Standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) - Vastgesteld door de Raad op 15 februari 2010 - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VAN Brussel, 15 februari 2010

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

11962/2/09 REV 2

Interinstitutioneel dossier:

2007/0286 (COD)

ENV 494 CODEC 967

WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN

Betreft:

Standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking)

  • Vastgesteld door de Raad op 15 februari 2010

RICHTLIJN .../.../EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van

inzake industriële emissies

(geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de EuropeseUnie, en met name op artikel 192,

lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité1,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's2,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Richtlijn 78/176/EEG van de Raad van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen

afkomstig van de titaandioxide-industrie1, Richtlijn 82/883/EEG van de Raad van

3 december 1982 betreffende de voorschriften voor het toezicht op en de controle van de

milieus die betrokken zijn bij lozingen van de titaandioxide-industrie2, Richtlijn

92/112/EEG van de Raad van 15 december 1992 tot vaststelling van de procedure voor de

harmonisatie van de programma's tot vermindering en uiteindelijke algehele opheffing van

de verontreiniging door afval van de titaandioxide-industrie3, Richtlijn 1999/13/EG van de

Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische

stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaam-

heden en in installaties4, Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van

4 december 2000 betreffende de verbranding van afval5, Richtlijn 2001/80/EG van het

Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake beperking van de emissies van

bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties6 en Richtlijn

2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake

geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging7, dienen op een aantal

wezenlijke punten te worden gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid dient tot

herschikking van deze richtlijnen te worden overgegaan.

(2) Teneinde de door industriële activiteiten veroorzaakte verontreiniging te voorkomen, te

verminderen en zo veel mogelijk uit te bannen, overeenkomstig het beginsel dat de

vervuiler betaalt en het beginsel van preventie van verontreiniging, is het noodzakelijk een

algemeen kader tot stand te brengen voor toezicht op de belangrijkste industriële

activiteiten, waarbij voorrang wordt gegeven aan het nemen van maatregelen aan de bron

en een zorgvuldig beheer van de natuurlijke hulpbronnen wordt verzekerd.

(3) Afzonderlijke initiatieven ter bestrijding van emissies in de lucht, het water of de bodem

kunnen ertoe leiden dat verontreiniging van het ene milieucompartiment naar het andere

wordt overgeheveld, in plaats van dat het milieu in zijn geheel wordt beschermd. Daarom

is het passend te voorzien in een geïntegreerde benadering inzake preventie en beheersing

van de emissies in lucht, water en bodem, afvalbeheer, energie-efficiëntie en preventie van

ongevallen.

(4) Het is passend de wetgeving met betrekking tot industriële installaties te herzien teneinde

de bestaande bepalingen te vereenvoudigen en te verduidelijken, de administratieve

belasting te verminderen en uitvoering te geven aan de conclusies van de mededelingen

van de Commissie van 21 september 2005 over de thematische strategie inzake

luchtverontreiniging, van 22 september 2006 over de thematische strategie inzake

bodembescherming en van 21 december 2005 over de thematische strategie inzake

afvalpreventie en afvalrecycling, die ten vervolge op Besluit nr. 1600/2002/EG van het

Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde

Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap1 zijn aangenomen. Die

mededelingen omvatten doelstellingen inzake bescherming van de menselijke gezondheid

en het milieu die zonder een verdere vermindering van de door industriële activiteiten

veroorzaakte emissies niet kunnen worden gehaald.

(5) Om de preventie en beheersing van verontreiniging te verzekeren, mogen installaties alleen

worden geëxploiteerd als daarvoor een vergunning is verleend of, in het geval van

bepaalde installaties en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt,

alleen als daarvoor een vergunning is verleend of indien zij zijn geregistreerd.

(6) Het is aan de lidstaten om de methode te bepalen voor het vaststellen van de verant-

woordelijkheid van exploitanten van installaties, mits de naleving van deze richtlijn is

gewaarborgd. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om een vergunning te verlenen aan één

verantwoordelijke exploitant voor elke installatie, of om de verantwoordelijkheid te

verdelen over verscheidene exploitanten van verschillende delen van een installatie. Indien

in het bestaande rechtsstelsel is voorzien dat er per installatie slechts één verantwoordelijke

exploitant is, kan een lidstaat besluiten dit systeem te handhaven.

(7) Om het verlenen van vergunningen te vergemakkelijken, dienen de lidstaten de mogelijk-

heid te hebben om de eisen voor bepaalde categorieën installaties vast te leggen in

algemene bindende voorschriften.

(8) Het is van belang om ongevallen en incidenten te voorkomen en de gevolgen daarvan te

beperken. De aansprakelijkheid met betrekking tot de milieugevolgen van ongevallen en

incidenten valt onder de betrokken nationale wetgeving en, in voorkomend geval,

onder andere relevante wetgeving van de Unie.

(9) Teneinde overlappingen in de regelgeving te vermijden, dienen vergunningen voor

installaties die vallen onder Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad

van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgas-

emissierechten binnen de Gemeenschap1, geen emissiegrenswaarde te bevatten voor

directe emissies van de in bijlage I van die richtlijn gespecificeerde broeikasgassen, tenzij

dit noodzakelijk is om te garanderen dat er geen significante plaatselijke verontreiniging

wordt veroorzaakt of indien de betrokken installatie van die regeling is uitgesloten.

(10) De door de exploitanten in te dienen vergunningsaanvragen moeten de informatie bevatten

die de bevoegde autoriteiten nodig hebben om de vergunningsvoorwaarden te kunnen

vaststellen. Wanneer zij een vergunningsaanvraag indienen, moeten de exploitanten

gebruik kunnen maken van de informatie die is verkregen uit hoofde van Richtlijn

85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van

bepaalde openbare en particuliere projecten2 en Richtlijn 96/82/EG van de Raad van

9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij

gevaarlijke stoffen zijn betrokken3.

(11) De vergunning dient alle noodzakelijke maatregelen te bevatten om een hoog

beschermingsniveau van het milieu als geheel tot stand te brengen en om ervoor te zorgen

dat de installatie wordt geëxploiteerd volgens de algemene beginselen die van toepassing

zijn op de fundamentele verplichtingen van de exploitant. De vergunning dient voorts

emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen of gelijkwaardige parameters of

(12) Teneinde de "beste beschikbare technieken" te bepalen en onevenwichtsheden in de Unie

inzake emissieniveaus van industriële activiteiten te beperken, dienen

referentiedocumenten voor beste beschikbare technieken, hierna "BBT-referentie-

documenten" genoemd, te worden opgesteld, geëvalueerd en, waar nodig, bijgewerkt door

de uitwisseling van informatie met de belanghebbende partijen, en dienen de belangrijkste

bestanddelen van de BBT-referentiedocumenten (hierna "BBT-conclusies" genoemd), via

de comitéprocedure te worden vastgesteld. In dit verband dient de Commissie, via de

comitéprocedure, richtsnoeren vast te leggen voor het verzamelen van gegevens, het

opstellen van BBT-referentiedocumenten en het waarborgen van de kwaliteit ervan. De

BBT-conclusies dienen het ijkpunt te vormen voor de vaststelling van de vergunnings-

voorwaarden. Zij kunnen worden aangevuld met informatie uit andere bronnen.

(13) Teneinde te zorgen voor een doeltreffende en actieve uitwisseling van informatie die

resulteert in BBT-referentiedocumenten van hoge kwaliteit, dient de Commissie een forum

in te stellen dat op een transparante manier functioneert. Er moeten praktische regelingen

voor de uitwisseling van informatie en voor de toegankelijkheid van BBT-referentie-

documenten worden ingesteld, vooral om ervoor te zorgen dat lidstaten en belang-

hebbenden gegevens van toereikende kwaliteit en kwantiteit verstrekken, op basis van

vastgelegde richtsnoeren, zodat kan worden vastgesteld welke de beste beschikbare

technieken en de technieken in opkomst zijn.

(14) Het is belangrijk dat de bevoegde autoriteiten over voldoende flexibiliteit beschikken om

emissiegrenswaarden vast te stellen die garanderen dat de emissies onder normale

bedrijfsomstandigheden niet hoger liggen dan de emissieniveaus die eigen zijn aan de beste

beschikbare technieken. Daartoe kan de bevoegde autoriteit emissiegrenswaarden

vaststellen welke van de emissieniveaus die eigen zijn aan de beste beschikbare technieken

verschillen in termen van toegepaste waarden, perioden en referentieomstandigheden,

zolang door middel van de resultaten van de emissiemonitoring kan worden aangetoond

dat de emissies de emissieniveaus die eigen zijn aan de beste beschikbare technieken niet

hebben overschreden.

(15) Teneinde rekening te houden met bepaalde specifieke omstandigheden waarin de

toepassing van emissieniveaus die eigen zijn aan de best beschikbare technieken tot

onevenredig hoge kosten in vergelijking met de milieuvoordelen zou leiden, dient de

bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te worden geboden emissiegrenswaarden vast te

stellen die van deze niveaus afwijken. Deze afwijkingen moeten worden gebaseerd op een

beoordeling aan de hand van welomschreven criteria. De in deze richtlijn vastgestelde

emissiegrenswaarden mogen niet worden overschreden. Er mag in geen geval aanzienlijke

verontreiniging worden veroorzaakt en er moet een hoog niveau van bescherming van het

milieu in zijn geheel worden bereikt.

(16) Teneinde de exploitanten in staat te stellen opkomende technieken te beproeven die kunnen

resulteren in een hoger algemeen niveau van milieubescherming of in ten minste hetzelfde

niveau van milieubescherming en grotere kostenbesparingen dan de bestaande beste

beschikbare technieken, dient de bevoegde autoriteit de mogelijkheid te worden geboden

tijdelijke afwijkingen toe te staan van de emissieniveaus die samenhangen met de beste

beschikbare technieken .

(17) Wijzigingen in een installatie kunnen leiden tot meer verontreiniging. De exploitanten

moeten elke voorgenomen wijziging die gevolgen kan hebben voor het milieu meedelen

aan de bevoegde autoriteit. In het geval van belangrijke wijzigingen aan installaties die

aanzienlijke negatieve effecten kunnen hebben voor de gezondheid van de mens of voor

het milieu, moet eerst een vergunning worden afgegeven overeenkomstig deze richtlijn.

(18) Het uitrijden van mest draagt aanzienlijk bij tot emissies van verontreinigende stoffen in de

lucht en het water. Met het oog op het bereiken van de doelstellingen van de thematische

strategie inzake luchtverontreiniging en de wet- en regelgeving van de Unie inzake

waterbescherming, dient de Commissie te toetsen of de meest geschikte maatregelen voor

de beheersing van deze emissies moeten worden ingesteld via de toepassing van de beste

beschikbare technieken.

(19) Intensieve pluimvee- en rundveehouderij dragen in belangrijke mate bij tot emissies van

verontreinigende stoffen in de lucht en het water. Met het oog op het bereiken van de

doelstellingen van de thematische strategie inzake luchtverontreiniging en de wet- en

regelgeving van de Unie inzake waterbescherming, dient de Commissie na te gaan of er

gedifferentieerde capaciteitsdrempelwaarden voor verschillende pluimveesoorten moeten

worden vastgesteld om de werkingssfeer van deze richtlijn te omschrijven, en of de meest

geschikte controles op emissies van bedrijven met stalruimte voor runderen moeten

worden ingesteld.

(20) Teneinde rekening te houden met ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare

technieken of met andere wijzigingen van een installatie, dienen de vergunnings-

voorwaarden regelmatig te worden getoetst en indien nodig bijgesteld, met name wanneer

nieuwe of bijgestelde BBT- conclusies worden aangenomen.

(21) In specifieke gevallen waarin bij de toetsing en bijstelling van de vergunning blijkt dat een

langere periode dan vijf jaar na de bekendmaking van een besluit over de BBT-conclusies

nodig kan zijn voor de invoering van nieuwe beste beschikbare technieken, kunnen de

bevoegde autoriteiten in de vergunningsvoorwaarden een langere termijn vaststellen

wanneer dat gerechtvaardigd is op basis van de criteria die in deze richtlijn worden

vastgelegd.

(22) Er moet worden verzekerd dat de exploitatie van een installatie niet resulteert in een

verslechtering van de kwaliteit van de bodem en het grondwater. De vergunningsvoor-

waarden dienen daarom ook passende maatregelen te omvatten met het oog op het

voorkomen van emissies in de bodem en het grondwater, en te voorzien in een regelmatig

toezicht op deze maatregelen teneinde lekken, verliezen, incidenten of ongevallen tijdens

het gebruik van apparatuur en tijdens de opslag te voorkomen. Om eventuele veront-

reiniging van de bodem en het grondwater in een vroeg stadium te kunnen opsporen en

passende corrigerende maatregelen te kunnen nemen voordat de verontreiniging zich

uitbreidt, is monitoring van de bodem en het grondwater met het oog op relevante

gevaarlijke stoffen eveneens noodzakelijk. Bij het vaststellen van de frequentie van de

monitoring kunnen het soort preventiemaatregelen en de mate en periodiciteit waarin

hierop toezicht wordt gehouden, in aanmerking worden genomen.

(23) Om ervoor te zorgen dat door de exploitatie van een installatie de kwaliteit van de bodem

en het grondwater niet verslechtert, moet door middel van een situatierapport de toestand

van de bodem- en grondwaterverontreiniging worden vastgesteld. Het situatierapport moet

een praktisch instrument zijn dat waar mogelijk een gekwantificeerde vergelijking toelaat

tussen de in dat rapport beschreven toestand van het terrein en de toestand van het terrein

nadat de activiteiten definitief zijn stopgezet, teneinde te kunnen nagaan of de

verontreiniging van de bodem of het grondwater aanzienlijk is toegenomen. Het

situatierapport moet derhalve informatie bevatten waarin bestaande gegevens over bodem-

en grondwatermetingen, alsmede historische gegevens in verband met het gebruik van het

(24) In overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt, moeten de lidstaten bij de

beoordeling of de door de exploitant veroorzaakte verontreiniging van de bodem en het

grondwater dermate significant is dat het terrein verplicht moet worden hersteld in de

toestand als beschreven in het situatierapport, rekening houden met de vergunnings-

voorwaarden die tijdens de duur van de betrokken activiteit van toepassing waren, de voor

de installatie toegepaste preventiemaatregelen en de relatieve toename van de

verontreiniging ten opzichte van de in het situatierapport vastgestelde verontreiniging.

Aansprakelijkheid inzake niet door de exploitant veroorzaakte verontreiniging valt

onder de betrokken nationale wetgeving en, in voorkomend geval, andere relevante

wetgeving van de Unie.

(25) Teneinde een doeltreffende toepassing en handhaving van deze richtlijn te garanderen,

dienen de exploitanten regelmatig bij de bevoegde autoriteit verslag uit te brengen over de

naleving van de vergunningsvoorwaarden. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de

exploitant en de bevoegde autoriteit in geval van niet-naleving van deze richtlijn elk de

noodzakelijke maatregelen treffen, en zij moeten voorzien in een systeem van milieu-

inspecties.

(26) Overeenkomstig het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij

besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden1 is doeltreffende

publieksparticipatie in de besluitvorming noodzakelijk om het publiek in staat te stellen

meningen en zorgpunten kenbaar te maken die relevant kunnen zijn voor de besluiten in

kwestie en de besluitvormer in staat te stellen daar rekening mee te houden, wat de

controleerbaarheid en de transparantie van het besluitvormingsproces vergroot en de

bewustwording van milieuvraagstukken en de steun voor de genomen besluiten bij het

publiek ten goede komt. Leden van het betrokken publiek dienen toegang te hebben tot de

rechter, aangezien dit bijdraagt tot de bescherming van het recht te leven in een milieu dat

passend is voor de gezondheid en het welzijn van elke persoon.

(27) Het stoken van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van

minder dan 50 MW draagt aanzienlijk bij tot emissies van verontreinigende stoffen in de

lucht. Met het oog op het bereiken van de doelstellingen van de thematische strategie

inzake luchtverontreiniging dient de Commissie te beoordelen of de meest geschikte

maatregelen voor de beheersing van emissies van dit soort installaties moeten worden

ingesteld.

(28) Grote stookinstallaties dragen in hoge mate bij tot emissies van verontreinigende stoffen in

de lucht en hebben daardoor een aanzienlijk effect op de menselijke gezondheid en het

milieu. Om dat effect te verminderen en bij te dragen tot het naleven van de eisen van

Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake

nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen1 en de doel-

stellingen van de thematische strategie inzake luchtverontreiniging, moeten op het niveau

van de Unie strengere emissiegrenswaarden voor bepaalde categorieën stookinstallaties en

verontreinigende stoffen worden vastgesteld.

(29) De Commissie moet beoordelen of er op het niveau van de Unie emissiegrenswaarden

nodig zijn en of de emissiegrenswaarden van bijlage V voor bepaalde grote stook-

installaties moeten worden gewijzigd, rekening houdend met de evaluatie en het bijstellen

van de betrokken BBT-referentiedocumenten. De Commissie moet in dat verband rekening

houden met de specificiteit van de energiesystemen van raffinaderijen.

(30) Wegens de kenmerken van bepaalde inheemse vaste brandstoffen is het passend dat voor

stookinstallaties die deze brandstoffen stoken geen emissiegrenswaarden voor

zwaveldioxide, maar minimumpercentages voor ontzwaveling gelden. Aangezien de

specifieke kenmerken van olieschalie bovendien een belemmering zouden kunnen vormen

voor de toepassing van dezelfde zwavelemissiebeperkingstechnieken of voor het behalen

van dezelfde ontzwavelingsefficiëntie als voor andere brandstoffen, is het passend dat voor

installaties die deze brandstof stoken een iets lager minimumpercentage voor ontzwaveling

wordt vastgesteld.

(31) In het geval van een plotse onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof

of gas ten gevolge van een ernstig tekort, dient de bevoegde autoriteit over de mogelijkheid

te beschikken tijdelijke afwijkingen toe te staan waarbij de emissies van de betrokken

stookinstallaties de bij deze richtlijn vastgestelde emissiegrenswaarden mogen

overschrijden.

(32) De betrokken exploitant mag een stookinstallatie niet langer dan 24 uur na het optreden

van een storing of het uitvallen van de zuiveringsinrichting laten doorwerken en mag de

installatie in een periode van 12 maanden niet langer dan 120 uur laten werken zonder

zuiveringsinrichting om de negatieve effecten qua milieuverontreiniging te beperken.

Indien dit evenwel absoluut noodzakelijk is om de energievoorziening in stand te houden

of indien moet worden vermeden dat als gevolg van het gebruik van een andere

stookinstallatie de totale uitstoot zou toenemen, dienen de bevoegde autoriteiten een

(33) Teneinde een hoog beschermingsniveau voor het milieu en de menselijke gezondheid te

garanderen en te vermijden dat grensoverschrijdend afvaltransport plaatsvindt naar

installaties waar minder strenge milieunormen worden gehanteerd, is het noodzakelijk dat

strenge exploitatievoorwaarden, technische voorschriften en emissiegrenswaarden worden

vastgesteld en gehandhaafd voor installaties in de Unie die afval verbranden of

meeverbranden.

(34) Het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde activiteiten en in bepaalde

installaties leidt tot emissies van organische stoffen in de lucht die bijdragen tot de

plaatselijke en grensoverschrijdende vorming van fotochemische oxidanten die schade

toebrengen aan de natuurlijke hulpbronnen en schadelijke gevolgen hebben voor de

menselijke gezondheid. Daarom moet preventief actie worden ondernomen tegen het

gebruik van organische oplosmiddelen en moet worden geëist dat emissiegrenswaarden

voor organische stoffen en passende exploitatievoorwaarden worden nageleefd. Het moet

exploitanten worden toegestaan aan de eisen van een verminderingsschema te voldoen, in

plaats van de in deze richtlijn opgenomen emissiegrenswaarden na te leven, indien een

gelijkwaardige emissievermindering tot stand kan worden gebracht via andere

maatregelen, bijvoorbeeld het gebruik van producten of technieken die weinig of geen

oplosmiddelen vereisen.

(35) Installaties die titaandioxide produceren, kunnen aanzienlijke verontreiniging van lucht en

water veroorzaken. Om deze effecten te verminderen, moeten op het niveau van de Unie

(36) Met het oog op de vereenvoudiging van de verslaglegging en de vermindering van de

administratieve lasten, dient de Commissie na te gaan hoe de wijze van verstrekking van

gegevens overeenkomstig deze richtlijn in overeenstemming kan worden gebracht met de

andere eisen op grond van de wetgeving van de Unie, en in het bijzonder met de eisen van

Verordening (EG) nr. 1666/2006 van het Europees Parlement en de Raad van

18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en

overbrenging van verontreinigende stoffen1.

(37) Om verontreiniging door industriële activiteiten op de meest kostenefficiënte wijze te

voorkomen, te beperken en, voor zover mogelijk, te elimineren, en tegelijk een hoog

niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te waarborgen, met name door de

toepassing van de beste beschikbare technieken, kunnen de mogelijkheden van

marktgebaseerde instrumenten zoals de handel in stikstofoxiden- en zwaveldioxide-

emissies worden onderzocht.

(38) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld

overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de

voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoerings-

bevoegdheden2.

(39) Teneinde de bepalingen van deze richtlijn te kunnen aanpassen aan de wetenschappelijke

en technologische voortuitgang met behulp van de best beschikbare technieken dient de

Commissie bevoegd te zijn overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag gedelegeerde

handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanpassing van bepaalde delen van de

bijlagen V, VI en VII aan een dergelijke wetenschappelijke en technologische vooruitgang.

In het geval van afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties kan dit

de vaststelling behelzen van criteria voor het toestaan van afwijkingen van de continue

monitoring van de totale uitstoot van stofdeeltjes.Het is van bijzonder belang dat de

Commissie tijdens de voorbereiding deskundigen raadpleegt, overeenkomstig de

toezeggingen die zijn gedaan in de Mededeling van de Commissie van 9 december 2009

betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking

van de Europese Unie.

(40) De lidstaten moeten regels vaststellen inzake de straffen die van toepassing zijn op

overtredingen van de nationale bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze richtlijn,

en erop toezien dat deze worden toegepast. Die straffen moeten doeltreffend, evenredig en

ontmoedigend zijn.

(41) Teneinde bestaande installaties voldoende tijd te gunnen voor technische aanpassingen aan

de nieuwe eisen van deze richtlijn, dienen sommige nieuwe eisen pas na een bepaalde

termijn vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn op die installaties van

toepassing te zijn. Stookinstallaties dienen over voldoende tijd te beschikken voor het

(42) Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een hoog niveau van milieu-

bescherming en een verbetering van de milieukwaliteit te garanderen, niet voldoende door

de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege het grensoverschrijdende

karakter van verontreiniging door industriële activiteiten, beter door de Unie kan worden

verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de

Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig

het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder

dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(43) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in

het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend. Met name beoogt

deze richtlijn de bevordering van de toepassing van artikel 37 van genoemd Handvest.

(44) De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt

tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De

verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige

richtlijnen.

(45) In overeenstemming met punt 34 van het interinstitutioneel akkoord inzake beter

wetgeven1 worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de

Unie hun eigen tabellen op te stellen, die, voor zover mogelijk, het verband weergeven

tussen de richtlijnen en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

(46) Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IX,

deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar

genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn bevat regels inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door

industriële activiteiten.

Zij bevat ook regels ter voorkoming en, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van emissies in

lucht, water en bodem en ter voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen, om een hoog niveau

van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken.

Artikel 2

Toepassingsgebied

  • 1. 
    Deze richtlijn is van toepassing op industriële activiteiten die de in de hoofdstukken II tot

en met VI bedoelde verontreiniging veroorzaken.

  • 2. 
    Deze richtlijn is niet van toepassing op onderzoeksactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten of

het testen van nieuwe producten en processen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

  • 1) 
    "stof": een chemisch element en de verbindingen daarvan, met uitzondering van de

volgende stoffen:

  • a) 
    radioactieve stoffen als omschreven in artikel 1 van Richtlijn 96/29/Euratom van de

Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van

de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling

verbonden gevaren1;

  • b) 
    genetisch gemodificeerde micro-organismen als omschreven in artikel 2, onder b),

van Richtlijn 2009/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009

inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen1;

  • c) 
    genetisch gemodificeerde organismen als omschreven in punt 2 van artikel 2, van

Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001

inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het

milieu2;

  • 2) 
    "verontreiniging": de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen,

trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de

milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, dan wel de

belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de

weg kan staan;

  • 3) 
    "installatie": een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I of in

deel 1 van bijlage VII vermelde activiteiten en processen alsmede andere op dezelfde

locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten

plaatsvinden die technisch in verband staan met de in die bijlagen vermelde activiteiten en

die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;

  • 4) 
    "emissie": de directe of indirecte uitstoot, uit puntbronnen of diffuse bronnen van de

installatie, van stoffen, trillingen, warmte of geluid in de lucht, het water of de bodem;

  • 5) 
    "emissiegrenswaarde": de massa, gerelateerd aan bepaalde specifieke parameters, de

concentratie en/of het niveau van een emissie die gedurende een of meer vastgestelde

perioden niet mogen worden overschreden;

  • 6) 
    "milieukwaliteitsnorm": alle eisen waaraan op een bepaald moment in een bepaald

milieucompartiment of een bepaald gedeelte daarvan moet worden voldaan

overeenkomstig de wetgeving van de Unie;

  • 7) 
    "vergunning": een schriftelijke machtiging om een installatie, een stookinstallatie, een

afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie, dan wel te exploiteren;

  • 8) 
    "belangrijke wijziging": een wijziging van de aard of de werking, dan wel een uitbreiding

van een installatie, een stookinstallatie, een afvalverbrandingsinstallatie of een

afvalmeeverbrandingsinstallatie die significante negatieve effecten kan hebben op de

gezondheid van de mens of op het milieu;

  • 9) 
    "beste beschikbare technieken": het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelings-

stadium van de activiteiten en exploitatiemethoden waarbij de praktische bruikbaarheid

van speciale technieken om het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere

vergunningsvoorwaarden te vormen is aangetoond, met het doel emissies en effecten op

het milieu in zijn geheel te voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, te beperken;

  • a) 
    "technieken": zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie

wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;

  • b) 
    "beschikbare": op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten

en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken

industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die

technieken al dan niet op het grondgebied van de betrokken lidstaat worden

toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarden

toegankelijk zijn;

  • c) 
    "beste": het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van

bescherming van het milieu in zijn geheel;

  • 10) 
    "BBT-referentiedocument": een document dat het resultaat is van de overeenkomstig

artikel 13 georganiseerde uitwisseling van informatie, dat is opgesteld voor wel-

omschreven activiteiten en met name een beschrijving geeft van toegepaste technieken,

huidige emissies en consumptieniveaus, technieken die in overweging worden genomen

voor de bepaling van beste beschikbare technieken, alsmede BBT-conclusies en eventuele

technieken in opkomst, met bijzondere aandacht voor de in bijlage III vermelde criteria;

  • 11) 
    "BBT-conclusies": een document bestaande uit die delen van een BBT-referentiedocument

met de conclusies over beste beschikbare technieken, de beschrijving ervan, gegevens ter

beoordeling van de toepasselijkheid ervan, de met de beste beschikbare technieken

geassocieerde emissieniveaus, de daarmee verbonden monitoring, de daarmee verbonden

consumptieniveaus en, in voorkomend geval, toepasselijke terreinsaneringsmaatregelen;

  • 12) 
    "met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus ": de bandbreedte van

emissieniveaus verkregen in normale bedrijfsomstandigheden met gebruikmaking van een

beste beschikbare techniek of een combinatie van beste beschikbare technieken als

omschreven in de BBT-conclusies, uitgedrukt als een gemiddelde over een bepaalde

periode, in specifieke referentieomstandigheden;

  • 13) 
    "techniek in opkomst": een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als zij

commercieel wordt ontwikkeld, hetzij een hoger algemeen beschermingsniveau voor het

milieu hetzij ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu en grotere

kostenbesparingen kan opleveren dan de bestaande beste beschikbare technieken;

  • 14) 
    "exploitant": elke natuurlijke of rechtspersoon die de installatie, de stookinstallatie, de

afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie geheel of gedeeltelijk

exploiteert of de controle daarover heeft, of, indien de nationale wetgeving in die

mogelijkheid voorziet, aan wie economische beschikkingsmacht over de technische

werking van de installatie is overgedragen;

  • 15) 
    "publiek": één of meer natuurlijke of rechtspersonen en, in overeenstemming met de

nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;

  • 16) 
    "betrokken publiek": publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of

belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of de bijstelling van een

vergunning of van vergunningsvoorwaarden; voor de toepassing van deze definitie worden

niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en aan de

eisen van het nationale recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn;

  • 17) 
    "gevaarlijke stoffen": stoffen of mengsels als omschreven in de punten 7 en 8 van artikel 2

van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van

16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en

mengsels1;

  • 18) 
    "situatierapport": informatie over de toestand inzake bodem- en grondwaterverontreiniging

door relevante gevaarlijke stoffen;

  • 19) 
    "grondwater": grondwater als omschreven in punt 2 van artikel 2 van Richtlijn 2000/60/EG

van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader

voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid2;

  • 20) 
    "bodem": de bovenste laag van de aardkorst die begrensd is door het vaste gesteente en het

aardoppervlak. De bodem bestaat uit minerale deeltjes, organisch materiaal, water, lucht en

levende organismen;

  • 21) 
    "milieu-inspectie": alle door of namens de bevoegde autoriteit ondernomen acties, met

inbegrip van bezoeken ter plaatse, controle van emissies en toetsing van interne rapporten

en follow-updocumenten, toetsing van het eigen controlesysteem, toetsing van de gebruikte

technieken en adequaatheid van het milieubeheer van de installatie, om na te gaan of en te

bevorderen dat installaties aan hun vergunningsvoorwaarden voldoen en om, indien nodig,

hun milieueffect te monitoren;

  • 22) 
    "pluimvee": pluimvee als omschreven in van punt 1, artikel 2, punt 1, van Richtlijn

90/539/EEG van de Raad van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke

voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen

van pluimvee en broedeieren1;

  • 23) 
    "brandstof": elke vaste, vloeibare of gasvormige brandbare stof;
  • 24) 
    "stookinstallatie": elk technisch toestel waarin brandstoffen worden geoxideerd teneinde de

aldus opgewekte warmte te gebruiken;

  • 25) 
    "schoorsteen": een structuur met een of meer rookgaskanalen voor de afvoer van

rookgassen met het oog op de uitstoot ervan in de lucht;

  • 26) 
    "bedrijfsuren": de tijd, uitgedrukt in uren, gedurende welke een stookinstallatie geheel of

gedeeltelijk in werking is en emissies in de lucht uitstoot, met uitzondering van de voor de

inwerkingstelling en stillegging benodigde tijd;

  • 27) 
    "ontzwavelingspercentage": de verhouding tussen de hoeveelheid zwavel die gedurende

een bepaalde periode door een stookinstallatie niet in de lucht wordt uitgestoten, en de

hoeveelheid zwavel in de vaste brandstof die in de stookinstallatie en de bijbehorende

voorzieningen wordt ingevoerd en in dezelfde periode door de installatie wordt verbruikt;

  • 28) 
    "inheemse vaste brandstof": een natuurlijk voorkomende vaste brandstof waarmee een

speciaal voor die brandstof ontworpen stookinstallatie wordt gevoed en die plaatselijk

  • 29) 
    "bepalende brandstof": van alle brandstoffen in gemengde stookinstallaties die distillatie-

en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in

combinatie met andere brandstoffen zelf verbruiken, de brandstof met de hoogste

emissiegrenswaarde als bedoeld in bijlage V, deel 1 of, in geval van meerdere brandstoffen

met dezelfde emissiegrenswaarde, de brandstof met het hoogste thermisch vermogen;

  • 30) 
    "biomassa":
  • a) 
    producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt

kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten;

  • b) 
    de volgende afvalstoffen:
  • i) 
    plantaardig afval uit land- en bosbouw;
  • ii) 
    plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, indien de opgewekte warmte

wordt teruggewonnen;

  • iii) 
    vezelachtig plantaardig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van

de productie van papier uit pulp; indien het op de plaats van productie wordt

meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;

  • iv) 
    kurkafval;
  • v) 
    houtafval, met uitzondering van houtafval dat ten gevolge van een behandeling

met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermings-

laag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan

bevatten wat in het bijzonder het geval is voor houtafval afkomstig van bouw-

en sloopafval;

  • 31) 
    "gemengde stookinstallatie": elke stookinstallatie die terzelfder tijd of beurtelings met twee

of meer brandstoffen kan worden gevoed;

  • 32) 
    "gasturbine": een roterende machine die thermische energie in arbeid omzet, in hoofdzaak

bestaande uit een compressor, een thermisch toestel waarin brandstof wordt geoxideerd om

het werkmedium te verhitten, en een turbine;

  • 33) 
    "gasmotor": een verbrandingsmotor die werkt volgens de ottocyclus en gebruik maakt van

vonkontsteking of, in het geval van dual-fuelmotoren, compressieontsteking om brandstof

te verbranden;

  • 34) 
    "dieselmotor": een verbrandingsmotor die werkt volgens de dieselcyclus en die gebruik

maakt van compressieontsteking om brandstof te verbranden;

  • 35) 
    "klein geïsoleerd systeem": een klein geïsoleerd systeem als omschreven in punt 26 van

artikel 2, van Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van

26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor

elektriciteit1;

  • 36) 
    "afval": afvalstof als omschreven in punt 1 van artikel 3 van Richtln 2008/98 /EG van het

Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen1;

  • 37) 
    "gevaarlijke afvalstoffen": gevaarlijke afvalstoffen als omschreven in punt 2 van artikel 3

van Richtln 2008/98 /EG;

  • 38) 
    "ongesorteerd stedelk afval": huishoudelk afval, alsmede bedrfs-, industrieel en

institutioneel afval dat qua aard en samenstelling te vergelken is met huishoudelk afval,

behoudens de in de bijlage van Beschikking 2000/532/EG2 onder 2001 genoemde fracties

die afzonderlk aan de bron worden ingezameld en de onder 2002 van die blage

genoemde andere afvalstoffen;

  • 39) 
    "afvalverbrandingsinstallatie": een vaste of mobiele technische eenheid en inrichting die

specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, al dan niet met

terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte, door de verbranding door

oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse,

vergassing en plasmaproces, voor zover de producten van de behandeling vervolgens

worden verbrand;

  • 40) 
    "afvalmeeverbrandingsinstallatie": een vaste of mobiele technische eenheid die in

hoofdzaak bestemd is voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële

producten waarin afval als normale of aanvullende brandstof wordt gebruikt, of waarin

afval thermisch wordt behandeld voor verwdering door de verbranding door oxidatie van

afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en

plasmaproces voor zover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand;

  • 41) 
    "nominale capaciteit": de gezamenlke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een

afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, zoals berekend

door de fabrikant en bevestigd door de exploitant, met inachtneming van de verbrandings-

waarde van het afval, uitgedrukt als de hoeveelheid afval die per uur kan worden verbrand;

  • 42) 
    "dioxinen en furanen": alle meervoudig gechloreerde dibenzo-p-dioxinen en

dibenzofuranen die in deel 2 van bijlage VI worden opgesomd;

  • 43) 
    "organische verbinding": een verbinding die ten minste het element koolstof bevat en

daarnaast een of meer van de volgende elementen: waterstof, halogenen, zuurstof, zwavel,

fosfor, silicium en stikstof, met uitzondering van koolstofoxiden en anorganische

carbonaten en bicarbonaten;

  • 44) 
    "vluchtige organische stof ": een organische verbinding alsook de fractie creosoot die bij

293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer of onder de specifieke gebruiks-

omstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;

  • 45) 
    "organisch oplosmiddel": een vluchtige organische stof die wordt gebruikt voor een van de

volgende doeleinden:

  • a) 
    om, alleen of in combinatie met andere stoffen en zonder een chemische verandering

te ondergaan, grondstoffen, producten of afvalmaterialen op te lossen;

  • b) 
    als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen;
  • c) 
    als verdunner;
  • d) 
    als dispergeermiddel;
  • e) 
    om de viscositeit aan te passen;
  • f) 
    om de oppervlaktespanning aan te passen;
  • g) 
    als weekmaker;
  • h) 
    als conserveermiddel;
  • 46) 
    "coating": coating als omschreven in punt 8 van artikel 2 van Richtlijn 2004/42/EG van het

Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van

vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in

bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen1.

Artikel 4

Vergunningsplicht

  • 1. 
    De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat geen installatie,

stookinstallatie, afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt

geëxploiteerd zonder een vergunning.

In afwijking van de eerste alinea mogen de lidstaten een procedure vaststellen voor de

registratie van uitsluitend onder hoofdstuk V vallende installaties.

De registratieprocedure wordt vastgelegd in een bindend besluit en behelst ten minste een

kennisgeving van de exploitant aan de bevoegde autoriteit van zijn voornemen een

installatie te exploiteren.

  • 2. 
    De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid, dat een vergunning betrekking heeft op

twee of meer installaties of delen van installaties die door dezelfde exploitant op dezelfde

locatie worden geëxploiteerd.

Wanneer een vergunning betrekking heeft op twee of meer installaties, bevat zij

voorwaarden om te waarborgen dat elke installatie aan de eisen van deze richtlijn voldoet.

  • 3. 
    De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een vergunning betrekking heeft op

meerdere delen van een door verschillende exploitanten geëxploiteerde installatie. In

dergelijke gevallen vermeldt de vergunning de verantwoordelijkheden van elke exploitant.

Artikel 5

Verlening van vergunningen

  • 1. 
    Onverminderd andere eisen op grond van nationale voorschriften of voorschriften van de

Unie verleent de bevoegde autoriteit een vergunning, indien de installatie voldoet aan de

eisen van deze richtlijn.

  • 2. 
    De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de vergunningsprocedures en

-voorwaarden ten volle worden gecoördineerd wanneer verschillende bevoegde autoriteiten

of verschillende exploitanten bij die procedures betrokken zijn of wanneer verschillende

vergunningen worden afgegeven, zulks met het oog op een doeltreffende geïntegreerde

aanpak door alle autoriteiten die voor de procedure bevoegd zijn.

  • 3. 
    In het geval van een nieuwe installatie of een belangrijke wijziging waarop artikel 4 van

Richtlijn 85/337/EEG van toepassing is, moeten voor de verlening van de vergunning alle

ingevolge de toepassing van de artikelen 5, 6, 7 en 9 van die richtlijn verkregen relevante

gegevens en conclusies worden onderzocht en benut.

Artikel 6

Algemene bindende voorschriften

Onverminderd de verplichting om over een vergunning te beschikken, kunnen de lidstaten voor

bijzondere categorieën installaties, stookinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties of

afvalmeeverbrandingsinstallaties bijzondere verplichtingen opnemen in algemene bindende

voorschriften.

Wanneer algemene bindende voorschriften worden vastgesteld, volstaat het dat in de vergunning

een verwijzing naar die voorschriften wordt opgenomen.

Artikel 7

Incidenten en ongevallen

Onverminderd Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004

betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van

milieuschade1 treffen de lidstaten in geval van incidenten of ongevallen die het milieu significant

beïnvloeden, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat:

  • a) 
    de exploitant de bevoegde autoriteit onmiddellijk op de hoogte stelt;
  • b) 
    de exploitant onmiddellijk maatregelen treft om de gevolgen voor het milieu te beperken

en om verdere mogelijke ongevallen en incidenten te voorkomen;

  • c) 
    de bevoegde autoriteit de exploitant ertoe verplicht alle passende aanvullende maatregelen

te nemen die volgens de bevoegde autoriteit nodig zijn om de gevolgen voor het milieu te

beperken en om verdere mogelijke ongevallen en incidenten te voorkomen.

Artikel 8

Niet-naleving

  • 1. 
    De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat: de

vergunningsvoorwaarden worden nageleefd.

  • 2. 
    In geval van een inbreuk op de vergunningsvoorwaarden, zorgen de lidstaten ervoor dat:
  • a) 
    de exploitant de bevoegde autoriteit onmiddellijk op de hoogte stelt;
  • b) 
    de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat op

een zo kort mogelijke termijn weer aan de voorwaarden wordt voldaan;

  • c) 
    de bevoegde autoriteit de exploitant verplicht alle passende aanvullende maatregelen

te nemen die volgens de bevoegde autoriteit nodig zijn om ervoor te zorgen dat weer

aan de voorwaarden wordt voldaan.

Indien de inbreuk op de vergunningsvoorwaarden een direct gevaar voor de menselijke

gezondheid oplevert of onmiddellijke en significante nadelige gevolgen voor het milieu

dreigt te hebben, en zolang niet gewaarborgd kan worden dat overeenkomstig de punten b)

en c) van de eerste alinea weer aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt de exploitatie

van de installatie, stookinstallatie, afvalverbrandingsinstallatie, afvalmeeverbrandings-

installatie of het respectieve betrokken deel ervan opgeschort.

Artikel 9

Emissies van broeikasgassen

  • 1. 
    Wanneer broeikasgasemissies uit een installatie in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG in

verband met een in die installatie verrichte activiteit worden vermeld, omvat de vergunning

geen emissiegrenswaarde voor directe emissies van dat gas, tenzij zulks noodzakelijk is om

te verzekeren dat er geen significante plaatselijke verontreiniging wordt veroorzaakt.

  • 2. 
    Wat betreft de in bijlage I van Richtlijn 2003/87/EG genoemde activiteiten kunnen de

lidstaten ervoor kiezen om geen voorschriften inzake energie-efficiëntie op te leggen voor

verbrandingseenheden of andere eenheden die ter plaatse kooldioxide uitstoten.

  • 3. 
    Zo nodig wijzigen de bevoegde autoriteiten de vergunning op gepaste wijze.
  • 4. 
    De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing op installaties die overeenkomstig

artikel 27 van Richtlijn 2003/87/EG tijdelijk zijn uitgesloten van de regeling van de Unie

voor de handel in broeikasgasemissierechten.

HOOFDSTUK II

Bijzondere bepalingen voor de

in bijlage I genoemde activiteiten

Artikel 10

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op de in bijlage I gespecificeerde activiteiten voor zover zij, indien

van toepassing, de in die bijlage gespecificeerde capaciteitsdrempelwaarden bereiken.

Artikel 11

Algemene beginselen van de fundamentele verplichtingen van de exploitant

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de installaties worden geëxploiteerd

overeenkomstig de volgende beginselen:

  • a) 
    alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen;
  • b) 
    de beste beschikbare technieken worden toegepast;
  • c) 
    er wordt geen significante verontreiniging veroorzaakt;
  • e) 
    waar toch afvalstoffen worden voorgebracht, moeten zij in prioriteitsvolgorde en

overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG, worden voorbereid voor hergebruik, gerecycleerd,

teruggewonnen of, wanneer dat technisch en economisch onmogelijk is, zodanig worden

verwijderd dat milieu-effecten worden voorkomen of beperkt;

  • f) 
    de energie wordt op doelmatige wijze gebruikt;
  • g) 
    de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen

daarvan te beperken;

  • h) 
    bij de definitieve stopzetting van de activiteiten worden de nodige maatregelen getroffen

om elk risico van verontreiniging te voorkomen en het bedrijfsterrein weer in de

overeenkomstig artikel 22 omschreven bevredigende toestand te brengen.

Artikel 12

Aanvraag van een vergunning

  • 1. 
    De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de aanvraag van een

vergunning een beschrijving bevat van de volgende elementen:

  • a) 
    de installatie en de activiteiten die daar plaatsvinden;
  • b) 
    de grondstoffen en hulpmaterialen, andere stoffen en energie die in de installatie

worden gebruikt of door de installatie worden gegenereerd;

  • d) 
    de toestand van het terrein van de installatie;
  • e) 
    in voorkomend geval, een situatierapport overeenkomstig artikel 22, lid 2;
  • f) 
    aard en omvang van de te voorziene emissies van de installatie in elk milieu-

compartiment, met een overzicht van de significante milieueffecten van de emissies;

  • g) 
    de beoogde technologie en de andere technieken ter voorkoming of, indien dat niet

mogelijk is, ter vermindering van de emissies van de installatie;

  • h) 
    de maatregelen betreffende de preventie, de voorbereiding voor hergebruik, de

recycling en de terugwinning van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;

  • i) 
    de andere maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan de algemene

beginselen van de fundamentele verplichtingen van de exploitant, bedoeld in

artikel 11;

  • j) 
    de maatregelen die worden getroffen ter controle van de emissies in het milieu;
  • k) 
    een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de

voorgestelde technologie, technieken en maatregelen.

De aanvraag van een vergunning dient een niet-technische samenvatting van de in de

eerste alinea genoemde gegevens te bevatten.

  • 2. 
    Indien aan één van de eisen van lid 1 kan worden voldaan met gegevens overeenkomstig

de eisen van Richtlijn 85/337/EEG of met een veiligheidsrapport als bedoeld in Richtlijn

96/82/EG, dan wel met andere informatie, verstrekt overeenkomstig andere wetgeving,

kunnen die gegevens in de vergunningsaanvraag worden opgenomen of daarbij worden

gevoegd.

Artikel 13

BBT-referentiedocumenten en uitwisseling van informatie

  • 1. 
    Teneinde de BBT-referentiedocumenten op te stellen, te evalueren en waar nodig te

actualiseren organiseert de Commissie de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten,

de betrokken bedrijfstakken, niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor

milieubescherming, en de Commissie.

  • 2. 
    De uitwisseling van informatie heeft met name betrekking op:
  • a) 
    de prestaties van installaties en technieken wat betreft emissies uitgedrukt als

gemiddelden over de korte en de lange termijn, naar gelang van het geval, en de

daarmee samenhangende referentieomstandigheden, verbruik en aard van de

grondstoffen, waterverbruik, energieverbruik en afvalproductie;

  • b) 
    de gebruikte technieken, de daarmee samenhangende monitoring, de effecten op alle

milieucompartimenten, de economische en technische levensvatbaarheid en de

  • c) 
    beste beschikbare technieken en technieken in opkomst die worden vastgesteld na

bestudering van de onder a) en b) vermelde punten.

  • 3. 
    De Commissie richt een forum op en roept dat op gezette tijden bijeen, bestaande uit

vertegenwoordigers van de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken en niet-gouvernementele

organisaties die zich inzetten voor milieubescherming.

De Commissie wint het advies van het forum in over de praktische regeling van de

informatie-uitwisseling en met name over:

  • a) 
    het reglement van orde van het forum;
  • b) 
    het werkprogramma voor de informatie-uitwisseling;
  • c) 
    richtsnoeren over het verzamelen van gegevens;
  • d) 
    richtsnoeren over de opstelling van BBT-referentiedocumenten en over de

kwaliteitswaarborging ervan, inclusief de geschiktheid van de inhoud en de structuur

van de documenten.

Rekening houdend met het advies van het forum worden de in de punten c) en d) van de

tweede alinea bedoelde richtsnoeren aangenomen overeenkomstig de in artikel 75, lid 2,

bedoelde regelgevingsprocedure.

  • 4. 
    De Commissie wint het advies van het forum in over de voorgestelde inhoud van de BBT-

referentiedocumenten, en houdt met dit advies rekening bij de in lid 5 vastgestelde

procedures.

  • 5. 
    Besluiten met betrekking tot de BBT-conclusies worden vastgesteld volgens de in

artikel 75, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

  • 6. 
    Na de aanneming van een besluit overeenkomstig lid 5 maakt de Commissie de BBT-

referentiedocumenten onmiddellijk toegankelijk voor het publiek.

  • 7. 
    In afwachting van de aanneming van een besluit ter zake overeenkomstig lid 5, gelden de

conclusies over de beste praktijken afkomstig van BBT-referentiedocumenten die door de

Commissie vóór de in artikel 83 bedoelde datum zijn aangenomen als BBT-conclusies

voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 15, leden 3 en 4.

Artikel 14

Vergunningsvoorwaarden

  • 1. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat de vergunning alle maatregelen omvat die ter vervulling van

de voorwaarden van de artikelen 11 en 18 nodig zijn.

Die maatregelen behelzen ten minste de volgende elementen:

  • a) 
    emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen van bijlage II en voor andere

verontreinigende stoffen die in significante hoeveelheden uit de betrokken installatie

kunnen vrijkomen, gelet op hun aard en hun potentieel voor overdracht van

verontreiniging tussen milieucompartimenten;

  • b) 
    passende voorschriften ter bescherming van bodem en grondwater, en maatregelen

voor de monitoring en het beheer van de door de installatie voortgebrachte

afvalstoffen;

  • c) 
    passende eisen voor de monitoring van de emissies, met vermelding:
  • i) 
    van de meetmethode, de frequentie en de procedure voor de evaluatie van de

metingen, alsmede

  • ii) 
    wanneer artikel 15, lid 3, onder b), wordt toegepast, dat de resultaten van de

monitoring van emissies beschikbaar zijn voor dezelfde termijn en

  • d) 
    de verplichting de bevoegde autoriteit regelmatig en ten minste jaarlijks in kennis te

stellen van:

  • i) 
    informatie op basis van de resultaten van de onder c) bedoelde monitoring van

de emissies en van andere gegevens aan de hand waarvan de bevoegde

autoriteit de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen, en

  • ii) 
    wanneer artikel 15, lid 3, onder b), wordt toegepast, een overzicht van de

resultaten van de monitoring van emissies dat een vergelijking mogelijk maakt

met de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus;

  • e) 
    passende eisen voor het regelmatig bijhouden en bewaken van maatregelen die

worden genomen ter voorkoming van emissies in de bodem en het grondwater

overeenkomstig punt b), en passende eisen inzake de periodieke monitoring van

bodem en grondwater met betrekking tot relevante gevaarlijke stoffen die op het

terrein kunnen worden aangetroffen, rekening houdend met de mogelijkheid van

bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie;

  • f) 
    maatregelen inzake andere dan normale bedrijfsomstandigheden, zoals opstarten,

lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging;

  • g) 
    bepalingen betreffende de minimalisering van grootschalige of grensoverschrijdende

verontreinigingen;

  • h) 
    voorwaarden voor het beoordelen van de naleving van de emissiegrenswaarden of

een verwijzing naar de elders omschreven toepasselijke eisen.

  • 2. 
    Voor de toepassing van lid 1, onder a), kunnen de grensemissiewaarden worden aangevuld

of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen die

een gelijkwaardig niveau van milieubescherming garanderen.

  • 3. 
    De BBT- conclusies vormen de referentie voor de vaststelling van de vergunnings-

voorwaarden.

  • 4. 
    Onverminderd artikel 18 kan het de bevoegde autoriteit worden toegestaan strengere

vergunningsvoorwaarden vast te stellen dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken

van de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-conclusies.

  • 5. 
    Indien de bevoegde autoriteit vergunningsvoorwaarden vaststelt op basis van een beste

beschikbare techniek die niet in een van de desbetreffende BBT-conclusies staat

beschreven, zorgt zij ervoor dat:

  • a) 
    de techniek wordt bepaald met bijzondere aandacht voor de in bijlage III vermelde

criteria; en

  • b) 
    er voldaan is aan de voorschriften van artikel 15.

Indien de in de eerste alinea genoemde BBT-conclusies geen met de beste beschikbare

technieken geassocieerde emissieniveaus bevatten, zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat

de in de eerste alinea bedoelde methode een niveau van milieubescherming garandeert dat

gelijkwaardig is aan dat van de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-

conclusies.

  • 6. 
    Indien op een activiteit of op een type productieproces in een installatie geen BBT-

conclusies van toepassing zijn of indien die conclusies niet alle mogelijke milieueffecten

van de activiteit of het proces behandelen, stelt de bevoegde autoriteit op basis van de beste

beschikbare technieken die zij voor de betrokken activiteiten of processen heeft bepaald,

de vergunningsvoorwaarden vast, met bijzondere aandacht voor de criteria van bijlage III.

  • 7. 
    Op de in punt 6.6 van bijlage I bedoelde installaties zijn de leden 1 tot en met 6 van dit

artikel van toepassing, onverminderd de wetgeving inzake dierenwelzijn.

Artikel 15

Emissiegrenswaarden, gelijkwaardige parameters

en technische maatregelen

  • 1. 
    De emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen gelden op het punt waar de

emissies de installatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een

eventuele voorafgaande verdunning.

Voor indirecte lozingen van verontreinigende stoffen in water mag bij de bepaling van de

emissiegrenswaarden van de betrokken installatie rekening worden gehouden met het

effect van een waterzuiveringsinstallatie, op voorwaarde dat een equivalent niveau van

bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat zulks niet leidt tot een

hogere belasting van het milieu.

  • 2. 
    Onverminderd artikel 18 zijn de emissiegrenswaarden en de gelijkwaardige parameters en

de technische maatregelen, bedoeld in artikel 14, leden 1 en 2, gebaseerd op de beste

beschikbare technieken, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of

technologie wordt voorgeschreven.

  • 3. 
    De bevoegde autoriteit stelt emissiegrenswaarden vast die waarborgen dat de emissies

onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met de beste beschikbare

technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in de in artikel 13, lid 5,

bedoelde besluiten over BBT-conclusies, door:

  • a) 
    emissiegrenswaarden vast te stellen die niet hoger zijn dan de met de beste

beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus. Die emissiegrenswaarden

worden uitgedrukt voor dezelfde of kortere periodes en voor dezelfde

referentieomstandigheden als die met de beste beschikbare technieken geassocieerde

emissieniveaus; of

  • b) 
    emissiegrenswaarden vast te stellen die, wat betreft waarden, perioden en

referentieomstandigheden, verschillen van de onder punt a) bedoelde emissie-

grenswaarden.

Wanneer punt b) wordt toegepast, beoordeelt de bevoegde autoriteit ten minste jaarlijks de

resultaten van de monitoring van de emissies, teneinde na te gaan of de emissies in

normale bedrijfsomstandigheden niet hoger waren dan de met de beste beschikbare

technieken geassocieerde emissieniveaus.

  • 4. 
    In afwijking van lid 3 mag de bevoegde autoriteit in specifieke gevallen, op basis van een

beoordeling van de economische en milieukosten en baten, rekening houdend met de

technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie en de

plaatselijke milieuomstandigheden, emissiegrenswaarden vaststellen die afwijken van de

overeenkomstig lid 3 vastgestelde emissiegrenswaarden.

De bevoegde autoriteit geeft de redenen voor de toepassing van de eerste alinea, inclusief

het resultaat van de beoordeling en de motivering van de opgelegde voorwaarden.

De emissiegrenswaarden mogen echter niet hoger zijn dan de eventueel toepasselijke, in de

bijlagen V tot en met VIII vastgestelde grenswaarden.

De Commissie kan richtsnoeren verstrekken over de criteria die in acht genomen moeten

worden voor de toepassing van dit lid.

Bij iedere toetsing van de vergunningsvoorwaarden overeenkomstig artikel 21 toetsen de

bevoegde autoriteiten opnieuw de toepassing van de eerste alinea.

  • 5. 
    De bevoegde autoriteit kan voor een totale periode van ten hoogste negen maanden

tijdelijke vrijstellingen van de eisen van lid 2 en lid 3 van dit artikel en van artikel 11,

eerste alinea, onder a) en b), verlenen voor het testen en gebruiken van technieken in

opkomst, op voorwaarde dat na de vermelde periode hetzij met de techniek wordt gestopt,

hetzij met de activiteit in kwestie de met de beste beschikbare technieken geassocieerde

emissieniveaus in elk geval niet worden overschreden.

Artikel 16

Eisen inzake monitoring

  • 1. 
    De in artikel 14, lid 1, onder c), bedoelde eisen inzake monitoring worden in voorkomend

geval gebaseerd op de in de BBT-conclusies beschreven conclusies inzake monitoring.

  • 2. 
    De frequentie van de in artikel 14, lid 1, onder e), bedoelde periodieke monitoring wordt

door de bevoegde autoriteit vastgesteld in een vergunning voor elke afzonderlijke

installatie of in algemene bindende voorschriften.

Onverminderd de eerste alinea wordt de periodieke monitoring ten minste eenmaal om de

vijf jaar voor grondwater en ten minste eenmaal om de tien jaar voor de bodem uitgevoerd,

tenzij de monitoring is gebaseerd op een systematische evaluatie van het risico op

verontreiniging.

Artikel 17

Algemene bindende voorschriften

Bij de vaststelling van algemene bindende voorschriften als bedoeld in artikel 6 zorgen de lidstaten

voor een geïntegreerde aanpak en garanderen zij een hoog niveau van bescherming van het milieu

dat gelijkwaardig is aan het niveau dat door middel van individuele vergunningsvoorwaarden tot

stand kan worden gebracht. De lidstaten zien erop toe dat de algemene bindende voorschriften

gelijke tred houden met de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken.

Artikel 18

Milieukwaliteitsnormen

Indien met het oog op een milieukwaliteitsnorm strengere voorwaarden moeten gelden dan die

welke door toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar zijn, moeten in de vergunning

extra voorwaarden worden gesteld, onverminderd andere maatregelen die getroffen kunnen worden

om aan de milieukwaliteitsnormen te voldoen.

Artikel 19

Ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken

De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteit de ontwikkelingen op het gebied van de

beste beschikbare technieken en de bekendmaking van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies volgt

Artikel 20

Wijzigingen van installaties door de exploitanten

  • 1. 
    De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de exploitant de

bevoegde autoriteit in kennis stelt van elke geplande wijziging van de aard of de werking,

of van een uitbreiding van de installatie die gevolgen kan hebben voor het milieu. Zo nodig

stelt de bevoegde autoriteit de vergunning bij.

  • 2. 
    De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een door de exploitant

beoogde belangrijke wijziging niet geschiedt zonder een vergunning overeenkomstig deze

richtlijn.

De aanvraag van een vergunning en het besluit van de bevoegde autoriteit dienen

betrekking te hebben op de delen van de installatie en de in artikel 12 opgesomde punten

waarop de belangrijke wijziging van invloed kan zijn.

  • 3. 
    Elke wijziging van de aard of de werking of elke uitbreiding van een installatie wordt

geacht belangrijk te zijn, indien de wijziging of uitbreiding op zich de in bijlage I

genoemde capaciteitsdrempelwaarden bereikt.

Artikel 21

Toetsing en bijstelling van de vergunningsvoorwaarden

door de bevoegde autoriteit

  • 1. 
    De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteit

alle vergunningsvoorwaarden geregeld toetst overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 en

deze bijstelt als dat nodig is om de naleving van deze richtlijn te garanderen.

  • 2. 
    Op verzoek van de bevoegde autoriteit legt de exploitant alle gegevens over die voor de

toetsing van de vergunningsvoorwaarden noodzakelijk zijn, waaronder met name

resultaten van de monitoring van emissies en andere gegevens die een vergelijking

mogelijk maken van de werking van de installatie met de beste beschikbare technieken

zoals beschreven in de toepasselijke BAT-conclusies en met de met de beste beschikbare

technieken geassocieerde emissieniveaus.

Bij de toetsing van de vergunningsvoorwaarden maakt de bevoegde autoriteit gebruik van

eventuele bij de monitoring of bij inspecties verkregen gegevens.

  • 3. 
    Binnen vijf jaar na de bekendmaking van overeenkomstig artikel 13, lid 5, genomen

besluiten over BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van een installatie, ziet de

bevoegde autoriteit erop toe dat:

  • a) 
    alle vergunningsvoorwaarden voor de betrokken installatie worden getoetst en,

indien noodzakelijk, geactualiseerd om ervoor te zorgen dat de voorschriften van

deze richtlijn en, met name, artikel 15, leden 3 en 4, indien van toepassing, worden

nageleefd;

  • b) 
    de installatie aan die vergunningsvoorwaarden voldoet.

Bij de toetsing worden alle nieuwe of herziene BBT-conclusies in aanmerking genomen

die voor de installatie gelden en die sinds de afgifte of de laatste toetsing van de

vergunning zijn aangenomen overeenkomstig artikel 13, lid 5.

  • 4. 
    Indien op een installatie geen van de BBT-conclusies van toepassing is, worden de

vergunningsvoorwaarden getoetst en indien nodig bijgesteld, wanneer ontwikkelingen op

het gebied van de beste beschikbare technieken een significante vermindering van de

emissies mogelijk maken.

  • 5. 
    De vergunningsvoorwaarden worden getoetst en zo nodig bijgewerkt in ten minste de

volgende gevallen:

  • a) 
    de door de installatie veroorzaakte verontreiniging is van dien aard dat de bestaande

emissiegrenswaarden in de vergunning gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden in

de vergunning opgenomen moeten worden;

  • b) 
    bedrijfsveiligheid vereist de toepassing van andere technieken;
  • c) 
    indien aan een nieuwe of herziene milieukwaliteitsnorm overeenkomstig artikel 18

moet worden voldaan.

Artikel 22

Sluiting van terreinen

  • 1. 
    Onverminderd Richtlijn 2006/60/EG , Richtlijn 2004/35/EG, Richtlijn 2006/118/EG van

het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van

het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand1, en onverminderd

desbetreffende wetgeving van de Unie inzake bodembescherming, stelt de bevoegde

autoriteit vergunningsvoorwaarden vast om de toepassing van de leden 3 en 4 van dit

artikel te garanderen wanneer de activiteiten definitief worden stopgezet.

  • 2. 
    Wanneer de activiteit gepaard gaat met het gebruik, de productie of de uitstoot van

relevante gevaarlijke stoffen, stelt de exploitant, rekening houdend met de mogelijkheid

van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie, een

situatierapport op en dient hij dit in bij de bevoegde autoriteit voordat de exploitatie van de

installatie begint of de vergunning voor de installatie voor het eerst na ...* wordt bijgesteld.

Het situatierapport bevat de informatie die nodig is om de toestand van de bodem- en

grondwaterverontreiniging te bepalen, teneinde een gekwantificeerde vergelijking te

kunnen maken met de toestand nadat de activiteiten definitief zijn stopgezet als bedoeld in

lid 3.

Het situatierapport bevat ten minste de volgende informatie:

  • a) 
    informatie over het huidige en, indien beschikbaar, eerdere gebruik van het terrein;
  • b) 
    indien beschikbaar, bestaande informatie over bodem- en grondwatermetingen die de

toestand weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe

bodem- en grondwatermetingen met het oog op de mogelijkheid van bodem- en

grondwaterverontreiniging door de gevaarlijke stoffen die door de betrokken

installatie moeten worden gebruikt of geproduceerd of zijn vrijgekomen.

Indien overeenkomstig andere nationale wetgeving of wetgeving van de Unie

geproduceerde informatie voldoet aan de eisen van dit lid, kan deze informatie worden

opgenomen in, of gehecht aan, het ingediende situatierapport.

De Commissie stelt richtsnoeren op met betrekking tot de inhoud van het situatierapport.

  • 3. 
    Wanneer de activiteiten definitief worden stopgezet, beoordeelt de exploitant de toestand

van de bodem- en grondwaterverontreiniging door relevante gevaarlijke stoffen die door de

installatie zijn gebruikt of geproduceerd of die zijn vrijgekomen. Als de installatie, in

vergelijking met de toestand zoals vastgesteld in het in lid 2 bedoelde situatierapport,

significante verontreiniging van de bodem of het grondwater met relevante gevaarlijke

stoffen heeft veroorzaakt, neemt de exploitant de maatregelen die nodig zijn om deze

verontreiniging aan te pakken en het terrein in die toestand te herstellen. Daartoe mag de

technische haalbaarheid van dergelijke maatregelen in aanmerking worden genomen.

Onverminderd de eerste alinea neemt de exploitant bij de definitieve stopzetting van de

activiteiten, wanneer de verontreiniging van de bodem en het grondwater op het terrein een

significant risico voor de menselijke gezondheid en het milieu vormt als gevolg van de

vergunde activiteiten die door de exploitant zijn uitgeoefend voordat de vergunning voor

de installatie voor het eerst na ...* wordt bijgesteld en rekening houdend met de

omstandigheden van het terrein zoals die overeenkomstig artikel 12, lid 1, punt d), zijn

vastgesteld, de nodige maatregelen die gericht zijn op de verwijdering, beheersing,

inperking of vermindering van relevante gevaarlijke stoffen, zodat het terrein, rekening

houdend met het huidige of het goedgekeurde toekomstige gebruik ervan, niet langer een

dergelijke risico vormt.

  • 4. 
    Als de exploitant niet verplicht is een situatierapport als bedoeld in lid 2 op te stellen,

neemt hij, bij de definitieve stopzetting van de activiteiten, de nodige maatregelen die

gericht zijn op de verwijdering, beheersing, inperking of vermindering van relevante

gevaarlijke stoffen zodat het terrein, rekening houdend met het huidige of het

goedgekeurde toekomstige gebruik ervan, niet langer een significant risico vormt voor de

menselijke gezondheid of het milieu door de verontreiniging van de bodem en het

grondwater als gevolg van de vergunde activiteiten, met inachtneming van de

omstandigheden van het terrein van de installatie als vastgesteld overeenkomstig artikel 12,

lid 1, onder d).

Artikel 23

Milieu-inspecties

  • 1. 
    De lidstaten zetten een systeem van milieu-inspecties van installaties op voor het

onderzoek van het volledige spectrum van relevante milieueffecten van de betrokken

installaties.

De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitanten de bevoegde autoriteiten alle noodzakelijke

assistentie verlenen om die autoriteiten in staat te stellen bezoeken ter plaatse uit te voeren,

monsters te nemen en de informatie te verzamelen die nodig is voor het vervullen van hun

taken in het kader van deze richtlijn.

  • 2. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat er voor alle installaties een milieu-inspectieplan op

nationaal, regionaal of plaatselijk niveau is en zien erop toe dat dit plan geregeld wordt

getoetst en, waar nodig, bijgewerkt.

  • 3. 
    Elk milieu-inspectieplan omvat de volgende elementen:
  • a) 
    een algemene beoordeling van de relevante en significante milieuaspecten;
  • b) 
    het geografisch gebied waarop het inspectieplan betrekking heeft;
  • c) 
    een register van de installaties waarop het plan betrekking heeft;
  • d) 
    procedures voor het opstellen van programma's voor routinematige milieu-inspecties

overeenkomstig lid 4;

  • e) 
    procedures voor niet-routinematige milieu-inspecties overeenkomstig lid 5;
  • f) 
    voor zover nodig, bepalingen inzake samenwerking tussen verschillende inspectie-

instanties.

  • 4. 
    Op basis van de inspectieplannen stelt de bevoegde autoriteit geregeld programma"s voor

routinematige milieu-inspecties op, waarbij de frequentie van de bezoeken ter plaatse voor

de verschillende types installaties wordt vermeld.

De periode tussen twee bezoeken ter plaatse wordt gebaseerd op een systematische

evaluatie van de milieurisico's van de betrokken installaties en beloopt ten hoogste één jaar

voor installaties met de grootste risico's en drie jaar voor installaties met de kleinste

risico's.

De systematische evaluatie van de milieurisico's wordt gebaseerd op ten minste de

volgende criteria:

  • a) 
    de potentiële en de reële gevolgen van de betrokken installaties voor de gezondheid

van de mens en voor het milieu, rekening houdend met de emissieniveaus en de

soorten emissies, de gevoeligheid van het plaatselijke milieu en het risico van

ongevallen:

  • b) 
    de naleving tot dusverre van de vergunningsvoorwaarden;
  • c) 
    deelname aan het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie (EMAS).
  • 5. 
    Niet-routinematige milieu-inspecties worden uitgevoerd om ernstige milieuklachten,

ernstige milieuongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving zo snel mogelijk en in

voorkomend geval vóór de afgifte, toetsing of bijstelling van een vergunning te

onderzoeken.

  • 6. 
    Na elk bezoek ter plaatse stelt de bevoegde autoriteit een verslag op waarin de relevante

bevindingen ten aanzien van de naleving van de vergunningsvoorwaarden door de

installatie en de conclusies ten aanzien van de eventuele noodzaak van verdere maatregelen

worden neergelegd.

Het ontwerp-verslag wordt aan de betrokken exploitant toegezonden en het eindverslag

wordt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van

28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie1 binnen drie

maanden nadat het bezoek ter plaatse heeft plaatsgevonden, openbaar gemaakt.

Onverminderd artikel 8, lid 2, ziet de bevoegde autoriteit erop toe dat de exploitant binnen

een redelijke termijn alle in het verslag vermelde noodzakelijke maatregelen neemt.

Artikel 24

Toegang tot informatie en deelneming van het publiek aan de vergunningsprocedure

  • 1. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat het betrokken publiek in een vroeg stadium reële

mogelijkheden tot inspraak krijgt bij de volgende procedures:

  • a) 
    de afgifte van een vergunning voor nieuwe installaties;
  • b) 
    de afgifte van een vergunning voor een belangrijke wijziging;
  • c) 
    de bijstelling van een vergunning of van de vergunningsvoorwaarden voor een

installatie overeenkomstig artikel 21, lid 5, onder a).

De procedure beschreven in bijlage IV is op deze inspraak van toepassing.

  • 2. 
    Wanneer een besluit over de verlening, toetsing of bijstelling van een vergunning is

genomen, stelt de bevoegde autoriteit het publiek onder meer via het internet de volgende

informatie met betrekking tot de punten a) en b) ter beschikking:

  • a) 
    de inhoud van het besluit, waaronder een afschrift van de vergunning en eventuele

latere bijstellingen;

  • b) 
    de redenen waarop het besluit is gebaseerd;
  • c) 
    de resultaten van de inspraak die aan het nemen van het besluit vooraf is gegaan en

een toelichting van de manier waarop daarmee rekening is gehouden in dat besluit;

  • d) 
    de titel van de BBT-referentiedocument die voor de betrokken installatie of activiteit

relevant zijn;

  • e) 
    de manier waarop de vergunningsvoorwaarden, waaronder de emissiegrenswaarden,

zijn vastgesteld in relatie tot de beste beschikbare technieken en de daarmee

geassocieerde emissieniveaus;

  • f) 
    indien artikel 15, lid 4, wordt toegepast, de redenen voor die toepassing

overeenkomstig artikel 15, lid 4, tweede alinea;

  • 3. 
    De bevoegde autoriteit stelt eveneens de volgende informatie ter beschikking van het

publiek;

  • a) 
    relevante informatie over de maatregelen die de exploitant overeenkomstig artikel 22

bij de definitieve stopzetting van de activiteiten heeft genomen;

  • b) 
    de in het bezit van de bevoegde autoriteit zijnde resultaten van de emissiemonitoring

zoals vereist in de vergunningsvoorwaarden.

  • 4. 
    De leden 1, 2 en 3 zijn van toepassing met inachtneming van de beperkingen in artikel 4,

leden 1 en 2, van Richtlijn 2003/4/EG.

Artikel 25

Toegang tot de rechter

  • 1. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale

rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of

een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele

rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder artikel 24 aan te

vechten, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a) 
    zij hebben een voldoende belang;
  • b) 
    zij stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, voorzover het bestuursprocesrecht van

een lidstaat dit als voorwaarde stelt.

  • 2. 
    De lidstaten bepalen in welk stadium de besluiten, de handelingen of het nalaten kunnen

worden aangevochten.

  • 3. 
    Wat als een voldoende belang en als een inbreuk op een recht geldt, wordt bepaald door de

lidstaten in het licht van de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te

verlenen.

Te dien einde wordt het belang van een niet-gouvernementele organisatie die zich inzet

voor milieubescherming en die voldoet aan alle vereisten krachtens de nationale

wetgeving, geacht voldoende te zijn in de zin van lid 1, onder a).

Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden

gemaakt in de zin van lid 1, onder b).

  • 4. 
    De bepalingen van de leden 1, 2 en 3 sluiten de mogelijkheid van een voorafgaande

toetsingsprocedure voor een bestuursorgaan niet uit en laten het vereiste onverlet dat de

administratieve toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een

rechterlijke instantie kan worden ingesteld, voorzover een dergelijk vereiste geldt naar

nationaal recht.

Een dergelijke procedure moet eerlijk, billijk en snel zijn en mag niet buitensporig kostbaar

zijn.

  • 5. 
    De lidstaten dragen er zorg voor dat het publiek praktische informatie wordt verstrekt over

toegang tot administratieve en rechterlijke toetsingsprocedures.

Artikel 26

Grensoverschrijdende effecten

  • 1. 
    Wanneer een lidstaat constateert dat de exploitatie van een installatie significante negatieve

effecten op het milieu van een andere lidstaat zou kunnen hebben of wanneer een lidstaat

die significante schade zou kunnen lijden, daarom verzoekt, doet de lidstaat op het

grondgebied waarvan de aanvraag voor een vergunning overeenkomstig artikel 4 of

artikel 20, lid 2, is ingediend, de andere lidstaat alle informatie die overeenkomstig

bijlage IV verstrekt moet worden of beschikbaar moet worden gesteld, toekomen op het

tijdstip waarop hij die informatie beschikbaar stelt voor het publiek.

  • 2. 
    De lidstaten dragen er in het kader van hun bilaterale betrekkingen zorg voor dat de

aanvragen in de in lid 1 genoemde gevallen gedurende een passende termijn ook

toegankelijk zijn voor het publiek van de eventueel getroffen lidstaat, zodat het daarover

opmerkingen kan maken alvorens de bevoegde autoriteit een besluit neemt.

  • 3. 
    De resultaten van het overleg uit hoofde van de leden 1 en 2 worden in aanmerking

genomen wanneer de bevoegde autoriteit een besluit neemt over de aanvraag.

  • 4. 
    De bevoegde autoriteit stelt elke lidstaat waarmee uit hoofde van lid 1 is overlegd, van het

besluit op de aanvraag in kennis en doet die lidstaat de in artikel 24, lid 2, bedoelde

informatie toekomen. Die lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de

informatie op een geschikte wijze voor het betrokken publiek op zijn grondgebied

beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 27

Technieken in opkomst

  • 1. 
    De lidstaten stimuleren, waar passend, de ontwikkeling en de toepassing van technieken in

opkomst, in het bijzonder de in de BBT-referentiedocumenten vermelde technieken in

opkomst.

  • 2. 
    De Commissie stelt richtsnoeren op om de lidstaten bij te staan bij het stimuleren van de

ontwikkeling en de toepassing van technieken in opkomst, als bedoeld in lid 1.

HOOFDSTUK III

Bijzondere bepalingen betreffende stookinstallaties

Artikel 28

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch

ingangsvermogen van 50 MW of meer, ongeacht het toegepaste brandstoftype.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende stookinstallaties:

  • a) 
    installaties waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor directe verwarming,

droging of enige andere behandeling van voorwerpen of materialen;

  • b) 
    naverbrandingsinstallaties voor de zuivering van rookgassen door verbranding die niet als

autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;

  • c) 
    installaties voor het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;
  • d) 
    installaties om zwavelwaterstof om te zetten in zwavel;
  • e) 
    in de chemische industrie gebruikte reactoren;
  • f) 
    cokesbatterijovens;
  • h) 
    technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig

worden gebruikt;

  • i) 
    gasturbines die op offshore-platforms worden gebruikt;
  • j) 
    installaties die als brandstof andere vaste of vloeibare afvalstoffen gebruiken dan de in

artikel 3, punt 30, onder b), bedoelde afvalstoffen.

Artikel 29

Samentellingsregels

  • 1. 
    Wanneer de rookgassen van twee of meer afzonderlijke stookinstallaties via een

gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten, wordt het samenstel van deze

installaties als één stookinstallatie aangemerkt en wordt hun capaciteit samengeteld voor

de berekening van het totale nominaal thermisch vermogen.

  • 2. 
    Wanneer twee of meer afzonderlijke stookinstallaties waarvoor voor het eerst een

vergunning is verleend op of na 1 juli 1987 of waarvoor de exploitanten op of na die datum

een volledige aanvraag voor een vergunning hebben ingediend, zo worden geïnstalleerd dat

hun rookgassen naar het oordeel van de bevoegde autoriteit, met inachtneming van

technische en economische omstandigheden, via één gemeenschappelijke schoorsteen

zouden kunnen worden uitgestoten, wordt het samenstel van deze installaties als één

stookinstallatie aangemerkt en wordt hun capaciteit samengeteld voor de berekening van

  • 3. 
    Voor de berekening van het totale nominaal thermisch vermogen van een samenstel van

stookinstallaties als bedoeld in lid 1 en lid 2, worden afzonderlijke stookinstallaties met

een nominaal thermisch vermogen van minder dan 15 MW buiten beschouwing gelaten.

Artikel 30

Emissiegrenswaarden

  • 1. 
    Rookgassen uit stookinstallaties worden op gecontroleerde wijze uitgestoten via een

schoorsteen die een of meer rookgasstromen afvoert, waarvan de hoogte zo wordt

berekend dat er geen gevaar bestaat voor de menselijke gezondheid of het milieu.

  • 2. 
    Alle vergunningen voor installaties die stookinstallaties omvatten waarvoor een

vergunning is verleend vóór ...*, of waarvoor de exploitant voor die datum ...* een

volledige aanvraag heeft ingediend mits bedoelde installatie uiterlijk ...** in bedrijf wordt

genomen, bevatten voorwaarden die garanderen dat de emissies in de lucht van die

installaties de in deel 1 van bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden niet overschrijden.

Alle vergunningen voor installaties die stookinstallaties omvatten waaraan een vrijstelling

is verleend als bedoeld in artikel 4, lid 4, van Richtlijn 2001/80/EG en die na

1 januari 2016 in bedrijf zijn, omvatten voorwaarden om ervoor te zorgen dat de van deze

installaties afkomstige emissies in de lucht de in deel 2 van bijlage V vastgestelde

emissiegrenswaarden niet overschrijden.

  • 3. 
    Alle vergunningen voor installaties die stookinstallaties omvatten waarop lid 2 niet van

toepassing is, bevatten voorwaarden die garanderen dat de emissies in de lucht van die

installaties de in deel 2 van bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden niet overschrijden.

  • 4. 
    De in de delen 1 en 2 van bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden en de in deel 5 van

die bijlage vastgestelde minimumpercentages voor ontzwaveling zijn van toepassing op de

emissies van alle gemeenschappelijke schoorstenen in relatie tot het totale nominale

thermische vermogen van de gehele stookinstallatie. Voorziet bijlage V dat

emissiegrenswaarden mogen worden toegepast op een deel van een stookinstallatie met

een beperkt aantal bedrijfsuren, dan zijn deze grenswaarden van toepassing op de emissies

van dat deel van de installatie, maar in relatie tot het totale nominale thermische vermogen

van de gehele stookinstallatie.

  • 5. 
    De bevoegde autoriteit kan voor een periode van ten hoogste zes maanden een afwijking

toestaan van de verplichting tot het naleven van de in de leden 2 en 3 bedoelde

emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide bij stookinstallaties waar voor dit doel

normaliter laagzwavelige brandstof wordt verstookt, indien de exploitant wegens een

onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof ten gevolge van een ernstig

tekort aan dergelijke brandstoffen niet in staat is die grenswaarden in acht te nemen.

De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van elke krachtens de eerste

alinea toegestane afwijking.

  • 6. 
    De bevoegde autoriteit kan een afwijking toestaan van de verplichting tot het naleven van

de emissiegrenswaarden van de leden 2 en 3 voor een stookinstallatie die uitsluitend

gasvormige brandstof gebruikt maar die als gevolg van een plotselinge onderbreking in de

gasvoorziening uitzonderlijk een andere brandstof moet gebruiken en om die reden met een

zuiveringsinrichting zou moeten worden uitgerust. Een dergelijke afwijking wordt

toegestaan voor ten hoogste 10 dagen, tenzij er een absolute noodzaak bestaat om de

energievoorziening in stand te houden.

De exploitant stelt de bevoegde autoriteit onmiddellijk in kennis van elk specifiek geval als

bedoeld in de eerste alinea.

De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van elke krachtens de eerste

alinea toegestane afwijking.

  • 7. 
    Bij uitbreiding van een stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden van deel 2 van

bijlage V van toepassing op het uitgebreide gedeelte van de installatie waarop de

verandering betrekking heeft; zij worden vastgesteld op grond van het totale nominale

thermische vermogen van de gehele stookinstallatie. In geval van een wijziging van een

stookinstallatie die gevolgen kan hebben voor het milieu en die betrekking heeft op een

gedeelte van een installatie met een nominaal thermisch vermogen van 50 MW of meer,

zijn de in deel 2 van bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden van toepassing op het

gedeelte van de installatie dat is gewijzigd in relatie tot het totale nominale thermische

vermogen van de gehele stookinstallatie.

  • 8. 
    De in deel 1 en deel 2 van bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden zijn niet van

toepassing op de volgende stookinstallaties:

  • a) 
    stookinstallaties met dieselmotoren;
  • b) 
    terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp.
  • 9. 
    Voor de volgende stookinstallaties beoordeelt de Commissie op basis van de beste

beschikbare technieken of er op het niveau van de Unie emissiegrenswaarden nodig zijn,

en of een aanpassing nodig is van de in bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden:

  • a) 
    de in lid 8 bedoelde stookinstallaties;
  • b) 
    stookinstallaties in raffinaderijen die distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van

het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen,

zelf verbruiken, rekening houdend met de specificiteit van de energiesystemen van

raffinaderijen;

  • c) 
    stookinstallaties die met andere gassen dan aardgas worden gevoed;
  • d) 
    stookinstallaties in chemische installaties die zelf vloeibare productieresiduen als

niet-commerciële brandstof verbruiken.

De Commissie deelt uiterlijk 31 december 2013 de resultaten van deze beoordeling mee

aan het Europees Parlement en de Raad, indien nodig vergezeld van een

Artikel 31

Ontzwavelingspercentage

Voor stookinstallaties die inheemse vaste brandstoffen stoken en die wegens de kenmerken van die

brandstoffen niet aan de in artikel 30, lid 2 en lid 3, bedoelde emissiegrenswaarden voor

zwaveldioxide kunnen voldoen, kunnen die lidstaten in plaats daarvan de in deel 5 van bijlage V

vastgestelde minimumpercentages voor ontzwaveling toepassen, overeenkomstig de in deel 6 van

die bijlage vastgestelde voorschriften voor de naleving.

Artikel 32

Nationaal plan voor de overgangsfase

  • 1. 
    In de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 kunnen de lidstaten een

nationaal plan voor de overgangsfase opstellen en uitvoeren voor stookinstallaties

waarvoor vóór 27 november 2002 een eerste vergunning is verleend of waarvan door de

exploitanten een volledige aanvraag voor een vergunning vóór die datum was ingediend,

mits de installatie uiterlijk 27 november 2003 in bedrijf werd gesteld. In het plan worden

voor elke stookinstallatie waarop het plan betrekking heeft de emissies opgenomen van een

of meer van de volgende verontreinigende stoffen: stikstofoxide, zwaveldioxide en stof.

Wat gasturbines betreft, kan het plan uitsluitend betrekking hebben op emissies van

stikstofoxide.

  • b) 
    in raffinaderijen die gassen met lage calorische waarde uit de vergassing van

raffinaderijresiduen of de distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van het

raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen, zelf

verbruiken;

  • c) 
    waarop artikel 35 van toepassing is.
  • 2. 
    Stookinstallaties waarop het plan betrekking heeft, kunnen worden vrijgesteld van de in

artikel 30, lid 2, bedoelde emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen die

verplichting tot inachtneming van de onder het plan vallen of, indien van toepassing, van

de verplichting tot inachtneming van de in artikel 31 bedoelde ontzwavelingspercentages.

De emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof op grond van, met

name, de voorschriften van de Richtlijnen 2001/80/EG en 2008/1/EG, die zijn opgenomen

in de vergunning van de stookinstallatie die geldt op 31 december 2015, worden in elk

geval gehandhaafd.

Stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van meer dan 500 MW die

vaste brandstoffen stoken en na 1 juli 1987 hun eerste vergunning hebben ontvangen,

dienen te voldoen aan de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden van bijlage V, deel 1.

  • 3. 
    Het nationaal plan voor de overgangsfase stelt voor elke verontreinigende stof waarop het

betrekking heeft een plafond vast dat de maximale totale jaarlijkse emissies aangeeft voor

elk van de installaties waarop het plan betrekking heeft, op basis van het totale nominale

Het plafond voor het jaar 2016 wordt berekend op basis van de relevante

emissiegrenswaarden als vastgesteld in de bijlagen III tot en met VII bij Richtlijn

2001/80/EG, of in voorkomend geval op basis van de in bijlage III bij Richtlijn

2001/80/EG vastgestelde ontzwavelingspercentages. In geval van gasturbines worden de

emissiegrenswaarden voor stikstofoxide voor dergelijke installaties als vastgesteld in

deel B van bijlage VI van Richtlijn 2001/80/EG gebruikt. Het plafond voor de jaren 2019

en 2020 wordt berekend op basis van de in deel 1 van bijlage V bij deze richtlijn

vastgestelde relevante emissiegrenswaarden of, indien van toepassing, op basis van de in

deel 5 van bijlage V bij deze richtlijn vastgestelde ontzwavelingspercentages. De plafonds

voor de jaren 2017 en 2018 voorzien in een lineaire afname van de plafonds tussen 2016 en

2019.

Wanneer een in het nationale plan voor de overgangsfase opgenomen installatie wordt

gesloten of niet langer onder het toepassingsgebied van hoofdstuk III valt, mogen de totale

jaarlijkse emissies van de resterende installaties waarop het plan betrekking heeft, naar

aanleiding daarvan niet worden verhoogd.

  • 4. 
    Het nationale plan voor de overgangsfase bevat tevens bepalingen inzake monitoring en

verslaglegging die stroken met de overeenkomstig artikel 41, onder b), vastgestelde

uitvoeringsvoorschriften, alsmede voor elke installatie de maatregelen ter tijdige naleving

van de emissiegrenswaarden die vanaf 1 januari 2021 van toepassing zullen zijn.

  • 5. 
    Uiterlijk 1 januari 2013 delen de lidstaten hun nationale plannen voor de overgangsfase

aan de Commissie mee.

De Commissie evalueert het plan en. indien zij binnen twaalf maanden na ontvangst van

een plan geen bezwaar heeft gemaakt, gaat de betrokken lidstaat ervan uit dat zijn plan

aanvaard is.

Indien de Commissie van oordeel is dat een plan niet aan de krachtens artikel 41, onder b),

vastgestelde uitvoeringsvoorschriften voldoet, deelt zij de betrokken lidstaat mee dat zijn

plan niet kan worden aanvaard. Voor de evaluatie van een nieuwe versie van een plan dat

een lidstaat aan de Commissie toezendt, bedraagt de in de tweede alinea bedoelde termijn

zes maanden.

  • 6. 
    De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte van elke wijziging van het plan.

Artikel 33

Afwijking wegens beperkte levensduur

  • 1. 
    In de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2023 kunnen stookinstallaties

worden vrijgesteld van de verplichting tot inachtneming van de in artikel 30, lid 2,

bedoelde emissiegrenswaarden en de verplichting tot de in artikel 31 bedoelde

ontzwavelingspercentages, indien van toepassing, alsmede van de in artikel 32 bedoelde

opneming in het nationale plan voor de overgangsfase, indien:

  • a) 
    de exploitant van de stookinstallatie uiterlijk 1 januari 2014 bij de bevoegde

autoriteit een schriftelijke verklaring indient waarin hij zich ertoe verbindt om de

installatie vanaf 1 januari 2016 en uiterlijk tot en met 31 december 2023 hoogstens

20.000 bedrijfsuren in bedrijf te nemen;

  • b) 
    de exploitant verplicht is jaarlijks bij de bevoegde autoriteit verslag uit te brengen

over het aantal bedrijfsuren na 1 januari 2016;

  • c) 
    de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof op grond van,

met name, de voorschriften van de Richtlijnen 2001/80/EG en 2008/1/EG, die zijn

opgenomen in de vergunning van de stookinstallatie die geldt op 31 december 2015,

worden in elk geval gehandhaafd tijdens de resterende bedrijfsduur van de

stookinstallatie. Stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van

meer dan 500 MW die vaste brandstoffen stoken en na 1 juli 1987 hun eerste

vergunning hebben ontvangen, dienen te voldoen aan de emissiegrenswaarden voor

stikstofoxide van bijlage V, deel 1; en

  • d) 
    aan de stookinstallatie geen vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 4, lid 4, van

Richtlijn 2001/80/EG.

  • 2. 
    Uiterlijk 1 januari 2016 delen de lidstaten aan de Commissie een lijst mee van alle

stookinstallaties waarop lid 1 van toepassing is, met vermelding van hun totaal nominaal

thermisch vermogen, de gebruikte soorten brandstof en de toepasselijke emissiegrens-

waarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof. De lidstaten brengen jaarlijks bij de

Commissie verslag uit over het aantal bedrijfsuren na 1 januari 2016 van de installaties

waarop lid 1 van toepassing is.

  • 3. 
    In het geval van stookinstallaties die op ...* deel uitmaken van een klein geïsoleerd

systeem en op die datum ten minste 35% van de elektriciteitsvoorziening in dat systeem

vertegenwoordigen en, in verband met de technische kenmerken van de installatie, niet aan

de in artikel 30, lid 2, genoemde emissiegrenswaarden kunnen voldoen, bedraagt het in

lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde aantal bedrijfsuren 18 000, gerekend vanaf

1 januari 2020 en eindigend uiterlijk 31 december 2023, en is de in lid 1, onder b), en in

lid 2 van dit artikel bedoelde datum 1 januari 2020.

  • 4. 
    In het geval van stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van meer

dan 1500 MW die vóór 31 december 1986 in gebruik zijn genomen, waarin inheemse vaste

brandstof met een netto calorische waarde van minder dan 5800 kJ/kg wordt gestookt en

die een vochtgehalte van meer dan 45% per gewicht, een gecombineerd vocht- en

asgehalte van meer dan 60% per gewicht en een calciumoxidegehalte in as van meer dan

10% hebben, bedraagt het in lid 1, onder a), bedoelde aantal bedrijfsuren 32 000.

Artikel 34

Kleine geïsoleerde systemen

  • 1. 
    Stookinstallaties die op ...* deel uitmaken van een klein geïsoleerd systeem kunnen

uiterlijk tot en met 31 december 2019 worden vrijgesteld van de naleving van de in

artikel 30, lid 2, bedoelde emissiegrenswaarden en de in artikel 31 bedoelde

ontzwavelingspercentages, indien van toepassing. Tot 31 december 2019 worden de in de

vergunningen van die stookinstallatie opgenomen emissiegrenswaarden op grond van, met

name, de voorschriften van de Richtlijnen 2001/80/EG en 2008/1/EG in elk geval

gehandhaafd.

  • 2. 
    Stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van meer dan 500 MW die

vaste brandstoffen stoken en na 1 juli 1987 hun eerste vergunning hebben ontvangen,

dienen te voldoen aan de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden van bijlage V, deel 1.

  • 3. 
    Indien zich op het grondgebied van een lidstaat onder dit hoofdstuk vallende

stookinstallaties bevinden die onderdeel zijn van een klein geïsoleerd systeem, stelt die

lidstaat vóór ...* de Commissie in kennis van een lijst van deze stookinstallaties, alsook

van het totale jaarlijkse energieverbruik van het kleine geïsoleerde systeem en van de

hoeveelheid energie die door middel van interconnectie met andere systemen wordt

verkregen.

Artikel 35

Stadsverwarmingsinstallaties

  • 1. 
    Tot en met 31 december 2023 kan een stookinstallatie worden vrijgesteld van de naleving

van de in artikel 30, lid 2, bedoelde emissiegrenswaarden en van de in artikel 31 bedoelde

ontzwavelingspercentages, indien:

  • a) 
    het totaal nominaal thermisch vermogen van de stookinstallatie niet hoger is dan

200 MW;

  • b) 
    de installatie vóór 27 november 2002 voor het eerst een vergunning heeft gekregen

of de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning had

ingediend, mits die installatie uiterlijk 27 november 2003 in gebruik is genomen;

  • c) 
    ten minste 50% van de nuttige warmteproductie van de installatie (voortschrijdend

gemiddelde over een periode van vijf jaar) in de vorm van stoom of heet water wordt

geleverd aan een openbaar net voor stadsverwarming; en

  • d) 
    de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof op grond van,

met name, de voorschriften van de Richtlijnen 2001/80/EG en 2008/1/EG, die zijn

opgenomen in de vergunning van de stookinstallatie die geldt op 31 december 2015,

in elk geval gehandhaafd worden tot 31 december 2023.

  • 2. 
    Uiterlijk 1 januari 2016 delen de lidstaten aan de Commissie een lijst mee van alle

stookinstallaties waarop lid 1 van toepassing is, met vermelding van hun totaal nominaal

thermisch vermogen, de gebruikte soorten brandstof en de toepasselijke

emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof. Voor elke stookinstallatie

waarop lid 1 van toepassing is en over de in dat lid genoemde periode, delen de lidstaten de

Commissie ook jaarlijks mee hoeveel nuttige warmteproductie van elke installatie in de

vorm van stoom of heet water aan een openbaar net voor stadsverwarming is geleverd

(uitgedrukt als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar).

Artikel 36

Geologische opslag van kooldioxide

  • 1. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitanten van alle stookinstallaties met een nominaal

elektrisch vermogen van 300 megawatt of meer, waarvan de oorspronkelijke

bouwvergunning of, bij ontbreken van een dergelijke procedure, de oorspronkelijke

exploitatievergunning is verleend na de inwerkingtreding van Richtlijn 2009/31/EG van

het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag

van kooldioxide1, hebben beoordeeld of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a) 
    er zijn geschikte opslaglocaties beschikbaar,
  • b) 
    vervoersfaciliteiten zijn technisch en economisch haalbaar,
  • c) 
    het is technisch en economisch haalbaar om de installatie achteraf aan kooldioxide-

afvang aan te passen.

  • 2. 
    Als aan de voorwaarden in lid 1 is voldaan, zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat

geschikte ruimte op het terrein van de installatie wordt vrijgemaakt om kooldioxide af te

vangen en te comprimeren. De bevoegde autoriteit bepaalt op basis van de in lid 1

bedoelde beoordeling en andere beschikbare informatie of aan deze voorwaarden is

voldaan, in het bijzonder ten aanzien van de bescherming van het milieu en de gezondheid

van de mens.

Artikel 37

Storingen of uitvallen van de zuiveringsinrichting

  • 1. 
    De lidstaten dragen er zorg voor, dat de vergunningen voorschriften bevatten inzake

procedures bij storingen of uitvallen van de zuiveringsinrichting.

  • 2. 
    De bevoegde autoriteit verlangt dat de exploitant ingeval de zuiveringsinrichting is

uitgevallen en niet binnen 24 uur weer normaal functioneert, de installatie geheel of

gedeeltelijk stillegt of met een weinig vervuilende brandstof in werking houdt.

De exploitant stelt de bevoegde autoriteit binnen 48 uur na de storing of het uitvallen van

de zuiveringsinrichting op de hoogte.

De som van de perioden van werking zonder zuiveringsinrichting mag in een periode van

12 maanden niet meer bedragen dan 120 uur.

De bevoegde autoriteit kan in de volgende gevallen toestaan dat van de in de eerste en de

derde alinea vastgestelde tijdslimieten wordt afgeweken:

  • a) 
    als het absoluut noodzakelijk is om de energievoorziening in stand te houden;
  • b) 
    als de stookinstallatie met de uitgevallen inrichting anders voor een beperkte tijd zou

worden vervangen door een installatie die over het geheel genomen een hogere

emissie zou veroorzaken.

Artikel 38

Monitoring van de emissies in de lucht

  • 1. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat de monitoring van luchtverontreinigende stoffen plaatsvindt

overeenkomstig deel 3 van bijlage V.

  • 2. 
    De installatie en de werking van de geautomatiseerde monitoringapparatuur zijn

onderworpen aan controles en aan een jaarlijkse verificatietest zoals omschreven in deel 3

van bijlage V.

  • 3. 
    De bevoegde autoriteit bepaalt de plaats van de bemonsterings- of meetpunten voor de

monitoring van de emissies.

  • 4. 
    Alle monitoringresultaten worden op zodanige wijze geregistreerd, verwerkt en

gepresenteerd dat de bevoegde autoriteit kan verifiëren of de in de vergunning opgenomen

exploitatievoorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd.

Artikel 39

Naleving van de emissiegrenswaarden

De grenswaarden voor emissies in de lucht worden geacht te zijn nageleefd als aan de in deel 4 van

bijlage V omschreven voorwaarden is voldaan.

Artikel 40

Gemengde stookinstallaties

  • 1. 
    In het geval van gemengde stookinstallaties die gelijktijdig met twee of meer brandstoffen

worden gevoed, stelt de bevoegde autoriteit de emissiegrenswaarden vast volgens een

berekeningswijze die de volgende stappen omvat:

  • a) 
    zij neemt de relevante emissiegrenswaarde voor elke brandstof en elke

verontreinigende stof die overeenkomt met het totale nominale thermische vermogen

van de hele stookinstallatie zoals aangegeven in deel 1 en deel 2 van bijlage V;

  • b) 
    zij bepaalt de gewogen emissiegrenswaarden per brandstof; deze waarden worden

verkregen door de onder a) bedoelde emissiegrenswaarden te vermenigvuldigen met

de hoeveelheid door elke brandstof geleverde warmte, en het resultaat van deze

vermenigvuldiging te delen door de warmte geleverd door alle brandstoffen tezamen;

  • c) 
    zij telt de per brandstof gewogen emissiegrenswaarden bij elkaar op.
  • 2. 
    In het geval van in artikel 30, lid 2, bedoelde gemengde stookinstallaties die distillatie- en

omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie

met andere brandstoffen, zelf verbruiken, kunnen de volgende emissiegrenswaarden

worden toegepast in plaats van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde emissiegrenswaarden:

  • a) 
    indien tijdens de werking van de stookinstallatie het aandeel van de bepalende

brandstof in de door alle brandstoffen tezamen geleverde warmte 50% of meer

bedraagt, de in bijlage V, deel 1, voor de bepalende brandstof vastgestelde

emissiegrenswaarde;

  • b) 
    indien het aandeel van de bepalende brandstof in de door alle brandstoffen tezamen

geleverde warmte minder dan 50% bedraagt, de overeenkomstig de volgende stappen

vastgestelde emissiegrenswaarde:

  • i) 
    bepalen,voor elke gebruikte brandstof, van de emissiegrenswaarden in

bijlage V, deel 1, die overeenstemmen met het totale nominale thermische

vermogen van de stookinstallatie;

  • ii) 
    berekenen van de emissiegrenswaarde voor de bepalende brandstof door de

voor die brandstof overeenkomstig punt i) vastgestelde emissiegrenswaarde te

vermenigvuldigen met factor 2 en dit product te verminderen met de

emissiegrenswaarde van de gebruikte brandstof met de laagste

emissiegrenswaarde van bijlage V, deel 1, die overeenstemt met het totale

nominale thermische vermogen van de stookinstallatie;

  • iii) 
    bepalen van de gewogen emissiegrenswaarde per brandstof door elk van de

onder i) en ii) bedoelde grenswaarden te vermenigvuldigen met de hoeveelheid

door elke respectieve brandstof geleverde warmte, en dit product te delen door

de warmte geleverd door alle brandstoffen tezamen;

  • iv) 
    optellen van de onder iii) bepaalde gewogen emissiegrenswaarden per

brandstof.

  • 3. 
    In het geval van de in artikel 30, lid 2, bedoelde gemengde stookinstallaties die distillatie-

en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in

combinatie met andere brandstoffen, zelf verbruiken, kunnen de gemiddelde

emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide in deel 7 van bijlage V worden toegepast in

plaats van de overeenkomstig de leden 1 of 2 van dit artikel vastgestelde

emissiegrenswaarden.

Artikel 41

Uitvoeringsvoorschriften

Er worden uitvoeringsvoorschriften vastgesteld met betrekking tot:

  • a) 
    de vaststelling van de in artikel 3, punt 26, en in bijlage V, deel 4, punt 1, bedoelde voor de

inwerkingstelling en stillegging benodigde tijd; en

  • b) 
    de in artikel 32 bedoelde nationale plannen voor de overgangsfase, met name de

vaststelling van emissieplafonds en de bijbehorende monitoring en rapportage.

Deze uitvoeringsvoorschriften worden vastgesteld volgens de in artikel 75, lid 2, bedoelde

regelgevingsprocedure met toetsing. De Commissie doet ... passende voorstellen.

HOOFDSTUK IV

Bijzondere bepalingen betreffende afvalverbrandingsinstallaties

en afvalmeeverbrandingsinstallaties

Artikel 42

Toepassingsgebied

  • 1. 
    Dit hoofdstuk is van toepassing op afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties

waar vaste of vloeibare afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op vergassings- en pyrolyse-installaties, voor zover de

gassen die het resultaat zijn van deze thermische behandeling van afvalstoffen dermate

worden gezuiverd dat zij vóór de verbranding ervan niet langer een afvalstof zijn en zij niet

meer emissies kunnen veroorzaken dan die welke bij de verbranding van aardgas

vrijkomen.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvatten afvalverbrandingsinstallaties en

afvalmeeverbrandingsinstallaties tevens alle verbrandingsstraten of meeverbrandings-

straten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het

afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, stoomketels, de

voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behandeling

Indien voor de thermische behandeling van afval gebruik wordt gemaakt van andere

processen dan oxidatie, zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, omvat de

afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie zowel het proces voor

thermische behandeling als het daaropvolgende verbrandingsproces.

Indien meeverbranding van afval zodanig plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak

voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten bestemd is, maar

voor de thermische behandeling van afval, wordt de installatie beschouwd als een

afvalverbrandingsinstallatie.

  • 2. 
    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende installaties:
  • a) 
    installaties waar uitsluitend de volgende afvalstoffen worden verwerkt:
  • i) 
    de in artikel 3, punt 30, onder b), genoemde afvalstoffen;
  • ii) 
    radioactief afval;
  • iii) 
    karkassen van dieren die vallen onder Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het

Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van

gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde

dierlijke bijproducten1;

  • iv) 
    afvalstoffen die ontstaan bij de exploratie en de exploitatie van olie- en

gasbronnen vanaf installaties in zee en die aan boord van die installaties

  • b) 
    experimentele installaties voor onderzoek, ontwikkeling en beproeving ter

verbetering van het verbrandingsproces waar per jaar minder dan 50 ton afval wordt

verwerkt.

Artikel 43

Definitie van residu

Voor de toepassing van dit hoofdstuk betekent "residu" een vloeibare of vaste afvalstof die wordt

geproduceerd door een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie.

Artikel 44

Aanvraag van een vergunning

De vergunningsaanvraag voor een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie omvat een

beschrijving van de maatregelen die zijn gepland om te waarborgen dat aan de volgende

voorwaarden wordt voldaan:

  • a) 
    de installatie wordt zo ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd dat aan de

voorschriften van dit hoofdstuk wordt voldaan, rekening houdend met de afvalcategorieën

die er zullen worden verbrand of meeverbrand;

  • b) 
    de bij het verbrandings- en meeverbrandingsproces opgewekte warmte wordt voor zover

doenlijk teruggewonnen door de productie van warmte, stoom of elektriciteit;

  • c) 
    het ontstaan van residuen en de schadelijkheid ervan worden tot een minimum beperkt, en

de residuen worden in voorkomend geval gerecycleerd;

  • d) 
    de verwijdering van de residuen die niet kunnen worden vermeden of beperkt en die niet

kunnen worden gerecycleerd, geschiedt overeenkomstig de nationale wetgeving en de

wetgeving van de Unie.

Artikel 45

Vergunningsvoorwaarden

  • 1. 
    De vergunning bevat:
  • a) 
    een lijst van alle afvalsoorten die mogen worden verwerkt, waarbij indien mogelijk

ten minste de afvalsoorten worden gebruikt die worden onderscheiden in de bij

Beschikking 2000/532/EG vastgestelde Europese lijst van afvalstoffen, en waarbij in

voorkomend geval informatie wordt verstrekt over de hoeveelheid afval van elke

soort;

  • b) 
    een vermelding van de totale afvalverbrandings- of meeverbrandingscapaciteit van

de installatie;

  • d) 
    de eisen met betrekking tot pH, temperatuur en debiet van het geloosde afvalwater;
  • e) 
    de bemonsterings- en meetprocedures en frequenties die moeten worden gebruikt

om te voldoen aan de gestelde voorwaarden inzake monitoring van emissies;

  • f) 
    de maximaal toelaatbare duur van technisch onvermijdelijke stilleggingen, storingen

dan wel defecten aan de reinigingsapparatuur of de meetapparatuur gedurende welke

de emissies in de lucht en de lozingen van afvalwater de vastgestelde

emissiegrenswaarden mogen overschrijden.

  • 2. 
    In aanvulling op de voorschriften van lid 1 bevat de vergunning voor een

afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen

worden gebruikt voorts de volgende gegevens:

  • a) 
    een lijst van de hoeveelheden van de verschillende categorieën gevaarlijke

afvalstoffen die mogen worden verwerkt;

  • b) 
    een specificatie van de minimale en de maximale toevoer van die gevaarlijke

afvalstoffen, de laagste en de hoogste calorische waarde ervan, alsmede de

maximumgehalten aan PCB's, pentachloorfenol, chloor, fluor, zwavel, zware metalen

en andere verontreinigende stoffen.

  • 3. 
    De lidstaten kunnen een lijst opstellen van de in de vergunning op te nemen

afvalcategorieën die in bepaalde categorieën van afvalmeeverbrandingsinstallaties mogen

worden meeverbrand.

  • 4. 
    De bevoegde autoriteit toetst de vergunningsvoorwaarden geregeld en stelt die zo nodig

bij.

Artikel 46

Controle van de emissies

  • 1. 
    De rookgassen van afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties

moeten op gecontroleerde wijze worden afgevoerd door een schoorsteen waarvan de

hoogte zo wordt berekend dat de menselijke gezondheid en het milieu daardoor worden

beschermd.

  • 2. 
    De emissies in de lucht van afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandings-

installaties mogen de in deel 3 en deel 4 van bijlage VI vastgestelde of overeenkomstig

deel 4 van die bijlage bepaalde emissiegrenswaarden niet overschrijden.

Wanneer in een afvalmeeverbrandingsinstallatie meer dan 40% van de vrijkomende

warmte afkomstig is van gevaarlijk afval, of wanneer in de installatie onbehandeld

ongesorteerd stedelijk afval wordt meeverbrand, zijn de emissiegrenswaarden van deel 3

van bijlage VI van toepassing.

  • 3. 
    Lozingen in het aquatisch milieu van bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater

moeten voor zover doenlijk worden beperkt en de concentraties van verontreinigende

stoffen mogen de emissiegrenswaarden van deel 5 van bijlage VI niet overschrijden.

  • 4. 
    De emissiegrenswaarden zijn van toepassing op het punt waar het bij de reiniging van

rookgassen ontstane afvalwater door de afvalverbrandings- of

afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt geloosd.

Wanneer het bij de reiniging van rookgassen ontstane afvalwater buiten de afval-

verbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt gezuiverd in een zuiverings-

installatie die uitsluitend voor de zuivering van dit type afvalwater is bestemd, zijn de

emissiegrenswaarden van deel 5 van bijlage VI van toepassing op het punt waar het

afvalwater de zuiveringsinstallatie verlaat. Als het bij de reiniging van rookgassen ontstane

afvalwater hetzij ter plaatse, hetzij op een andere locatie gezamenlijk met afvalwater uit

andere bronnen wordt gezuiverd, bepaalt de exploitant aan de hand van passende

massabalansberekeningen, met gebruikmaking van de meetresultaten als omschreven in

bijlage VI, deel 6, punt 2, hoe groot het aandeel van de emissies in de uiteindelijk geloosde

hoeveelheid afvalwater is dat kan worden toegeschreven aan het bij de reiniging van

rookgassen ontstane afvalwater.

In geen geval mag afvalwater worden verdund om te voldoen aan de emissiegrenswaarden

van deel 5 van bijlage VI.

  • 5. 
    De terreinen van afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties, met de

bijbehorende terreinen voor de opslag van afval, worden zodanig ontworpen en

geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en accidenteel vrijkomen van verontreinigende stoffen

in bodem, oppervlaktewater en grondwater wordt voorkomen.

Er moet worden voorzien in opvangcapaciteit voor van het terrein van de afval-

verbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie wegvloeiend verontreinigd hemelwater

en voor verontreinigd water dat afkomstig is van overlopen of brandbestrijding. De

opvangcapaciteit dient zodanig te zijn, dat dit water, alvorens het wordt geloosd, zo nodig

kan worden onderzocht en behandeld.

  • 6. 
    Onverminderd artikel 50, lid 4, onder c), gaat de afvalverbrandingsinstallatie of de

afvalmeeverbrandingsinstallatie, of gaan de afzonderlijke ovens die deel uitmaken van een

afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bij overschrijding van de

emissiegrenswaarden in geen geval meer dan vier uur ononderbroken door met de

verbranding van afval.

De totale tijdsduur gedurende welke een installatie in die omstandigheden in werking is,

mag per jaar niet meer bedragen dan 60 uur.

De in de tweede alinea vastgestelde tijdslimiet geldt voor die ovens die verbonden zijn met

Artikel 47

Uitvallen

Bij uitval vermindert de exploitant de activiteit van de installatie zo spoedig mogelijk of legt hij de

installatie stil totdat normale werking opnieuw mogelijk is.

Artikel 48

Monitoring van emissies

  • 1. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat de monitoring van de emissies plaatsvindt overeenkomstig

deel 6 en deel 7 van bijlage VI.

  • 2. 
    De installatie en de werking van de geautomatiseerde meetsystemen zijn onderworpen aan

controles en aan jaarlijkse verificatietest als omschreven in bijlage VI, deel 6, punt 1.

  • 3. 
    De bevoegde autoriteit bepaalt de plaats van de bemonsterings- of meetpunten voor de

monitoring van de emissies.

  • 4. 
    Alle monitoringresultaten worden op zodanige wijze geregistreerd, verwerkt en

gepresenteerd dat de bevoegde autoriteit kan controleren of de in de vergunning

opgenomen exploitatievoorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd.

  • 5. 
    Zodra in de Unie geschikte meettechnieken beschikbaar zijn, wordt vastgesteld vanaf

welke datum continumetingen van de emissies in de lucht van zware metalen, dioxinen en

furanen moeten worden uitgevoerd, volgens de in artikel 75, lid 2, bedoelde

regelgevingsprocedure .

Artikel 49

Naleving van de emissiegrenswaarden

De grenswaarden voor emissies in de lucht en in water worden geacht te worden nageleefd, indien

aan de in bijlage VI, deel 8, beschreven voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 50

Exploitatievoorwaarden

  • 1. 
    De afvalverbrandingsinstallaties worden zo geëxploiteerd, dat een verbrandingsniveau

wordt bereikt waarbij de totale hoeveelheid organische koolstof (TOC) in de slakken en de

bodemas minder bedraagt dan 3%, of hun gloeiverlies minder bedraagt dan 5%, van het

droge gewicht van het materiaal. Zo nodig moet het afval met passende technieken worden

voorbehandeld.

  • 2. 
    Afvalverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en

geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij de verbranding van

het afval ontstane gas na de laatste toevoer van verbrandingslucht op beheerste en

Afvalmeeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en

geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij de meeverbranding

van het afval ontstane gas op beheerste en homogene wijze gedurende ten minste twee

seconden wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 850 °C.

Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1% gehalogeneerde organische

stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt verbrand of meeverbrand, bedraagt de vereiste

temperatuur om aan de eerste en de tweede alinea te voldoen, ten minste 1100 °C.

In afvalverbrandingsinstallaties wordt de in de eerste en de derde alinea bedoelde

temperatuur gemeten dichtbij de binnenwand van de verbrandingskamer. De bevoegde

autoriteit kan toestaan dat de metingen op een ander representatief punt van de

verbrandingskamer worden uitgevoerd.

  • 3. 
    Elke verbrandingskamer van een afvalverbrandingsinstallatie wordt uitgerust met ten

minste één hulpbrander. Deze brander moet automatisch worden ingeschakeld wanneer de

temperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van verbrandingslucht tot

onder de in lid 2 vastgestelde temperatuur zakt. Hij moet ook tijdens de inwerkingstelling

en de stillegging van de installatie worden gebruikt teneinde ervoor te zorgen dat die

temperatuur gedurende bedoelde werkzaamheden steeds wordt gehandhaafd zolang zich

onverbrande afvalstoffen in de verbrandingskamer bevinden.

Er worden geen brandstoffen naar de hulpbrander toegevoerd die hogere emissies kunnen

veroorzaken dan bij het stoken van gasolie als omschreven in artikel 2, punt 2, van

Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het

zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen1, vloeibaar gas of aardgas het geval is.

  • 4. 
    Afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties maken gebruik van een

automatisch systeem ter voorkoming dat afval wordt toegevoerd in de volgende situaties:

  • a) 
    bij het in werking stellen, totdat de in lid 2 van dit artikel vastgestelde temperatuur

dan wel de volgens artikel 51, lid 1, aangegeven temperatuur is bereikt;

  • b) 
    wanneer de in lid 2 van dit artikel vastgestelde temperatuur dan wel de volgens

artikel 51, lid 1, aangegeven temperatuur niet gehandhaafd blijft;

  • c) 
    wanneer de continumetingen uitwijzen dat een emissiegrenswaarde wordt

overschreden als gevolg van storingen of defecten in de rookgasreinigingsapparatuur.

  • 5. 
    De warmte die door afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties

wordt opgewekt, wordt voor zover doenlijk teruggewonnen.

  • 6. 
    Infectieus ziekenhuisafval wordt direct in de oven geplaatst, zonder eerst met andere

afvalcategorieën te worden vermengd en zonder rechtstreeks te worden aangeraakt.

  • 7. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat afvalverbrandingsinstallaties of

afvalmeeverbrandingsinstallaties worden geëxploiteerd door en onder de controle staan

van een natuurlijke persoon die bevoegd is om de installatie te beheren.

Artikel 51

Toestemming voor wijziging van de exploitatievoorwaarden

  • 1. 
    Mits aan de overige voorschriften van dit hoofdstuk wordt voldaan, kunnen door de

bevoegde autoriteit voorwaarden worden toegestaan die verschillen van die van de leden 1,

2 en 3 van artikel 50 en, wat de temperatuur betreft, van lid 4 van dat artikel, en die in de

vergunning voor bepaalde categorieën afval of voor bepaalde thermische processen worden

omschreven. De lidstaten kunnen regels stellen voor dergelijke toestemmingen.

  • 2. 
    Voor afvalverbrandingsinstallaties mag de wijziging van de exploitatievoorwaarden er niet

toe leiden dat meer residuen of residuen met een hoger gehalte aan organische

verontreinigende stoffen worden geproduceerd dan te verwachten is onder de in de leden 1,

2 en 3 van artikel 50 genoemde voorwaarden.

  • 3. 
    De emissies van de totale hoeveelheid organische koolstof en CO van

afvalverbrandingsinstallaties die overeenkomstig lid 1 toestemming krijgen om afwijkende

exploitatievoorwaarden toe te passen, dienen tevens te voldoen aan de

emissiegrenswaarden van bijlage VI, deel 3.

De emissies van de totale hoeveelheid organische koolstof van schorsovens in de

papierpulp- en papierindustrie die afval meeverbranden op de plaats van productie, die

vóór 28 december 2002 in bedrijf waren en over een vergunning beschikten en die

overeenkomstig lid 1 toestemming krijgen om afwijkende exploitatievoorwaarden toe te

passen, dienen tevens te voldoen aan de emissiegrenswaarden van deel 3 van bijlage VI.

  • 4. 
    De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle op grond van de leden 1, 2 en 3

toegestane exploitatievoorwaarden alsmede van de uitslagen van de verrichte controles als

onderdeel van de krachtens de rapportageverplichtingen van artikel 72 verstrekte

informatie.

Artikel 52

Aflevering en inontvangstneming van afval

  • 1. 
    De exploitant van de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie treft

in samenhang met de aflevering en inontvangstneming van de afvalstoffen alle nodige

voorzorgsmaatregelen om de verontreiniging van lucht, bodem, oppervlaktewater en

grondwater alsmede andere negatieve milieueffecten, geurhinder en geluidshinder en

directe risico's voor de menselijke gezondheid te voorkomen of zoveel mogelijk te

beperken.

  • 2. 
    De exploitant stelt, indien mogelijk overeenkomstig de bij Beschikking 2000/532/EG

vastgestelde Europese lijst van afvalstoffen, de massa van elke afvalsoort vast, voordat het

afval bij de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt

aanvaard.

  • 3. 
    Voordat gevaarlijke afvalstoffen bij de afvalverbrandingsinstallatie of

afvalmeeverbrandingsinstallatie worden aanvaard, vergaart de exploitant de beschikbare

informatie over de afvalstoffen teneinde te verifiëren of aan de vergunningsvoorwaarden

van artikel 45, lid 2, is voldaan.

Deze informatie behelst de volgende elementen:

  • a) 
    alle administratieve informatie over het opwekkingsproces als vervat in de
  • b) 
    de fysische en, voor zover doenlijk, de chemische samenstelling van de afvalstoffen,

alsmede alle overige benodigde gegevens voor de beoordeling van de geschiktheid

van die stoffen voor het beoogde verbrandingsproces;

  • c) 
    de gevaarlijke eigenschappen van de afvalstoffen, de stoffen waarmee zij niet mogen

worden gemengd en de bij behandeling van de afvalstoffen te treffen

voorzorgsmaatregelen.

  • 4. 
    Voordat de gevaarlijke afvalstoffen bij de afvalverbrandingsinstallatie of

afvalmeeverbrandingsinstallatie worden aanvaard, volgt de exploitant van de installatie ten

minste de volgende procedures:

  • a) 
    controle van de documenten die vereist zijn op grond van Richtlijn 2008/98/EG

alsmede, in voorkomend geval, op grond van Verordening (EEG) nr. 1013/2006 van

het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging

van afvalstoffen1 en de wetgeving inzake het vervoer van gevaarlijke goederen;

  • b) 
    behalve wanneer dit niet gepast is, representatieve bemonstering, zo mogelijk

voordat de lading wordt gelost, om aan de hand van controles na te gaan of de

monsters met de in lid 3 bedoelde informatie overeenstemmen en om het de

bevoegde autoriteiten mogelijk te maken de aard van de behandelde afvalstoffen vast

te stellen.

De onder b) bedoelde monsters worden gedurende ten minste een maand na de verbranding

  • 5. 
    De bevoegde autoriteit kan afwijkingen van de leden 2, 3 en 4 toestaan voor

afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties die deel uitmaken van

een onder hoofdstuk II vallende installatie en die uitsluitend binnen die installatie zelf

geproduceerd afval verbranden of meeverbranden.

Artikel 53

Residuen

  • 1. 
    Het ontstaan van residuen en de schadelijkheid daarvan worden tot een minimum beperkt.

De residuen worden, in voorkomend geval, in de installatie zelf of daarbuiten gerecycleerd.

  • 2. 
    Vervoer en tussentijdse opslag van droge residuen in de vorm van stof geschieden op

zodanige wijze dat verspreiding van die residuen in het milieu voorkomen wordt.

  • 3. 
    Voordat de methoden van verwijdering of recycling van de residuen worden vastgesteld,

worden passende tests uitgevoerd om na te gaan welke de fysische en chemische

eigenschappen en het verontreinigend vermogen van de residuen zijn. Die tests hebben

betrekking op de totale oplosbare fractie en de oplosbare fractie zware metalen.

Artikel 54

Belangrijke wijziging

Een wijziging van de exploitatie van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandings-

installatie waar uitsluitend ongevaarlijk afval wordt verwerkt in een onder hoofdstuk II vallende

installatie, wordt, indien zij de verbranding of meeverbranding van gevaarlijk afval met zich

meebrengt, beschouwd als een belangrijke wijziging.

Artikel 55

Verslaglegging en publieksvoorlichting over afvalverbrandingsinstallaties

en afvalmeeverbrandingsinstallaties

  • 1. 
    Aanvragen voor nieuwe vergunningen voor afvalverbrandingsinstallaties en

afvalmeeverbrandingsinstallaties worden gedurende een passende periode op een of meer

plaatsen ter inzage gelegd van het publiek, opdat het publiek opmerkingen over de

aanvragen kan maken vooraleer de bevoegde autoriteit een besluit neemt. Dit besluit, dat

ten minste een afschrift van de vergunning moet omvatten, alsmede eventuele latere

actualiseringen daarvan, moeten eveneens openbaar worden gemaakt.

  • 2. 
    Voor afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties met een nominale

capaciteit van twee ton of meer per uur omvat het in artikel 72 bedoelde verslag informatie

over de werking van en de controle op de installatie en wordt daarin een beeld geschetst

van het verloop van het verbrandings- of meeverbrandingsproces en van het niveau van de

emissies in de lucht en in water in vergelijking met de emissiegrenswaarden. Deze

informatie wordt beschikbaar gesteld voor het publiek.

  • 3. 
    De bevoegde autoriteit stelt een lijst op van de afvalverbrandingsinstallaties en

afvalmeeverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van minder dan twee ton per

uur en stelt deze ter beschikking van het publiek.

HOOFDSTUK V

Bijzondere bepalingen voor installaties waarin

en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt

Artikel 56

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op de in bijlage VII, deel 1, vermelde activiteiten en, voor zover

van toepassing, wanneer de in deel 2 van die bijlage vermelde verbruiksdrempels worden bereikt.

Artikel 57

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende definities:

  • 1) 
    "bestaande installatie": een installatie die in bedrijf is op 29 maart 1999 of die vóór

1 april 2001 een vergunning heeft verkregen of is geregistreerd, of waarvan de exploitant

vóór 1 april 2001 een volledige aanvraag om een vergunning heeft ingediend, mits die

installatie uiterlijk 1 april 2002 in gebruik is genomen;

  • 2) 
    "rookgassen": de uiteindelijke uitworp in de lucht van gassen met vluchtige organische
  • 3) 
    "diffuse emissie": emissie, in een andere vorm dan van rookgassen, van vluchtige

organische stoffen in lucht, bodem of water alsmede oplosmiddelen die zich in enig

product bevinden, tenzij anders vermeld in bijlage VII, deel 2;

  • 4) 
    "totale emissie": de som van diffuse emissies en emissies van rookgassen;
  • 5) 
    "mengsel: een mengsel zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG)

nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de

registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische

stoffen (REACH) en tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen1,

  • 6) 
    "kleefstof": een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde

organische oplosmiddelen of organische oplosmiddelen bevattende mengsels, dat wordt

gebruikt om afzonderlijke delen van een product samen te kleven;

  • 7) 
    "inkt": een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische

oplosmiddelen of organische oplosmiddelen bevattende mengsels, dat bij een drukactiviteit

wordt gebruikt om een tekst of afbeeldingen op een oppervlak af te drukken;

  • 8) 
    "lak": een doorzichtige coating;
  • 9) 
    "verbruik": de totale input van organische oplosmiddelen per kalenderjaar of een andere

periode van twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele vluchtige

organische stoffen die voor hergebruik zijn teruggewonnen;

  • 10) 
    "input": de hoeveelheid organische oplosmiddelen en de hoeveelheid daarvan in mengsels

die tijdens het uitoefenen van een activiteit worden gebruikt, met inbegrip van de binnen

en buiten de installatie gerecycleerde oplosmiddelen, die telkens worden meegerekend

wanneer zij worden gebruikt om de activiteit uit te oefenen;

  • 11) 
    "hergebruik": het gebruik van uit een installatie teruggewonnen organische oplosmiddelen

voor elk technisch of commercieel doel, met inbegrip van het gebruik als brandstof maar

met uitzondering van de definitieve verwijdering van deze teruggewonnen organische

oplosmiddelen als afval;

  • 12) 
    "gesloten systeem": een systeem dat zodanig functioneert dat de uit de activiteit

vrijkomende vluchtige organische stoffen beheerst worden afgevangen en uitgestoten,

hetzij via een rookgaskanaal of via nabehandelingsapparatuur, en derhalve niet volledig

diffuus zijn;

  • 13) 
    "opstarten en stilleggen": activiteiten, met uitzondering van regelmatig oscillerende

activiteitenfasen, die worden uitgevoerd wanneer een activiteit, een deel van de installatie

of een reservoir in of buiten bedrijf wordt gesteld of in of uit de onbelaste toestand wordt

Artikel 58

Vervanging van gevaarlijke stoffen

Stoffen of mengsels die van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F zijn of

moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan vluchtige organische stoffen die krachtens

Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn ingedeeld als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de

voortplanting, worden voor zover mogelijk binnen zo kort mogelijke tijd door minder schadelijke

stoffen of mengsels vervangen.

Artikel 59

Controle van de emissies

  • 1. 
    De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat elke installatie aan een

van de volgende eisen voldoet:

  • a) 
    de emissie van vluchtige organische stoffen uit installaties is niet hoger dan de

emissiegrenswaarden voor rookgassen en de diffuse-emissiegrenswaarden of de

totale emissiegrenswaarden, en er wordt voldaan aan de overige voorschriften van

bijlage VII, delen 2 en 3;

  • b) 
    de installatie voldoet aan de eisen van het reductieprogramma die zijn opgenomen in

bijlage VII, deel 5, mits een emissiebeperking wordt bereikt die gelijkwaardig is aan

die welke bij toepassing van de onder a) bedoelde emissiegrenswaarden zou zijn

bereikt.

De lidstaten brengen overeenkomstig artikel 72, lid 1, verslag uit bij de Commissie over de

vorderingen die zijn gemaakt bij de onder punt b) bedoelde gelijkwaardige

emissiebeperking.

  • 2. 
    In afwijking van lid 1, onder a), wanneer de exploitant de bevoegde autoriteit het bewijs

levert dat de diffuse-emissiegrenswaarde technisch en economisch niet haalbaar is voor

een afzonderlijke installatie, kan de bevoegde autoriteit toestaan dat de emissie die

emissiegrenswaarde overschrijdt op voorwaarde dat er geen aanmerkelijke risico's voor de

menselijke gezondheid of het milieu zijn te verwachten en de exploitant de bevoegde

autoriteit het bewijs levert dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare

technieken.

  • 3. 
    In afwijking van lid 1, kan de bevoegde autoriteit, voor de onder punt 8 van de tabel in

bijlage VII, deel 2, bedoelde coatingprocessen die niet in een gesloten systeem kunnen

worden toegepast, toestaan dat de emissies van de installatie niet voldoen aan de in dat lid

opgenomen eisen, indien de exploitant de bevoegde autoriteit het bewijs levert dat het

technisch en economisch niet haalbaar is daaraan te voldoen en dat gebruik wordt gemaakt

van de beste beschikbare technieken.

  • 4. 
    De lidstaten brengen over de in de leden 2 en 3 bedoelde uitzonderingen verslag uit bij de

Commissie overeenkomstig artikel 72, lid 2.

  • 5. 
    De emissie van vluchtige organische stoffen die zijn of moeten zijn voorzien van de

gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F, dan wel van gehalogeneerde

vluchtige organische stoffen die zijn of moeten zijn voorzien van de gevarenaanduidingen

H341 of H351 wordt beperkt als in een gesloten systeem, voor zover dit technisch en

economisch haalbaar is, om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen, en

mag de in bijlage VII, deel 4, vermelde emissiegrenswaarden niet overschrijden.

  • 6. 
    Installaties waar twee of meer activiteiten worden verricht die elk de drempelwaarden van

bijlage VII, deel 2, overschrijden, moeten,

  • a) 
    ten aanzien van de in lid 5 gespecificeerde stoffen, voor elke activiteit afzonderlijk

voldoen aan de in dat lid vermelde eisen;

  • b) 
    ten aanzien van alle andere stoffen:
  • i) 
    hetzij voor elke activiteit afzonderlijk voldoen aan de in lid 1 vermelde eisen,
  • ii) 
    hetzij een totale emissie van vluchtige organische stoffen hebben die niet hoger

is dan bij toepassing van punt i) het geval zou zijn geweest.

  • 7. 
    Alle passende voorzorgsmaatregelen worden getroffen om de emissies van vluchtige

organische stoffen bij het starten en stilleggen van de installatie tot een minimum te

beperken.

Artikel 60

Monitoring van emissies

De lidstaten zorgen ervoor, hetzij door vermelding in de vergunningsvoorwaarden, hetzij door

middel van algemeen bindende voorschriften dat de emissies overeenkomstig bijlage VII, deel 6,

worden gemeten.

Artikel 61

Inachtneming van emissiegrenswaarden

De emissiegrenswaarden voor rookgassen worden beschouwd in acht te zijn genomen, indien wordt

voldaan aan de voorwaarden van bijlage VII, deel 8.

Artikel 62

Verslaglegging over de naleving van de voorwaarden

De exploitant verstrekt de bevoegde autoriteit desgevraagd gegevens op basis waarvan de bevoegde

autoriteit kan nagaan of de volgende voorwaarden zijn nageleefd:

  • a) 
    de emissiegrenswaarden voor rookgassen, de diffuse- en de totale emissiegrenswaarden,
  • b) 
    de eisen van het reductieprogramma krachtens bijlage VII, deel 5,
  • c) 
    de overeenkomstig artikel 59, leden 2 en 3, toegestane uitzonderingen.

Dit kan een oplosmiddelenboekhouding bevatten dat is opgesteld overeenkomstig bijlage VII,

deel 7.

Artikel 63

Belangrijke wijziging van bestaande installaties

  • 1. 
    Een wijziging in de massa organische oplosmiddelen die een installatie gemiddeld op één

dag maximaal als input gebruikt, als de installatie bij de ontwerpoutput in andere

omstandigheden dan opstarten, stilleggen en onderhoud functioneert, wordt als belangrijk

beschouwd indien deze leidt tot een verhoging van de emissie van vluchtige organische

stoffen van meer dan:

  • a) 
    25% voor een installatie waarin activiteiten worden verricht die binnen de laagste

drempelwaarde-interval van de punten 1, 3, 4, 5, 8, 10, 13, 16 of 17 van de tabel in

bijlage VII, deel 2, vallen of activiteiten die onder een van de andere punten van

bijlage VII, deel 2, vallen, en die minder dan 10 ton oplosmiddel per jaar gebruikt;

  • b) 
    10% voor alle andere installaties.
  • 2. 
    Wanneer een bestaande installatie een belangrijke wijziging ondergaat of na een

belangrijke wijziging voor het eerst onder de richtlijn valt, wordt dat deel van de installatie

dat de belangrijke wijziging heeft ondergaan behandeld als nieuwe installatie dan wel als

een bestaande installatie, mits de totale emissies van de gehele installatie niet hoger zijn

dan wanneer het deel dat belangrijke wijzigingen heeft ondergaan als nieuwe installatie

was behandeld.

  • 3. 
    In geval van een belangrijke wijziging gaat de bevoegde autoriteit opnieuw na of de

installatie aan de eisen van deze richtlijn voldoet.

Artikel 64

Uitwisseling van informatie over de vervanging van organische oplosmiddelen

De Commissie organiseert een uitwisseling van informatie met de lidstaten, de betrokken industrie

en niet-gouvernementele organisaties die zich voor de milieubescherming inzetten, over het gebruik

van organische oplosmiddelen en mogelijke vervangingsproducten. en over technieken met de

potentieel geringste gevolgen voor lucht, water, bodem, ecosystemen en de menselijke gezondheid.

Informatie wordt uitgewisseld over alle volgende onderwerpen:

  • a) 
    de geschiktheid voor het gebruik,
  • b) 
    de mogelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid in het algemeen en voor

beroepsmatige blootstelling in het bijzonder,

  • c) 
    de mogelijke gevolgen voor het milieu,
  • d) 
    de economische gevolgen, met name de kosten en baten van de beschikbare

mogelijkheden.

Artikel 65

Toegang tot informatie

  • 1. 
    Het besluit van de bevoegde autoriteit, met inbegrip van ten minste een afschrift van de

vergunning, en eventuele latere actualiseringen daarvan zijn voor het publiek toegankelijk.

De algemeen bindende voorschriften voor installaties en de lijst van installaties die aan een

vergunnings- of registratieplicht zijn onderworpen, zijn voor het publiek toegankelijk.

  • 2. 
    De resultaten van de bij artikel 60 verplicht gestelde monitoring van emissies waarover de

bevoegde autoriteit beschikt, zijn voor het publiek toegankelijk.

  • 3. 
    De leden 1 en 2 zijn van toepassing met inachtneming van de beperkingen die bij artikel 4,

leden 1 en 2, van Richtlijn 2003/4/EG zijn vastgesteld.

HOOFDSTUK VI

Bijzondere bepalingen voor installaties

die titaandioxide produceren

Artikel 66

Toepassingsgebied

Artikel 67

Verbod op de lozing van afvalstoffen

De lidstaten verbieden de lozing van de volgende afvalstoffen in wateren, zee of oceaan:

  • a) 
    vaste afvalstoffen,
  • b) 
    moederlogen afkomstig uit de filtratiefase na de hydrolyse van de oplossing van

titanylsulfaat van installaties die het sulfaatproces toepassen, waaronder zure afvalstoffen

die met deze logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5% vrij zwavelzuur en

verschillende zware metalen bevatten en, waaronder die moederlogen welke zijn verdund

tot ze 0,5% of minder vrij zwavelzuur bevatten;

  • c) 
    afvalstoffen afkomstig van installaties die het chlorideproces toepassen en die meer dan

0,5% vrij zoutzuur en verschillende zware metalen bevatten, waaronder afvalstoffen die

zijn verdund tot zij 0,5% of minder vrij zoutzuur bevatten;

  • d) 
    filterzouten en slibvormige en vloeibare afvalstoffen die vrijkomen bij de behandeling

(concentratie of neutralisatie) van de onder b) en c) genoemde afvalstoffen en die

verschillende zware metalen bevatten, maar met uitsluiting van geneutraliseerde en

gefilterde of gedecanteerde afvalstoffen die slechts sporen van zware metalen bevatten en

die, vóór enigerlei verdunning, een pH-waarde van meer dan 5,5 hebben.

Artikel 68

Controle van emissies in het water

Emissies van installaties in het water mogen de in bijlage VIII, deel 1, vermelde

emissiegrenswaarden niet overschrijden.

Artikel 69

Preventie en controle van emissies in de lucht

  • 1. 
    De emissie van zuurdruppels uit installaties moet worden voorkomen.
  • 2. 
    Emissies uit installaties in de lucht mogen de in bijlage VIII, deel 2, vermelde

emissiegrenswaarden niet overschrijden.

Artikel 70

Monitoring van emissies

  • 1. 
    De lidstaten dragen zorg voor de monitoring van emissies in het water, zodat de bevoegde

autoriteit kan controleren of voldaan wordt aan de vergunningsvoorwaarden en artikel 68.

  • 2. 
    De lidstaten dragen zorg voor de monitoring van emissies in de lucht, zodat de bevoegde

autoriteit kan controleren of voldaan wordt aan de vergunningsvoorwaarden en artikel 69.

Een dergelijke monitoring omvat ten minste de monitoring van emissies als beschreven in

  • 3. 
    De monitoring wordt verricht overeenkomstig de CEN-normen of, indien CEN-normen

ontbreken, de ISO-normen, de nationale of andere internationale normen die gegevens van

een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.

HOOFDSTUK VII

Comité, overgangsbepalingen en slotbepalingen

Artikel 71

Bevoegde autoriteiten

De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor het nakomen van de

verplichtingen die uit deze richtlijn voortvloeien.

Artikel 72

Verslaglegging door de lidstaten

  • 1. 
    De lidstaten verstrekken de Commissie informatie over de uitvoering van deze richtlijn,

over representatieve gegevens over emissies en andere vormen van verontreiniging,

emissiegrenswaarden, de toepassing van de beste beschikbare technieken overeenkomstig

de artikelen 14 en 15 en de vorderingen die zijn gemaakt met betrekking tot de

ontwikkeling en toepassing van technieken in opkomst overeenkomstig artikel 27.

  • 2. 
    De soort, de opmaak en de frequentie van de overeenkomstig lid 1 te verstrekken

informatie worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure bedoeld in artikel 75, lid

  • 2. 
    Dit houdt tevens in dat specifieke activiteiten en verontreinigende stoffen worden

vastgesteld waarvoor de in lid 1 bedoelde gegevens moeten worden verstrekt.

  • 3. 
    De lidstaten stellen vanaf 1 januari 2016 een jaarlijkse inventaris op van de emissies van

zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof en van de energie-input met betrekking tot alle

onder hoofdstuk III van deze richtlijn vallende stookinstallaties.

Rekening houdend met de in artikel 29 vastgestelde samentellingregels, verzamelt de

bevoegde autoriteit voor elke stookinstallatie de volgende gegevens:

  • a) 
    het totaal nominaal thermisch vermogen (MW) van de stookinstallatie;
  • b) 
    het soort stookinstallatie: stoomketel, gasturbine, gasmotor, dieselmotor, andere (met

vermelding van de soort);

  • c) 
    de datum waarop de stookinstallatie in bedrijf is gesteld;
  • d) 
    de totale jaarlijkse emissies (ton per jaar) van zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof

(als totaal zwevende deeltjes);

  • f) 
    het aantal bedrijfsuren van de stookinstallatie;
  • g) 
    de totale hoeveelheid energie die per jaar is gebruikt, uitgedrukt in de calorische

onderwaarde (TJ per jaar) en gespecificeerd voor de volgende categorieën

brandstoffen: kolen, bruinkool, biomassa, turf, andere vaste brandstoffen (met

vermelding van de soort), vloeibare brandstoffen, aardgas of andere gassen (met

vermelding van de soort).

De jaarlijkse inventarisgegevens per installatie worden op verzoek aan de Commissie

verstrekt.

Een samenvatting van deze inventarissen wordt om de drie jaar binnen twaalf maanden na

het einde van de betrokken periode van drie jaar aan de Commissie verstrekt. Daarin

worden de gegevens voor stookinstallaties in raffinaderijen apart aangegeven.

De Commissie stelt de lidstaten en het publiek, binnen 24 maanden na afloop van de

betrokken periode van drie jaar, een samenvatting ter beschikking van de vergelijking en

beoordeling van deze inventarissen, overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG.

  • 4. 
    Vanaf 1 januari 2016 stellen de lidstaten de Commissie jaarlijks in kennis van de volgende

gegevens:

  • a) 
    voor stookinstallaties waarop artikel 31 van toepassing is, het zwavelgehalte van de

gebruikte, inheemse vaste brandstof en het bereikte ontzwavelingspercentage,

  • b) 
    voor stookinstallaties die niet meer dan 1 500 uur per jaar in bedrijf zijn

(voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar), het aantal bedrijfsuren

per jaar.

Artikel 73

Evaluatie

  • 1. 
    Uiterlijk ...* en vervolgens om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement

en de Raad een verslag in waarin de uitvoering van deze richtlijn wordt geëvalueerd aan de

hand van de in artikel 67 bedoelde informatie, dat zonodig vergezeld gaat van een

wetgevingsvoorstel.

  • 2. 
    De Commissie evalueert uiterlijk 31 december 2012
  • a) 
    of een controle moet worden ingesteld op de emissies van:
  • i) 
    het stoken van brandstoffen in installaties met een totaal nominaal thermisch

vermogen van minder dan 50 MW;

  • ii) 
    de intensieve rundveehouderij; en
  • iii) 
    het uitrijden van mest; en
  • b) 
    of er in bijlage I het volgende moet worden vastgesteld:
  • i) 
    gedifferentieerde capaciteitsdrempelwaarden voor het houden van

verschillende pluimveesoorten;

  • ii) 
    capaciteitsdrempelwaarden voor het gelijktijdig houden van verschillende

soorten dieren in dezelfde installatie.

De Commissie deelt de resultaten van die evaluatie mee aan het Europees Parlement en de

Raad, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 74

Wijzigingen van de bijlagen

Teneinde de bepalingen van deze richtlijn met behulp van de beste beschikbare technieken aan te

passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang , stelt de Commissie gedelegeerde

handelingen vast overeenkomstig artikel 76 ten aanzien van de aanpassing van bijlage V, delen 3

en 4, bijlage VI, delen 2, 6, 7 en 8, bijlage VII, delen 5, 6, 7 en 8.

Artikel 75

Comitéprocedure

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door een comité.
  • 2. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van

toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op

drie maanden.

Artikel 76

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

  • 1. 
    De bevoegdheid om de in artikel 74 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen,

wordt aan de Commissie toegekend vooreen periode van vijf jaar na de inwerkingtreding

van deze richtlijn. De Commissie stelt uiterlijk zes maanden voor het einde van de periode

van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie

wordt automatisch verlengd met dezelfde periode, tenzij het Europees Parlement of de

Raad de bevoegdheid intrekt overeenkomstig artikel 77.

  • 2. 
    Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees

Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

Artikel 77

Intrekking van de bevoegdheidsdelegatie

  • 1. 
    De in artikel 74 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan door het Europees Parlement of de

Raad worden ingetrokken.

  • 2. 
    De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij de

bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, brengt de andere instelling en de Commissie

hiervan uiterlijk een maand voordat een definitief besluit wordt genomen, op de hoogte en

geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken en

waarom.

  • 3. 
    Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het

besluit worden vermeld. Het besluit treedt onmiddellijk in werking of op een latere datum

die in het besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht

zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het besluit wordt bekendgemaakt in het

Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 78

Bezwaar tegen gedelegeerde handelingen

  • 1. 
    Het Europees Parlement of de Raad kunnen bezwaar aantekenen tegen de gedelegeerde

handelingbinnen drie maanden na de datum van kennisgeving.Het Europees Parlement of

de Raad kunnen bezwaar aantekenen tegen de gedelegeerde handelingbinnen twee

maanden na de datum van kennisgeving. Op initiatief van het Europees Parlement of de

Raad wordt deze termijn met een maand verlengd.

  • 2. 
    Indien noch het Europees Parlement noch de Raad bij het verstrijken van deze termijn

bezwaar hebben aangetekend tegen de gedelegeerde handeling, of indien het Europees

Parlement en de Raad beide voor die datum aan de Commissie hebben laten weten dat zij

geen bezwaar zullen aantekenen, treedt de gedelegeerde handeling in werking op de daarin

bepaalde datum.

  • 3. 
    Indien het Europees Parlement of de Raad bezwaar aantekent tegen de gedelegeerde

handeling, treedt deze niet in werking. De instelling die bezwaar aantekent tegen de

gedelegeerde handeling, geeft aan om welke redenen zij dit doet.

Artikel 79

Sancties

De lidstaten stellen sancties vast op overtredingen van de nationale bepalingen die op grond van

deze richtln worden vastgesteld. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend

zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlk ...* in kennis van die bepalingen en delen eventuele

latere wijzigingen zo spoedig mogelijk mede.

Artikel 80

Omzetting

  • 1. 
    De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden

om uiterlijk ...* te voldoen aan artikel 2, artikel 3, leden 10 tot en met 13, leden 17 tot en

met 22, leden 25 tot en met 29 en leden 33 tot en met 35, artikel 4, leden 2 en 3, artikel 5,

lid 1, artikel 7, artikelen 8 en 10, artikel 11, onder e) en h), artikel 12, lid 1, onder e) en h),

artikel 13, lid 7, artikel 14, lid 1, onder c), ii), artikel 14, lid 1, onder d), e), f) en h),

artikel 14, leden 2 tot en met 7, artikel 15, leden 2 tot en met 5, artikelen 16, 17 en 19,

artikel 21, leden 2 tot en met 5, artikelen 22 en 23, artikel 24, leden 2, 3 en 4, artikelen 27,

28 en 29, artikel 30, leden 3, 4, 7, 8 en 9, artikelen 31, 32, 33, 34, 35 en 36, artikel 38,

artikel 40, leden 2 en 3, artikelen 41, 42 en 43, artikel 45, leden 1 en 2, artikel 57, lid 1,

artikel 58, artikel 59, lid 5, artikel 63, artikel 70, leden 2 en 3, artikelen 71, 72 en 79, en

Zij passen deze bepalingen vanaf diezelfde datum toe.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in deze bepalingen of bij de

officiële bekendmaking hiervan naar deze richtlijn verwezen. De methoden voor deze

verwijzing wordt vastgesteld door de lidstaten.

  • 2. 
    De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal

recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 81

Intrekking

  • 1. 
    De richtlijnen 78/176/EEG, 82/883/EEG, 92/112/EEG, 1999/13/EG, 2000/76/EG en

2008/1/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IX, deel A, genoemde besluiten, zijn vanaf ...*

niet meer geldig, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de omzetting

in nationaal recht en de toepassing van de in bijlage IX, deel B, genoemde richtlijnen.

  • 2. 
    Richtlijn 2001/80/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IX, deel A, genoemde besluiten, is

met ingang van 1 januari 2016 niet meer geldig, onverminderd de verplichtingen van de

lidstaten wat betreft de termijnen voor omzetting in nationaal recht en de toepassing van de

in bijlage IX, deel B, genoemde richtlijnen.

  • 3. 
    Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar onderhavige

richtlijn en worden gelezen volgens de in bijlage X opgenomen concordantietabel.

Artikel 82

Overgangsbepalingen

  • 1. 
    Wat betreft de installaties die activiteiten verrichten als bedoeld in bijlage I, punt 1.1 voor

activiteiten met een nominaal thermisch vermogen hoger dan 50 MW, punten 1.2 en 1.3,

punt 1.4 a), punten 2.1 tot en met punt 2.6, punten 3.1 tot en met 3.5, punten 4.1 tot en

met 4.6 voor activiteiten betreffende chemische productie door chemische verwerking,

punt 5.1 en 5.2 voor activiteiten vallend onder Richtlijn 2008/1/EG punt 5.3, onder a).i

en ii), punt 5.4, punt 6.1, onder a) en b), punten 6.2 en 6.3, punt 6.4, onder c), punten 6.5

tot en met 6.9 die in bedrijf zijn en een vergunning hebben voor ... of die een volledige

aanvraag voor een vergunning hebben ingediend voor die datum mits die installaties

uiterlijk ... in gebruik worden genomen, passen de lidstaten vanaf ....** de wettelijke en

bestuursrechtelijke bepalingen toe die overeenkomstig artikel 80, lid 1, zijn vastgesteld,

met uitzondering van hoofdstuk III en bijlage V.

  • 2. 
    Wat betreft de installaties die activiteiten verrichten als bedoeld in bijlage I, punt 1.1 voor

activiteiten met een nominaal thermisch vermogen van 50 MW, punt 1.4, onder b),

punten 4.1 tot en met 4.6 voor activiteiten betreffende productie door biologische

verwerking, punten 5.1en 5.2 voor activiteiten die niet onder Richtlijn 2008/1/EG vallen,

punt 5.3, onder a), iii) tot v) en punt 5.3, onder b), punten 5.5 en 5.6, punt 6.1, onder c),

punt 6.4, onder b), voor activiteiten die niet onder Richtlijn 2008/1/EG vallen en

punten 6.10 en 6.11 passen de lidstaten vanaf ... de wettelijke en bestuursrechtelijke

bepalingen toe die overeenkomstig artikel 80, lid 1, zijn vastgesteld.

  • 3. 
    Wat de in artikel 30, lid 2, bedoelde stookinstallaties betreft, passen de lidstaten vanaf

1 januari 2016 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe die overeenkomstig

artikel 80, lid 1, zijn vastgesteld teneinde te voldoen aan hoofdstuk III en bijlage V.

4 Met betrekking tot de in artikel 30, lid 3, bedoelde stookinstallaties passen de lidstaten

na ... niet langer Richtlijn 2001/80/EG toe.

  • 5. 
    Wat stookinstallaties betreft die ook afval verbranden, is bijlage VI, deel 4, punt 3.1, van

toepassing:

  • a) 
    tot en met 31 december 2015 voor de in artikel 30, lid 2, bedoelde stookinstallaties;
  • b) 
    ... * voor de in artikel 30, lid 3, bedoelde stookinstallaties.
  • 6. 
    Bijlage VI, deel 4, punt 3.2, is van toepassing op stookinstallaties die ook afval

verbranden:

  • a) 
    vanaf 1 januari 2016 voor de in artikel 30, lid 2, bedoelde stookinstallaties;
  • b) 
    vanaf ...* voor de in artikel 30, lid 3, bedoelde stookinstallaties.
  • 7. 
    Artikel 58, lid 3, is van toepassing vanaf 1 juni 2015. Tot die datum geldt: stoffen of

mengsels die van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F of de

risicozinnen R45, R46, R49, R60 of R61, zijn of moeten zijn voorzien wegens hun gehalte

aan vluchtige organische stoffen die krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn

ingedeeld als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting, worden voor

zover mogelijk binnen zo kort mogelijke tijd door minder schadelijke stoffen of mengsels

vervangen.

  • 8. 
    Artikel 59, lid 4, is van toepassing vanaf 1 juni 2015. Tot die datum geldt: de emissie van

vluchtige organische stoffen die zijn of moeten zijn voorzien van de gevarenaanduidingen

H340, H350, H350i, H360D of H360F, of de risicozinnen R45, R46, R49, R60 of R61, of

van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen die zijn of moeten zijn voorzien van de

gevarenaanduidingen H341 of H351 of de risicozinnen R40 of R68, wordt beperkt als in

een gesloten systeem, voor zover dit technisch en economisch haalbaar is, om de

gezondheid van de mens en het milieu te beschermen, en mag de in bijlage VII, deel 4,

vermelde emissiegrenswaarden niet overschrijden.

  • 9. 
    Bijlage VII, deel 4, punt 2, is van toepassing vanaf 1 juni 2015. Tot die datum geldt: voor

emissies van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen die zijn of moeten zijn voorzien

van de gevarenaanduidingen H341 of H351 of de risicozinnen R40 of R68, waarbij de

massastroom van de som van de stoffen waarvoor de gevarenaanduidingen H341 of H351

of de etikettering R40 of R68 verplicht zijn, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, moet een

emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde"

geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.

Artikel 83

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het

Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 84

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

De in artikel 10 bedoelde categorieën van activiteiten

De hieronder genoemde drempelwaarden hebben in het algemeen betrekking op de

productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer in dezelfde installatie verscheidene,

onder dezelfde beschrijving vallende activiteiten met drempelwaarde, worden uitgeoefend, worden

de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld. Voor afvalbeheeractiviteiten is deze

berekeningsmethode van toepassing op de activiteitenniveaus 5.1 en 5.3, onder a) en b).

De Commissie stelt richtsnoeren vast over:

  • a) 
    het verband tussen in deze bijlage beschreven afvalbeheeractiviteiten en die welke staan

beschreven in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2008/98/EG; en

  • b) 
    de interpretatie van de term "industriële schaal" met betrekking tot de beschrijving van de

in deze bijlage beschreven activiteiten van de chemische industrie.

  • 1. 
    Energie-industrieën

1.1 Het stoken in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW

of meer

1.2. Het raffineren van aardolie en gas.

1.3. De productie van cokes

1.4. Het vergassen of vloeibaar maken van:

  • a) 
    steenkool;
  • b) 
    andere brandstoffen in installaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van

20 MW of meer.

  • 2. 
    Productie en verwerking van metalen

2.1. Het roosten of sinteren van ertsen, met inbegrip van zwavelhoudend erts.

2.2. De productie van ijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van

continugieten met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur.

2.3. De verwerking van ferrometalen door:

  • a) 
    warmwalsen met een capaciteit van meer dan 20 ton ruwstaal per uur;
  • b) 
    smeden met hamers met een slagarbeid van meer dan 50 kilojoule per hamer,

wanneer een thermisch vermogen van meer dan 20 MW wordt gebruikt;

  • c) 
    het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal, met een verwerkingscapaciteit

van meer dan 2 ton ruwstaal per uur.

2.4. Het smelten van ferrometalen met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

2.5. De verwerking van non-ferrometalen:

  • a) 
    de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire

grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procédés;

  • b) 
    het smelten, met inbegrip van het legeren van non-ferrometalen, inclusief

terugwinningsproducten en het gieten van non-ferrometalen met een smeltcapaciteit

van meer dan 4 ton per dag voor lood en cadmium of 20 ton per dag voor alle andere

metalen.

2.6. Oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of

chemisch procédé, wanneer de inhoud van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30

m3 bedraagt.

  • 3. 
    Minerale industrie

3.1. De productie van cement, ongebluste kalk en magnesiumoxide:

  • a) 
    productie van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer

dan 500 ton per dag, of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50

ton per dag;

  • b) 
    productie van ongebluste kalk in ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50

ton per dag;

  • c) 
    productie van magnesiumoxide in ovens met een productiecapaciteit van meer dan

50 ton per dag.

3.2. De winning van asbest of de fabricage van asbestproducten.

3.3. De fabricage van glas, met inbegrip van de fabricage van glasvezels, met een

smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

3.4. Het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van de fabricage van mineraalvezels, met

een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

3.5. Het fabriceren van keramische produkten door middel van verhitting, met name

dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein met een

productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag en/of met een ovencapaciteit van meer dan

4 m3 en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3.

  • 4. 
    Chemische industrie

Voor de doeleinden van dit deel wordt onder fabricage in de zin van de categorieën

activiteiten in dit deel verstaan de fabricage van de in 4.1 tot en met 4.6 genoemde stoffen

of groepen stoffen op industriële schaal door chemische of biologische omzetting.

4.1. De fabricage van organisch-chemische producten, zoals:

  • a) 
    eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde,

alifatische of aromatische),

  • b) 
    zuurstofhoudende koolwaterstoffen, zoals alcoholen, aldehyden, ketonen,

carbonzuren, esters en mengsels van esters, acetaten, ethers, peroxyden en

epoxyharsen,

  • c) 
    zwavelhoudende koolwaterstoffen,
  • d) 
    stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en

nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten, isocyanaten,

  • e) 
    fosforhoudende koolwaterstoffen,
  • f) 
    halogeenhoudende koolwaterstoffen,
  • g) 
    organometaalverbindingen,
  • h) 
    kunststof producten (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels),
  • i) 
    synthetische rubber,
  • j) 
    kleurstoffen en pigmenten,

4.2. De fabricage van anorganisch-chemische producten,

zoals:

  • a) 
    gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof,

kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide,

carbonylchloride,

  • b) 
    zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur,

zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur,

  • c) 
    basen, zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide, natriumhydroxide,
  • d) 
    zouten, zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcarbonaat,

natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat,

  • e) 
    niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals

calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide.

4.3. De fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of

samengestelde meststoffen).

4.4. De fabricage van producten voor gewasbescherming of van biociden.

4.5. De fabricage van farmaceutische producten met inbegrip van tussenproducten.

4.6. De fabricage van explosieven.

  • 5. 
    Afvalbeheer

5.1. De verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van

meer dan 10 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten:

  • a) 
    biologische behandeling,
  • b) 
    fysisch-chemische behandeling,
  • c) 
    mengen of vermengen voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde

behandelingen,

  • d) 
    herverpakking voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen,
  • e) 
    terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen,
  • f) 
    recycling/terugwinning van andere anorganische materialen dan metalen of

metaalverbindingen,

  • g) 
    regeneratie van zuren of basen,
  • h) 
    terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan;
  • i) 
    terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren;
  • j) 
    herraffinage van olie en ander hergebruik van olie;
  • k) 
    opslag in waterbekkens.

5.2. De verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of

afvalmeeverbrandingsinstallaties voor:

  • a) 
    ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur;
  • b) 
    gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag.

5.3. a) De verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50

ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met

uitzondering van de activiteiten bedoeld in Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21

mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater1:

  • i) 
    biologische behandeling,
  • ii) 
    fysisch-chemische behandeling,
  • iii) 
    voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding,
  • iv) 
    behandeling van slakken en assen,
  • v) 
    behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte

elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen

daarvan.

  • b) 
    Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van

ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel

van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die

onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen:

  • i) 
    biologische behandeling;
  • ii) 
    voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;
  • iii) 
    behandeling van slakken en as;
  • iv) 
    behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische

en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.

Indien de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaërobe vergisting, bedraagt de

maximale capaciteit voor deze activiteit 100 ton per dag.

5.4 Stortplaatsen, als gedefinieerd in artikel 2, onder g), van Richtlijn 1999/31/EG, die meer

dan 10 ton afval per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25000 ton

hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.

5.5 Tijdelijke opslag van niet onder punt 5.4. vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting

van een van de onder de punten 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen, met een totale

capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan

inzameling, op de plaats van productie.

5.6 Ondergrondse opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een totale capaciteit van meer dan

50 ton.

  • 6. 
    Andere activiteiten

6.1. De fabricage, in industriële installaties van:

  • a) 
    papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen,
  • b) 
    papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag.
  • c) 
    een of meer van de volgende platen en panelen van hout: oriented strand board

(OSB), spaanplaat of vezelplaat met een productiecapaciteit van meer dan 600 m³ per

dag.

6.2. De voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van textiel vezels

of textiel met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.

6.3. Het looien van huiden met een verwerkingscapaciteit van meer dan 12 ton eindproducten

per dag.

6.4. a) De exploitatie van slachthuizen met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per

dag geslachte dieren;

  • b) 
    De bewerking en verwerking behalve het uitsluitend verpakken, van de volgende

grondstoffen, al dan niet eerder bewerkt of onbewerkt, voor de fabricage van

levensmiddelen of voeder van:

  • i) 
    uitsluitend dierlijke grondstoffen (andere dan uitsluitend melk) met een

productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag eindproducten,

  • ii) 
    uitsluitend plantaardige grondstoffen met een productiecapaciteit van meer dan

300 ton per dag eindproducten of 600 ton per dag eindproducten indien de

installatie gedurende een periode van niet meer dan 90 opeenvolgende dagen in

om het even welk jaar in bedrijf is;,

  • iii) 
    dierlijke en plantaardige grondstoffen, zowel in gecombineerde als in

afzonderlijke producten, met een productiecapaciteit in ton per dag van meer

dan:

  • 75 indien A gelijk is aan of hoger dan 10, of
  • [300- (22,5 x A)] in alle andere gevallen,

waarin "A" het aandeel dierlijk materiaal is (in gewichtspercentage ) van de

productiecapaciteit in eindproducten.

De verpakking is niet inbegrepen in het eindgewicht van het product.

Deze onderafdeling is niet van toepassing wanneer de grondstof uitsluitend melk is.

350

a g)

300

e r

d

n p250

e ( t o200

r d

a a150

100

p el w

m50

D r

e

123456789101112

Dierlijke grondstoffen (% van productiecapaciteit in

eindproduct)

  • c) 
    De bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen

melk van meer dan 200 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis).

6.5. De destructie of verwerking van kadavers of dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit

van meer dan 10 ton per dag.

6.6 Intensieve pluimvee- of varkenshouderij:

  • a) 
    met meer dan 40 000 plaatsen voor pluimvee;
  • b) 
    met meer dan 2 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg), of
  • c) 
    met meer dan 750 plaatsen voor zeugen.

6.7 De oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten met behulp van

organische oplosmiddelen, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen

van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren,

met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg organisch oplosmiddel per uur, of meer

dan 200 ton per jaar.

6.8 De fabricage van koolstof (harde gebrande steenkool) of elektrografiet door verbranding of

grafitisering.

6.9. Het afvangen van CO

2-stromen van onder deze richtlijn vallende installaties voor

geologische opslag overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG.

6.10 De conservering van hout en houtproducten met behulp van chemische stoffen met een

productiecapaciteit van meer dan 75 m3 per dag, met uitzondering van de behandeling die

uitsluitend gericht is op het voorkomen van sapvlekken.

6.11 Een niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 91/271/EEG vallende zelfstandig

geëxploiteerde behandeling van afvalwater dat door een onder hoofdstuk II vallende

installatie is geloosd.

BIJLAGE II

Lijst van verontreinigende stoffen

LUCHT

  • 1. 
    Zwaveloxide en andere zwavelverbindingen.
  • 2. 
    Stikstofoxiden en andere stikstofverbindingen.
  • 3. 
    Koolmonoxide.
  • 4. 
    Vluchtige organische stoffen.
  • 5. 
    Metalen en metaalverbindingen.
  • 6. 
    Stof met inbegrip van fijn stof.
  • 7. 
    Asbest (zwevende deeltjes en vezels).
  • 8. 
    Chloor en chloorverbindingen.
  • 9. 
    Fluor en fluorverbindingen.
  • 10. 
    Arseen en arseenverbindingen.
  • 12. 
    Stoffen en mengsels waarvan is aangetoond dat zij via de lucht een kankerverwekkende,

mutagene of voor de voortplanting gevaarlijke werking hebben.

  • 13. 
    Polychloordibenzodioxine en polychloordibenzofuranen.

WATER

  • 1. 
    Organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit in water dergelijke verbindingen

kunnen ontstaan.

  • 2. 
    Organische fosforverbindingen.
  • 3. 
    Organische tinverbindingen.
  • 4. 
    Stoffen en mengsels waarvan is aangetoond dat zij in of via het water een

kankerverwekkende, mutagene of voor de voortplanting gevaarlijke werking hebben.

  • 5. 
    Persistente koolwaterstoffen en persistente en bio-accumuleerbare toxische organische

stoffen.

  • 6. 
    Cyaniden.
  • 7. 
    Metalen en metaalverbindingen.
  • 8. 
    Arseen en arseenverbindingen.
  • 9. 
    Biociden en producten voor gewasbescherming.
  • 10. 
    Stoffen in suspensie.
  • 11. 
    Stoffen die bijdragen tot eutrofiëring (met name nitraten en fosfaten).
  • 12. 
    Stoffen die een negatieve invloed hebben op de zuurstofbalans (en meetbaar zijn aan de

hand van parameters zoals BZV, CZV).

  • 13. 
    Stoffen benoemd in bijlage X van Richtlijn 2000/60/EG.

BIJLAGE III

Criteria voor de bepaling van de beste beschikbare technieken

  • 1. 
    de toepassing van technieken die weinig afval veroorzaken;
  • 2. 
    de toepassing van minder gevaarlijke stoffen;
  • 3. 
    de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en recycling van de

in het proces uitgestoten en gebruikte stoffen en van afval;

  • 4. 
    vergelijkbare processen, apparaten of exploitatiemethoden die met succes op industriële

schaal zijn beproefd;

  • 5. 
    de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;
  • 6. 
    de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;
  • 7. 
    de data van ingebruikneming van de nieuwe of bestaande installaties;
  • 8. 
    de tijd die nodig is voor het omschakelen op een betere beschikbare techniek;
  • 9. 
    het verbruik en de aard van de grondstoffen (met inbegrip van water) en de energie-

efficiëntie;

  • 10. 
    de noodzaak de gevolgen van de emissies en de risico"s voor het milieu te voorkomen of

tot een minimum te beperken;

  • 11. 
    de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te

beperken;

  • 12. 
    door publiekrechtelijke internationale organisaties gepubliceerde informatie.

BIJLAGE IV

Publieke inspraak in de besluitvorming

  • 1. 
    Het publiek wordt (door openbare kennisgevingen of op een andere passende wijze) in een

vroeg stadium van de besluitvormingsprocedure, en uiterlijk zodra de informatie

redelijkerwijs kan worden verstrekt, in kennis gesteld van het volgende:

  • a) 
    de aanvraag om een vergunning of, naar gelang van het geval, het voorstel tot

bijstelling van een vergunning of van vergunningsvoorwaarden overeenkomstig

artikel 21, met de in artikel 12, lid 1, genoemde gegevens;

  • b) 
    indien van toepassing, het feit dat een besluit onderworpen is aan een nationale of

grensoverschrijdende milieueffectbeoordeling of aan overleg tussen lidstaten

overeenkomstig artikel 26;

  • c) 
    nadere gegevens over de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de

besluitvorming, waarbij relevante informatie kan worden verkregen, waaraan

opmerkingen of vragen kunnen worden voorgelegd en nadere gegevens over de

termijnen voor het toezenden van opmerkingen of vragen;

  • d) 
    de aard van de eventuele besluiten of, indien van toepassing, het ontwerp-besluit;
  • e) 
    indien van toepassing, nadere gegevens over een voorstel tot bijstelling van een

vergunning of van de vergunningsvoorwaarden;

  • f) 
    tijd, plaats en wijze van verstrekking van de relevante informatie;
  • g) 
    nadere gegevens over de overeenkomstig punt 5 getroffen regelingen voor inspraak

en raadpleging van het publiek.

  • 2. 
    De lidstaten zorgen ervoor dat het volgende binnen een redelijke termijn ter beschikking

van het betrokken publiek wordt gesteld:

  • a) 
    in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste rapporten en

adviezen die aan de bevoegde autoriteit(en) zijn uitgebracht op het tijdstip waarop

het betrokken publiek wordt geïnformeerd in overeenstemming met punt 1;

  • b) 
    overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG, andere informatie dan de in punt 1 bedoelde

die relevant is voor het besluit overeenkomstig artikel 5 van deze richtlijn en die pas

beschikbaar wordt nadat het betrokken publiek overeenkomstig punt 1 is

geïnformeerd.

  • 3. 
    Het betrokken publiek heeft het recht opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de

bevoegde autoriteit voordat een besluit wordt genomen.

  • 4. 
    De resultaten van de raadplegingen uit hoofde van deze bijlage moeten naar behoren in

aanmerking worden genomen bij de besluitvorming.

  • 5. 
    De nadere regelingen voor het informeren van het publiek (bijvoorbeeld met

aanplakbiljetten binnen een bepaalde omtrek of publicatie in plaatselijke kranten) en de

raadpleging van het betrokken publiek (bijvoorbeeld schriftelijk of met een openbare

enquête) worden bepaald door de lidstaten. Er wordt voor de verschillende fasen in

redelijke termijnen voorzien, die toereikend zijn voor de voorlichting van het publiek en,

voor het betrokken publiek, voor doeltreffende voorbereiding op en inspraak in het

milieubesluitvormingsproces overeenkomstig deze bijlage.

BIJLAGE V

Technische bepalingen inzake stookinstallaties

Deel 1

Emissiegrenswaarden voor de in artikel 30, lid 2, bedoelde stookinstallaties

  • 1. 
    Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk

van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de rookgassen en bij een

gestandaardiseerd O

2-gehalte van 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor stookinstallaties,

met uitzondering van gasturbines en gasmotoren die vloeibare en gasvormige brandstoffen

gebruiken en 15% voor gasturbines en gasmotoren.

  • 2. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO

2 voor stookinstallaties die vaste of vloeibare

brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren.

Totaal nominaal thermisch vermogen (MW) Steenkool en bruinkool Biomassa Turf Vloeibare brandstoffen

en

andere vaste brandstoffen

50-100 400 200 300 350

100-300 250 200 300 250

> 300 200 200 200 200

Voor stookinstallaties die vaste brandstoffen gebruiken waarvoor vóór 27 november 2002

vergunning is verleend of waarvoor de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag

voor een vergunning heeft ingediend, mits de installatie uiterlijk 27 november 2003 in

gebruik is genomen, en die niet meer dan 1500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn

(voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar) geldt een SO

2-emissiegrens-

waarde van 800 mg/Nm3.

Voor stookinstallaties die vloeibare brandstoffen gebruiken waarvoor vóór

27 november 2002 vergunning is verleend of waarvoor de exploitant vóór die datum een

volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, mits de installatie uiterlijk

27 november 2003 in gebruik is genomen, en die niet meer dan 1500 bedrijfsuur per jaar in

bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een SO

2-

emissiegrenswaarde van 850 mg/Nm3 in het geval van installaties met een totaal nominaal

thermisch vermogen van maximaal 300 MW en van 400 mg/Nm3 in het geval van

installaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van meer dan 300 MW.

Delen van een stookinstallatie waarvan de rookgassen via een of meer afzonderlijke

rookgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet

meer dan bedrijfsuur 1500 per jaar in bedrijf zijn (als voortschrijdend gemiddelde over een

periode van vijf jaar), kunnen worden onderworpen aan de in de twee vorige alinea's

vastgestelde emissiegrenswaarden in verhouding tot het totaal nominaal thermisch

vermogen van de gehele stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via de betrokken

rookgaskanalen uitgestoten emissies apart gecontroleerd.

  • 3. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO

2 voor stookinstallaties die gasvormige

brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren.

In het algemeen 35

Vloeibaar gemaakt gas 5

Gassen met lage calorische waarde, uit cokesovens 400

Gassen met lage calorische waarde uit hoogovens 200

Voor stookinstallaties die gassen met lage calorische waarde gebruiken, verkregen door

vergassing van raffinaderijresiduen, waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is

verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een

vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003

operationeel was, geldt een SO

2-emissiegrenswaarde van 800 mg/Nm3.

  • 4. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NO

x voor stookinstallaties die vaste of vloeibare

brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren

Totaal nominaal Steenkool en Biomassa en turf Vloeibare

thermisch bruinkool en brandstoffen

vermogen (MW) andere vaste

brandstoffen

50-100 300 300 450

450 bij

verbranding van

poederbruinkool

100-300 200 250 200 (1)

> 300 200 200 150 (1)

Opmerking

(1) Voor stookinstallaties die distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie zelf verbruiken, met een totaal nominaal thermisch vermogen van ten hoogste 500 MWth, en waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, geldt een emissiegrenswaarde van 450 mg/Nm

3, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was.

Voor stookinstallaties in chemische installaties die zelf vloeibare productieresiduen als

niet-commerciële brandstof verbruiken, met een nominaal thermisch vermogen van niet

meer dan 500 MWth, waarvoor vóór 27 november 2002 een vergunning is verleend of

waarvan de exploitant vóór die datum een volledige vergunningaanvraag heeft ingediend,

3

Voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken met een totaal

nominaal thermisch vermogen van niet meer dan 500 MW waarvoor vóór 27 november

2002 vergunning is verleend of die vóór die datum een volledige aanvraag voor een

vergunning hebben ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003

operationeel was, en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als

voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een emissiegrenswaarde

voor NO

x van 450 mg/Nm3.

Voor stookinstallaties die vaste brandstoffen gebruiken met een totaal nominaal thermisch

vermogen van meer dan 500 MW waarvoor vóór 1 juli 1987 vergunning is verleend en die

niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over

een periode van vijf jaar), geldt een emissiegrenswaarde voor NO

x van 450 mg/Nm3.

Voor stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen groter dan 500 MW

die vloeibare brandstoffen gebruiken, waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is

verleend of waarvan de exploitanten vóór die datum een volledige aanvraag voor een

vergunning hebben ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003

operationeel was, en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als

voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een NO

x-emissiegrens-

waarde van 400 mg/Nm3.

Delen van een stookinstallatie waarvan de rookgassen via één of meer afzonderlijke

rookgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet

meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een

periode van vijf jaar, kunnen aan de in de drie voorgaande alinea's genoemde emissiegrens-

waarden worden onderworpen voor het totale nominale thermisch vermogen van de

volledige stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via elk betrokken rookgaskanaal

uitgestoten emissies apart gecontroleerd.

  • 5. 
    Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) die als vloeibare brandstof lichte of halfzware

distillaten gebruiken, geldt een NO

x-emissiegrenswaarde van 90 mg/Nm3 en een CO2-

emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3.

De in dit punt genoemde emissiegrenswaarden gelden niet voor gasturbines die, voor

noodgevallen, minder dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke

installaties registreert de gepresteerde bedrijfsuren.

  • 6. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NO

x en CO voor met gas gestookte installaties

NO

x CO

Met gas gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren 100 100

Met hoogovengas, cokesovengas of gassen met lage calorische waarde verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren 200 (4) -

Met andere gassen gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren 200 (4) -

Gasturbines (met inbegrip van STEG) die met aardgas worden gestookt50(2)(3) 100

(1)

Gasturbines (met inbegrip van STEG) die met andere gassen worden gestookt120 -

(4)

Gasmotoren 100 100

Opmerkingen:

  • 1) 
    Onder aardgas wordt verstaan in de natuur voorkomend methaan met maximaal 20% (v/v) inerte en andere bestanddelen.
  • 2) 
    75 mg/Nm3 in de volgende gevallen, waarin het rendement van de gasturbine vastgesteld wordt in ISO-

basisbelastingsomstandigheden:

  • i) 
    gasturbines die in een systeem met warmtekrachtkoppeling worden gebruikt met een totaal rendement van meer

dan 75%;

  • ii) 
    gasturbines die in een warmtekrachtcentrale worden gebruikt met een gemiddeld jaarlijks totaal

elektriciteitsrendement van meer dan 55%;

  • iii) 
    gasturbines voor mechanische aandrijving.
  • 3) 
    Voor single-cyclus gasturbines die niet onder een van de in opmerking 2) genoemde categorieën vallen, maar een

rendement hebben dat hoger is dan 35% (bepaald in ISO-basisbelastingsomstandigheden), wordt de emissiegrenswaarde

voor NO

x vastgesteld op 50x/35, waarbij het in ISO-basisbelastingsomstandigheden, in procenten uitgedrukte

rendement van de gasturbine is.

  • 4) 
    300 mg/Nm3 voor stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van niet meer dan 500 MW waarvoor

vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een

vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was.

Voor gasturbines (met inbegrip van STEG), zijn de in de tabel in dit punt vermelde NO

x-

en CO-emissiegrenswaarden slechts van toepassing bij een belading van meer dan 70%.

Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning

is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een

vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003

operationeel was, en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als

voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een NO

x-

emissiegrenswaarde van 150 mg/Nm3 in het geval van met aardgas gestookte turbines en

van 200 mg/Nm3 in het geval van met andere gassen of met vloeibare brandstoffen

gestookte turbines.

Delen van een stookinstallatie waarvan de rookgassen via één of meer afzonderlijke

rookgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet

meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een

periode van vijf jaar, kunnen aan de in de voorgaande alinea genoemde

emissiegrenswaarden worden onderworpen voor het totale nominale thermisch vermogen

van de volledige stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via elk betrokken

rookgaskanaal uitgestoten emissies apart gecontroleerd.

De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing op gasturbines en

gasmotoren die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De

exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf

  • 7. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die vaste of vloeibare

brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren

Totaal nominaal Steenkool en bruinkool Biomassa en turf Vloeibare brandstoffen1

thermisch vermogen en andere vaste

(MW) brandstoffen

50-100 30 30 30

100-300 25 20 25

> 300 20 20 20

Opmerking

(1) Voor stookinstallaties die distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie zelf verbruiken en, waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 50 mg/Nm

3, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november

2003 operationeel was.

  • 8. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die gasvormige

brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren

Algemeen 5

Hoogovengas 10

Door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt 30

Deel 2

Emissiegrenswaarden voor de in artikel 30, lid 3, bedoelde stookinstallaties

  • 1. 
    Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk

van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de rookgassen en bij een

gestandaardiseerd O2-gehalte van 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor stookinstallaties,

met uitzondering van gasturbines en gasmotoren, die vloeibare en gasvormige brandstoffen

gebruiken en 15% voor gasturbines en gasmotoren.

Voor gecombineerde-cyclus gasturbines met aanvullende verbranding, kan het

gestandaardiseerde CO

2-gehalte door de bevoegde autoriteit worden gedefinieerd met

inachtneming van de bijzondere kenmerken van de betrokken installatie.

  • 2. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO

2 voor stookinstallaties die vaste of vloeibare

brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren

Totaal nominaal Steenkool en Biomassa Turf Vloeibare

thermisch bruinkool en brandstoffen

vermogen (MW) andere vaste

brandstoffen

50-100 400 200 300 350

100-300 200 200 300 200

250 bij

wervelbedver-

branding

> 300 150 150 150 150

200 bij 200 bij

circulerende wervelbedverbra

wervelbedver-nding

branding of

wervelbedver-

branding

onder druk

  • 3. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO

2 voor stookinstallaties die gasvormige

brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren

Algemeen 35

Vloeibaar gemaakt gas 5

Gassen met lage calorische waarde uit cokesovens 400

  • 4. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NO

x voor stookinstallaties die vaste of vloeibare

brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren.

Totaal nominaal Steenkool en Biomassa en turf Vloeibare

thermisch vermogen bruinkool en andere brandstoffen

(MW) vaste brandstoffen

50-100 300 250 300

400 bij verbranding

van poederbruinkool

100-300 200 200 150

> 300 150 150 100

200 bij verbranding

van poederbruinkool

  • 5. 
    Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) die als vloeibare brandstof lichte of halfzware

distillaten gebruiken, geldt een NO

x-emissiegrenswaarde van 50 mg/Nm3 en een CO-

emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3.

De in dit punt genoemde emissiegrenswaarden gelden niet voor gasturbines die, voor

noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van

dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf zijn.

  • 6. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NO

x en CO voor met gas gestookte installaties

NO

x CO

Stookinstallaties, andere dan 100 100

gasturbines en gasmotoren

Gasturbines (met inbegrip 50 (1) 100

van STEG)

Gasmotoren 75 100

Opmerkingen

(1) Voor single-cyclus gasturbines die een rendement hebben dat hoger is dan 35% (bepaald in ISO-

basisbelastingsomstandigheden), is de emissiegrenswaarde voor NO

x 50x*/35, waarbij het in procenten

uitgedrukte rendement van de gasturbine is, in ISO-basisbelastingsomstandigheden.

Voor gasturbines (met inbegrip van STEG), zijn de in de tabel in dit punt vermelde

NO

x- en CO-emissiegrenswaarden slechts van toepassing bij een belading van meer

dan 70%.

De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing op gasturbines

en gasmotoren die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf

zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke

deze in bedrijf zijn.

  • 7. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die vaste of vloeibare

brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren

Totaal nominaal thermisch vermogen (MWth)

50- 300 20

> 300 10

20 voor biomassa en turf

  • 8. 
    Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die gasvormige

brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren

Algemeen 5

Hoogovengas 10

Door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan 30

worden gebruikt

Deel 3

Monitoring van emissies

  • 1. 
    De concentratie zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof in rookgassen van elke

stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van 100 MW of meer wordt

continu gemeten.

De concentratie koolmonoxide in rookgassen van met gasvormige brandstoffen gestookte

installaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van 100 MW of meer wordt

continu gemeten.

  • 2. 
    De bevoegde autoriteit kan besluiten de in punt 1 bedoelde continumetingen niet te eisen in

de volgende gevallen:

  • a) 
    voor stookinstallaties met een levensduur van minder dan 10.000 bedrijfsuren;
  • b) 
    voor zwaveldioxide en stof van installaties die met aardgas worden gestookt,
  • c) 
    voor zwaveldioxide van installaties die gestookt worden met olie waarvan het

zwavelgehalte bekend is, ingeval er geen uitrusting voor de ontzwaveling van

rookgas is,

  • d) 
    voor zwaveldioxide van met biomassa gestookte installaties wanneer de exploitant

kan aantonen dat de SO

2-emissies in geen geval hoger zijn dan de voorgeschreven

emissiegrenswaarden.

  • 3. 
    Indien geen continumetingen voorgeschreven zijn, moeten ten minste om de zes maanden

metingen van zwaveldioxide, stikstofoxiden, stof en, voor met gas gestookte installaties,

ook van koolmonoxide plaatsvinden.

  • 4. 
    Voor met steenkool of bruinkool gestookte installaties moet de totale kwikuitstoot ten

minste een maal per jaar worden gemeten.

  • 5. 
    Als alternatief op de in punt 3 bedoelde metingen van zwaveldioxide en stikstofdioxiden

kunnen andere, door de bevoegde autoriteit te controleren en goed te keuren methoden

worden gebruikt om de in de emissies aanwezige hoeveelheid zwaveldioxide en

stikstofdioxiden vast te stellen. Daarbij worden de betrokken normen van de Europese

Commissie voor Normalisatie (CEN) gebruikt of, indien er geen CEN-normen bestaan, de

ISO-normen, dan wel nationale of internationale normen die gegevens van een

gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.

  • 6. 
    Bij beduidende veranderingen in de gebruikte brandstof of de wijze van functioneren van

de stookinstallatie moet de bevoegde autoriteit daarvan in kennis worden gesteld. De

bevoegde autoriteit beslist of de in de punten 1 tot en met 4 opgenomen bepalingen inzake

monitoring toereikend zijn dan wel aangepast dienen te worden.

  • 7. 
    Tot de overeenkomstig punt 1 uitgevoerde continumetingen behoort de meting van

zuurstofgehalte, temperatuur, druk en waterdampgehalte van de rookgassen. Het

waterdampgehalte van de rook gassen behoeft niet continu te worden gemeten, mits het

monster van het rook gas gedroogd wordt voordat de emissies geanalyseerd worden.

  • 8. 
    Steekproeven en analyses van de betrokken verontreinigende stoffen en metingen van

procesparameters alsmede de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de

referentiemeetmethoden om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd overeenkomstig de

CEN-normen. Indien er geen CEN-normen bestaan, moeten ISO-normen, nationale

normen of andere internationale normen worden toegepast die gegevens van een

gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.

De geautomatiseerde meetsystemen worden tenminste eenmaal per jaar met behulp van

parallelmetingen met de referentiemethoden gecontroleerd.

De exploitant stelt de bevoegde autoriteit in kennis van de resultaten van de controle van

de geautomatiseerde meet systemen.

  • 9. 
    Op het niveau van de emissiegrenswaarde mogen de waarden van de 95%-

betrouwbaarheidsintervallen van individuele metingen de volgende percentages van de

emissiegrenswaarden niet overschrijden:

Koolmonoxide 10%

Zwaveldioxide 20%

Stikstofoxiden 20%

Stof 30%

  • 10. 
    De gevalideerde uur- en daggemiddelden worden vastgesteld op grond van de gevalideerde

gemeten uurgemiddelden, na aftrek van de waarde van de in punt 9 vermelde

betrouwbaarheidsinterval.

Een dag waarvan meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn wegens storing of

onderhoud van het geautomatiseerde meetsysteem, wordt ongeldig verklaard. Indien

daardoor meer dan tien dagen per jaar ongeldig worden verklaard, verplicht de bevoegde

autoriteit de exploitant passende maatregelen te treffen om de betrouwbaarheid van het

geautomatiseerde meet systeem te verbeteren.

  • 11. 
    In het geval van installaties die aan de in artikel 31 genoemde ontzwavelingspercentages

moeten voldoen, wordt ook het zwavelgehalte van de in de installatie gestookte brandstof

eveneens regelmatig gecontroleerd. Bij wezenlijke veranderingen in de gebruikte brandstof

worden de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis gesteld.

Deel 4

Beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden

  • 1. 
    Bij continumetingen worden de in de delen 1 en 2 bedoelde emissiegrenswaarden geacht te

zijn nageleefd, indien uit de evaluatie van de meetresultaten voor de bedrijfsduur tijdens

een kalenderjaar blijkt dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • a) 
    geen gevalideerd maandgemiddelde is hoger dan de in de delen 1 en 2 vermelde

toepasselijke emissiegrenswaarden;

  • b) 
    geen gevalideerd daggemiddelde is hoger dan 110% van de in de delen 1 en 2

vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden;

  • c) 
    voor stookinstallaties die uitsluitend uit met steenkool gestookte ketels bestaan met

een totaal nominaal thermisch vermogen van minder dan 50 MW, is geen

gevalideerd daggemiddelde hoger dan 150% van de in de delen 1 en 2 vermelde

toepasselijke emissiegrenswaarden;

  • d) 
    95% van alle gevalideerde uurgemiddelden in één jaar is niet hoger dan 200% van de

in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden.

De "gevalideerde gemiddelden" worden bepaald overeenkomstig deel 3, punt 10.

Voor de berekening van de gemiddelde emissiewaarden, worden de waarden die zijn

gemeten tijdens de in artikel 30, leden 5 en 6, en artikel 37 bedoelde periodes en de

periodes van opstarten en stilleggen, buiten beschouwing gelaten.

  • 2. 
    Indien continumetingen niet zijn vereist, worden de in de delen 1 en 2 bedoelde

emissiegrenswaarden geacht te zijn nageleefd, indien de resultaten van alle meetcycli of

van andere procedures die overeenkomstig de door de bevoegde autoriteiten vastgelegde

regels zijn bepaald en vastgesteld, de emissiegrenswaarden niet overschrijden.

Deel 5

Minimaal ontzwavelingspercentage

  • 1. 
    Minimaal ontzwavelingspercentage voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 2

Totaal nominaal Minimaal ontzwavelingspercentage

thermisch vermogen (mw)

Installaties waarvoor vóór 27 november 2002 Overige installaties

vergunning is verleend of waarvan de

exploitant vóór die datum een volledige

aanvraag voor een vergunning heeft

ingediend, op voorwaarde dat de installatie

uiterlijk 27 november 2003 operationeel was

50-100 80% 92%

100-300 90% 92%

> 300 96% 96%

Opmerking

(1) Voor stookinstallaties waarin olieschalie wordt gestookt, bedraagt het minimale ontzwavelingspercentage 95%.

  • 2. 
    Minimaal ontzwavelingspercentage voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 3

Totaal nominaal thermisch Minimaal ontzwavelingspercentage

vermogen (mw)

Deel 6

Naleving van het ontzwavelingspercentage

De in deel 5 van deze bijlage genoemde ontzwavelingspercentages gelden als gemiddelde

maandelijkse grenswaarde.

Deel 7

Gemiddelde emissiegrenswaarden voor gemengde stookinstallaties

Gemiddelde SO

2-emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor gemengde stookinstallaties in een

raffinaderij, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren, die distillatie- en omzettingsresiduen

afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen,

zelf verbruiken:

  • a) 
    voor stookinstallaties waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan

de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend,

op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was: 1000

mg/Nm3;

  • b) 
    voor overige stookinstallaties: 600 mg/Nm3.

Deze emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3

kPa en na aftrek van het waterdampgehalte van de afvalgassen, en bij een genormaliseerde O

2-

inhoud van 6% voor vaste brandstoffen en van 3% voor vloeibare of gasvormige brandstoffen.

BIJLAGE VI

Technische bepalingen inzake afvalverbrandingsinstallaties

en afvalmeeverbrandingsinstallaties

Deel 1

Definities

In deze bijlage gelden de volgende definities:

  • a) 
    bestaande afval verbrandingsinstallatie: een van de volgende afvalverbrandings die:
  • i) 
    vóór 28 december 2002 in werking was is en over een vergunning beschikt beschikte

overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de Unie;

  • ii) 
    toestemming had of geregistreerd is voor afvalverbranding en over een vergunning

beschikte die was afgegeven vóór 28 december 2002 overeenkomstig de

toepasselijke wetgeving van de Unie, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 28

december 2003 operationeel was;

  • iii) 
    naar het oordeel van de bevoegde autoriteit vóór 28 december 2002 volwaardig

kandidaat was voor een vergunning, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 28

december 2004 operationeel was;

  • b) 
    nieuwe afvalverbrandingsinstallatie: een afvalverbrandingsinstallatie die niet onder punt a)

Deel 2

Equivalentiefactoren voor dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen

Voor de bepaling van de totale concentratie dioxines en furanen, worden de massaconcentraties van de volgende dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen vermenigvuldigd met de volgende equivalentiefactoren voordat ze bij elkaar worden opgeteld: Toxische equivalentiefactor

2,3,7,8 -- tetrachloordibenzodioxine (TCDD) 1

1,2,3,7,8 -- pentachloordibenzodioxine (PeCDD) 0,5

1,2,3,4,7,8 -- hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1

1,2,3,6,7,8 -- hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1

1,2,3,7,8,9 -- hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1

1,2,3,4,6,7,8 -- heptachloordibenzodioxine (HpCDD) 0,01

Octachloordibenzodioxine (OCDD) 0,001

2,3,7,8 -- tetrachloordibenzofuraan (TCDF) 0,1

2,3,4,7,8 -- pentachloordibenzofuraan (PeCDF) 0,5

1,2,3,7,8 -- pentachloordibenzofuraan (PeCDF) 0,05

1,2,3,4,7,8 -- hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1

1,2,3,6,7,8 -- hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1

1,2,3,7,8,9 -- hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1

Deel 3

Grenswaarden voor emissies naar de lucht voor afvalverbrandingsinstallaties

  • 1. 
    Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk

van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de rookgassen.

Zij worden gestandaardiseerd op 11% zuurstof in rookgas, behalve bij verbranding van

afgewerkte minerale olie zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2008/98/EG,

die wordt gestandaardiseerd op 3% zuurstof, en in de in deel 6, punt 2.7 bedoelde gevallen.

1.1. Gemiddelde dagelijkse emissiegrens waarden voor de volgende verontreinigende stoffen

(mg/Nm³)

Totaal stof 10

Gasvormige organische stoffen, uitgedrukt in totale organische koolstof (TOC) 10

Waterstofchloride (HCl) 10

Waterstoffluoride (HF) 1

Zwaveldioxide (SO

  • 2) 
    50

Stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO

2), uitgedrukt in NO

2 200

voor bestaande afval verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton per uur of nieuwe afval verbrandingsinstallaties

1.2. Gemiddelde halfuurlijkse emissiegrenswaarden voor de volgende verontreinigende stoffen

(mg/Nm³)

(100%) A (97%) B

Totaal stof 30 10

Gas- en dampvormige organische stoffen, uitgedrukt in totale organische koolstof (TOC) 20 10

Waterstofchloride (HCl) 60 10

Waterstoffluoride (HF) 4 2

Zwaveldioxide (SO

  • 2) 
    200 50

Stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO

2), 400 200

uitgedrukt in NO

2 voor bestaande afvalverbrandings-

installaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton per uur of nieuwe afval verbrandingsinstallaties

1.3 Gemiddelde emissiegrenswaarden (mg/Nm³) voor de volgende zware metalen over een

bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal acht uur

Cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt in cadmium (Cd) Totaal: 0,05

Thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt in thallium (Tl)

Kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt in kwik (Hg) 0,05

Antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt in antimoon (As) Totaal: 0,5 mg

Arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt in arseen

(As)

Lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb)

Chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt in chroom (Cr)

Kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt

(Co)

Koper en koperverbindingen, uitgedrukt in koper

(Cu)

Mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt in mangaan (Mn)

Nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt in nikkel (Ni)

1.4. Gemiddelde emissiegrenswaarden (mg/Nm³) voor dioxines en furanen over een

bemonsteringsperiode van minimaal zes en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde

heeft betrekking op de totale concentratie dioxinen en furanen, berekend overeenkomstig

deel 2.

Dioxines en furanen 0,1

1.5. De emissiegrenswaarden (mg/Nm³) voor koolmonoxide (CO) in de rookgassen:

  • a) 
    een daggemiddelde van 50;
  • b) 
    een halfuurgemiddelde van 100
  • c) 
    een 10-minutengemiddelde van 150.

De bevoegde autoriteit kan vrijstelling verlenen van de in dit punt vermelde

emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties die de wervelbedtechnologie

gebruiken, mits in de vergunning een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide (CO) van

niet meer dan 100 mg/Nm3 als uurgemiddelde is bepaald.

  • 2. 
    Emissiegrenswaarden die van toepassing zijn in de in artikel 46, lid 6, en artikel 47

vermelde omstandigheden.

De totale stof concentratie van de emissies in de atmosfeer van een afval

verbrandingsinstallatie overschrijdt onder geen enkele voorwaarde een halfuurgemiddelde

Deel 4

Bepaling van de grenswaarden voor emissies naar de lucht in geval

van meeverbranding van afval

  • 1. 
    Wanneer een specifieke totale emissiegrenswaarde"C" niet in een tabel in dit deel is

opgenomen, moet de volgende formule (mengregel) worden toegepast.

De emissie grenswaarde voor elke relevante verontreinigende stof en voor CO in het

rookgas dat ontstaat bij de meeverbranding van afvalstoffen wordt als volgt berekend:

V

afval : Het volume rookgas uitsluitend ten gevolge van de verbranding van afvalstoffen, bepaald op basis van de in de vergunning gespecificeerde afvalstof met de laagste calorische waarde en herleid tot de in deze richtlijn vastgestelde condities.

Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10% bedraagt van de totale in de installatie vrijkomende warmte, moet V

afval worden berekend op basis van een

(theoretische) hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij een vastgestelde totale vrijkomende warmte, 10% van de vrijkomende warmte zou opleveren.

C

afvalstoffen : De emissiegrenswaarde voor de in deel 3 vermelde afval verbrandingsinstallaties

C

proces : De emissiegrenswaarde die in dit deel voor bepaalde industriële activiteiten is vastgesteld, of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de emissiegrenswaarde voor verbrandingsinstallaties die aan de voor die installaties geldende wettelijke en bestuursrechtelijke nationale bepalingen voldoen, wanneer daarin de normaal toegestane brandstoffen (geen afvalstoffen) worden gestookt. Bij ontbreken van dergelijke bepalingen wordt de in de vergunning vermelde emissiegrenswaarde gebruikt. Indien in de vergunning geen grenswaarde wordt vermeld, wordt de werkelijke massaconcentratie gebruikt.

C : De totale emissiegrenswaarde bij een zuurstofgehalte dat in dit deel voor bepaalde industriële activiteiten en bepaalde verontreinigende stoffen is vastgesteld, of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de totale emissiegrenswaarde die de in specifieke bijlagen bij deze richtlijn genoemde emissiegrenswaarde vervangt. Het totale zuurstofgehalte dat het zuurstofgehalte voor de herleiding vervangt, wordt berekend op basis van bovenstaand gehalte, rekening houdend met de partiële volumes.

Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de rookgassen.

De lidstaten kunnen regels stellen voor de vrijstellingen waarin dit deel voorziet.

  • 2. 
    Bijzondere voorschriften voor grote cementovens waarin afval wordt meeverbrand

2.1. De in de punten 2.2 en 2.3 vastgestelde emissiegrenswaarden gelden als totale

daggemiddelden voor stof, HCl, HF, NO

x, SO

2 en TOC (voor continumetingen), als

gemiddelden gedurende de bemonsteringsperiode van minimum 30 minuten en maximum

2.2. C - Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm3 behalve voor dioxinen en furanen) voor de

volgende verontreinigende stoffen

Verontreinigende stof C

Totaal stof 30

HCl 10

HF 1

NO

x 5001

Cd + Tl 0,05

Hg 0,05

Sb + As + Pb + Cr + Co + Cu + Mn + Ni + V 0,5

Dioxinen en furanen (ng/Nm³) 0,1

2.3. C -Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm³) voor SO

2 en TOC

Verontreinigende stof C

SO

2 50

TOC 10

De bevoegde instantie mag voor de in dit punt vastgestelde emissiegrenswaarden

vrijstellingen toekennen ingeval de TOC en SO

2 niet het gevolg zijn van de

2.4. C - Totale emissiegrenswaarden voor CO

De bevoegde autoriteiten mogen emissiegrenswaarden voor CO vaststellen.

  • 3. 
    Bijzondere voorschriften voor stookinstallaties waarin afval wordt meeverbrand

3.1. Als daggemiddelde uitgedrukt Cproc (mg/Nm³); geldig tot de in artikel 82, lid 5, genoemde

datum.

Het totaal nominaal thermisch vermogen van een stookinstallatie wordt bepaald aan de

hand van de in artikel 29 vastgestelde samentellingsregels.

Halfuurgemiddelden zijn enkel nodig voor de berekening van de daggemiddelden.

C

proc voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O2-gehalte 6%)

Verontreinigende < 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 > 300 MWth

stof MWth

SO

2 - 850 200 200

NO

x - 400 200 200

Stof 50 50 30 30

C

proc voor biomassa (O

2-gehalte 6%):

Veront-< 50 MWth 50 tot 100 100 tot 300 > 300 MWth

reinigende stof MWth MWth

SO

2 - 200 200 200

NO

x - 350 300 200

Stof 50 50 30 30

C

proc voor vloeibare brandstoffen (O

2-gehalte 3%):

Veront-< 50 50 tot 100 100 tot 300 MWth > 300

reinigende MWth MWth MWth

stof

SO

2 - 850 400 tot 200 200

(lineaire afname in bereik 100 tot 300 MWth)

NO

x - 400 200 200

Stof 50 50 30 30

3.2. Als daggemiddelde uitgedrukt Cproc (mg/Nm³), geldig vanaf de in artikel 82, lid 6,

genoemde datum

Het totaal nominaal thermisch vermogen van een stookinstallatie wordt bepaald aan de

hand van de in artikel 29 vastgestelde samentellingsregels. Halfuurgemiddelden zijn enkel

3.2.1 C

proces voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 2, met uitzondering van gasturbines

en gasmotoren

C

proces voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O

2-gehalte 6%)

Verontrei-< 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth

nigende stof

SO

2 - 400 200 200

voor turf: 300

NO

x - 300 200 200

bruinkoolstof:

400

Stof 50 30 25 20

voor turf: 20

C

proc voor biomassa (O

2-gehalte 6%):

Veront-< 50 MWth 50 tot 100 MWth 100 tot 300 > 300 MWth

reinigende stof MWth

SO

2 - 200 200 200

NO

x - 300 250 200

Stof 50 30 20 20

C

proc voor vloeibare brandstoffen (O

2-gehalte 3%):

Veront-< 50 MWth 50 tot 100 100 tot 300 MWth > 300 MWth

reinigende stof MWth

SO

2 - 350 250 200

NO

x - 400 200 150

Stof 50 30 25 20

3.2.2 C

proc voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 3, met uitzondering van gasturbines

en gasmotoren

C

proc voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O

2-gehalte 6%)

Veront-< 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 > 300 MWth

reinigende MWth

stof

SO

2 - 400 200 150

voor turf: 300 voor turf: 300, bij circulerende

behalve bij wervelbedverbranding of

wervelbed-wervelbedverbranding

verbranding: 250 onder druk of, bij

turfverbranding, voor alle

vormen van

wervelbedverbranding: 200

NO

x - 300 200 150

C

proc voor biomassa (O

2-gehalte 6%):

Veront-< 50 MWth 50 tot 100 100 tot 300 > 300 MWth

reinigende MWth MWth

stof

SO

2 - 200 200 150

NO

x - 250 200 150

Stof 50 20 20 20

C

proc voor vloeibare brandstoffen (O

2-gehalte 3%):

Veront-< 50 50 tot 100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth

reinigende MWth

stof

SO

2 - 350 200 150

NO

x - 300 150 100

Stof 50 20 20 10

3.3. C - Totale emissiegrenswaarden voor zware metalen (mg/Nm3) uitgedrukt in gemiddelden

berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal 8 uur

(O2-gehalte 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor vloeibare brandstoffen).

Verontreinigende stof C

Cd + Tl 0,05

Hg 0,05

Sb + As + Pb + Cr + Co + Cu + Mn + Ni + V 0,5

3.4. C - Totale emissiegrenswaarde (ng/Nm3) voor dioxinen en furanen uitgedrukt in

gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal

acht uur (O2-gehalte 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor vloeibare brandstoffen).

Verontreinigende stof C

Dioxinen en furanen 0,1

  • 4. 
    Bijzondere voorschriften voor meeverbrandingsafvalinstallaties in industriële sectoren die

niet onder de punten 2 en 3 van dit deel vallen.

4.1. C - Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor dioxinen en furanen uitgedrukt in

gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 6 uur en maximaal 8

uur:

Verontreinigende stof C

Dioxinen en furanen 0,1

4.2. C - Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm3) zware metalen uitgedrukt in gemiddelden

berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal 8 uur:

Verontreinigende stof C

Cd + Tl 0,05

Hg 0,05

Deel 5

Emissiegrenswaarden voor lozingen van afvalwater van de reiniging van rookgassen

Verontreinigende stof Emissiegrenswaarden voor niet-

gefiltreerde monsters (mg/l behalve

voor dioxinen en furanen)

  • 1. 
    Totale hoeveelheid zwevende deeltjes als omschreven in bijlage I van Richtlijn 91/271/EEG (95%) (100%)

30 45

  • 2. 
    Kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik

(Hg) 0,03

  • 3. 
    Cadmium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als cadmium (Cd) 0,05
  • 4. 
    Thallium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als thallium (Tl) 0,05
  • 5. 
    Arseen en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als arseen (As) 0,15
  • 6. 
    Lood en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als lood (Pb) 0,2
  • 7. 
    Chroom en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als chroom (Cr) 0,5
  • 8. 
    Koper en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als koper (Cu) 0,5

Deel 6

Emissiemonitoring

  • 1. 
    Meettechnieken

1.1. Metingen ter bepaling van de concentratie van lucht- en waterverontreinigende stoffen

moeten representatief zijn.

1.2. De bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen, met inbegrip van dioxinen

en furanen, de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen, evenals de

referentiemetingen ter ijking daarvan, moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de

CEN/ISO-normen. Indien er geen CEN-normen bestaan, moeten ISO-normen, nationale

normen of andere internationale normen worden toegepast die waarborgen dat gegevens

van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt. Geautomatiseerde

meetsystemen worden tenminste eenmaal per jaar aan de hand van parallelmetingen met de

referentiemethoden gecontroleerd.

1.3. De waarden van de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van individuele metingen, bepaald

bij de grenswaarden voor de dagelijkse emissie, mogen de volgende percentages van de

emissiegrenswaarden niet overschrijden:

Koolmonoxide 10%

Zwaveldioxide 20%

Stikstofdioxide 20%

Totaal stof 30%

Totale hoeveelheid organische koolstof 30%

Waterstofchloride 40%

Waterstoffluoride 40%.

De periodieke metingen van de emissies in de atmosfeer en het water worden uitgevoerd

overeenkomstig de punten 1.1 en 1.2.

  • 2. 
    Meting van luchtverontreinigende stoffen

2.1. Wat verontreinigende stoffen in de lucht betreft worden de volgende metingen verricht:

  • a) 
    continumetingen van de volgende stoffen: NO

x, mits daarvoor emissiegrenswaarden

zijn vastgesteld, CO, totale hoeveelheid stof, TOC, HCl, HF en SO

2;

  • b) 
    continumetingen van de volgende procesparameters: temperatuur dichtbij de

binnenwand of op een door de bevoegde autoriteit toegestaan ander representatief

punt van de verbrandingskamer, zuurstofconcentratie, druk, temperatuur en

waterdampgehalte van het rookgas;

  • c) 
    ten minste twee metingen per jaar van zware metalen, dioxinen en furanen;

gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden dient evenwel ten minste

om de drie maanden een meting te worden verricht.

2.2. De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de rookgassen worden

op passende wijze gecontroleerd, en wel ten minste één keer wanneer de afval

verbrandings- of -meeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld alsmede onder de

meest ongunstige bedrijfsomstandigheden.

2.3. Continumeting van HF mag achterwege blijven indien voor HCl behandelingsstappen

worden gevolgd die waarborgen dat de emissiegrenswaarde voor HCl niet wordt

overschreden. In dat geval worden de emissies van HF periodiek gemeten zoals bepaald in

punt 2.1, onder c).

2.4. Continumeting van het waterdampgehalte is niet nodig indien de als monster gebruikte

rookgassen worden gedroogd alvorens de emissies worden geanalyseerd.

2.5. De bevoegde autoriteit kan oordelen dat in afval verbrandings- of -

meeverbrandingsinstallaties geen continumetingen van HCl, HF en SO

2 dienen te worden

uitgevoerd, maar wel periodieke metingen als bepaald in lid 2, onder c), of dat geen

metingen moeten worden verricht indien de exploitant kan aantonen dat de emissies van

genoemde verontreinigende stoffen in geen geval hoger kunnen zijn dan de vastgestelde

emissiegrenswaarden.

De bevoegde autoriteit kan besluiten dat het in bestaande installaties met een nominale

capaciteit van minder dan 6 ton per uur niet nodig is continumetingen voor NO

x uit te

voeren, maar wel periodieke metingen als bedoeld in punt 2.1, onder c), indien de

exploitant aan de hand van informatie betreffende de kwaliteit van het betrokken afval, de

gebruikte technologieën en de resultaten van de emissiemonitoring kan aantonen dat de

uitstoot van NO

x in geen geval de vastgestelde emissiegrenswaarden kan overschrijden.

2.6. De bevoegde autoriteit kan voorschrijven voor zware metalen één meting om de twee jaar

te verrichten, en voor dioxinen en furanen één meting per jaar op voorwaarde dat

  • a) 
    de emissies als gevolg van verbranding of meeverbranding van afval in alle

omstandigheden minder dan 50% bedragen van de emissiegrenswaarden;

  • b) 
    het te verbranden of mee te verbranden afval uitsluitend bestaat uit bepaalde

gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijk afval dat niet recycleerbaar is en aan

bepaalde kenmerken voldoet, en dat nader omschreven wordt op basis van de in

punt c) genoemde beoordeling;

  • c) 
    de exploitant aan de hand van informatie over de kwaliteit van het afval in kwestie en

monitoring van de emissies kan bewijzen dat de emissies onder alle omstandigheden

aanmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden voor dioxinen, furanen en

zware metalen.

2.7. De resultaten van de metingen worden gestandaardiseerd aan de hand van de in deel 3

vermelde genormaliseerde zuurstofgehaltes of berekend overeenkomstig deel 4 en de in

deel 7 vastgestelde formule.

Wanneer afval in een met zuurstof verrijkte atmosfeer wordt verbrand of meeverbrand,

mogen de meetresultaten worden herleid tot een door de bevoegde instantie vastgesteld

zuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het specifieke geval weerspiegelt;

Worden de emissies van verontreinigende stoffen verminderd door behandeling van het

rookgas in een afval verbrandings- of - meeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke

afvalstoffen worden behandeld, dan geschiedt standaardisering voor de in de eerste alinea

vermelde zuurstofgehaltes enkel en alleen indien het over dezelfde periode als voor de

betrokken verontreinigende stof gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante

standaardzuurstofgehalte.

  • 3. 
    Meting van waterverontreinigende stoffen

3.1. De volgende metingen worden uitgevoerd op het lozingspunt van het afvalwater:

  • a) 
    continumetingen van de pH, de temperatuur en het debiet;
  • b) 
    dagelijkse steekproefmetingen van de totale hoeveelheid zwevende deeltjes of

metingen van een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur;

  • c) 
    ten minste maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige representatieve

steekproef over een periode van 24 uur van Hg, Cd, TI, As, Pb, Cr, Cu, Ni en Zn;

  • d) 
    ten minste elke 6 maanden van dioxinen en furanen; gedurende de eerste

exploitatieperiode van twaalf maanden dient evenwel ten minste om de drie maanden

een meting te worden uitgevoerd.

3.2. Wanneer het afvalwater dat bij de reiniging van rookgassen ontstaat, ter plaatse

gezamenlijk met afvalwater uit andere bronnen van de plaats van de installatie wordt

gezuiverd, verricht de exploitant de metingen:

  • a) 
    op de afvalwaterstroom van de rookgasreinigingsprocessen vóór de uitmonding

daarvan op de gezamenlijke afvalwaterzuiveringsinstallatie;

  • b) 
    op de andere afvalwaterstroom of -stromen vóór de uitmonding daarvan op de

gezamenlijke afvalwaterzuiveringsinstallatie;

  • c) 
    op het punt waar het afvalwater na de zuivering uiteindelijk door de afval

verbrandingsinstallatie of de - meeverbrandingsinstallatie wordt geloosd.

Deel 7

Formule voor de berekening van de emissieconcentratie bij genormaliseerd zuurstofgehalte

21 O

S

E

S = × E

M

21 O

M

E

S = Berekende emissieconcentratie bij genormaliseerd zuurstofgehalte

E

M = Gemeten emissieconcentratie

O

S = Genormaliseerd zuurstofgehalte

O

M = Gemeten zuurstofgehalte

Deel 8

Beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden

  • 1. 
    Grenswaarden voor emissies in de lucht

1.1. Aan de emissiegrenswaarden voor lucht wordt geacht voldaan te zijn wanneer:

  • a) 
    geen van de daggemiddelden hoger is dan een in punt 1.1 van deel 3 of in deel 4

vermelde of overeenkomstig deel 4 berekende emissiegrenswaarde;

  • b) 
    ofwel geen van de halfuurgemiddelden hoger is dan een van de in, kolom A van de

tabel onder punt 1.2 van deel 3 vermelde emissiegrenswaarden ofwel, in voorkomend

geval, 97% van de halfuurgemiddelden over het jaar niet hoger liggen dan een van de

in kolom B van de tabel onder punt 1.2 van deel 3 vermelde emissiegrenswaarden;

  • c) 
    geen van de gemiddelden over de voor zware metalen en dioxinen en furanen

vastgestelde bemonsteringsperiode hoger is dan een in de punten 1.3 en 1.4 van deel

3 of in deel 4 vermelde of overeenkomstig deel 4 berekende emissiegrenswaarde;

  • d) 
    voor koolmonoxide (CO):
  • i) 
    voor afvalverbrandingsinstallaties:
  • ten minste 97% van de daggemiddelden gedurende één jaar de in punt

1.5, onder a), van deel 3 vastgestelde emissiegrenswaarden niet

overschrijden; en

  • ten minste 95% van alle 10-minutengemiddelden gedurende een

willekeurige periode van 24 uur (1) of alle halfuurgemiddelden tijdens

diezelfde periode de in punt 1.5, onder b) en c), van deel 3 vastgestelde

emissiegrenswaarden niet overschrijden; in het geval van

verbrandingsinstallaties waarin het bij verbranding ontstane gas

gedurende ten minste twee seconden wordt verhit tot een temperatuur

van ten minste 1100°C, mogen de lidstaten voor de 10-

minutengemiddelden een evaluatieperiode van 7 dagen toepassen.

  • ii) 
    voor afvalmeeverbrandingsinstallaties: voldaan is aan de bepalingen van

deel 4.

1.2. De halfuurgemiddelden en de 10-minutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat

de installatie werkelijk in werking is (niet inbegrepen de voor de inwerkingstelling en

stillegging benodigde tijd, wanneer dan geen afvalstoffen worden verbrand) op basis van

de meetwaarden nadat daarvan de waarde van het betrouwbaarheidsinterval van punt 1.3

van deel 6 is afgetrokken.

Een daggemiddelde is slechts geldig indien voor de betrokken dag niet meer dan vijf

halfuurgemiddelden als gevolg van defecten of het onderhoud van het systeem voor

continumetingen buiten beschouwing zijn gelaten. Per jaar mogen niet meer dan tien

daggemiddelden ten gevolge van defecten of onderhoud van het continumetingssysteem

buiten beschouwing worden gelaten.

1.3. De gemiddelden over de bemonsteringsperiode en de gemiddelden in het geval van

periodieke metingen van HF, HCl en SO

2 worden bepaald overeenkomstig de artikelen 45,

lid 1) onder e); artikel 48, lid 3, en punt 1 van deel 6.

  • 2. 
    Emissiegrenswaarden voor waterlozingen

De emissiegrenswaarden voor lozingen in water worden geacht te zijn nageleefd indien:

  • a) 
    bij metingen van de totale hoeveelheid zwevende deeltjes 95% en 100% van de

meetwaarden de respectieve emissiegrenswaarden van deel 5 niet overschrijden;

  • b) 
    bij metingen van zware metalen (Hg, Cd, TI, As, Pb, Cr, Cu, Ni and Zn) niet meer

dan eenmaal per jaar de emissiegrenswaarden van deel 5 overschreden worden; of,

indien de lidstaat meer dan 20 steekproeven per jaar voorschrijft, bij niet meer dan

5% van deze steekproeven de emissiegrenswaarden van deel 5 overschreden worden;

  • c) 
    bij de resultaten van de metingen van dioxinen en furanen de emissiegrenswaarde

van deel 5 niet overschreden wordt.

BIJLAGE VII

Technische bepalingen voor installaties

en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt

Deel 1

Activiteiten

  • 1. 
    De in elk van de volgende punten vermelde activiteiten omvatten de reiniging van de

procesapparatuur, maar niet de reiniging van de werkstukken, tenzij andersluidende

vermeldingen zijn opgenomen.

  • 2. 
    Aanbrengen van lijmlagen

Activiteiten waarbij een kleefstof op een oppervlak wordt aangebracht, met uitzondering

van het aanbrengen van lijmlagen en lamineren samenhangend met drukprocessen.

  • 3. 
    Coatingwerkzaamheden

Alle activiteiten waarbij een of meer ononderbroken lagen van een coating worden

aangebracht op:

  • a) 
    een van de volgende voertuigen:
  • i) 
    nieuwe auto"s die in Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad

van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van

motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en

technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd1 worden

gedefinieerd als voertuigen van categorie M1 en, voorzover de coating plaatsvindt in

dezelfde installatie als voertuigen van M1 van categorie N1;

  • ii) 
    vrachtwagencabines, gedefinieerd als de behuizing voor de chauffeur en de daarmee

geïntegreerde behuizing voor de technische apparatuur van voertuigen die in

Richtlijn 2007/46/EEG als voertuigen van de categorieën N2 en N3 worden

gedefinieerd;

  • iii) 
    bestelwagens en vrachtwagens, in Richtlijn 70/156/EEG gedefinieerd als voertuigen

van de categorieën N1, N2 en N3, met uitzondering van vrachtwagencabines;

  • iv) 
    bussen, in Richtlijn 2007/46/EEG gedefinieerd als voertuigen van de categorieën M2

en M3;

  • v) 
    aanhangwagens, gedefinieerd in de categorieën O1, O2, O3 en O4 in Richtlijn

2007/46/EEG;

  • b) 
    metalen en kunststofoppervlakken, met inbegrip van oppervlakken van vliegtuigen,

Coatingwerkzaamheden omvatten niet de coating van substraten met metalen met behulp

van elektroforese en chemische spuittechnieken. Als de coatingactiviteit ook een stap

omvat waarbij hetzelfde artikel wordt bedrukt, ongeacht de daarbij gebruikte techniek,

wordt deze stap als onderdeel van de coatingactiviteit beschouwd. Drukactiviteiten die als

afzonderlijke activiteiten plaatsvinden, vallen echter niet binnen deze categorie, maar

kunnen onder hoofdstuk 5 van deze richtlijn vallen indien de drukactiviteit binnen het

toepassingsgebied daarvan valt.

  • 4. 
    Bandlakken

Elke activiteit waarbij band van staal, roestvrij staal, bekleed staal, koperlegeringen of

aluminiumband in een continu procédé wordt bekleed met een filmvormende of

laminaatcoating.

  • 5. 
    Chemisch reinigen

Alle industriële of commerciële activiteiten waarbij vluchtige organische stoffen worden

gebruikt in een installatie voor het schoonmaken van kleren, meubelstoffen en soortgelijke

consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de

textiel- en de kledingindustrie.

  • 6. 
    Fabricage van schoeisel

Elke activiteit met betrekking tot de fabricage van volledig schoeisel of delen daarvan.

  • 7. 
    Vervaardiging van coating mengsels, lak, inkt en kleefstoffen

De vervaardiging van bovengenoemde eindproducten en, wanneer dit in dezelfde

installatie gebeurt, van halffabrikaten door het mengen van pigmenten, hars en kleefstoffen

met organische oplosmiddelen of andere draagstoffen, waaronder dispergeren en

predispergeren, aanpassen van de viscositeit en de kleur en bewerkingen om de verpakking

te vullen met het eindproduct.

  • 8. 
    Vervaardiging van geneesmiddelen

De chemische synthese, fermentatie, extractie, formulering en afwerking van

geneesmiddelen en de vervaardiging van halffabrikaten, voorzover deze op dezelfde plaats

gebeurt.

  • 9. 
    Drukken

Een activiteit waarbij tekst en/of afbeeldingen worden gereproduceerd door met behulp

van een beelddrager inkt op ongeacht welk soort oppervlak aan te brengen.

Hieronder vallen ook daarmee samenhangende lak-, coating- en lamineertechnieken.

Onder hoofdstuk V vallen alleen de volgende deelprocessen:

  • a) 
    flexografie: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager

van rubber of elastische fotopolymeren, waarop de drukkende delen zich boven de

niet-drukkende delen bevinden, en van vloeibare inkt die door verdamping droogt;

  • b) 
    heatsetrotatie-offset: een rotatiedrukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een

beelddrager waarop de drukkende delen en de niet-drukkende delen in hetzelfde vlak

liggen, waarbij rotatie inhoudt dat het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen

maar van een rol in de machine wordt gevoerd. Het niet-drukkende deel wordt

zodanig behandeld dat het water aantrekt en derhalve de inkt afstoot. Het drukkende

deel wordt zodanig behandeld dat het inkt opneemt en overbrengt op het te

bedrukken oppervlak. De verdamping vindt plaats in een oven, waar het bedrukte

materiaal met warme lucht wordt verwarmd;

  • c) 
    lamineren samenhangend met een drukproces: de samenhechting van twee of meer

flexibele materialen tot een laminaat;

  • d) 
    illustratiediepdruk: rotatiediepdrukactiviteit waarbij papier voor tijdschriften,

brochures, catalogi of soortgelijke producten met inkt op basis van tolueen wordt

bedrukt;

  • e) 
    rotatiediepdruk: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een

cilindrische beelddrager, waarop de drukkende delen lager liggen dan de niet-

drukkende delen, en vloeibare inkt die door verdamping droogt. De napjes worden

met inkt gevuld en het overschot wordt van de niet-drukkende delen verwijderd

voordat het te bedrukken oppervlak contact met de cilinder maakt en de inkt uit de

napjes trekt;

  • f) 
    rotatiezeefdruk: een rotatiedrukactiviteit waarbij de inkt door een poreuze

beelddrager wordt geperst, waarbij de drukkende delen open zijn en het niet-

drukkende deel wordt afgedekt, en zo op het te bedrukken oppervlak wordt gebracht

en gebruik wordt gemaakt van vloeibare inkt die uitsluitend door verdamping droogt.

Bij een rotatief drukproces wordt het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen

maar van een rol in de machine gebracht.

  • g) 
    lakken: een proces waarbij een lak of een kleefstof om later het verpakkingsmateriaal

af te sluiten op een flexibel materiaal wordt aangebracht.

  • 10. 
    Bewerking van rubber

Elke activiteit met betrekking tot het mengen, malen, vermengen, kalanderen, extruderen

en vulkaniseren van natuurlijk of synthetisch rubber en alle nevenbewerkingen om

natuurlijk of synthetisch rubber te bewerken tot eindproduct.

  • 11. 
    Oppervlaktereiniging

Alle activiteiten, met uitzondering van chemisch reinigen, waarbij organische

oplosmiddelen worden gebruikt om verontreiniging van het oppervlak van materialen te

verwijderen, met inbegrip van ontvetting. Een uit meer dan één stap bestaande

reinigingsactiviteit die niet wordt onderbroken door een andere stap, wordt als één

oppervlaktereinigingsactiviteit beschouwd. Deze activiteit betreft niet het reinigen van

apparatuur maar het reinigen van het oppervlak van producten.

  • 12. 
    Extractie van plantaardige oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën

Alle activiteiten waarbij plantaardige olie uit zaden en ander plantaardig materiaal wordt

geëxtraheerd, droge residuen tot diervoeder worden verwerkt, of vetten en plantaardige

olie uit zaden, plantaardig materiaal en/of dierlijk materiaal worden geraffineerd.

  • 13. 
    Overspuiten van voertuigen

Alle industriële of commerciële activiteiten en daarmee verband houdende

ontvettingsactiviteiten waaronder een van de volgende:

  • a) 
    het aanbrengen van de oorspronkelijke laklaag op wegvoertuigen, zoals gedefinieerd

in Richtlijn 2007/46/EEG of een deel daarvan, met voor het overspuiten

gebruikelijke lakken op een andere plaats dan de oorspronkelijke fabricagelijn;

  • b) 
    het aanbrengen van een laklaag op aanhangwagens (met inbegrip van opleggers)

(categorie O in Richtlijn 2007/46/EEG ).

  • 14. 
    Coating van wikkeldraad

Elke coatingsactiviteit van metalen geleiders die worden gebruikt om spoelen voor

transformatoren, motoren enz. mee te wikkelen.

  • 15. 
    Impregneren van hout

Elke activiteit waarbij een houtverduurzamingsmiddel in het hout wordt gebracht.

  • 16. 
    Lamineren van hout en kunststof

Elke activiteit met het oog op het aaneenhechten van hout en/of kunststof voor de

vervaardiging van laminaten.

Deel 2

Drempelwaarden en emissie grenswaarden

De emissiegrenswaarden in rookgassen worden gemeten bij een temperatuur van 273,15 Kelvin, en een druk van 101,3 kPa.

Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen

arde in emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage

oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)

oplosmiddelen

in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande

installaties installaties installaties installaties

1 Heatsetrotatie-offsetdruk 15--25 100 30 (1) (1) Resten oplosmiddelen in

eindproduct worden niet als onderdeel van de diffuse emissie beschouwd.

(> 15) > 25 20 30 (1)

2 Illustratiediepdruk 75 10 15

(> 25)

Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen

arde in emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage

oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)

oplosmiddelen

in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande

installaties installaties installaties installaties

3 Andere rotatiediepdruk, 15--25 100 25 (1) Drempel voor rotatiezeefdruk op

flexografie, rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden, (> 15) rotatiezeefdruk op textiel/karton (> 30) textiel en karton.

> 25 100 20

> 30 (1) 100 20

4 Oppervlaktereiniging met de 1--5 20 (1) 15 (1) Grenswaarde in massa van de

in artikel 59, lid 5, vermelde stoffen verbindingen in mg/nm3 en niet in

> 5 20 (1) 10 totale massa koolstof.

(> 1)

Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen

arde in emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage

oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)

oplosmiddelen

in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande

installaties installaties installaties installaties

5 Overige oppervlaktereiniging 2--10 75 (1) 20 (1) (1) Wanneer aan de bevoegde instantie

wordt aangetoond dat het gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van al het in een installatie gebruikte reinigingsmateriaal niet hoger ligt dan 30 gewichtsprocenten, gelden deze waarden niet voor die installatie.

(> 2) > 10 75 (1) 15 (1)

6 Coating van voertuigen (< 15) > 0,5 50 (1) 25 (1) Naleving overeenkomstig punt 2

en overspuiten van voertuigen van deel 8 moet worden aangetoond op basis van metingen om de 15 minuten.

Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen

arde in emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage

oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)

oplosmiddelen

in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande

installaties installaties installaties installaties

7 Bandlakken 50 (1) 5 10 (1) Voor installaties die technieken

gebruiken waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt een emissiegrenswaarde van 150.

(> 25)

Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen

arde in emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage

oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)

oplosmiddelen

in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande

installaties installaties installaties installaties

8 Andere coatingprocessen, 5--15 100 (1) (4) 25 (4) (1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor

waaronder metaal-, kunststof-, textiel- (coating- en droogprocessen in een gesloten systeem.

5), stoffen, film- en > 15 50/75 (2) (3) (4) 20 (4)

papiercoating

(2) De eerste emissiegrenswaarde geldt

(> 5) voor droogprocessen, de tweede voor coatingprocessen.

(3) Voor installaties die

genitrogeneerde oplosmiddelen gebruiken met technieken waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt een gecombineerde grenswaarde voor coating- en droogproces van 150.

(4) Voor coatingwerk dat niet kan

worden uitgevoerd in een gesloten systeem (zoals in de scheepsbouw, schilderen van vliegtuigrompen) kan overeenkomstig artikel 54, lid 3, van deze waarden worden afgeweken.

(5) Rotatiezeefdruk op textiel valt

onder activiteit nr. 3.

Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen

arde in emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage

oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)

oplosmiddelen

in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande

installaties installaties installaties installaties

9 Coating van wikkeldraad 10 g/kg (1) (1) Geldt voor installaties met een

gemiddelde draaddiameter 0,1 mm.

(> 5) 5 g/kg (2)

(2) Geldt voor alle andere installaties.

10 Coating van houten 15--25 100 (1) 25 (1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor

oppervlakken coating- en droogprocessen in een gesloten systeem.

> 25 50/75 (2) 20

(> 15)

(2) De eerste waarde geldt voor

droogprocessen, de tweede voor coatingprocessen.

Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen

arde in emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage

oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)

oplosmiddelen

in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande

installaties installaties installaties installaties

11 Chemisch reinigen 20 g/kg (1) (2) (1) Uitgedrukt in massa uitgestoten

oplosmiddel per kilogram gereinigd en gedroogd product.

(2) De in punt 2 van deel 4 vermelde

emissiegrenswaarde geldt niet voor deze activiteit

.

12 Impregneren van hout 100 (1) 45 11 kg/m3 (1) De emissiegrenswaarde geldt niet

voor impregneren met creosoot.

(> 25)

13 Coating van leer 10--25 85 g/m2 De emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per vierkante meter vervaardigd product.

(> 10) > 25 75 g/m2

> 10 (1) 150 g/m2

(1) Voor coating van leer voor

meubelen en bepaalde lederen goederen die worden gebruikt als kleine consumptiegoederen zoals tassen, riemen, portefeuilles enz.

Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen

arde in emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage

oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)

oplosmiddelen

in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande

installaties installaties installaties installaties

14 Fabricage van schoeisel 25 g per paar De totale emissiegrenswaarde is uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per vervaardigd paar compleet schoeisel.

(> 5)

15 Lamineren van hout en 30 g/m2

kunststof

(> 5)

16 Aanbrengen van lijmlagen 5--15 50 (1) 25 (1) Als technieken worden gebruikt

waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor rookgassen een emissiegrenswaarde van 150.

(> 5) > 15 50 (1) 20

17 Vervaardiging van coating 100--1 000 150 5 5% van de oplosmiddeleninput Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coatingmengsel in een gesloten container worden verkocht.

mengsels, lak, inkt en kleefstoffen

> 1 000 150 3

3% van de oplosmiddeleninput

(> 100)

Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen

arde in emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage

oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)

oplosmiddelen

in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande

installaties installaties installaties installaties

18 Bewerking van rubber 20 (1) 25 (2) 25% van de (1) Als technieken worden gebruikt

oplosmiddeleninput waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor rookgassen een emissiegrenswaarde van 150.

(> 15)

(2) Onder de diffuse-

emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coatingmengsel in een gesloten container worden verkocht.

Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen

arde in emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage

oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)

oplosmiddelen

in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande

installaties installaties installaties installaties

19 Extractie van plantaardige Dierlijk vet: (1) De totale emissiegrenswaarden voor

oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën 1,5 kg/ton installaties voor de verwerking van losse partijen zaden en ander plantaardig materiaal moeten door de bevoegde autoriteit per geval worden vastgesteld, met toepassing van de beste beschikbare technieken.

Ricinus:

3 kg/ton

(> 10)

Raapzaad:

1 kg/ton

(2) Geldt voor alle

Zonnebloemzaad: fractioneringsprocessen met uitzondering van ontgommen (het verwijderen van gom uit de olie).

1 kg/ton

Sojabonen (normale

maling): 0,8 kg/ton(3) Geldt voor ontgommen.

Sojabonen (witte vlokken):

1,2 kg/ton

Overige zaden en ander plantaardig materiaal:

3 kg/ton ( 1)

1,5 kg/ton (2)

4 kg/ton (3)

Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen

arde in emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage

oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)

oplosmiddelen

in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande

installaties installaties installaties installaties

20 Vervaardiging van 20 (1) 5 (2) 15 (2) 5% van de 15% van

de oplosmidde leninput (1) Als technieken worden gebruikt

geneesmiddelen oplosmiddel eninput waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor rookgassen een emissiegrenswaarde van 150.

(> 50)

(2) Onder de diffuse-

emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coating

mengsel in een gesloten

container worden verkocht.

Deel 3

Emissiegrenswaarden voor installaties in de voertuigcoatingindustrie

  • 1. 
    De totale emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten organisch oplosmiddel

per m2 vervaardigd product en in kilogram uitgestoten organisch oplosmiddel per

carrosserie.

  • 2. 
    Het oppervlak van de in de tabel onder punt 3 vermelde producten wordt als volgt

gedefinieerd:

  • het berekende oppervlak van het totale elektroforetisch coatingvlak en het oppervlak

van delen die eventueel in latere fasen van het coatingproces worden toegevoegd en

met dezelfde coating worden bekleed als voor het desbetreffende product wordt

gebruikt, of het totale oppervlak van het in de installatie gecoate product.

Het oppervlak van het elektroforetisch coatingvlak wordt berekend met de volgende

formule:

2 × gewicht product zonder coating

Gemiddelde dikte metaalplaat × dichtheid metaalplaat

Deze methode wordt ook gebruikt voor andere gecoate onderdelen van metaalplaat.

Voor de berekening van het oppervlak van de andere toegevoegde delen of het totale in de

  • 3. 
    De totale emissiegrenswaarden in onderstaande tabel hebben betrekking op alle

procesfasen die in dezelfde installatie worden uitgevoerd vanaf elektroforetische coating of

een ander soort coatingproces tot en met het uiteindelijke in de was zetten en polijsten van

de toplaag, alsmede de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden

gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als

buiten de productiefase.

Activiteit Drempelwaarde productie Totale emissiegrenswaarde

(drempelwaarde voor (geldt voor de jaarlijkse Nieuwe installaties Bestaande

verbruik oplosmiddelen productie van gecoat installaties

in ton/jaar) materiaal)

Coating nieuwe auto"s (> 15) > 5 000 45 g/m2 of 1,3 60 g/m2 of 1,9

kg/auto + 33 g/m2 kg/auto + 41 g/m2

5 000 zelfdragend of > 3 500 met chassis 90 g/m2 of 1,5 90 g/m2 of 1,5

kg/auto + 70 g/m2 kg/auto + 70 g/m2

Totale emissiegrenswaarde (g/m2)

Coating van nieuwe vrachtwagencabines (> 15) 5 000 65 85

> 5 000 55 75

Coating van nieuwe bestelwagens en vrachtwagens (> 15) 2 500 90 120

> 2 500 70 90

Coating nieuwe bussen (> 15) 2 000 210 290

  • 4. 
    Installaties voor de coating van voertuigen die de in de tabel onder punt 3 opgenomen

drempelwaarden voor het oplosmiddelenverbruik niet overschrijden, moeten voldoen aan

de in deel 2 vermelde eisen voor de sector overspuiten van voertuigen.

Deel 4

Emissegrenswaarden voor vluchtige organische stoffen met bijzondere risicozinnen

  • 1. 
    Voor emissies van de in artikel 58 vermelde vluchtige organische stoffen, waarbij de

massastroom van de stoffen waarvoor de in dat artikel vermelde etikettering verplicht is, in

totaal 10 g/uur of meer bedraagt, moet een emissiegrenswaarde van 2 mg/Nm3 in acht

worden genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken

stoffen.

  • 2. 
    Voor emissies van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen waaraan de gevaar-

aanduidingen H341 of H351 zijn toegekend of die van deze aanduidingen of zinnen

moeten zijn voorzien, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de gevaar-

aanduiding H341 of H351 verplicht is, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, moet een

emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde

geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.

Deel 5

Reductieprogramma

  • 1. 
    De exploitant kan ieder speciaal voor zijn installatie ontworpen reductieprogramma

gebruiken.

  • 2. 
    Bij het aanbrengen van coating, lak, kleefstof of inkt kan het volgende programma worden

gebruikt. Wanneer deze methode niet bruikbaar is, kan de bevoegde instantie een

exploitant toestaan een andere regeling toe te passen waardoor de emissies in dezelfde

mate worden beperkt als door de toepassing van de emissiegrenswaarden van de delen 2

en 3. Bij de opzet van het programma moet rekening worden gehouden met de volgende

gegevens:

  • a) 
    wanneer de vervangingsproducten met weinig of geen oplosmiddelen nog in

ontwikkeling zijn, moet de exploitant extra tijd krijgen om zijn reductieprogramma

uit te voeren;

  • b) 
    het referentiepunt voor de emissiebeperking moet zo goed mogelijk overeenkomen

met de emissie die het resultaat zou zijn als er geen beperkende maatregelen zouden

worden genomen.

  • 3. 
    De volgende regeling geldt voor installaties waar voor het product een constant gehalte aan

vaste stof kan worden verondersteld:

  • a) 
    De jaarlijkse referentie-emissie wordt als volgt berekend:
  • i) 
    Eerst wordt de totale massa bepaald aan vaste stof in de hoeveelheid coating

en/of inkt en/of lak en/of kleefstof die per jaar wordt gebruikt. Vaste stoffen

zijn alle materialen in coating, inkt, lak en kleefstof die vast worden wanneer

het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.

  • ii) 
    De jaarlijkse referentie-emissie wordt berekend door de volgens punt i)

bepaalde massa te vermenigvuldigen met de in onderstaande tabel vermelde

factor. De bevoegde instanties kunnen deze factoren voor individuele

installaties aanpassen om rekening te houden met een aangetoonde stijging van

het rendement bij het gebruik van vaste stoffen.

Activiteit Voor punt a), onder ii) te gebruiken

vermenigvuldigingsfactor

Rotatiediepdruk; flexografie; lamineren samenhangend met een drukactiviteit; lakken samenhangend met een drukactiviteit; coating van hout; coating van textiel, vezel, film of papier; het aanbrengen van een lijmlaag 4

Bandlakken, overspuiten van voertuigen 3

  • b) 
    De beoogde emissie wordt berekend door de jaarlijkse referentie-emissie te

vermenigvuldigen met een percentage dat gelijk is aan:

  • i) 
    (de diffuse-emissiegrenswaarde + 15) voor installaties die onder punt 6 en

binnen het laagste drempelwaarde-interval van de punten 8 en 10 van deel 2

vallen;

  • ii) 
    (de diffuse-emissiegrenswaarde + 5) voor alle andere installaties.
  • c) 
    Aan de eisen wordt voldaan als de feitelijke emissie van oplosmiddelen, bepaald aan

de hand van de oplosmiddelenboekhouding, kleiner is dan of gelijk is aan de

beoogde emissie.

Deel 6

Emissie monitoring

  • 1. 
    Rookkanalen waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en die aan de uitlaatzijde

gemiddeld in totaal meer dan 10 kg organische koolstof per uur uitwerpen, moeten

doorlopend op naleving van de emissiegrenswaarden worden gecontroleerd.

  • 2. 
    In andere gevallen dragen de lidstaten er zorg voor dat continue of periodieke metingen

worden uitgevoerd. Bij periodieke metingen worden gedurende elke meetcampagne ten

minste drie meetwaarden geregistreerd.

  • 3. 
    Metingen zijn niet vereist indien nabehandelingsapparatuur aan het einde van de pijp niet

noodzakelijk is om te voldoen aan deze richtlijn.

Deel 7

Oplosmiddelenboekhouding

  • 1. 
    Beginselen

De oplosmiddelenboekhouding wordt gebruikt om:

  • a) 
    te controleren of aan de eisen van artikel 62 wordt voldaan;
  • b) 
    de mogelijkheden voor emissiebeperking in de toekomst te specificeren;
  • c) 
    aan het publiek informatie te kunnen verstrekken over het verbruik van

oplosmiddelen, de emissie van oplosmiddelen en de naleving van de richtlijn.

  • 2. 
    Definities

Met de volgende definities worden regels gegeven ter bepaling van de massabalans.

Input (I) van organische oplosmiddelen:

I1. De hoeveelheid aangekochte organische oplosmiddelen als zodanig of in mengsels ,

die in het proces worden ingevoerd gedurende de termijn waarover de massabalans

wordt bepaald.

I2. De hoeveelheid teruggewonnen en als oplosmiddel in het proces hergebruikte

organische oplosmiddelen als zodanig of in mengsels. De gerecycleerde

Output (O) van organische oplosmiddelen:

O1 Rookgasemissies.

O2 In water geloosde organische oplosmiddelen, rekening houdend met de

afvalwaterzuivering bij de berekening van O5.

O3 De hoeveelheid organische oplosmiddelen die als verontreiniging of als residu in de bij het

proces vervaardigde producten achterblijft.

O4 Niet-afgevangen emissie van organische oplosmiddelen in de lucht. Het gaat hierbij om de

algemene ventilatie van ruimtes, waarbij de lucht via ramen, deuren, luchtafvoerkanalen en

soortgelijke openingen in het buitenmilieu terechtkomt.

O5 Organische oplosmiddelen en/of organische verbindingen die door chemische of fysische

reacties verloren gaan (met inbegrip van hoeveelheden die door verbranding, een andere

zuivering van rookgassen of afvalwaterzuivering vernietigd worden of door adsorptie

opgevangen worden, mits die niet bij O6, O7 of O8 worden meegerekend).

O6 Organische oplosmiddelen in ingezameld afval.

O7 Organische oplosmiddelen als zodanig of in mengsels die als een product met

handelswaarde worden verkocht of bestemd zijn om te worden verkocht.

O8 Organische oplosmiddelen in mengsels die voor hergebruik worden teruggewonnen

maar niet opnieuw in het proces worden ingebracht, mits deze niet bij O7 worden

meegerekend.

O9 Organische oplosmiddelen die op andere wijze vrijkomen.

  • 3. 
    Gebruik van een oplosmiddelenboekhouding voor controle op de naleving

Het specifieke voorschrift waarop de controle wordt toegepast, zal bepalend zijn voor de

wijze waarop de oplosmiddelenboekhouding wordt gebruikt:

  • a) 
    Controle op de naleving van het reductieprogramma in deel 5, waarbij de totale

emissiegrenswaarde wordt uitgedrukt in uitgestoten oplosmiddel per eenheid

product, of anders wordt geformuleerd in deel 2 en 3.

  • i) 
    Voor alle activiteiten die gebruik maken van het in deel 5 omschreven

reductieprogramma moet de oplosmiddelenboekhouding jaarlijks worden

opgemaakt om het verbruik (C) te bepalen. Het verbruik wordt met behulp van

de volgende vergelijking berekend:

C = I1 - O8

Op soortgelijke wijze moet ook de in coatings gebruikte hoeveelheid vaste stof

worden bepaald, zodat elk jaar de jaarlijkse referentie-emissie en de beoogde

emissie kunnen worden berekend.

  • ii) 
    Voor de controle op de naleving van een totale emissiegrenswaarde die in

uitgeworpen oplosmiddel per eenheid product wordt uitgedrukt, of anders wordt

geformuleerd in deel 2 en 3, moet de oplosmiddelenboekhouding jaarlijks worden

gebruikt om de emissie (E) te bepalen. De emissie wordt met behulp van de volgende

vergelijking berekend:

E = F + O1

Hierbij is LE de lekkage-emissie, zoals gedefinieerd onder punt b, onder i). De

emissie moet vervolgens worden gedeeld door de parameter voor het desbetreffende

product.

  • iii) 
    Voor controle op de naleving van de voorschriften van artikel 59, lid 6, onder ii), b),

moet de oplosmiddelenboekhouding jaarlijks worden gebruikt om de totale emissie

van alle betrokken activiteiten te bepalen en moet dit getal vervolgens worden

vergeleken met de totale emissie die zou zijn veroorzaakt als de voorschriften van

deel 2, 3 en 5 voor elke activiteit afzonderlijk nageleefd zouden zijn.

  • b) 
    Bepaling van de diffuse emissie om deze met de lekkage-emissiewaarden in deel 2 te

kunnen vergelijken:

  • i) 
    De diffuse emissie wordt met behulp van een van de volgende vergelijkingen

berekend:

F = I1 - O1 - O5 - O6 - O7 - O8

of

F = O2 + O3 + O4 + O9.

F wordt hetzij door rechtstreekse meting van de verschillende factoren worden

bepaald, hetzij door middel van een een gelijkwaardige berekeningsmethode,

bijvoorbeeld met behulp van het afvangrendement van het proces.

De diffuse-emissiewaarde wordt uitgedrukt als een percentage van de input, die met

behulp van de volgende vergelijking wordt berekend:

I = I1 + I2.

  • ii) 
    De diffuse emissie wordt met behulp van korte maar volledige metingen bepaald en

behoeft niet te worden herhaald zolang de apparatuur niet veranderd wordt.

Deel 8

Beoordeling van de conformiteit met de emissegrenswaarden in rookgassen

  • 1. 
    Bij doorlopende metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn

indien:

  • a) 
    geen van de rekenkundige gemiddelden van alle geldige metingen gedurende een

periode van 24 uur waarin een installatie in bedrijf is, met uitzondering van het

opstarten en stilleggen van de exploitatie en het onderhoud van de apparatuur

onder normale omstandigheden gedurende 24 uur normaal bedrijf hoger is dan de

emissiegrenswaarden,

  • b) 
    geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal

de emissiegrenswaarden.

  • 2. 
    Bij periodieke metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn indien

in één monitoringcampagne:

  • a) 
    het gemiddelde van alle meetwaarden onder normale omstandigheden niet hoger is

dan de emissiegrenswaarden, en

  • b) 
    geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal

de emissiegrenswaarden.

  • 3. 
    De naleving van deel 4 wordt gecontroleerd op basis van de som van de massa-

concentraties van de verschillende betrokken vluchtige organische stoffen. In alle andere

gevallen vindt de controle op de naleving plaats op basis van de totale massa organische

koolstof die wordt uitgestoten, tenzij in deel 2 anders is bepaald.

  • 4. 
    Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de rookgassen af te koelen of te verdunnen

indien dit technisch gerechtvaardigd is maar worden niet meegeteld bij het vaststellen van

de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.

BIJLAGE VIII

Bijzondere bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren

Deel 1

Emissiegrenswaarden voor emissies in water

  • 1. 
    Installaties die van het sulfaatproces gebruik maken (jaarlijks gemiddelde): 550 kg sulfaat

per geproduceerde ton titaandioxide;

  • 2. 
    Installaties die van het chlorideproces gebruik maken (jaarlijks gemiddelde):
  • a) 
    130 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van natuurlijk rutiel,
  • b) 
    228 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van synthetisch

rutiel,

  • c) 
    330 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van slakken, Voor in

zeewater (in estuaria, langs de kust, in volle zee) lozende installaties mag een

emissiegrenswaarde gelden van 450 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide

bij gebruik van slakken.

  • 3. 
    Voor installaties die van het chlorideproces gebruik maken en die meer dan één soort erts

gebruiken, gelden de waarden in punt 2 naar rata van de hoeveelheden waarin deze ertsen

worden gebruikt.

Deel 2

Emissiegrenswaarden voor lucht

  • 1. 
    De emissiegrenswaarden, uitgedrukt als massaconcentratie per kubieke meter (Nm3),

worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,3 kPa.

  • 2. 
    Voor stof: een uurgemiddelde van 50 mg/Nm3 uit de voornaamste bronnen en een

uurgemiddelde van 150 mg/Nm3 uit andere bronnen;

  • 3. 
    Voor lozingen van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide afkomstig van ontsluiting

en roosting, met inbegrip van zuurdruppels, berekend als Sox-equivalent,

  • a) 
    een jaargemiddelde van 6 kg per geproduceerde ton titaandioxide;
  • b) 
    een uurgemiddelde van 500 mg/Nm3 SO

x voor de concentratie van afvalzuren;

  • 4. 
    Voor chloride in het geval van installaties die gebruik maken van het chlorideproces:
  • a) 
    een dagelijkse gemiddelde van 5 mg/Nm3
  • b) 
    tot een momentane waarde van 40 mg/Nm3.

Deel 3

Emissiemonitoring

De monitoring van emissie in de lucht omvat ten minste een continue meting van:

  • a) 
    lozingen van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide afkomstig van ontsluiting en

roosting uit inrichtingen voor de concentratie van afvalzuren in installaties die van het

sulfaatproces gebruik maken;

  • b) 
    chloride dat afkomstig is uit de voornaamste bronnen in installaties die gebruik maken van

het chlorideproces;

  • c) 
    stof dat afkomstig is uit de voornaamste bronnen.

BIJLAGE IX

Deel A

Ingetrokken richtlijnen en opeenvolgende wijzigingen

(bedoeld in artikel 81)

Richtlijn 78/176/EEG van de Raad

(PB L 54 van 25.2.1978, blz. 19)

Richtlijn 83/29/EEG van de Raad

(PB L 32 van 3.2.1983, blz. 28)

Richtlijn 91/692/EEG van de Raad Alleen bijlage I, punt b)

(PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48)

Richtlijn 82/883/EEG van de Raad

(PB L 378 van 31.12.1982, blz. 1)

Akte van Toetreding van 1985 Alleen bijlage I, punt X.1, onder o)

Akte van Toetreding van 1994 Alleen bijlage I, punt VIII.A6

Verordening (EG) nr. 807/2003 van de Raad Alleen bijlage III, punt 34

(PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36)

Verordening (EG) nr. 219/2009 van het Alleen bijlage, punt 3.1

Europees Parlement en de Raad

Richtlijn 1999/13/EG van de Raad

(PB L 85 van 29.3.1999, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Alleen bijlage I, punt 17

Europees Parlement en de Raad,

(PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1)

Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Alleen artikel 13, lid 1

Parlement en de Raad

(PB L 143 van 30.4.2004, blz. 87)

Richtlijn 2008/112/EG van het Europees Alleen artikel 3

Parlement en de Raad

(PB L 345 van 23.12.2008, blz. 68)

Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement

en de Raad

(PB L 332 van 28.12.2000, blz. 91)

Verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Alleen bijlage, punt 4.8

Parlement en de Raad

(PB L 311 van 21.11.2008, blz. 1)

Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement

en de Raad

(PB L 309 van 27.11.2001, blz. 1)

Richtlijn 2006/105/EG van de Raad Alleen Bijlage I, deel B, punt 2

(PB L 363 van 20.12.2006, blz. 368)

Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Alleen artikel 33

Parlement en de Raad

(PB L 140 van 5.5.2009, blz. 14)

Richtlijn 2008/1/EG van het Europees

Parlement en de Raad

(PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8)

Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Alleen artikel 37

Parlement en de Raad

(PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114)

Deel B

Lijst van termijnen voor omzetting in nationaal recht

(bedoeld in artikel 81)

Richtlijn Omzettingstermijn Uitvoeringstermijn

78/176/EG 25 februari 1979

82/883/EG 31 december 1984

92/112/EG 15 juni 1993

1999/13/EG 1 april 2001

2000/76/EG 28 december 2000 28 december 2002

28 december 2005

2001/80/EG 27 november 2002 27 november 2004

2003/35/EG 25 juni 2005

2003/87/EG 31 december 2003

2008/1/EG 30 oktober 19991 30 oktober 1999

BIJLAGE X

Transponeringstabel

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 1, lid 1 Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1, eerste Artikel 1

alinea

--- --- --- --- --- --- ---- Artikel 2

Artikel 1, lid 2, Artikel 2, lid 2 Artikel 3, lid 2

onder a)

Artikel 1, lid 2, Artikel 3, lid 1 Artikel 3, lid 36

onder b)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 1, lid 2, ---

onder c), d) en e)

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 66

Artikel 2 Artikel 67

Artikel 3 Artikel 11, punten d)

en e)

Artikel 4 Artikel 4 Artikel 3, aanhef en Artikel 4, lid 1 Artikel 4, lid 1,

lid 1 eerste alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 5 Artikel 11, punten d)

en e)

Artikel 6 Artikel 11, punten d)

en e)

Artikel 7, lid 1 Artikel 10 Artikel 70, lid 1 en

lid 2, eerste zin

Artikel 7, leden 2 ---

en 3

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 70, lid 2,

tweede zin en lid 3

Artikel 8, lid 1 ---

Artikel 8, lid 2 Artikel 26, lid 1,

tweede alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 9 ---

Artikel 10 ---

Artikel 11 Artikel 12

Artikel 12 ---

Artikel 13, lid 1 Artikel 17, lid 1, Artikel 11, lid 1, Artikel 72, lid 1,

eerste alinea en lid 3, eerste zin en lid 2 eerste alinea

eerste alinea, eerste

zin

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 72, lid 1,

tweede alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 13, leden 2, 3 ---

en 4

Artikel 14 ---

Artikel 15 Artikel 14 Artikel 12 Artikel 21 Artikel 15 Artikel 21 Artikel 18, leden 1 Artikel 80

en 3

Artikel 16 Artikel 15 Artikel 13 Artikel 23 Artikel 17 Artikel 23 Artikel 20 Artikel 84

Bijlage I ---

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage IIA, aanhef ---

en punt 1

Bijlage IIA, punt 2 ---

Bijlage IIB ---

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 2 ---

Artikel 3 ---

Artikel 4, leden 1 ---

en 2, eerste alinea

Artikel 4, lid 2, ---

tweede alinea

Artikel 4, leden 3

en 4

Artikel 5 ---

Artikel 6 ---

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 7 ---

Artikel 8 ---

Artikel 9 ---

Artikel 10 ---

Artikel 11, lid 1 Artikel 13, lid 1 Artikel 17, lid 1 Artikel 75, lid 1

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 75, lid 2

Artikel 11, lid 2 Artikel 17, lid 2 ...

Artikel 11, lid 3 ---

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 12 ---

Artikel 13 ---

Bijlage I ---

Bijlage II ---

Bijlage III ---

Bijlage IV ---

Bijlage V ---

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 2, lid 1, ---

aanhef

Artikel 2, lid 1, ---

onder a), aanhef

Artikel 2, lid 1, onder a), eerste Artikel 67, onder a)

streepje

Artikel 2, lid 1, Artikel 67, onder b)

onder a), tweede

streepje

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 2, lid 1, Artikel 67, onder d)

onder a), derde

streepje en 2, lid 1,

onder b), derde

streepje

Artikel 2, lid 1, ---

onder a), vierde,

vijfde, zesde en

zevende streepje

Artikel 2, lid 1, ---

onder b), aanhef en

eerste, vierde, vijfde,

zesde en zevende

streepje

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 2, lid 1, Artikel 67, onder c)

onder b), tweede

streepje

Artikel 2, lid 1, ---

onder c)

Artikel 2, lid 2 ---

Artikel 3 Artikel 67

Artikel 4 Artikel 67

Artikel 5 ---

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 6, eerste Artikel 68

alinea, aanhef

Artikel 6, eerste Bijlage VIII, deel 1,

alinea, onder a) punt 1

Artikel 6, eerste Bijlage VIII, deel 1,

alinea, onder b) punt 2

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 6, tweede Bijlage VIII, deel 1,

alinea punt 3

Artikel 7 ---

Artikel 8 ---

Artikel 9, lid 1, Artikel 69, lid 2

aanhef

Artikel 9, lid 1, ---

onder a), aanhef

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 9, lid 1, Bijlage VIII, deel 2,

onder a), i) punt 2

Artikel 9, lid 1, Bijlage VIII, deel 2,

onder a), ii) punt 3, aanhef en

punt 3, onder a).

Artikel 9, lid 1, Artikel 69, lid 1

onder a), iii)

Artikel 9, lid 1, Bijlage VIII, deel 2,

onder a), iv) punt 3, onder b)

Artikel 9, lid 1, ---

onder a), v)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 9, lid 1, Bijlage VIII, deel 2,

onder b) punt 4

Artikel 9, leden 2 ---

en 3

Artikel 11 Artikel 11, onder d)

en e)

Bijlage ---

Artikel 2, aanhef Artikel 3, aanhef

Artikel 2, lid 1 Artikel 2, lid 14 Artikel 3, lid 1

Artikel 2, lid 3 Artikel 2, lid 1 Artikel 3, lid 3

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 2, lid 4 ---

Artikel 2, lid 5 Artikel 2, lid 9 Artikel 3, lid 8 Artikel 2, lid 1 Artikel 3, lid 4

Artikel 2, lid 6, Artikel 2, lid 13 Artikel 3, lid 9 Artikel 2, lid 3, Artikel 3, lid 5

eerste zin eerste deel

Artikel 2, lid 6, Artikel 15, lid 1

tweede zin

Artikel 2, lid 7 Artikel 3, lid 6

Artikel 2, lid 8 Artikel 2, lid 5 Artikel 71

Artikel 2, lid 9, Artikel 2, lid 7 Artikel 3, lid 12 Artikel 3, lid 7

eerste zin

Artikel 2, lid 9, Artikel 4, lid 2,

tweede volzin eerste alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 4, lid 2,

tweede alinea

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 4, lid 3

Artikel 2, lid 10 ---

Artikel 2, lid 11, Artikel 3, lid 8

eerste zin

Artikel 2, lid 11, Artikel 21, lid 3

tweede zin

Artikel 2, lid 12, Artikel 3, lid 9

eerste alinea en

bijlage IV, aanhef

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 2, lid 12, Artikel 14, lid 5,

tweede alinea onder a), en 14, lid 6

Artikel 2, lid 13 Artikel 2, lid 6 Artikel 3, lid 11 Artikel 2, lid 5 Artikel 3, lid 14

Artikel 2, lid 14 Artikel 3, lid 15

Artikel 2, lid 15 Artikel 3, lid 16

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 3, leden 10

t/m 13, 17 t/m 22, 25

t/m 29 en 33 t/m 35

Artikel 3, eerste Artikel 11, aanhef

alinea, aanhef

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder a)

punt a) en b)

Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder c)

onder b)

Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder d)

onder c) en e)

Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder f)

onder d)

Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder g)

onder e)

Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder h)

onder f)

Artikel 3, lid 2 ---

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 5, lid 1 ---

Artikel 5, lid 2 Artikel 80, lid 1,

tweede alinea

Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,

aanhef eerste alinea, aanhef

Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,

eerste alinea, eerste alinea,

onder a) t/m d) onder a) t/m d)

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 12, lid 1,

eerste alinea,

onder e)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,

eerste alinea, eerste alinea,

onder e) onder f)

Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,

eerste alinea, eerste alinea,

onder f) onder g)

Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,

eerste alinea, eerste alinea,

onder g) onder h)

Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,

eerste alinea, eerste alinea,

onder h) onder i)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,

eerste alinea, eerste alinea,

onder i) onder j)

Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,

eerste alinea, eerste alinea,

onder j) onder k)

Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,

tweede alinea tweede alinea

Artikel 6, lid 2 Artikel 12, lid 2

Artikel 7 Artikel 5, lid 2

Artikel 8, eerste Artikel 4, lid 3 Artikel 5, lid 1

alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 8, tweede ---

alinea

Artikel 9, lid 1, Artikel 14, lid 1,

eerste deel van de eerste alinea

zin

Artikel 9, lid 1, ---

tweede deel van de

zin

Artikel 9, lid 2 Artikel 5, lid 3

Artikel 9, lid 3, Artikel 14, lid 1,

eerste alinea, eerste tweede alinea,

en tweede zin aanhef en onder a)

en b)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 9, lid 3, Artikel 14, lid 2

eerste alinea, derde

zin

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, leden 3, 4

en 7

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 5,

aanhef en onder b)

van de eerste alinea

en artikel 14, lid 5,

tweede alinea

Artikel 9, lid 3, ---

tweede alinea

Artikel 9, lid 3, Artikel 9, lid 1

derde alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 9, lid 3, Artikel 9, lid 2

vierde alinea

Artikel 9, lid 3, Artikel 9, lid 3

vijfde alinea

Artikel 9, lid 3, Artikel 9, lid 4

zesde alinea

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 10

Artikel 9, lid 4, Artikel 15, lid 2

eerste deel van de

eerste zin

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 9, lid 4, Artikel 15, lid 4,

tweede deel van de eerste alinea

eerste zin

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 15, lid 4,

tweede t/m vijfde

alinea en Artikel 15,

lid 5

Artikel 9, lid 4, Artikel 14, lid 1,

tweede volzin tweede alinea,

onder g)

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 1,

tweede alinea,

onder h)

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 15, lid 3

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 16

Artikel 9, lid 5, Artikel 14, lid 1,

eerste alinea tweede alinea,

onder c), i)

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 1,

tweede alinea,

onder c), ii)

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 1,

tweede alinea,

onder d)

Artikel 9, lid 5, ---

tweede alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 1,

tweede alinea,

onder e)

Artikel 9, lid 6, Artikel 14, lid 1,

eerste alinea tweede alinea,

onder f)

Artikel 9, lid 6, ---

tweede alinea

Artikel 9, lid 7 ---

Artikel 9, lid 8 Artikel 6 en 17,

eerste zin

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 17, tweede

zin

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 10 Artikel 18

Artikel 11 Artikel 19

Artikel 12, lid 1 Artikel 20, lid 1

Artikel 12, lid 2, Artikel 20, lid 2,

eerste zin eerste alinea

Artikel 12, lid 2, Artikel 20, lid 2,

tweede volzin tweede alinea

Artikel 12, lid 2, ---

derde volzin

Artikel 13, lid 1 Artikel 21, lid 1

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 21, leden 2, 3

en 4

Artikel 13, lid 2, Artikel 21, lid 5,

aanhef aanhef

Artikel 13, lid 2, Artikel 21, lid 5,

onder a) onder a)

Artikel 13, lid 2,

onder b)

Artikel 13, lid 2, Artikel 21, lid 5,

onder c) onder b)

Artikel 13, lid 2, ---

onder d)

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 21, lid 5,

onder c)

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 22

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- ---

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 23, lid 1,

eerste alinea

Artikel 14, aanhef en Artikel 8, lid 1

onder a)

Artikel 14, onder b) Artikel 7, onder en a)

en b) en artikel 14,

lid 1, onder d), i)

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 7, aanhef en

onder c)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 1,

onder d), ii)

Artikel 14, onder c) Artikel 23, lid 1,

tweede alinea

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 23, leden 2

tot en met 6

Artikel 15, lid 1, Artikel 12, lid 1, Artikel 24, lid 1,

eerste alinea, aanhef eerste alinea eerste alinea, aanhef

en onder a) en b) en punten a) en b)

Artikel 15, lid 1, Artikel 24, lid 1,

onder c) eerste alinea,

onder c)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 15, lid 1, Artikel 24, lid 1,

tweede alinea tweede alinea

--- --- --- --- --- --- ---

Artikel 15, lid 2 Artikel 24, lid 3,

onder b)

Artikel 15, lid 3 Artikel 24, lid 4

Artikel 15, lid 4 Artikel 24, lid 2,

aanhef en punten a)

en b)

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 24, lid 2,

punten c) tot en met

  • f) 
    en artikel 24, lid 3,

aanhef en onder a)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 16, lid 1 Artikel 25, lid 1

Artikel 16, lid 2 Artikel 25, lid 2

Artikel 16, lid 3 Artikel 25, lid 3

Artikel 16, lid 4 Artikel 25, lid 4

Artikel 16, lid 5 Artikel 25, lid 5

Artikel 17, lid 1, Artikel 72, lid 1,

tweede alinea eerste alinea

Artikel 17, lid 2, Artikel 13, lid 1

eerste alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 13, leden 2

t/m 7

Artikel 17, lid 2, ---

tweede alinea

Artikel 17, lid 3, Artikel 11, lid 1, Artikel 72, lid 2

eerste alinea, tweede tweede volzin

en derde zin

Artikel 17, lid 3, ---

eerste alinea, vierde

zin

Artikel 72, leden 3

en 4

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 17, lid 3,

tweede alinea

Artikel 17, lid 3, Artikel 11, lid 3 Artikel 73, lid 1

derde alinea

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 73, lid 2

Artikel 17, lid 4 ---

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 74

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 27

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 18 Artikel 11 Artikel 26

Artikel 19 ---

Artikel 20 ---

Artikel 21 Artikel807, lid 2

Artikel 22 Artikel 18 Artikel 17 Artikel 81

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 82

Artikel 23 Artikel 16 Artikel 22 Artikel 19 Artikel 83

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 2, lid 1

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage I, eerste Artikel 2, lid 2

alinea van de aanhef

Bijlage I, tweede Bijlage I, eerste

alinea van de aanhef alinea van de aanhef,

eerste zin

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, eerste

alinea van de aanhef,

tweede zin

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, tweede

alinea van de aanhef

Bijlage I, punt 1.1 Bijlage I, punt 1.1

t/m 1.3 t/m 1.3

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage I, punt 1.4 Bijlage I, punt 1.4,

onder a)

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 1.4,

onder b)

Bijlge I, punt 2 Bijlage I, punt 2

Bijlage I, punt 3.1 Bijlage I, punt 3.1,

onder a) en b)

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 3.1,

onder c)

Bijlage I, punten 3.2 Bijlage I, punten 3.2

t/m 3.5 t/m 3.5

Bijlage I, punt 4 Bijlage I, punt 4

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage I, punt 5), ---

aanhef

Bijlage I, punt 5.1 Bijlage I, punten 5.1,

onder b), f), g), i), j)

en 5.2, onder b)

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 5.1, onder a), c), d), e),

h), k)

Bijlage I, punt 5.2 Bijlage I, punt 5.2,

onder a)

Bijlage I, punt 5.3 Bijlage I, punt 5.3,

onder a), i) en ii)

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 5.3,

onder a), iii) t/m v)

en 5.3, onder b)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage I, punt 5.4 Bijlage I, punt 5.4

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punten 5.5

en 5.6

Bijlage I, punt 6.1, Bijlage I, punt 6.1,

onder a) en b) onder a) en b)

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 6.1,

onder c)

Bijlage I, punten 6.2 Bijlage I, punten 6.2

tot en met 6.4, tot en met 6.4,

onder b) onder b), ii)

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 6.4,

onder b), iii)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage I, punten 6.4, Bijlage I, punt 6.4,

onder c) tot en onder c) tot en met -

met 6.9 6.9

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punten

6.10 en 6.11

Bijlage II ---

Bijlage III Bijlage II "Lucht" en

"Water", punten 1

t/m 12

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage II "Water",

punt 13

Bijlage IV, punten 1 Bijlage III

tot en met 12

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage V Bijlage IV

Artikel 2, lid 2 Artikel 57, lid 1

Artikel 2, lid 3 ---

Artikel 2, lid 4 Artikel 63, lid 1

Artikel 2, lid 8 Artikel 4, lid 1,

derde alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 2, lid 10 Artikel 57, lid 3

Artikel 2, lid 11 Artikel 57, lid 2

Artikel 2, lid 12 Artikel 57, lid 4

Artikel 2, lid 15 Artikel 57, lid 5

Artikel 2, lid 16 Artikel 3, lid 43

Artikel 2, lid 17 Artikel 3, lid 44

Artikel 2, lid 18 Artikel 3, lid 45

Artikel 2, lid 19 ---

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 2, lid 20 Artikel 3, lid 46

Artikel 2, lid 21 Artikel 57, lid 6

Artikel 2, lid 22 Artikel 57, lid 7

Artikel 2, lid 23 Artikel 57, lid 8

Artikel 2, lid 24 Artikel 57, lid 9

Artikel 2, lid 25 Artikel 57, lid 10

Artikel 2, lid 26 Artikel 57, lid 11

Artikel 2, lid 27 ---

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 2, lid 28 Artikel 63, lid 1

Artikel 2, lid 29 ---

Artikel 2, lid 30 Artikel 57, lid 12

Artikel 2, lid 31 Bijlage VII, deel 2,

eerste zin

Bijlage VIII, deel 2,

punt 1

Artikel 2, lid 32 ---

Artikel 2, lid 33 Artikel 57, lid 13

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 3, lid 2 Artikel 4, lid 1,

tweede alinea

Artikel 4, leden 1 tot Artikel 4, lid 1,

en met 3 eerste en tweede

alinea

Artikel 4, lid 4 Artikel 63, lid 2

Artikel 5, lid 1 Artikel 59, lid 1,

eerste alinea, aanhef

Artikel 5, lid 2 Artikel 59, lid 1,

eerste alinea,

onder a) en b)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 5, lid 3, Artikel 59, lid 2

eerste alinea,

onder a)

Artikel 5, lid 3, Artikel 59, lid 3

eerste alinea,

onder b)

Artikel 5, lid 3, Artikel 59, lid 4

tweede alinea

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 59, lid 5

Artikel 5, lid 4 ---

Artikel 5, lid 5 Artikel 59, lid 6

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 5, lid 6 Artikel 58

Artikel 5, lid 7 Bijlage VII, deel 4,

punt 1

Artikel 5, lid 8, Bijlage VII, deel 4,

eerste alinea punt 2

Artikel 5, lid 8, Artikel 59, lid 5

tweede alinea

Artikel 5, lid 9 ---

Artikel 5, lid 10 Artikel 59, lid 7

Artikel 5, leden 11, ---

12 en 13

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 6 ---

Artikel 7, lid 1, Artikel 64

aanhef en eerste tot

en met vierde

streepje

Artikel 7, lid 1, ---

afsluitend gedeelte

Artikel 7, lid 2 ---

Artikel 8, lid 1 Artikel 14, lid 1,

punt d), Artikel 60

Artikel 8, lid 2 Bijlage VII, deel 6,

punt 1

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 8, lid 3 Bijlage VII, deel 6,

punt 2

Artikel 8, lid 4 Bijlage VII, deel 6,

punt 3.

Artikel 8, lid 5 ---

Artikel 9, lid 1, Artikel 62, eerste

eerste alinea, aanhef alinea, aanhef

Artikel 9, lid 1, Artikel 62, eerste

eerste alinea, eerste, alinea, punten a), b)

tweede en derde en c)

streepje

Artikel 9, lid 1, Artikel 62, tweede

tweede alinea alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 9, lid 1, Bijlage VII, deel 8,

derde alinea punt 4

Artikel 9, lid 2 Artikel 63, lid 3

Artikel 9, lid 3 Bijlage VII, deel 8,

punt 1

Artikel 9, lid 4 Bijlage VII, deel 8,

punt 2

Artikel 9, lid 5 Bijlage VII, deel 8,

punt 3

Artikel 10 Artikel 4, lid 9 Artikel 8, lid 2

Artikel 11, lid 1, ---

derde tot en met

zesde zin

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 12, lid 1, Artikel 65, lid 1,

tweede alinea eerste alinea

Artikel 12, lid 1, Artikel 65, lid 1,

derde alinea tweede alinea

Artikel 12, lid 2 Artikel 65, lid 2

Artikel 12, lid 3 Artikel 65, lid 3

Artikel 13, leden 2 ---

en 3

Artikel 14 Artikel 19 Artikel 16 Artikel 79

Bijlage I, eerste en Artikel 56

tweede zin van de

aanhef

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage I, derde zin Bijlage VII, deel 1

van de aanhef en lijst

van de activiteiten

Bijlage IIA Bijlage VII, delen 2

en 3

Bijlage IIA, deel II, ---

laatste zin van

alinea 6

Bijlage IIB, punt 1, Artikel 59, lid 1,

eerste en tweede zin eerste alinea,

onder b)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage IIB, punt 1, Artikel 54, lid 1,

derde zin tweede alinea

Bijlage IIB, punt 2 Bijlage VII, deel 5

Bijlage IIB, punt 2, ---

tweede alinea,

onder i) en tabel

Bijlage III, punt 1 ---

Bijlage III, punt 2 Bijlage VII, deel 7,

punt 1

Bijlage III, punt 3 Bijlage VII, deel 7,

punt 2

Bijlage III, punt 4 Bijlage VII, deel 7,

punt 3

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 1, tweede ---

alinea

Artikel 2, lid 1 Artikel 42, lid 1,

eerste alinea

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 42, lid 1,

tweede alinea

Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,

aanhef aanhef

Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,

onder a), aanhef onder a), aanhef

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,

onder a), i) tot en onder a), punt i)

met v)

Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,

onder a), punt vi) onder a), punt ii)

Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,

onder a), punt vii) onder a), punt iii)

Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,

onder a), punt viii) onder a), punt iv)

Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,

onder b) onder b)

Artikel 3, lid 2, Artikel 3, lid 37

eerste alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 3, lid 2, ---

tweede alinea

Artikel 3, lid 3 Artikel 3, lid 38

Artikel 3, lid 4, Artikel 3, lid 39

eerste alinea

Artikel 3, lid 4, Artikel 42, lid 1,

tweede alinea derde alinea

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 42, lid 1,

vierde alinea

Artikel 3, lid 5, Artikel 3, lid 40

eerste alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 3, lid 5, Artikel 42, lid 1,

tweede alinea vijfde alinea

Artikel 3, lid 5, Artikel 42, lid 1,

derde alinea derde alinea

Artikel 3, lid 6 Bijlage VI, deel 1,

onder a)

Artikel 3, lid 7 Artikel 3, lid 41

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage VI, deel 1,

onder b)

Artikel 3, lid 10 Artikel 3, lid 42

Artikel 3, lid 13 Artikel 43

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 4, lid 2 Artikel 44

Artikel 4, lid 4, Artikel 45, lid 1,

aanhef en onder a) aanhef en onder a)

en b) en b)

Artikel 4, lid 4, Artikel 45, lid 1,

onder c) onder e)

Artikel 4, lid 5 Artikel 45, lid 2

Artikel 4, lid 6 Artikel 45, lid 3

Artikel 4, lid 7 Artikel 45, lid 4

Artikel 4, lid 8 Artikel 54

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 5 Artikel 52

Artikel 6, lid 1, Artikel 50, lid 1

eerste alinea

Artikel 6, lid 1, Artikel 50, lid 2

tweede alinea en

artikel 6, lid 2

Artikel 6, lid 1, Artikel 50, lid 3,

derde alinea eerste alinea

Artikel 6, lid 1, ---

eerste deel van de

vierde alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 6, lid 1, Artikel 50, lid 3,

tweede deel van de tweede alinea

vierde alinea

Artikel 6, lid 3 Artikel 50, lid 4

Artikel 6, lid 4, Artikel 51, lid 1

eerste en tweede zin

van de eerste alinea,

en artikel 6, lid 4,

tweede alinea

Artikel 6, lid 4, Artikel 51, lid 2

derde zin van de

eerste alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 51, lid 3,

eerste alinea

Artikel 6, lid 4, Artikel 51, lid 3,

derde alinea tweede alinea

Artikel 6, lid 4, Artikel 51, lid 4

vierde alinea

Artikel 6, lid 5 Artikel 46, lid 1

Artikel 6, lid 6 Artikel 50, lid 5

Artikel 6, lid 7 Artikel 50, lid 6

Artikel 6, lid 8 Artikel 50, lid 7

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 7, lid 1, en Artikel 46, lid 2,

artikel 7, lid 2, eerste eerste alinea

alinea

Artikel 7, lid 2, Artikel 46, lid 2,

tweede alinea tweede alinea

Artikel 7, lid 3, en Bijlage VI, deel 6,

artikel 11, lid 8, eerste deel van

aanhef van de eerste punt 2.7

alinea

Artikel 7, lid 4 Artikel 46, lid 2,

tweede alinea

Artikel 7, lid 5 ---

Artikel 8, lid 1 Artikel 45, lid 1,

onder c)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 8, lid 2 Artikel 46, lid 3

Artikel 8, lid 3 ---

Artikel 8, lid 4, Artikel 46, lid 4,

eerste alinea eerste alinea

Artikel 8, lid 4, Bijlage VI, deel 6,

tweede alinea punt 3.2

Artikel 8, lid 4, ---

derde alinea

Artikel 8, lid 4, ---

vierde alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 8, lid 5 Artikel 46, lid 4,

tweede en derde

alinea

Artikel 8, lid 6 Artikel 45, lid 1,

onder c) en d)

Artikel 8, lid 7 Artikel 46, lid 5

Artikel 8, lid 8 ---

Artikel 9, eerste Artikel 53, lid 1

alinea

Artikel 9, tweede Artikel 53, lid 2

alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 9, derde Artikel 53, lid 3

alinea

Artikel 10, leden 1 ---

en 2

Artikel 10, lid 3, Artikel 48, lid 2

eerste zin

Artikel 10, lid 3, ---

tweede volzin

Artikel 10, lid 4 Artikel 48, lid 3

Artikel 10, lid 5 Bijlage VI, deel 6,

tweede deel van

punt 1.3

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 11, lid 1 Artikel 48, lid 1

Artikel 11, lid 2 Bijlage VI, deel 6,

punt 2.1

Artikel 11, lid 3 Bijlage VI, deel 6,

punt 2.2

Artikel 11, lid 4 Bijlage VI, deel 6,

punt 2.3

Artikel 11, lid 5 Bijlage VI, deel 6,

punt 2.4

Artikel 11, lid 6 Bijlage VI, deel 6,

punt 2.5, eerste

alinea

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage VI, deel 6,

punt 2.5, tweede

alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 11, lid 7, Bijlage VI, deel 6,

eerste deel van de punt 2.6, aanhef

eerste zin van de

eerste alinea

Artikel 11, lid 7, Bijlage VI, deel 6,

tweede deel van de punt 2.6, onder a)

eerste zin van de

eerste alinea

Artikel 11, lid 7, ---

tweede zin van de

eerste alinea

Artikel 11, lid 7, ---

tweede alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 11, lid 7, Bijlage VI, deel 6,

onder a) punt 2.6, onder b)

Artikel 11, lid 7, ---

onder b) en c)

Artikel 11, lid 7, Bijlage VI, deel 6,

onder d) punt 2.6, onder c)

Artikel 11, lid 7, ---

onder e) en f)

Artikel 11, lid 8, Bijlage VI, deel 3,

eerste alinea, punt 1

onder a) en b)

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 11, lid 8, Bijlage VI, deel 6,

eerste alinea, tweede alinea van

onder c), en tweede punt 2.7

alinea

Artikel 11, lid 8, Bijlage VI, deel 4,

eerste alinea, punt 2.1, tweede

onder d) alinea

Artikel 11, lid 9 Artikel 48, lid 4

Artikel 11, lid 10 Bijlage VI, deel 8,

punt 1.1

Artikel 11, lid 11 Bijlage VI, deel 8,

punt 1.2

Artikel 11, lid 12 Bijlage VI, deel 8,

punt 1.3

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 11, lid 13 Artikel 48, lid 5

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 49

Artikel 11, lid 14 Bijlage VI, deel 6,

punt 3.1

Artikel 11, lid 15 Artikel 45, lid 1,

onder e)

Artikel 11, lid 16 Bijlage VI, deel 8,

punt 2

Artikel 11, lid 17 Artikel 8, lid 2,

onder a)

Artikel 12, lid 1 Artikel 55, lid 1

Artikel 12, lid 2, Artikel 55, lid 2

eerste en tweede zin

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 12, lid 2, Artikel 55, lid 3

derde volzin

Artikel 13, lid 1 Artikel 45, lid 1,

onder f)

Artikel 13, lid 2 Artikel 47

Artikel 13, lid 3 Artikel 46, lid 6

Artikel 13, lid 4 Bijlage VI, deel 3,

punt 2

Artikel 14 ---

Artikel 15 ---

Artikel 16 ---

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 20 ---

Bijlage I Bijlage VI, deel 2

Bijlage II, eerste deel Bijlage VI, deel 4,

(niet genummerd) punt 1

Bijlage II, punt 1, Bijlage VI, deel 4,

aanhef punt 2.1

Bijlage II, punten 1.1 Bijlage VI, deel 4,

en 1.2 punt 2.2 en 2.3

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage VI, deel 4,

punt 2.4

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage II, punt 1.3 ---

Bijlage II, punt 2.1 Bijlage VI, deel 4,

punt 3.1

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage VI, deel 4,

punt 3.2

Bijlage II, punt 2.2 Bijlage VI, deel 4,

punt 3.3 en 3.4

Bijlage II, punt 3 Bijlage VI, deel 4,

punt 4

Bijlage III Bijlage VI, deel 6,

punt 1

Bijlage IV, tabel Bijlage VI, deel 5

Bijlage IV, laatste ---

zin

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage V, punt a), Bijlage VI, deel 3,

tabel punt 1.1

Bijlage V, punt a), ---

laatste zin

Bijlage V, punt b), Bijlage VI, deel 3,

tabel punt 1.2

Bijlage V, punt b), ---

laatste zin

Bijlage V, punt c) Bijlage VI, deel 3,

punt 1.3

Bijlage V, punt d) Bijlage VI, deel 3,

punt 1.4

Bijlage V, punt e) Bijlage VI, deel 3,

punt 1.5

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage V, onder f) Bijlage VI, deel 3,

punt 3

Bijlage VI Bijlage VI, deel 7

Artikel 1 Artikel 28, eerste

alinea

Artikel 2, lid 2 Bijlage V, deel 1,

punt 1 en deel 2,

punt 1, eerste

streepje

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 1,

punt 1 en deel 2,

punt 1, tweede

streepje

Artikel 2, lid 3, Bijlage V, deel 1,

tweede deel punt 1 en deel 2,

punt 1, eerste

streepje

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 1,

punt 1 en deel 2,

punt 1, tweede

streepje

Artikel 2, lid 4 ---

Artikel 2, lid 6, Artikel 3, lid 23

eerste deel

Artikel 2, lid 6, Artikel 28, tweede

tweede deel alinea, onder j)

Artikel 2, lid 7, Artikel 3, lid 24

eerste alinea

Artikel 2, lid 7, ---

tweede alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 2, lid 7, Artikel 28, tweede

tweede alinea, alinea en onder a)

tweede zin en t/m i)

onder a) t/m i)

Artikel 2, lid 7, ---

tweede alinea,

onder j)

Artikel 2, lid 7, ---

derde alinea

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 29, lid 1

Artikel 2, lid 7, Artikel 29, lid 2

vierde alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 29, lid 3

Artikel 2, lid 8 Artikel 3, lid 31

Artikel 2, lid 9 ---

Artikel 2, lid 10 ---

Artikel 2, lid 11 Artikel 3, lid 30

Artikel 2, lid 12 Artikel 3, lid 32

Artikel 2, lid 13 ---

Artikel 3 ---

Artikel 4, lid 1 ---

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 4, lid 2 ---

Artikel 4, leden 3 tot

en met 8

Artikel 5, lid 1 Bijlage V, deel 1,

punt 2, tweede alinea

Bijlage V, deel 1,

punt 2, eerste, derde

en vierde alinea

Artikel 5, lid 2 ---

Artikel 6 ---

Artikel 7, lid 1 Artikel 37

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 7, lid 2 Artikel 30, lid 5

Artikel 7, lid 3 Artikel 30, lid 6

Artikel 8, lid 1 Artikel 40, lid 1

Artikel 8, lid 2, Artikel 40, lid 2,

eerste deel van de eerste deel van de

eerste alinea eerste alinea

Artikel 8, lid 2, ---

tweede deel van de

eerste alinea

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 40, lid 2,

tweede deel van de

eerste alinea

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 40, lid 2,

tweede alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 40, lid 3

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 41

Artikel 8, lid 2, ---

tweede alinea

Artikel 8, leden 3 ---

en 4

Artikel 9 Artikel 30, lid 1

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 30, leden 2, 3

en 4

Artikel 9 bis Artikel 36

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 10, eerste Artikel 30, lid 7,

alinea, eerste zin eerste zin

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 30, lid 7,

tweede zin

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 30, leden 8

en 9

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 31 t/m 35

Artikel 10, eerste ---

alinea, tweede volzin

Artikel 10, tweede ---

alinea

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 12, eerste zin Artikel 38, lid 1

Artikel 12, tweede ---

zin

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 38, leden 2,

3 en 4

--- --- --- --- --- --- --- Artikel 39

Artikel 13 Bijlage V, deel 3,

derde deel van

punt 8

Artikel 14 Bijlage V, deel 4

--- --- --- --- --- --- --- Deel V, deel 5,

6 en 7

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Artikel 15 ---

Artikel 18, lid 2 ---

Bijlage I ---

Bijlage II ---

Bijlagen III en IV Bijlage V, punt 2 van

deel 1 en deel 2

Bijlge V A Bijlage V, deel 1,

punt 3

Bijlage V B Bijlage V, deel 2,

punt 3

Bijlage VI A Bijlage V, deel 1,

punten 4 en 6

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 1,

punt 5

Bijlage VI B Bijlage V, deel 2,

punten 4 en 6

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 2,

punt 5

Bijlage VII A Bijlage V, deel 1,

punten 7 en 8

Bijlage VII B Bijlage V, deel 2,

punten 7 en 8

Bijlage VIII A, ---

punt 1

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

Bijlage VIII A, Bijlage V, deel 3,

punt 2 eerste deel van

punt 1 en punten 2, 3

en 5

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 3,

tweede deel van

punt 1

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 3,

punt 4

Bijlage VIII A, ---

punt 3

Bijlage VIII A, Bijlage V, deel 3,

punt 4 punt 6

Bijlage VIII A, Bijlage V, deel 3,

punt 5 punten 7 en 8

Bijlage VIII A, Bijlage V, deel 3,

punt 6 punten 9 en 10

Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn

78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 3,

punt 11

--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 4

Bijlage VIII B ---

Bijlage VIII C ---

Bijlage VI Bijlage IX Bijlage IX

Bijlage VII Bijlage X Bijlage X

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

23 jan
'08
COM(2008)18 - Geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG en 2006/12/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006


21 dec
'07
COM(2007)844 - Industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (Herschikking) [COM(2007) 843 definitief] [SEC(2007) 1679] [SEC(2007) 1682]


19 dec
'07
COM(2007)824 - Aanpassing aan Besluit 1999/468/EG, zoals gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG, van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft -Deel twee - Aanpassing aan de regelgevingsprocedure met toetsing


29 nov
'07
COM(2007)736 - Ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen


23 nov
'07
COM(2007)741 - Aanpassing aan Besluit 1999/468/EG, zoals gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG, van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft - Deel 1 - Aanpassing aan de regelgevingsprocedure met toetsing


16 okt
'07
COM(2007)611 - Wijziging van de Richtlijnen 76/768/EEG, 88/378/EEG en 1999/13/EG van de Raad en de Richtlijnen 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2004/42/EG teneinde ze aan te passen aan Verordening (EG) … betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, en tot wijziging van richtlijn 67/548/EEG en Verordening (EG) nr. 1907/2006 [SEC(2007) 1334] [SEC(2007) 1335]


27 jun
'07
COM(2007)355 - Indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en tot wijziging van richtlijn 67/548/EEG Verordening (EG) nr. 1907/2006 [SEC(2007) 853] [SEC(2007) 854]


25 sep
'06
COM(2006)543 - Geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging


22 sep
'06
COM(2006)530 - Aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het milieu in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië


21 dec
'05
COM(2005)667 - Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen


 
 
publicatiedatum 15-02-2010
kenmerk 11962/2/09 REV 2

Inhoud