RAAD VAN Brussel, 16 januari 2009
(OR. en)
DE EUROPESE UNIE
16765/08
Interinstitutioneel dossier:
2008/0103 (CNS)
AGRI 427 AGRIORG 132 AGRIFIN 110
WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN
Betreft:
VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling van gemeen- schappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steun- verlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003
VERORDENING (EG) Nr. .../2009 VAN DE RAAD
van
tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen
inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers
in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers,
tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006,
(EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 36,
artikel 37 en artikel 299, lid 2,
Gelet op de Akte van toetreding van 1979, en met name op punt 6 van het daaraan gehechte
Protocol nr. 4 betreffende katoen,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement1,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Op grond van bepalingen die zijn opgenomen in de in 2003 en 2004 goedgekeurde
hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) moeten de
doeltreffendheid van de hervormingen worden onderzocht. De Commissie heeft in dit
verband op 20 november 2007 bij het Europees Parlement en de Raad de mededeling
"Voorbereiding van de gezondheidscontrole van de GLB-hervorming" ingediend1. Er moet
rekening worden gehouden met deze mededeling, de bespreking van de belangrijkste
daarin vervatte elementen in het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch
en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's en de talrijke bijdragen in het kader van
het openbaar overleg.
(2) Bepaalde elementen van het steunmechanisme moeten worden aangepast, zo blijkt in het
bijzonder uit de ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van Verordening (EG)
nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke
voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen2. Met
name moeten meer vormen van rechtstreekse steun worden ontkoppeld en dient de werking
van de bedrijfstoeslagregeling te worden vereenvoudigd. Bovendien is Verordening (EG)
nr. 1782/2003 herhaaldelijk grondig gewijzigd. Om deze redenen en omwille van de
duidelijkheid moet zij worden ingetrokken en worden vervangen door de onderhavige
(3) Op grond van Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt een verlaging of uitsluiting toegepast
van de rechtstreekse steun aan landbouwers die niet voldoen aan bepaalde voorschriften op
het gebied van volksgezondheid, gezondheid van dieren en planten, milieu en dieren-
welzijn. Deze "randvoorwaarden" maken integraal deel uit van de communautaire
steunverlening in de vorm van rechtstreekse betalingen en dienen derhalve te worden
behouden. Een aantal voorschriften binnen de werkingssfeer van de randvoorwaarden
blijkt echter onvoldoende betrekking te hebben op landbouwactiviteiten of landbouwgrond,
of gaat veeleer de nationale autoriteiten aan dan de landbouwers. Daarom dient de
werkingssfeer van de randvoorwaarden te worden aangepast.
(4) Om te voorkomen dat landbouwgrond wordt opgegeven en te waarborgen dat deze grond
in goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden, is bovendien bij Verordening (EG)
nr. 1782/2003 een communautair kader vastgesteld waarbinnen de lidstaten normen
vaststellen met inachtneming van de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden,
inclusief de bodem- en klimaatgesteldheid en de bestaande landbouwsystemen,
grondgebruik, vruchtwisseling, landbouwpraktijken en de structuur van de landbouw-
bedrijven. Dit kader moet worden gehandhaafd. De ervaring leert echter dat bepaalde
normen niet voldoende relevant zijn of niet voldoende positieve effecten hebben om te
rechtvaardigen dat zij door alle lidstaten worden toegepast. Dergelijke normen moeten
derhalve facultatief zijn voor de lidstaten. Om voor een zo consistent mogelijk kader te
zorgen, mag een norm niet facultatief zijn indien de betrokken lidstaat vóór 2009 op basis
van de betrokken norm reeds een minimumeis heeft vastgesteld of indien er met betrekking
(5) De afschaffing van de verplichte braaklegging in het kader van de bedrijfstoeslagregeling
overeenkomstig deze verordening kan in bepaalde gevallen nadelige gevolgen hebben voor
het milieu, met name voor sommige landschapselementen. Daarom moeten de commu-
nautaire bepalingen die tot doel hebben duidelijk omschreven landschapselementen te
beschermen, worden aangescherpt. In specifieke situaties moet een lidstaat ook in de
vaststelling en/of het behoud van habitats kunnen voorzien.
(6) In bepaalde gebieden wordt het steeds problematischer de watervoorraden voor land-
bouwactiviteiten te beschermen en te beheren. Het communautaire kader voor een goede
landbouw- en milieuconditie dient daarom ook te worden versterkt teneinde water tegen
verontreiniging en afspoeling te beschermen en het watergebruik te beheren.
(7) In Verordening (EG) nr. 1782/2003 is het positieve effect van blijvend grasland op het
milieu erkend. De maatregelen in die verordening ter bevordering van de instandhouding
van bestaand blijvend grasland om een massale omzetting in bouwland te voorkomen,
dienen te worden gehandhaafd.
(8) Voor een beter evenwicht tussen de beleidsinstrumenten die op bevordering van duurzame
landbouw zijn gericht enerzijds, en die welke bevordering van de plattelandsontwikkeling
tot doel hebben anderzijds, is bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 op verplichte basis een
systeem ingevoerd waarbij de rechtstreekse betalingen geleidelijk worden verlaagd
("modulatie"). Dit systeem moet worden behouden en moet de vrijstelling van modulatie
voor de eerste 5000 euro aan rechtstreekse betalingen omvatten.
(9) De besparingen die voortvloeien uit modulatie worden gebruikt voor de financiering van
maatregelen in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid. Sinds de aanneming van
Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt de landbouwsector geconfronteerd met nieuwe,
veeleisende uitdagingen, zoals de klimaatverandering en het toenemende belang van bio-
energie, alsook de behoefte aan beter waterbeheer en aan een efficiëntere bescherming van
de biodiversiteit. Als verdragsluitende partij bij het Protocol van Kyoto1 is de Europese
Gemeenschap ertoe gehouden haar beleid aan te passen in het licht van de klimaat-
veranderingsproblematiek. Naar aanleiding van ernstige problemen in verband met water-
schaarste en droogte oordeelde de Raad bovendien in zijn conclusies "Waterschaarste en
droogten" van 30 oktober 2007 dat de waterbeheersvraagstukken in de landbouw nader
moeten worden bestudeerd. Voorts heeft de Raad er in zijn conclusies "Het biodiversiteits-
verlies uiterlijk in 2010 een halt toeroepen" van 18 december 2006 op gewezen dat de
bescherming van de biodiversiteit een zeer belangrijke uitdaging blijft en dat, hoewel
belangrijke vorderingen zijn geboekt, extra inspanningen moeten worden geleverd, wil de
Gemeenschap haar biodiversiteitsdoelstelling voor 2010 halen. Aangezien innovatie met
name kan bijdragen tot de ontwikkeling van nieuwe technologieën, producten en procédés,
dient zij de inspanningen om deze uitdagingen aan te pakken te ondersteunen. In 2015
verstrijkt de melkquotaregeling die is ingesteld op grond van Verordening (EG)
nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke
ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal
landbouwproducten2. De zuivelproducenten zullen bijgevolg specifieke inspanningen
moeten leveren om zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen, met name in
(10) De Gemeenschap erkent de noodzaak om deze nieuwe uitdagingen in het kader van haar
beleid aan te pakken. Op het gebied van de landbouw vormen de plattelandsontwikkelings-
programma's die zijn goedgekeurd in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van
de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het
Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)1, hiertoe een geschikt
instrument. Om de lidstaten in staat te stellen hun plattelandsontwikkelingsprogramma's
dienovereenkomstig aan te passen zonder hun lopende activiteiten op het gebied van
plattelandsontwikkeling op andere gebieden te beperken, dienen aanvullende financiële
middelen ter beschikking te worden gesteld. De financiële vooruitzichten voor de periode
2007-2013 bieden echter geen ruimte om het plattelandsontwikkelingsbeleid van de
Gemeenschap met de nodige extra financiële middelen toe te rusten. In deze omstandig-
heden dienen de vereiste financiële middelen grotendeels te worden gehaald uit de
opbrengsten van een geleidelijke verhoging van de voor de modulatie geldende
verlagingspercentages voor de rechtstreekse betalingen.
(11) Kenmerkend voor de verdeling van de rechtstreekse inkomenssteun over de landbouwers is
dat een groot aantal betalingen worden toegewezen aan een vrij gering aantal grootschalige
begunstigden. Het moge duidelijk zijn dat het voor een efficiënte verwezenlijking van het
met inkomenssteun beoogde doel niet nodig is dat aan grootschalige begunstigden
hetzelfde steunbedrag per eenheid wordt toegekend. Grote begunstigden hebben bovendien
een groter aanpassingsvermogen en kunnen bijgevolg gemakkelijker werken met lagere
steunbedragen per eenheid. Daarom is het billijk te verwachten dat landbouwers met hoge
(12) De bijzondere geografische ligging, het insulaire karakter, de geringe oppervlakte, het
bergachtige reliëf en het klimaat leggen de landbouw in de ultraperifere gebieden extra
lasten op. Om deze lasten en beperkingen te milderen, moeten landbouwers in de
ultraperifere gebieden vrijgesteld worden van de verplichte verlaging via de modulatie.
(13) Lidstaten die voor vrijwillige modulatie hebben geopteerd, moeten de verhoogde
percentages voor de verplichte modulatie in aanmerking nemen. Verordening (EG)
nr. 378/2007 van de Raad van 27 maart 2007 houdende voorschriften voor een vrijwillige
modulatie van de rechtstreekse betalingen waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 tot
vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse
steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling
van bepaalde steunregelingen voor landbouwers voorziet1, dient daarom overeenkomstig te
worden gewijzigd.
(14) De bedragen die voortvloeien uit de toepassing van de bij Verordening (EG) nr. 1782/2003
vastgestelde verlaging van vijf procentpunten in het kader van de modulatie moeten aan de
lidstaten worden toegewezen op basis van dezelfde criteria als die welke in die verordening
zijn vastgesteld, dat wil zeggen objectieve criteria waarbij wordt bepaald dat een zeker
percentage van de bedragen in de lidstaat blijft waar de bedragen zijn gegenereerd. Met het
oog op de structurele aanpassingen ten gevolge van de afschaffing van de interventie voor
rogge, dienen de specifieke maatregelen voor bepaalde roggeproducerende regio's, die met
een deel van de door de modulatie gegenereerde bedragen moeten worden gefinancierd, te
worden gehandhaafd. Tevens moeten de bedragen die afkomstig zijn uit de toepassing van
(15) Met het oog op een vlottere werking van de modulatie, vooral wat de procedures voor de
verlening van rechtstreekse betalingen aan landbouwers en de overdrachten naar de
plattelandsontwikkelingsprogramma's betreft, dient voor elke lidstaat een nettomaximum te
worden vastgesteld voor de betalingen die na toepassing van de modulatie aan de land-
bouwers moeten worden verricht. Teneinde rekening te houden met de specifieke
kenmerken van de GLB-steun in de ultraperifere gebieden en met het feit dat modulatie
niet van toepassing is op rechtstreekse betalingen, mogen in die gebieden de nettomaxima
van de betrokken lidstaten niet van toepassing zijn op de rechtstreekse betalingen.
Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering
van het gemeenschappelijk landbouwbeleid1 moet derhalve dienovereenkomstig worden
gewijzigd.
(16) Landbouwers in de nieuwe lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie
toetreden worden geleidelijk in het systeem voor rechtstreekse betalingen geïntegreerd aan
de hand van een bijzonder mechanisme waarin hun respectieve toetredingsovereenkomsten
voorzien. Met het oog op een gepast evenwicht tussen de beleidsinstrumenten ter
bevordering van de duurzame landbouw enerzijds, en die ter bevordering van de
plattelandontwikkeling anderzijds, dient de modulatieregeling pas op landbouwers in de
nieuwe lidstaten van toepassing te worden wanneer het niveau van de rechtstreekse
betalingen in die lidstaten gelijk is aan het in de andere lidstaten dan de nieuwe lidstaten
geldende niveau.
(17) Toepassing van de modulatie mag er niet toe leiden dat het nettobedrag dat aan een land-
(18) Om ervoor te zorgen dat de bedragen ter financiering van het GLB de jaarlijkse maxima
van de financiële vooruitzichten niet overschrijden, moet het financieel mechanisme van
Verordening (EG) nr. 1782/2003, dat voorziet in aanpassing van de rechtstreekse steun
wanneer volgens de vooruitzichten het submaximum van rubriek 2, met een veilig-
heidsmarge van 300 000 000 euro, in een bepaald begrotingsjaar zal worden overschreden,
worden gehandhaafd. Rekening houdend met de niveaus van de rechtstreekse betalingen
die tengevolge van de geleidelijke integratie aan landbouwers in de nieuwe lidstaten
worden verricht, mag in het kader van de toepassing van het mechanisme voor geleidelijke
integratie op alle in de nieuwe lidstaten verleende rechtstreekse betalingen het instrument
voor begrotingsdiscipline in die lidstaten pas in werking treden wanneer het in die lidstaten
geldende niveau van de rechtstreekse betalingen ten minste gelijk is aan het niveau dat in
de andere lidstaten dan de nieuwe lidstaten geldt. Aangezien het eigen middel, bedoeld in
artikel 2, lid 1, onder c), van Besluit 2007/436/EG, Euratom van 7 juni 2007 betreffende
het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen1 in de algemene
begroting van de Europese Gemeenschappen, in de Gemeenschapsbegroting een bijzonder
gewicht heeft, is het passend er bij wijze van uitzondering in te voorzien dat de Raad op
voorstel van de Commissie het noodzakelijke besluit ter toepassing van het instrument van
financiële discipline vaststelt.
(19) Om de landbouwers te helpen zich te voegen naar de normen voor een moderne,
kwalitatief hoogwaardige landbouw, is het noodzakelijk dat de lidstaten het omvattend
systeem van advisering ten behoeve van landbouwbedrijven als bedoeld in Verordening
(20) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1290/2005 moeten de lidstaten de nodige
maatregelen treffen om zich ervan te vergewissen dat de door het Europees Landbouw-
garantiefonds (ELGF) gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze
worden uitgevoerd, en om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen. Hiertoe
moeten zij een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor de rechtstreekse betalingen
toepassen. Om de Gemeenschapssteun doeltreffender te maken en beter te kunnen
controleren moeten de lidstaten toestemming krijgen om het geïntegreerd systeem ook toe
te passen op Gemeenschapsregelingen die niet onder deze verordening vallen.
(21) De voornaamste bestanddelen van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem moeten
worden gehandhaafd, met name bepalingen inzake een geautomatiseerde gegevensbank,
een systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen, steunaanvragen van de
landbouwers, een geharmoniseerd controlesysteem en, wat de bedrijfstoeslagregeling
betreft, een systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten.
(22) Het beheer van kleine bedragen blijkt omslachtig te zijn voor de bevoegde autoriteiten van
de lidstaten. Om buitensporige administratieve lasten te voorkomen dienen de lidstaten als
algemene regel af te zien van rechtstreekse betalingen indien het bedrag van de betaling
lager zou liggen dan 100 euro of indien het subsidiabele areaal van het bedrijf waarvoor
steun wordt aangevraagd, minder dan één hectare bedraagt. Aangezien de structuur-
kenmerken van de landbouweconomie van de lidstaten grote verschillen vertonen en
aanzienlijk kunnen afwijken van de gemiddelde landbouwbedrijfsstructuur in de
Gemeenschap, dienen specifieke bepalingen te worden vastgesteld om de lidstaten de
mogelijkheid te bieden minima toe te passen die hun specifieke situatie weerspiegelen. In
verband met de zeer specifieke landbouwbedrijfsstructuur in de ultraperifere gebieden en
op de eilanden in de Egeïsche Zee, moeten voor deze gebieden geen minima worden
toegepast. De lidstaten dienen voorts de mogelijkheid te hebben om, rekening houdend met
de structuurkenmerken van hun landbouwsector, te opteren voor de eerste, dan wel de
tweede soort minima. Voor de bijzondere toeslagrechten die aan landbouwers met een
zogenaamd "bedrijf zonder land" zijn toegewezen, heeft de toepassing van een op het
aantal hectaren gebaseerde drempel geen nut. Voor dergelijke landbouwers dient derhalve
het aan de gemiddelde steun gerelateerde minimumbedrag te gelden. Om een gelijke
behandeling te waarborgen van landbouwers voor wier directe betalingen een geleidelijke
integratie van toepassing is, moet het minimum worden gebaseerd op het uiteindelijke
bedrag dat aan het einde van het proces van geleidelijke integratie wordt toegekend.
(23) Uit de ervaring met de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling is gebleken dat de
ontkoppelde inkomenssteun in sommige gevallen werd toegewezen aan begunstigden wier
landbouwactiviteiten slechts een onbeduidend deel van hun totale economische activiteit
uitmaakten of wier zakelijk doel niet of nauwelijks gericht was op de uitoefening van een
landbouwactiviteit. Om de verlening van landbouwinkomenssteun aan dergelijke
begunstigden te voorkomen en om ervoor te zorgen dat de communautaire steun volledig
wordt gebruikt om de landbouwgemeenschap een redelijke levensstandaard te garanderen,
moeten lidstaten waar dergelijke toewijzingen plaatsvinden, de bevoegdheid krijgen om af
te zien van de op de onderhavige verordening gebaseerde rechtstreekse betalingen aan
dergelijke natuurlijke of rechtspersonen.
(24) De bevoegde nationale autoriteiten dienen de betalingen waarin de communautaire steun-
regelingen voorzien, binnen een voorgeschreven termijn volledig aan de begunstigden uit
te keren onder voorbehoud van de verlagingen waarin de onderhavige verordening
voorziet. Met het oog op een flexibeler beheer van de rechtstreekse betalingen dienen de
lidstaten de mogelijkheid te krijgen om de rechtstreekse betalingen in maximaal twee
tranches per jaar te verrichten.
(25) De rechtstreekse inkomenssteun waarin de steunregelingen in het kader van het GLB voor-
zien, heeft vooral tot doel de landbouwgemeenschap een redelijke levensstandaard te
verzekeren. Dit doel hangt nauw samen met de instandhouding van plattelandsgebieden.
Om iedere verkeerde besteding van communautaire middelen te vermijden, mogen geen
steunbetalingen worden gedaan aan landbouwers die de voorwaarden voor het verkrijgen
(26) Om de doelstellingen van het GLB te verwezenlijken, moeten de communautaire steun-
regelingen aan veranderende ontwikkelingen kunnen worden aangepast, zo nodig op korte
termijn. De begunstigden kunnen er bijgevolg niet op vertrouwen dat de steunvoorwaarden
ongewijzigd blijven, en dienen voorbereid te zijn op een mogelijke herziening van de
regelingen, met name in het licht van economische ontwikkelingen of de begrotings-
situatie.
(27) Bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 is een bedrijfstoeslagregeling ingesteld waarin de
verschillende bestaande steunmechanismen in één regeling voor ontkoppelde rechtstreekse
betalingen zijn ondergebracht. Uit de ervaring met de toepassing van de bedrijfstoeslag-
regeling is gebleken dat een aantal elementen van deze regeling in het belang van de land-
bouwers en de beheersautoriteiten kan worden vereenvoudigd. Aangezien de bedrijfs-
toeslagregeling inmiddels ten uitvoer is gelegd door alle lidstaten die dat moesten doen, is
een aantal bepalingen over de voorlopige toepassing van deze regeling bovendien
achterhaald en aan aanpassing toe. In dit verband werd in een aantal gevallen een
aanzienlijke onderbenutting van toeslagrechten geconstateerd. Aangezien dit probleem
moet worden vermeden en in aanmerking moet worden genomen dat de landbouwers
inmiddels voldoende vertrouwd zijn met de werking van de bedrijfstoeslagregeling, moet
de oorspronkelijk vastgestelde periode voor het afstaan van niet-gebruikte toeslagrechten
aan de nationale reserve, worden ingekort tot twee jaar.
(28) De belangrijkste bestanddelen van de bedrijfstoeslagregeling moeten behouden blijven. De
vaststelling van de nationale maxima dient er met name voor te zorgen dat het totale
(29) Als gevolg van de geleidelijke integratie van nieuwe sectoren in de bedrijfstoeslagregeling
moet de definitie van grond die in aanmerking komt voor de toepassing van de regeling of
voor de activering van toeslagrechten, worden herzien. Steunverlening voor met groenten
en fruit beteelde oppervlakten in lidstaten die ervoor gekozen hebben deze sector later in
de bedrijfstoeslagregeling op te nemen, dient echter te worden uitgesloten. Voorts moeten
specifieke bepalingen voor hennep worden vastgesteld om te voorkomen dat steun wordt
verleend aan illegale teelten.
(30) De verplichte braaklegging van bouwland had oorspronkelijk tot doel het aanbod te
beheersen. Dit instrument is als gevolg van marktontwikkelingen in de sector akkerbouw-
gewassen en de invoering van ontkoppelde steun echter overbodig geworden en moet
worden afgeschaft. De overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde
braakleggingstoeslagrechten moeten daarom worden geactiveerd voor hectaren die voldoen
aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden die voor elk ander toeslagrecht gelden. De afschaffing
van de braakleggingsverplichting kan tot gevolg hebben dat land dat in aanmerking kwam
voor het activeren van braakleggingstoeslagrechten, niet langer daarvoor in aanmerking
komt. Om ervoor te zorgen dat dergelijk land daarvoor in aanmerking blijft komen, moet
worden bepaald dat bepaalde beboste gebieden, met inbegrip van gebieden die worden
bebost op grond van nationale regelingen die stroken met de desbetreffende voorschriften
van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of gebieden die aan bepaalde milieuafspraken zijn
onderworpen, in aanmerking komen voor de bedrijfstoeslagregeling.
(31) Niet alleen werd voordien gekoppelde marktsteun in de bedrijfstoeslagregeling
opgenomen, maar ook werd het bedrag van de toeslagrechten in lidstaten die kozen voor de
uitvoering van het historische model, gebaseerd op het individuele niveau van in het
verleden verleende steun. Nu de bedrijfstoeslagregeling reeds geruime tijd van toepassing
is en er meer sectoren omvat, wordt het steeds moeilijker om de legitimiteit van
aanzienlijke individuele verschillen in het steunniveau, die slechts gebaseerd zijn op in het
verleden verleende steun, te rechtvaardigen. Daarom moeten de lidstaten die hebben
gekozen voor de toepassing van het historische model, de mogelijkheid krijgen om onder
bepaalde voorwaarden en met inachtneming van de algemene beginselen van de
Gemeenschapswetgeving en de doelstellingen van het GLB de toegewezen toeslagrechten
in die zin te herzien dat de betrokken eenheidsbedragen dichter bij elkaar komen te liggen.
De lidstaten kunnen bij de vaststelling van dichter bij elkaar liggende bedragen rekening
houden met de specifieke kenmerken van geografische gebieden. Met het oog op het
gelijktrekken van de toeslagrechten moet worden voorzien in een adequate overgangs-
periode en een beperkte verlagingsmarge, teneinde de landbouwers in de gelegenheid te
stellen zich op een redelijke wijze aan de veranderende steunniveaus aan te passen.
(32) In het kader van Verordening (EG) nr. 1782/2003 kregen de lidstaten de mogelijkheid de
bedrijfstoeslagregeling aan de hand van het historische, dan wel het regionale model ten
uitvoer te leggen. De lidstaten hebben inmiddels de gelegenheid gehad om de gevolgen van
hun keuze vanuit economisch en administratief standpunt te evalueren. Tegen deze achter-
grond dient de lidstaten de kans te worden geboden hun oorspronkelijke keuze in het licht
van de opgedane ervaring te herzien. Hiertoe dient, naast de mogelijkheid het bedrag van
de toeslagrechten gelijk te trekken, aan de lidstaten die het historische model hebben
toegepast, de mogelijkheid te worden geboden over te schakelen naar een
geregionaliseerde toepassing van de bedrijfstoeslagregeling, overeenkomstig de opties
waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 reeds voorziet. De lidstaten zouden met name de
territoriale spreiding van de directe steun moeten kunnen bijstellen door een geleidelijk
herverdeling tussen de regio's. Deze mogelijkheid zou de lidstaten meer flexibiliteit bieden,
zodat zij de directe steun op de meest passende wijze kunnen sturen conform de in artikel
33 van het Verdrag neergelegde doelstellingen en op basis van objectieve, niet-
discriminerende criteria, zoals landbouwpotentieel en milieuoverwegingen. Lidstaten die
hebben geopteerd voor het regionale model, moeten eveneens in de gelegenheid worden
gesteld hun besluit onder bepaalde voorwaarden te herzien in de zin dat, met inachtneming
van de algemene beginselen van de Gemeenschapswetgeving en de doelstellingen van het
GLB, de bedragen van de toeslagrechten volgens vooraf vastgestelde jaarlijkse stappen
dichter bij elkaar komen te liggen. Met het oog op het gelijktrekken van de toeslagrechten
moet worden voorzien in een adequate overgangsperiode en een beperkte verlagingsmarge,
teneinde de landbouwers in de gelegenheid te stellen zich op een redelijke wijze aan de
(33) De lidstaten konden in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 ingevoerde
bedrijfstoeslagregeling bepaalde betalingen geheel of gedeeltelijk van de toepassing van
die regeling uitsluiten. Die verordening voorzag ook in de evaluatie en, eventueel,
herziening van die optie in het licht van markt- en structurele ontwikkelingen. Uit de
analyse van de in dit verband opgedane ervaring blijkt dat er inzake te verbouwen
producten dankzij de ontkoppeling soepeler keuzes kunnen worden gemaakt, waardoor de
producenten hun beslissingen over de productie kunnen afstemmen op rendabiliteit en de
signalen van de markt. Dit geldt met name voor de sectoren akkerbouwgewassen en hop,
en in bepaalde mate ook voor de sectoren rund- en kalfsvlees en zaaizaad. De gedeeltelijk
gekoppelde betalingen voor de sectoren akkerbouwgewassen en hop moeten daarom met
ingang van 2010 in de bedrijfstoeslagregeling worden opgenomen. Wat hop betreft,
mochten de lidstaten op grond van Verordening (EG) nr. 1782/2003 een deel van de
areaalsteun voor hop aan erkende producentenorganisaties verlenen. Teneinde de
producentenorganisaties in staat te stellen hun activiteiten te blijven uitoefenen zoals
voorheen, wordt in Verordening (EG) nr. 1234/2007 als gewijzigd bij Verordening (EG)
nr. .../20091* van ... tot wijziging van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, bepaald dat
in de betrokken lidstaat voor dezelfde activiteiten gelijke bedragen worden toegepast. Deze
bedragen moeten daarom in mindering worden gebracht van de nationale maxima waarin
de onderhavige verordening voor die lidstaat voorziet. Om de landbouwers in de sectoren
rund- en kalfsvlees en zaaizaad in de gelegenheid te stellen zich aan de nieuwe steun-
bepalingen aan te passen, dienen de betalingen voor rund- en kalfsvlees alsmede de steun
voor zaaizaad uiterlijk in 2012 geïntegreerd te zijn. Aangezien gedeeltelijk gekoppelde
(34) Wat de sector zoogkoeien, schapen- en geitenvlees betreft, kan het echter nog steeds nodig
zijn om in het belang van de landbouweconomie in bepaalde regio's, met name waar geen
economische alternatieven voor landbouwers voorhanden zijn, een minimaal landbouw-
productieniveau te handhaven. Daarom moeten de lidstaten kunnen opteren voor het
behoud van gekoppelde steun op het huidige niveau of op een lager niveau. In dat geval
moet, met name met het oog op de traceerbaarheid van de dieren, worden bepaald dat de
identificatie- en registratievoorschriften van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het
Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en
registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvlees-
producten1, en van Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot
vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten2 in acht
(35) De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om tot 10% van hun nationaal maximum voor
de bedrijfstoeslagregeling te gebruiken voor de verlening van specifieke steun in duidelijk
omschreven gevallen. Deze steun moet de lidstaten in staat stellen milieu- en dieren-
welzijnsproblemen aan te pakken en de kwaliteit en de afzet van landbouwproducten te
verbeteren. Tevens dient te worden voorzien in specifieke steun om de gevolgen van de
geleidelijke afschaffing van de melkquota en de ontkoppeling van de steun in bijzonder
kwetsbare sectoren op te vangen. Gezien het toenemende belang van doeltreffend
risicobeheer moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen financieel bij te dragen aan door
de landbouwers te betalen oogst-, dier- en plantverzekeringspremies en aan de vergoeding
van bepaalde economische verliezen ten gevolge van dier- of plantenziekten en milieu-
ongevallen. Met het oog op de naleving van de door de Gemeenschap aangegane
internationale verbintenissen moeten de middelen die voor gekoppelde steun kunnen
worden gebruikt, tot een gepast niveau worden beperkt, terwijl er tegelijk overgangs-
maatregelen moeten worden toegestaan voor lidstaten die bijzondere moeilijkheden
ondervinden. De voorwaarden voor de financiële bijdrage aan oogst-, dier- en plant-
verzekeringen en vergoedingen tengevolge van dier- of plantenziekten en milieuongevallen
moeten dienovereenkomstig worden vastgesteld. Voorts moeten de lidstaten die een beroep
gedaan hebben op artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 een voldoende
overgangstermijn krijgen zodat ze vlot kunnen overschakelen op de nieuwe regels voor
(36) De ervaring heeft geleerd dat de lidstaten de beschikbare middelen onder de nationale
maxima voor de bedrijfstoeslagregeling momenteel niet volledig benutten, met name bij
niet-activering van toeslagrechten. Om een efficiëntere benutting van middelen te
bevorderen, is het zinvol om de lidstaten toe te staan steun te verlenen boven hun nationale
maxima, tot een zodanig bedrag dat zij binnen de marges van onderbesteding ten opzichte
van hun nationale maxima blijven. Dat bedrag moet worden berekend op grond van de
onderbesteding ten opzichte van de begroting voor het recentste beschikbare jaar en mag
de eerbiediging van het totale nettomaximum van de rechtstreekse betalingen per lidstaat
niet in het gedrang brengen. Daarom, en om ervoor te zorgen dat de landbouwers niet met
onvoorziene verlagingen van de betalingen te maken krijgen, moet de berekening binnen
bepaalde veiligheidsmarges plaatsvinden. Deze bedragen moeten worden gebruikt voor de
financiering van specifieke steun of worden overgedragen naar het ELFPO.
(37) De rechtstreekse betalingen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling waren gebaseerd op
de referentiebedragen van de in het verleden ontvangen rechtstreekse betalingen of op
geregionaliseerde bedragen per hectare. De landbouwers in de nieuwe lidstaten kregen
geen rechtstreekse betalingen van de Gemeenschap en beschikten niet over historische
referenties voor de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002. Daarom werd in Verordening (EG)
nr. 1782/2003 bepaald dat de bedrijfstoeslagregeling in de nieuwe lidstaten moest worden
gebaseerd op geregionaliseerde bedragen per hectare. Nu deze landen reeds enige jaren
deel uitmaken van de Gemeenschap, kan het gebruik van referentieperioden echter worden
overwogen voor de nieuwe lidstaten die nog niet op de bedrijfstoeslagregeling zijn
overgeschakeld. Om de overgang naar de bedrijfstoeslagregeling te vergemakkelijken en
met name om speculatieve aanvragen te voorkomen, dient de nieuwe lidstaten daarom de
mogelijkheid te worden geboden om de oppervlakten waarvoor, historisch gezien, steun
werd verleend in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling, in aanmerking
te nemen voor de berekening van de toeslagrechten in het kader van de
bedrijfstoeslagregeling.
(38) In het kader van het regionale model voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling
dient de nieuwe lidstaten de mogelijkheid te worden geboden om het bedrag van het
toeslagrecht per hectare op basis van objectieve criteria aan te passen, teneinde een gelijke
behandeling van alle landbouwers te garanderen en marktverstoringen te voorkomen.
(39) De nieuwe lidstaten moeten dezelfde mogelijkheden als de andere lidstaten krijgen om de
bedrijfstoeslagregeling gedeeltelijk ten uitvoer te leggen.
(40) De ontkoppeling van de rechtstreekse steun en de invoering van de bedrijfstoeslagregeling
waren hoekstenen in de hervorming van het GLB. In 2003 bestond echter een aantal
redenen om specifieke steun voor een aantal gewassen te behouden. De ervaring die is
opgedaan bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de ontwikkeling van
de marktsituatie wijzen erop dat regelingen die in 2003 van de toepassing van de
bedrijfstoeslagregeling werden uitgesloten, inmiddels met het oog op een meer
marktgerichte en duurzame landbouw in de regeling kunnen worden opgenomen. Dit geldt
met name voor de sector olijfolie, waar slechts een marginale vorm van koppeling werd
toegepast, alsmede voor de betalingen in de sectoren durumtarwe, eiwithoudende
gewassen, aardappelzetmeel en noten, waar het nut van ontkoppeling wordt bekrachtigd
door de afnemende doeltreffendheid van de resterende gekoppelde betaling. Met
betrekking tot vlas en hennep, gedroogde voedergewassen en aardappelzetmeel moet de
verwerkingssteun eveneens worden ontkoppeld en moeten de betrokken bedragen in de
bedrijfstoeslagregeling worden geïntegreerd. Met betrekking tot eiwithoudende gewassen,
rijst, aardappelzetmeel, noten, vlas en hennep, is het passend de steun voor die sectoren
vanaf 2012 in de bedrijfstoeslagregeling op te nemen, en de lidstaten tegelijkertijd toe te
staan te besluiten om deze steun, met uitzondering van de verwerkingssteun bedoeld in
Verordening (EG) nr. 1234/2007, vroeger op te nemen. Wat noten betreft, moeten de
lidstaten de mogelijkheid krijgen het nationale deel van de steun op een gekoppelde manier
te blijven betalen om zo de gevolgen van de ontkoppeling beter te kunnen opvangen.
(41) Als gevolg van de integratie van nieuwe sectoren in de bedrijfstoeslagregeling moet
worden voorzien in de berekening van het nieuwe niveau van individuele inkomenssteun in
het kader van die regeling. Met betrekking tot noten, aardappelzetmeel, vlas en hennep en
gedroogde voedergewassen, moet deze stijging worden toegekend op basis van de steun
die de landbouwers gedurende de laatste jaren hebben ontvangen. Wat de integratie van
betalingen betreft die gedeeltelijk van de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling waren
uitgesloten, moeten de lidstaten echter de mogelijkheid krijgen de oorspronkelijke
referentieperioden te gebruiken. Voor aardappelzetmeel moet bij de vaststelling van de
voor distributie in Duitsland en Nederland beschikbare hoeveelheden rekening worden
gehouden met de grensoverschrijdende levering van in de een van deze lidstaten
geproduceerd aardappelzetmeel ten behoeve van verwerking in de andere lidstaat.
Teneinde te voorzien in de specifieke behoeften van hun landbouwsectoren en ervoor te
zorgen dat de steun die de landbouwers in het verleden hebben ontvangen niet drastisch
wordt verminderd, dient de lidstaten te worden toegestaan de in de bedrijfstoeslagregeling
op te nemen middelen binnen bepaalde grenzen te gebruiken om steun te verlenen aan
landbouwers die in dezelfde periode in andere sectoren bepaalde landbouwactiviteiten
hebben uitgeoefend, zoals het gebruik van grasland of het houden van dieren.
(42) Om de sector energiegewassen bij zijn ontwikkeling te helpen, is bij Verordening (EG)
nr. 1782/2003 specifieke steun voor deze gewassen vastgesteld. Vanwege recente
ontwikkelingen in de sector bio-energie, en met name de grote vraag naar dergelijke
producten op de internationale markten en de invoering van bindende streefdoelen voor het
(43) Toen de katoensector in de bedrijfstoeslagregeling is geïntegreerd, werd het noodzakelijk
geacht om, ter voorkoming van eventuele productieverstoringen in de katoenproducerende
gebieden, de steun gedeeltelijk aan de katoenproductie gekoppeld te houden door middel
van een gewasspecifieke betaling per subsidiabele hectare. Deze benadering moet worden
aangehouden overeenkomstig de doelstellingen die zijn opgenomen in Protocol nr. 4
inzake katoen bij de Akte van Toetreding van 1979.
(44) Om de gevolgen van het herstructureringsproces in lidstaten die de in Verordening (EG)
nr. 320/2006 van de Raad van 20 februari 2006 tot instelling van een tijdelijke regeling
voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap1 vastgestelde
herstructureringssteun hebben verleend, op te vangen, moet de steun gedurende maximaal
vijf opeenvolgende jaren, waarin was voorzien voor producenten van suikerbieten en
suikerriet, worden gehandhaafd.
(45) Bij de opneming van de sectoren fruit en groenten in de bedrijfstoeslagregeling is bepaald
dat voor aardbeien en frambozen een tijdelijke gekoppelde oppervlaktesteun zou worden
toegekend. Het is passend de oorspronkelijk geplande termijn voor de toekenning van deze
steun te verlengen en tegelijkertijd deze steun los te koppelen van de productie. Nationale
maxima moeten worden aangepast om hiermee rekening te houden.
(46) Het vereenvoudigd en op areaal gebaseerd steunmechanisme voor rechtstreekse betalingen
in de nieuwe lidstaten, de regeling inzake een enkele areaalbetaling, is een doeltreffend en
eenvoudig systeem gebleken voor de verlening van inkomenssteun aan landbouwers in de
(47) Naar aanleiding van de respectieve hervormingen van de sectoren suiker en groenten en
fruit en de opname van deze sectoren in de bedrijfstoeslagregeling moeten de lidstaten die
voor toepassing van de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben geopteerd,
toestemming krijgen om inkomenssteun in de vorm van afzonderlijke betalingen te
verlenen aan producenten van suikerbieten, suikerriet en cichorei en aan producenten van
bepaalde soorten groenten en fruit. Deze lidstaten moeten tevens toestemming krijgen om
afzonderlijke specifieke steun te verlenen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor
de andere lidstaten gelden.
(48) Als gevolg van de geleidelijke invoering van rechtstreekse betalingen in de nieuwe
lidstaten, werd het nieuwe lidstaten toegestaan aanvullende nationale rechtstreekse
betalingen te doen. De voorwaarden voor dergelijke betalingen moeten worden
gehandhaafd.
(49) Bij de initiële toewijzing van toeslagrechten door de lidstaten is een aantal vergissingen
begaan die aan de basis lagen van bijzonder hoge betalingen aan landbouwers. Deze niet-
naleving van de voorschriften leidt normaliter tot een financiële correctie totdat
corrigerende maatregelen zijn getroffen. Gezien de tijd die verlopen is sedert voor het eerst
toeslagrechten zijn toegewezen, zou de vereiste correctie echter voor lidstaten oneven-
redige juridische en administratieve problemen met zich meebrengen. Omwille van de
rechtszekerheid dient de toewijzing van dergelijke betalingen daarom te worden
(50) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1782/2003 hebben Frankrijk, Portugal en Spanje
besloten de rechtstreekse betalingen voor respectievelijk de Franse overzeese
departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden buiten de bedrijfs-
toeslagregeling te laten en deze toe te kennen onder de in titel IV van die verordening
vastgestelde voorwaarden. Een deel van de in die titel vastgestelde steun is volledig in de
bedrijfstoeslagregeling opgenomen. Ter wille van de vereenvoudiging en om rekening te
houden met de specifieke omstandigheden van de ultraperifere gebieden, dient deze soort
steun te worden beheerd in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 247/2006 van de
Raad van 30 januari 2006 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten
behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie vastgestelde steunprogramma's1.
Hiertoe moeten de betrokken fondsen worden overgeheveld van de nationale maxima voor
de rechtstreekse betalingen naar het in die verordening vastgestelde bedrag. Opdat de
betrokken lidstaten de steunprogramma's kunnen aanpassen, dienen die overdrachten pas in
2010 plaats te vinden. Inmiddels zullen in de ultraperifere gebieden rechtstreekse
betalingen van toepassing zijn, conform het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1782/2003.
Verordening (EG) nr. 247/2006 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(51) Er moet worden vastgesteld dat bepalingen van de onderhavige verordening die aanleiding
kunnen geven tot mogelijk als staatssteun te beschouwen nationale maatregelen, tenzij in
de onderhavige verordening anders is vastgesteld, worden uitgesloten van de toepassing
van de regels inzake staatssteun aangezien in de betrokken bepalingen reeds adequate
steunverleningsvoorwaarden ter voorkoming van ongerechtvaardigde concurrentie-
(52) De voor de uitvoering van de onderhavige verordening vereiste maatregelen moeten
worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot
vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende
uitvoeringsbevoegdheden1.
(53) Opdat de bij deze verordening ingevoerde vereenvoudingsmechanismen ten bate komen
van zowel de lidstaten als de landbouwers, met name vanaf de afschaffing van de braak-
leggingsverplichting, dient deze verordening per 1 januari 2009 in werking te treden. De
bepalingen die tot een vermindering van de rechten van de landbouwers kunnen leiden of
nieuwe verplichtingen scheppen, onder andere de randvoorwaarden waaraan de
landbouwers het hele jaar moeten voldoen, mogen echter pas vanaf 2010 in werking treden
en, wat betreft de norm inzake het aanleggen van bufferstroken langs waterlopen pas per
1 januari 2012. Voorts moeten de lidstaten voldoende tijd krijgen voor de
tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake een verdere ontkoppeling van rechtstreekse
betalingen en inzake de herziening van in het kader van de hervorming van 2003 genomen
beslissingen. Daarom moeten de betrokken bepalingen van de onderhavige verordening
pas met ingang van 2010 van toepassing worden en moet de ingetrokken Verordening
(EG) nr. 1782/2003 in 2009 worden toegepast op de steunregelingen die pas met ingang
van 2010 in de bedrijfstoeslagregeling worden opgenomen,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
TITEL I
WERKINGSSFEER EN DEFINITIES
Artikel 1
Werkingssfeer
Bij deze verordening worden vastgesteld:
-
a)gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse betalingen;
-
b)een inkomenssteunregeling voor landbouwers (hierna de "bedrijfstoeslagregeling"
genoemd);
-
c)een voorlopige vereenvoudigde inkomenssteunregeling voor landbouwers in de nieuwe
lidstaten, als gedefinieerd in artikel 2, punt g) (hierna de "regeling inzake een enkele
areaalbetaling" genoemd);
-
d)steunregelingen voor landbouwers die rijst, zetmeelaardappelen, eiwithoudende gewassen,
noten, zaden, katoen, suiker, groenten en fruit, schapenvlees, geitenvlees, rundvlees of
kalfsvlees produceren;
-
e)een kader om de nieuwe lidstaten, als gedefinieerd in artikel 2, punt g), in staat te stellen de
rechtstreekse betalingen aan te vullen.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van de onderhavige verordening gelden de volgende definities:
-
a)"landbouwer": een natuurlijke of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of
rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale
recht, waarvan het bedrijf zich bevindt op het grondgebied van de Gemeenschap als
bedoeld in artikel 299 van het Verdrag en die een landbouwactiviteit uitoefent;
-
b)"bedrijf": het geheel van de productie-eenheden dat door de landbouwer wordt beheerd en
zich bevindt op het grondgebied van eenzelfde lidstaat;
-
c)"landbouwactiviteit": landbouwproducten produceren, fokken of telen tot en met het
oogsten, het melken, het fokken en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de
grond in goede landbouw- en milieuconditie als vastgesteld op grond van artikel 6 houden;
-
d)"rechtstreekse betaling": een betaling die rechtstreeks aan landbouwers wordt toegekend op
grond van een in bijlage I genoemde steunregeling;
-
e)"betalingen in een bepaald kalenderjaar" of "betalingen tijdens de referentieperiode": de
voor het betrokken jaar/de betrokken jaren toegekende of toe te kennen betalingen met
inbegrip van alle betalingen voor andere perioden die in dat kalenderjaar/die kalenderjaren
beginnen;
-
f)"landbouwproducten": de in bijlage I van het Verdrag genoemde producten, exclusief
visserijproducten, alsmede katoen;
-
g)"nieuwe lidstaten": Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije,
Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije;
-
h)"landbouwgrond": om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend
grasland of voor de teelt van blijvende gewassen.
Artikel 3
Financiering van rechtstreekse betalingen
De in bijlage I bij de onderhavige verordening genoemde steunregelingen worden gefinancierd
overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt c), van Verordening (EG) nr. 1290/2005.
TITEL II
ALGEMENE BEPALINGEN
INZAKE RECHTSTREEKSE BETALINGEN
HOOFDSTUK 1
RANDVOORWAARDEN
Artikel 4
Belangrijkste eisen
-
1.Een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, neemt de in bijlage II genoemde uit
de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de in artikel 6 bedoelde eisen inzake goede
landbouw- en milieuconditie in acht.
De in de eerste alinea bedoelde verplichting geldt alleen voor de landbouwactiviteit van de
landbouwer of de landbouwgrond van het bedrijf.
-
2.De bevoegde nationale autoriteit bezorgt de landbouwer, onder meer met gebruikmaking
van elektronische hulpmiddelen, de lijst van de in acht te nemen uit de regelgeving
voortvloeiende beheerseisen en eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie.
Artikel 5
Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen
-
1.De in bijlage II opgenomen uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen worden
vastgesteld in communautaire regelgeving op de volgende gebieden:
-
a)volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten,
-
b)milieu,
-
c)dierenwelzijn.
-
2.De in bijlage II genoemde besluiten gelden in de versie waarin zij van kracht zijn en, in het
geval van richtlijnen, zoals geïmplementeerd door de lidstaten.
Artikel 6
Goede landbouw- en milieuconditie
-
1.De lidstaten zorgen ervoor dat alle landbouwgrond, in het bijzonder grond die niet langer
wordt gebruikt voor productiedoeleinden, in goede landbouw- en milieuconditie wordt
gehouden. De lidstaten stellen op nationaal of op regionaal niveau minimumeisen inzake
goede landbouw- en milieuconditie vast op basis van het in bijlage III vastgestelde kader,
rekening houdend met de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden, met inbegrip
van de bodem- en de klimaatgesteldheid, de bestaande landbouwsystemen, het
De in de derde kolom van bijlage III vermelde normen zijn facultatief, tenzij:
-
a)een lidstaat vóór 1 januari 2009 een minimumeis inzake goede landbouw- en
milieuconditie voor de betrokken norm had vastgesteld, en/of;
-
b)in de lidstaat nationale voorschriften inzake de norm worden toegepast.
-
2.De andere dan de nieuwe lidstaten zien erop toe dat grond die op de voor de aanvragen van
oppervlaktesteun voor 2003 vastgestelde datum blijvend grasland was, als blijvend
grasland wordt gehandhaafd. De nieuwe lidstaten, behoudens Bulgarije en Roemenië, zien
erop toe dat grond die op 1 mei 2004 blijvend grasland was, als blijvend grasland wordt
gehandhaafd. Bulgarije en Roemenië zien erop toe dat grond die op 1 januari 2007 blijvend
grasland was, als blijvend grasland wordt gehandhaafd.
Een lidstaat mag evenwel, in naar behoren gerechtvaardigde omstandigheden, afwijken van
het bepaalde in de eerste alinea, mits er maatregelen worden getroffen om te voorkomen
dat de totale oppervlakte blijvend grasland aanzienlijk afneemt.
De eerste alinea is niet van toepassing op permanent grasland dat zal worden bebost, indien
die bebossing verenigbaar is met het milieu, en met uitsluiting van de aanplant van
kerstbomen en snelgroeiende soorten met korte omlooptijd.
HOOFDSTUK 2
MODULATIE EN FINANCIËLE DISCIPLINE
Artikel 7
Modulatie
-
1.Elk in een bepaald kalenderjaar aan een landbouwer te verlenen bedrag aan rechtstreekse
betalingen dat 5000 euro overschrijdt, wordt voor elk jaar tot en met 2012 verlaagd met de
volgende percentages:
-
a)2009: 7%,
-
b)2010: 8%,
-
c)2011: 9%,
-
d)2012: 10%.
-
2.De in lid 1 vastgestelde verlagingspercentages worden met 4 percentpunten verhoogd voor
bedragen van meer dan 300 000 euro.
-
3.De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op rechtstreekse betalingen aan landbouwers in de
Franse overzeese departementen, op de Azoren en Madeira, op de Canarische Eilanden en
Artikel 8
ettomaxima
-
1.Onverminderd artikel 11 mogen de totale nettobedragen van de rechtstreekse betalingen
die na toepassing van de artikelen 7 en 10 van de onderhavige verordening en artikel 1 van
Verordening (EG) nr. 378/2007, met uitzondering van de rechtstreekse betalingen uit
hoofde van Verordening (EG) nr. 247/2006 en Verordening (EG) nr. 1405/2006, in een
bepaalde lidstaat in een bepaalde kalenderjaar mogen worden toegekend, niet hoger liggen
dat de in bijlage IV bij de onderhavige verordening vastgestelde maxima. Zo nodig passen
de lidstaten een lineaire verlaging toe op de bedragen aan rechtstreekse betalingen
waarvoor de verlaging bedoeld in de artikelen 7 en 10 van de onderhavige verordening en
artikel 1 van Verordening (EG) nr. 378/2007 geldt, om ervoor te zorgen dat de in
bijlage IV vastgestelde maxima in acht worden genomen
-
2.De Commissie herziet de in bijlage IV van de onderhavige verordening vastgestelde
maxima volgens de in artikel 141, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde
procedure herzien om rekening te houden met:
-
a)wijzigingen van de totale maximumbedragen aan rechtstreekse betalingen die kunnen
worden toegekend,
-
b)wijzigingen van de vrijwillige modulatieregeling waarin Verordening (EG) nr.
Artikel 9
Uit de modulatie voortvloeiende bedragen
-
1.De bedragen die in andere dan de nieuwe lidstaten voortvloeien uit de toepassing van de in
artikel 7 vastgestelde verlagingen zijn overeenkomstig dit artikel beschikbaar als
aanvullende communautaire steun voor maatregelen in het kader van
plattelandsontwikkelingsprogramma's die overeenkomstig Verordening (EG)
nr. 1698/2005 worden gefinancierd met middelen uit het ELFPO.
-
2.De met een procentpunt overeenkomende bedragen worden toegekend aan de lidstaten
waar de desbetreffende bedragen zijn gegenereerd. De uit de toepassing van de verlaging
met 4 procentpunten voortvloeiende bedragen worden volgens de in artikel 141, lid 2,
bedoelde procedure aan de betrokken lidstaten toegewezen op basis van de volgende
criteria:
-
a)landbouwgrond,
-
b)werkgelegenheid in de landbouw,
-
c)bruto binnenlands product (BBP) per inwoner gecorrigeerd voor koopkracht.
Elke betrokken lidstaat ontvangt evenwel ten minste 80% van het totaal aan in de eerste
alinea bedoelde bedragen die in die lidstaat worden gegenereerd.
-
3.Indien het aandeel van rogge in de totale graanproductie van een lidstaat tijdens de periode
2000-2002 gemiddeld meer dan 5% bedraagt en zijn aandeel in de totale communautaire
roggeproductie in dezelfde periode meer dan 50% bedraagt, wordt minimaal 90% van de
bedragen die in die lidstaat door modulatie worden gegenereerd, in afwijking van lid 2,
tweede alinea, tot en met 2013 naar die lidstaat teruggesluisd.
Onverminderd de in artikel 68 geboden mogelijkheden is in dat geval ten minste 10% van
het aan die lidstaat toegekende bedrag beschikbaar voor de in lid 1 bedoelde maatregelen
in rogge producerende regio's.
Voor de toepassing van dit lid wordt onder "graan" verstaan, de in bijlage V opgenomen
producten.
-
4.Het resterende bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 7, lid 1, en de bedragen
die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7, lid 2, worden volgens de in artikel 141,
lid 2, bedoelde procedure toegewezen aan de lidstaat waar de betrokken bedragen zijn
gegenereerd. Dit bedrag wordt gebruikt overeenkomstig artikel 69, lid 5 bis, van
Verordening (EG) nr. 1698/2005.
Artikel 10
Bijzondere voorschriften voor de modulatie in de nieuwe lidstaten
-
2.Indien artikel 7 van toepassing is op landbouwers in een nieuwe lidstaat, mag het op grond
van artikel 7, lid 1, geldende percentage niet meer bedragen dan het verschil tussen het
krachtens artikel 121 voor die lidstaat geldende niveau van de rechtstreekse betalingen en
het niveau in de andere dan de nieuwe lidstaten, rekening houdend met op grond van
artikel 7, lid 1, toegepaste verlagingen.
-
3.Het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 7, leden 1 en 2, wordt volgens de in
artikel 141, lid 2, bedoelde procedure toegewezen aan de nieuwe lidstaat waar de overeen-
komstige bedragen zijn gegenereerd. Dit bedrag wordt gebruikt overeenkomstig artikel 69,
lid 5 bis, van Verordening (EG) nr. 1698/2005.
Artikel 11
Financiële discipline
-
1.Om ervoor te zorgen dat de bedragen ter financiering van de marktuitgaven en de
rechtstreekse betalingen in het kader van het GLB, die momenteel onder bijlage I,
rubriek 2, van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en
de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer1 vallen,
de jaarlijkse maxima die zijn vastgesteld in Besluit 2002/929/EG van de
vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van
18 november 2002 betreffende de conclusies van de Europese Raad van Brussel van 24 en
25 oktober 20022 niet overschrijden, wordt een aanpassing van de rechtstreekse betalingen
-
2.Op basis van een voorstel dat de Commissie indient uiterlijk op 31 maart van het
kalenderjaar waarop de in lid 1 bedoelde aanpassingen van toepassing zijn, stelt de Raad
deze aanpassingen vast uiterlijk op 30 juni van het zelfde kalenderjaar.
-
3.In het kader van de toepassing van de in artikel 121 vastgestelde toenameregeling op alle
in de nieuwe lidstaten toegekende rechtstreekse betalingen, is lid 1 van dit artikel voor de
nieuwe lidstaten pas van toepassing vanaf het kalenderjaar waarvoor het in de nieuwe
lidstaten geldende niveau van de rechtstreekse betalingen ten minste gelijk is aan het
niveau van die betalingen dat dan geldt in de andere lidstaten dan de nieuwe lidstaten.
HOOFDSTUK 3
BEDRIJFSADVISERINGSSYSTEEM
Artikel 12
Bedrijfsadviseringssysteem
-
1.De lidstaten zetten een systeem op voor de advisering van de landbouwers over grond- en
bedrijfsbeheer (hierna het "bedrijfsadviseringssysteem" genoemd), dat wordt beheerd door
één of meer aangewezen autoriteiten of door particuliere instanties.
-
2.Het bedrijfsadviseringssysteem heeft ten minste betrekking op de uit de regelgeving
voortvloeiende beheerseisen en de goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in
hoofdstuk 1.
-
3.Landbouwers kunnen op vrijwillige basis aan het bedrijfsadviseringssysteem deelnemen.
De lidstaten kunnen op grond van objectieve criteria bepalen welke categorieën
landbouwers, in welke rangorde, toegang tot het bedrijfsadviseringssysteem krijgen.
-
4.Uiterlijk op 31 december 2010 dient de Commissie bij de Raad een verslag in over de
toepassing van het bedrijfsadviseringssysteem, indien nodig vergezeld van passende
voorstellen.
Artikel 13
Verplichtingen van de aangewezen autoriteiten
en de particuliere instanties
Onverminderd de nationale wetgeving inzake toegang tot documenten zorgen de lidstaten ervoor
dat de in artikel 12, lid 1, bedoelde aangewezen autoriteiten en particuliere instanties geen bij hun
adviseringsactiviteit verkregen persoonlijke of individuele informatie en gegevens meedelen aan
andere personen dan de landbouwer die het betrokken bedrijf beheert, met uitzondering van bij hun
activiteit geconstateerde onregelmatigheden of inbreuken die vallen onder een in communautair of
nationaal recht vastgestelde verplichting om een overheidsorgaan te informeren, in het bijzonder in
HOOFDSTUK 4
GEÏNTEGREERD BEHEERS- EN CONTROLESYSTEEM
Artikel 14
Werkingssfeer
Elke lidstaat zet een geïntegreerd beheers- en controlesysteem op (hierna het "geïntegreerd
systeem" genoemd).
Het geïntegreerd systeem is van toepassing op de in bijlage I vermelde steunregelingen.
Voor zover nodig, is het ook van toepassing op het beheer en de controle inzake de in de
hoofdstukken 1 en 2 vastgestelde voorschriften.
Artikel 15
Onderdelen van het geïntegreerd systeem
-
1.Het geïntegreerd systeem omvat de volgende onderdelen:
-
a)een geautomatiseerde gegevensbank;
-
c)een systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten
-
d)steunaanvragen;
-
e)een geïntegreerd controlesysteem;
-
f)één enkel systeem om de identiteit te registreren van elke landbouwer die een
steunaanvraag indient.
-
2.Wanneer de artikelen 52 en 53 van de onderhavige verordening van toepassing zijn, omvat
het geïntegreerd systeem een systeem voor de identificatie en de registratie van dieren dat
is opgezet overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 en Verordening (EG)
nr. 21/2004.
-
3.De lidstaten kunnen in het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen een
geografisch informatiesysteem voor de olijventeelt opnemen.
Artikel 16
Geautomatiseerde gegevensbank
-
1.In de geautomatiseerde gegevensbank worden voor elk landbouwbedrijf de gegevens uit de
steunaanvragen opgenomen.
Deze gegevensbank moet met name de mogelijkheid bieden om via de bevoegde autoriteit
van de lidstaat de gegevens betreffende de kalenderjaren en/of verkoopseizoenen vanaf
-
2.De lidstaten kunnen gedecentraliseerde gegevensbanken opzetten op voorwaarde dat deze
gegevensbanken en de administratieve procedures om de gegevens vast te leggen en te
raadplegen, op het hele grondgebied van de lidstaat homogeen van opzet zijn en onderling
compatibel zijn om kruiscontroles mogelijk te maken.
Artikel 17
Systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen
Het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen wordt opgezet op basis van kaarten of
kadastrale documenten of andere cartografische gegevens. Daarbij wordt gebruikgemaakt van
technieken op basis van een geautomatiseerd geografisch informatiesysteem, bij voorkeur inclusief
orthobeelden van lucht- of satellietopnamen, met een homogene norm die een precisie waarborgt
die ten minste overeenkomt met die van kaarten op schaal 1:10000.
Artikel 18
Systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten
-
1.Er wordt een systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten opgezet
zodanig dat het verificatie van de toeslagrechten en kruiscontroles door vergelijking met de
steunaanvragen en door vergelijking met het systeem voor de identificatie van de
landbouwpercelen mogelijk maakt.
Artikel 19
Steunaanvragen
-
1.Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor rechtstreekse betalingen in waarin, voor
zover van toepassing, worden vermeld:
-
a)alle landbouwpercelen op het bedrijf en, bij toepassing van artikel 15, lid 3, door de
lidstaat, het aantal olijfbomen en de standplaats ervan in het perceel,
-
b)de voor activering aangegeven toeslagrechten,
-
c)alle andere bij de onderhavige verordening of door de betrokken lidstaat
voorgeschreven gegevens.
-
2.De lidstaten verstrekken, onder meer met gebruikmaking van elektronische hulpmiddelen,
vooraf opgestelde formulieren die zijn gebaseerd op de in het voorgaande jaar
geconstateerde oppervlakten, en grafisch materiaal dat de ligging van die oppervlakten en,
in voorkomend geval, de standplaats van olijfbomen aangeeft. Een lidstaat kan besluiten
dat in de steunaanvraag alleen de veranderingen ten opzichte van de in het voorgaande jaar
ingediende steunaanvraag hoeven te worden opgegeven.
-
3.Een lidstaat kan besluiten dat één en dezelfde steunaanvraag betrekking heeft op
verscheidene of alle in bijlage I vermelde steunregelingen of andere steunregelingen.
Artikel 20
Verificatie van de voorwaarden voor subsidiabiliteit
-
1.De lidstaten voeren administratieve controles van de steunaanvragen uit om de
subsidiabiliteitsvoorwaarden van de steun te verifiëren.
-
2.De administratieve controles worden aangevuld met een op verificatie van de
subsidiabiliteit van de steun gericht systeem van controles ter plaatse. Hiertoe stellen de
lidstaten een steekproefplan op voor de landbouwbedrijven.
De lidstaten kunnen teledetectietechnieken en GNSS-technieken (Global Navigation
Satellite System - wereldwijd satellietnavigatiesysteem) gebruiken als middel om
inspecties ter plaatse van landbouwpercelen uit te voeren.
-
3.Elke lidstaat wijst een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de bij
dit hoofdstuk voorgeschreven controles en inspecties.
Wanneer een lidstaat een regeling treft om sommige aspecten van de op grond van dit
hoofdstuk te verrichten werkzaamheden op te dragen aan gespecialiseerde instellingen of
bedrijven, dient de aangewezen autoriteit de controle over en de verantwoordelijkheid voor
de betrokken werkzaamheden te behouden.
Artikel 21
Verlagingen en uitsluitingen bij niet-naleving
van de subsidiabiliteitsvoorschriften
-
1.Onverminderd elke in artikel 23 bedoelde verlaging en uitsluiting, worden, wanneer een
landbouwer niet blijkt te voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de toekenning
van de steun waarin de onderhavige verordening voorziet, op de toegekende of toe te
kennen betaling of het deel daarvan waarvoor aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden is
voldaan, de verlagingen en uitsluitingen toegepast die volgens de in artikel 141, lid 2,
bedoelde procedure worden vastgesteld.
-
2.Het verlagingspercentage staat in verhouding tot de ernst, de omvang, het permanente
karakter en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving en kan gaan tot volledige
uitsluiting van één of meer steunregelingen voor één of meer kalenderjaren.
Artikel 22
Controles op de naleving van de randvoorwaarden
-
1.De lidstaten verrichten inspecties ter plaatse, om na te gaan of een landbouwer de in
hoofdstuk 1 bedoelde verplichtingen nakomt.
-
2.De lidstaten kunnen gebruik maken van hun bestaande beheers- en controlesystemen om
erop toe te zien dat de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de eisen inzake
Deze systemen, en met name het overeenkomstig Richtlijn 2008/71/EEG van 15 juli 2008
met betrekking tot de identificatie en de registratie van varkens1, Verordening (EG)
nr. 1760/2000 en Verordening (EG) nr. 21/2004 opgezette systeem voor de identificatie en
de registratie van dieren, moeten compatibel zijn met het in artikel 26, lid 1, van de
onderhavige verordening bedoelde geïntegreerd systeem.
Artikel 23
Verlaging of uitsluiting van betalingen bij niet-naleving
van de voorschriften inzake de randvoorwaarden
-
1.Wanneer de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen of de eisen inzake goede
landbouw- en milieuconditie op om het even welk moment in een bepaald kalenderjaar
(hierna het "betrokken kalenderjaar" genoemd) niet worden nageleefd tengevolge van een
handelen of nalaten dat rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de landbouwer die de
steunaanvraag in het betrokken kalenderjaar heeft ingediend, wordt het totaalbedrag van de
rechtstreekse betalingen die na toepassing van de artikelen 7, 10 en 11 aan die landbouwer
worden of moeten worden toegekend, verlaagd of uitgesloten overeenkomstig de op grond
van artikel 24 vastgestelde uitvoeringsbepalingen.
De eerste alinea is tevens van toepassing wanneer de betrokken niet-naleving het gevolg is
van een handelen of nalaten dat rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de persoon aan
wie of door wie de landbouwgrond was overgedragen.
In afwijking van de tweede alinea, wordt vanaf 2010, indien de persoon aan wie het
handelen of nalaten rechtstreeks kan worden toegeschreven, een steunaanvraag in het
betrokken kalenderjaar heeft ingediend, de vermindering of de uitsluiting toegepast op de
aan die persoon toegekende of toe te kennen totale bedragen aan rechtstreekse betalingen.
-
2.Onverminderd lid 1 en overeenkomstig de voorwaarden zoals vastgesteld in de in
artikel 24, lid 1, van de onderhavige verordening bedoelde uitvoeringsbepalingen, kunnen
de lidstaten besluiten geen verlaging of uitsluiting toe te passen, indien die verlaging of
uitsluiting ten hoogste 100 euro per landbouwer en per kalenderjaar bedraagt.
Indien een lidstaat besluit gebruik te maken van de in de eerste alinea geboden
mogelijkheid, neemt de bevoegde autoriteit het volgende jaar de nodige maatregelen om
ervoor te zorgen dat de landbouwer de betrokken geconstateerde niet-naleving corrigeert.
De constatering van de niet-naleving en de verplichting corrigerende actie te ondernemen
worden de landbouwer meegedeeld.
Artikel 24
Uitvoeringsbepalingen met betrekking tot verlagingen of uitsluitingen
van betalingen bij niet-naleving van de voorschriften inzake de randvoorwaarden
-
1.Volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure worden uitvoeringsbepalingen
betreffende de in artikel 23 bedoelde verlagingen en uitsluitingen vastgesteld. Daarbij
wordt rekening gehouden met de ernst, de omvang, het permanente karakter en de
-
2.Bij nalatigheid bedraagt het verlagingspercentage niet meer dan 5% en bij herhaalde niet-
naleving niet meer dan 15%.
In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten besluiten dat geen verlaging
wordt toegepast wanneer een geval van niet-naleving, gelet op de ernst, de omvang en het
permanente karakter ervan, als van gering belang moet worden beschouwd. Gevallen van
niet-naleving die een rechtstreeks gevaar voor de volksgezondheid of de gezondheid van
dieren vormen, worden evenwel niet als van gering belang beschouwd.
Tenzij de landbouwer onmiddellijk corrigerende actie heeft ondernomen waarmee een
einde wordt gemaakt aan de geconstateerde niet-naleving, treft de bevoegde autoriteit de
vereiste maatregelen, welke in voorkomend geval kunnen worden beperkt tot een
administratieve controle, om ervoor te zorgen dat de landbouwer de geconstateerde niet-
naleving corrigeert. De constatering van geringe niet-naleving en de verplichting
corrigerende actie te ondernemen worden de landbouwer meegedeeld.
-
3.In geval van opzettelijke niet-naleving mag het verlagingspercentage in principe niet lager
zijn 20% en kan het tot de volledige uitsluiting van één of meer steunregelingen gaan en
voor één of meer kalenderjaren gelden.
-
4.Het totale bedrag van verlagingen en uitsluitingen voor één kalenderjaar kan niet meer
belopen dan het totaalbedrag zoals bedoeld in artikel 23, lid 1.
Artikel 26
Compatibiliteit van steunregelingen met het geïntegreerd systeem
-
1.Voor de toepassing van de in bijlage VI vermelde steunregelingen zorgen de lidstaten
ervoor dat de voor die regelingen toegepaste beheers- en controleprocedures op de
volgende punten compatibel zijn met het geïntegreerd systeem:
-
a)de geautomatiseerde gegevensbank,
-
b)de systemen voor de identificatie van de landbouwpercelen,
-
c)de administratieve controles.
Hiertoe worden de gegevensbank, de systemen en de controles, bedoeld onder a), b) en c)
zo opgezet dat zij geschikt zijn om zonder problemen of conflicten samen te functioneren
of onderling gegevens uit te wisselen.
-
2.Voor de toepassing van andere dan de in bijlage VI opgenomen communautaire of
nationale steunregelingen kunnen de lidstaten één of meer onderdelen van het geïntegreerd
systeem opnemen in hun beheers- en controleprocedures.
Artikel 27
Informatieverstrekking en controle
-
2.Na de betrokken bevoegde autoriteiten tijdig te hebben geïnformeerd, kunnen door de
Commissie aangestelde gemachtigde vertegenwoordigers overeenkomstig artikel 37 van
Verordening (EG) nr. 1290/2005:
-
a)elk onderzoek of elke controle verrichten met betrekking tot de maatregelen die zijn
genomen om het geïntegreerd systeem op te zetten en uit te voeren;
-
b)controles verrichten bij de in artikel 20, lid 3, bedoelde gespecialiseerde instellingen
en bedrijven.
-
3.Onverminderd de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor de uitvoering en toepassing
van het geïntegreerd systeem, kan de Commissie de hulp van gespecialiseerde instanties of
personen inroepen om het opzetten van, het toezicht op en het gebruik van het geïntegreerd
systeem te vergemakkelijken, en met name om de bevoegde autoriteiten van de lidstaten
desgewenst technische adviezen te verstrekken.
HOOFDSTUK 5
ANDERE ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 28
Minimumvereisten voor het ontvangen van rechtstreekse betalingen
-
b)indien het subsidiabele areaal van het bedrijf waarvoor rechtstreekse betalingen
worden aangevraagd of moeten worden toegekend vóór de in artikel 21 bedoelde
verlagingen en uitsluitingen minder dan één hectare bedraagt.
De lidstaten kunnen, om rekening te houden met de structuur van hun landbouweconomie,
de in de punten a) en b) bedoelde drempels aanpassen binnen de in bijlage VII vastgestelde
limieten.
Voor landbouwers die over de in artikel 44, lid 1, bedoelde bijzondere toeslagrechten
beschikken, is alleen de onder a) bedoelde voorwaarde van toepassing.
De betrokken lidstaten kunnen besluiten dit lid niet toe te passen in de Franse overzeese
departementen, op de Azoren en Madeira, op de Canarische Eilanden en op de eilanden in
de Egeïsche Zee.
Indien het betaalde bedrag wordt verlaagd ten gevolge van een geleidelijke invoering van
rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 121 van de onderhavige verordening,
bijlage VII, of punt K, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, of bijlage IX, punt C, van de
onderhavige verordening wordt het aangevraagde of toe te kennen bedrag berekend op
basis van het definitieve bedrag van de door de landbouwer te ontvangen steun.
-
2.Met ingang van 2010 kunnen de lidstaten objectieve en niet-discriminerende criteria
opstellen om ervoor te zorgen dat er geen rechtstreekse betalingen worden verstrekt aan
een natuurlijke of rechtspersoon:
-
b)wiens voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel niet de uitoefening van een
landbouwactiviteit is.
-
3.Toeslagrechten die op grond van lid 1 of lid 2 gedurende twee opeenvolgende jaren geen
recht op betalingen geven, worden toegevoegd aan de nationale reserve.
Artikel 29
Betaling
-
1.Tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald, worden de betalingen op grond
van de in bijlage I genoemde steunregelingen volledig aan de begunstigden uitgekeerd.
-
2.De betalingen worden in maximaal twee tranches per jaar uitgekeerd binnen de periode
van 1 december tot en met 30 juni van het volgende kalenderjaar.
-
3.Betalingen op grond van de in bijlage I vermelde steunregelingen worden pas verricht
nadat de lidstaat op grond van artikel 20 de subsidiabiliteitsvoorwaarden heeft getoetst.
-
4.In afwijking van lid 2 en volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure kan de
Commissie
-
b)de lidstaten machtigen om, onder voorbehoud van de begrotingssituatie, vóór
1 december in regio's waar de landbouwers zich als gevolg van uitzonderlijke
omstandigheden voor ernstige financiële moeilijkheden geplaatst zien, voorschotten
uit te betalen:
-
i)tot 50% van de betalingen
of
-
ii)tot 80% van de betalingen indien er reeds is voorzien in voorschotten.
Artikel 30
Misleiding
Onverminderd bijzondere bepalingen in afzonderlijke steunregelingen, wordt niet uitbetaald aan
begunstigden van wie vaststaat dat zij de voorwaarden voor de uitbetaling kunstmatig hebben
gecreëerd om een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van de betrokken
Artikel 31
Overmacht en uitzonderlijke omstandigheden
Voor de toepassing van de onderhavige verordening worden overmacht en uitzonderlijke
omstandigheden door de bevoegde autoriteit erkend in gevallen als:
-
a)het overlijden van de landbouwer;
-
b)langdurige arbeidsongeschiktheid van de landbouwer;
-
c)een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in ernstige mate heeft
aangetast;
-
d)het door een ongeluk tenietgaan van veehouderijgebouwen van het bedrijf;
-
e)een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan heeft getroffen.
Artikel 32
Evaluatie
De in bijlage I vermelde steunregelingen zijn van toepassing onverminderd de mogelijkheid deze op
elk tijdstip in het licht van de economische ontwikkelingen en de begrotingssituatie te herzien.
TITEL III
BEDRIJFSTOESLAGREGELING
HOOFDSTUK 1
ALGEMENE TENUITVOERLEGGING
Artikel 33
Toeslagrechten
-
1.In het kader van de bedrijfstoeslagregeling wordt steun beschikbaar gesteld voor
landbouwers die:
-
a)beschikken over toeslagrechten die zij overeenkomstig Verordening (EG) nr.
1782/2003 hebben verkregen;
-
b)op grond van de onderhavige verordening toeslagrechten verwerven:
-
i)via overdracht,
-
ii)uit de nationale reserve,
-
2.Voor de toepassing van artikel 47, lid 2, artikel 57, lid 6, artikel 64, lid 2, en artikel 66
wordt een landbouwer geacht over toeslagrechten te beschikken indien er toeslagrechten
aan hem zijn toegewezen of definitief zijn overgedragen.
-
3.Voor de overeenkomstig artikel 53, lid 2, artikel 63, lid 2, en artikel 71, punt j), van
Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde braakleggingstoeslagrechten gelden vorige
braakleggingsverplichtingen niet.
Artikel 34
Activering van toeslagrechten per subsidiabele hectare
-
1.De steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling wordt aan landbouwers toegekend na
activering van een toeslagrecht per subsidiabele hectare. Elk geactiveerd toeslagrecht geeft
recht op betaling van het in het kader van dat toeslagrecht vastgestelde bedrag.
-
2.Voor de toepassing van deze titel wordt onder "subsidiabele hectare" verstaan:
-
a)om het even welke landbouwgrond van het bedrijf, en grond beplant met hakhout
met een korte omlooptijd (GN-code ex 0602 90 41), die wordt gebruikt voor een
landbouwactiviteit of die, indien de grond ook voor niet-landbouwactiviteiten
gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt, en
-
b)om het even welke grond die in 2008 recht gaf op betalingen uit hoofde van de
bedrijfstoeslagregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling en die
-
i)niet langer voldoet aan de subsidiabiliteitsdefinitie als gevolg van de uitvoering
van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van
de vogelstand1 en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de
instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna2 en van
Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van
23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire
maatregelen betreffende het waterbeleid3, of
-
ii)voor de looptijd van de toepasselijke verbintenis van de individuele
landbouwer wordt bebost op grond van artikel 31 van Verordening (EG)
nr. 1257/1999 van de Raad van 27 mei 1999 inzake steun voor
plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de
Landbouw (EOGFL)4, of artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of
een nationale regeling waarvan de voorwaarden stroken met artikel 43, leden 1,
2 en 3 van genoemde verordening.
-
iii)voor de looptijd van de toepasselijke verbintenis van de individuele
landbouwer braakgelegd is krachtens de artikelen 22 tot en met 24 van
Verordening (EG) nr. 1257/1999 of krachtens artikel 39 van Verordening (EG)
Artikel 35
Aangifte van subsidiabele hectaren
-
1.De landbouwer geeft aan welke percelen overeenstemmen met de subsidiabele hectaren die
met een toeslagrecht gepaard gaan. Behalve in gevallen van overmacht of in uitzonderlijke
omstandigheden moeten deze percelen ter beschikking van de landbouwer staan op een
door de lidstaat vastgesteld tijdstip, maar niet later dan de in die lidstaat vastgestelde datum
voor wijziging van de steunaanvraag.
-
2.De lidstaten kunnen, in naar behoren gemotiveerde gevallen, de landbouwer toestaan zijn
aangifte te wijzigen op voorwaarde dat hij het aantal hectares in acht neemt dat
overeenstemt met zijn toeslagrechten en de voorwaarden in acht neemt die worden gesteld
aan de betaling voor het betrokken areaal.
Artikel 36
Wijziging van de toeslagrechten
De toeslagrechten per hectare worden niet gewijzigd, tenzij in de onderhavige verordening anders is
bepaald.
De Commissie stelt volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringsbepalingen vast
inzake de wijziging, met ingang van 2010, van toeslagrechten en met name delen van toeslag-
Artikel 37
Meervoudige aanvragen
De met het aantal subsidiabele hectaren overeenkomende oppervlakte waarvoor een aanvraag voor
een bedrijfstoeslag wordt ingediend, kan het voorwerp zijn van een aanvraag voor enig andere
rechtstreekse betaling, alsmede voor iedere andere steun die niet onder de onderhavige verordening
valt, tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald.
Artikel 38
Gebruik van grond in het kader van de uitgestelde integratie van de sector groenten en fruit
Wanneer een lidstaat heeft besloten gebruik te makenvan de in artikel 51, tweede alinea, van
Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde optie (hierna "uitgestelde integratie" genoemd), zijn
de percelen in de regio's waarop dat besluit van toepassing is, tot uiterlijk 31 december 2010 niet
subsidiabel indien deze percelen worden gebruikt voor:
-
a)de productie van groenten en fruit,
-
b)de productie van consumptieaardappelen, of
In het kader van de in de eerste alinea bedoelde uitgestelde integratie kunnen de lidstaten besluiten
secundaire teelten toe te laten op de subsidiabele hectaren gedurende een periode van ten hoogste
drie maanden die elk jaar op 15 augustus begint. Op verzoek van een lidstaat kan deze datum
volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure echter worden gewijzigd voor gebieden waar
granen gewoonlijk eerder worden geoogst wegens klimaatredenen.
Artikel 39
Gebruik van grond voor de productie van hennep
-
1.Voor de productie van hennep gebruikte arealen zijn slechts subsidiabel wanneer het
gehalte aan tetrahydrocannabinol van de gebruikte rassen maximaal 0,2% bedraagt. De
lidstaten voeren een systeem in voor het controleren van het gehalte aan
tetrahydrocannabinol van de geteelde gewassen op ten minste 30% van de henneparealen.
Indien een lidstaat voor deze teelt een systeem van voorafgaande vergunningen invoert,
geldt echter een minimum van 20%.
-
2.Volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure wordt het toekennen van betalingen
afhankelijk gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad van bepaalde rassen.
Artikel 40
ationale maxima
-
1.De totale waarde van alle toegewezen toeslagrechten en van de overeenkomstig artikel 51,
lid 2, en artikel 69, lid 3, van de onderhavige verordening of, voor 2009, overeenkomstig
artikel 64, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde maxima mag voor elke
lidstaat en voor elk jaar niet hoger zijn dan het in bijlage VIII van de onderhavige
verordening vastgestelde overeenkomstige nationale maximum.
Indien toeslagrechten worden toegewezen aan wijnbouwers, past de Commissie, rekening
houdend met de meest recente gegevens die haar overeenkomstig artikel 9 en artikel 102,
lid 6, van Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad van 29 april 2008 houdende een
gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt1 door de lidstaten ter beschikking worden
gesteld, de in bijlage VIII bij de onderhavige verordening vastgestelde nationale maxima
aan volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure. Uiterlijk op 1 december van het
jaar dat voorafgaat aan de aanpassing van de nationale maxima, stellen de lidstaten de
Commissie in kennis van het regionale gemiddelde van de bedragen van de in bijlage IX,
punt B, van de onderhavige verordening bedoelde toeslagrechten.
-
2.Zo nodig past de lidstaat een lineaire verlaging op het bedrag van de toeslagrechten toe om
de naleving van het in bijlage VIII vastgestelde maximum te garanderen.
Artikel 41
ationale reserve
-
1.Elke lidstaat beheert een nationale reserve waarin het verschil wordt opgenomen tussen:
-
a)de in bijlage VIII van de onderhavige verordening vastgestelde nationale maxima; en
-
b)het totaalbedrag van alle toegewezen toeslagrechten en de overeenkomstig artikel 51,
lid 2, en artikel 69, lid 3, van de onderhavige verordening of, voor 2009,
overeenkomstig artikel 64, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde
maxima.
-
2.De lidstaten kunnen de nationale reserve gebruiken om op basis van objectieve criteria en
op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en
markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, bij voorrang toeslagrechten toe te
wijzen aan landbouwers die met hun landbouwactiviteiten beginnen.
-
3.Lidstaten die artikel 68, lid 1, punt c), niet toepassen, kunnen de nationale reserve
gebruiken om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke
behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en
concurrentieverstoringen worden vermeden, toeslagrechten vast te stellen voor
landbouwers in gebieden waar aan een of andere vorm van overheidssteun gekoppelde
herstructurerings- en ontwikkelingsprogramma's lopen om te voorkomen dat het land
-
4.De nieuwe lidstaten gebruiken de nationale reserve om, op basis van objectieve en niet-
discriminerende criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de
landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden
voorkomen, toeslagrechten toe te wijzen aan landbouwers die zich in een bijzondere, door
de Commissie volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure te omschrijven situatie
bevinden.
-
5.In het kader van de toepassing van dit artikel kunnen de lidstaten het eenheidsbedrag van
de toeslagrechten en/of het aantal aan landbouwers toegewezen toeslagrechten verhogen.
Artikel 42
Ongebruikte toeslagrechten
Toeslagrechten die gedurende twee jaar niet zijn geactiveerd overeenkomstig artikel 34, worden
toegevoegd aan de nationale reserve, behalve in gevallen van overmacht of uitzonderlijke
omstandigheden. Voor 2009 worden toeslagrechten die gedurende het tweejarige tijdvak 2007-2008
niet geactiveerd waren echter niet aan de nationale reserve toegevoegd indien zij in 2006
geactiveerd waren; voor 2010 worden toeslagrechten die gedurende het tweejarige tijdvak
2008-2009 niet zijn geactiveerd niet aan de nationale reserve toegevoegd indien zij in 2007
geactiveerd waren.
Zelfs in het geval van overdracht door feitelijke of verwachte vererving mogen de
toeslagrechten evenwel uitsluitend worden gebruikt in de lidstaat waar de toeslagrechten
zijn vastgesteld.
Een lidstaat kan besluiten dat toeslagrechten alleen binnen eenzelfde regio mogen worden
overgedragen of gebruikt.
-
2.Toeslagrechten kunnen worden overgedragen door verkoop of elke andere vorm van
definitieve overdracht met of zonder grond. Verhuur of soortgelijke transacties zijn
daarentegen slechts toegestaan indien de overdracht van de toeslagrechten gepaard gaat
met de overdracht van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren.
-
3.Indien toeslagrechten worden verkocht, met of zonder land, kunnen de lidstaten, met
inachtneming van de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, besluiten dat een
deel van de verkochte toeslagrechten aan de nationale reserve wordt toegevoegd of dat het
eenheidsbedrag van de toeslagrechten wordt verlaagd ten behoeve van de nationale
reserve, op basis van door de Commissie volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde
procedure vast te stellen criteria.
Artikel 44
Voorwaarden voor bijzondere toeslagrechten
-
2.In afwijking van artikel 34, lid 1, wordt een landbouwer die over bijzondere toeslagrechten
beschikt, door de lidstaat gemachtigd om af te wijken van de verplichting zijn
toeslagrechten te activeren op basis van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren,
op voorwaarde dat deze landbouwer ten minste:
-
a)50% van de tijdens de in Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde referentieperiode
uitgeoefende en in grootvee-eenheden (GVE) uitgedrukte landbouwactiviteiten
behoudt of,
-
b)in het geval van de op grond van artikel 60 vastgestelde bijzondere toeslagrechten,
50% van de vóór de overgang naar de bedrijfstoeslagregeling uitgeoefende en in
grootvee-eenheden (GVE) uitgedrukte landbouwactiviteiten behoudt of,
-
c)in het geval van artikel 65, 50% van de gedurende de toepassing van de artikelen 67
en 68 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 uitgeoefende landbouwactiviteiten,
uitgedrukt in GVE, behoudt.
Een landbouwer die bijzondere toeslagrechten toegewezen heeft gekregen op grond van
zowel Verordening (EG) nr. 1782/2003 als de onderhavige verordening, is evenwel
verplicht om ten minste 50% van de hoogste van de in de eerste alinea bedoelde
activiteitsgraden te behouden.
De in de eerste alinea vastgestelde voorwaarde is niet van toepassing op Malta.
Artikel 45
Herziening van de toeslagrechten
-
1.In gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten die de bedrijfstoeslagregeling op grond van
titel III, de hoofdstukken 1 tot en met 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 hebben
ingevoerd met inachtneming van de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht,
besluiten om in of na 2010 de bedragen van de toeslagrechten dichter bij elkaar te brengen.
Om vanaf 2010 te gelden, moet het besluit uiterlijk op 1 augustus 2009 genomen zijn. In
alle andere gevallen moet het uiterlijk op 1 augustus 2010 genomen zijn.
-
2.Voor de toepassing van de eerste alinea van lid 1 kunnen jaarlijks de toeslagrechten
geleidelijk worden gewijzigd op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.
Indien de wijziging een vermindering van de waarde van de toeslagrechten tot gevolg
heeft, wordt deze wijziging doorgevoerd in ten minste drie vooraf vastgestelde jaarlijkse
stappen.
In elk van de in de eerste alinea bedoelde jaarlijkse stappen bedraagt de vermindering van
de waarde van de toeslagrechten niet meer dan 50% van het verschil tussen de
oorspronkelijke en de uiteindelijke waarde. Indien de waardevermindering minder dan
10% van de oorspronkelijke waarde bedraagt, mogen de lidstaten minder dan drie stappen
-
3.De lidstaten kunnen besluiten dit artikel toe te passen:
-
a)op het gepaste geografische niveau, dat wordt vastgesteld op basis van objectieve en
niet-discriminerende criteria, zoals hun institutionele of administratieve structuur
en/of het agrarische potentieel; of
-
b)in de regio die is vastgesteld overeenkomstig artikel 46, lid 2, indien artikel 46, lid 4,
wordt toegepast.
HOOFDSTUK 2
REGIONALE EN GEDEELTELIJKE UITVOERING
AFDELING 1
REGIONALE UITVOERING
Artikel 46
Regionale toewijzing van het in artikel 40 bedoelde maximum
-
1.Een lidstaat die de bedrijfstoeslagregeling overeenkomstig titel III, hoofdstukken 1 tot en
met 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 heeft ingevoerd, kan besluiten de bedrijfs-
toeslagregeling in of na 2010 op regionaal niveau toe te passen onder de in deze afdeling
vastgestelde voorwaarden. Om vanaf 2010 te gelden, moet het besluit uiterlijk op
-
2.De lidstaten stellen de regio's vast op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria,
zoals hun institutionele of administratieve structuur en het regionale agrarische potentieel.
Lidstaten kunnen hun gehele grondgebied als één regio beschouwen.
-
3.De lidstaten verdelen het in artikel 40 bedoelde nationale maxima op basis van objectieve
en niet-discriminerende criteria over de regio's. De lidstaten kunnen besluiten dat deze
regionale maxima jaarlijks geleidelijk worden gewijzigd in ten hoogste drie vooraf
vastgestelde jaarlijkse stappen en op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria,
zoals landbouwpotentieel of milieuoverwegingen.
-
4.Indien een lidstaat die de leden 1, 2 en 3 toepast, besluit artikel 47 niet toe te passen, past
hij, voor zover nodig om de toepasselijke regionale maxima na te leven, de waarde van de
toeslagrechten in elk van zijn regio's aan. Hiertoe wordt de waarde van de toeslagrechten
lineair verlaagd of verhoogd. De totale verlaging van de waarde van de toeslagrechten op
grond van dit lid is beperkt tot 10% van hun oorspronkelijke waarde.
-
5.Indien een lidstaat besluit zowel artikel 45 als dit artikel toe te passen, wordt met de in
lid 4 van het onderhavige artikel bedoelde verlagingen van de waarde van de
toeslagrechten rekening gehouden bij de berekening van de in artikel 45, lid 2, vastgestelde
Artikel 47
Regionalisering van de bedrijftoeslagregeling
-
1.In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten besluiten niet meer dan 50%
van het op grond van artikel 46 vastgestelde regionale maximum te verdelen over alle land-
bouwers wier bedrijf in de betrokken regio is gelegen, met inbegrip van landbouwers die
niet over toeslagrechten beschikken.
-
2.De landbouwers ontvangen toeslagrechten waarvan het eenheidsbedrag wordt berekend
door het overeenkomstige deel van het op grond van artikel 46 vastgestelde regionale
maximum te delen door het aantal subsidiabele hectaren zoals dat op regionaal niveau is
vastgesteld.
Het bedrag van deze toeslagrechten wordt verhoogd wanneer een landbouwer voordat dit
artikel van toepassing is over toeslagrechten beschikt. Hiertoe wordt het regionale
eenheidsbedrag van elk van de toeslagrechten van de betrokken landbouwer verhoogd met
een bedrag dat wordt berekend op basis van het totale bedrag van de toeslagrechten
waarover de landbouwer op een door de betrokken lidstaat te bepalen datum beschikt.
Deze verhogingen worden berekend binnen de grenzen van het resterende deel van het
regionale maximum, na toepassing van lid 1.
-
3.Het aantal toeslagrechten per landbouwer is gelijk aan het aantal hectaren dat hij overeen-
komstig artikel 34, lid 2, aangeeft in het jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling
Artikel 48
Herziening van de toeslagrechten
-
1.In gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten die artikel 47 toepassen in overeenstemming
met de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht besluiten om in het jaar dat volgt
op de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling op regionaal niveau als bedoeld in
artikel 46, lid 1, de bedragen van de op grond van deze afdeling vastgestelde
toeslagrechten dichter bij elkaar te brengen
Om vanaf 2010 te gelden, moet dat besluit uiterlijk op 1 augustus 2009 genomen zijn. In
alle andere gevallen moet het uiterlijk op 1 augustus 2010 genomen zijn.
Voor de toepassing van de eerste alinea kunnen jaarlijks de toeslagrechten geleidelijk
worden gewijzigd op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria. Indien de
wijziging een vermindering van de waarde van de toeslagrechten tot gevolg heeft, wordt
deze wijziging doorgevoerd in ten minste twee vooraf vastgestelde jaarlijkse stappen.
-
2.In gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten die de bedrijfstoeslagregeling op grond van
titel III, hoofdstuk 5, afdeling 1, of hoofdstuk 6, van Verordening (EG) nr. 1782/2003
hebben ingevoerd met inachtneming van de algemene beginselen van het
Gemeenschapsrecht, besluiten om in of na 2010 de bedragen van de toeslagrechten dichter
bij elkaar te brengen. Om vanaf 2010 te gelden, moet dat besluit uiterlijk op 1 augustus
2009 genomen zijn. In alle andere gevallen moet het uiterlijk op 1 augustus 2010 genomen
Voor de toepassing van de eerste alinea worden jaarlijks de toeslagrechten geleidelijk
gewijzigd op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria. Indien de wijziging een
vermindering van de waarde van de toeslagrechten tot gevolg heeft, wordt deze wijziging
doorgevoerd in ten minste drie vooraf vastgestelde jaarlijkse stappen.
De eerste alinea geldt onverminderd de door lidstaten genomen besluiten krachtens
artikel 63, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003. Deze lidstaten kunnen afwijken van
het in de eerste alinea vastgestelde minimumaantal stappen en van de in lid 3 van dit artikel
vastgestelde maxima.
-
3.In elk van de in alinea 1 en 2 bedoelde jaarlijkse stappen bedraagt de vermindering van de
waarde van de toeslagrechten niet meer dan 50% van het verschil tussen de
oorspronkelijke en de uiteindelijke waarde. Indien de waardevermindering minder dan
10% van de oorspronkelijke waarde bedraagt, mogen de lidstaten minder dan drie stappen
toepassen.
-
4.De lidstaten kunnen besluiten de leden 1, 2 en 3 toe te passen op het gepaste geografische
niveau, dat wordt vastgesteld op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals
hun institutionele of administratieve structuur en/of het agrarische potentieel.
Artikel 49
Grasland
De lidstaten die artikel 47 toepassen, kunnen op basis van objectieve en niet-discriminerende
criteria en met inachtneming van het krachtens artikel 46 vastgestelde regionale maximum of een
deel daarvan, verschillende eenheidsbedragen van de toeslagrechten vaststellen voor de aan de in
artikel 47, lid 1, bedoelde landbouwers toe te wijzen toeslagrechten:
-
a)voor op de voor de aanvragen van oppervlaktesteun voor 2008 vastgestelde datum als
grasland gebruikte hectaren en voor andere subsidiabele hectaren, dan wel,
-
b)voor op de voor de aanvragen van oppervlaktesteun voor 2008 vastgestelde datum als
blijvend grasland gebruikte hectaren en voor andere subsidiabele hectaren.
Artikel 50
Voorwaarden voor de krachtens deze afdeling vastgestelde toeslagrechten
-
1.Toeslagrechten die zijn vastgesteld overeenkomstig deze afdeling of titel III, hoofdstuk 5,
afdeling 1, of hoofdstuk 6 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, mogen slechts worden
overgedragen binnen één regio of tussen regio's indien de bedragen van de toeslagrechten
per hectare dezelfde zijn en de toeslagrechten in die regio's worden gebruikt.
AFDELING 2
GEDEELTELIJKE UITVOERING
Artikel 51
Algemene bepalingen
-
1.De lidstaten die krachtens titel III, hoofdstuk 5, afdeling 2, van Verordening (EG)
nr. 1782/2003 betalingen in de sectoren schapenvlees en geitenvlees of de betalingen voor
rund- en kalfsvlees hebben toegekend, kunnen vóór 1 augustus 2009 besluiten deze
betalingen onder de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden verder toe te kennen. Zij
kunnen ook besluiten het aandeel van hun nationale maxima dat moet worden gebruikt
voor de toekenning van deze betalingen vast te stellen op een lager niveau dan het niveau
waartoe is besloten overeenkomstig artikel 64, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003.
Indien een lidstaat dit besluit niet neemt, worden de betalingen met ingang van 2010
overeenkomstig artikel 66 van deze verordening in de bedrijfstoeslagregeling geïntegreerd.
In het geval van de in artikel 53, lid 2, van deze verordening bedoelde betalingen voor
rund- en kalfsvlees kunnen de lidstaten voor 1 augustus 2010 ook besluiten de betalingen
niet toe te kennen, maar deze met ingang van 2011 overeenkomstig artikel 66 van deze
verordening in de bedrijfstoeslagregeling te integreren.
Lidstaten die op grond van artikel 68 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003 de
betalingen voor groenten en fruit volledig of gedeeltelijk van de bedrijfstoeslagregeling
hebben uitgesloten, kunnen:
-
a)met ingang van 2010 de betalingen voor groenten en fruit toekennen volgens de in
deze afdeling vastgestelde voorwaarden en in overeenstemming met het op grond
van artikel 68 ter, leden 1 en 2, en artikel 143 ter quater, leden 1 en 2, van
Verordening (EG) nr. 1782/2003 genomen besluit, of
-
b)voor 1 augustus 2009 besluiten de op grond van artikel 68 ter van Verordening (EG)
nr. 1782/2003 van de bedrijfstoeslagregeling uitgesloten betalingen voor groenten en
fruit overeenkomstig artikel 66 van deze verordening in de bedrijfstoeslagregeling te
integreren, of
-
c)voor 1 augustus 2009 besluiten de overgangsbetaling voor groenten en fruit onder de
in deze afdeling vastgestelde voorwaarden toe te kennen op een lager niveau dan het
niveau waartoe is besloten overeenkomstig van artikel 68 ter van Verordening (EG)
nr. 1782/2003.
De nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast,
kunnen, wanneer zij de bedrijfstoeslagregeling invoeren, besluiten de in de eerste alinea
bedoelde betalingen toe te kennen onder de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden. In
het geval van de overgangsbetaling voor groenten en fruit passen de nieuwe lidstaten die
-
2.Al naargelang de door iedere lidstaat gemaakte keuze bepaalt de Commissie volgens de in
artikel 141, lid 2, bedoelde procedure een maximum voor elk van de in de artikelen 52, 53
en 54 genoemde rechtstreekse betalingen.
Dit maximum is gelijk aan het aandeel van elk type rechtstreekse betaling in de in artikel
40 bedoelde nationale maxima, vermenigvuldigd met de verlagingspercentages die de
lidstaten overeenkomstig de artikelen 52, 53 en 54 toepassen.
Artikel 52
Betalingen voor schapenvlees en geitenvlees
De lidstaten mogen tot 50% van het aandeel van de in artikel 40 van de onderhavige verordening
bedoelde nationale maxima dat overeenkomt met de in bijlage VI bij Verordening (EG)
nr. 1782/2003 opgenomen betalingen in de sectoren schapenvlees en geitenvlees, behouden. In dat
geval doen zij jaarlijks een extra betaling aan landbouwers.
De extra betaling wordt volgens de voorwaarden van titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 10, van de
onderhavige verordening en met inachtneming van het overeenkomstig artikel 51, lid 2, van de
onderhavige verordening bepaalde maximum verleend aan landbouwers die schapen en geiten
Artikel 53
Rund- en kalfsvleesbetalingen
-
1.De lidstaten die artikel 68, lid 2, onder a), i), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 hebben
toegepast en de nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben
toegepast, mogen het aandeel van de in artikel 40 van de onderhavige verordening
bedoelde nationale maxima dat overeenkomt met de in bijlage VI van Verordening (EG)
nr. 1782/2003 opgenomen zoogkoeienpremie, geheel of gedeeltelijk behouden. In die
gevallen doen zij jaarlijks een extra betaling aan landbouwers.
De extra betaling wordt volgens de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 11, van de
onderhavige verordening vastgestelde voorwaarden en met inachtneming van het
overeenkomstig artikel 51, lid 2, van de onderhavige verordening bepaalde maximum
verleend aan landbouwers die zoogkoeien houden.
-
2.In 2010 en 2011 mogen de lidstaten die artikel 68, lid 1, artikel 68, lid 2, punt a), ii), of
artikel 68, lid 2, punt b), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 hebben toegepast en nieuwe
lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast, het aandeel
van de in artikel 40 van de onderhavige verordening bedoelde nationale maxima dat
overeenkomt met de slachtpremie voor kalveren, de slachtpremie voor andere runderen dan
kalveren of de speciale premie voor mannelijke runderen, geheel of gedeeltelijk behouden.
In die gevallen doen zij jaarlijks een extra betaling aan landbouwers. De extra betalingen
Artikel 54
Overgangsbetalingen voor groenten en fruit
-
1.Tot en met 31 december 2011 mogen de lidstaten tot 50% van de aandelen van de in
artikel 40 van de onderhavige verordening bedoelde nationale maxima die bestemd zijn
voor steun voor de productie van tomaten, behouden.
In dit geval doet de betrokken lidstaat jaarlijks binnen het overeenkomstig artikel 51, lid 2,
vastgestelde maximum een extra betaling aan landbouwers.
De extra betaling wordt verleend aan landbouwers die tomaten produceren overeenkomstig
de voorwaarden van titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 8, van de onderhavige verordening.
-
2.De lidstaten mogen:
-
a)tot en met 31 december 2010, tot 100% behouden van het aandeel in de in artikel 40
van de onderhavige verordening genoemde nationale maxima dat bestemd is voor
steun voor de productie van bepaalde in de derde alinea bedoelde andere groente- en
fruitgewassen dan eenjarige die ter verwerking worden geleverd en subsidiabel
waren uit hoofde van de steunregelingen van Verordening (EG) nr. 2201/96 en
Verordening (EG) nr. 2202/96; en
-
b)van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012, tot 75% behouden van het aandeel
in de in artikel 40 van de onderhavige verordening genoemde nationale maxima dat
bestemd is voor steun voor de productie van bepaalde in de derde alinea bedoelde
andere groente- en fruitgewassen dan eenjarige die ter verwerking worden geleverd
en subsidiabel waren uit hoofde van de steunregelingen van Verordening (EG)
nr. 2201/96 van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der
markten in de sector verwerkte produkten op basis van groenten en fruit1 en
Verordening (EG) nr. 2202/96 van de Raad van 28 oktober 1996 tot invoering van
een steunregeling voor telers van bepaalde citrussoorten2.
In dit geval doet de betrokken lidstaat jaarlijks binnen het overeenkomstig artikel 51,
lid 2, van de onderhavige verordening vastgestelde maximum een extra betaling aan
landbouwers.
De extra betaling wordt volgens de voorwaarden van titel IV, hoofdstuk 1, afdeling
8, toegekend aan landbouwers die een of meer van de volgende groente- en
fruitsoorten produceren, zoals vastgesteld door de betrokken lidstaat:
-
i)verse vijgen,
-
ii)verse citrusvruchten,
-
3.De in de leden 1 en 2 bedoelde aandelen van de nationale maxima worden vastgesteld in
bijlage X.
HOOFDSTUK 3
UITVOERING IN DE NIEUWE LIDSTATEN DIE
DE REGELING INZAKE EEN ENKELE AREAALBETALING
HEBBEN TOEGEPAST
Artikel 55
Invoering van de bedrijfstoeslagregeling in de lidstaten die de regeling inzake
een enkele areaalbetaling hebben toegepast
-
1.Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, is deze titel van toepassing op de nieuwe
lidstaten die de in titel V, hoofdstuk 2, bedoelde regeling inzake een enkele areaalbetaling
hebben toegepast.
Artikel 41 en hoofdstuk 2, afdeling 1, zijn niet van toepassing.
-
2.Elke nieuwe lidstaat die de regeling inzake een enkele areaalbetaling heeft toegepast,
neemt de in artikel 51, lid 1, en artikel 69, lid 1, bedoelde besluiten uiterlijk op 1 augustus
van het jaar vóór het jaar waarin hij de bedrijfstoeslagregeling voor het eerst zal toepassen.
-
3.Elke nieuwe lidstaat die de regeling inzake een enkele areaalbetaling heeft toegepast,
behalve Bulgarije en Roemenië kan, in aanvulling op de in artikel 34, lid 2, vastgestelde
subsidiabiliteitsvoorwaarden bepalen dat onder "subsidiabele hectare" wordt verstaan,
landbouwgrond van het bedrijf die op 30 juni 2003 in goede landbouwconditie verkeerde,
ongeacht of die grond op die datum in productie was.
Artikel 56
Steunaanvraag
-
1.De landbouwers vragen steun op grond van de bedrijfstoeslagregeling uiterlijk op een door
de nieuwe lidstaten vast te stellen datum aan, maar niet later dan 15 mei.
-
2.Behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden worden alleen
toeslagrechten toegekend aan de landbouwers die uiterlijk op 15 mei van het eerste
toepassingsjaar van de bedrijfstoeslagregeling een aanvraag in het kader van de
bedrijfstoeslagregeling hebben ingediend.
Artikel 57
ationale reserve
-
1.Elke nieuwe lidstaat past op zijn in artikel 40 bedoelde nationale maximum een lineaire
procentuele verlaging toe, die een nationale reserve vormt.
-
2.De nieuwe lidstaten gebruiken de nationale reserve om, op basis van objectieve criteria en
op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en
markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen, toeslagrechten toe te wijzen aan
landbouwers die zich in een bijzondere, door de Commissie volgens de in artikel 141, lid 2,
bedoelde procedure te omschrijven situatie bevinden.
-
3.Gedurende het eerste toepassingsjaar van de bedrijfstoeslagregeling kunnen de nieuwe
lidstaten de nationale reserve gebruiken om op basis van objectieve criteria en op zodanige
wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en
concurrentieverstoringen worden voorkomen, toeslagrechten toe te kennen aan
landbouwers in specifieke sectoren die zich in een bijzondere situatie bevinden als gevolg
van de overgang naar de bedrijfstoeslagregeling.
-
4.De nieuwe lidstaten kunnen de nationale reserve gebruiken om, op basis van objectieve
criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt
gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, toeslagrechten toe
te wijzen aan landbouwers die na 1 januari van het eerste toepassingsjaar van de bedrijfs-
toeslagregeling met hun landbouwactiviteit zijn begonnen en dat jaar geen rechtstreekse
betaling hebben ontvangen.
-
5.De nieuwe lidstaten die artikel 68, lid 1, punt c), niet toepassen, kunnen de nationale
reserve gebruiken om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke
behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt-
-
6.Voor de toepassing van de leden 2 tot en met 5, kunnen de lidstaten het eenheidsbedrag
van de toeslagrechten waarover de betrokken landbouwer beschikt tot een maximum van
5000 euro verhogen of kunnen zij nieuwe toeslagrechten aan de betrokken landbouwer
toewijzen.
-
7.De nieuwe lidstaten passen een lineaire verlaging op de toeslagrechten toe indien hun
nationale reserve ontoereikend is om de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde gevallen te dekken.
Artikel 58
Regionale toewijzing van de nationale maxima, bedoeld in artikel 40
-
1.De nieuwe lidstaten kunnen de bedrijfstoeslagregeling op regionaal niveau toepassen.
-
2.De nieuwe lidstaten stellen de regio's vast op basis van objectieve en niet-discriminerende
criteria.
-
3.In voorkomend geval verdelen de nieuwe lidstaten het in artikel 40 bedoelde nationale
maximum, na toepassing van de in artikel 57 bedoelde verlaging, over de regio's op basis
van objectieve en niet-discriminerende criteria.
Artikel 59
Toewijzing van toeslagrechten
-
2.Het aantal toeslagrechten per landbouwer is gelijk aan het aantal hectaren dat de betrokken
landbouwer overeenkomstig artikel 35, lid 1, aangeeft in het eerste toepassingsjaar van de
bedrijfstoeslagregeling, behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.
-
3.In afwijking van lid 2 kunnen de nieuwe lidstaten besluiten dat het aantal toeslagrechten
per landbouwer gelijk is aan het jaarlijkse gemiddelde van alle hectaren die recht gaven op
de enkele areaalbetaling gedurende een of meer jaar van een door de betrokken lidstaat
vast te stellen representatieve periode die, behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke
omstandigheden, niet na 2008 mag vallen.
Voor een landbouwer die tijdens de representatieve periode een landbouwactiviteit is
begonnen, wordt het gemiddelde aantal hectaren gebaseerd op de betalingen die hem zijn
toegekend tijdens het kalenderjaar/de kalenderjaren waarin hij de landbouwactiviteit heeft
uitgeoefend.
Artikel 60
Landbouwers die geen subsidiabele hectaren hebben
Een landbouwer die actief was in de sectoren rund- en kalfsvlees, zuivel of schapenvlees en
geitenvlees die het recht heeft overeenkomstig artikel 57, lid 3, en artikel 59 toeslagrechten te
ontvangen waarvoor hij in het eerste toepassingsjaar van de bedrijfstoeslagregeling geen
subsidiabele hectaren heeft, krijgt, tot een maximum van 5000 euro per toeslagrecht, bijzondere
toeslagrechten als bedoeld in artikel 44 toegewezen.
Artikel 61
Grasland
Nieuwe lidstaten kunnen ook, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en met
inachtneming van het krachtens artikel 58 vastgestelde regionale maximum of een deel ervan, voor
de in artikel 59, lid 1, bedoelde landbouwers verschillende eenheidsbedragen van de toeslagrechten
vaststellen:
-
a)voor hectaren grasland zoals geïdentificeerd op 30 juni 2008 en voor andere subsidiabele
hectaren, dan wel,
-
b)voor hectaren blijvend grasland zoals geïdentificeerd op 30 juni 2008 en voor andere
subsidiabele hectaren.
Artikel 62
Voorwaarden voor toeslagrechten
-
1.Overeenkomstig dit hoofdstuk vastgestelde toeslagrechten mogen slechts worden over-
gedragen binnen één regio of tussen regio's met dezelfde toeslagrechten per hectare.
-
2.Nieuwe lidstaten kunnen, in overeenstemming met het algemene beginsel van het Gemeen-
schapsrecht, besluiten de bedragen van de overeenkomstig dit hoofdstuk vastgestelde
toeslagrechten dichter bij elkaar te brengen. Dit besluit wordt genomen uiterlijk 1 augustus
Voor de toepassing van de eerste alinea worden jaarlijks de toeslagrechten geleidelijk
gewijzigd op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en volgens van tevoren
bepaalde jaarlijkse stappen.
-
3.Behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden kan een landbouwer
zijn toeslagrechten zonder grond alleen overdragen nadat hij, in de zin van artikel 34, ten
minste 80% van zijn toeslagrechten gedurende ten minste een kalenderjaar heeft
geactiveerd, dan wel nadat hij alle toeslagrechten die hij gedurende het eerste jaar van
toepassing van de bedrijfstoeslagregeling niet heeft gebruikt, vrijwillig heeft afgestaan aan
de nationale reserve.
HOOFDSTUK 4
INTEGRATIE VAN GEKOPPELDE STEUN
IN DE BEDRIJFSTOESLAGREGELING
Artikel 63
Integratie van gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling
-
1.Met ingang van 2010 integreren de lidstaten de steun die beschikbaar is in het kader van de
in bijlage XI opgenomen regelingen voor gekoppelde steun overeenkomstig de in de
artikelen 64, 65, 66 en 67 vastgestelde voorschriften in de bedrijfstoeslagregeling.
-
2.In afwijking van lid 1:
-
a)mogen de lidstaten die overeenkomstig titel III, hoofdstukken 1 tot en met 4, van
Verordening (EG) nr. 1782/2003 de bedrijfstoeslagregeling hebben ingevoerd,
besluiten de in lid 1 bedoelde steun geheel of gedeeltelijk te gebruiken voor het
vaststellen van toeslagrechten of het verhogen van de waarde van toeslagrechten op
basis van het soort landbouwactiviteiten die de landbouwers in de periode 2005-2008
gedurende een of meer jaren hebben uitgeoefend, en op basis van objectieve en niet-
discriminerende criteria, zoals landbouwpotentieel of milieuoverwegingen;
-
b)mogen de lidstaten die overeenkomstig titel III, hoofdstuk 5, afdeling 1, of
hoofdstuk 6, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 de bedrijfstoeslagregeling hebben
ingevoerd of die gebruik maken van de in artikel 47 van deze verordening geboden
keuzemogelijkheid, besluiten de in lid 1 bedoelde steun geheel of gedeeltelijk te
gebruiken om het bedrag van alle toeslagrechten te verhogen met een extra bedrag
dat overeenkomt met de verhoging van het regionale maximum, gedeeld door het
totale aantal toeslagrechten.
De lidstaten kunnen de verhoging van het bedrag van de toeslagrechten ook
differentiëren door rekening te houden met de in artikel 64, lid 1, bedoelde criteria
dan wel op basis van het soort landbouwactiviteiten die de landbouwers in de periode
2005-2008 gedurende een of meer jaren hebben uitgeoefend, en op basis van
objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals landbouwpotentieel of
-
3.Lidstaten die gebruik maken van de in lid 2, onder a), bedoelde afwijking, nemen passende
maatregelen om ervoor te zorgen dat landbouwers die de in lid 1 bedoelde steun hebben
genoten, niet worden uitgesloten van de bedrijfstoeslagregeling. Zij zien er met name op
toe dat de totale steun die de landbouwers na de integratie van de in lid 1 bedoelde
regelingen inzake gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling zullen ontvangen, niet
minder bedraagt dan 75% van de gemiddelde jaarlijkse steun die de landbouwers in de
toepasselijke referentieperiodes bedoeld in de artikelen 64, 65 en 66 op grond van de
rechtstreekse betalingen hebben ontvangen.
Artikel 64
Integratie van gekoppelde steun die is uitgesloten
uit de bedrijfstoeslagregeling
-
1.De in bijlage XII vermelde bedragen die beschikbaar waren voor gekoppelde steun in het
kader van de in bijlage XI, punten 1 en 2, vermelde steunregelingen, worden door de
lidstaten op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria verdeeld over de
landbouwers in de betrokken sectoren met inachtneming van, met name, de steun die deze
landbouwers direct of indirect in het kader van de betrokken steunregelingen hebben
ontvangen gedurende een of meer jaren van de periode 2005-2008. Voor de in bijlage XI,
punten 1 en 2, bedoelde steunregelingen inzake aardappelzetmeel kunnen de lidstaten
evenwel de uit hoofde van die regelingen beschikbare bedragen verdelen met
inaanmerkingneming van de hoeveelheden aardappelen waarvoor tussen de
-
2.De lidstaten verhogen het bedrag van de toeslagrechten waarover de betrokken
landbouwers beschikten op basis van de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van
lid 1.
De verhoging van het bedrag per toeslagrecht per landbouwer wordt berekend door de in
de eerste alinea bedoelde bedragen te delen door het aantal toeslagrechten van elke
betrokken landbouwer.
Aan landbouwers in een betrokken sector die niet over toeslagrechten beschikken, worden
evenwel toeslagrechten toegewezen waarvan:
-
a)het aantal gelijk is aan het aantal hectaren dat hij overeenkomstig artikel 35, lid 1,
aangeeft voor het jaar waarin de regeling voor gekoppelde steun wordt geïntegreerd
in de bedrijfstoeslagregeling,
-
b)het bedrag wordt vastgesteld door het door de toepassing van lid 1 verkregen bedrag
te delen door het overeenkomstig het bepaalde onder a) van deze alinea vastgestelde
aantal.
-
3.Indien het bedrag per steunregeling lager is dan 250 000 euro, kan de betrokken lidstaat
evenwel besluiten de bedragen niet te verdelen, maar deze aan de nationale reserve toe te
Artikel 65
Integratie van gekoppelde steun die gedeeltelijk is uitgesloten
van de bedrijfstoeslagregeling
De bedragen die beschikbaar waren voor gekoppelde steun in het kader van de in bijlage XI, punt 3,
vermelde steunregelingen, worden door de lidstaten over de landbouwers in de betrokken sectoren
verdeeld naar evenredigheid van de steun die deze landbouwers in het kader van de betrokken
steunregelingen hebben ontvangen gedurende de toepasselijke in Verordening (EG) nr. 1782/2003
bedoelde referentieperioden.
De lidstaten kunnen evenwel een meer recente representatieve periode kiezen op basis van
objectieve en niet-discriminerende criteria en, indien een lidstaat de bedrijfstoeslagregeling
overeenkomstig titel III, hoofdstuk 5, afdeling 1, of hoofdstuk 6 van Verordening (EG)
nr. 1782/2003 heeft ingevoerd of gebruik maakt van de in artikel 47 van de onderhavige
verordening geboden mogelijkheid, op basis van artikel 63, lid 2, onder b).
De lidstaten verhogen het bedrag van de toeslagrechten van de betrokken landbouwers of wijzen
toeslagrechten toe overeenkomstig artikel 64, lid 2.
Indien een landbouwer die krachtens de artikelen 67 en 68 van Verordening (EG) nr. 1782/2003
rechtstreekse betalingen ontving, het recht zou hebben overeenkomstig dit artikel toeslagrechten te
ontvangen waarvoor hij in het jaar van de integratie van de regeling voor gekoppelde steun in de
bedrijfstoeslagregeling geen subsidiabele hectaren heeft, of indien zijn toeslagrecht per hectare
Artikel 66
Facultatieve integratie van gekoppelde steun die gedeeltelijk
is uitgesloten van de bedrijfstoeslagregeling
Indien een lidstaat:
-
a)het in artikel 51, lid 1, eerste alinea, bedoelde besluit niet neemt;
-
b)ter toepassing van artikel 51, lid 1, tweede alinea, besluit de in artikel 53, lid 2, bedoelde
betalingen voor rund- en kalfsvlees niet toe te kennen met ingang van 2011; of
-
c)ter toepassing van artikel 51, lid 1, derde alinea, besluit de betalingen voor groenten en
fruit niet toe te kennen,
worden de bedragen die beschikbaar waren voor gekoppelde steun in het kader van de in bijlage XI,
punt 4, vermelde steunregelingen, overeenkomstig artikel 65 in de bedrijfstoeslagregeling
geïntegreerd.
Artikel 67
Vervroegde integratie van gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling
De lidstaten kunnen vóór 1 augustus 2009 besluiten de in titel IV, afdeling 5, bedoelde steun voor
zaaizaad en de in bijlage XI, punt 1, bedoelde regelingen, met uitzondering van de specifieke
kwaliteitspremie voor durumtarwe, in 2010 of 2011 in de bedrijfstoeslagregeling te integreren. In
HOOFDSTUK 5
SPECIFIEKE STEUN
Artikel 68
Algemene voorschriften
-
1.De lidstaten kunnen specifieke steun verlenen aan de landbouwers onder de in dit
hoofdstuk vastgestelde voorwaarden:
-
a)voor:
-
i)specifieke soorten van landbouw die belangrijk zijn voor de bescherming of de
verbetering van het milieu,
-
ii)de verbetering van de kwaliteit van landbouwproducten,
-
iii)de verbetering van de afzet van landbouwproducten,
-
iv)de toepassing van aangescherpte dierenwelzijnsnormen,
-
v)specifieke landbouwactiviteiten die meerwaarde voor het landbouwmilieu
-
b)om de specifieke nadelen te verhelpen waarmee landbouwers in de sectoren zuivel,
rund- en kalfsvlees, schapenvlees, geitenvlees en rijst, die actief zijn in economisch
of ecologisch kwetsbare gebieden,worden geconfronteerd, of in dezelfde sectoren,
voor economisch kwetsbare soorten landbouw,
-
c)in gebieden met herstructurerings- en ontwikkelingsprogramma's om te voorkomen
dat het land wordt verlaten en/of om specifieke nadelen voor landbouwers in die
gebieden te helpen compenseren,
-
d)in de vorm van bijdragen aan oogst-, dier- en plantverzekeringspremies,
overeenkomstig de in artikel 70 vastgestelde voorwaarden,
-
e)bij wijze van onderlinge fondsen voor dier- en plantenziekten en milieuongevallen,
overeenkomstig de in artikel 71 vastgestelde voorwaarden.
-
2.De in lid 1, onder a), bedoelde steun mag slechts worden verleend indien:
-
a)met betrekking tot de in lid 1, onder a), punt v), bedoelde specifieke
landbouwactiviteiten,
-
i)wordt voldaan aan de in artikel 39, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG)
nr. 1698/2005 bedoelde voorschriften, en alleen om daadwerkelijk gemaakte
extra kosten en verbeurde inkomsten te dekken met het oog op het bereiken
van de betrokken doelstelling; en
-
b)met betrekking de in lid 1, onder a), punt ii), bedoelde verbetering van de kwaliteit
van landbouwproducten, wordt voldaan aan de bepalingen van Verordening (EG)
nr. 509/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele
specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen1, Verordening (EG)
nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van
geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en
levensmiddelen2, Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007
inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten3 en
deel II, titel II, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007,
-
c)met betrekking tot de in lid 1, onder a), punt iii), bedoelde verbetering van de afzet
van landbouwproducten, wordt voldaan aan de in de artikelen 2 tot en met 5 van
Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad van 17 december 2007 inzake
voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de
binnenmarkt en in derde landen4 vastgestelde criteria.
-
3.De in lid 1, onder b), bedoelde steun mag slechts worden verleend voor zover dat als
stimulans noodzakelijk is om de huidige productie op peil te houden.
Voor de sectoren schapenvlees, geitenvlees, rund- en kalfsvlees, mag, indien die steun en
de op grond van de artikelen 52 en 53 verleende steun samen worden toegepast, de totale
steun niet hoger zijn dan het totaalbedrag van de steun dat wordt verkregen na toepassing
van de maximumpercentages die de lidstaten mogen behouden overeenkomstig de
-
4.De steun, bedoeld in:
-
a)lid 1, onder a) en d), wordt verleend in de vorm van jaarlijkse extra betalingen,
-
b)lid 1, onder b), wordt verleend in de vorm van jaarlijkse extra betalingen, zoals
veebetalingen of graslandpremies,
-
c)lid 1, onder c), wordt verleend in de vorm van een verhoging van het eenheidsbedrag
van de toeslagrechten en/of het aantal toeslagrechten van de landbouwer,
-
d)lid 1, onder e), wordt verleend in de vorm van de in artikel 71 bedoelde compensatie-
betalingen.
-
5.Toeslagrechten waarvan het eenheidsbedrag is verhoogd en extra toeslagrechten, als
bedoeld in lid 4, onder c), mogen slechts worden overgedragen indien samen met de
toeslagrechten een overeenkomstig aantal hectaren wordt overgedragen.
-
6.Steun die uit hoofde van lid 1 wordt verleend, moet in overeenstemming zijn met andere
communautaire maatregelen en beleidslijnen.
-
7.De Commissie stelt volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure de voorwaarden
voor de in lid 2, onder a), ii), bedoelde goedkeuring van de Commissie en de voorwaarden
voor de toekenning van de in deze afdeling bedoelde steun vast, met name om de
samenhang met andere communautaire maatregelen en ander communautair beleid te
garanderen en cumulatie van steun te voorkomen.
-
8.Lidstaten die het in artikel 69, lid 1, bedoelde besluit hebben genomen kunnen dat uiterlijk
op 1 augustus 2011 herzien en vanaf 2012 besluiten om
-
a)de bedragen voor de financiering van de in dit hoofdstuk bedoelde steun wijzigen
binnen de limieten van artikel 69; of
-
b)specifieke steunverlening op grond van dit hoofdstuk te beëindigen.
Al naargelang het door iedere lidstaat op grond van de eerste alinea genomen besluit,
bepaalt de Commissie volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure het overeen-
komstige maximum voor die steun.
Wanneer een lidstaat besluit om de toepassing van dit hoofdstuk te beëindigen of wanneer
hij de bedragen voor de financiering ervan vermindert, is artikel 72, lid 2, van toepassing.
Artikel 69
Financiële bepalingen voor specifieke steun
-
1.De lidstaten kunnen uiterlijk 1 augustus 2009, 2010 of 2011 besluiten om met ingang van
het jaar volgend op dat besluit tot 10% van hun in artikel 40 bedoelde nationale maxima, of
in het geval van Malta, een bedrag van 2 000 000 euro, te gebruiken voor de in artikel 68,
lid 1, bedoelde specifieke steun.
-
2.De lidstaten mogen de inhouding van 10% toepassen op sectorale basis, door 10% te
behouden van het aandeel van hun in artikel 41 van Verordening (EG) nr. 1782/2003
bedoelde nationale maximum voor een in bijlage VI bij die verordening genoemde sector.
De ingehouden bedragen mogen alleen worden gebruikt voor de toepassing van de in
artikel 68, lid 1, van deze verordening bedoelde steun, in de sectoren waarop de inhouding
betrekking heeft.
-
3.Al naargelang het door iedere lidstaat op grond van lid 1 genomen besluit betreffende het
bedrag van het nationale maximum dat moet worden gebruikt, bepaalt de Commissie
volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure het overeenkomstige maximum voor
die steun.
Met als enige doel ervoor te zorgen dat aan de nationale maxima bedoeld in artikel 40,
lid 2, wordt voldaan, worden de bedragen die worden gebruikt voor de in artikel 68, lid 1,
onder c), bedoelde steun van het in artikel 40, lid 1, bedoelde nationale maximum
afgetrokken. Zij worden meegeteld als toegewezen toeslagrechten.
-
4.Steun als bedoeld in lid 1, onder a), punten i), ii), iii) en iv), en lid 1, onder b) en e), van
artikel 68, wordt beperkt tot 3,5% van de nationale maxima bedoeld in artikel 40, of in het
geval van Malta, tot het bedrag van 2 000 000 euro als bedoeld in artikel 69, lid 1, van deze
verordening, en kan met name worden gebruikt voor de financiering van de maatregelen
bedoeld in artikel 68, lid 1, onder b), van deze verordening in de zuivelsector.
-
5.In afwijking van lid 4, wordt tijdens de kalenderjaren 2010 tot en met 2013 in de lidstaten
die steun hebben verleend voor zoogkoeien overeenkomstig artikel 69 van Verordening nr.
1782/2003 zonder dat zij de optie van artikel 68, lid 2, onder i) van die verordening hebben
toegepast, de in lid 4 opgenomen limiet op 6% van hun in artikel 40 bedoelde nationale
maximum vastgesteld. Voorts wordt in lidstaten waar meer dan 60% van de melkproductie
ten noorden van de 62e breedtegraad plaatsvindt, die limiet op 10% van hun in artikel 40
bedoelde nationale maximum vastgesteld.
Steun die de 3,5% van hun in artikel 40 bedoelde nationale maximum vastgesteld
overschrijdt, zal echter uitsluitend worden gebruikt voor de financiering van maatregelen
bedoeld in artikel 68, lid 1, onder b,) van deze Verordening in de zuivel- en de
rundvleessector.
De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2013 verslag aan de Raad uit over de
toepassing van dit lid.
-
6.De lidstaten zorgen voor de middelen die nodig zijn ter financiering van de steun bedoeld
in:
-
a)artikel 68, lid 1, waarbij wordt uitgegaan van een bedrag dat door de Commissie
wordt berekend op grond van lid 7 en dat wordt vastgesteld overeenkomstig de
procedure van artikel 141, lid 2, en/of
-
c)lid 68, lid 1, onder e), door, zo nodig, een lineaire verlaging toe te passen op een of
meer van de betalingen die aan de begunstigden van de betrokken betalingen moeten
worden gedaan overeenkomstig deze titel en binnen de in de leden 1 en 4
vastgestelde grenzen.
Met als enige doel ervoor te zorgen dat aan de nationale maxima bedoeld in artikel 40,
lid 2, wordt voldaan, wordt wanneer een lidstaat gebruik maakt van de in punt a) van de
eerste alinea van dit lid opgenomen optie, het betrokken bedrag niet meegeteld bij de
berekening van de in lid 3 vastgestelde maxima.
-
7.De in lid 6, onder a) bedoelde bedragen zullen gelijk zijn aan het verschil tussen:
-
a)de nationale maxima die in bijlage VIII of bijlage VIII bis van Verordening (EG)
nr. 1782/2003 zijn vastgesteld voor 2007, na toepassing van artikel 10, lid 1, van die
Verordening en artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 378/2007 en na een
verlaging met 0,5%; en
-
b)de uitvoering in het kader van de begroting 2008 van de bedrijfstoeslagregeling en de
betalingen bedoeld in titel III, hoofdstuk 5, afdeling 2 en afdeling 3, van Verordening
(EG) nr. 1782/2003, wat betreft de betalingen met betrekking tot het in punt a) van
deze alinea bedoelde verlaagde maximum voor 2007.
Dit bedrag is in geen geval hoger dan 4% van het maximum bedoeld in punt a) van deze
Voor de nieuwe lidstaten die in 2007 de bedrijfstoeslagregeling toegepast hebben, wordt
dit bedrag vermenigvuldigd met 1,75 in 2010, 2 in 2011, 2,25 in 2012 en 2,5 vanaf 2013.
Op verzoek van een lidstaat herziet de Commissie de bedragen volgens de in artikel 141,
lid 2, bedoelde procedure en op basis van de gedetailleerde regels die volgens dezelfde
procedure worden vastgesteld.
Het gebruik van die bedragen door de lidstaten laat de toepassing van artikel 8 van deze
verordening onverlet.
-
8.Het in lid 1, in artikel 68, lid 8, en in artikel 131, lid 1, bedoelde besluit bepaalt welke
maatregelen zullen worden toegepast en bevat alle nadere uitvoeringsregelingen
betreffende de toepassing van dit hoofdstuk, met inbegrip van de beschrijving van de
voorwaarden om in aanmerking te komen voor de toe te passen maatregelen, het betrokken
bedrag en de financiële middelen die ter beschikking moeten worden gesteld.
-
9.De nieuwe lidstaten kunnen besluiten de leden 1, 2, 4, 5 en 6 van dit artikel en lid 1 van
artikel 131 toe te passen op basis van hun nationale maxima:
-
a)voor het jaar 2016 in het geval van Bulgarije en Roemenië,
-
b)voor het jaar 2013 voor de overige nieuwe lidstaten.
In dat geval is artikel 132 niet van toepassing op de maatregelen die overeenkomstig dit
Artikel 70
Oogst-, dier- en plantverzekering
-
1.De lidstaten kunnen financieel bijdragen in premies om de oogst, de dieren en de planten te
verzekeren tegen door ongunstige weersomstandigheden en dier- of plantenziekten of
plagen veroorzaakte economische verliezen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
-
a)onder "ongunstige weersomstandigheden" wordt verstaan weersomstandigheden die
met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals vorst, hagel, ijs, regen of
droogte,
-
b)onder "dierziekten" wordt verstaan ziekten die zijn vermeld in de lijst van dierziekten
die is opgesteld door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) en/of in de
lijst van dierziekten die is opgenomen in de bijlage bij Beschikking 90/424/EEG van
de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied1,
-
c)"economische verliezen": aanvullende kosten die een landbouwer maakt als gevolg
van door hem genomen uitzonderlijke maatregelen om het aanbod op de betrokken
markt of substantieel productieverlies te verminderen.
-
2.Er mag alleen financieel worden bijdragen voor door ongunstige weersomstandigheden,
dier- of plantenziekten of plagen veroorzaakte verliezen die voor een landbouwer leiden tot
-
3.De per landbouwer toegekende financiële bijdrage bedraagt maximaal 65% van de
verschuldigde verzekeringspremie.
De lidstaten kunnen het bedrag van de voor de financiële bijdrage in aanmerking komende
premie koppelen aan een adequaat maximum.
-
4.Er wordt slechts in dekking door de oogst- en/of dier- en/of plantverzekering voorzien
indien de ongunstige weersomstandigheden of de uitbraak van een dier- of plantenziekte of
plaag officieel als zodanig zijn erkend door de bevoegde autoriteit van de betrokken
lidstaat.
De lidstaten stellen in voorkomend geval vooraf criteria vast op grond waarvan formele
erkenning wordt geacht te zijn verleend.
-
5.De verzekeringsbetalingen zijn bestemd ter vergoeding van niet meer dan de totale kosten
van de vervanging van de in lid 1 bedoelde verliezen en zijn niet gekoppeld aan eisen
inzake wat of hoeveel in de toekomst moet worden geproduceerd.
-
6.De financiële bijdrage wordt rechtstreeks aan de betrokken landbouwer betaald.
-
7.De middelen die de lidstaten aan financiële bijdragen uitgeven, worden door de
Gemeenschap met de in artikel 69, lid 1, bedoelde middelen voor 75% meegefinanceerd.
Het bepaalde in de eerste alinea doet op geen enkele wijze afbreuk aan bevoegdheden van
de lidstaten om hun deelname in de financiering van de financiële bijdragen en het deel
van de verzekeringspremie dat door de landbouwers wordt gedragen geheel of gedeeltelijk
te dekken met behulp van in de betrokken sectoren toegepaste verplichte regelingen voor
collectieve aansprakelijkheid. Dit is mogelijk onverminderd de artikelen 125 terdecies en
125 quaterdecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007.
-
8.De lidstaten dragen er zorg voor dat economische verliezen die gecompenseerd worden op
grond van andere communautaire bepalingen waaronder artikel 44 van Verordening (EG)
nr. 1234/2007 en andere gezondheids-, veterinaire of fytosanitaire maatregelen niet extra
worden gecompenseerd conform lid 1, eerste alinea.
-
9.De financiële bijdrage mag de werking van de interne markt voor verzekeringsdiensten niet
belemmeren. De verlening van de financiële bijdrage mag niet worden beperkt tot door één
verzekeringsonderneming of één groep ondernemingen aangeboden verzekeringen, noch
worden gekoppeld aan de voorwaarde dat de verzekering moet worden afgesloten bij een
in de betrokken lidstaat gevestigde onderneming.
Artikel 71
Onderlinge fondsen voor dier- en plantenziekten en milieuongevallen
-
1.De lidstaten kunnen in de vorm van financiële bijdragen aan onderlinge fondsen de land-
bouwers vergoeden voor economische verliezen als gevolg van de uitbraak van een dier- of
-
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
-
a)"onderling fonds": een door de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving
geaccrediteerd systeem dat de aangesloten landbouwers in de gelegenheid stelt zich
te verzekeren en aan de betrokken landbouwers die als gevolg van de uitbraak van
een dier- of plantenziekte of een milieuongeval economische verliezen hebben
geleden, compensatiebetalingen te doen;
-
b)"economische verliezen": aanvullende kosten die een landbouwer maakt als gevolg
van door hem genomen uitzonderlijke maatregelen om het aanbod op de betrokken
markt of substantieel productieverlies te verminderen;
-
c)"milieuongeval": een specifiek voorval van verontreiniging, besmetting of degradatie
van de kwaliteit van het milieu als gevolg van een specifieke gebeurtenis, met een
beperkte geografische uitwerking. Hieronder vallen niet algemene milieurisico's die
niet het gevolg zijn van een specifieke gebeurtenis, zoals klimaatverandering of zure
regen.
-
3.Wat dierziekten betreft, wordt alleen financiële compensatie toegekend voor de ziekten die
zijn vermeld in de lijst van dierziekten die is opgesteld door de Wereldorganisatie voor
diergezondheid (OIE) en/of in de lijst van dierziekten die is opgenomen in de bijlage bij
Beschikking 90/424/EEG.
-
5.De uit de onderlinge fondsen gefinancierde vergoeding wordt rechtstreeks aan de
aangesloten, door de economische verliezen getroffen landbouwers betaald.
De vergoeding die door de onderlinge fondsen wordt betaald, is afkomstig uit:
-
a)door de aangesloten of niet-aangesloten landbouwers, of andere exploitanten in de
landbouwketen in het fonds gestort kapitaal of,
-
b)door de fondsen afgesloten commerciële leningen, en
-
c)de conform lid 11 terugbetaalde bedragen.
Initieel kapitaal wordt niet gefinancierd met openbare middelen.
-
6.De in lid 1 bedoelde financiële bijdragen kunnen betrekking hebben op:
-
a)de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen, gespreid over
maximaal drie jaar,
-
b)de terugbetaling van het kapitaal en de betaling van de rente voor commerciële
leningen die het onderling fonds heeft afgesloten ter financiering van de voor de
landbouwers bestemde vergoeding,
-
c)de bedragen die het onderling fonds uit zijn kapitaal betaalt in de vorm van
vergoedingen aan de landbouwers.
Wanneer het fonds overeenkomstig de eerste alinea, onder c), een vergoeding betaalt, volgt
de openbare financiële bijdrage hetzelfde tempo als een commerciële lening met een
minimale looptijd.
-
7.De financiële bijdrage bedraagt niet meer dan 65 % van de in lid 6 bedoelde kosten. Niet
door de financiële bijdragen gedekte kosten komen ten laste van de aangesloten
landbouwers.
De lidstaten kunnen de voor een financiële bijdrage in aanmerking komende kosten
beperken aan de hand van:
-
a)maxima per fonds,
-
b)adequate maxima per eenheid.
-
8.De middelen die de lidstaten aan financiële bijdragen uitgeven, worden door de
Gemeenschap met de in artikel 69, lid 1, bedoelde middelen voor 75% meegefinancierd.
Het bepaalde in de eerste alinea doet op geen enkele wijze afbreuk aan bevoegdheden van
de lidstaten om hun deelname en/of de deelname van aangesloten landbouwers in de
financiering van de financiële bijdragen geheel of gedeeltelijk te dekken met behulp van in
de betrokken sectoren toegepaste verplichte regelingen inzake collectieve
aansprakelijkheid. Dit is mogelijk onverminderd de artikelen 125 terdecies en
125 quaterdecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007.
-
10.De lidstaten dienen jaarlijks een verslag over de tenuitvoerlegging van dit artikel in bij de
Commissie. De Commissie stelt de vorm, de inhoud, het tijdschema en de termijnen van de
verslaglegging vast volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure.
-
11.Wanneer een landbouwer op grond van dit artikel een vergoeding ontvangt uit een
onderling fonds, wordt het recht dat de landbouwer in voorkomend geval op grond van het
communautair of het nationaal recht heeft om de vergoede economische verliezen op een
derde partij te verhalen, volgens een door de betrokken lidstaat vast te stellen regeling
overgedragen aan het onderling fonds.
Artikel 72
Overgangsbepalingen
-
1.Indien een lidstaat die artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 toepaste, worden de
krachtens dat artikel 69 ingehouden bedragen overeenkomstig artikel 65 van de
onderhavige verordening in de bedrijfstoeslagregeling geïntegreerd.
-
2.Indien een lidstaat die artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 toepaste, besluit de
specifieke steun waarin wordt voorzien bij dit hoofdstuk, toe te passen, kan hij in afwijking
van lid 1 de krachtens artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 ingehouden
bedragen gebruiken om de in artikel 69, lid 6, van de onderhavige verordening bedoelde
financieringsbehoefte te dekken. Indien de in artikel 69, lid 6 bedoelde
financieringsbehoefte lager uitvalt dan de krachtens artikel 69 van Verordening (EG)
-
3.Indien een lidstaat besluit de specifieke steun waarin wordt voorzien bij dit hoofdstuk toe
te passen en tevens krachtens artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 maatregelen
toepaste die niet verenigbaar zijn met dit hoofdstuk, kan die lidstaat uiterlijk op
1 augustus 2009 besluiten om krachtens artikel 68 van de onderhavige verordening in
2010, 2011 en 2012 de maatregelen met de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften toe te
passen die krachtens artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 zijn meegedeeld. In
afwijking van artikel 69, lid 4, kan de totale steun in het kader van de in artikel 68, lid 1,
onder a), b) en e), bedoelde maatregelen worden beperkt tot het plafond dat conform artikel
69 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 voor de bedoelde lidstaat is vastgesteld.
In dat geval kunnen de lidstaten ook, uiterlijk op 1 augustus 2009 besluiten om dergelijke
maatregelen jaarlijks aan te passen teneinde ze geleidelijk verenigbaar met dit hoofdstuk te
maken. Indien een lidstaat besluit de maatregelen niet verenigbaar te maken, worden de
betrokken bedragen overeenkomstig artikel 65 van de onderhavige verordening in de
bedrijfstoeslagregeling geïntegreerd.
-
4.De lidstaten kunnen de in dit hoofdstuk bedoelde steun toekennen vanaf 2009, mits zij in
afwijking van artikel 69, lid 6, van deze verordening de in artikel 68, lid 1, bedoelde steun
alleen financieren met behulp van de bedragen van de nationale reserve en er nationale
bepalingen van kracht zijn op de termijn die de lidstaten hebben vastgesteld voor de
indiening van de steunaanvraag.
TITEL IV
ANDERE STEUNREGELINGEN
HOOFDSTUK 1
COMMUNAUTAIRE STEUNREGELINGEN
AFDELING 1
GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR RIJST
Artikel 73
Werkingssfeer
Voor 2009, 2010 en 2011 wordt aan de landbouwers die rijst van GN-code 1006 10 produceren,
steun verleend onder de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden ("gewasspecifieke betaling voor
rijst").
Artikel 74
Steunvoorwaarden en steunbedrag
Gewassen die volgens de plaatselijke normen op volledig ingezaaide oppervlakten worden
geteeld, maar het bloeistadium niet bereiken als gevolg van door de betrokken lidstaten
erkende uitzonderlijke weersomstandigheden, blijven echter voor de steun in aanmerking
komen op voorwaarde dat de betrokken oppervlakten tot dit groeistadium niet voor enig
ander doel worden gebruikt.
-
2.Op grond van de fysieke opbrengsten in de betrokken lidstaten bedraagt de
gewasspecifieke betaling voor rijst:
Lidstaat EUR/ha
Bulgarije 345,255
Griekenland 561,00
Spanje 476,25
Frankrijk
Europees grondgebied 411,75
Frans-Guyana 563,25
Italië 453,00
Hongarije 232,50
Portugal 453,75
Artikel 75
Arealen
Hierbij worden voor elke producerende lidstaat de volgende basisarealen vastgesteld:
Lidstaat EUR/ha
Bulgarije 4 166
Griekenland 20 333
Spanje 104 973
Frankrijk
Europees grondgebied 19 050
uitsluitend voor 2009, Frans-Guyana 4 190
Italië 219 588
Hongarije 3 222
Portugal 24 667
Roemenië 500
Een lidstaat kan zijn basisareaal of zijn basisarealen op basis van objectieve en niet-discriminerende
criteria in subbasisarealen onderverdelen.
Artikel 76
-
2.Indien een lidstaat zijn basisareaal onderverdeelt in subbasisarealen, geldt de verlaging van
lid 1 alleen voor landbouwers in subbasisarealen waar de subbasisareaallimiet is over-
schreden. Deze verlaging wordt toegepast wanneer in de betrokken lidstaat de
oppervlakten in de subarealen die de subbasisareaallimiet niet hebben bereikt, zijn
herverdeeld in subarealen waar de subbasisareaallimiet is overschreden.
AFDELING 2
STEUN VOOR ZETMEELAARDAPPELTELERS
Artikel 77
Werkingssfeer en bedrag van de steun
Voor de verkoopseizoenen 2009/2010, 2010/2011 en 2011/2012 wordt er, onder de in deze afdeling
neergelegde voorwaarden, steun toegekend aan landbouwers die voor de zetmeelproductie
bestemde aardappelen produceren ("steun voor zetmeelaardappeltelers").
De steun bedraagt 66,32 euro per hoeveelheid aardappelen die nodig is voor de productie van één
ton zetmeel.
Het bedrag wordt aangepast op grond van het zetmeelgehalte van de aardappelen.
Artikel 78
Voorwaarden
De steun voor zetmeelaardappeltelers wordt slechts uitbetaald voor de hoeveelheid aardappelen
waarvoor tussen de aardappelproducent en de aardappelzetmeelfabrikant een teeltcontract is
gesloten, binnen de grenzen van het aan de aardappelzetmeelfabrikant toegewezen contingent
overeenkomstig in artikel 84 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad.
AFDELING 3
PREMIE VOOR EIWITHOUDENDE GEWASSEN
Artikel 79
Werkingssfeer
Voor 2009, 2010 en 2011 wordt aan de eiwithoudende gewassen producerende landbouwers steun
verleend onder de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden ("premie voor eiwithoudende
gewassen").
Eiwithoudende gewassen omvatten:
-
a)erwten van GN-code 0713 10,
Artikel 80
Bedrag en subsidiabiliteit
De premie voor eiwithoudende gewassen bedraagt 55,57 euro per hectare na het melkrijpheids-
stadium geoogste eiwithoudende gewassen.
Gewassen die volgens de plaatselijke normen op volledig ingezaaide oppervlakten worden geteeld,
maar het melkrijpheidsstadium niet bereiken als gevolg van door de betrokken lidstaten erkende
uitzonderlijke weersomstandigheden, blijven echter voor de premie voor eiwithoudende gewassen
in aanmerking komen op voorwaarde dat de betrokken oppervlakten tot dit groeistadium niet voor
enig ander doel worden gebruikt.
Artikel 81
Areaal
-
1.Het gegarandeerde maximumareaal waarvoor de premie voor eiwithoudende gewassen kan
worden verleend, bedraagt 1 648 000 ha.
-
2.Indien de oppervlakte waarvoor de premie voor eiwithoudende gewassen wordt
aangevraagd, groter is dan het gegarandeerde maximumareaal, wordt in het betrokken jaar
de oppervlakte per landbouwer waarvoor de premie voor eiwithoudende gewassen wordt
aangevraagd, volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure proportioneel verlaagd.
AFDELING 4
AREAALBETALING VOOR NOTEN
Artikel 82
Communautaire areaalbetaling voor noten
-
1.Voor 2009, 2010 en 2011 wordt aan noten producerende landbouwers onder de in deze
afdeling (hierna "Areaalbetaling voor noten") vastgestelde voorwaarden een
communautaire steun verleend.
Noten omvatten:
-
a)amandelen van de GN-codes 0802 11 en 0802 12,
-
c)walnoten van de GN-codes 0802 31 en 0802 32,
-
d)pimpernoten (pistaches) van GN-code 0802 50,
-
e)sint-jansbrood van GN-code 1212 10 10.
-
2.De lidstaten mogen de areaalbetaling voor noten differentiëren naar de producten of door
de in artikel 83, lid 3, vastgestelde nationale gegarandeerde arealen (hierna: "NGA's") te
vergroten of te verkleinen. In elke lidstaat mag het totaalbedrag aan in een bepaald jaar
toegekende areaalbetalingen voor noten echter niet hoger zijn dan het in artikel 83, lid 4,
genoemde maximum.
Artikel 83
Arealen
-
1.Een lidstaat kent de communautaire areaalbetaling voor noten toe onder een maximum dat
wordt berekend door het aantal in lid 3 vastgestelde hectaren van zijn NGA te
vermenigvuldigen met het gemiddelde bedrag van 120,75 euro.
-
3.Het in lid 2 vastgestelde gegarandeerde maximumareaal wordt verdeeld in de volgende
NGA's:
Nationaal gegarandeerd areaal NGA (ha)
België 100
Bulgarije 11 984
Duitsland 1 500
Griekenland 41 100
Spanje 568 200
Frankrijk 17 300
Italië 130 100
Cyprus 5 100
Luxemburg 100
Hongarije 2 900
Nederland 100
Oostenrijk 100
Polen 4 200
Portugal 41 300
Roemenië 1 645
Slovenië 300
Slowakije 3 100
Verenigd Koninkrijk 100
-
4.Een lidstaat kan zijn NGA op basis van objectieve criteria onderverdelen in subarealen,
met name op regionaal niveau of in relatie tot de productie.
Artikel 84
Overschrijding van de subarealen
Wanneer een lidstaat zijn NGA onderverdeelt in subarealen en één of meer subarealen zijn
overschreden, wordt in het betrokken jaar de oppervlakte per landbouwer waarvoor een
areaalbetaling voor noten is aangevraagd, voor de landbouwers in de subarealen waar de limieten
zijn overschreden, proportioneel verlaagd. Deze verlaging wordt toegepast wanneer in de betrokken
lidstaat de oppervlakten in de subarealen die hun limieten niet hebben bereikt, zijn herverdeeld in de
subarealen waar deze limieten zijn overschreden.
Artikel 85
Voorwaarden voor subsidiabiliteit
-
1.Uitbetaling van de areaalbetaling voor noten is met name afhankelijk van een minimale
perceelsgrootte en boomdichtheid.
-
2.De lidstaten kunnen aan het toekennen van de areaalbetaling voor noten de voorwaarde
verbinden dat de landbouwers lid zijn van een overeenkomstig artikel 125 ter van
Verordening (EG) nr. 1234/2007 erkende producentenorganisatie.
-
3.Indien lid 2 wordt toegepast, mogen de lidstaten besluiten dat de betaling van de in lid 1
bedoelde areaalbetaling voor noten plaatsvindt aan een producentenorganisatie ten behoeve
van haar leden. Het door de telersvereniging ontvangen steunbedrag wordt in dat geval
Artikel 86
ationale steun
-
1.De lidstaten kunnen, als aanvulling op de areaalbetaling voor noten, nationale steun tot een
maximum van 120,75 euro per hectare per jaar verlenen.
-
2.De nationale steun kan slechts worden uitbetaald voor de oppervlakten waarvoor de
areaalbetaling voor noten wordt ontvangen.
-
3.De lidstaten kunnen aan het toekennen van de nationale steun de voorwaarde verbinden dat
de landbouwers lid zijn van een overeenkomstig artikel 125 ter van Verordening (EG)
nr. 1234/2007 erkende producentenorganisatie.
AFDELING 5
STEUN VOOR ZAAIZAAD
Artikel 87
Steun
-
1.Voor 2009, 20101 en 2011 verlenen de lidstaten die artikel 70 van Verordening (EG)
nr. 1782/2003 hebben toegepast en geen gebruik maken van de in artikel 67 bedoelde
optie, jaarlijks, onder de in deze afdeling neergelegde voorwaarden, de in bijlage XIII
-
2.Indien het voor certificering aanvaarde areaal waarvoor de steun voor zaaizaad wordt
aangevraagd, ook wordt gebruikt voor het aanvragen van steun uit hoofde van de
bedrijfstoeslagregeling, wordt het bedrag van de steun voor zaaizaad, behalve in het geval
van zaad van de in bijlage XIII, punten 1 en 2, bedoelde soorten, verlaagd, evenwel niet tot
onder de 0, met het bedrag van de steun die uit hoofde van de bedrijfstoeslagregeling in
een bepaald jaar voor het betrokken areaal wordt verleend.
-
3.Het bedrag van de aangevraagde steun voor zaaizaad overschrijdt niet het maximum dat
door de Commissie wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 141, lid 2,
en overeenkomt met het aandeel van de steun voor zaaizaad voor de betrokken soorten in
het in artikel 40 bedoelde nationale maximum, vastgesteld overeenkomstig artikel 64, lid 2,
van Verordening (EG) nr. 1782/2003 ("maximum voor zaaizaad"). Voor de nieuwe
lidstaten komt dit maximum echter overeen met het in bijlage XIV vermelde bedrag.
Overschrijdt het totale bedrag van de aangevraagde steun voor zaaizaad het door de
Commissie vastgestelde maximum, dan wordt het steunbedrag per landbouwer dat jaar
proportioneel verlaagd.
-
4.De variëteiten van hennep (Cannabis sativa L) die voor de steun voor zaaizaad krachtens
dit artikel in aanmerking komen, worden vastgesteld volgens de in artikel 141, lid 2,
AFDELING 6
GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR KATOEN
Artikel 88
Werkingssfeer
Aan landbouwers die katoen van GN-code 5201 00 produceren, wordt steun toegekend onder de in
deze afdeling vastgestelde voorwaarden (hierna "gewasspecifieke betaling voor katoen").
Artikel 89
Subsidiabiliteit
-
1.De gewasspecifieke betaling voor katoen wordt toegekend per hectare subsidiabel katoen-
areaal. Om subsidiabel te zijn moet het areaal bestaan uit landbouwgrond waarvoor de
lidstaat een vergunning voor de katoenproductie heeft verleend, zijn ingezaaid met
toegelaten rassen en daadwerkelijk zijn afgeoogst in normale groeiomstandigheden.
De gewasspecifieke betaling voor katoen wordt betaald voor katoen van eerlijke
handelskwaliteit.
-
2.De lidstaten verlenen de vergunning, respectievelijk de toelating, voor de in lid 1 bedoelde
grond en rassen overeenkomstig uitvoeringsbepalingen en voorwaarden die volgens de in
Artikel 90
Basisarealen, vaste opbrengsten en referentiebedragen
-
1.De basisarealen zijn de volgende:
-
-Bulgarije: 3 342 ha,
-
-Griekenland: 250 000 ha,
-
-Spanje: 48 000 ha,
-
-Portugal: 360 ha.
-
2.De vaste opbrengsten voor de referentieperiode zijn de volgende:
-
-Bulgarije: 1,2 ton/ha,
-
-Griekenland: 3,2 ton/ha,
-
-Spanje: 3,5 ton/ha,
-
3.Het steunbedrag per subsidiabele hectare wordt bepaald door de in lid 2 vastgestelde
opbrengsten te vermenigvuldigen met de volgende referentiebedragen:
-
-Bulgarije: 671,33 euro,
-
-Griekenland: 251,75 euro,
-
-Spanje: 400,00 euro,
-
-Portugal: 252,73 euro.
-
4.Indien in een bepaald jaar het subsidiabele katoenareaal in een bepaalde lidstaat het in lid 1
vastgestelde basisareaal overschrijdt, wordt het in lid 3 voor die lidstaat vastgestelde
steunbedrag verlaagd in verhouding tot de overschrijding van het basisareaal.
-
5.De nadere voorschriften voor de toepassing van dit artikel worden overeenkomstig de in
artikel 141, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.
Artikel 91
Erkende brancheorganisaties
-
1.Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder "erkende brancheorganisatie" verstaan
een rechtspersoon die is samengesteld uit katoenproducerende landbouwers en ten minste
één egreneringsbedrijf en onder meer de volgende activiteiten verricht:
-
b)de opstelling van standaardcontractformulieren die verenigbaar zijn met de
voorschriften van de Gemeenschap,
-
c)sturen van de productie in de richting van producten die beter zijn afgestemd op de
behoeften van de markt en de vraag van de consument, met name op het gebied van
kwaliteit en consumentenbescherming,
-
d)de actualisering van methoden en middelen ter verbetering van de productkwaliteit,
-
e)de ontwikkeling van marketingstrategieën om de afzet van katoen te bevorderen door
middel van kwaliteitscertificeringsregelingen.
-
2.De lidstaat waar de egreneringsbedrijven zijn gevestigd, erkent de brancheorganisaties die
voldoen aan de volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure vast te stellen criteria.
Artikel 92
Betaling van de steun
-
1.De gewasspecifieke betaling voor katoen per subsidiabele hectare wordt aan de
landbouwers toegekend overeenkomstig artikel 90.
-
2.Aan de bij een erkende brancheorganisatie aangesloten landbouwers wordt per
subsidiabele hectare die binnen het in artikel 90, lid 1, vastgestelde basisareaal is gelegen,
de gewasspecifieke betaling voor katoen toegekend, verhoogd met een bedrag van 2 euro.
AFDELING 7
STEUN VOOR SUIKERBIETEN- EN SUIKERRIETTELERS
Artikel 93
Werkingssfeer
-
1.In de lidstaten die de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 320/2006 vastgestelde
herstructureringssteun hebben toegekend voor ten minste 50% van de op 20 februari 2006
in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006
houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker1 vastgestelde
suikerquota, wordt, onder de in deze afdeling neergelegde voorwaarden, aan suikerbieten-
en suikerriettelers steun toegekend.
-
2.De steun aan suikerbieten- en suikerriettelers wordt toegekend voor maximaal vijf
opeenvolgende jaren vanaf het verkoopseizoen waarin de in lid 1 bedoelde drempel van
50% is bereikt en loopt uiterlijk tot en met het verkoopseizoen 2013/2014.
Artikel 94
Voorwaarden
De steun aan suikerbieten- en suikerriettelers wordt toegekend voor de hoeveelheden quotumsuiker
verkregen uit suikerbieten of suikerriet die zijn geleverd op grond van overeenkomstig artikel 50
Artikel 95
Steunbedrag
De in artikel 93 bedoelde steun wordt uitgedrukt per ton witte suiker van standaardkwaliteit. Het
bedrag van de steun is gelijk aan de helft van het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag van
het in bijlage XV van de onderhavige verordening bedoelde maximum voor de betrokken lidstaat in
het overeenkomstige jaar, te delen door het totaal van de op 20 februari 2006 in bijlage III bij
Verordening (EG) nr. 318/2006 vastgestelde quota voor suiker en inulinestroop.
Behoudens voor Bulgarije en Roemenië zijn de artikelen 121 en 132 van de onderhavige
verordening niet van toepassing op steun voor suikerbieten- en suikerriettelers.
AFDELING 8
OVERGANGSBETALINGEN VOOR GROENTEN EN FRUIT
Artikel 96
Bij wijze van overgangsmaatregel verleende oppervlaktesteun
-
1.Indien artikel 54, lid 1, of artikel 128, lid 1, gedurende de in die bepalingen genoemde
periode wordt toegepast, kan onder de in deze afdeling uiteengezette voorwaarden een bij
wijze van overgangsmaatregel verleende oppervlaktesteun worden toegekend aan
landbouwers die voor verwerking geleverde tomaten produceren.
-
2.Indien artikel 54, lid 2, of artikel 128, lid 2, gedurende de in die bepalingen genoemde
periode wordt toegepast, kan onder de in deze afdeling uiteengezette voorwaarden een bij
wijze van overgangsmaatregel verleende oppervlaktesteun worden toegekend aan
landbouwers die een of meer van de in artikel 54, lid 2, derde alinea, vermelde en voor
verwerking geleverde groente- en fruitproducten produceren, zoals bepaald door de
lidstaten.
Artikel 97
Bedrag van de steun en subsidiabiliteit
-
1.De lidstaten stellen de steun per hectare waarop tomaten en de in artikel 54, lid 2, derde
alinea, vermelde groente- en fruitproducten worden verbouwd, op basis van objectieve en
niet-discriminerende criteria vast.
-
2.Het totale bedrag van de in lid 1 bedoelde steun mag het overeenkomstig artikel 51, lid 2,
of artikel 128 vastgestelde maximum in geen geval overschrijden.
-
3.De in lid 1 voorziene steun wordt slechts toegekend voor oppervlakten waarvan de
productie valt onder een contract voor verwerking tot een van de in artikel 1, lid 1, onder
j), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 opgenomen producten.
-
4.De lidstaten kunnen aan de toekenning van de in lid 1 voorziene steun de voorwaarde
verbinden dat aanvullende objectieve en niet-discriminerende criteria worden nageleefd,
AFDELING 9
OVERGANGSBETALING VOOR ZACHT FRUIT
Artikel 98
Betaling voor zacht fruit
-
1.Voor de periode tot en met 31 december 2011 wordt, onder de in deze afdeling
neergelegde voorwaarden, bij wijze van overgangsmaatregel oppervlaktesteun verleend
aan producenten van aardbeien van GN-code 0810 10 00 en frambozen van
GN-code 0810 20 10 die worden geleverd ter verwerking (hierna "de overgangsbetaling
voor zacht fruit").
-
2.De overgangsbetaling voor zacht fruit wordt slechts toegekend voor oppervlakten waarvan
de productie valt onder een contract voor verwerking tot een van de in artikel 1, lid 1,
onder j), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 opgenomen producten.
-
3.De overgangsbetaling voor zacht fruit bedraagt 230 euro per hectare.
-
4.De lidstaten kunnen, als aanvulling op de overgangsbetaling voor zacht fruit, nationale
steun verlenen. De som van de communautaire en de nationale steun mag niet meer
bedragen dan 400 euro per hectare.
-
5.De overgangsbetaling voor zacht fruit mag slechts worden toegekend voor maximaal de
volgende aan de lidstaten toegekende nationale gegarandeerde arealen:
Maximaal nationaal gegarandeerd areaal
Lidstaat
(in ha)
Bulgarije 2 400
Hongarije 1 700
Letland 400
Litouwen 600
Polen 48 000
Indien het subsidiabele areaal in een lidstaat en in een gegeven jaar het maximale nationale
gegarandeerde areaal overschrijdt, wordt de in lid 3 genoemde overgangsbetaling voor
zacht fruit verlaagd in verhouding tot de overschrijding van het maximale nationale
gegarandeerde areaal.
-
6.De artikelen 121 en 132 zijn niet van toepassing op de overgangsbetaling voor zacht fruit.
AFDELING 10
PREMIES IN DE SCHAPEN- EN GEITENVLEESSECTOREN
Artikel 99
Artikel 100
Definities
In deze afdeling zijn de volgende definities van toepassing:
-
a)"ooi": elk vrouwelijk schaap dat ten minste één keer heeft gelammerd of ten minste één
jaar oud is;
-
b)"geit": elke vrouwelijke geit die ten minste één keer heeft gelammerd of ten minste één jaar
oud is.
Artikel 101
Ooien- en geitenpremie
-
1.Aan landbouwers die ooien houden op hun bedrijf, kan op aanvraag een premie voor het
aanhouden van ooien worden verleend (ooienpremie).
-
2.Aan landbouwers die geiten houden op hun bedrijf, kan op aanvraag een premie voor het
aanhouden van geiten worden toegekend (geitenpremie). Deze premie wordt toegekend
aan landbouwers in specifieke gebieden waar de productie aan de volgende twee criteria
voldoet:
-
3.De ooienpremie en de geitenpremie worden toegekend in de vorm van een jaarlijkse
betaling per subsidiabel dier, per kalenderjaar en per landbouwer binnen de grenzen van
individuele maxima. Het minimumaantal dieren waarvoor een premieaanvraag wordt
ingediend, wordt vastgesteld door de lidstaat. Dit minimum bedraagt niet minder dan 10 en
niet meer dan 50.
-
4.Per ooi bedraagt de premie 21 euro. Voor landbouwers die melk van ooien of producten op
basis van melk van ooien verkopen, bedraagt de premie per ooi evenwel 16,8 euro.
-
5.Per geit bedraagt de premie 16,8 euro.
Artikel 102
Aanvullende premie
-
1.Er wordt een aanvullende premie betaald aan de landbouwers in de gebieden waar de
productie van schapen- en geitenvlees een traditionele activiteit is of aanzienlijk bijdraagt
aan de plattelandseconomie. De lidstaten stellen deze gebieden vast. In ieder geval wordt
de aanvullende premie slechts toegekend aan landbouwers met een bedrijf waarvan de
oppervlakte cultuurgrond voor ten minste 50% ligt in probleemgebieden als bedoeld in
Verordening (EG) nr. 1257/1999.
-
2.De aanvullende premie wordt eveneens toegekend aan verweidende landbouwers op
voorwaarde dat:
-
a)ten minste 90% van de dieren waarvoor de premie wordt aangevraagd, gedurende ten
minste 90 opeenvolgende dagen wordt geweid in een in aanmerking komend gebied
dat overeenkomstig lid 1 is vastgesteld, en
-
b)de vestigingsplaats van het bedrijf ligt in een welomschreven geografisch gebied
waarvoor de lidstaat heeft vastgesteld dat het verweiden er van oudsher in de
schapen- en/of de geitenhouderij wordt toegepast en dat de betrokken verplaatsingen
van dieren noodzakelijk zijn wegens het ontbreken van voldoende voedergewassen
gedurende de verweidingsperiode.
-
3.Het bedrag van de aanvullende premie wordt vastgesteld op 7 euro per ooi en per geit. De
aanvullende premie wordt verleend op dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de
verlening van de ooien- en geitenpremie.
Artikel 103
Gemeenschappelijke voorschriften voor de premies
-
1.De premies worden aan de begunstigde landbouwers betaald op basis van het aantal ooien
en/of geiten dat op hun bedrijf is gehouden gedurende een minimumperiode waarvan de
duur wordt bepaald volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure.
Artikel 104
Individuele maxima
-
1.Op 1 januari 2009 is het in artikel 101, lid 3, bedoelde individuele maximum van elke
landbouwer gelijk aan het aantal premierechten waarover hij op 31 december 2008
overeenkomstig de desbetreffende communautaire voorschriften beschikte.
-
2.De lidstaten doen het nodige om ervoor te zorgen dat de som van de premierechten voor
hun grondgebied het in lid 4 vastgestelde nationale maximum niet overschrijdt en dat de in
artikel 106 bedoelde nationale reserve kan worden gehandhaafd.
Is na de periode waarin de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig
artikel 122 werd toegepast, artikel 52 van toepassing, dan geschieden de toewijzing van de
individuele maxima aan de producenten en de vorming van de nationale reserve als
bedoeld in artikel 106 uiterlijk vóór het einde van het eerste jaar van toepassing van de
bedrijfstoeslagregeling.
-
3.De premierechten die op grond van de krachtens lid 2, eerste alinea, genomen maatregel
zijn ingetrokken, worden geannuleerd.
-
4.De volgende nationale maxima zijn van toepassing:
Lidstaat Nationale maxima (ha)
Bulgarije 2 058,483
Tsjechië 66,733
Denemarken 104,000
Estland 48,000
Spanje 19 580,000
Frankrijk 7 842,000
Cyprus 472,401
Letland 18,437
Litouwen 17,304
Hongarije 1 146,000
Polen 335,880
Portugal 2 690,000
Roemenië 5 880,620
Slovenië 84,909
Slowakije 305,756
Finland 80,000
Artikel 105
Overdracht van premierechten
-
1.Wanneer een landbouwer zijn bedrijf verkoopt of anderszins overdraagt, kan hij al zijn
premierechten overdragen aan degene die het bedrijf overneemt.
-
2.Een landbouwer kan zijn rechten ook geheel of gedeeltelijk aan andere landbouwers
overdragen zonder zijn bedrijf over te dragen.
In geval van een overdracht van rechten zonder overdracht van het bedrijf wordt een deel
van de overgedragen premierechten dat ten hoogste 15% bedraagt, zonder enige
compensatie aan de nationale reserve van de lidstaat waar het bedrijf zich bevindt,
afgestaan voor kosteloze herverdeling.
De lidstaten kunnen premierechten verwerven van landbouwers die er vrijwillig mee
instemmen hun rechten geheel of gedeeltelijk af te staan. In dat geval kunnen uit de
nationale begroting betalingen voor de verwerving van dergelijke rechten aan de betrokken
landbouwers worden verricht.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 en in naar behoren gemotiveerde omstandigheden
kunnen de lidstaten bepalen dat de overdracht van rechten in geval van verkoop of andere
overdracht van het bedrijf wordt uitgevoerd via de nationale reserve.
-
4.De lidstaten kunnen vóór een door hen vast te stellen datum tijdelijke overdrachten
toestaan van dat deel van de premierechten dat de landbouwer die erover beschikt, niet zal
doen gelden.
Artikel 106
ationale reserve
-
1.Elke lidstaat houdt een nationale reserve van premierechten aan.
-
2.Premierechten die op grond van artikel 105, lid 2, of andere communautaire bepalingen
zijn ingetrokken, worden toegevoegd aan de nationale reserve.
-
3.De lidstaten kunnen de premierechten binnen de grenzen van hun nationale reserve
toewijzen aan de landbouwers. Bij die toewijzing geven zij voorrang aan met name
nieuwkomers, jonge landbouwers of andere prioritaire landbouwers.
Artikel 107
Maxima
De som van de bedragen van alle aangevraagde premies mag het door de Commissie overeen-
komstig artikel 51, lid 2, vastgestelde maximum niet overschrijden.
Overschrijdt het totale bedrag van de aangevraagde steun het vastgestelde maximum, dan wordt het
steunbedrag per landbouwer dat jaar proportioneel verlaagd.
AFDELING 11
RUND- EN KALFSVLEESBETALINGEN
Artikel 108
Werkingssfeer
Indien artikel 53 wordt toegepast, kennen de lidstaten, tenzij in de onderhavige verordening anders
is bepaald, onder de in deze afdeling uiteengezette voorwaarden, de extra betaling of extra
betalingen toe die de betrokken lidstaat overeenkomstig dat artikel heeft gekozen.
Artikel 109
Definities
Voor de toepassing van deze sectie wordt verstaan onder:
-
a)"regio": een lidstaat of een gebied in een lidstaat, naar keuze van de betrokken lidstaat;
-
b)"stier": een ongecastreerd mannelijk rund;
-
c)"os": een gecastreerd mannelijk rund;
-
d)"zoogkoe": een koe van een vleesras of verkregen door kruising met een vleesras, die
behoort tot een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de
Artikel 110
Speciale premie
-
1.Aan landbouwers die op hun bedrijf mannelijke runderen houden, kan op aanvraag een
speciale premie worden toegekend. Deze premie wordt per kalenderjaar en per bedrijf
binnen de grenzen van de regionale maxima toegekend voor ten hoogste 90 dieren van elke
in lid 2 bedoelde leeftijdstranche.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "regionaal maximum" verstaan, het aantal
dieren waarvoor in een regio en voor een bepaald kalenderjaar een speciale premie kan
worden toegekend.
-
2.De speciale premie wordt ten hoogste:
-
a)één keer toegekend voor elke stier van ten minste negen maanden oud;
-
b)twee keer toegekend voor elke os, namelijk:
-
i)de eerste keer als het dier negen maanden oud is,
-
ii)de tweede keer nadat het dier 21 maanden oud is geworden.
-
3.Om voor de speciale premie in aanmerking te komen:
-
a)moet ieder dier waarvoor een aanvraag is ingediend, gedurende een volgens de
procedure van artikel 141, lid 2, nader te bepalen periode door de landbouwer
-
b)moet ieder dier tot de slacht of de uitvoer vergezeld gaan van een dierenpaspoort als
bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1760/2000, waarop alle relevante
gegevens in verband met de premie zijn vermeld, of, als een dergelijk paspoort niet
voorhanden is, van een gelijkwaardig administratief document.
-
4.Als in een regio het totale aantal stieren van ten minste negen maanden oud en ossen van
negen tot 20 maanden oud, waarvoor een premie is aangevraagd en die voldoen aan de
voorwaarden voor de toekenning van de speciale premie, het in lid 8 vastgestelde
toepasselijke regionale maximum overschrijdt, wordt het totale aantal dieren dat op grond
van lid 2, onder a) en b), voor een premie in aanmerking komt, in het betrokken jaar per
landbouwer proportioneel verlaagd.
-
5.In afwijking van de leden 1 en 4 kunnen de lidstaten op basis van objectieve criteria die
deel uitmaken van een plattelandsontwikkelingsbeleid en alleen indien zowel de
milieuaspecten als de werkgelegenheidsaspecten in aanmerking worden genomen, het
maximumaantal van 90 dieren per bedrijf en leeftijdstranche wijzigen of niet toepassen. In
dat geval kunnen de lidstaten besluiten lid 4 zo toe te passen dat de vereiste vermindering
verwezenlijkt wordt om aan het toepasselijke regionale maximum te voldoen, zonder dat er
verminderingen opgelegd worden aan kleine landbouwers die voor het betrokken jaar geen
speciale premies hebben aangevraagd voor meer dan een minimumaantal dieren dat door
de betrokken lidstaat is vastgesteld.
-
7.De speciale premie bedraagt:
-
a)210 euro per subsidiabele stier;
-
b)150 euro per subsidiabele os en leeftijdstranche.
-
8.De volgende regionale maxima zijn van toepassing:
Lidstaat Regionaal maximum
Bulgarije 90 343
Tsjechië 244 349
Denemarken 277 110
Duitsland 1 782 700
Estland 18 800
Cyprus 12 000
Letland 70 200
Litouwen 150 000
Polen 926 000
Roemenië 452 000
Slovenië 92 276
Slowakije 78 348
Finland 250 000
Artikel 111
Zoogkoeienpremie
-
1.Aan landbouwers die op hun bedrijf zoogkoeien houden, kan op aanvraag een premie voor
het aanhouden van zoogkoeien worden toegekend (zoogkoeienpremie). Deze premie wordt
toegekend in de vorm van een premie per jaar en per landbouwer, binnen de individuele
maxima.
-
2.De zoogkoeienpremie wordt toegekend aan alle landbouwers
-
a)die geen melk of zuivelproducten leveren in de 12 maanden vanaf de dag van
indiening van de aanvraag,
Rechtstreekse levering van melk of zuivelproducten van het bedrijf aan de
consument vormt echter geen beletsel voor de toekenning van de premie;
-
b)die melk of zuivelproducten leveren en wier totaal individueel quotum als bedoeld in
artikel 67 van Verordening (EEG) nr. 1234/2007 ten hoogste 120 000 kilogram
bedraagt.
De lidstaten kunnen evenwel volgens door hen te bepalen objectieve en niet-
discriminerende criteria besluiten deze kwantitatieve beperking te wijzigen of niet toe te
passen, op voorwaarde dat de landbouwers gedurende ten minste zes opeenvolgende
maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag een aantal zoogkoeien houden dat
Voor de vaststelling van het aantal op grond van de eerste alinea, onder a) en b),
subsidiabele dieren wordt op basis van het individuele melkquotum van het bedrijf op
31 maart van het betrokken kalenderjaar, uitgedrukt in ton, en op basis van de gemiddelde
melkopbrengst bepaald of de koeien tot een zoogkoeienbeslag dan wel tot een
melkkoeienbeslag behoren.
-
3.Het recht van de landbouwers op de premie wordt beperkt door toepassing van het in
artikel 112 gedefinieerde individuele maximum.
-
4.De premie per subsidiabel dier bedraagt 200 euro.
-
5.Mits er geen discriminatie tussen veehouders in de betrokken lidstaat plaatsvindt, mogen
de lidstaten een aanvullende nationale zoogkoeienpremie van maximaal 50 euro per dier
toekennen.
Voor bedrijven die zijn gevestigd in een in de artikelen 5 en 8 van Verordening (EG)
nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het
Cohesiefonds1 omschreven regio, wordt de eerste schijf van deze aanvullende premie, ten
belope van 24,15 euro per dier, gefinancierd door het ELGF.
Voor bedrijven op het gehele grondgebied van een lidstaat waarvan het koeienbeslag
gekenmerkt wordt door een hoog aandeel zoogkoeien dat ten minste 30% van het totale
aantal koeien uitmaakt, en waarvan ten minste 30% van de geslachte mannelijke runderen
-
6.Voor de toepassing van dit artikel worden alleen vaarzen in aanmerking genomen van een
vleesras of voortgekomen uit een kruising met een dergelijk ras, die deel uitmaken van een
beslag van voor de vleesproductie bestemde kalveren.
Artikel 112
Individueel maximum voor zoogkoeien
-
1.Aan elke landbouwer die zoogkoeien houdt, wordt steun verleend binnen de individuele
maxima die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 126, lid 2, van Verordening (EG)
nr. 1782/2003.
-
2.De lidstaten doen het nodige om ervoor te zorgen dat de som van de premierechten voor
hun grondgebied het in lid 5 vastgestelde nationale maximum niet overschrijdt en dat de in
artikel 114 bedoelde nationale reserve kan worden gehandhaafd.
Indien, na de periode waarin de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig
artikel 122 van toepassing was, artikel 53, lid 1, wordt toegepast, geschieden de toewijzing
van de individuele maxima aan de producenten en de vorming van de nationale reserve als
bedoeld in artikel 114 uiterlijk vóór het einde van het eerste jaar van toepassing van de
-
3.Als voor de in lid 2 bedoelde aanpassing de individuele maxima van landbouwers moeten
worden verlaagd, gebeurt dit zonder compensatiebetaling en op basis van objectieve
criteria, met name:
-
a)de mate waarin de landbouwers hun individuele maxima hebben gebruikt gedurende
de drie referentiejaren die aan 2000 voorafgaan;
-
b)de uitvoering van een investerings- of extensiveringsprogramma in de
rundvleessector;
-
c)specifieke natuurlijke omstandigheden of de toepassing van sancties waardoor de
premie gedurende ten minste één referentiejaar niet of slechts gedeeltelijk is betaald;
-
d)andere uitzonderlijke omstandigheden waardoor de betalingen voor ten minste één
referentiejaar niet stroken met de werkelijke situatie zoals geconstateerd gedurende
de voorgaande jaren.
-
4.De premierechten die op grond van de overeenkomstig lid 2, eerste alinea, genomen
maatregel zijn ingetrokken, worden geannuleerd.
-
5.De volgende nationale maxima zijn van toepassing:
Lidstaat Nationaal maximum
België 394 253
Bulgarije 16 019
Tsjechië 90 300
Estland 13 416
Spanje 1 441 539
Frankrijk 3 779 866
Cyprus 500
Letland 19 368
Litouwen 47 232
Hongarije 117 000
Malta 454
Oostenrijk 375 000
Polen 325 581
Portugal 458 941
Roemenië 150 000
Slovenië 86 384
Artikel 113
Overdracht van premierechten voor zoogkoeien
-
1.Wanneer een landbouwer zijn bedrijf verkoopt of anderszins overdraagt, kan hij al zijn
rechten op de zoogkoeienpremie overdragen aan degene die zijn bedrijf overneemt.
-
2.De in lid 1 bedoelde landbouwer kan zijn rechten ook geheel of gedeeltelijk aan andere
landbouwers overdragen zonder zijn bedrijf over te dragen.
Wanneer premierechten worden overgedragen zonder overdracht van het bedrijf wordt een
deel van de overgedragen rechten dat ten hoogste 15% bedraagt, zonder enige compensatie
aan de nationale reserve van de lidstaat waar het bedrijf zich bevindt, afgestaan voor
kosteloze herverdeling.
-
3.De lidstaten:
-
a)nemen de nodige maatregelen om te voorkomen dat premierechten door overdracht
terechtkomen buiten gevoelige zones of buiten regio's waar de rundveehouderij voor
de plaatselijke economie van groot belang is;
-
b)kunnen bepalen dat de overdracht van rechten zonder overdracht van het bedrijf
hetzij rechtstreeks tussen landbouwers, hetzij via de nationale reserve plaatsvindt.
Artikel 114
ationale reserve van premierechten voor zoogkoeien
-
1.Elke lidstaat houdt een nationale reserve van premierechten voor zoogkoeien aan.
-
2.Onverminderd artikel 112, lid 4, worden premierechten die op grond van artikel 113, lid 2,
tweede alinea, of andere communautaire bepalingen zijn ingetrokken, aan de nationale
reserve toegevoegd.
-
3.De lidstaten kennen de premierechten binnen de grenzen van hun nationale reserve toe aan
met name nieuwkomers, jonge landbouwers en andere prioritaire landbouwers.
Artikel 115
Vaarzen
-
1.In afwijking van artikel 111, lid 3, van de onderhavige verordening kunnen lidstaten waar
meer dan 60% van de zoogkoeien en de vaarzen gehouden worden in berggebieden in de
zin van artikel 50 van Verordening (EG) nr. 1698/2005, besluiten de toekenning van de
zoogkoeienpremie voor vaarzen afzonderlijk te beheren van die voor zoogkoeien, binnen
de grenzen van een afzonderlijk nationaal maximum dat door de betrokken lidstaat wordt
Dat afzonderlijke nationale maximum mag niet meer bedragen dan 40% van het nationale
maximum van de betrokken lidstaat als bedoeld in artikel 112, lid 5. Dat nationale
maximum moet verlaagd worden met de hoeveelheid die gelijk is aan het afzonderlijke
nationale maximum. Wanneer in een lidstaat die van de in dit lid geboden mogelijkheid
gebruik maakt, het totaal aantal vaarzen waarvoor een premie is aangevraagd en die
voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van de zoogkoeienpremie, het
afzonderlijke nationale maximum overschrijdt, moet het aantal subsidiabele vaarzen per
landbouwer voor het betrokken jaar proportioneel worden verlaagd.
-
2.Voor de toepassing van dit artikel worden alleen vaarzen van een vleesras of
voortgekomen uit een kruising met een dergelijk ras in aanmerking genomen.
Artikel 116
Slachtpremie
-
1.Een landbouwer die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op aanvraag in aanmerking komen
voor een slachtpremie. De premie wordt, binnen nader vast te stellen nationale maxima,
toegekend bij het slachten van in aanmerking komende dieren of de uitvoer daarvan naar
een derde land.
Voor de slachtpremie komen in aanmerking:
-
2.De premie bedraagt:
-
a)80 euro per subsidiabel dier als omschreven in lid 1, onder a);
-
b)50 euro per subsidiabel dier als omschreven in lid 1, onder b).
-
3.De in lid 1 bedoelde nationale maxima worden vastgesteld per lidstaat en afzonderlijk voor
beide groepen dieren als omschreven onder a) en b), van dat lid. Elk maximum is gelijk
aan het aantal dieren in elke van deze twee groepen dat in 1995 in de betrokken lidstaat is
geslacht. Het aantal vanuit die lidstaat naar een derde land uitgevoerde dieren, volgens de
gegevens van Eurostat of andere gepubliceerde officiële statistische gegevens voor dat jaar
die door de Commissie zijn geaccepteerd, wordt bij dat maximum opgeteld.
Voor de nieuwe lidstaten zijn de volgende maxima van toepassing:
Kalveren van meer dan 1 en
Stieren, ossen, koeien en minder dan 8 maanden oud met
vaarzen een slachtgewicht van ten
hoogste 185 kg
Bulgarije 22 191 101 542
Tsjechië 483 382 27 380
Estland 107 813 30 000
Cyprus 21 000 --
Letland 124 320 53 280
Litouwen 367 484 244 200
-
4.Wanneer in een bepaalde lidstaat het totale aantal dieren waarvoor een aanvraag is
ingediend met betrekking tot een van de twee in lid 1, onder a) of b), bedoelde groepen
dieren en die voldoen aan de voorwaarden voor het toekennen van de slachtpremie, het
nationale maximum voor die groep overschrijdt, wordt het totale aantal subsidiabele dieren
van die groep per landbouwer voor het betrokken jaar proportioneel verlaagd.
Artikel 117
Gemeenschappelijke voorschriften voor de premies
Alleen dieren die geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG)
nr. 1760/2000, komen in aanmerking voor betalingen op grond van deze afdeling.
Er wordt evenwel van uitgegaan dat een dier waarover de in artikel 7, lid 1, tweede streepje, van
Verordening (EG) nr. 1760/2000 vastgestelde gegevens op de eerste dag van de volgens de
procedure van artikel 141, lid 2, van de onderhavige verordening bepaalde aanhoudperiode van het
dier aan de bevoegde autoriteit zijn gemeld, eveneens in aanmerking komt voor de betaling.
Artikel 118
Maxima
De som van de bedragen van alle op grond van deze afdeling aangevraagde rechtstreekse betalingen
mag het door de Commissie overeenkomstig artikel 51, lid 2, vastgestelde maximum niet
Artikel 119
Krachtens Richtlijn 96/22/EG verboden stoffen
-
1.Wanneer residuen van stoffen die op grond van Richtlijn 96/22/EG van de Raad van
29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde
stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking,
alsmede van ß-agonisten1 verboden zijn of residuen van stoffen die op grond van die
richtlijn zijn toegestaan maar op illegale wijze zijn gebruikt, overeenkomstig de relevante
bepalingen van Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake
controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende
dieren en in producten daarvan2 worden aangetroffen bij een dier van het rundveebeslag
van een landbouwer, dan wel wanneer een niet-toegestane stof of een niet-toegestaan
product, of een op grond van Richtlijn 96/22/EG toegestane stof of toegestaan product
die/dat evenwel illegaal voorhanden is, in welke vorm ook op het bedrijf van die
landbouwer wordt aangetroffen, wordt de betrokken landbouwer voor het kalenderjaar
waarin een en ander is vastgesteld, uitgesloten van de bedragen waarin de bepalingen van
deze afdeling voorzien.
In geval van recidive kan de uitsluitingsperiode naar gelang van de ernst van de
overtreding verlengd worden tot vijf jaar, te rekenen vanaf het jaar waarin de recidive is
HOOFDSTUK 2
NATIONALE STEUN
Artikel 120
ationale steun voor noten
-
1.Vanaf 2012, of wanneer ter toepassing van artikel 67 de in afdeling 4 van hoofdstuk 1 van
deze titel bedoelde areaalbetaling voor noten in de bedrijfstoeslagregeling is geïntegreerd,
kunnen de lidstaten nationale steun ten belope van maximaal 120,75 euro per hectare per
jaar toekennen aan landbouwers die de volgende producten produceren:
-
a)amandelen van de GN-codes 0802 11 en 0802 12,
-
b)hazelnoten van de GN-codes 0802 21 en 0802 22,
-
c)walnoten van de GN-codes 0802 31 en 0802 32,
-
d)pimpernoten (pistaches) van GN-code 0802 50,
-
2.De maximumarealen waarvoor nationale steun mag worden betaald, zijn vastgesteld in de
onderstaande tabel.
Lidstaat Maximumareaal (ha)
België 100
Bulgarije 11 984
Duitsland 1 500
Griekenland 41 100
Spanje 568 200
Frankrijk 17 300
Italië 130 100
Cyprus 5 100
Luxemburg 100
Hongarije 2 900
Nederland 100
Polen 4 200
Portugal 41 300
Roemenië 1 645
Slovenië 300
Slowakije 3 100
Verenigd Koninkrijk 100
TITEL V
TENUITVOERLEGGING VAN
DE RECHTSTREEKSE BETALINGEN
IN DE NIEUWE LIDSTATEN
HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 121
Invoering van rechtstreekse betalingen
In de nieuwe lidstaten, behoudens Bulgarije en Roemenië, worden de rechtstreekse betalingen
ingevoerd overeenkomstig de volgende regeling inzake toename, uitgedrukt als percentage van het
dan geldende niveau van deze betalingen in andere dan de nieuwe lidstaten:
60% in 2009,
70% in 2010,
In Bulgarije en Roemenië worden de rechtstreekse betalingen ingevoerd overeenkomstig de
volgende regeling inzake toename, uitgedrukt als percentage van het dan geldende niveau van deze
betalingen in andere dan de nieuwe lidstaten:
35% in 2009,
40% in 2010,
50% in 2011,
60% in 2012,
70% in 2013,
80% in 2014,
90% in 2015,
HOOFDSTUK 2
REGELING INZAKE EEN ENKELE AREAALBETALING
Artikel 122
Regeling inzake een enkele areaalbetaling
-
1.De nieuwe lidstaten die hebben besloten de rechtstreekse betalingen, behalve voor 2009,
2010 en 2011, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 9, van deze verordening vastgestelde
overgangsbetaling voor zacht fruit, en, voor 2009, de in titel IV, hoofdstuk 5, van
Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde betaling voor energiegewassen, te vervangen
door een regeling inzake een enkele areaalbetaling, verlenen steun aan de landbouwers
overeenkomstig dit artikel.
-
2.De enkele areaalbetaling wordt op jaarbasis toegekend. Zij wordt berekend door het
overeenkomstig artikel 123 vastgestelde jaarlijkse totaalbedrag te delen door het
overeenkomstig artikel 124 bepaalde landbouwareaal van elke nieuwe lidstaat.
-
3.De regeling inzake een enkele areaalbetaling kan worden toegepast tot en met 31 december
2013. De nieuwe lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus van het laatste
toepassingsjaar in kennis van hun voornemen om de toepassing te beëindigen.
-
4.Na afloop van de toepassingsperiode van de regeling inzake een enkele areaalbetaling
worden de rechtstreekse betalingen toegepast overeenkomstig de desbetreffende
communautaire voorschriften en op basis van de kwantitatieve parameters zoals
basisarealen, maxima voor premies en gegarandeerde maximumhoeveelheden (GMH's) die
voor elke rechtstreekse betaling in de Toetredingsakten van 2003 en 2005 en latere
communautaire regelgeving zijn gespecificeerd. De percentages die in artikel 121 voor de
betrokken jaren zijn vastgesteld, worden vervolgens toegepast.
Artikel 123
Jaarlijks totaalbedrag
-
1.Voor elke nieuwe lidstaat stelt de Commissie een jaarlijks totaalbedrag vast dat
overeenkomt met de som van de middelen die voor het betrokken kalenderjaar ter
toekenning van rechtstreekse betalingen in de nieuwe lidstaat beschikbaar zouden zijn.
Het jaarlijkse totaalbedrag wordt vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende
communautaire voorschriften en op basis van de kwantitatieve parameters zoals
basisarealen, maxima voor premies en gegarandeerde maximumhoeveelheden die voor
elke rechtstreekse betaling in de Toetredingsakten van 2003 en 2005 en latere
communautaire regelgeving zijn gespecificeerd.
Het jaarlijkse totaalbedrag wordt aangepast aan de hand van het desbetreffende, in
artikel 121 opgenomen percentage voor de geleidelijke invoering van rechtstreekse
-
2.Indien de enkele areaalbetalingen in een nieuwe lidstaat in een bepaald jaar het jaarlijkse
totaalbedrag van die lidstaat zouden overschrijden, wordt het nationale hectarebedrag in
die nieuwe lidstaat proportioneel verlaagd door toepassing van een verlagingscoëfficiënt.
Artikel 124
Areaal in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling
-
1.Het landbouwareaal van een nieuwe lidstaat, behoudens Bulgarije en Roemenië, in het
kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling is het deel van zijn oppervlakte
cultuurgrond dat op 30 juni 2003 in goede landbouwconditie verkeerde, ongeacht of het op
die datum in productie was, zo nodig aangepast op basis van objectieve en niet-
discriminerende criteria die na goedkeuring door de Commissie door die nieuwe lidstaat
worden vastgesteld.
Voor de toepassing van deze titel wordt onder "oppervlakte cultuurgrond" verstaan de
totale door bouwland, blijvend grasland, blijvende gewassen en tuinen voor eigen gebruik
ingenomen oppervlakte zoals door de Commissie bepaald voor haar statistische
doeleinden.
Voor Bulgarije en Roemenië is het landbouwareaal in het kader van de regeling inzake een
enkele areaalbetaling het deel van hun oppervlakte cultuurgrond dat in goede landbouw-
conditie verkeert, ongeacht of het in productie is, waar nodig bijgesteld op basis van
objectieve en niet-discriminerende criteria die na goedkeuring door de Commissie door
-
2.Met het oog op de toekenning van betalingen in het kader van de regeling inzake een
enkele areaalbetaling komen alle landbouwpercelen die voldoen aan de in lid 1
vastgestelde criteria, alsmede landbouwpercelen beplant met hakhout met korte omlooptijd
(GN-code ex 0602 90 41), die op 30 juni 2003 in goede landbouwconditie verkeerden, in
aanmerking. Voor Bulgarije en Roemenië komen evenwel alle landbouwpercelen die
voldoen aan de in lid 1 vastgestelde criteria, alsmede landbouwpercelen beplant met
hakhout met korte omlooptijd (GN-code ex 0602 90 41), in aanmerking.
Behalve in geval van overmacht of in uitzonderlijke omstandigheden zijn de in de eerste
alinea bedoelde percelen op de door de lidstaat vastgestelde datum, maar niet later dan de
door die lidstaat vastgestelde datum voor wijziging van een steunaanvraag, ter beschikking
van de landbouwer.
De minimumgrootte van de in aanmerking komende oppervlakte per bedrijf waarvoor
betalingen kunnen worden aangevraagd, is 0,3 ha. Elke nieuwe lidstaat kan echter op basis
van objectieve criteria en na goedkeuring door de Commissie besluiten die
minimumgrootte tot maximaal 1 ha te verhogen.
-
3.Er bestaat geen verplichting om te produceren of om de productiefactoren te gebruiken. De
landbouwers kunnen de in lid 4 bedoelde grond echter gebruiken voor om het even welke
landbouwdoeleinden. Artikel 39 is van toepassing op de productie van hennep.
-
5.Landbouwers die steun in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling
ontvangen, moeten aan de in bijlage II bedoelde uit de regelgeving voortvloeiende beheers-
eisen voldoen overeenkomstig het volgende tijdschema:
-
a)de in bijlage II, punt A, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van
1 januari 2009;
-
b)de in bijlage II, punt B, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van
1 januari 2011;
-
c)de in bijlage II, punt C, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van
1 januari 2013.
-
6.Voor Bulgarije en Roemenië is de toepassing van de artikelen 4, 5, 23, 24 en 25 facultatief
tot en met 31 december 2011, voor zover deze bepalingen verband houden met uit de
regelgeving voortvloeiende beheerseisen. Met ingang van 1 januari 2012 moet een
landbouwer die in die lidstaten betalingen in het kader van de regeling inzake een enkele
areaalbetaling ontvangt, aan de in bijlage II bedoelde uit de regelgeving voortvloeiende
beheerseisen voldoen overeenkomstig het volgende tijdschema:
-
a)de in bijlage II, punt A, bedoelde eisen zijn van toepassing met ingang van
1 januari 2012;
-
8.De toepassing van de regeling inzake een enkele areaalbetaling doet op geen enkele wijze
afbreuk aan de verplichting van een nieuwe lidstaat uitvoering te geven aan de in
Verordening (EG) nr. 1760/2000 en Verordening (EG) nr. 21/2004 vastgestelde
communautaire regels betreffende de identificatie en de registratie van dieren.
Artikel 125
Communicatie
De nieuwe lidstaten stellen de Commissie gedetailleerd in kennis van de ter uitvoering van dit
hoofdstuk genomen maatregelen, en met name van de op grond van artikel 123, lid 2, genomen
maatregelen.
HOOFDSTUK 3
AFZONDERLIJKE BETALINGEN EN SPECIFIEKE STEUN
Artikel 126
Afzonderlijke suikerbetaling
-
1.Nieuwe lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter bis van Verordening
(EG) nr. 1782/2003 vastgestelde optie, verlenen een afzonderlijke suikerbetaling aan voor
de regeling inzake een enkele areaalbetaling in aanmerking komende landbouwers. Deze
betaling wordt verleend op basis van de in 2006 en 2007 door de betrokken lidstaten
-
2.De afzonderlijke suikerbetaling wordt verleend binnen de grenzen van de in bijlage XV
vastgestelde maxima.
-
3.In afwijking van lid 2 kan elke betrokken nieuwe lidstaat uiterlijk op 31 maart van het jaar
waarvoor de afzonderlijke suikerbetaling wordt verleend, en op basis van objectieve
criteria besluiten om een lager maximum voor de afzonderlijke suikerbetaling toe te passen
dan het maximum dat in bijlage XV is opgenomen. Indien het totaal van de
overeenkomstig lid 1 vastgestelde bedragen hoger ligt dan het door de betrokken nieuwe
lidstaten bepaalde maximum, wordt het aan de landbouwers te verlenen jaarlijkse bedrag
proportioneel verlaagd.
Artikel 127
Afzonderlijke betaling voor groenten en fruit
-
1.Nieuwe lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter ter van Verordening
(EG) nr. 1782/2003 vastgestelde optie, verlenen een afzonderlijke betaling voor groenten
en fruit aan voor de regeling inzake een enkele areaalbetaling in aanmerking komende
landbouwers. Deze betaling wordt verleend volgens de in 2007 door de betrokken lidstaten
vastgestelde criteria.
-
2.De afzonderlijke betaling voor groenten en fruit wordt verleend binnen de grenzen van het
aandeel van het in artikel 40 bedoelde nationale maximum dat is bestemd voor groenten en
fruit, of, wanneer de nieuwe lidstaten gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter ter,
Artikel 128
Afzonderlijke overgangsbetaling voor groenten en fruit
-
1.Nieuwe lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter quater, lid 1, van
Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde optie, mogen tot en met 31 december 2011
ten hoogste 50% behouden van het aandeel van de in artikel 41 van de onderhavige
verordening bedoelde nationale maxima dat bestemd is voor tomaten van GN-code
7020 00 00 overeenkomstig het door hen in 2007 genomen besluit.
In dit geval verricht de betrokken lidstaat binnen de grenzen van het volgens de in
artikel 141, lid 2, bedoelde procedure vastgestelde maximum jaarlijks een extra betaling
aan landbouwers.
De extra betaling wordt verleend aan landbouwers die tomaten produceren overeenkomstig
de voorwaarden van titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 8, van de onderhavige verordening.
-
2.Nieuwe lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter quater, lid 2, van
Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde optie, mogen overeenkomstig het door hen
in 2007 genomen besluit:
-
a)tot en met 31 december 2010 ten hoogste 100% behouden van het aandeel van de in
artikel 40 van de onderhavige verordening bedoelde nationale maxima dat bestemd is
voor in de in artikel 54, lid 2, derde alinea, van de onderhavige verordening bedoelde
-
b)van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 ten hoogste 75% behouden van het
aandeel van de in artikel 40 van de onderhavige verordening bedoelde nationale
maxima dat bestemd is voor in de in artikel 54, lid 2, derde alinea, van de
onderhavige verordening bedoelde andere groente- en fruitgewassen dan eenjarige.
In dit geval verricht de betrokken lidstaat binnen de grenzen van het volgens de in
artikel 141, lid 2, bedoelde procedure vastgestelde maximum jaarlijks een extra betaling
aan landbouwers.
De extra betaling wordt toegekend aan landbouwers die een of meer van de in artikel 54,
lid 2, derde alinea, van de onderhavige verordening opgenomen groente- en fruitproducten
produceren, zoals vastgesteld door de betrokken lidstaat.
-
3.De nieuwe lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de in artikel 143 ter quater van
Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde opties, mogen voor 1 augustus 2009
besluiten het in 2007 genomen besluit te herzien met de bedoeling:
-
a)deze betalingen volledig of gedeeltelijk te integreren in de regeling inzake een enkele
areaalbetaling. In dat geval worden, in afwijking van artikel 130, de betrokken
bedragen opgenomen in het in artikel 123, lid 1, bedoelde jaarlijkse totaalbedrag, of
-
b)deze betalingen volledig of gedeeltelijk te integreren in de in artikel 127 bedoelde
afzonderlijke betaling voor groenten en fruit. In dat geval wordt de nieuwe betaling
toegekend op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals die van
bijlage IX, deel A, punt 2, en met betrekking tot een representatieve periode die
eindigt in 2008.
Artikel 129
Afzonderlijke betaling voor zacht fruit
-
1.In afwijking van artikel 122 kunnen de nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele
areaalbetaling toepassen, voor 1 augustus 2011 besluiten om met ingang van 2012 een
afzonderlijke betaling voor zacht fruit toe te kennen. De toekenning geschiedt aan de hand
van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals de betalingen die zijn ontvangen uit
hoofde van de overgangsbetaling voor zacht fruit uit hoofde van artikel 98 en met
betrekking tot een door de lidstaat vast te stellen referentieperiode, maar niet na 2008.
-
2.De afzonderlijke betaling voor zacht fruit wordt toegekend binnen de grenzen van de in
bijlage XII voor de betaling voor zacht fruit genoemde bedragen.
-
3.In 2012 kunnen de lidstaten die dit artikel toepassen naast de betaling voor zacht fruit ook
nationale steun toekennen. Het totale bedrag van de communautaire en de nationale steun
mag de volgende maxima niet overschrijden:
-
-Bulgarije: 960 000 euro
-
-Letland: 160 000 euro
-
-Litouwen: 240 000 euro
-
-Hongarije: 680 000 euro
-
-Polen: 19 200 000 euro.
Artikel 130
Gemeenschappelijke bepalingen inzake de afzonderlijke betalingen
-
1.De middelen die ter beschikking worden gesteld voor de toekenning van de in de
artikelen 126, 127, 128 en 129 bedoelde betaling, worden niet opgenomen in het in
artikel 123, lid 1, vermelde jaarlijkse totaalbedrag. Indien artikel 126, lid 3, wordt
toegepast, wordt het verschil tussen het in bijlage XV vermelde maximum en het werkelijk
toegepaste maximum evenwel opgenomen in het in artikel 123, lid 1, bedoelde jaarlijkse
totaalbedrag.
-
3.Bij feitelijke of verwachte vererving worden de in artikel 126 bedoelde afzonderlijke
betaling voor suiker, de in artikel 127 bedoelde afzonderlijke betaling voor groenten en
fruit en de in artikel 129 bedoelde afzonderlijke betaling voor zacht fruit toegekend aan de
landbouwer die het bedrijf heeft geërfd, mits deze landbouwer in aanmerking komt voor de
regeling inzake een enkele areaalbetaling.
Artikel 131
Specifieke steun
-
1.De nieuwe lidstaten die de regeling inzake de enkele areaalbetaling toepassen, kunnen
uiterlijk op 1 augustus van 2009, 2010 of 2011 besluiten om met ingang van het jaar na die
beslissing tot 10% van hun in artikel 40 bedoelde nationale maxima te gebruiken om de in
artikel 68, lid 1, bedoelde steun aan landbouwers toe te kennen overeenkomstig titel III,
hoofdstuk 5, naar gelang van het geval.
-
2.In afwijking van artikel 68, lid 4, punt c), wordt de in artikel 68, lid 1, punt c), bedoelde
steun toegekend in de vorm van een verhoging van de in het kader van de regeling inzake
een enkele areaalbetaling toegekende bedragen per hectare.
Artikel 68, lid 3, tweede alinea, geldt niet voor de nieuwe lidstaten die de regeling inzake
de enkele areaalbetaling toepassen.
-
3.In afwijking van artikel 69, lid 6, zorgen de nieuwe lidstaten die de in artikel 122 bedoelde
regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen, voor de middelen die nodig zijn ter
financiering van de steun bedoeld in lid 1 van dit artikel door:
-
a)het jaarlijkse totaalbedrag bedoeld in artikel 123 te verlagen en/of
-
b)een lineaire verlaging toe te passen op de rechtstreekse betalingen, met uitzondering
van de regeling inzake een enkele areaalbetaling.
-
4.De in lid 1 bedoelde bedragen worden door de Commissie vastgesteld volgens de in
artikel 141, lid 2, bedoelde procedure.
De bedragen worden afgetrokken van de in artikel 123, lid 1, bedoelde jaarlijkse totaal-
bedragen van de betrokken nieuwe lidstaten.
HOOFDSTUK 4
AANVULLENDE NATIONALE RECHTSTREEKSE BETALINGEN
EN RECHTSTREEKSE BETALINGEN
Artikel 132
Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen
-
2.Onder voorbehoud van toestemming van de Commissie kunnen de nieuwe lidstaten
eventuele rechtstreekse betalingen aanvullen:
-
a)tot 30 procentpunten boven het in artikel 121 bedoelde voor het betrokken jaar
geldende niveau. Voor Bulgarije en Roemenië geldt het volgende:65% van het
niveau van de rechtstreekse betalingen in de Gemeenschap in haar samenstelling op
30 april 2004 in 2009, en vanaf 2010 tot 50 procentpunten boven het in artikel 121
bedoelde voor het betrokken jaar geldende niveau. Tsjechië kan de rechtstreekse
betalingen in de sector aardappelzetmeel echter aanvullen tot 100% van het niveau
dat geldt in andere dan de nieuwe lidstaten. De in titel IV, hoofdstuk 7, van
Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde rechtstreekse betalingen kunnen door de
nieuwe lidstaten evenwel tot 100% worden aangevuld. Voor Bulgarije en Roemenië
zijn de volgende maximumpercentages van toepassing: 95% in 2009 en 100% met
ingang van 2010;
of
-
b)i) wat de andere rechtstreekse betalingen dan de bedrijfstoeslag betreft, tot het
totale niveau van de rechtstreekse steun waarop de landbouwer in de nieuwe
lidstaat in het kalenderjaar 2003 per product op grond van een met GLB-steun
vergelijkbare nationale regeling recht zou hebben, verhoogd met 10
procentpunten. Voor Litouwen is het referentiejaar evenwel het kalenderjaar
2002.Voor Bulgarije en Roemenië is het referentiejaar het kalenderjaar 2006.
-
ii)wat de bedrijfstoeslagregeling betreft, wordt het totale bedrag van de
aanvullende nationale rechtstreekse steun die een nieuwe lidstaat voor een
bepaald jaar toekent, beperkt door een specifiek totaalbedrag. Dit totaalbedrag
is gelijk aan het verschil tussen:
-
-het totale bedrag aan met GLB-steun vergelijkbare nationale
rechtstreekse steun dat in de betrokken nieuwe lidstaat beschikbaar zou
zijn voor het kalenderjaar 2003 of, in het geval van Litouwen, het
kalenderjaar 2002, telkens verhoogd met 10 procentpunten. Voor
Bulgarije en Roemenië is het referentiejaar evenwel het kalenderjaar
2006. Voor Slovenië geldt een verhoging van 25 procentpunten, en
-
-het in bijlage VIII opgenomen nationale maximum voor deze nieuwe
lidstaat, zo nodig aangepast overeenkomstig artikel 51, lid 2.
Bij de berekening van het in het eerste streepje bedoelde totale bedrag worden
meegerekend de nationale rechtstreekse betalingen of aandelen daarvan die
overeenkomen met de communautaire rechtstreekse betalingen of aandelen
daarvan die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het
feitelijke maximum voor de betrokken nieuwe lidstaat overeenkomstig artikel
Voor elke betrokken rechtstreekse betaling kan een nieuwe lidstaat kiezen voor de
toepassing van punt a) of punt b) van de eerste alinea.
Vanaf 2012 is de totale rechtstreekse steun die na de toetreding in de nieuwe lidstaat aan
een landbouwer kan worden toegekend uit hoofde van de betrokken rechtstreekse betaling
met inbegrip van alle aanvullende nationale rechtstreekse betalingen, niet hoger dan het
niveau van de rechtstreekse steun waarop die landbouwer recht zou hebben uit hoofde van
de overeenkomstige rechtstreekse betaling die op dat moment geldt voor andere dan de
nieuwe lidstaten, rekening houdend met de toepassing van artikel 7, lid 1, juncto artikel 10.
-
3.Cyprus kan de rechtstreekse steun die aan een landbouwer wordt betaald uit hoofde van
rechtstreekse betalingen in het kader van een in bijlage I opgenomen steunregelingen,
aanvullen tot het totale niveau van de steun waarop de landbouwer in 2001 in Cyprus recht
zou hebben gehad.
De autoriteiten van Cyprus zorgen ervoor dat de totale rechtstreekse steun die na de
toetreding in Cyprus uit hoofde van de betrokken rechtstreekse betaling met inbegrip van
alle aanvullende nationale rechtstreekse betalingen aan een landbouwer wordt toegekend,
in geen geval hoger is dan de rechtstreekse steun waarop die landbouwer recht zou hebben
uit hoofde van de overeenkomstige rechtstreekse betaling in het betrokken jaar in andere
dan de nieuwe lidstaten.
De totale bedragen van de aanvullende nationale steun die kan worden verleend, zijn
-
4.Indien een nieuwe lidstaat besluit de regeling inzake een enkele areaalbetaling toe te
passen, kan die nieuwe lidstaat onder de in de leden 5 en 8 bepaalde voorwaarden
aanvullende nationale rechtstreekse steun verlenen.
-
5.Het totale bedrag aan aanvullende nationale steun dat bij toepassing van de regeling inzake
een enkele areaalbetaling in een bepaald jaar wordt toegekend, kan worden beperkt aan de
hand van een specifiek totaalbedrag per (sub)sector, op voorwaarde dat dat
(sub)sectorspecifieke totaalbedrag slechts betrekking kan hebben op:
-
a)de met de bedrijfstoeslagregeling gecombineerde rechtstreekse betalingen en/of
-
b)voor 2009 een of meer van de rechtstreekse betalingen die overeenkomstig artikel 70,
lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de bedrijfstoeslagregeling worden of
kunnen worden uitgesloten of waarvoor een gedeeltelijke uitvoering als bedoeld in
artikel 64, lid 2, van die verordening mogelijk is.
-
c)vanaf 2010, een of meer van de rechtstreekse betalingen waarop de in artikel 51,
lid 2, en artikel 68 van die verordening bedoelde gedeeltelijke uitvoering of
specifieke steun kan worden toegepast.
Dit totaalbedrag is gelijk aan het verschil tussen:
-
a)het totale bedrag van de steun per (sub)sector dat voortvloeit uit de toepassing van lid
2, tweede alinea, punt a) of punt b), naar gelang van het geval, en
-
6.De nieuwe lidstaat kan op basis van objectieve criteria na toestemming van de Commissie
beslissen welke bedragen aan aanvullende nationale steun kunnen worden verleend.
-
7.De toestemming van de Commissie:
-
a)vermeldt de betrokken met GLB-steun vergelijkbare nationale regelingen inzake
rechtstreekse betalingen in geval van toepassing van lid 2, eerste alinea, onder b),
-
b)bepaalt tot welk niveau de aanvullende nationale steun kan worden betaald, hoe hoog
de aanvullende nationale steun is en, in voorkomend geval, welke voorwaarden voor
de toekenning van die steun gelden,
-
c)wordt verleend onder voorbehoud van welke aanpassingen ook die eventueel nodig
zijn als gevolg van ontwikkelingen in het GLB.
-
8.De toekenning van aanvullende nationale betalingen of steun is niet mogelijk voor
landbouwactiviteiten waarvoor in andere dan de nieuwe lidstaten niet in rechtstreekse
betalingen is voorzien.
Artikel 133
Staatssteun op Cyprus
Cyprus kan naast de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen als overgangsmaatregel
degressieve nationale steun toekennen tot eind 2012. Deze staatssteun wordt in een soortgelijke
Rekening houdend met de aard en het bedrag van de in 2001 toegekende nationale steun, kan
Cyprus aan de in bijlage XVII genoemde (sub)sectoren staatssteun toekennen tot de in die bijlage
vermelde bedragen.
De staatssteun wordt toegekend onder voorbehoud van alle aanpassingen die eventueel nodig zijn
als gevolg van ontwikkelingen in het GLB. Indien dergelijke aanpassingen noodzakelijk blijken,
wordt het bedrag van de steun of worden de voorwaarden voor de toekenning daarvan gewijzigd op
grond van een besluit van de Commissie.
Cyprus legt de Commissie jaarlijks een verslag voor over de uitvoering van de maatregelen inzake
staatssteun, waarin de steunvormen en -bedragen per (sub)sector worden vermeld.
TITEL VI
FINANCIËLE OVERDRACHTEN
Artikel 134
Financiële overdracht voor herstructurering in de katoenproducerende regio's
Per kalenderjaar wordt in het kader van uit het ELFPO gefinancierde plattelandsontwikkelings-
programma's een bedrag van 22 000 000 euro ter beschikking gesteld als aanvullende
communautaire steun voor maatregelen in katoenproducerende regio's.
Artikel 135
Financiële overdracht voor herstructurering in de tabakproducerende regio's
Met ingang van het begrotingsjaar 2011 wordt, in het kader van uit het ELFPO gefinancierde
plattelandsontwikkelingsprogramma's, voor lidstaten waar de tabaksproducenten in 2000, 2001
en 2002 steun ontvingen op grond van Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad van
30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak1, een
bedrag van 484 000 000 euro ter beschikking gesteld als aanvullende communautaire steun voor
maatregelen in tabakproducerende regio's.
Artikel 136
Overdracht aan het ELFPO
De lidstaten kunnen uiterlijk 1 augustus 2009 beslissen om vanaf het begrotingsjaar 2011 een
conform artikel 69, lid 7, te berekenen bedrag ter beschikking te stellen voor communautaire steun
in het kader van programma's en financiering voor plattelandsontwikkeling op grond van het
ELFPO in plaats van een beroep te doen op artikel 69, lid 6, onder a).
TITEL VII
UITVOERINGS-, OVERGANGS-
EN SLOTBEPALINGEN
HOOFDSTUK 1
UITVOERINGSBEPALINGEN
Artikel 137
Bevestiging van toeslagrechten
-
1.Toeslagrechten die vóór 1 januari 2009 aan landbouwers worden toegewezen, worden met
ingang van 1 januari 2010 als wettelijk en conform beschouwd.
-
2.Lid 1 is niet van toepassing op toeslagrechten die op basis van feitelijk onjuiste aanvragen
aan landbouwers zijn toegewezen, tenzij de landbouwer de fout niet redelijkerwijs had
kunnen ontdekken.
-
3.Het bepaalde in lid 1 doet niet af aan de bevoegdheid van de Commissie om in artikel 31
van Verordening (EG) nr. 1290/2005 bedoelde beslissingen te nemen met betrekking tot
uitgaven die zijn gedaan voor betalingen betreffende een kalenderjaar tot en met 2009.
Artikel 138
Toepassing op de ultraperifere gebieden
De titels III en IV zijn niet van toepassing op de Franse overzeese departementen, de Azoren en
Madeira en de Canarische Eilanden.
Artikel 139
Staatssteun
In afwijking van artikel 180 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en van artikel 3 van Verordening
(EG) nr. 1184/2006 van de Raad van 24 juli 2006 inzake de toepassing van bepaalde regels
betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten1, zijn de
artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag niet van toepassing op betalingen die de lidstaten in het
kader van de artikelen 41, 57, 64, 68, 69, 70, 71, 82, lid 2, 86, 98, lid 4, 111, lid 5, 120, 129, lid 3,
131, 132 en 133 van de onderhavige verordening verrichten overeenkomstig de onderhavige
verordening.
Artikel 140
Verstrekken van informatie aan de Commissie
De lidstaten verstrekken de Commissie uitvoerige informatie over de ter uitvoering van de
onderhavige verordening genomen maatregelen, en met name over de maatregelen betreffende de
Artikel 141
Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen
-
1.De Commissie wordt bijgestaan door een Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen.
-
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van
toepassing.
De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een
maand.
Artikel 142
Uitvoeringsbepalingen
Volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure worden uitvoeringsbepalingen voor de
onderhavige verordening vastgesteld. Het betreft met name:
-
a)uitvoeringsbepalingen inzake de vaststelling van een bedrijfsadviseringssysteem;
-
b)uitvoeringsbepalingen betreffende de criteria voor de toewijzing van de door de toepassing
van de modulatie beschikbaar komende bedragen;
-
c)uitvoeringsbepalingen betreffende het verlenen van de steunbedragen waarin de
onderhavige verordening voorziet, met inbegrip van de voorwaarden voor subsidiabiliteit,
-
d)uitvoeringsbepalingen betreffende de bedrijfstoeslagregeling, met name de vorming van de
nationale reserve, de overdracht van toeslagrechten, de definitie van blijvende gewassen,
blijvend grasland en grasland, de in titel III, hoofdstukken 2 en 3, vastgestelde opties en de
integratie van de in titel III, hoofdstuk 4, bedoelde gekoppelde betalingen;
-
e)uitvoeringsbepalingen voor titel V;
-
f)uitvoeringsbepalingen betreffende de integratie van steun voor groenten en fruit,
consumptieaardappelen en kwekerijproducten in de bedrijfstoeslagregeling, met inbegrip
van de aanvraagprocedure in het eerste uitvoeringsjaar, en betreffende de in titel IV,
hoofdstuk 1, afdelingen 8 en 9, bedoelde betalingen;
-
g)uitvoeringsbepalingen betreffende de integratie van steun voor de wijnsector in de
bedrijfstoeslagregeling, met inbegrip van de aanvraagprocedure in het eerste
uitvoeringsjaar, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 479/2008;
-
h)met betrekking tot hennep, uitvoeringsbepalingen betreffende specifieke
controlemaatregelen en methoden voor het bepalen van de gehalten aan
tetrahydrocannabinol;
-
i)de wijzigingen van bijlage I die noodzakelijk kunnen worden in het licht van de criteria
van artikel 1;
-
l)de wijzigingen die in de steunaanvraag kunnen worden aangebracht, en vrijstelling van de
verplichting om een steunaanvraag in te dienen;
-
m)regels inzake de minimale informatie die in de steunaanvragen moet worden opgenomen;
-
n)regels inzake de administratieve controles, inspecties ter plaatse en de inspectie door
middel van teledetectie;
-
o)regels inzake de toepassing van de verlagingen en uitsluitingen van betalingen in geval van
niet-nakoming van de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 4 en 22, met inbegrip van
de gevallen waarin geen verlagingen en uitsluitingen worden toegepast;
-
p)wijzigingen van bijlage VI die noodzakelijk kunnen worden in het licht van de criteria van
artikel 26;
-
q)de communicatie tussen de lidstaten en de Commissie;
-
r)maatregelen die nodig en naar behoren gerechtvaardigd zijn om in een noodsituatie
praktische en specifieke problemen op te lossen, in het bijzonder met betrekking tot de
uitvoering van titel II, hoofdstuk 4, en titel III, hoofdstukken 2 en 3; deze maatregelen
kunnen afwijken van sommige delen van de onderhavige verordening, maar slechts zolang
en voor zover dat absoluut noodzakelijk is;
HOOFDSTUK 2
OVERGANGS - EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 143
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1290/2005
Verordening (EG) nr. 1290/2005 wordt als volgt gewijzigd:
-
1.artikel 12, lid 2, wordt vervangen door:
"2. De Commissie stelt de bedragen vast die overeenkomstig artikel 9, artikel 10, lid 4,
artikel 134, artikel 135 en artikel 136 van Verordening (EG) nr. .../2009 van ... van
de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen
inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen
voor landbouwers*+, en overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr.
378/2007 van de Raad van 27 maart 2007 houdende voorschriften voor een
vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen waarin Verordening (EG)
nr. 1782/2003 voorziet** en artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 479/2008 van
de Raad van 29 april 2008 houdende een gemeenschappelijke ordening van de
wijnmarkt*** ter beschikking van het ELFPO worden gesteld.
-
2.artikel 18, lid 3, wordt vervangen door:
"3. De in artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. .../2009+ bedoelde nationale maxima,
gecorrigeerd aan de hand van de in artikel 11, lid 1, van die verordening bedoelde
aanpassingen, worden beschouwd als financiële maxima in euro."
Artikel 144
Wijziging van Verordening (EG) nr. 247/2006
Verordening (EG) nr. 247/2006 wordt als volgt gewijzigd:
-
1.artikel 23, lid 2, wordt vervangen door:
"2. De Gemeenschap financiert de maatregelen waarin de titels II en III van de
onderhavige verordening voorzien, tot het volgende jaarlijkse maximum:
miljoen euro
Begrotings-Begrotings-Begrotings-Begrotings-Begroting-
jaar 2007 jaar 2008 jaar 2009 jaar 2010 jaar 2011
en volgende
Franse overzeese 126,6 262,6 269,4 273,0 278,41
departementen
Azoren en Madeira 77,9 86,98 87,08 87,18 106,21
Canarische Eilanden 127,3 268,4 268,4 268,4 268,42
-
2.Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 24 ter
-
1.De lidstaten dienen uiterlijk op 1 augustus 2009 bij de Commissie de ontwerp-
wijzigingen van het algemeen programma in waarmee de in artikel 23, lid 2,
doorgevoerde wijzigingen worden weergegeven die zijn doorgevoerd bij
Verordening (EG) nr. .../2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke
voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers
in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van
bepaalde steunregelingen voor landbouwers*+.
-
2.De Commissie evalueert de ingediende wijzigingen en besluit volgens de in
artikel 26, lid 2, bedoelde procedure uiterlijk vier maanden na de indiening van de
wijzigingsvoorstellen deze al dan niet goed te keuren. De wijzigingen zijn van
toepassing met ingang van 1 januari 2010.
______________
Artikel 145
Wijziging van Verordening (EG) nr. 378/2007
Verordening (EG) nr. 378/2007 wordt als volgt gewijzigd:
-
1.artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
-
a)lid 3 wordt vervangen door:
"3. De verlagingen in het kader van de vrijwillige modulatie worden op dezelfde
berekeningsgrondslag verricht als die welke geldt voor de modulatie
overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. .../2009 van de Raad van
... tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen
inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde
steunregelingen voor landbouwers*+.
______________
-
*PB L ....."
-
b)het volgende lid wordt toegevoegd:
"5. De modulatiepercentages die op een landbouwer van toepassing zijn als gevolg
van de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. .../2009++,
-
2.in artikel 3, lid 1, wordt punt a) vervangen door:
"a) in afwijking van artikel 1, lid 3, van de onderhavige verordening, de verlaging in het
kader van de modulatie toepassen op basis van de berekening die voor de modulatie
geldt krachtens artikel7 van Verordening (EG) nr. .../2009+, exclusief de in lid 1 van
dat artikel vastgestelde uitsluiting voor bedragen tot en met 5000 euro; en/of".
Artikel 146
Intrekkingen
-
1.Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt ingetrokken.
De artikelen 20, lid 2, 64, lid 2, 66, 67, 68, 68 bis, 68 ter, 69, 70, lid 1, onder b) en lid 2, en
titel IV, hoofdstukken 1 (durumtarwe), 5 (energiegewassen), 7 (melkpremie), 10
(areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen), 10 ter (steun voor olijfgaarden),
10 quater (steun voor de productie van tabak), en 10 quinquies (areaalsteun voor hop) van
die verordening blijven evenwel van toepassing in 2009.
-
2.De verwijzingen in deze verordening naar verordening (EG) nr. 1782/2003 worden gelezen
als verwijzingen naar die Verordening zoals die gold tot de intrekking ervan.
Verwijzingen in andere besluiten naar Verordening (EG) nr. 1782/2003 worden gelezen als
verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de
concordantietabel in bijlage XVIII.
Artikel 147
Overgangsbepalingen
De Commissie kan volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure de maatregelen vaststellen
die nodig zijn om de overgang van de in Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde regelingen
naar de in de onderhavige verordening vastgestelde regelingen te vergemakkelijken.
Artikel 148
Overgangsbepalingen voor de nieuwe lidstaten
Indien voor de nieuwe lidstaten overgangsmaatregelen nodig zijn ter vergemakkelijking van de
overgang van de regeling inzake een enkele areaalbetaling naar de bedrijfstoeslagregeling en andere
steunregelingen als bedoeld in de titels III en IV, worden die maatregelen vastgesteld volgens de in
artikel 141, lid 2, bedoelde procedure.
Artikel 149
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het
Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2009.
Maar:
-
a)artikel 138 is van toepassing met ingang van 1 januari 2010,
-
b)de normen inzake vaststelling en/of behoud van habitats, naleving van
vergunningsprocedures voor het gebruik van water voor bevloeiingsdoeleinden en de
beschrijving van landschapselementen, als bepaald in bijlage III, zijn van toepassing met
ingang van 1 januari 2010,
-
c)de norm voor het aanleggen van bufferstroken langs waterlopen, bepaald in bijlage III, is
van toepassing op zijn vroegst vanaf 1 januari 2010 en uiterlijk vanaf 1 januari 2012.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
BIJLAGE I
Lijst van steunregelingen
Sector Rechtsgrondslag Noten
Bedrijfstoeslag Titel III van de onderhavige Ontkoppelde betaling
verordening
Regeling inzake een Titel V, hoofdstuk 2, van Ontkoppelde betaling ter vervanging
enkele areaalbetaling deze verordening van alle in deze bijlage opgenomen
rechtstreekse betalingen, behalve
afzonderlijke betalingen
Durumtarwe Titel IV, hoofdstuk 1, van Areaalbetaling
Verordening (EG)
nr. 1782/2003*
Eiwithoudende Titel IV, hoofdstuk 1, Areaalbetaling
gewassen afdeling 3, van deze
verordening
Rijst Titel IV, hoofdstuk 1, Areaalbetaling
afdeling 1, van deze
verordening
Noten Titel IV, hoofdstuk 1, Areaalbetaling
afdeling 4, van deze
Akkerbouwgewassen Titel IV, hoofdstuk 10, van Areaalbetaling
Verordening (EG)
nr. 1782/2003*
Schapen- en Titel IV, hoofdstuk 1, Ooien- en geitenpremie
geitenvlees afdeling 10, van deze
verordening
Rundvlees Titel IV, hoofdstuk 1, Speciale premie, zoogkoeienpremie
afdeling 11, van deze (ook bij betaling voor vaarzen en
verordening inclusief de aanvullende nationale
zoogkoeienpremie indien
meegefinancierd) en slachtpremie
Specifieke soorten Artikel 69 van Verordening
landbouw en (EG) nr. 1782/2003*
kwaliteitsproductie
Specifieke steun Titel III, hoofdstuk 5, van
deze verordening
Olijfgaarden Titel IV, hoofdstuk 10 ter, Areaalsteun
van Verordening (EG) nr.
1782/2003*
Zijderupsen Artikel 111 van Verordening Steun ter bevordering van de
(EG) nr. 1234/2007 zijderupsenteelt
Tabak Titel IV, hoofdstuk 10 Productiesteun
Suikerbieten, Artikel 126, van deze Ontkoppelde betalingen
suikerriet en cichorei verordening
voor de productie van
suiker of inulinestroop
Suikerbieten en Titel IV, hoofdstuk 1, Productiesteun
suikerriet voor de afdeling 7, van deze
productie van suiker verordening
Voor verwerking Titel IV, hoofdstuk 1, Overgangsbetalingen voor groenten
geleverde groenten en afdeling 8, van deze en fruit
fruit verordening
Voor verwerking Titel IV, hoofdstuk 1, Overgangsbetaling voor zacht fruit
geleverde aardbeien en afdeling 9, van deze
frambozen verordening
Groenten en fruit Artikel 127 van deze Afzonderlijke betaling voor
verordening groenten en fruit
Posei Titel III van Verordening Rechtstreekse betaling op grond van
(EG) nr. 247/2006 in de programma's vastgestelde
maatregelen
Eilanden in de Hoofdstuk III van Rechtstreekse betaling op grond van
Egeïsche Zee Verordening (EG) nr. in de programma's vastgestelde
1405/2006 maatregelen
Katoen Titel IV, hoofdstuk 1, Areaalbetaling
BIJLAGE II
Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen als bedoeld in de artikelen 4 en 5
Punt A.
Milieu
-
1.Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het Artikel 3, lid 1, artikel 3,
behoud van de vogelstand (PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1) lid 2, punt b), artikel 4,
lid 1, artikel 4, lid 2,
artikel 4, lid 4, artikel 5,
punten a), b) en d)
-
2.Richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 Artikelen 4 en 5
betreffende de bescherming van het grondwater tegen
verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde
gevaarlijke stoffen (PB L 20 van 26.1.1980, blz. 43)
-
3.Richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 Artikel 3
betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de
bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PB
L 181 van 4.7.1986, blz. 6)
-
4.Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 Artikelen 4 en 5
inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door
nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991,
Volksgezondheid en diergezondheid
Identificatie en registratie van dieren
-
6.Richtlijn 2008/71/EG van de Raad van 15 juli 2008 met Artikelen 3, 4 en 5
betrekking tot de identificatie en de registratie van varkens (PB
L 213 van 8.8.2005, blz. 31)
-
7.Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement Artikelen 4 en 7
en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een
identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake
etikettering van rundvlees en rundvleesproducten (PB L 204
van 11.8.2000, blz. 1)
-
8.Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december Artikelen 3, 4 en 5
2003 tot vaststelling van een identificatie- en
registratieregeling voor schapen en geiten (PB L 5 van
9.1.2004, blz. 8)
Punt B.
Volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten
-
9.Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 Artikel 3
betreffende het op de markt brengen van
gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1)
-
10.Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende Artikel 3, onder a), b), d)
het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde en e), artikelen 4, 5 en 7
stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met
-
11.Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en Artikelen 14, 15, 17,
de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene lid 11, 18, 19 en 20
beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving,
tot oprichting van een Europese Autoriteit voor
voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor
voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002,
blz. 1)
-
12.Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en Artikelen 7, 11, 12, 13 en
de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van 15
voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van
bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L
147 van 31.5.2001, blz. 1)
Kennisgeving van ziekten
-
13.Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van 18 november 1985 tot Artikel 3
vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter
bestrijding van mond- en klauwzeer (PB L 315 van
26.11.1985, blz. 11)
-
14.Richtlijn 92/119/EEG van 17 december 1992 van de Raad tot Artikel 3
vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de
bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke
maatregelen ten aanzien van de vesiculaire varkensziekte (PB
Punt C.
Dierenwelzijn
-
16.Richtlijn 91/629/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot Artikelen 4 en 5
vaststelling van minimumnormen ter bescherming van
kalveren (PB L 340 van 11.12.1991, blz. 28)
-
17.Richtlijn 91/630/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot Artikel 3 en artikel 4,
vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens lid 1
(PB L 340 van 11.12.1991, blz. 33)
-
18.Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 tot Artikel 4
vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van
voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van
8.8.1998, blz. 23)
1 Zoals uitgevoerd bij met name:
Verordening (EEG) nr. 2377/90: artikelen 2, 4 en 5
Verordening (EG) nr. 852/2004: artikel 4, lid 1, en bijlage I, deel A (II 4 (g, h, j), 5 (f, h),
6; III 8 (a, b, d, e), 9 (a, c))
Verordening (EG) nr. 853/2004: artikel 3, lid 1, en bijlage III, deel IX, hoofdstuk 1 (I-1 b,
c, d, e; I-2 a (i, ii, iii), b (i, ii), c; I-3; I-4; I-5; II-A 1, 2, 3, 4; II-B 1(a, d), 2, 4 (a, b)),
bijlage III, deel X, hoofdstuk 1, punt 1)
Verordening (EG) nr. 183/2005: artikel 5, lid 1, en bijlage I, deel A, (I-4 e, g; II-2 a, b, e),
artikel 5, lid 5, en bijlage III (1, 2), artikel 5, lid 6
BIJLAGE III
Goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in artikel 6
Aangelegenheid Bindende normen Facultatieve normen
Bodemerosie: Minimale bodembedekking Instandhouding van terrassen
De bodem beschermen door middel van passende Minimaal landbeheer op basis van de specifieke
maatregelen omstandigheden ter plaatse
Organische stof in de bodem: Stoppelbeheer op bouwland Normen voor vruchtwisseling
Het gehalte organische stof in de bodem handhaven
door passende praktijken
Bodemstructuur: Passend machinegebruik
De bodemstructuur in stand houden door passende
Aangelegenheid Bindende normen Facultatieve normen
Minimaal onderhoud: Instandhouding van landschapselementen, inclusief, Een minimale veebezetting en/of een passend regime
Zorgen voor een minimaal onderhoud en in voorkomend geval, heggen, vijvers, greppels,
achteruitgang van habitats voorkomen bomenrijen, bomengroepen of geïsoleerde bomen,
en akkerranden
Vaststelling en/of behoud van habitats
Het voorkomen van verstruiking van de Instelling van een rooiverbod voor olijfbomen
landbouwgrond door ongewenste vegetatie
Bescherming van blijvend grasland Het in een goede groeitoestand houden van olijfgaarden
en wijngaarden
Het aanleggen van bufferstroken langs waterlopen1
Waterbescherming en waterbeheer:
Bescherming van water tegen vervuiling en
afspoeling, en beheer van het watergebruik Naleving van vergunningsprocedures wanneer voor
het gebruik van water voor bevloeiingsdoeleinden
een vergunning nodig is
1 Noot: De GLMC-bufferstroken moeten zowel binnen als buiten voor verontreiniging kwetsbare zones aangewezen overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Richtlijn 91/676/EEG ten minste voldoen aan de eisen in verband met de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen in de nabijheid van waterlopen, genoemd in punt A4 van bijlage II bij Richtlijn 91/676/EEG. Die eisen moeten worden toegepast overeenkomstig de actieprogramma's van de lidstaten die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 4, van Richtlijn 91/676/EEG.
BIJLAGE IV
miljoen euro
Kalenderjaar 2009 2010 2011 2012
België 583,2 575,4 570,8 569,0
Tsjechië 825,9
Denemarken 987,4 977,3 968,9 964,3
Duitsland 5 524,8 5 445,2 5 399,7 5 372,2
Estland 92,0
Ierland 1 283,1 1 272,4 1 263,8 1 255,5
Griekenland 2 561,4 2 365,1 2 358,9 2 343,8
Spanje 5 018,3 5 015,5 4 998,3 5 010,3
Frankrijk 8 064,4 7 943,7 7 876,2 7 846,8
Italië 4 345,9 4 147,9 4 121,0 4 117,9
Cyprus 49,1
Letland 133,9
Litouwen 346,7
Luxemburg 35,6 35,2 35,1 34,7
Hongarije 1 204,5
Malta 5,1
Nederland 836,9 829,1 822,5 830,6
Oostenrijk 727,6 722,4 718,8 715,5
BIJLAGE V
Lijst van in artikel 9, lid 3, bedoelde granen
GN-code Omschrijving
Granen
1001 10 00 Durumtarwe
1001 90 Tarwe en mengkoren andere dan durumtarwe
1002 00 00 Rogge
1003 00 Gerst
1004 00 00 Haver
1005 Maïs
1007 00 Graansorgho
1008 Boekweit, gierst en kanariezaad; andere granen
BIJLAGE VI
Compatibele steunregelingen als bedoeld in artikel 26
Sector Rechtsgrondslag
Probleemgebieden en gebieden met Artikel 13, onder a), artikel 14, lid 1 en lid 2, eerste
specifieke beperkingen op milieugebied en tweede streepje, artikel 15, de artikelen 17 tot en
met 20, artikel 51, lid 3, en artikel 55, lid 4, van
Verordening (EG) nr. 1257/1999
Maatregelen om een duurzaam gebruik
van landbouwgrond te bevorderen
door:
betalingen inzake natuurlijke Artikel 36, onder a) i), van Verordening (EG)
handicaps aan landbouwers in nr. 1698/2005
berggebieden,
betalingen aan landbouwers in Artikel 36, onder a) ii), van Verordening (EG)
andere gebieden met handicaps nr. 1698/2005
dan berggebieden
Natura 2000-betalingen en Artikel 36, onder a) iii), van Verordening (EG)
betalingen in verband met nr. 1698/2005
Richtlijn 2000/60/EG
agromilieubetalingen Artikel 36, onder a) iv), van Verordening (EG)
Maatregelen om een duurzaam gebruik
van bosgrond te bevorderen door:
eerste bebossing van Artikel 36, onder b) i), van Verordening (EG) nr.
landbouwgrond, 1698/2005
Natura 2000-betalingen Artikel 36, onder b) iv), van Verordening (EG) nr.
1698/2005
bosmilieubetalingen Artikel 36, onder b) v), van Verordening (EG) nr.
1698/2005
Wijn Artikel 117 van Verordening (EG) nr. 479/2008
BIJLAGE VII
Krachtens artikel 28, lid 1, toe te passen coëfficiënten
Limiet voor de euro-Limiet voor de
Lidstaat drempel hectare-drempel
(artikel 28, lid 1, (artikel 28, lid 1,
punt a)) punt b))
België 400 2
Bulgarije 200 0,5
Tsjechië 200 5
Denemarken 300 5
Duitsland 300 4
Estland 100 3
Ierland 200 3
Griekenland 400 0,4
Spanje 300 2
Frankrijk 300 4
Italië 400 0,5
Cyprus 300 0,3
Letland 100 1
Litouwen 100 1
Luxemburg 300 4
Hongarije 200 0,3
BIJLAGE VIII
Nationale maxima bedoeld in artikel 40
Tabel 1
(EUR 1000)
2016 en
Lidstaat 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
volgende jaren
België 614179 611805 611805 614855 614855 614855 614855 614855
Denemarken 1030478 1030478 1030478 1049002 1049002 1049002 1049002 1049002
Duitsland 5770254 5771977 5771977 5852908 5852908 5852908 5852908 5852908
Griekenland 2380713 2211683 2214683 2232533 2216533 2216533 2216533 2216533
Spanje 4858043 5091044 5108650 5282193 5139444 5139444 5139444 5139444
Frankrijk 8407555 8420822 8420822 8521236 8521236 8521236 8521236 8521236
Ierland 1342268 1340521 1340521 1340869 1340869 1340869 1340869 1340869
Italië 4143175 4207177 4227177 4370024 4370024 4370024 4370024 4370024
Luxemburg 37518 37536 37646 37671 37084 37084 37084 37084
Nederland 853090 853090 853090 897751 897751 897751 897751 897751
Oostenrijk 745561 745235 745235 751606 751606 751606 751606 751606
Portugal 608751 589499 589499 605962 605962 605962 605962 605962
Finland 566801 565520 565520 570548 570548 570548 570548 570548
Zweden 763082 763082 763082 770906 770906 770906 770906 770906
Verenigd Koninkrijk 3985895 3975916 3975973 3988042 3987922 3987922 3987922 3987922
Tabel 2 *
Bulgarije 287399 336041 416372 499327 580087 660848 741606 814295
Tsjechië 559622 654241 739941 832144 909313 909313 909313 909313
Estland 60500 71603 81703 92042 101165 101165 101165 101165
Cyprus 31670 38928 43749 49146 53499 53499 53499 53499
Letland 90016 105368 119268 133978 146479 146479 146479 146479
Litouwen 230560 271029 307729 346958 380109 380109 380109 380109
Hongarije 807366 947114 1073824 1205037 1318975 1318975 1318975 1318975
Malta 3752 4231 4726 5137 5102 5102 5102 5102
Polen 1877107 2192294 2477294 2788247 3044518 3044518 3044518 3044518
Roemenië 623399 729863 907473 1086608 1264472 1442335 1620201 1780406
Slovenië 87942 103389 117406 131537 144236 144236 144236 144236
Slowakije 240014 280364 316964 355242 388176 388176 388176 388176
BIJLAGE IX
Toeslagrechten als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder b), iii)
A. Groenten en fruit, consumptieaardappelen en kwekerijproducten
-
1.Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder "groenten en fruit" verstaan, de in artikel
1, lid 1, onder i) en j), van Verordening (EG) nr.1234/2007 vermelde producten, en onder
"consumptieaardappelen" aardappelen van GN-code 0701 die niet bestemd zijn voor het
maken van aardappelzetmeel waarvoor krachtens artikel 77 steun wordt verleend.
Landbouwers ontvangen een toeslagrecht per hectare dat wordt berekend door het in punt 2
bedoelde referentiebedrag te delen door het overeenkomstig punt 3 berekende aantal
hectaren.
-
2.De lidstaten stellen het in het referentiebedrag van elke landbouwer op te nemen bedrag
vast op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals:
-
a)het bedrag van de marktsteun die de landbouwer direct of indirect heeft gekregen
voor groenten en fruit, consumptieaardappelen en kwekerijproducten,
-
b)de voor de teelt van groenten en fruit, consumptieaardappelen en kwekerijproducten
-
c)de hoeveelheid geproduceerde groenten en fruit, consumptieaardappelen en
kwekerijproducten,
voor een representatieve periode, die per product kan verschillen, van één of meer
verkoopseizoenen vanaf het verkoopseizoen dat eindigt in 2001 en, voor de nieuwe
lidstaten, vanaf het verkoopseizoen dat eindigt in 2004, tot het verkoopseizoen dat eindigt
in 2007.
Afhankelijk van het product kunnen verschillende criteria worden gehanteerd, indien dit
naar behoren op een objectieve basis wordt gemotiveerd. Op dezelfde basis kunnen
lidstaten besluiten de in het referentiebedrag op te nemen bedragen en de in aanmerking
komende hectaren uit hoofde van dit punt pas na een op 31 december 2010 eindigende
overgangsperiode van drie jaar vast te stellen.
-
3.De lidstaten berekenen de in aanmerking te nemen hectaren op basis van objectieve en
niet-discriminerende criteria zoals de in punt 2, eerste alinea, tweede streepje, bedoelde
oppervlakte.
-
4.Een landbouwer wiens productie gedurende de in punt 2 bedoelde referentieperiode
nadelig werd beïnvloed door een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden
dat/die zich vóór of gedurende die referentieperiode heeft/hebben voorgedaan, heeft het
recht te verzoeken dat het in punt 2 bedoelde referentiebedrag wordt berekend op basis van
het kalenderjaar of de kalenderjaren in de referentieperiode dat/die niet is/zijn beïnvloed
-
5.Indien de hele referentieperiode door het geval van overmacht of uitzonderlijke
omstandigheden werd beïnvloed, berekent de betrokken lidstaat het referentiebedrag op
basis van het meest recente verkoopseizoen voorafgaand aan de overeenkomstig punt 3
gekozen representatieve periode. In dergelijke gevallen is punt 1 van overeenkomstige
toepassing.
-
6.Een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de
betrokken landbouwer, samen met relevant bewijsmateriaal ten genoegen van de bevoegde
autoriteit, schriftelijk ter kennis van de autoriteit gebracht binnen een door elke lidstaat
vast te stellen termijn.
B. Wijn (rooien)
Landbouwers die deelnemen aan de rooiregeling van titel V, hoofdstuk 3, van Verordening (EG)
nr. 479/2008, krijgen in het jaar na het rooien toeslagrechten toegewezen gelijk aan het aantal
hectaren waarvoor zij een rooipremie hebben ontvangen.
Het eenheidsbedrag van die toeslagrechten is gelijk aan de regionale gemiddelde van de bedragen
van de toeslagrechten van de betrokken regio. Het eenheidsbedrag mag echter in geen geval hoger
zijn dan 350 euro/ha.
In afwijking van de eerste alinea wordt, indien de hectaren waarvoor een landbouwer een
rooipremie heeft ontvangen, reeds in aanmerking waren genomen voor de toewijzing van
toeslagrechten, het bedrag van de toeslagrechten waarover de betrokken landbouwer beschikte,
C. Wijn (overheveling uit steunprogramma's)
Lidstaten die besluiten steun te verlenen in overeenstemming met artikel 9 van Verordening (EG)
nr. 479/2008, stellen het referentiebedrag voor elke landbouwer en de in aanmerking te nemen
hectaren vast:
-
a)op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria;
-
b)met betrekking tot een representatieve referentieperiode van een of meer wijnoogstjaren
vanaf het wijnoogstjaar 2005/2006. De referentiecriteria die gebruikt worden om het
referentiebedrag en de in aanmerking te nemen hectaren vast te stellen worden evenwel
niet gebaseerd op een referentieperiode die ook latere wijnoogstjaren dan het wijnoogstjaar
2007/2008 omvat wanneer de overheveling in steunprogramma's een vergoeding omvat
aan landbouwers die voorheen steun hebben ontvangen voor distillatie tot drinkalcohol of
die de economische begunstigden zijn geweest van de steun voor het gebruik van
geconcentreerde druivenmost voor het verrijken van wijn in het kader van Verordening
(EG) nr. 479/2008;
-
c)waarbij het totale voor deze maatregel beschikbare bedrag bedoeld in artikel 6, onder e),
van Verordening (EG) nr. 479/2008 niet wordt overschreden.
Landbouwers ontvangen een toeslagrecht per hectare dat wordt berekend door het bedoelde
referentiebedrag te delen door het aantal in aanmerking te nemen hectaren.
BIJLAGE X
Aandelen van de nationale maxima bedoeld in artikel 54
-
1.Het in artikel 54, lid 1, bedoelde aandeel in de nationale maxima dat bestemd is voor
tomaten, is als volgt:
Bedrag
Lidstaat (miljoen euro per
kalenderjaar)
Bulgarije 5,394
Tsjechië 0,414
Griekenland 35,733
Spanje 56,233
Frankrijk 8,033
Italië 183,967
Cyprus 0,274
Malta 0,932
Hongarije 4,512
Roemenië 1,738
Polen 6,715
Portugal 33,333
-
2.Het in artikel 54, lid 2, bedoelde aandeel in de nationale maxima dat bestemd is voor
andere groente- en fruitgewassen dan eenjarige, is als volgt:
Lidstaat Bedrag
(miljoen euro per kalenderjaar)
Bulgarije 0,851
Tsjechië 0,063
Griekenland 153,833
Spanje 110,633
Frankrijk 44,033
Italië 131,700
Cyprus in 2009: 4,856
in 2010: 4,919
in 2011: 4,982
in 2012: 5,045
Hongarije 0,244
Roemenië 0,025
Portugal 2,900
BIJLAGE XI
Integratie van gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling als bedoeld in artikel 63
1.
-
a)Met ingang van 2010, de in titel IV, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003
bedoelde specifieke kwaliteitspremie voor durumtarwe;
-
b)uiterlijk met ingang van 2012, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 3, van deze verordening
bedoelde premie voor eiwithoudende gewassen;
-
c)uiterlijk met ingang van 2012, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 1, van deze verordening
bedoelde gewasspecifieke betaling voor rijst;
-
d)uiterlijk met ingang van 2012, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 4, van deze verordening
bedoelde areaalbetaling voor noten;
-
e)uiterlijk met ingang van 2012, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van deze verordening
bedoelde productiesteun voor zetmeelaardappeltelers;
2.
-
a)met ingang van 2012, de in deel II, titel I, hoofdstuk 4, afdeling I, onderafdeling I, van
Verordening (EG) nr.1234/2007 bedoelde steun voor de verwerking van gedroogde
-
b)met ingang van 2012, de in deel II, titel I, hoofdstuk 4, afdeling I, onderafdeling II, van
Verordening (EG) nr.1234/2007 bedoelde steun voor de verwerking van vezelvlas en
-hennep;
-
c)met ingang van 2012, de in artikel 95 bis van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde
premie voor aardappelzetmeel;
-
d)met ingang van 2012, de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 9, van deze verordening
bedoelde overgangsbetaling voor zacht fruit.
3.
Met ingang van 2010, indien de lidstaat is overgegaan tot toekenning van:
-
a)de in titel IV, hoofdstuk 10, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde areaalbetaling
voor akkerbouwgewassen;
-
b)de in titel IV, hoofdstuk 10 ter, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde steun voor
olijfgaarden;
-
c)de in titel IV, hoofdstuk 10 quinquies, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde
areaalsteun voor hop.
Uiterlijk met ingang van 2012, indien de lidstaat is overgegaan tot toekenning van:
-
b)de rundvleesbetalingen, met uitzondering van de in artikel 53 van deze verordening
bedoelde zoogkoeienpremie.
4.
Met ingang van 2010, indien de lidstaat krachtens artikel 51, lid 1, van deze verordening niet langer
de volgende betalingen toekent of besluit deze op een lager niveau toe te kennen:
-
a)de in artikel 67 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde betalingen voor schapen en
geiten;
-
b)de in artikel 68 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 of in artikel 53, lid 2, van deze
verordening bedoelde rundvleesbetalingen, in geval van toepassing van de tweede alinea
van artikel 51, lid 1, van deze verordening;
-
c)de in artikel 68 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde overgangsbetalingen
BIJLAGE XII
Integratie van gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling als bedoeld in artikel 64
Gedroogde voedergewassen (Verordening (EG) nr. 1234/2007)
(duizend euro)
2016 en
Lidstaat 2012 2013 2014 2015 volgende
jaren
Denemarken 2 779 2 779 2 779 2 779 2 779
Duitsland 8 475 8 475 8 475 8 475 8 475
Ierland 132 132 132 132 132
Griekenland 1 238 1238 1 238 1 238 1 238
Spanje 43 725 43 725 43 725 43 725 43 725
Frankrijk 35 752 35 752 35 752 35 752 35 752
Italië 22 605 22 605 22 605 22 605 22 605
Nederland 5 202 5 202 5 202 5 202 5 202
Oostenrijk 64 64 64 64 64
Portugal 69 69 69 69 69
Finland 10 10 10 10 10
Zweden 180 180 180 180 180
Verenigd Koninkrijk 1 478 1 478 1 478 1 478 1 478
Tsjechië 922 922 922 922 922
Litouwen 21 21 21 21 21
Hongarije 1 421 1 421 1 421 1 421 1 421
Polen 147 147 147 147 147
Kwaliteitspremie voor durumtarwe
(duizend euro)
2016 en
Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015 volgende
jaren
Griekenland 20 301 20 301 20 301 20 301 20 301 20 301 20 301
Spanje 22 372 22 372 22 372 22 372 22 372 22 372 22 372
Frankrijk 8 320 8 320 8 320 8 320 8 320 8 320 8 320
Italië 42 457 42 457 42 457 42 457 42 457 42 457 42 457
Oostenrijk 280 280 280 280 280 280 280
Portugal 80 80 80 80 80 80 80
Bulgarije 349 436 523 610 698 785 872
Cyprus 173 198 223 247 247 247 247
Hongarije 70 80 90 100 100 100 100
Premie voor eiwithoudende gewassen
(duizend euro)
2016 en
Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015 volgende
jaren
België 84 84 84 84 84 84 84
Denemarken 843 843 843 843 843 843 843
Duitsland 7 231 7 231 7 231 7 231 7 231 7 231 7 231
Ierland 216 216 216 216 216 216 216
Griekenland 242 242 242 242 242 242 242
Spanje 10 905 10 905 10 905 10 905 10 905 10905 10 905
Frankrijk 17 635 17 635 17 635 17 635 17 635 17635 17 635
Italië 5 009 5 009 5 009 5 009 5 009 5009 5 009
Luxemburg 21 21 21 21 21 21 21
Nederland 67 67 67 67 67 67 67
Oostenrijk 2 051 2 051 2 051 2 051 2051 2051 2 051
Portugal 214 214 214 214 214 214 214
Finland 303 303 303 303 303 303 303
Zweden 2 147 2 147 2 147 2 147 2147 2147 2 147
Verenigd Koninkrijk 10 500 10 500 10 500 10 500 10500 10500 10 500
Bulgarije 160 201 241 281 321 361 401
Tsjechië 1 858 2 123 2 389 2 654 2654 2654 2 654
Estland 169 194 218 242 242 242 242
Cyprus 17 19 22 24 24 24 24
Letland 109 124 140 155 155 155 155
Litouwen 1 486 1 698 1 911 2 123 2123 2123 2 123
Hongarije 1 369 1 565 1 760 1 956 1956 1956 1 956
Polen 1 723 1 970 2 216 2 462 2462 2462 2 462
Roemenië 911 1 139 1 367 1 595 1822 2050 2 278
Gewasspecifieke betaling voor rijst
(duizend euro)
2016 en
Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015 volgende
jaren
Griekenland 11407 11407 11407 11407 11407 11407 11407
Spanje 49993 49993 49993 49993 49993 49993 49993
Frankrijk 7844 7844 7844 7844 7844 7844 7844
Italië 99473 99473 99473 99473 99473 99473 99473
Portugal 11193 11193 11193 11193 11193 11193 11193
Bulgarije 575 719 863 1007 1151 1294 1438
Hongarije 524 599 674 749 749 749 749
Areaalbetaling voor noten
(duizend euro)
2016 en
Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015 volgende
jaren
België 12 12 12 12 12 12 12
Duitsland 181 181 181 181 181 181 181
Griekenland 4 963 4 963 4 963 4 963 4 963 4 963 4 963
Spanje 68 610 68 610 68 610 68 610 68 610 68 610 68 610
Frankrijk 2 089 2 089 2 089 2 089 2 089 2 089 2 089
Italië 15 710 15 710 15 710 15 710 15 710 15 710 15 710
Luxemburg 12 12 12 12 12 12 12
Nederland 12 12 12 12 12 12 12
Oostenrijk 12 12 12 12 12 12 12
Portugal 4 987 4 987 4 987 4 987 4 987 4 987 4 987
Verenigd Koninkrijk 12 12 12 12 12 12 12
Bulgarije 579 724 868 1 013 1 158 1 302 1 447
Cyprus 431 493 554 616 616 616 616
Hongarije 245 280 315 350 350 350 350
Polen 355 406 456 507 507 507 507
Roemenië 79 99 119 139 159 179 199
Slovenië 25 29 33 36 36 36 36
Slowakije 262 299 337 374 374 374 374
Vezelvlas en -hennep (Verordening (EG) nr. 1234/2007)
(duizend euro)
Lidstaat 2012 2013 2014 2015 2016 en
volgende
jaren
België 2954 2954 2954 2954 2954
Denemarken 3 3 3 3 3
Duitsland 244 244 244 244 244
Spanje 138 138 138 138 138
Frankrijk 13592 13592 13592 13592 13592
Italië 50 50 50 50 50
Nederland 1111 1111 1111 1111 1111
Oostenrijk 20 20 20 20 20
Finland 5 5 5 5 5
Verenigd Koninkrijk 83 83 83 83 83
Tsjechië 534 534 534 534 534
Letland 104 104 104 104 104
Litouwen 360 360 360 360 360
Hongarije 42 42 42 42 42
Aardappelzetmeelpremie (artikel 95 bis van Verordening (EG) nr. 1234/07)
(duizend euro)
2016 en
Lidstaat 2012 2013 2014 2015 volgende
jaren
Denemarken 3 743 3 743 3 743 3 743 3 743
Duitsland 16 279 16 279 16 279 16 279 16 279
Spanje 43 43 43 43 43
Frankrijk 5 904 5 904 5 904 5 904 5 904
Nederland 9 614 9 614 9 614 9 614 9 614
Oostenrijk 1 061 1 061 1 061 1 061 1 061
Finland 1 183 1 183 1 183 1 183 1 183
Zweden 1 381 1 381 1 381 1 381 1 381
Tsjechië 749 749 749 749 749
Estland 6 6 6 6 6
Letland 129 129 129 129 129
Litouwen 27 27 27 27 27
Polen 3 226 3 226 3 226 3 226 3 226
Steun voor zetmeelaardappeltelers
(duizend euro)
Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 en
volgende
jaren
Denemarken 11156 11156 11156 11156 11156 11156 11156
Duitsland 48521 48521 48521 48521 48521 48521 48521
Spanje 129 129 129 129 129 129 129
Frankrijk 17598 17598 17598 17598 17598 17598 17598
Nederland 28655 28655 28655 28655 28655 28655 28655
Oostenrijk 3163 3163 3163 3163 3163 3163 3163
Finland 3527 3527 3527 3527 3527 3527 3527
Zweden 4116 4116 4116 4116 4116 4116 4116
Tsjechië 1563 1786 2009 2232 2232 2232 2232
Estland 12 13 15 17 17 17 17
Letland 268 307 345 383 383 383 383
Litouwen 56 64 72 80 80 80 80
Polen 6731 7692 8654 9615 9615 9615 9615
Slowakije 34 39 44 48 48 48 48
Steun voor olijfgaarden
(duizend euro)
2016 en
Lidstaat 2010 2011 2012 2013 2014 2015
volgende jaren
Spanje 103 140 103 140 103 140 103 140 103 140 103 140 103 140
Cyprus 2 051 2 344 2 637 2 930 2 930 2 930 2 930
Betaling voor zacht fruit
(duizend euro)
2016 en
Lidstaat 2012 2013 2014 2015 volgende
jaren
Bulgarije 552 552 552 552 552
Letland 92 92 92 92 92
Litouwen 138 138 138 138 138
Hongarije 391 391 391 391 391
Polen 11040 11040 11040 11040 11040
BIJLAGE XIII
Lijst van de in artikel 87 bedoelde zaadsoorten
GN-code Omschrijving Steunbedrag
(EUR/100 kg)
-
1.Ceres
1001 90 10 Triticum spelta L. 14,37
1006 10 10 Oryza sativa L. (1)
-
-langkorrelige rassen waarbij de lengte van de 17,27
korrel groter is dan 6,0 millimeter en de verhouding tussen de lengte en de breedte van de korrel ten minste gelijk is aan 3,
-
-andere rassen waarbij de lengte van de korrel 14,85
groter dan wel kleiner is dan wel gelijk is aan 6,0 millimeter en de verhouding tussen de lengte en de breedte van de korrel kleiner is dan 3.
-
2.Oleagineae
ex 1204 00 10 Linum usitatissimum L. (vezelvlas) 28,38
ex 1204 00 10 Linum usitatissimum L. (olievlas) 22,46
ex 1207 99 10 Cannabis sativa L. (2) (rassen met een 20,53
tetrahydrocannabinolgehalte van ten hoogste 0,2 %)
-
3.Gramineae
ex 1209 29 10 Agrostis canina L. 75,95
ex 1209 29 10 Agrostis gigantea Roth. 75,95
GN-code Omschrijving Steunbedrag
(EUR/100 kg)
ex 1209 23 80 Festuca arundinacea Schreb. 58,93
ex 1209 23 80 Festuca ovina L. 43,59
1209 23 11 Festuca pratensis Huds. 43,59
1209 23 15 Festuca rubra L. 36,83
ex 1209 29 80 Festulolium 32,36
1209 25 10 Lolium multiflorum Lam. 21,13
1209 25 90 Lolium perenne L. 30,99
ex 1209 29 80 Lolium x boucheanum Kunth 21,13
ex 1209 29 80 Phleum Bertolinii (DC) 50,96
1209 26 00 Phleum pratense L. 83,56
ex 1209 29 80 Poa nemoralis L. 38,88
1209 24 00 Poa pratensis L. 38,52
ex 1209 29 10 Poa palustris and Poa trivialis L. 38,88
-
4.Leguminosae
ex 1209 29 80 Hedysarum coronarium L. 36,47
ex 1209 29 80 Medicago lupulina L. 31,88
ex 1209 21 00 Medicago sativa L. (ecotypes) 22,10
ex 1209 21 00 Medicago sativa L. (rassen) 36,59
ex 1209 29 80 Onobrichis viciifolia Scop. 20,04
ex 0713 10 10 Pisum sativum L. (partim) (voedererwten)
ex 1209 22 80 Trifolium alexandrinum L. 45,76
GN-code Omschrijving Steunbedrag
(EUR/100 kg)
ex 1209 22 80 Trifolium incarnatum L. 45,76
1209 22 10 Trifolium pratense L. 53,49
ex 1209 22 80 Trifolium repens L. 75,11
ex 1209 22 80 Trifolium repens L. var. giganteum 70,76
ex 1209 22 80 Trifolium resupinatum L. 45,76
ex 0713 50 10 Vicia faba L. (partim) (paarden- en duivenbonen)
ex 1209 29 10 Vicia sativa L. 30,67
ex 1209 29 10 Vicia villosa Roth. 24,03
(1) Voor het meten van de rijstkorrels wordt volwitte rijst gebruikt; de meting gebeurt als volgt:
a)
uit de partij wordt een representatief monster getrokken;
-
b)het monster wordt gesorteerd zodat uitsluitend met volledige korrels, waaronder onrijpe korrels, wordt gewerkt;
-
c)er worden twee metingen met telkens 100 korrels verricht en daarvan wordt het gemiddelde berekend;
-
d)het resultaat wordt uitgedrukt in millimeter, afgerond tot op 1 decimaal.
(2) Het tetrahydrocannabinolgehalte (THC) van een ras wordt bepaald via analyse van een monster dat op constant gewicht is gebracht. Het gewicht aan THC mag voor het verlenen van de steun ten hoogste 0,2 % van het gewicht van het monster uitmaken. Dit monster bestaat uit het bovenste derde van een representatief aantal planten dat willekeurig is geplukt aan het einde van hun bloeiperiode en waarvan de stengels en de korrels zijn verwijderd.
BIJLAGE XIV
Maxima voor de steun voor zaaizaad in de nieuwe lidstaten als bedoeld in artikel 87, lid 3
(miljoen EUR)
Kalender-Bulga-
jaar rije Tsjechië Estland Cyprus Letland Litouwen Hongarije Malta Polen Roemenië SloveniëSlowakije
2009 0,15 1,75 0,07 0,06 0,21 0,21 1,55 0,06 1,11 0,26 0,17 0,07
2010 0,17 2,04 0,08 0,07 0,24 0,24 1,81 0,07 1,30 0,30 0,19 0,08
2011 0,22 2,33 0,10 0,08 0,28 0,28 2,07 0,08 1,48 0,38 0,22 0,09
2012 0,26 2,62 0,11 0,09 0,31 0,31 2,33 0,09 1,67 0,45 0,25 0,11
2013 0,30 2,91 0,12 0,10 0,35 0,35 2,59 0,10 1,85 0,53 0,28 0,12
2014 0,34 2,91 0,12 0,10 0,35 0,35 2,59 0,10 1,85 0,60 0,28 0,12
2015 0,39 2,91 0,12 0,10 0,35 0,35 2,59 0,10 1,85 0,68 0,28 0,12
2016 0,43 2,91 0,12 0,10 0,35 0,35 2,59 0,10 1,85 0,75 0,28 0,12
volgende 0,43 2,91 0,12 0,10 0,35 0,35 2,59 0,10 1,85 0,75 0,28 0,12
BIJLAGE XV
Maxima voor de berekening van het steunbedrag bedoeld in artikel 95 (suiker)
Lidstaat 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 en
volgende jaren
België 81 752 81 752 81 752 81 752 81 752 81 752 81 752 81 752
Bulgarije* 154 176 220 264 308 352 396 440
Tsjechië 44 245 44 245 44 245 44 245 44 245 44 245 44 245 44 245
Denemarken 34 478 34 478 34 478 34 478 34 478 34 478 34 478 34 478
Duitsland 278 254 278 254 278 254 278 254 278 254 278 254 278 254 278 254
Griekenland 29 384 29 384 29 384 29 384 29 384 29 384 29 384 29 384
Spanje 96 203 96 203 96 203 96 203 96 203 96 203 96 203 96 203
Frankrijk 272 259 272 259 272 259 272 259 272 259 272 259 272 259 272 259
Ierland 18 441 18 441 18 441 18 441 18 441 18 441 18 441 18 441
Italië 135 994 135 994 135 994 135 994 135 994 135 994 135 994 135 994
Letland 6 616 6 616 6 616 6 616 6 616 6 616 6 616 6 616
Litouwen 10 260 10 260 10 260 10 260 10 260 10 260 10 260 10 260
Lidstaat 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 en
volgende jaren
Hongarije 41 010 41 010 41 010 41 010 41 010 41 010 41 010 41 010
Nederland 73 504 73 504 73 504 73 504 73 504 73 504 73 504 73 504
Oostenrijk 32 955 32 955 32 955 32 955 32 955 32 955 32 955 32 955
Polen 159 392 159 392 159 392 159 392 159 392 159 392 159 392 159 392
Portugal 6 452 6 452 6 452 6 452 6 452 6 452 6 452 6 452
Roemenië* 3 536 4 041 5 051 6 062 7 072 8 082 9 093 10 103
Slovenië 3 740 3 740 3 740 3 740 3 740 3 740 3 740 3 740
Slowakije 19 289 19 289 19 289 19 289 19 289 19 289 19 289 19 289
Finland 13 520 13 520 13 520 13 520 13 520 13 520 13 520 13 520
Zweden 34 082 34 082 34 082 34 082 34 082 34 082 34 082 34 082
Verenigd Koninkrijk 105 376 105 376 105 376 105 376 105 376 105 376 105 376 105 376
BIJLAGE XVI
Tabel 1 Cyprus: Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen bij toepassing van de gewone
regelingen voor de rechtstreekse betalingen
(EUR)
Toenameregeling 60% 70% 80% 90%
Sector 2009 2010 2011 2012
Akkerbouwgewassen
4 220 705 3 165 529 2 110 353 1 055 176
(exclusief durumtarwe)
Durumtarwe 1 162 157 871 618 581 078 290 539
Zaaddragende leguminosen 16 362 12 272 8 181 4 091
Melk en zuivelproducten 1 422 379 1 066 784 711 190 355 595
Rundvlees 1 843 578 1 382 684 921 789 460 895
Schapen en geiten 4 409 113 3 306 835 2 204 556 1 102 278
Olijfolie 3 174 000 2 380 500 1 587 000 793 500
Tabak 417 340 313 005 208 670 104 335
Bananen 1 755 000 1 316 250 877 500
Rozijnen en krenten
Amandelen
Totaal 1 842 0634 13 815 476 9 210 317 4 166 409
Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling: Het totale bedrag aan aanvullende nationale rechtstreekse betalingen dat in het kader van de bedrijfstoeslagregeling kan worden toegekend, is gelijk aan de som van de in deze tabel vastgestelde sectorale maxima voor de onder de bedrijfstoeslagregeling vallende sectoren voor zover de steun in die sectoren is ontkoppeld.
Tabel 2 Cyprus: Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen bij toepassing van de regeling
inzake een enkele areaalbetaling voor de rechtstreekse betalingen
(EUR)
Sector 2009 2010 2011 2012
Akkerbouwgewassen
(exclusief
durumtarwe)
Durumtarwe 1 795 543 1 572 955 1 350 367 1 127 779
Zaaddragende
leguminosen
Melk en 3 456 448 3 438 488 3 420 448 3 402 448
zuivelproducten
Rundvlees 4 608 945 4 608 945 4 608 945 4 608 945
Schapen en geiten 10 724 282 10 670 282 10 616 282 10 562 282
Olijfolie 5 547 000 5 115 000 4 683 000 4 251 000
Rozijnen en krenten 156 332 149 600 142 868 136 136
Bananen 4 323 820 4 312 300 4 300 780 4 289 260
Tabak 1 038 575 1 035 875 1 033 175 1 030 475
Totaal 31 650 945 30 903 405 30 155 865 29 408 325
BIJLAGE XVII
STAATSSTEUN IN CYPRUS
(EUR)
Sector 2009 2010 2011 2012
Granen (exclusief 2 263 018 1 131 509 565 755 282 877
durumtarwe)
Melk en zuivelproducten 562 189 281 094 140 547 70 274
Rundvlees 64 887
Schapen en geiten 1 027 917 513 958 256 979 128 490
Varkenssector 2 732 606 1 366 303 683 152 341 576
Pluimvee en eieren 1 142 374 571 187 285 594 142 797
Wijn 4 307 990 2 153 995 1 076 998 538 499
Olijfolie 2 088 857 1 044 429 522 215 261 107
Tafeldruiven 1 058 897 529 448 264 724 132 362
BIJLAGE XVIII
Concordantietabel
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 1 artikel 1
artikel 2 artikel 2
artikel 3 artikel 4
artikel 4 artikel 5
artikel 5 artikel 6
artikel 6 artikel 23
artikel 7 artikel 24
artikel 8
artikel 9 artikel 25
artikel 10, lid 1 artikel 7
artikel 10, lid 2 artikel 9, lid 1
artikel 10, lid 3 artikel 9, lid 2
artikel 10, lid 4 artikel 9, lid 3
-
-artikel 9, lid 4
artikel 11 artikel 11, leden 1 en 2
artikel 12
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 12 bis, lid 1 artikel 10
artikel 12 bis, lid 2 artikel 11, lid 3
artikel 13 artikel 12
artikel 14 artikel 12
artikel 15 artikel 13
artikel 16 artikel 12
artikel 17 artikel 14
artikel 18 artikel 15
artikel 19 artikel 16
artikel 20 artikel 17
artikel 21 artikel 18
artikel 22 artikel 19
artikel 23 artikel 20
artikel 24 artikel 21
artikel 25 artikel 22
artikel 26 artikel 26
artikel 27 artikel 27
-
-artikel 28
artikel 28 artikel 29
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 31
artikel 32 artikel 3
artikel 33 artikel 33
artikel 34
artikel 35 artikel 37
artikel 36
artikel 37 bijlage IX
artikel 38
artikel 39
artikel 40, leden 1, 2 en 3 bijlage IX, punt A, 4, 5 en 6
artikel 40, lid 4 artikel 31
artikel 40, lid 5
artikel 41 artikel 40
artikel 42 artikel 41
artikel 43 bijlage IX
artikel 44, leden 1 en 2 artikel 34
artikel 44, leden 3 en 4 artikel 35
artikel 45 artikel 42
artikel 46 artikel 43
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 49 artikel 44
artikel 50
artikel 51, eerste alinea
artikel 51, tweede alinea artikel 38
artikel 52 artikel 39
artikel 53
artikel 54
artikel 55
artikel 56
artikel 57
-
-artikel 45
artikel 58 artikel 46
artikel 59 artikel 47
artikel 60
artikel 61 artikel 49
artikel 62
artikel 63, lid 1 artikel 51, lid 1
artikel 63, lid 2
artikel 63, lid 3 artikel 48
artikel 63, lid 4 artikel 50, lid 2
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 65
artikel 66
artikel 67 artikel 52
artikel 68 artikel 53
artikel 68 bis
artikel 68 ter artikel 54
artikel 69
artikel 70
artikel 71
artikel 71 bis artikel 55
artikel 71 ter artikel 56
artikel 71 quater
artikel 71 quinquies artikel 57
artikel 71 sexies artikel 58
artikel 71 septies artikel 59
artikel 71 octies
artikel 71 nonies artikel 61
artikel 71 decies
artikel 71 undecies
artikel 71 duodecies artikel 62
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 71 quaterdecies artikel 60
-
-artikel 63
-
-artikel 64
-
-artikel 65
-
-artikel 66
-
-artikel 68
-
-artikel 70
-
-artikel 69
artikel 72
artikel 73
artikel 74
artikel 75
artikel 76 artikel 79
artikel 77 artikel 80
artikel 78 artikel 81
artikel 79 artikel 73
artikel 80 artikel 74
artikel 81 artikel 75
artikel 82 artikel 76
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 85 artikel 84
artikel 86, leden 1, 2 en 4 artikel 85, leden 1, 2 en 3
artikel 86, lid 3
artikel 87 artikel 120
artikel 88
artikel 89
artikel 90
artikel 91
artikel 92
artikel 93 artikel 77
artikel 94 artikel 78
artikel 95
artikel 96
artikel 97
artikel 98
artikel 99 artikel 87
artikel 100
artikel 101
artikel 102
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 105
artikel 106
artikel 107
artikel 108
artikel 109
artikel 110
artikel 110 bis artikel 88
artikel 110 ter artikel 89
artikel 110 quater artikel 90
artikel 110 quinquies artikel 91
artikel 110 sexies artikel 92
artikel 110 septies
artikel 110 octies
artikel 110 nonies
artikel 110 decies
artikel 110 undecies
artikel 110 duodecies
artikel 110 terdecies
artikel 110 quaterdecies
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 110 septdecies
artikel 110 octodecies artikel 93
artikel 110 novodecies artikel 94
artikel 110 vicies artikel 95
artikel 110 unvicies artikel 96
artikel 110 duovicies artikel 97
artikel 110 tervicies artikel 98
artikel 111 artikel 99
artikel 112 artikel 100
artikel 113 artikel 101
artikel 114 artikel 102
artikel 115 artikel 103
artikel 116 artikel 104
artikel 117 artikel 105
artikel 118 artikel 106
artikel 119
artikel 120 artikel 107
artikel 121 artikel 108
artikel 122 artikel 109
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 125 artikel 111
artikel 126 artikel 112
artikel 127 artikel 113
artikel 128 artikel 114
artikel 129 artikel 115
artikel 130 artikel 116
artikel 131
artikel 132
artikel 133
artikel 134
artikel 135
artikel 136
artikel 136 bis
artikel 137
artikel 138 artikel 117
artikel 139 artikel 118
artikel 140 artikel 119
artikel 141
artikel 142
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 143 ter, leden 1, 2, 9 en 10 artikel 122
artikel 143 ter, leden 3 en 7 artikel 123
artikel 143 ter, leden 4, 5 en 6 artikel 124
artikel 143 ter, lid 13 artikel 125
artikel 143 ter bis, leden 1, 2 en 3 artikel 126
artikel 143 ter bis, lid 3 bis
artikel 143 ter bis, leden 4, 5 en 6 artikel 130
artikel 143 ter ter, leden 1 en 2 artikel 127
artikel 143 ter ter, lid 3
artikel 143 ter ter, leden 4, 5 en 6 artikel 130
artikel 143 ter quater, leden 1 en 2 artikel 128
-
-artikel 129
artikel 143 ter quater, leden 3 en 4 artikel 130, leden 1 en 2
-
-artikel 131
artikel 143 quater, leden 1 t/m 8 artikel 132
artikel 143 quater, lid 9 artikel 133
artikel 143 quater, lid 10
artikel 143 quinquies artikel 134
Verordening (EG) nr. 1782/2003 Deze verordening
artikel 143 sexies artikel 135
-
-artikel 136
-
-artikel 137
-
-artikel 138
-
-artikel 139
artikel 144 artikel 141
artikel 145 artikel 142
artikel 146 artikel 140
artikel 147
artikel 148
artikel 149
artikel 150
artikel 151
artikel 152
-
-artikel 143
-
-artikel 144
-
-artikel 145
artikel 153 artikel 146
artikel 154
artikel 154 bis artikel 148
| publicatiedatum | 16-01-2009 |
|---|---|
| kenmerk | 16765/08 |
