzigingsvoorstellen deze al dan niet goed te keuren. De wijzigingen zijn van

toepassing met ingang van 1 januari 2010.

______________

  • PB L ...".

Artikel 145

Wijziging van Verordening (EG) nr. 378/2007

Verordening (EG) nr. 378/2007 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. 
    artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
  • a) 
    lid 3 wordt vervangen door:

"3. De verlagingen in het kader van de vrijwillige modulatie worden op dezelfde

berekeningsgrondslag verricht als die welke geldt voor de modulatie

overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. .../2009 van de Raad van

... tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen

inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het

gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde

steunregelingen voor landbouwers*+.

______________

  • PB L ....."
  • b) 
    het volgende lid wordt toegevoegd:

"5. De modulatiepercentages die op een landbouwer van toepassing zijn als gevolg

van de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. .../2009++,

  • 2. 
    in artikel 3, lid 1, wordt punt a) vervangen door:

"a) in afwijking van artikel 1, lid 3, van de onderhavige verordening, de verlaging in het

kader van de modulatie toepassen op basis van de berekening die voor de modulatie

geldt krachtens artikel7 van Verordening (EG) nr. .../2009+, exclusief de in lid 1 van

dat artikel vastgestelde uitsluiting voor bedragen tot en met 5000 euro; en/of".

Artikel 146

Intrekkingen

  • 1. 
    Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt ingetrokken.

De artikelen 20, lid 2, 64, lid 2, 66, 67, 68, 68 bis, 68 ter, 69, 70, lid 1, onder b) en lid 2, en

titel IV, hoofdstukken 1 (durumtarwe), 5 (energiegewassen), 7 (melkpremie), 10

(areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen), 10 ter (steun voor olijfgaarden),

10 quater (steun voor de productie van tabak), en 10 quinquies (areaalsteun voor hop) van

die verordening blijven evenwel van toepassing in 2009.

  • 2. 
    De verwijzingen in deze verordening naar verordening (EG) nr. 1782/2003 worden gelezen

als verwijzingen naar die Verordening zoals die gold tot de intrekking ervan.

Verwijzingen in andere besluiten naar Verordening (EG) nr. 1782/2003 worden gelezen als

verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de

concordantietabel in bijlage XVIII.

Artikel 147

Overgangsbepalingen

De Commissie kan volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure de maatregelen vaststellen

die nodig zijn om de overgang van de in Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde regelingen

naar de in de onderhavige verordening vastgestelde regelingen te vergemakkelijken.

Artikel 148

Overgangsbepalingen voor de nieuwe lidstaten

Indien voor de nieuwe lidstaten overgangsmaatregelen nodig zijn ter vergemakkelijking van de

overgang van de regeling inzake een enkele areaalbetaling naar de bedrijfstoeslagregeling en andere

steunregelingen als bedoeld in de titels III en IV, worden die maatregelen vastgesteld volgens de in

artikel 141, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 149

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het

Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2009.

Maar:

  • a) 
    artikel 138 is van toepassing met ingang van 1 januari 2010,
  • b) 
    de normen inzake vaststelling en/of behoud van habitats, naleving van

vergunningsprocedures voor het gebruik van water voor bevloeiingsdoeleinden en de

beschrijving van landschapselementen, als bepaald in bijlage III, zijn van toepassing met

ingang van 1 januari 2010,

  • c) 
    de norm voor het aanleggen van bufferstroken langs waterlopen, bepaald in bijlage III, is

van toepassing op zijn vroegst vanaf 1 januari 2010 en uiterlijk vanaf 1 januari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

BIJLAGE I

Lijst van steunregelingen

Sector Rechtsgrondslag Noten

Bedrijfstoeslag Titel III van de onderhavige Ontkoppelde betaling

verordening

Regeling inzake een Titel V, hoofdstuk 2, van Ontkoppelde betaling ter vervanging

enkele areaalbetaling deze verordening van alle in deze bijlage opgenomen

rechtstreekse betalingen, behalve

afzonderlijke betalingen

Durumtarwe Titel IV, hoofdstuk 1, van Areaalbetaling

Verordening (EG)

nr. 1782/2003*

Eiwithoudende Titel IV, hoofdstuk 1, Areaalbetaling

gewassen afdeling 3, van deze

verordening

Rijst Titel IV, hoofdstuk 1, Areaalbetaling

afdeling 1, van deze

verordening

Noten Titel IV, hoofdstuk 1, Areaalbetaling

afdeling 4, van deze

verordening

Akkerbouwgewassen Titel IV, hoofdstuk 10, van Areaalbetaling

Verordening (EG)

nr. 1782/2003*

Schapen- en Titel IV, hoofdstuk 1, Ooien- en geitenpremie

geitenvlees afdeling 10, van deze

verordening

Rundvlees Titel IV, hoofdstuk 1, Speciale premie, zoogkoeienpremie

afdeling 11, van deze (ook bij betaling voor vaarzen en

verordening inclusief de aanvullende nationale

zoogkoeienpremie indien

meegefinancierd) en slachtpremie

Specifieke soorten Artikel 69 van Verordening

landbouw en (EG) nr. 1782/2003*

kwaliteitsproductie

Specifieke steun Titel III, hoofdstuk 5, van

deze verordening

Olijfgaarden Titel IV, hoofdstuk 10 ter, Areaalsteun

van Verordening (EG) nr.

1782/2003*

Zijderupsen Artikel 111 van Verordening Steun ter bevordering van de

(EG) nr. 1234/2007 zijderupsenteelt

Tabak Titel IV, hoofdstuk 10 Productiesteun

Suikerbieten, Artikel 126, van deze Ontkoppelde betalingen

suikerriet en cichorei verordening

voor de productie van

suiker of inulinestroop

Suikerbieten en Titel IV, hoofdstuk 1, Productiesteun

suikerriet voor de afdeling 7, van deze

productie van suiker verordening

Voor verwerking Titel IV, hoofdstuk 1, Overgangsbetalingen voor groenten

geleverde groenten en afdeling 8, van deze en fruit

fruit verordening

Voor verwerking Titel IV, hoofdstuk 1, Overgangsbetaling voor zacht fruit

geleverde aardbeien en afdeling 9, van deze

frambozen verordening

Groenten en fruit Artikel 127 van deze Afzonderlijke betaling voor

verordening groenten en fruit

Posei Titel III van Verordening Rechtstreekse betaling op grond van

(EG) nr. 247/2006 in de programma's vastgestelde

maatregelen

Eilanden in de Hoofdstuk III van Rechtstreekse betaling op grond van

Egeïsche Zee Verordening (EG) nr. in de programma's vastgestelde

1405/2006 maatregelen

Katoen Titel IV, hoofdstuk 1, Areaalbetaling

BIJLAGE II

Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen als bedoeld in de artikelen 4 en 5

Punt A.

Milieu

  • 1. 
    Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het Artikel 3, lid 1, artikel 3,

behoud van de vogelstand (PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1) lid 2, punt b), artikel 4,

lid 1, artikel 4, lid 2,

artikel 4, lid 4, artikel 5,

punten a), b) en d)

  • 2. 
    Richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 Artikelen 4 en 5

betreffende de bescherming van het grondwater tegen

verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde

gevaarlijke stoffen (PB L 20 van 26.1.1980, blz. 43)

  • 3. 
    Richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 Artikel 3

betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de

bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PB

L 181 van 4.7.1986, blz. 6)

  • 4. 
    Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 Artikelen 4 en 5

inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door

nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991,

blz. 1)

Volksgezondheid en diergezondheid

Identificatie en registratie van dieren

  • 6. 
    Richtlijn 2008/71/EG van de Raad van 15 juli 2008 met Artikelen 3, 4 en 5

betrekking tot de identificatie en de registratie van varkens (PB

L 213 van 8.8.2005, blz. 31)

  • 7. 
    Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement Artikelen 4 en 7

en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een

identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake

etikettering van rundvlees en rundvleesproducten (PB L 204

van 11.8.2000, blz. 1)

  • 8. 
    Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december Artikelen 3, 4 en 5

2003 tot vaststelling van een identificatie- en

registratieregeling voor schapen en geiten (PB L 5 van

9.1.2004, blz. 8)

Punt B.

Volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten

  • 9. 
    Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 Artikel 3

betreffende het op de markt brengen van

gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1)

  • 10. 
    Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende Artikel 3, onder a), b), d)

het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde en e), artikelen 4, 5 en 7

stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met

  • 11. 
    Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en Artikelen 14, 15, 17,

de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene lid 11, 18, 19 en 20

beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving,

tot oprichting van een Europese Autoriteit voor

voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor

voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002,

blz. 1)

  • 12. 
    Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en Artikelen 7, 11, 12, 13 en

de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van 15

voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van

bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L

147 van 31.5.2001, blz. 1)

Kennisgeving van ziekten

  • 13. 
    Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van 18 november 1985 tot Artikel 3

vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter

bestrijding van mond- en klauwzeer (PB L 315 van

26.11.1985, blz. 11)

  • 14. 
    Richtlijn 92/119/EEG van 17 december 1992 van de Raad tot Artikel 3

vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de

bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke

maatregelen ten aanzien van de vesiculaire varkensziekte (PB

L 62 van 15.3.1993, blz. 69)

Punt C.

Dierenwelzijn

  • 16. 
    Richtlijn 91/629/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot Artikelen 4 en 5

vaststelling van minimumnormen ter bescherming van

kalveren (PB L 340 van 11.12.1991, blz. 28)

  • 17. 
    Richtlijn 91/630/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot Artikel 3 en artikel 4,

vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens lid 1

(PB L 340 van 11.12.1991, blz. 33)

  • 18. 
    Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 tot Artikel 4

vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van

voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van

8.8.1998, blz. 23)

1 Zoals uitgevoerd bij met name:

Verordening (EEG) nr. 2377/90: artikelen 2, 4 en 5

Verordening (EG) nr. 852/2004: artikel 4, lid 1, en bijlage I, deel A (II 4 (g, h, j), 5 (f, h),

6; III 8 (a, b, d, e), 9 (a, c))

Verordening (EG) nr. 853/2004: artikel 3, lid 1, en bijlage III, deel IX, hoofdstuk 1 (I-1 b,

c, d, e; I-2 a (i, ii, iii), b (i, ii), c; I-3; I-4; I-5; II-A 1, 2, 3, 4; II-B 1(a, d), 2, 4 (a, b)),

bijlage III, deel X, hoofdstuk 1, punt 1)

Verordening (EG) nr. 183/2005: artikel 5, lid 1, en bijlage I, deel A, (I-4 e, g; II-2 a, b, e),

artikel 5, lid 5, en bijlage III (1, 2), artikel 5, lid 6

BIJLAGE III

Goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in artikel 6

Aangelegenheid Bindende normen Facultatieve normen

Bodemerosie: Minimale bodembedekking Instandhouding van terrassen

De bodem beschermen door middel van passende Minimaal landbeheer op basis van de specifieke

maatregelen omstandigheden ter plaatse

Organische stof in de bodem: Stoppelbeheer op bouwland Normen voor vruchtwisseling

Het gehalte organische stof in de bodem handhaven

door passende praktijken

Bodemstructuur: Passend machinegebruik

De bodemstructuur in stand houden door passende

maatregelen

Aangelegenheid Bindende normen Facultatieve normen

Minimaal onderhoud: Instandhouding van landschapselementen, inclusief, Een minimale veebezetting en/of een passend regime

Zorgen voor een minimaal onderhoud en in voorkomend geval, heggen, vijvers, greppels,

achteruitgang van habitats voorkomen bomenrijen, bomengroepen of geïsoleerde bomen,

en akkerranden

Vaststelling en/of behoud van habitats

Het voorkomen van verstruiking van de Instelling van een rooiverbod voor olijfbomen

landbouwgrond door ongewenste vegetatie

Bescherming van blijvend grasland Het in een goede groeitoestand houden van olijfgaarden

en wijngaarden

Het aanleggen van bufferstroken langs waterlopen1

Waterbescherming en waterbeheer:

Bescherming van water tegen vervuiling en

afspoeling, en beheer van het watergebruik Naleving van vergunningsprocedures wanneer voor

het gebruik van water voor bevloeiingsdoeleinden

een vergunning nodig is

1 Noot: De GLMC-bufferstroken moeten zowel binnen als buiten voor verontreiniging kwetsbare zones aangewezen overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Richtlijn 91/676/EEG ten minste voldoen aan de eisen in verband met de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen in de nabijheid van waterlopen, genoemd in punt A4 van bijlage II bij Richtlijn 91/676/EEG. Die eisen moeten worden toegepast overeenkomstig de actieprogramma's van de lidstaten die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 4, van Richtlijn 91/676/EEG.

BIJLAGE IV

miljoen euro

Kalenderjaar 2009 2010 2011 2012

België 583,2 575,4 570,8 569,0

Tsjechië 825,9

Denemarken 987,4 977,3 968,9 964,3

Duitsland 5 524,8 5 445,2 5 399,7 5 372,2

Estland 92,0

Ierland 1 283,1 1 272,4 1 263,8 1 255,5

Griekenland 2 561,4 2 365,1 2 358,9 2 343,8

Spanje 5 018,3 5 015,5 4 998,3 5 010,3

Frankrijk 8 064,4 7 943,7 7 876,2 7 846,8

Italië 4 345,9 4 147,9 4 121,0 4 117,9

Cyprus 49,1

Letland 133,9

Litouwen 346,7

Luxemburg 35,6 35,2 35,1 34,7

Hongarije 1 204,5

Malta 5,1

Nederland 836,9 829,1 822,5 830,6

Oostenrijk 727,6 722,4 718,8 715,5

BIJLAGE V

Lijst van in artikel 9, lid 3, bedoelde granen

GN-code Omschrijving

Granen

1001 10 00 Durumtarwe

1001 90 Tarwe en mengkoren andere dan durumtarwe

1002 00 00 Rogge

1003 00 Gerst

1004 00 00 Haver

1005 Maïs

1007 00 Graansorgho

1008 Boekweit, gierst en kanariezaad; andere granen

0709 90 60 Suikermaïs

BIJLAGE VI

Compatibele steunregelingen als bedoeld in artikel 26

Sector Rechtsgrondslag

Probleemgebieden en gebieden met Artikel 13, onder a), artikel 14, lid 1 en lid 2, eerste

specifieke beperkingen op milieugebied en tweede streepje, artikel 15, de artikelen 17 tot en

met 20, artikel 51, lid 3, en artikel 55, lid 4, van

Verordening (EG) nr. 1257/1999

Maatregelen om een duurzaam gebruik

van landbouwgrond te bevorderen

door:

betalingen inzake natuurlijke Artikel 36, onder a) i), van Verordening (EG)

handicaps aan landbouwers in nr. 1698/2005

berggebieden,

betalingen aan landbouwers in Artikel 36, onder a) ii), van Verordening (EG)

andere gebieden met handicaps nr. 1698/2005

dan berggebieden

Natura 2000-betalingen en Artikel 36, onder a) iii), van Verordening (EG)

betalingen in verband met nr. 1698/2005

Richtlijn 2000/60/EG

agromilieubetalingen Artikel 36, onder a) iv), van Verordening (EG)

nr. 1698/2005

Maatregelen om een duurzaam gebruik

van bosgrond te bevorderen door:

eerste bebossing van Artikel 36, onder b) i), van Verordening (EG) nr.

landbouwgrond, 1698/2005

Natura 2000-betalingen Artikel 36, onder b) iv), van Verordening (EG) nr.

1698/2005

bosmilieubetalingen Artikel 36, onder b) v), van Verordening (EG) nr.

1698/2005

Wijn Artikel 117 van Verordening (EG) nr. 479/2008

BIJLAGE VII

Krachtens artikel 28, lid 1, toe te passen coëfficiënten

Limiet voor de euro-Limiet voor de

Lidstaat drempel hectare-drempel

(artikel 28, lid 1, (artikel 28, lid 1,

punt a)) punt b))

België 400 2

Bulgarije 200 0,5

Tsjechië 200 5

Denemarken 300 5

Duitsland 300 4

Estland 100 3

Ierland 200 3

Griekenland 400 0,4

Spanje 300 2

Frankrijk 300 4

Italië 400 0,5

Cyprus 300 0,3

Letland 100 1

Litouwen 100 1

Luxemburg 300 4

Hongarije 200 0,3

Malta 500 0,1

BIJLAGE VIII

Nationale maxima bedoeld in artikel 40

Tabel 1

(EUR 1000)

2016 en

Lidstaat 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015

volgende jaren

België 614179 611805 611805 614855 614855 614855 614855 614855

Denemarken 1030478 1030478 1030478 1049002 1049002 1049002 1049002 1049002

Duitsland 5770254 5771977 5771977 5852908 5852908 5852908 5852908 5852908

Griekenland 2380713 2211683 2214683 2232533 2216533 2216533 2216533 2216533

Spanje 4858043 5091044 5108650 5282193 5139444 5139444 5139444 5139444

Frankrijk 8407555 8420822 8420822 8521236 8521236 8521236 8521236 8521236

Ierland 1342268 1340521 1340521 1340869 1340869 1340869 1340869 1340869

Italië 4143175 4207177 4227177 4370024 4370024 4370024 4370024 4370024

Luxemburg 37518 37536 37646 37671 37084 37084 37084 37084

Nederland 853090 853090 853090 897751 897751 897751 897751 897751

Oostenrijk 745561 745235 745235 751606 751606 751606 751606 751606

Portugal 608751 589499 589499 605962 605962 605962 605962 605962

Finland 566801 565520 565520 570548 570548 570548 570548 570548

Zweden 763082 763082 763082 770906 770906 770906 770906 770906

Verenigd Koninkrijk 3985895 3975916 3975973 3988042 3987922 3987922 3987922 3987922

Tabel 2 *

Bulgarije 287399 336041 416372 499327 580087 660848 741606 814295

Tsjechië 559622 654241 739941 832144 909313 909313 909313 909313

Estland 60500 71603 81703 92042 101165 101165 101165 101165

Cyprus 31670 38928 43749 49146 53499 53499 53499 53499

Letland 90016 105368 119268 133978 146479 146479 146479 146479

Litouwen 230560 271029 307729 346958 380109 380109 380109 380109

Hongarije 807366 947114 1073824 1205037 1318975 1318975 1318975 1318975

Malta 3752 4231 4726 5137 5102 5102 5102 5102

Polen 1877107 2192294 2477294 2788247 3044518 3044518 3044518 3044518

Roemenië 623399 729863 907473 1086608 1264472 1442335 1620201 1780406

Slovenië 87942 103389 117406 131537 144236 144236 144236 144236

Slowakije 240014 280364 316964 355242 388176 388176 388176 388176

  • De maxima zijn berekend met inachtneming van de in artikel 121 vastgestelde toenameregeling.

BIJLAGE IX

Toeslagrechten als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder b), iii)

A. Groenten en fruit, consumptieaardappelen en kwekerijproducten

  • 1. 
    Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder "groenten en fruit" verstaan, de in artikel

1, lid 1, onder i) en j), van Verordening (EG) nr.1234/2007 vermelde producten, en onder

"consumptieaardappelen" aardappelen van GN-code 0701 die niet bestemd zijn voor het

maken van aardappelzetmeel waarvoor krachtens artikel 77 steun wordt verleend.

Landbouwers ontvangen een toeslagrecht per hectare dat wordt berekend door het in punt 2

bedoelde referentiebedrag te delen door het overeenkomstig punt 3 berekende aantal

hectaren.

  • 2. 
    De lidstaten stellen het in het referentiebedrag van elke landbouwer op te nemen bedrag

vast op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals:

  • a) 
    het bedrag van de marktsteun die de landbouwer direct of indirect heeft gekregen

voor groenten en fruit, consumptieaardappelen en kwekerijproducten,

  • b) 
    de voor de teelt van groenten en fruit, consumptieaardappelen en kwekerijproducten

gebruikte oppervlakte,

  • c) 
    de hoeveelheid geproduceerde groenten en fruit, consumptieaardappelen en

kwekerijproducten,

voor een representatieve periode, die per product kan verschillen, van één of meer

verkoopseizoenen vanaf het verkoopseizoen dat eindigt in 2001 en, voor de nieuwe

lidstaten, vanaf het verkoopseizoen dat eindigt in 2004, tot het verkoopseizoen dat eindigt

in 2007.

Afhankelijk van het product kunnen verschillende criteria worden gehanteerd, indien dit

naar behoren op een objectieve basis wordt gemotiveerd. Op dezelfde basis kunnen

lidstaten besluiten de in het referentiebedrag op te nemen bedragen en de in aanmerking

komende hectaren uit hoofde van dit punt pas na een op 31 december 2010 eindigende

overgangsperiode van drie jaar vast te stellen.

  • 3. 
    De lidstaten berekenen de in aanmerking te nemen hectaren op basis van objectieve en

niet-discriminerende criteria zoals de in punt 2, eerste alinea, tweede streepje, bedoelde

oppervlakte.

  • 4. 
    Een landbouwer wiens productie gedurende de in punt 2 bedoelde referentieperiode

nadelig werd beïnvloed door een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden

dat/die zich vóór of gedurende die referentieperiode heeft/hebben voorgedaan, heeft het

recht te verzoeken dat het in punt 2 bedoelde referentiebedrag wordt berekend op basis van

het kalenderjaar of de kalenderjaren in de referentieperiode dat/die niet is/zijn beïnvloed

  • 5. 
    Indien de hele referentieperiode door het geval van overmacht of uitzonderlijke

omstandigheden werd beïnvloed, berekent de betrokken lidstaat het referentiebedrag op

basis van het meest recente verkoopseizoen voorafgaand aan de overeenkomstig punt 3

gekozen representatieve periode. In dergelijke gevallen is punt 1 van overeenkomstige

toepassing.

  • 6. 
    Een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de

betrokken landbouwer, samen met relevant bewijsmateriaal ten genoegen van de bevoegde

autoriteit, schriftelijk ter kennis van de autoriteit gebracht binnen een door elke lidstaat

vast te stellen termijn.

B. Wijn (rooien)

Landbouwers die deelnemen aan de rooiregeling van titel V, hoofdstuk 3, van Verordening (EG)

nr. 479/2008, krijgen in het jaar na het rooien toeslagrechten toegewezen gelijk aan het aantal

hectaren waarvoor zij een rooipremie hebben ontvangen.

Het eenheidsbedrag van die toeslagrechten is gelijk aan de regionale gemiddelde van de bedragen

van de toeslagrechten van de betrokken regio. Het eenheidsbedrag mag echter in geen geval hoger

zijn dan 350 euro/ha.

In afwijking van de eerste alinea wordt, indien de hectaren waarvoor een landbouwer een

rooipremie heeft ontvangen, reeds in aanmerking waren genomen voor de toewijzing van

toeslagrechten, het bedrag van de toeslagrechten waarover de betrokken landbouwer beschikte,

C. Wijn (overheveling uit steunprogramma's)

Lidstaten die besluiten steun te verlenen in overeenstemming met artikel 9 van Verordening (EG)

nr. 479/2008, stellen het referentiebedrag voor elke landbouwer en de in aanmerking te nemen

hectaren vast:

  • a) 
    op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria;
  • b) 
    met betrekking tot een representatieve referentieperiode van een of meer wijnoogstjaren

vanaf het wijnoogstjaar 2005/2006. De referentiecriteria die gebruikt worden om het

referentiebedrag en de in aanmerking te nemen hectaren vast te stellen worden evenwel

niet gebaseerd op een referentieperiode die ook latere wijnoogstjaren dan het wijnoogstjaar

2007/2008 omvat wanneer de overheveling in steunprogramma's een vergoeding omvat

aan landbouwers die voorheen steun hebben ontvangen voor distillatie tot drinkalcohol of

die de economische begunstigden zijn geweest van de steun voor het gebruik van

geconcentreerde druivenmost voor het verrijken van wijn in het kader van Verordening

(EG) nr. 479/2008;

  • c) 
    waarbij het totale voor deze maatregel beschikbare bedrag bedoeld in artikel 6, onder e),

van Verordening (EG) nr. 479/2008 niet wordt overschreden.

Landbouwers ontvangen een toeslagrecht per hectare dat wordt berekend door het bedoelde

referentiebedrag te delen door het aantal in aanmerking te nemen hectaren.

BIJLAGE X

Aandelen van de nationale maxima bedoeld in artikel 54

  • 1. 
    Het in artikel 54, lid 1, bedoelde aandeel in de nationale maxima dat bestemd is voor

tomaten, is als volgt:

Bedrag

Lidstaat (miljoen euro per

kalenderjaar)

Bulgarije 5,394

Tsjechië 0,414

Griekenland 35,733

Spanje 56,233

Frankrijk 8,033

Italië 183,967

Cyprus 0,274

Malta 0,932

Hongarije 4,512

Roemenië 1,738

Polen 6,715

Portugal 33,333

Slowakije 1,018

  • 2. 
    Het in artikel 54, lid 2, bedoelde aandeel in de nationale maxima dat bestemd is voor

andere groente- en fruitgewassen dan eenjarige, is als volgt:

Lidstaat Bedrag

(miljoen euro per kalenderjaar)

Bulgarije 0,851

Tsjechië 0,063

Griekenland 153,833

Spanje 110,633

Frankrijk 44,033

Italië 131,700

Cyprus in 2009: 4,856

in 2010: 4,919

in 2011: 4,982

in 2012: 5,045

Hongarije 0,244

Roemenië 0,025

Portugal 2,900

Slowakije 0,007

BIJLAGE XI

Integratie van gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling als bedoeld in artikel 63

1.

  • a) 
    Met ingang van 2010, de in titel IV, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003

bedoelde specifieke kwaliteitspremie voor durumtarwe;

  • b) 
    uiterlijk met ingang van 2012, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 3, van deze verordening

bedoelde premie voor eiwithoudende gewassen;

  • c) 
    uiterlijk met ingang van 2012, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 1, van deze verordening

bedoelde gewasspecifieke betaling voor rijst;

  • d) 
    uiterlijk met ingang van 2012, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 4, van deze verordening

bedoelde areaalbetaling voor noten;

  • e) 
    uiterlijk met ingang van 2012, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van deze verordening

bedoelde productiesteun voor zetmeelaardappeltelers;

2.

  • a) 
    met ingang van 2012, de in deel II, titel I, hoofdstuk 4, afdeling I, onderafdeling I, van

Verordening (EG) nr.1234/2007 bedoelde steun voor de verwerking van gedroogde

  • b) 
    met ingang van 2012, de in deel II, titel I, hoofdstuk 4, afdeling I, onderafdeling II, van

Verordening (EG) nr.1234/2007 bedoelde steun voor de verwerking van vezelvlas en

-hennep;

  • c) 
    met ingang van 2012, de in artikel 95 bis van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde

premie voor aardappelzetmeel;

  • d) 
    met ingang van 2012, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 9, van deze verordening

bedoelde overgangsbetaling voor zacht fruit.

3.

Met ingang van 2010, indien de lidstaat is overgegaan tot toekenning van:

  • a) 
    de in titel IV, hoofdstuk 10, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde areaalbetaling

voor akkerbouwgewassen;

  • b) 
    de in titel IV, hoofdstuk 10 ter, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde steun voor

olijfgaarden;

  • c) 
    de in titel IV, hoofdstuk 10 quinquies, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde

areaalsteun voor hop.

Uiterlijk met ingang van 2012, indien de lidstaat is overgegaan tot toekenning van:

  • b) 
    de rundvleesbetalingen, met uitzondering van de in artikel 53 van deze verordening

bedoelde zoogkoeienpremie.

4.

Met ingang van 2010, indien de lidstaat krachtens artikel 51, lid 1, van deze verordening niet langer

de volgende betalingen toekent of besluit deze op een lager niveau toe te kennen:

  • a) 
    de in artikel 67 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde betalingen voor schapen en

geiten;

  • b) 
    de in artikel 68 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 of in artikel 53, lid 2, van deze

verordening bedoelde rundvleesbetalingen, in geval van toepassing van de tweede alinea

van artikel 51, lid 1, van deze verordening;

  • c) 
    de in artikel 68 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde overgangsbetalingen

voor groenten en fruit.

BIJLAGE XII

Integratie van gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling als bedoeld in artikel 64

Gedroogde voedergewassen (Verordening (EG) nr. 1234/2007)

(duizend euro)

2016 en

Lidstaat 2012 2013 2014 2015 volgende

jaren

Denemarken 2 779 2 779 2 779 2 779 2 779

Duitsland 8 475 8 475 8 475 8 475 8 475

Ierland 132 132 132 132 132

Griekenland 1 238 1238 1 238 1 238 1 238

Spanje 43 725 43 725 43 725 43 725 43 725

Frankrijk 35 752 35 752 35 752 35 752 35 752

Italië 22 605 22 605 22 605 22 605 22 605

Nederland 5 202 5 202 5 202 5 202 5 202

Oostenrijk 64 64 64 64 64

Portugal 69 69 69 69 69

Finland 10 10 10 10 10

Zweden 180 180 180 180 180

Verenigd Koninkrijk 1 478 1 478 1 478 1 478 1 478

Tsjechië 922 922 922 922 922

Litouwen 21 21 21 21 21

Hongarije 1 421 1 421 1 421 1 421 1 421

Polen 147 147 147 147 147

Slowakije 91 91 91 91 91

Kwaliteitspremie voor durumtarwe

(duizend euro)

2016 en

Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015 volgende

jaren

Griekenland 20 301 20 301 20 301 20 301 20 301 20 301 20 301

Spanje 22 372 22 372 22 372 22 372 22 372 22 372 22 372

Frankrijk 8 320 8 320 8 320 8 320 8 320 8 320 8 320

Italië 42 457 42 457 42 457 42 457 42 457 42 457 42 457

Oostenrijk 280 280 280 280 280 280 280

Portugal 80 80 80 80 80 80 80

Bulgarije 349 436 523 610 698 785 872

Cyprus 173 198 223 247 247 247 247

Hongarije 70 80 90 100 100 100 100

Premie voor eiwithoudende gewassen

(duizend euro)

2016 en

Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015 volgende

jaren

België 84 84 84 84 84 84 84

Denemarken 843 843 843 843 843 843 843

Duitsland 7 231 7 231 7 231 7 231 7 231 7 231 7 231

Ierland 216 216 216 216 216 216 216

Griekenland 242 242 242 242 242 242 242

Spanje 10 905 10 905 10 905 10 905 10 905 10905 10 905

Frankrijk 17 635 17 635 17 635 17 635 17 635 17635 17 635

Italië 5 009 5 009 5 009 5 009 5 009 5009 5 009

Luxemburg 21 21 21 21 21 21 21

Nederland 67 67 67 67 67 67 67

Oostenrijk 2 051 2 051 2 051 2 051 2051 2051 2 051

Portugal 214 214 214 214 214 214 214

Finland 303 303 303 303 303 303 303

Zweden 2 147 2 147 2 147 2 147 2147 2147 2 147

Verenigd Koninkrijk 10 500 10 500 10 500 10 500 10500 10500 10 500

Bulgarije 160 201 241 281 321 361 401

Tsjechië 1 858 2 123 2 389 2 654 2654 2654 2 654

Estland 169 194 218 242 242 242 242

Cyprus 17 19 22 24 24 24 24

Letland 109 124 140 155 155 155 155

Litouwen 1 486 1 698 1 911 2 123 2123 2123 2 123

Hongarije 1 369 1 565 1 760 1 956 1956 1956 1 956

Polen 1 723 1 970 2 216 2 462 2462 2462 2 462

Roemenië 911 1 139 1 367 1 595 1822 2050 2 278

Gewasspecifieke betaling voor rijst

(duizend euro)

2016 en

Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015 volgende

jaren

Griekenland 11407 11407 11407 11407 11407 11407 11407

Spanje 49993 49993 49993 49993 49993 49993 49993

Frankrijk 7844 7844 7844 7844 7844 7844 7844

Italië 99473 99473 99473 99473 99473 99473 99473

Portugal 11193 11193 11193 11193 11193 11193 11193

Bulgarije 575 719 863 1007 1151 1294 1438

Hongarije 524 599 674 749 749 749 749

Roemenië 25 32 38 44 50 57 63

Areaalbetaling voor noten

(duizend euro)

2016 en

Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015 volgende

jaren

België 12 12 12 12 12 12 12

Duitsland 181 181 181 181 181 181 181

Griekenland 4 963 4 963 4 963 4 963 4 963 4 963 4 963

Spanje 68 610 68 610 68 610 68 610 68 610 68 610 68 610

Frankrijk 2 089 2 089 2 089 2 089 2 089 2 089 2 089

Italië 15 710 15 710 15 710 15 710 15 710 15 710 15 710

Luxemburg 12 12 12 12 12 12 12

Nederland 12 12 12 12 12 12 12

Oostenrijk 12 12 12 12 12 12 12

Portugal 4 987 4 987 4 987 4 987 4 987 4 987 4 987

Verenigd Koninkrijk 12 12 12 12 12 12 12

Bulgarije 579 724 868 1 013 1 158 1 302 1 447

Cyprus 431 493 554 616 616 616 616

Hongarije 245 280 315 350 350 350 350

Polen 355 406 456 507 507 507 507

Roemenië 79 99 119 139 159 179 199

Slovenië 25 29 33 36 36 36 36

Slowakije 262 299 337 374 374 374 374

Vezelvlas en -hennep (Verordening (EG) nr. 1234/2007)

(duizend euro)

Lidstaat 2012 2013 2014 2015 2016 en

volgende

jaren

België 2954 2954 2954 2954 2954

Denemarken 3 3 3 3 3

Duitsland 244 244 244 244 244

Spanje 138 138 138 138 138

Frankrijk 13592 13592 13592 13592 13592

Italië 50 50 50 50 50

Nederland 1111 1111 1111 1111 1111

Oostenrijk 20 20 20 20 20

Finland 5 5 5 5 5

Verenigd Koninkrijk 83 83 83 83 83

Tsjechië 534 534 534 534 534

Letland 104 104 104 104 104

Litouwen 360 360 360 360 360

Hongarije 42 42 42 42 42

Polen 114 114 114 114 114

Aardappelzetmeelpremie (artikel 95 bis van Verordening (EG) nr. 1234/07)

(duizend euro)

2016 en

Lidstaat 2012 2013 2014 2015 volgende

jaren

Denemarken 3 743 3 743 3 743 3 743 3 743

Duitsland 16 279 16 279 16 279 16 279 16 279

Spanje 43 43 43 43 43

Frankrijk 5 904 5 904 5 904 5 904 5 904

Nederland 9 614 9 614 9 614 9 614 9 614

Oostenrijk 1 061 1 061 1 061 1 061 1 061

Finland 1 183 1 183 1 183 1 183 1 183

Zweden 1 381 1 381 1 381 1 381 1 381

Tsjechië 749 749 749 749 749

Estland 6 6 6 6 6

Letland 129 129 129 129 129

Litouwen 27 27 27 27 27

Polen 3 226 3 226 3 226 3 226 3 226

Slowakije 16 16 16 16 16

Steun voor zetmeelaardappeltelers

(duizend euro)

Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 en

volgende

jaren

Denemarken 11156 11156 11156 11156 11156 11156 11156

Duitsland 48521 48521 48521 48521 48521 48521 48521

Spanje 129 129 129 129 129 129 129

Frankrijk 17598 17598 17598 17598 17598 17598 17598

Nederland 28655 28655 28655 28655 28655 28655 28655

Oostenrijk 3163 3163 3163 3163 3163 3163 3163

Finland 3527 3527 3527 3527 3527 3527 3527

Zweden 4116 4116 4116 4116 4116 4116 4116

Tsjechië 1563 1786 2009 2232 2232 2232 2232

Estland 12 13 15 17 17 17 17

Letland 268 307 345 383 383 383 383

Litouwen 56 64 72 80 80 80 80

Polen 6731 7692 8654 9615 9615 9615 9615

Slowakije 34 39 44 48 48 48 48

Steun voor olijfgaarden

(duizend euro)

2016 en

Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015

volgende jaren

Spanje 103 140 103 140 103 140 103 140 103 140 103 140 103 140

Cyprus 2 051 2 344 2 637 2 930 2 930 2 930 2 930

Betaling voor zacht fruit

(duizend euro)

2016 en

Lidstaat 2012 2013 2014 2015 volgende

jaren

Bulgarije 552 552 552 552 552

Letland 92 92 92 92 92

Litouwen 138 138 138 138 138

Hongarije 391 391 391 391 391

Polen 11040 11040 11040 11040 11040

BIJLAGE XIII

Lijst van de in artikel 87 bedoelde zaadsoorten

GN-code Omschrijving Steunbedrag

(EUR/100 kg)

  • 1. 
    Ceres

1001 90 10 Triticum spelta L. 14,37

1006 10 10 Oryza sativa L. (1)

  • langkorrelige rassen waarbij de lengte van de 17,27

korrel groter is dan 6,0 millimeter en de verhouding tussen de lengte en de breedte van de korrel ten minste gelijk is aan 3,

  • andere rassen waarbij de lengte van de korrel 14,85

groter dan wel kleiner is dan wel gelijk is aan 6,0 millimeter en de verhouding tussen de lengte en de breedte van de korrel kleiner is dan 3.

  • 2. 
    Oleagineae

ex 1204 00 10 Linum usitatissimum L. (vezelvlas) 28,38

ex 1204 00 10 Linum usitatissimum L. (olievlas) 22,46

ex 1207 99 10 Cannabis sativa L. (2) (rassen met een 20,53

tetrahydrocannabinolgehalte van ten hoogste 0,2 %)

  • 3. 
    Gramineae

ex 1209 29 10 Agrostis canina L. 75,95

ex 1209 29 10 Agrostis gigantea Roth. 75,95

GN-code Omschrijving Steunbedrag

(EUR/100 kg)

ex 1209 23 80 Festuca arundinacea Schreb. 58,93

ex 1209 23 80 Festuca ovina L. 43,59

1209 23 11 Festuca pratensis Huds. 43,59

1209 23 15 Festuca rubra L. 36,83

ex 1209 29 80 Festulolium 32,36

1209 25 10 Lolium multiflorum Lam. 21,13

1209 25 90 Lolium perenne L. 30,99

ex 1209 29 80 Lolium x boucheanum Kunth 21,13

ex 1209 29 80 Phleum Bertolinii (DC) 50,96

1209 26 00 Phleum pratense L. 83,56

ex 1209 29 80 Poa nemoralis L. 38,88

1209 24 00 Poa pratensis L. 38,52

ex 1209 29 10 Poa palustris and Poa trivialis L. 38,88

  • 4. 
    Leguminosae

ex 1209 29 80 Hedysarum coronarium L. 36,47

ex 1209 29 80 Medicago lupulina L. 31,88

ex 1209 21 00 Medicago sativa L. (ecotypes) 22,10

ex 1209 21 00 Medicago sativa L. (rassen) 36,59

ex 1209 29 80 Onobrichis viciifolia Scop. 20,04

ex 0713 10 10 Pisum sativum L. (partim) (voedererwten)

ex 1209 22 80 Trifolium alexandrinum L. 45,76

GN-code Omschrijving Steunbedrag

(EUR/100 kg)

ex 1209 22 80 Trifolium incarnatum L. 45,76

1209 22 10 Trifolium pratense L. 53,49

ex 1209 22 80 Trifolium repens L. 75,11

ex 1209 22 80 Trifolium repens L. var. giganteum 70,76

ex 1209 22 80 Trifolium resupinatum L. 45,76

ex 0713 50 10 Vicia faba L. (partim) (paarden- en duivenbonen)

ex 1209 29 10 Vicia sativa L. 30,67

ex 1209 29 10 Vicia villosa Roth. 24,03

(1) Voor het meten van de rijstkorrels wordt volwitte rijst gebruikt; de meting gebeurt als volgt:

a)

uit de partij wordt een representatief monster getrokken;

  • b) 
    het monster wordt gesorteerd zodat uitsluitend met volledige korrels, waaronder onrijpe korrels, wordt gewerkt;
  • c) 
    er worden twee metingen met telkens 100 korrels verricht en daarvan wordt het gemiddelde berekend;
  • d) 
    het resultaat wordt uitgedrukt in millimeter, afgerond tot op 1 decimaal.

(2) Het tetrahydrocannabinolgehalte (THC) van een ras wordt bepaald via analyse van een monster dat op constant gewicht is gebracht. Het gewicht aan THC mag voor het verlenen van de steun ten hoogste 0,2 % van het gewicht van het monster uitmaken. Dit monster bestaat uit het bovenste derde van een representatief aantal planten dat willekeurig is geplukt aan het einde van hun bloeiperiode en waarvan de stengels en de korrels zijn verwijderd.

BIJLAGE XIV

Maxima voor de steun voor zaaizaad in de nieuwe lidstaten als bedoeld in artikel 87, lid 3

(miljoen EUR)

Kalender-Bulga-

jaar rije Tsjechië Estland Cyprus Letland Litouwen Hongarije Malta Polen Roemenië SloveniëSlowakije

2009 0,15 1,75 0,07 0,06 0,21 0,21 1,55 0,06 1,11 0,26 0,17 0,07

2010 0,17 2,04 0,08 0,07 0,24 0,24 1,81 0,07 1,30 0,30 0,19 0,08

2011 0,22 2,33 0,10 0,08 0,28 0,28 2,07 0,08 1,48 0,38 0,22 0,09

2012 0,26 2,62 0,11 0,09 0,31 0,31 2,33 0,09 1,67 0,45 0,25 0,11

2013 0,30 2,91 0,12 0,10 0,35 0,35 2,59 0,10 1,85 0,53 0,28 0,12

2014 0,34 2,91 0,12 0,10 0,35 0,35 2,59 0,10 1,85 0,60 0,28 0,12

2015 0,39 2,91 0,12 0,10 0,35 0,35 2,59 0,10 1,85 0,68 0,28 0,12

2016 0,43 2,91 0,12 0,10 0,35 0,35 2,59 0,10 1,85 0,75 0,28 0,12

volgende 0,43 2,91 0,12 0,10 0,35 0,35 2,59 0,10 1,85 0,75 0,28 0,12

jaren

BIJLAGE XV

Maxima voor de berekening van het steunbedrag bedoeld in artikel 95 (suiker)

Lidstaat 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 en

volgende jaren

België 81 752 81 752 81 752 81 752 81 752 81 752 81 752 81 752

Bulgarije* 154 176 220 264 308 352 396 440

Tsjechië 44 245 44 245 44 245 44 245 44 245 44 245 44 245 44 245

Denemarken 34 478 34 478 34 478 34 478 34 478 34 478 34 478 34 478

Duitsland 278 254 278 254 278 254 278 254 278 254 278 254 278 254 278 254

Griekenland 29 384 29 384 29 384 29 384 29 384 29 384 29 384 29 384

Spanje 96 203 96 203 96 203 96 203 96 203 96 203 96 203 96 203

Frankrijk 272 259 272 259 272 259 272 259 272 259 272 259 272 259 272 259

Ierland 18 441 18 441 18 441 18 441 18 441 18 441 18 441 18 441

Italië 135 994 135 994 135 994 135 994 135 994 135 994 135 994 135 994

Letland 6 616 6 616 6 616 6 616 6 616 6 616 6 616 6 616

Litouwen 10 260 10 260 10 260 10 260 10 260 10 260 10 260 10 260

Lidstaat 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 en

volgende jaren

Hongarije 41 010 41 010 41 010 41 010 41 010 41 010 41 010 41 010

Nederland 73 504 73 504 73 504 73 504 73 504 73 504 73 504 73 504

Oostenrijk 32 955 32 955 32 955 32 955 32 955 32 955 32 955 32 955

Polen 159 392 159 392 159 392 159 392 159 392 159 392 159 392 159 392

Portugal 6 452 6 452 6 452 6 452 6 452 6 452 6 452 6 452

Roemenië* 3 536 4 041 5 051 6 062 7 072 8 082 9 093 10 103

Slovenië 3 740 3 740 3 740 3 740 3 740 3 740 3 740 3 740

Slowakije 19 289 19 289 19 289 19 289 19 289 19 289 19 289 19 289

Finland 13 520 13 520 13 520 13 520 13 520 13 520 13 520 13 520

Zweden 34 082 34 082 34 082 34 082 34 082 34 082 34 082 34 082

Verenigd Koninkrijk 105 376 105 376 105 376 105 376 105 376 105 376 105 376 105 376

  • De maxima zijn berekend met inachtneming van de in artikel 121 vastgestelde toenameregeling.

BIJLAGE XVI

Tabel 1 Cyprus: Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen bij toepassing van de gewone

regelingen voor de rechtstreekse betalingen

(EUR)

Toenameregeling 60% 70% 80% 90%

Sector 2009 2010 2011 2012

Akkerbouwgewassen

4 220 705 3 165 529 2 110 353 1 055 176

(exclusief durumtarwe)

Durumtarwe 1 162 157 871 618 581 078 290 539

Zaaddragende leguminosen 16 362 12 272 8 181 4 091

Melk en zuivelproducten 1 422 379 1 066 784 711 190 355 595

Rundvlees 1 843 578 1 382 684 921 789 460 895

Schapen en geiten 4 409 113 3 306 835 2 204 556 1 102 278

Olijfolie 3 174 000 2 380 500 1 587 000 793 500

Tabak 417 340 313 005 208 670 104 335

Bananen 1 755 000 1 316 250 877 500

Rozijnen en krenten

Amandelen

Totaal 1 842 0634 13 815 476 9 210 317 4 166 409

Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling: Het totale bedrag aan aanvullende nationale rechtstreekse betalingen dat in het kader van de bedrijfstoeslagregeling kan worden toegekend, is gelijk aan de som van de in deze tabel vastgestelde sectorale maxima voor de onder de bedrijfstoeslagregeling vallende sectoren voor zover de steun in die sectoren is ontkoppeld.

Tabel 2 Cyprus: Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen bij toepassing van de regeling

inzake een enkele areaalbetaling voor de rechtstreekse betalingen

(EUR)

Sector 2009 2010 2011 2012

Akkerbouwgewassen

(exclusief

durumtarwe)

Durumtarwe 1 795 543 1 572 955 1 350 367 1 127 779

Zaaddragende

leguminosen

Melk en 3 456 448 3 438 488 3 420 448 3 402 448

zuivelproducten

Rundvlees 4 608 945 4 608 945 4 608 945 4 608 945

Schapen en geiten 10 724 282 10 670 282 10 616 282 10 562 282

Olijfolie 5 547 000 5 115 000 4 683 000 4 251 000

Rozijnen en krenten 156 332 149 600 142 868 136 136

Bananen 4 323 820 4 312 300 4 300 780 4 289 260

Tabak 1 038 575 1 035 875 1 033 175 1 030 475

Totaal 31 650 945 30 903 405 30 155 865 29 408 325

BIJLAGE XVII

STAATSSTEUN IN CYPRUS

(EUR)

Sector 2009 2010 2011 2012

Granen (exclusief 2 263 018 1 131 509 565 755 282 877

durumtarwe)

Melk en zuivelproducten 562 189 281 094 140 547 70 274

Rundvlees 64 887

Schapen en geiten 1 027 917 513 958 256 979 128 490

Varkenssector 2 732 606 1 366 303 683 152 341 576

Pluimvee en eieren 1 142 374 571 187 285 594 142 797

Wijn 4 307 990 2 153 995 1 076 998 538 499

Olijfolie 2 088 857 1 044 429 522 215 261 107

Tafeldruiven 1 058 897 529 448 264 724 132 362

BIJLAGE XVIII

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 1 artikel 1

artikel 2 artikel 2

artikel 3 artikel 4

artikel 4 artikel 5

artikel 5 artikel 6

artikel 6 artikel 23

artikel 7 artikel 24

artikel 8

artikel 9 artikel 25

artikel 10, lid 1 artikel 7

artikel 10, lid 2 artikel 9, lid 1

artikel 10, lid 3 artikel 9, lid 2

artikel 10, lid 4 artikel 9, lid 3

  • artikel 9, lid 4

artikel 11 artikel 11, leden 1 en 2

artikel 12

  • artikel 8

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 12 bis, lid 1 artikel 10

artikel 12 bis, lid 2 artikel 11, lid 3

artikel 13 artikel 12

artikel 14 artikel 12

artikel 15 artikel 13

artikel 16 artikel 12

artikel 17 artikel 14

artikel 18 artikel 15

artikel 19 artikel 16

artikel 20 artikel 17

artikel 21 artikel 18

artikel 22 artikel 19

artikel 23 artikel 20

artikel 24 artikel 21

artikel 25 artikel 22

artikel 26 artikel 26

artikel 27 artikel 27

  • artikel 28

artikel 28 artikel 29

artikel 29 artikel 30

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 31

artikel 32 artikel 3

artikel 33 artikel 33

artikel 34

artikel 35 artikel 37

artikel 36

artikel 37 bijlage IX

artikel 38

artikel 39

artikel 40, leden 1, 2 en 3 bijlage IX, punt A, 4, 5 en 6

artikel 40, lid 4 artikel 31

artikel 40, lid 5

artikel 41 artikel 40

artikel 42 artikel 41

artikel 43 bijlage IX

artikel 44, leden 1 en 2 artikel 34

artikel 44, leden 3 en 4 artikel 35

artikel 45 artikel 42

artikel 46 artikel 43

artikel 47

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 49 artikel 44

artikel 50

artikel 51, eerste alinea

artikel 51, tweede alinea artikel 38

artikel 52 artikel 39

artikel 53

artikel 54

artikel 55

artikel 56

artikel 57

  • artikel 45

artikel 58 artikel 46

artikel 59 artikel 47

artikel 60

artikel 61 artikel 49

artikel 62

artikel 63, lid 1 artikel 51, lid 1

artikel 63, lid 2

artikel 63, lid 3 artikel 48

artikel 63, lid 4 artikel 50, lid 2

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 65

artikel 66

artikel 67 artikel 52

artikel 68 artikel 53

artikel 68 bis

artikel 68 ter artikel 54

artikel 69

artikel 70

artikel 71

artikel 71 bis artikel 55

artikel 71 ter artikel 56

artikel 71 quater

artikel 71 quinquies artikel 57

artikel 71 sexies artikel 58

artikel 71 septies artikel 59

artikel 71 octies

artikel 71 nonies artikel 61

artikel 71 decies

artikel 71 undecies

artikel 71 duodecies artikel 62

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 71 quaterdecies artikel 60

  • artikel 63
  • artikel 64
  • artikel 65
  • artikel 66
  • artikel 68
  • artikel 70
  • artikel 69

artikel 72

artikel 73

artikel 74

artikel 75

artikel 76 artikel 79

artikel 77 artikel 80

artikel 78 artikel 81

artikel 79 artikel 73

artikel 80 artikel 74

artikel 81 artikel 75

artikel 82 artikel 76

artikel 83 artikel 82

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 85 artikel 84

artikel 86, leden 1, 2 en 4 artikel 85, leden 1, 2 en 3

artikel 86, lid 3

artikel 87 artikel 120

artikel 88

artikel 89

artikel 90

artikel 91

artikel 92

artikel 93 artikel 77

artikel 94 artikel 78

artikel 95

artikel 96

artikel 97

artikel 98

artikel 99 artikel 87

artikel 100

artikel 101

artikel 102

artikel 103

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 105

artikel 106

artikel 107

artikel 108

artikel 109

artikel 110

artikel 110 bis artikel 88

artikel 110 ter artikel 89

artikel 110 quater artikel 90

artikel 110 quinquies artikel 91

artikel 110 sexies artikel 92

artikel 110 septies

artikel 110 octies

artikel 110 nonies

artikel 110 decies

artikel 110 undecies

artikel 110 duodecies

artikel 110 terdecies

artikel 110 quaterdecies

artikel 110 quindecies

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 110 septdecies

artikel 110 octodecies artikel 93

artikel 110 novodecies artikel 94

artikel 110 vicies artikel 95

artikel 110 unvicies artikel 96

artikel 110 duovicies artikel 97

artikel 110 tervicies artikel 98

artikel 111 artikel 99

artikel 112 artikel 100

artikel 113 artikel 101

artikel 114 artikel 102

artikel 115 artikel 103

artikel 116 artikel 104

artikel 117 artikel 105

artikel 118 artikel 106

artikel 119

artikel 120 artikel 107

artikel 121 artikel 108

artikel 122 artikel 109

artikel 123 artikel 110

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 125 artikel 111

artikel 126 artikel 112

artikel 127 artikel 113

artikel 128 artikel 114

artikel 129 artikel 115

artikel 130 artikel 116

artikel 131

artikel 132

artikel 133

artikel 134

artikel 135

artikel 136

artikel 136 bis

artikel 137

artikel 138 artikel 117

artikel 139 artikel 118

artikel 140 artikel 119

artikel 141

artikel 142

artikel 143

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 143 ter, leden 1, 2, 9 en 10 artikel 122

artikel 143 ter, leden 3 en 7 artikel 123

artikel 143 ter, leden 4, 5 en 6 artikel 124

artikel 143 ter, lid 13 artikel 125

artikel 143 ter bis, leden 1, 2 en 3 artikel 126

artikel 143 ter bis, lid 3 bis

artikel 143 ter bis, leden 4, 5 en 6 artikel 130

artikel 143 ter ter, leden 1 en 2 artikel 127

artikel 143 ter ter, lid 3

artikel 143 ter ter, leden 4, 5 en 6 artikel 130

artikel 143 ter quater, leden 1 en 2 artikel 128

  • artikel 129

artikel 143 ter quater, leden 3 en 4 artikel 130, leden 1 en 2

  • artikel 131

artikel 143 quater, leden 1 t/m 8 artikel 132

artikel 143 quater, lid 9 artikel 133

artikel 143 quater, lid 10

artikel 143 quinquies artikel 134

Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening

artikel 143 sexies artikel 135

  • artikel 136
  • artikel 137
  • artikel 138
  • artikel 139

artikel 144 artikel 141

artikel 145 artikel 142

artikel 146 artikel 140

artikel 147

artikel 148

artikel 149

artikel 150

artikel 151

artikel 152

  • artikel 143
  • artikel 144
  • artikel 145

artikel 153 artikel 146

artikel 154

artikel 154 bis artikel 148

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

20 mei
'08
Communautaire strategische richtsnoeren voor plattelandsontwikkeling (programmeringsperiode 2007-2013)


20 mei
'08
COM(2008)306 - Gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers


20 dec
'07
COM(2007)829 - Identificatie en de registratie van varkens


20 nov
'07
COM(2007)722 - Voorbereiding van de "gezondheidscontrole" van de GLB-hervorming


4 jul
'07
COM(2007)372 - Gemeenschappelijke wijnmarktordening en tot wijziging van een aantal verordeningen


23 mei
'07
COM(2007)268 - Voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen


18 dec
'06
COM(2006)822 - Gemeenschappelijke landbouwmarktordening en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten


2 jun
'06
COM(2006)264 - Specifieke maatregelen voor de landbouw ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee


24 mei
'06
COM(2006)241 - Voorschriften voor een vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers voorziet,


8 mrt
'06
COM(2006)99 - Stelsel van eigen middelen van de EG (EG, Euratom)


 
 
publicatiedatum 16-01-2009
kenmerk 16765/08

Inhoud