De taal van het Rijnlands kapitalisme moet snel hervonden worden - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving
vrijdag 8 mei 2009, column van Drs. Hanco Jürgens

Het succes van de Amerikaanse en Britse economie na de val van de Muur heeft onze oren doen hangen naar het neoliberalisme. Uit efficiencyoverwegingen werden overheidstaken geprivatiseerd en moest de markt haar werk doen. Mede geïnspireerd door de Reaganomics moest het aandelenkapitalisme welvaart voor iedereen brengen. Zolang het goed ging leken ook de sociaal kwetsbaren baat te hebben bij de no-nonsense strategie. Sindsdien zijn we de taal van het Rijnlands kapitalisme vergeten.

Hoewel nog moet blijken hoe succesvol de economieën van Duitsland en Nederland zijn in het bezweren van de crisis, is in de discussie alvast een voorschot genomen op de toekomst: het Rijnlands model is terug van weggeweest en geldt als dé oplossing voor een gezonde economie met oog voor alle belanghebbenden. Stond het Rijnlands model in de jaren negentig nog voor stagnatie en vastgeroeste verhoudingen, nu weten we door schade en schande dat het alternatief, het casinokapitalisme, geen zekerheid biedt. Wie slechts de belangen van aandeelhouders in het oog houdt, en niet die van werknemers, consumenten, de overheid en andere belanghebbenden komt op termijn bedrogen uit. Critici van het neoliberalisme, van privatisering en deregulering komen dan al snel uit bij de oplossingen die in Noord-West Europa zijn en worden uitgedokterd.

Vraag is echter of wij in Nederland nog wel de taal van de Rijnlandse economieën beheersen. De term Rijnlands model is pas van recente datum, afkomstig van de Franse econoom Michel Albert, die in 1991 in zijn studie Capitalisme contre le Capitalisme het Rijnlandse model afzet tegen het ‘neo-Amerikaanse’ model. Worden voor het eerste model collectieve prestaties en publieke consensus als sleutels van lange termijn succes gezien, het tweede is gebaseerd op individuele prestaties en korte termijn winsten. Kort samengevat wordt in het Rijnlands kapitalisme stakeholdervalue belangrijk geacht, terwijl in het Amerikaans kapitalisme shareholdervalue voorop staat. De modellen hebben een belangrijke functie in het Nederlandse debat over de toekomst van onze samenleving. Ze zijn inzet geworden van een ideologische debat. Het is de vraag of ze daarmee nog geschikt zijn als instrumenten om de kapitalistische samenlevingen zelf te analyseren.

In het economische hart van het Rijnland, ontegenzeggelijk Duitsland, zijn andere begrippen gangbaar. Anders dan in Nederland spreekt men er nauwelijks in termen van modellen. In Duitsland spreekt men liever van ordoliberalisme en sociale markteconomie: uitgangspunt is een vrije markt met gelijke kansen voor iedereen en maximale vrijheid voor het privé-initiatief. Dit wordt gezien als het beste mechanisme om welvaart te genereren. De markt moet waar mogelijk zelf de problemen oplossen. Daarom wordt het overleg tussen werkgevers en werknemers ook gezien als een belangrijke garantie voor een gezonde economie. Anders dan in Nederland, treedt de Duitse overheid ook in dit overleg zeer terughoudend op. Omdat een vrije markt niet automatisch tot een optimale economische en maatschappelijke orde leidt, dient de overheid zorg te dragen voor sociale, politieke, geografische en conjuncturele waarborgen. De overheid biedt een raamwerk om concurrentievervalsing te voorkomen. Zij schept de voorwaarden voor een florerende markt door goede regelgeving, onderwijs en sociale voorzieningen.

Wordt in Nederland de uitbouw van de verzorgingsstaat vaak toegeschreven aan vadertje Drees, aan de sociaal-democratie, in Duitsland wordt het meestal vereenzelvigd met de minister van Economische Zaken en kortstondig ook bondskanselier van Duitsland Ludwig Erhard, met de christendemocratie. Erhard realiseerde de ideeën die waren ontwikkeld door de Freiburger Schule, door vooraanstaande economen als Walther Euken en Franz Böhm, die in 1948 het tijdschrift ORDO oprichtten. Het ging hen om een juiste ordening van de markt, waarbij transparantie van de markt en vrije toegang werden gegarandeerd. Om prijsafspraken en kartelvorming te voorkomen werd in 1958 het Bundeskartellamt opgericht, een verre voorloper van onze Nederlandse Mededingingsautoriteit, die pas in 2005 als zelfstandig bestuursorgaan opereert.

Ook in Duitsland wordt heftig gediscussieerd over de toekomst van de welvaartsstaat. De sociale markteconomie en de principes van het ordoliberalisme waren in het defensief geraakt, onder meer door een succesvol initiatief van de werkgeversvereniging Gesamtmetall voor een ‘nieuwe sociale markteconomie’. Belangrijke CDU/CSU politici als Angela Merkel en Edmund Stoiber leken dit initiatief te onderschrijven. De Duitse economie moest opnieuw gedefinieerd worden om klaar te zijn voor de globalisering van de markten. De overheid werd vooral als een probleem gezien, niet als oplossing voor problemen. Belastingverlaging is dan ook één van de oplossingen.

De kredietcrisis heeft echter geleid tot herwaardering van de economische orde, zoals die in de jaren vijftig vorm kreeg. Oud-minister van Financiën Hans Eichel (SPD) waarschuwde in oktober 2008 de Südddeutsche Zeitung voor de invloed van nieuwe grote spelers op de beurzen, zoals hedge-, pensioen-, en staatsfondsen, private equity firma’s en ratingbureaus. Door het grote aantal nieuwe spelers en nieuwe financiële producten is het overzicht zoek. Door de extreem hoge korte termijn winsten wordt de gereguleerde economie van normale ondernemingen onder druk gezet. Eichel pleit voor wereldwijde regulering van markten en producten. Hedgefondsen en private equity firma’s moeten meer eigen kapitaal bezitten en nieuwe financiële producten moeten aan een uitgebreide toelatingsprocedure voldoen, alvorens op de markt te worden toegelaten.

Opvallend is dat in de discussie over de sociale markteconomie de CDU/CSU het stokje heeft overgenomen van de SPD. De christendemocraten begonnen met een moreel offensief tegen ondernemers, die geen verantwoordelijkheid namen voor hun daden. Zo herinnerde in november vorig jaar de jonge secretaris van de CDU/CSU fractie in de bondsdag, Norbert Röttgen, ondernemers, in het bijzonder bankiers, aan hun maatschappelijke plichten. "De economie is geen moraalvrije zone", sprak hij in een vlammende rede in het parlement. Ook Angela Merkel geldt nu als verdediger van de sociale markteconomie. Op 4 mei hield ze een rede naar aanleiding van zestig jaar Bondsrepubliek en twintig jaar val van de muur, waarin ze stelde dat de sociale markteconomie vrijheid en zekerheid, concurrentie en solidariteit, scheppende dynamiek en gemeenschapszin met elkaar verbindt. Maar omdat de markt een blind oog heeft voor waarden moet de staat als hoeder van de orde optreden. “De sociale markteconomie geeft de mensen het raamwerk om hun eigen capaciteiten en mogelijkheden te ontplooien. Door eigen inzet van mensen brengt het welstand voor allen.” In maart dit jaar ging ze in een rede voor de Katholieke Academie te Berlijn zelfs zo ver dat ze de sociale markteconomie een goed product van de Oecumene noemde omdat het is voortgekomen uit zowel de katholieke sociale leer als de protestantse sociale ethiek.

De grootste pleitbezorger voor een solidaire sociale markteconomie in de CDU/CSU is de minister-president van Noordrijn-Westfalen Jürgen Rüttgers. Hij heeft een belangrijke stem in de Duitse politiek, alleen al omdat deze gekozen politicus aan het hoofd staat van een deelstaat met achttien miljoen inwoners (meer dan Nederland dus). Volgens Rüttgers is de sociale markteconomie hét Europese antwoord op de crisis. Al in 2007, dus nog voor de crisis, schreef hij pamflet onder de titiel: De markteconomie moet sociaal blijven, een strijdschrift. Volgens Rüttgers zijn economisch vernuft en sociale gerechtigheid twee zijden van dezelfde medaille. Het is de kern van het Rijnlandse kapitalisme, en daarmee van de sociale markeconomie. Hij kent geen beter model, noch vandaag, noch in het verleden, noch in Europa, noch ergens anders in de wereld.

Op de toekomstconferentie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen in maart dit jaar pleitte hij voor een nieuwe moraal die op oude leest is geschoeid: “We moeten terug naar de grondbeginselen van de eerbare koopman: beslissen en verantwoordelijkheid nemen horen bij elkaar.” En daar heeft het de laatste jaren flink aan geschort. Hij hield het voor onmogelijk dat miljarden Euro’s buiten de balansen van ondernemingen werden gehouden. “Elke ambachtsman krijgt problemen met de belastingen wanneer hij zijn balans niet op orde heeft. Managers moeten aansprakelijk worden gesteld voor dat wat zij doen.” Interessant is dat dit soort pleidooien voor de terugkeer van het ambachtelijke ook in Nederland worden gehoord, bijvoorbeeld bij de Rotterdamse econoom Arjo Klamer.

Rüttgers ziet zichzelf als woordvoerder van werknemers en vindt dat de CDU de kiezers van de conservatievere sociaaldemocratische iconen Johannes Rau en Helmut Schmidt moet terugwinnen. De CDU moet als een betere SPD meer oog hebben voor de belangen van de gewone man. Hij heeft een toekomstcommissie aan het werk gezet, die zich moest buigen over de problemen van de deelstaat in 2025. De leden van deze commissie, waaronder de Duits-Britse socioloog Lord Ralf Dahrendorf en de Nederlandse directeur van het Centraal Planbureau Paul Schnabel, bogen zich over vraagstukken van vergrijzing, kinderopvang, migratie, energievoorziening en klimaatverandering. In het rapport wordt het vermoeden uitgesproken dat de deelstaat Noordrijn-Westfalen op basis van de traditie de beste plaats kan zijn om tussen de Scylla van het marktfundamentalisme en de Charybdis van het staatskapitalisme nieuwe wegen te vinden.

Het zou goed zijn wanneer Nederlandse politici eens wat vaker hun oor te luister leggen bij onze oosterburen om te zien welke oplossingen daar worden aangereikt. De problemen zijn, zeker in Noordrijn-Westfalen, zeer vergelijkbaar met de onze. De discussie over een toekomstbestendige samenleving wordt echter met andere begrippen en langs andere lijnen gevoerd. Dat heeft gevolgen voor het beleid. In Duitsland wordt met het oog op de toekomst flink geïnvesteerd in innovatie, onderwijs, onderzoek en duurzame energievoorziening. In Nederland is men steeds meer gefocust geraakt op de binnendijkse problemen van vandaag. Wie er in 2025 nog werkt in het onderwijs of in de Rotterdamse haven, en onder welke voorwaarden, dat zien we morgen dan wel.

Drs. Hanco Jürgens is wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA).

Meer over...

enveloppe

Delen

Mobiele versie Europa Nu
 
 
column.jpg