RAAD VANBrussel, 22 januari 2010 (25.01)
(OR. en)
DE EUROPESE UNIE
5673/10
Interinstitutioneel dossier:
2010/0801 (COD)
DROIPEN 8 COPEN 25 CODEC 47
NOTA
Betreft:
Initiatief voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures
-
-Toelichting
Hierbij gaat een toelichting op het initiatief van een groep lidstaten voor een richtlijn van het
Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures.1
Brussel, 14 december 2009
Initiatief
van het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje,
de Republiek Estland, de Franse Republiek, de Republiek Hongarije, de Italiaanse Republiek, het
Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, Roemenië, de
Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden
voor een
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
BETREFFENDE HET RECHT OP TOLK- EN VERTAALDIENSTEN
IN STRAFPROCEDURES
TOELICHTING
-
1.ACHTERGROND
Artikel 82, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de
justitiële samenwerking in strafzaken in de Europese Unie berust op het beginsel van de
wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen.
Wederzijdse erkenning veronderstelt dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vertrouwen
hebben in elkaars strafrechtsstelsel.
Het recht van verdachten en beklaagden op een eerlijk proces is een fundamenteel recht dat door de
Europese Unie en haar lidstaten wordt erkend krachtens artikel 47 van het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM), in de
uitlegging van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM).
Om het wederzijdse vertrouwen binnen de Europese Unie te versterken, is het zaak dat de Europese
Unie, naast het Handvest en het EVRM, over normen voor de bescherming van de procedurele
rechten beschikt die in de lidstaten op correcte wijze worden uitgevoerd en toegepast.
De Commissie heeft in april 2004 een voorstel ingediend voor een kaderbesluit over bepaalde
procedurele rechten in strafprocedures binnen de gehele Europese Unie1. Na drie jaren van
besprekingen is het evenwel onmogelijk gebleken (unaniem) overeenstemming over de tekst te
bereiken. Vervolgens is getracht langs een andere weg de doelstellingen van het voorstel te
verwezenlijken, namelijk door verdachten en beklaagden meer procedurele rechten te geven in
strafprocedures.
In het licht van het bovenstaande heeft het Zweedse voorzitterschap op 1 juli 2009 een voorstel
ingediend voor een Routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en
beklaagden in strafprocedures. Daarin wordt voorgesteld de procedurele rechten stapsgewijs aan te
pakken en in de toekomst actie te ondernemen. Hierdoor zou het mogelijk worden aan elke
afzonderlijke maatregel gepaste aandacht te besteden, zodat de problemen kunnen worden herkend
en behandeld op een wijze die elke maatregel meerwaarde verleent.
De routekaart, die op veel enthousiasme onder de lidstaten kon rekenen, werd al snel omgezet in
een resolutie van de Raad, en op 30 november 2009 door de Raad (Justitie en Binnenlandse Zaken)
aangenomen.2
In de routekaart onderkent de Raad dat de Europese Unie actie moet ondernemen voor een betere
bescherming van de rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures. Het kan hierbij om
wetgeving, maar ook om andere maatregelen gaan. Er worden zes maatregelen als basis voor
toekomstig optreden opgesomd. Een daarvan is het recht op tolk- en vertaaldiensten in
Op 15 juli 2009 heeft het Zweedse voorzitterschap een voorstel ingediend voor een resolutie van de
Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad
bijeen, ter bevordering van de toepassing door de lidstaten van het recht op tolk- en vertaaldiensten
in strafprocedures. Deze resolutie moet het door de Commissie ingediende voorstel voor een
kaderbesluit begeleiden en aanvullen.
Na intensieve onderhandelingen heeft de Raad op 23 oktober 2009 een algemene oriëntatie bereikt
over het voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betreffende het recht op tolk- en vertaal-
diensten in strafprocedures1 en over de begeleidende resolutie.2
Doordat het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 in werking is getreden moet het voorstel
voor een kaderbesluit worden omgezet in een richtlijnvoorstel, wil het werk aan de tekst kunnen
worden voortgezet. De Commissie die tot 1 februari 2010 in functie is, handelt alleen lopende zaken
af en kan in principe geen nieuwe voorstellen aannemen; daarom leek het een goed idee om een
groep lidstaten de algemene oriëntatie over het voorstel voor een kaderrichtlijn van de Raad te laten
indienen als initiatief voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad. Een dergelijk
initiatief, dat wordt genomen in overeenstemming met artikel 76, onder b), VWEU, zal het mogelijk
maken verder te werken aan de tekst conform het Verdrag van Lissabon vanaf het punt waar die
werkzaamheden gestopt zijn onder het Verdrag van Amsterdam en dat van Nice. Zodoende gaat er
geen tijd verloren en kunnen de burgers van de Europese Unie zo snel mogelijk de rechten genieten
die worden vastgelegd in het nieuwe instrument, dat via de gewone wetgevingsprocedure
("co-decisie") moet worden aangenomen door het Europees Parlement en de Raad.
Het resolutievoorstel dat het voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betreffende het recht op
tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures begeleidt, wordt niet onmiddellijk beïnvloed door het
Verdrag van Lissabon, maar is gekoppeld aan het kaderbesluit; hierdoor komt het resolutievoorstel
na het kaderbesluit in de besluitvormingsprocedure. Aangezien het voorstel voor een kaderbesluit is
vervangen door het initiatief voor een richtlijn, kan de resolutie enkel (formeel) worden
aangenomen wanneer de richtlijn wordt aangenomen.
-
2.BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN
Het initiatief voor een richtlijn betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures is
gebaseerd op artikel 82, lid 2, onder b), VWEU: "Voor zover nodig ter bevordering van de
wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële
samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, kunnen het Europees Parlement
en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure bij richtlijnen minimumvoorschriften
vaststellen. In die minimumvoorschriften wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de
rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten. Deze minimumvoorschriften hebben betrekking op:
(...) b) de rechten van personen in de strafvordering.".
In het initiatief voor een richtlijn zijn de basisverplichtingen opgenomen en wordt er voortgebouwd
op het EVRM en de rechtspraak van het EHRM. In overeenstemming met artikel 82, lid 2, onder b),
stelt deze richtlijn minimumvoorschriften vast. De lidstaten kunnen de in deze richtlijn vervatte
Artikel 1 - Toepassingsgebied
De werkingssfeer strekt zich uit tot eenieder die door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat
ervan in kennis wordt gesteld dat hij ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te
hebben gepleegd, en zulks tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de uiteindelijke
vaststelling dat de verdachte of beklaagde al dan niet het strafbare feit heeft gepleegd. Onder
uiteindelijke vaststelling wordt verstaan dat van de verdachte of beklaagde vaststaat dat hij schuldig
dan wel onschuldig is, en dat hiertegen geen beroep mogelijk is. De term "verdachte of beklaagde"
is bedoeld als een autonome term, ongeacht de bewoordingen waarin die personen in nationale
procedures worden aangeduid. Procedures die kunnen leiden tot sancties van een andere autoriteit
dan de strafrechter (een typisch voorbeeld: administratieve procedures) vallen buiten de
werkingssfeer mits de opgelegde straf niet is aangevochten bij een dergelijke rechtbank.
In dit artikel wordt verduidelijkt dat het initiatief ook van toepassing is op zaken waarin een
Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. Het is belangrijk dat zaken in verband met een
Europees aanhoudingsbevel binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, aangezien het
kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen
de lidstaten1 de rechten inzake vertolking en vertaling slechts heel algemeen behandelt.
Artikel 2 - Het recht op bijstand door een tolk
Dit artikel verankert het basisbeginsel dat bijstand door een tolk, mede bij de communicatie tussen
de verdachte of beklaagde en zijn raadsman of -vrouw, beschikbaar is tijdens de strafprocedure voor
onderzoeks- en gerechtelijke autoriteiten, dat wil zeggen tijdens politieverhoren, tijdens alle
Artikel 3 - Het recht op vertaling van essentiële documenten
De verdachte of beklaagde heeft recht op een vertaling van alle processtukken die essentieel zijn
voor de waarborging van zijn rechten op een eerlijk verloop van de procedure, of (als de stukken
zeer uitgebreid zijn) ten minste van de belangrijke passages uit die stukken. De bevoegde
autoriteiten moeten beslissen wat onder essentiële stukken wordt verstaan, maar zij omvatten ten
minste de tenlastelegging en eventuele vonnissen. Aanhoudingsbevelen of gelijkwaardige besluiten
tot vrijheidsberoving moeten altijd vertaald worden.
In procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel moet het EAB door de
lidstaat van tenuitvoerlegging worden vertaald.
Als dat het eerlijke verloop van de procedure onverlet laat, kan, in voorkomend geval, een
mondelinge vertaling of een mondelinge samenvatting worden verstrekt.
Artikel 4 Kosten van de tolk- en vertaaldiensten ten laste van de lidstaten
Dit artikel bepaalt dat de kosten van de tolk- en vertaaldiensten voor rekening van de lidstaat
komen, ongeacht de uitkomst van de procedure.
Artikel 5 - Kwaliteit van de tolk- en vertaaldiensten
Dit artikel stelt het basisbeginsel vast dat de kwaliteit van de tolk- en vertaaldiensten moet
waarborgen. Aanbevelingen in die zin kan men vinden in de resolutie van de Raad en van de
Artikel 7 Uitvoering
Dit artikel bepaalt dat de lidstaten de richtlijn uiterlijk 30 maanden na haar inwerkingtreding ten
uitvoer moeten leggen en uiterlijk op diezelfde datum aan de Raad en de Commissie de tekst
moeten meedelen van de bepalingen waarmee de richtlijn in hun nationale recht wordt omgezet.
Artikel 8 Verslag
De Commissie moet, 42 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn, bij het Europees
Parlement en de Raad een verslag indienen waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de
nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen, indien nodig vergezeld van
wetgevingsvoorstellen.
Artikel 9 - Inwerkingtreding
Dit artikel bepaalt dat de richtlijn in werking treedt op de twintigste dag volgende op die van haar
bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
-
3.SUBSIDIARITEITSBEGINSEL
De doelstelling van deze richtlijn kan niet voldoende door de lidstaten alleen worden bereikt,
aangezien het voorstel tot doel heeft vertrouwen tussen hen onderling te bevorderen en het
bijgevolg belangrijk is om een gemeenschappelijke minimumnorm af te spreken die van toepassing
is in de gehele Europese Unie. De richtlijn zal de materiële procedureregels van de lidstaten in
verband met tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures nader tot elkaar brengen teneinde
| publicatiedatum | 22-01-2010 |
|---|---|
| kenmerk | 5673/10 |
