RAAD VAN Brussel, 15 februari 2010
(OR. en)
DE EUROPESE UNIE
11962/2/09 REV 2
Interinstitutioneel dossier:
2007/0286 (COD)
ENV 494 CODEC 967
WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN
Betreft:
Standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking)
RICHTLIJN .../.../EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van
inzake industriële emissies
(geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)
(herschikking)
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de EuropeseUnie, en met name op artikel 192,
lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité1,
Gezien het advies van het Comité van de Regio's2,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure3,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Richtlijn 78/176/EEG van de Raad van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen
afkomstig van de titaandioxide-industrie1, Richtlijn 82/883/EEG van de Raad van
3 december 1982 betreffende de voorschriften voor het toezicht op en de controle van de
milieus die betrokken zijn bij lozingen van de titaandioxide-industrie2, Richtlijn
92/112/EEG van de Raad van 15 december 1992 tot vaststelling van de procedure voor de
harmonisatie van de programma's tot vermindering en uiteindelijke algehele opheffing van
de verontreiniging door afval van de titaandioxide-industrie3, Richtlijn 1999/13/EG van de
Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische
stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaam-
heden en in installaties4, Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van
4 december 2000 betreffende de verbranding van afval5, Richtlijn 2001/80/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake beperking van de emissies van
bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties6 en Richtlijn
2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake
geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging7, dienen op een aantal
wezenlijke punten te worden gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid dient tot
herschikking van deze richtlijnen te worden overgegaan.
(2) Teneinde de door industriële activiteiten veroorzaakte verontreiniging te voorkomen, te
verminderen en zo veel mogelijk uit te bannen, overeenkomstig het beginsel dat de
vervuiler betaalt en het beginsel van preventie van verontreiniging, is het noodzakelijk een
algemeen kader tot stand te brengen voor toezicht op de belangrijkste industriële
activiteiten, waarbij voorrang wordt gegeven aan het nemen van maatregelen aan de bron
en een zorgvuldig beheer van de natuurlijke hulpbronnen wordt verzekerd.
(3) Afzonderlijke initiatieven ter bestrijding van emissies in de lucht, het water of de bodem
kunnen ertoe leiden dat verontreiniging van het ene milieucompartiment naar het andere
wordt overgeheveld, in plaats van dat het milieu in zijn geheel wordt beschermd. Daarom
is het passend te voorzien in een geïntegreerde benadering inzake preventie en beheersing
van de emissies in lucht, water en bodem, afvalbeheer, energie-efficiëntie en preventie van
(4) Het is passend de wetgeving met betrekking tot industriële installaties te herzien teneinde
de bestaande bepalingen te vereenvoudigen en te verduidelijken, de administratieve
belasting te verminderen en uitvoering te geven aan de conclusies van de mededelingen
van de Commissie van 21 september 2005 over de thematische strategie inzake
luchtverontreiniging, van 22 september 2006 over de thematische strategie inzake
bodembescherming en van 21 december 2005 over de thematische strategie inzake
afvalpreventie en afvalrecycling, die ten vervolge op Besluit nr. 1600/2002/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde
Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap1 zijn aangenomen. Die
mededelingen omvatten doelstellingen inzake bescherming van de menselijke gezondheid
en het milieu die zonder een verdere vermindering van de door industriële activiteiten
veroorzaakte emissies niet kunnen worden gehaald.
(5) Om de preventie en beheersing van verontreiniging te verzekeren, mogen installaties alleen
worden geëxploiteerd als daarvoor een vergunning is verleend of, in het geval van
bepaalde installaties en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt,
alleen als daarvoor een vergunning is verleend of indien zij zijn geregistreerd.
(6) Het is aan de lidstaten om de methode te bepalen voor het vaststellen van de verant-
woordelijkheid van exploitanten van installaties, mits de naleving van deze richtlijn is
gewaarborgd. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om een vergunning te verlenen aan één
verantwoordelijke exploitant voor elke installatie, of om de verantwoordelijkheid te
verdelen over verscheidene exploitanten van verschillende delen van een installatie. Indien
in het bestaande rechtsstelsel is voorzien dat er per installatie slechts één verantwoordelijke
exploitant is, kan een lidstaat besluiten dit systeem te handhaven.
(7) Om het verlenen van vergunningen te vergemakkelijken, dienen de lidstaten de mogelijk-
heid te hebben om de eisen voor bepaalde categorieën installaties vast te leggen in
algemene bindende voorschriften.
(8) Het is van belang om ongevallen en incidenten te voorkomen en de gevolgen daarvan te
beperken. De aansprakelijkheid met betrekking tot de milieugevolgen van ongevallen en
incidenten valt onder de betrokken nationale wetgeving en, in voorkomend geval,
onder andere relevante wetgeving van de Unie.
(9) Teneinde overlappingen in de regelgeving te vermijden, dienen vergunningen voor
installaties die vallen onder Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgas-
emissierechten binnen de Gemeenschap1, geen emissiegrenswaarde te bevatten voor
directe emissies van de in bijlage I van die richtlijn gespecificeerde broeikasgassen, tenzij
dit noodzakelijk is om te garanderen dat er geen significante plaatselijke verontreiniging
wordt veroorzaakt of indien de betrokken installatie van die regeling is uitgesloten.
(10) De door de exploitanten in te dienen vergunningsaanvragen moeten de informatie bevatten
die de bevoegde autoriteiten nodig hebben om de vergunningsvoorwaarden te kunnen
vaststellen. Wanneer zij een vergunningsaanvraag indienen, moeten de exploitanten
gebruik kunnen maken van de informatie die is verkregen uit hoofde van Richtlijn
85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van
bepaalde openbare en particuliere projecten2 en Richtlijn 96/82/EG van de Raad van
9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij
gevaarlijke stoffen zijn betrokken3.
(11) De vergunning dient alle noodzakelijke maatregelen te bevatten om een hoog
beschermingsniveau van het milieu als geheel tot stand te brengen en om ervoor te zorgen
dat de installatie wordt geëxploiteerd volgens de algemene beginselen die van toepassing
zijn op de fundamentele verplichtingen van de exploitant. De vergunning dient voorts
emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen of gelijkwaardige parameters of
(12) Teneinde de "beste beschikbare technieken" te bepalen en onevenwichtsheden in de Unie
inzake emissieniveaus van industriële activiteiten te beperken, dienen
referentiedocumenten voor beste beschikbare technieken, hierna "BBT-referentie-
documenten" genoemd, te worden opgesteld, geëvalueerd en, waar nodig, bijgewerkt door
de uitwisseling van informatie met de belanghebbende partijen, en dienen de belangrijkste
bestanddelen van de BBT-referentiedocumenten (hierna "BBT-conclusies" genoemd), via
de comitéprocedure te worden vastgesteld. In dit verband dient de Commissie, via de
comitéprocedure, richtsnoeren vast te leggen voor het verzamelen van gegevens, het
opstellen van BBT-referentiedocumenten en het waarborgen van de kwaliteit ervan. De
BBT-conclusies dienen het ijkpunt te vormen voor de vaststelling van de vergunnings-
voorwaarden. Zij kunnen worden aangevuld met informatie uit andere bronnen.
(13) Teneinde te zorgen voor een doeltreffende en actieve uitwisseling van informatie die
resulteert in BBT-referentiedocumenten van hoge kwaliteit, dient de Commissie een forum
in te stellen dat op een transparante manier functioneert. Er moeten praktische regelingen
voor de uitwisseling van informatie en voor de toegankelijkheid van BBT-referentie-
documenten worden ingesteld, vooral om ervoor te zorgen dat lidstaten en belang-
hebbenden gegevens van toereikende kwaliteit en kwantiteit verstrekken, op basis van
vastgelegde richtsnoeren, zodat kan worden vastgesteld welke de beste beschikbare
technieken en de technieken in opkomst zijn.
(14) Het is belangrijk dat de bevoegde autoriteiten over voldoende flexibiliteit beschikken om
emissiegrenswaarden vast te stellen die garanderen dat de emissies onder normale
bedrijfsomstandigheden niet hoger liggen dan de emissieniveaus die eigen zijn aan de beste
beschikbare technieken. Daartoe kan de bevoegde autoriteit emissiegrenswaarden
vaststellen welke van de emissieniveaus die eigen zijn aan de beste beschikbare technieken
verschillen in termen van toegepaste waarden, perioden en referentieomstandigheden,
zolang door middel van de resultaten van de emissiemonitoring kan worden aangetoond
dat de emissies de emissieniveaus die eigen zijn aan de beste beschikbare technieken niet
hebben overschreden.
(15) Teneinde rekening te houden met bepaalde specifieke omstandigheden waarin de
toepassing van emissieniveaus die eigen zijn aan de best beschikbare technieken tot
onevenredig hoge kosten in vergelijking met de milieuvoordelen zou leiden, dient de
bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te worden geboden emissiegrenswaarden vast te
stellen die van deze niveaus afwijken. Deze afwijkingen moeten worden gebaseerd op een
beoordeling aan de hand van welomschreven criteria. De in deze richtlijn vastgestelde
emissiegrenswaarden mogen niet worden overschreden. Er mag in geen geval aanzienlijke
verontreiniging worden veroorzaakt en er moet een hoog niveau van bescherming van het
milieu in zijn geheel worden bereikt.
(16) Teneinde de exploitanten in staat te stellen opkomende technieken te beproeven die kunnen
resulteren in een hoger algemeen niveau van milieubescherming of in ten minste hetzelfde
niveau van milieubescherming en grotere kostenbesparingen dan de bestaande beste
beschikbare technieken, dient de bevoegde autoriteit de mogelijkheid te worden geboden
tijdelijke afwijkingen toe te staan van de emissieniveaus die samenhangen met de beste
beschikbare technieken .
(17) Wijzigingen in een installatie kunnen leiden tot meer verontreiniging. De exploitanten
moeten elke voorgenomen wijziging die gevolgen kan hebben voor het milieu meedelen
aan de bevoegde autoriteit. In het geval van belangrijke wijzigingen aan installaties die
aanzienlijke negatieve effecten kunnen hebben voor de gezondheid van de mens of voor
het milieu, moet eerst een vergunning worden afgegeven overeenkomstig deze richtlijn.
(18) Het uitrijden van mest draagt aanzienlijk bij tot emissies van verontreinigende stoffen in de
lucht en het water. Met het oog op het bereiken van de doelstellingen van de thematische
strategie inzake luchtverontreiniging en de wet- en regelgeving van de Unie inzake
waterbescherming, dient de Commissie te toetsen of de meest geschikte maatregelen voor
de beheersing van deze emissies moeten worden ingesteld via de toepassing van de beste
(19) Intensieve pluimvee- en rundveehouderij dragen in belangrijke mate bij tot emissies van
verontreinigende stoffen in de lucht en het water. Met het oog op het bereiken van de
doelstellingen van de thematische strategie inzake luchtverontreiniging en de wet- en
regelgeving van de Unie inzake waterbescherming, dient de Commissie na te gaan of er
gedifferentieerde capaciteitsdrempelwaarden voor verschillende pluimveesoorten moeten
worden vastgesteld om de werkingssfeer van deze richtlijn te omschrijven, en of de meest
geschikte controles op emissies van bedrijven met stalruimte voor runderen moeten
worden ingesteld.
(20) Teneinde rekening te houden met ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare
technieken of met andere wijzigingen van een installatie, dienen de vergunnings-
voorwaarden regelmatig te worden getoetst en indien nodig bijgesteld, met name wanneer
nieuwe of bijgestelde BBT- conclusies worden aangenomen.
(21) In specifieke gevallen waarin bij de toetsing en bijstelling van de vergunning blijkt dat een
langere periode dan vijf jaar na de bekendmaking van een besluit over de BBT-conclusies
nodig kan zijn voor de invoering van nieuwe beste beschikbare technieken, kunnen de
bevoegde autoriteiten in de vergunningsvoorwaarden een langere termijn vaststellen
wanneer dat gerechtvaardigd is op basis van de criteria die in deze richtlijn worden
(22) Er moet worden verzekerd dat de exploitatie van een installatie niet resulteert in een
verslechtering van de kwaliteit van de bodem en het grondwater. De vergunningsvoor-
waarden dienen daarom ook passende maatregelen te omvatten met het oog op het
voorkomen van emissies in de bodem en het grondwater, en te voorzien in een regelmatig
toezicht op deze maatregelen teneinde lekken, verliezen, incidenten of ongevallen tijdens
het gebruik van apparatuur en tijdens de opslag te voorkomen. Om eventuele veront-
reiniging van de bodem en het grondwater in een vroeg stadium te kunnen opsporen en
passende corrigerende maatregelen te kunnen nemen voordat de verontreiniging zich
uitbreidt, is monitoring van de bodem en het grondwater met het oog op relevante
gevaarlijke stoffen eveneens noodzakelijk. Bij het vaststellen van de frequentie van de
monitoring kunnen het soort preventiemaatregelen en de mate en periodiciteit waarin
hierop toezicht wordt gehouden, in aanmerking worden genomen.
(23) Om ervoor te zorgen dat door de exploitatie van een installatie de kwaliteit van de bodem
en het grondwater niet verslechtert, moet door middel van een situatierapport de toestand
van de bodem- en grondwaterverontreiniging worden vastgesteld. Het situatierapport moet
een praktisch instrument zijn dat waar mogelijk een gekwantificeerde vergelijking toelaat
tussen de in dat rapport beschreven toestand van het terrein en de toestand van het terrein
nadat de activiteiten definitief zijn stopgezet, teneinde te kunnen nagaan of de
verontreiniging van de bodem of het grondwater aanzienlijk is toegenomen. Het
situatierapport moet derhalve informatie bevatten waarin bestaande gegevens over bodem-
en grondwatermetingen, alsmede historische gegevens in verband met het gebruik van het
(24) In overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt, moeten de lidstaten bij de
beoordeling of de door de exploitant veroorzaakte verontreiniging van de bodem en het
grondwater dermate significant is dat het terrein verplicht moet worden hersteld in de
toestand als beschreven in het situatierapport, rekening houden met de vergunnings-
voorwaarden die tijdens de duur van de betrokken activiteit van toepassing waren, de voor
de installatie toegepaste preventiemaatregelen en de relatieve toename van de
verontreiniging ten opzichte van de in het situatierapport vastgestelde verontreiniging.
Aansprakelijkheid inzake niet door de exploitant veroorzaakte verontreiniging valt
onder de betrokken nationale wetgeving en, in voorkomend geval, andere relevante
wetgeving van de Unie.
(25) Teneinde een doeltreffende toepassing en handhaving van deze richtlijn te garanderen,
dienen de exploitanten regelmatig bij de bevoegde autoriteit verslag uit te brengen over de
naleving van de vergunningsvoorwaarden. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de
exploitant en de bevoegde autoriteit in geval van niet-naleving van deze richtlijn elk de
noodzakelijke maatregelen treffen, en zij moeten voorzien in een systeem van milieu-
(26) Overeenkomstig het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij
besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden1 is doeltreffende
publieksparticipatie in de besluitvorming noodzakelijk om het publiek in staat te stellen
meningen en zorgpunten kenbaar te maken die relevant kunnen zijn voor de besluiten in
kwestie en de besluitvormer in staat te stellen daar rekening mee te houden, wat de
controleerbaarheid en de transparantie van het besluitvormingsproces vergroot en de
bewustwording van milieuvraagstukken en de steun voor de genomen besluiten bij het
publiek ten goede komt. Leden van het betrokken publiek dienen toegang te hebben tot de
rechter, aangezien dit bijdraagt tot de bescherming van het recht te leven in een milieu dat
passend is voor de gezondheid en het welzijn van elke persoon.
(27) Het stoken van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van
minder dan 50 MW draagt aanzienlijk bij tot emissies van verontreinigende stoffen in de
lucht. Met het oog op het bereiken van de doelstellingen van de thematische strategie
inzake luchtverontreiniging dient de Commissie te beoordelen of de meest geschikte
maatregelen voor de beheersing van emissies van dit soort installaties moeten worden
(28) Grote stookinstallaties dragen in hoge mate bij tot emissies van verontreinigende stoffen in
de lucht en hebben daardoor een aanzienlijk effect op de menselijke gezondheid en het
milieu. Om dat effect te verminderen en bij te dragen tot het naleven van de eisen van
Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake
nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen1 en de doel-
stellingen van de thematische strategie inzake luchtverontreiniging, moeten op het niveau
van de Unie strengere emissiegrenswaarden voor bepaalde categorieën stookinstallaties en
verontreinigende stoffen worden vastgesteld.
(29) De Commissie moet beoordelen of er op het niveau van de Unie emissiegrenswaarden
nodig zijn en of de emissiegrenswaarden van bijlage V voor bepaalde grote stook-
installaties moeten worden gewijzigd, rekening houdend met de evaluatie en het bijstellen
van de betrokken BBT-referentiedocumenten. De Commissie moet in dat verband rekening
houden met de specificiteit van de energiesystemen van raffinaderijen.
(30) Wegens de kenmerken van bepaalde inheemse vaste brandstoffen is het passend dat voor
stookinstallaties die deze brandstoffen stoken geen emissiegrenswaarden voor
zwaveldioxide, maar minimumpercentages voor ontzwaveling gelden. Aangezien de
specifieke kenmerken van olieschalie bovendien een belemmering zouden kunnen vormen
voor de toepassing van dezelfde zwavelemissiebeperkingstechnieken of voor het behalen
van dezelfde ontzwavelingsefficiëntie als voor andere brandstoffen, is het passend dat voor
installaties die deze brandstof stoken een iets lager minimumpercentage voor ontzwaveling
wordt vastgesteld.
(31) In het geval van een plotse onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof
of gas ten gevolge van een ernstig tekort, dient de bevoegde autoriteit over de mogelijkheid
te beschikken tijdelijke afwijkingen toe te staan waarbij de emissies van de betrokken
stookinstallaties de bij deze richtlijn vastgestelde emissiegrenswaarden mogen
overschrijden.
(32) De betrokken exploitant mag een stookinstallatie niet langer dan 24 uur na het optreden
van een storing of het uitvallen van de zuiveringsinrichting laten doorwerken en mag de
installatie in een periode van 12 maanden niet langer dan 120 uur laten werken zonder
zuiveringsinrichting om de negatieve effecten qua milieuverontreiniging te beperken.
Indien dit evenwel absoluut noodzakelijk is om de energievoorziening in stand te houden
of indien moet worden vermeden dat als gevolg van het gebruik van een andere
stookinstallatie de totale uitstoot zou toenemen, dienen de bevoegde autoriteiten een
(33) Teneinde een hoog beschermingsniveau voor het milieu en de menselijke gezondheid te
garanderen en te vermijden dat grensoverschrijdend afvaltransport plaatsvindt naar
installaties waar minder strenge milieunormen worden gehanteerd, is het noodzakelijk dat
strenge exploitatievoorwaarden, technische voorschriften en emissiegrenswaarden worden
vastgesteld en gehandhaafd voor installaties in de Unie die afval verbranden of
meeverbranden.
(34) Het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde activiteiten en in bepaalde
installaties leidt tot emissies van organische stoffen in de lucht die bijdragen tot de
plaatselijke en grensoverschrijdende vorming van fotochemische oxidanten die schade
toebrengen aan de natuurlijke hulpbronnen en schadelijke gevolgen hebben voor de
menselijke gezondheid. Daarom moet preventief actie worden ondernomen tegen het
gebruik van organische oplosmiddelen en moet worden geëist dat emissiegrenswaarden
voor organische stoffen en passende exploitatievoorwaarden worden nageleefd. Het moet
exploitanten worden toegestaan aan de eisen van een verminderingsschema te voldoen, in
plaats van de in deze richtlijn opgenomen emissiegrenswaarden na te leven, indien een
gelijkwaardige emissievermindering tot stand kan worden gebracht via andere
maatregelen, bijvoorbeeld het gebruik van producten of technieken die weinig of geen
oplosmiddelen vereisen.
(35) Installaties die titaandioxide produceren, kunnen aanzienlijke verontreiniging van lucht en
water veroorzaken. Om deze effecten te verminderen, moeten op het niveau van de Unie
(36) Met het oog op de vereenvoudiging van de verslaglegging en de vermindering van de
administratieve lasten, dient de Commissie na te gaan hoe de wijze van verstrekking van
gegevens overeenkomstig deze richtlijn in overeenstemming kan worden gebracht met de
andere eisen op grond van de wetgeving van de Unie, en in het bijzonder met de eisen van
Verordening (EG) nr. 1666/2006 van het Europees Parlement en de Raad van
18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en
overbrenging van verontreinigende stoffen1.
(37) Om verontreiniging door industriële activiteiten op de meest kostenefficiënte wijze te
voorkomen, te beperken en, voor zover mogelijk, te elimineren, en tegelijk een hoog
niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te waarborgen, met name door de
toepassing van de beste beschikbare technieken, kunnen de mogelijkheden van
marktgebaseerde instrumenten zoals de handel in stikstofoxiden- en zwaveldioxide-
emissies worden onderzocht.
(38) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld
overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de
voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoerings-
(39) Teneinde de bepalingen van deze richtlijn te kunnen aanpassen aan de wetenschappelijke
en technologische voortuitgang met behulp van de best beschikbare technieken dient de
Commissie bevoegd te zijn overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag gedelegeerde
handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanpassing van bepaalde delen van de
bijlagen V, VI en VII aan een dergelijke wetenschappelijke en technologische vooruitgang.
In het geval van afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties kan dit
de vaststelling behelzen van criteria voor het toestaan van afwijkingen van de continue
monitoring van de totale uitstoot van stofdeeltjes.Het is van bijzonder belang dat de
Commissie tijdens de voorbereiding deskundigen raadpleegt, overeenkomstig de
toezeggingen die zijn gedaan in de Mededeling van de Commissie van 9 december 2009
betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie.
(40) De lidstaten moeten regels vaststellen inzake de straffen die van toepassing zijn op
overtredingen van de nationale bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze richtlijn,
en erop toezien dat deze worden toegepast. Die straffen moeten doeltreffend, evenredig en
ontmoedigend zijn.
(41) Teneinde bestaande installaties voldoende tijd te gunnen voor technische aanpassingen aan
de nieuwe eisen van deze richtlijn, dienen sommige nieuwe eisen pas na een bepaalde
termijn vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn op die installaties van
toepassing te zijn. Stookinstallaties dienen over voldoende tijd te beschikken voor het
(42) Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een hoog niveau van milieu-
bescherming en een verbetering van de milieukwaliteit te garanderen, niet voldoende door
de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege het grensoverschrijdende
karakter van verontreiniging door industriële activiteiten, beter door de Unie kan worden
verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de
Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig
het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder
dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(43) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in
het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend. Met name beoogt
deze richtlijn de bevordering van de toepassing van artikel 37 van genoemd Handvest.
(44) De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt
tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De
verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige
(45) In overeenstemming met punt 34 van het interinstitutioneel akkoord inzake beter
wetgeven1 worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de
Unie hun eigen tabellen op te stellen, die, voor zover mogelijk, het verband weergeven
tussen de richtlijnen en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.
(46) Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IX,
deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar
genoemde richtlijnen onverlet te laten,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 1
Onderwerp
Deze richtlijn bevat regels inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door
industriële activiteiten.
Zij bevat ook regels ter voorkoming en, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van emissies in
lucht, water en bodem en ter voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen, om een hoog niveau
van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken.
Artikel 2
Toepassingsgebied
-
1.Deze richtlijn is van toepassing op industriële activiteiten die de in de hoofdstukken II tot
en met VI bedoelde verontreiniging veroorzaken.
-
2.Deze richtlijn is niet van toepassing op onderzoeksactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten of
het testen van nieuwe producten en processen.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:
-
1)"stof": een chemisch element en de verbindingen daarvan, met uitzondering van de
volgende stoffen:
-
a)radioactieve stoffen als omschreven in artikel 1 van Richtlijn 96/29/Euratom van de
Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van
de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling
-
b)genetisch gemodificeerde micro-organismen als omschreven in artikel 2, onder b),
van Richtlijn 2009/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009
inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen1;
-
c)genetisch gemodificeerde organismen als omschreven in punt 2 van artikel 2, van
Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001
inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het
milieu2;
-
2)"verontreiniging": de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen,
trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de
milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, dan wel de
belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de
weg kan staan;
-
3)"installatie": een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I of in
deel 1 van bijlage VII vermelde activiteiten en processen alsmede andere op dezelfde
locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten
plaatsvinden die technisch in verband staan met de in die bijlagen vermelde activiteiten en
die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
-
4)"emissie": de directe of indirecte uitstoot, uit puntbronnen of diffuse bronnen van de
installatie, van stoffen, trillingen, warmte of geluid in de lucht, het water of de bodem;
-
5)"emissiegrenswaarde": de massa, gerelateerd aan bepaalde specifieke parameters, de
concentratie en/of het niveau van een emissie die gedurende een of meer vastgestelde
perioden niet mogen worden overschreden;
-
6)"milieukwaliteitsnorm": alle eisen waaraan op een bepaald moment in een bepaald
milieucompartiment of een bepaald gedeelte daarvan moet worden voldaan
overeenkomstig de wetgeving van de Unie;
-
7)"vergunning": een schriftelijke machtiging om een installatie, een stookinstallatie, een
afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie, dan wel te exploiteren;
-
8)"belangrijke wijziging": een wijziging van de aard of de werking, dan wel een uitbreiding
van een installatie, een stookinstallatie, een afvalverbrandingsinstallatie of een
afvalmeeverbrandingsinstallatie die significante negatieve effecten kan hebben op de
gezondheid van de mens of op het milieu;
-
9)"beste beschikbare technieken": het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelings-
stadium van de activiteiten en exploitatiemethoden waarbij de praktische bruikbaarheid
van speciale technieken om het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere
vergunningsvoorwaarden te vormen is aangetoond, met het doel emissies en effecten op
het milieu in zijn geheel te voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, te beperken;
-
a)"technieken": zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie
wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;
-
b)"beschikbare": op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten
en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken
industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die
technieken al dan niet op het grondgebied van de betrokken lidstaat worden
toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarden
toegankelijk zijn;
-
c)"beste": het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van
bescherming van het milieu in zijn geheel;
-
10)"BBT-referentiedocument": een document dat het resultaat is van de overeenkomstig
artikel 13 georganiseerde uitwisseling van informatie, dat is opgesteld voor wel-
omschreven activiteiten en met name een beschrijving geeft van toegepaste technieken,
huidige emissies en consumptieniveaus, technieken die in overweging worden genomen
voor de bepaling van beste beschikbare technieken, alsmede BBT-conclusies en eventuele
technieken in opkomst, met bijzondere aandacht voor de in bijlage III vermelde criteria;
-
11)"BBT-conclusies": een document bestaande uit die delen van een BBT-referentiedocument
met de conclusies over beste beschikbare technieken, de beschrijving ervan, gegevens ter
beoordeling van de toepasselijkheid ervan, de met de beste beschikbare technieken
geassocieerde emissieniveaus, de daarmee verbonden monitoring, de daarmee verbonden
consumptieniveaus en, in voorkomend geval, toepasselijke terreinsaneringsmaatregelen;
-
12)"met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus ": de bandbreedte van
emissieniveaus verkregen in normale bedrijfsomstandigheden met gebruikmaking van een
beste beschikbare techniek of een combinatie van beste beschikbare technieken als
omschreven in de BBT-conclusies, uitgedrukt als een gemiddelde over een bepaalde
periode, in specifieke referentieomstandigheden;
-
13)"techniek in opkomst": een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als zij
commercieel wordt ontwikkeld, hetzij een hoger algemeen beschermingsniveau voor het
milieu hetzij ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu en grotere
kostenbesparingen kan opleveren dan de bestaande beste beschikbare technieken;
-
14)"exploitant": elke natuurlijke of rechtspersoon die de installatie, de stookinstallatie, de
afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie geheel of gedeeltelijk
exploiteert of de controle daarover heeft, of, indien de nationale wetgeving in die
mogelijkheid voorziet, aan wie economische beschikkingsmacht over de technische
werking van de installatie is overgedragen;
-
15)"publiek": één of meer natuurlijke of rechtspersonen en, in overeenstemming met de
nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;
-
16)"betrokken publiek": publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of
belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of de bijstelling van een
vergunning of van vergunningsvoorwaarden; voor de toepassing van deze definitie worden
niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en aan de
eisen van het nationale recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn;
-
17)"gevaarlijke stoffen": stoffen of mengsels als omschreven in de punten 7 en 8 van artikel 2
van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van
16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en
mengsels1;
-
18)"situatierapport": informatie over de toestand inzake bodem- en grondwaterverontreiniging
door relevante gevaarlijke stoffen;
-
19)"grondwater": grondwater als omschreven in punt 2 van artikel 2 van Richtlijn 2000/60/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader
voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid2;
-
20)"bodem": de bovenste laag van de aardkorst die begrensd is door het vaste gesteente en het
aardoppervlak. De bodem bestaat uit minerale deeltjes, organisch materiaal, water, lucht en
levende organismen;
-
21)"milieu-inspectie": alle door of namens de bevoegde autoriteit ondernomen acties, met
inbegrip van bezoeken ter plaatse, controle van emissies en toetsing van interne rapporten
en follow-updocumenten, toetsing van het eigen controlesysteem, toetsing van de gebruikte
technieken en adequaatheid van het milieubeheer van de installatie, om na te gaan of en te
bevorderen dat installaties aan hun vergunningsvoorwaarden voldoen en om, indien nodig,
hun milieueffect te monitoren;
-
22)"pluimvee": pluimvee als omschreven in van punt 1, artikel 2, punt 1, van Richtlijn
90/539/EEG van de Raad van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke
voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen
van pluimvee en broedeieren1;
-
23)"brandstof": elke vaste, vloeibare of gasvormige brandbare stof;
-
24)"stookinstallatie": elk technisch toestel waarin brandstoffen worden geoxideerd teneinde de
aldus opgewekte warmte te gebruiken;
-
25)"schoorsteen": een structuur met een of meer rookgaskanalen voor de afvoer van
rookgassen met het oog op de uitstoot ervan in de lucht;
-
26)"bedrijfsuren": de tijd, uitgedrukt in uren, gedurende welke een stookinstallatie geheel of
gedeeltelijk in werking is en emissies in de lucht uitstoot, met uitzondering van de voor de
inwerkingstelling en stillegging benodigde tijd;
-
27)"ontzwavelingspercentage": de verhouding tussen de hoeveelheid zwavel die gedurende
een bepaalde periode door een stookinstallatie niet in de lucht wordt uitgestoten, en de
hoeveelheid zwavel in de vaste brandstof die in de stookinstallatie en de bijbehorende
voorzieningen wordt ingevoerd en in dezelfde periode door de installatie wordt verbruikt;
-
28)"inheemse vaste brandstof": een natuurlijk voorkomende vaste brandstof waarmee een
speciaal voor die brandstof ontworpen stookinstallatie wordt gevoed en die plaatselijk
-
29)"bepalende brandstof": van alle brandstoffen in gemengde stookinstallaties die distillatie-
en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in
combinatie met andere brandstoffen zelf verbruiken, de brandstof met de hoogste
emissiegrenswaarde als bedoeld in bijlage V, deel 1 of, in geval van meerdere brandstoffen
met dezelfde emissiegrenswaarde, de brandstof met het hoogste thermisch vermogen;
-
30)"biomassa":
-
a)producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt
kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten;
-
b)de volgende afvalstoffen:
-
i)plantaardig afval uit land- en bosbouw;
-
ii)plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, indien de opgewekte warmte
wordt teruggewonnen;
-
iii)vezelachtig plantaardig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van
de productie van papier uit pulp; indien het op de plaats van productie wordt
meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
-
v)houtafval, met uitzondering van houtafval dat ten gevolge van een behandeling
met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermings-
laag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan
bevatten wat in het bijzonder het geval is voor houtafval afkomstig van bouw-
en sloopafval;
-
31)"gemengde stookinstallatie": elke stookinstallatie die terzelfder tijd of beurtelings met twee
of meer brandstoffen kan worden gevoed;
-
32)"gasturbine": een roterende machine die thermische energie in arbeid omzet, in hoofdzaak
bestaande uit een compressor, een thermisch toestel waarin brandstof wordt geoxideerd om
het werkmedium te verhitten, en een turbine;
-
33)"gasmotor": een verbrandingsmotor die werkt volgens de ottocyclus en gebruik maakt van
vonkontsteking of, in het geval van dual-fuelmotoren, compressieontsteking om brandstof
te verbranden;
-
34)"dieselmotor": een verbrandingsmotor die werkt volgens de dieselcyclus en die gebruik
maakt van compressieontsteking om brandstof te verbranden;
-
35)"klein geïsoleerd systeem": een klein geïsoleerd systeem als omschreven in punt 26 van
artikel 2, van Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van
26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor
-
36)"afval": afvalstof als omschreven in punt 1 van artikel 3 van Richtln 2008/98 /EG van het
Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen1;
-
37)"gevaarlijke afvalstoffen": gevaarlijke afvalstoffen als omschreven in punt 2 van artikel 3
van Richtln 2008/98 /EG;
-
38)"ongesorteerd stedelk afval": huishoudelk afval, alsmede bedrfs-, industrieel en
institutioneel afval dat qua aard en samenstelling te vergelken is met huishoudelk afval,
behoudens de in de bijlage van Beschikking 2000/532/EG2 onder 2001 genoemde fracties
die afzonderlk aan de bron worden ingezameld en de onder 2002 van die blage
genoemde andere afvalstoffen;
-
39)"afvalverbrandingsinstallatie": een vaste of mobiele technische eenheid en inrichting die
specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, al dan niet met
terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte, door de verbranding door
oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse,
vergassing en plasmaproces, voor zover de producten van de behandeling vervolgens
-
40)"afvalmeeverbrandingsinstallatie": een vaste of mobiele technische eenheid die in
hoofdzaak bestemd is voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële
producten waarin afval als normale of aanvullende brandstof wordt gebruikt, of waarin
afval thermisch wordt behandeld voor verwdering door de verbranding door oxidatie van
afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en
plasmaproces voor zover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand;
-
41)"nominale capaciteit": de gezamenlke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een
afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, zoals berekend
door de fabrikant en bevestigd door de exploitant, met inachtneming van de verbrandings-
waarde van het afval, uitgedrukt als de hoeveelheid afval die per uur kan worden verbrand;
-
42)"dioxinen en furanen": alle meervoudig gechloreerde dibenzo-p-dioxinen en
dibenzofuranen die in deel 2 van bijlage VI worden opgesomd;
-
43)"organische verbinding": een verbinding die ten minste het element koolstof bevat en
daarnaast een of meer van de volgende elementen: waterstof, halogenen, zuurstof, zwavel,
fosfor, silicium en stikstof, met uitzondering van koolstofoxiden en anorganische
-
44)"vluchtige organische stof ": een organische verbinding alsook de fractie creosoot die bij
293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer of onder de specifieke gebruiks-
omstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;
-
45)"organisch oplosmiddel": een vluchtige organische stof die wordt gebruikt voor een van de
volgende doeleinden:
-
a)om, alleen of in combinatie met andere stoffen en zonder een chemische verandering
te ondergaan, grondstoffen, producten of afvalmaterialen op te lossen;
-
b)als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen;
-
c)als verdunner;
-
d)als dispergeermiddel;
-
e)om de viscositeit aan te passen;
-
f)om de oppervlaktespanning aan te passen;
-
g)als weekmaker;
-
46)"coating": coating als omschreven in punt 8 van artikel 2 van Richtlijn 2004/42/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van
vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in
bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen1.
Artikel 4
Vergunningsplicht
-
1.De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat geen installatie,
stookinstallatie, afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt
geëxploiteerd zonder een vergunning.
In afwijking van de eerste alinea mogen de lidstaten een procedure vaststellen voor de
registratie van uitsluitend onder hoofdstuk V vallende installaties.
De registratieprocedure wordt vastgelegd in een bindend besluit en behelst ten minste een
kennisgeving van de exploitant aan de bevoegde autoriteit van zijn voornemen een
installatie te exploiteren.
-
2.De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid, dat een vergunning betrekking heeft op
twee of meer installaties of delen van installaties die door dezelfde exploitant op dezelfde
locatie worden geëxploiteerd.
Wanneer een vergunning betrekking heeft op twee of meer installaties, bevat zij
voorwaarden om te waarborgen dat elke installatie aan de eisen van deze richtlijn voldoet.
-
3.De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een vergunning betrekking heeft op
meerdere delen van een door verschillende exploitanten geëxploiteerde installatie. In
dergelijke gevallen vermeldt de vergunning de verantwoordelijkheden van elke exploitant.
Artikel 5
Verlening van vergunningen
-
1.Onverminderd andere eisen op grond van nationale voorschriften of voorschriften van de
Unie verleent de bevoegde autoriteit een vergunning, indien de installatie voldoet aan de
-
2.De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de vergunningsprocedures en
-voorwaarden ten volle worden gecoördineerd wanneer verschillende bevoegde autoriteiten
of verschillende exploitanten bij die procedures betrokken zijn of wanneer verschillende
vergunningen worden afgegeven, zulks met het oog op een doeltreffende geïntegreerde
aanpak door alle autoriteiten die voor de procedure bevoegd zijn.
-
3.In het geval van een nieuwe installatie of een belangrijke wijziging waarop artikel 4 van
Richtlijn 85/337/EEG van toepassing is, moeten voor de verlening van de vergunning alle
ingevolge de toepassing van de artikelen 5, 6, 7 en 9 van die richtlijn verkregen relevante
gegevens en conclusies worden onderzocht en benut.
Artikel 6
Algemene bindende voorschriften
Onverminderd de verplichting om over een vergunning te beschikken, kunnen de lidstaten voor
bijzondere categorieën installaties, stookinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties of
afvalmeeverbrandingsinstallaties bijzondere verplichtingen opnemen in algemene bindende
voorschriften.
Wanneer algemene bindende voorschriften worden vastgesteld, volstaat het dat in de vergunning
een verwijzing naar die voorschriften wordt opgenomen.
Artikel 7
Incidenten en ongevallen
Onverminderd Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004
betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van
milieuschade1 treffen de lidstaten in geval van incidenten of ongevallen die het milieu significant
beïnvloeden, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat:
-
a)de exploitant de bevoegde autoriteit onmiddellijk op de hoogte stelt;
-
b)de exploitant onmiddellijk maatregelen treft om de gevolgen voor het milieu te beperken
en om verdere mogelijke ongevallen en incidenten te voorkomen;
-
c)de bevoegde autoriteit de exploitant ertoe verplicht alle passende aanvullende maatregelen
te nemen die volgens de bevoegde autoriteit nodig zijn om de gevolgen voor het milieu te
beperken en om verdere mogelijke ongevallen en incidenten te voorkomen.
Artikel 8
Niet-naleving
-
1.De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat: de
vergunningsvoorwaarden worden nageleefd.
-
2.In geval van een inbreuk op de vergunningsvoorwaarden, zorgen de lidstaten ervoor dat:
-
a)de exploitant de bevoegde autoriteit onmiddellijk op de hoogte stelt;
-
b)de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat op
een zo kort mogelijke termijn weer aan de voorwaarden wordt voldaan;
-
c)de bevoegde autoriteit de exploitant verplicht alle passende aanvullende maatregelen
te nemen die volgens de bevoegde autoriteit nodig zijn om ervoor te zorgen dat weer
aan de voorwaarden wordt voldaan.
Indien de inbreuk op de vergunningsvoorwaarden een direct gevaar voor de menselijke
gezondheid oplevert of onmiddellijke en significante nadelige gevolgen voor het milieu
dreigt te hebben, en zolang niet gewaarborgd kan worden dat overeenkomstig de punten b)
en c) van de eerste alinea weer aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt de exploitatie
van de installatie, stookinstallatie, afvalverbrandingsinstallatie, afvalmeeverbrandings-
installatie of het respectieve betrokken deel ervan opgeschort.
Artikel 9
Emissies van broeikasgassen
-
1.Wanneer broeikasgasemissies uit een installatie in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG in
verband met een in die installatie verrichte activiteit worden vermeld, omvat de vergunning
geen emissiegrenswaarde voor directe emissies van dat gas, tenzij zulks noodzakelijk is om
te verzekeren dat er geen significante plaatselijke verontreiniging wordt veroorzaakt.
-
2.Wat betreft de in bijlage I van Richtlijn 2003/87/EG genoemde activiteiten kunnen de
lidstaten ervoor kiezen om geen voorschriften inzake energie-efficiëntie op te leggen voor
verbrandingseenheden of andere eenheden die ter plaatse kooldioxide uitstoten.
-
3.Zo nodig wijzigen de bevoegde autoriteiten de vergunning op gepaste wijze.
-
4.De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing op installaties die overeenkomstig
artikel 27 van Richtlijn 2003/87/EG tijdelijk zijn uitgesloten van de regeling van de Unie
voor de handel in broeikasgasemissierechten.
HOOFDSTUK II
Bijzondere bepalingen voor de
in bijlage I genoemde activiteiten
Artikel 10
Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op de in bijlage I gespecificeerde activiteiten voor zover zij, indien
van toepassing, de in die bijlage gespecificeerde capaciteitsdrempelwaarden bereiken.
Artikel 11
Algemene beginselen van de fundamentele verplichtingen van de exploitant
De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de installaties worden geëxploiteerd
overeenkomstig de volgende beginselen:
-
a)alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen;
-
b)de beste beschikbare technieken worden toegepast;
-
e)waar toch afvalstoffen worden voorgebracht, moeten zij in prioriteitsvolgorde en
overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG, worden voorbereid voor hergebruik, gerecycleerd,
teruggewonnen of, wanneer dat technisch en economisch onmogelijk is, zodanig worden
verwijderd dat milieu-effecten worden voorkomen of beperkt;
-
f)de energie wordt op doelmatige wijze gebruikt;
-
g)de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen
daarvan te beperken;
-
h)bij de definitieve stopzetting van de activiteiten worden de nodige maatregelen getroffen
om elk risico van verontreiniging te voorkomen en het bedrijfsterrein weer in de
overeenkomstig artikel 22 omschreven bevredigende toestand te brengen.
Artikel 12
Aanvraag van een vergunning
-
1.De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de aanvraag van een
vergunning een beschrijving bevat van de volgende elementen:
-
a)de installatie en de activiteiten die daar plaatsvinden;
-
b)de grondstoffen en hulpmaterialen, andere stoffen en energie die in de installatie
worden gebruikt of door de installatie worden gegenereerd;
-
d)de toestand van het terrein van de installatie;
-
e)in voorkomend geval, een situatierapport overeenkomstig artikel 22, lid 2;
-
f)aard en omvang van de te voorziene emissies van de installatie in elk milieu-
compartiment, met een overzicht van de significante milieueffecten van de emissies;
-
g)de beoogde technologie en de andere technieken ter voorkoming of, indien dat niet
mogelijk is, ter vermindering van de emissies van de installatie;
-
h)de maatregelen betreffende de preventie, de voorbereiding voor hergebruik, de
recycling en de terugwinning van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;
-
i)de andere maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan de algemene
beginselen van de fundamentele verplichtingen van de exploitant, bedoeld in
artikel 11;
-
j)de maatregelen die worden getroffen ter controle van de emissies in het milieu;
-
k)een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de
voorgestelde technologie, technieken en maatregelen.
De aanvraag van een vergunning dient een niet-technische samenvatting van de in de
eerste alinea genoemde gegevens te bevatten.
-
2.Indien aan één van de eisen van lid 1 kan worden voldaan met gegevens overeenkomstig
de eisen van Richtlijn 85/337/EEG of met een veiligheidsrapport als bedoeld in Richtlijn
96/82/EG, dan wel met andere informatie, verstrekt overeenkomstig andere wetgeving,
kunnen die gegevens in de vergunningsaanvraag worden opgenomen of daarbij worden
gevoegd.
Artikel 13
BBT-referentiedocumenten en uitwisseling van informatie
-
1.Teneinde de BBT-referentiedocumenten op te stellen, te evalueren en waar nodig te
actualiseren organiseert de Commissie de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten,
de betrokken bedrijfstakken, niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor
milieubescherming, en de Commissie.
-
2.De uitwisseling van informatie heeft met name betrekking op:
-
a)de prestaties van installaties en technieken wat betreft emissies uitgedrukt als
gemiddelden over de korte en de lange termijn, naar gelang van het geval, en de
daarmee samenhangende referentieomstandigheden, verbruik en aard van de
grondstoffen, waterverbruik, energieverbruik en afvalproductie;
-
b)de gebruikte technieken, de daarmee samenhangende monitoring, de effecten op alle
milieucompartimenten, de economische en technische levensvatbaarheid en de
-
c)beste beschikbare technieken en technieken in opkomst die worden vastgesteld na
bestudering van de onder a) en b) vermelde punten.
-
3.De Commissie richt een forum op en roept dat op gezette tijden bijeen, bestaande uit
vertegenwoordigers van de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken en niet-gouvernementele
organisaties die zich inzetten voor milieubescherming.
De Commissie wint het advies van het forum in over de praktische regeling van de
informatie-uitwisseling en met name over:
-
a)het reglement van orde van het forum;
-
b)het werkprogramma voor de informatie-uitwisseling;
-
c)richtsnoeren over het verzamelen van gegevens;
-
d)richtsnoeren over de opstelling van BBT-referentiedocumenten en over de
kwaliteitswaarborging ervan, inclusief de geschiktheid van de inhoud en de structuur
van de documenten.
Rekening houdend met het advies van het forum worden de in de punten c) en d) van de
tweede alinea bedoelde richtsnoeren aangenomen overeenkomstig de in artikel 75, lid 2,
bedoelde regelgevingsprocedure.
-
4.De Commissie wint het advies van het forum in over de voorgestelde inhoud van de BBT-
referentiedocumenten, en houdt met dit advies rekening bij de in lid 5 vastgestelde
procedures.
-
5.Besluiten met betrekking tot de BBT-conclusies worden vastgesteld volgens de in
artikel 75, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.
-
6.Na de aanneming van een besluit overeenkomstig lid 5 maakt de Commissie de BBT-
referentiedocumenten onmiddellijk toegankelijk voor het publiek.
-
7.In afwachting van de aanneming van een besluit ter zake overeenkomstig lid 5, gelden de
conclusies over de beste praktijken afkomstig van BBT-referentiedocumenten die door de
Commissie vóór de in artikel 83 bedoelde datum zijn aangenomen als BBT-conclusies
voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 15, leden 3 en 4.
Artikel 14
Vergunningsvoorwaarden
-
1.De lidstaten zorgen ervoor dat de vergunning alle maatregelen omvat die ter vervulling van
de voorwaarden van de artikelen 11 en 18 nodig zijn.
Die maatregelen behelzen ten minste de volgende elementen:
-
a)emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen van bijlage II en voor andere
verontreinigende stoffen die in significante hoeveelheden uit de betrokken installatie
kunnen vrijkomen, gelet op hun aard en hun potentieel voor overdracht van
verontreiniging tussen milieucompartimenten;
-
b)passende voorschriften ter bescherming van bodem en grondwater, en maatregelen
voor de monitoring en het beheer van de door de installatie voortgebrachte
afvalstoffen;
-
c)passende eisen voor de monitoring van de emissies, met vermelding:
-
i)van de meetmethode, de frequentie en de procedure voor de evaluatie van de
metingen, alsmede
-
ii)wanneer artikel 15, lid 3, onder b), wordt toegepast, dat de resultaten van de
monitoring van emissies beschikbaar zijn voor dezelfde termijn en
-
d)de verplichting de bevoegde autoriteit regelmatig en ten minste jaarlijks in kennis te
stellen van:
-
i)informatie op basis van de resultaten van de onder c) bedoelde monitoring van
de emissies en van andere gegevens aan de hand waarvan de bevoegde
autoriteit de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen, en
-
ii)wanneer artikel 15, lid 3, onder b), wordt toegepast, een overzicht van de
resultaten van de monitoring van emissies dat een vergelijking mogelijk maakt
met de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus;
-
e)passende eisen voor het regelmatig bijhouden en bewaken van maatregelen die
worden genomen ter voorkoming van emissies in de bodem en het grondwater
overeenkomstig punt b), en passende eisen inzake de periodieke monitoring van
bodem en grondwater met betrekking tot relevante gevaarlijke stoffen die op het
terrein kunnen worden aangetroffen, rekening houdend met de mogelijkheid van
bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie;
-
f)maatregelen inzake andere dan normale bedrijfsomstandigheden, zoals opstarten,
lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging;
-
g)bepalingen betreffende de minimalisering van grootschalige of grensoverschrijdende
verontreinigingen;
-
h)voorwaarden voor het beoordelen van de naleving van de emissiegrenswaarden of
een verwijzing naar de elders omschreven toepasselijke eisen.
-
2.Voor de toepassing van lid 1, onder a), kunnen de grensemissiewaarden worden aangevuld
of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen die
een gelijkwaardig niveau van milieubescherming garanderen.
-
3.De BBT- conclusies vormen de referentie voor de vaststelling van de vergunnings-
voorwaarden.
-
4.Onverminderd artikel 18 kan het de bevoegde autoriteit worden toegestaan strengere
vergunningsvoorwaarden vast te stellen dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken
van de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-conclusies.
-
5.Indien de bevoegde autoriteit vergunningsvoorwaarden vaststelt op basis van een beste
beschikbare techniek die niet in een van de desbetreffende BBT-conclusies staat
beschreven, zorgt zij ervoor dat:
-
a)de techniek wordt bepaald met bijzondere aandacht voor de in bijlage III vermelde
-
b)er voldaan is aan de voorschriften van artikel 15.
Indien de in de eerste alinea genoemde BBT-conclusies geen met de beste beschikbare
technieken geassocieerde emissieniveaus bevatten, zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat
de in de eerste alinea bedoelde methode een niveau van milieubescherming garandeert dat
gelijkwaardig is aan dat van de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-
conclusies.
-
6.Indien op een activiteit of op een type productieproces in een installatie geen BBT-
conclusies van toepassing zijn of indien die conclusies niet alle mogelijke milieueffecten
van de activiteit of het proces behandelen, stelt de bevoegde autoriteit op basis van de beste
beschikbare technieken die zij voor de betrokken activiteiten of processen heeft bepaald,
de vergunningsvoorwaarden vast, met bijzondere aandacht voor de criteria van bijlage III.
-
7.Op de in punt 6.6 van bijlage I bedoelde installaties zijn de leden 1 tot en met 6 van dit
artikel van toepassing, onverminderd de wetgeving inzake dierenwelzijn.
Artikel 15
Emissiegrenswaarden, gelijkwaardige parameters
en technische maatregelen
-
1.De emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen gelden op het punt waar de
emissies de installatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een
eventuele voorafgaande verdunning.
Voor indirecte lozingen van verontreinigende stoffen in water mag bij de bepaling van de
emissiegrenswaarden van de betrokken installatie rekening worden gehouden met het
effect van een waterzuiveringsinstallatie, op voorwaarde dat een equivalent niveau van
bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat zulks niet leidt tot een
hogere belasting van het milieu.
-
2.Onverminderd artikel 18 zijn de emissiegrenswaarden en de gelijkwaardige parameters en
de technische maatregelen, bedoeld in artikel 14, leden 1 en 2, gebaseerd op de beste
beschikbare technieken, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of
technologie wordt voorgeschreven.
-
3.De bevoegde autoriteit stelt emissiegrenswaarden vast die waarborgen dat de emissies
onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met de beste beschikbare
technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in de in artikel 13, lid 5,
bedoelde besluiten over BBT-conclusies, door:
-
a)emissiegrenswaarden vast te stellen die niet hoger zijn dan de met de beste
beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus. Die emissiegrenswaarden
worden uitgedrukt voor dezelfde of kortere periodes en voor dezelfde
referentieomstandigheden als die met de beste beschikbare technieken geassocieerde
emissieniveaus; of
-
b)emissiegrenswaarden vast te stellen die, wat betreft waarden, perioden en
referentieomstandigheden, verschillen van de onder punt a) bedoelde emissie-
grenswaarden.
Wanneer punt b) wordt toegepast, beoordeelt de bevoegde autoriteit ten minste jaarlijks de
resultaten van de monitoring van de emissies, teneinde na te gaan of de emissies in
normale bedrijfsomstandigheden niet hoger waren dan de met de beste beschikbare
technieken geassocieerde emissieniveaus.
-
4.In afwijking van lid 3 mag de bevoegde autoriteit in specifieke gevallen, op basis van een
beoordeling van de economische en milieukosten en baten, rekening houdend met de
technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie en de
plaatselijke milieuomstandigheden, emissiegrenswaarden vaststellen die afwijken van de
overeenkomstig lid 3 vastgestelde emissiegrenswaarden.
De bevoegde autoriteit geeft de redenen voor de toepassing van de eerste alinea, inclusief
het resultaat van de beoordeling en de motivering van de opgelegde voorwaarden.
De emissiegrenswaarden mogen echter niet hoger zijn dan de eventueel toepasselijke, in de
bijlagen V tot en met VIII vastgestelde grenswaarden.
De Commissie kan richtsnoeren verstrekken over de criteria die in acht genomen moeten
worden voor de toepassing van dit lid.
Bij iedere toetsing van de vergunningsvoorwaarden overeenkomstig artikel 21 toetsen de
bevoegde autoriteiten opnieuw de toepassing van de eerste alinea.
-
5.De bevoegde autoriteit kan voor een totale periode van ten hoogste negen maanden
tijdelijke vrijstellingen van de eisen van lid 2 en lid 3 van dit artikel en van artikel 11,
eerste alinea, onder a) en b), verlenen voor het testen en gebruiken van technieken in
opkomst, op voorwaarde dat na de vermelde periode hetzij met de techniek wordt gestopt,
hetzij met de activiteit in kwestie de met de beste beschikbare technieken geassocieerde
emissieniveaus in elk geval niet worden overschreden.
Artikel 16
Eisen inzake monitoring
-
1.De in artikel 14, lid 1, onder c), bedoelde eisen inzake monitoring worden in voorkomend
geval gebaseerd op de in de BBT-conclusies beschreven conclusies inzake monitoring.
-
2.De frequentie van de in artikel 14, lid 1, onder e), bedoelde periodieke monitoring wordt
door de bevoegde autoriteit vastgesteld in een vergunning voor elke afzonderlijke
installatie of in algemene bindende voorschriften.
Onverminderd de eerste alinea wordt de periodieke monitoring ten minste eenmaal om de
vijf jaar voor grondwater en ten minste eenmaal om de tien jaar voor de bodem uitgevoerd,
tenzij de monitoring is gebaseerd op een systematische evaluatie van het risico op
Artikel 17
Algemene bindende voorschriften
Bij de vaststelling van algemene bindende voorschriften als bedoeld in artikel 6 zorgen de lidstaten
voor een geïntegreerde aanpak en garanderen zij een hoog niveau van bescherming van het milieu
dat gelijkwaardig is aan het niveau dat door middel van individuele vergunningsvoorwaarden tot
stand kan worden gebracht. De lidstaten zien erop toe dat de algemene bindende voorschriften
gelijke tred houden met de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken.
Artikel 18
Milieukwaliteitsnormen
Indien met het oog op een milieukwaliteitsnorm strengere voorwaarden moeten gelden dan die
welke door toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar zijn, moeten in de vergunning
extra voorwaarden worden gesteld, onverminderd andere maatregelen die getroffen kunnen worden
om aan de milieukwaliteitsnormen te voldoen.
Artikel 19
Ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken
De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteit de ontwikkelingen op het gebied van de
beste beschikbare technieken en de bekendmaking van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies volgt
Artikel 20
Wijzigingen van installaties door de exploitanten
-
1.De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de exploitant de
bevoegde autoriteit in kennis stelt van elke geplande wijziging van de aard of de werking,
of van een uitbreiding van de installatie die gevolgen kan hebben voor het milieu. Zo nodig
stelt de bevoegde autoriteit de vergunning bij.
-
2.De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een door de exploitant
beoogde belangrijke wijziging niet geschiedt zonder een vergunning overeenkomstig deze
richtlijn.
De aanvraag van een vergunning en het besluit van de bevoegde autoriteit dienen
betrekking te hebben op de delen van de installatie en de in artikel 12 opgesomde punten
waarop de belangrijke wijziging van invloed kan zijn.
-
3.Elke wijziging van de aard of de werking of elke uitbreiding van een installatie wordt
geacht belangrijk te zijn, indien de wijziging of uitbreiding op zich de in bijlage I
genoemde capaciteitsdrempelwaarden bereikt.
Artikel 21
Toetsing en bijstelling van de vergunningsvoorwaarden
door de bevoegde autoriteit
-
1.De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteit
alle vergunningsvoorwaarden geregeld toetst overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 en
deze bijstelt als dat nodig is om de naleving van deze richtlijn te garanderen.
-
2.Op verzoek van de bevoegde autoriteit legt de exploitant alle gegevens over die voor de
toetsing van de vergunningsvoorwaarden noodzakelijk zijn, waaronder met name
resultaten van de monitoring van emissies en andere gegevens die een vergelijking
mogelijk maken van de werking van de installatie met de beste beschikbare technieken
zoals beschreven in de toepasselijke BAT-conclusies en met de met de beste beschikbare
technieken geassocieerde emissieniveaus.
Bij de toetsing van de vergunningsvoorwaarden maakt de bevoegde autoriteit gebruik van
eventuele bij de monitoring of bij inspecties verkregen gegevens.
-
3.Binnen vijf jaar na de bekendmaking van overeenkomstig artikel 13, lid 5, genomen
besluiten over BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van een installatie, ziet de
bevoegde autoriteit erop toe dat:
-
a)alle vergunningsvoorwaarden voor de betrokken installatie worden getoetst en,
indien noodzakelijk, geactualiseerd om ervoor te zorgen dat de voorschriften van
deze richtlijn en, met name, artikel 15, leden 3 en 4, indien van toepassing, worden
nageleefd;
-
b)de installatie aan die vergunningsvoorwaarden voldoet.
Bij de toetsing worden alle nieuwe of herziene BBT-conclusies in aanmerking genomen
die voor de installatie gelden en die sinds de afgifte of de laatste toetsing van de
vergunning zijn aangenomen overeenkomstig artikel 13, lid 5.
-
4.Indien op een installatie geen van de BBT-conclusies van toepassing is, worden de
vergunningsvoorwaarden getoetst en indien nodig bijgesteld, wanneer ontwikkelingen op
het gebied van de beste beschikbare technieken een significante vermindering van de
-
5.De vergunningsvoorwaarden worden getoetst en zo nodig bijgewerkt in ten minste de
volgende gevallen:
-
a)de door de installatie veroorzaakte verontreiniging is van dien aard dat de bestaande
emissiegrenswaarden in de vergunning gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden in
de vergunning opgenomen moeten worden;
-
b)bedrijfsveiligheid vereist de toepassing van andere technieken;
-
c)indien aan een nieuwe of herziene milieukwaliteitsnorm overeenkomstig artikel 18
moet worden voldaan.
Artikel 22
Sluiting van terreinen
-
1.Onverminderd Richtlijn 2006/60/EG , Richtlijn 2004/35/EG, Richtlijn 2006/118/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van
het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand1, en onverminderd
desbetreffende wetgeving van de Unie inzake bodembescherming, stelt de bevoegde
autoriteit vergunningsvoorwaarden vast om de toepassing van de leden 3 en 4 van dit
artikel te garanderen wanneer de activiteiten definitief worden stopgezet.
-
2.Wanneer de activiteit gepaard gaat met het gebruik, de productie of de uitstoot van
relevante gevaarlijke stoffen, stelt de exploitant, rekening houdend met de mogelijkheid
van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie, een
situatierapport op en dient hij dit in bij de bevoegde autoriteit voordat de exploitatie van de
installatie begint of de vergunning voor de installatie voor het eerst na ...* wordt bijgesteld.
Het situatierapport bevat de informatie die nodig is om de toestand van de bodem- en
grondwaterverontreiniging te bepalen, teneinde een gekwantificeerde vergelijking te
kunnen maken met de toestand nadat de activiteiten definitief zijn stopgezet als bedoeld in
lid 3.
Het situatierapport bevat ten minste de volgende informatie:
-
a)informatie over het huidige en, indien beschikbaar, eerdere gebruik van het terrein;
-
b)indien beschikbaar, bestaande informatie over bodem- en grondwatermetingen die de
toestand weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe
bodem- en grondwatermetingen met het oog op de mogelijkheid van bodem- en
grondwaterverontreiniging door de gevaarlijke stoffen die door de betrokken
installatie moeten worden gebruikt of geproduceerd of zijn vrijgekomen.
Indien overeenkomstig andere nationale wetgeving of wetgeving van de Unie
geproduceerde informatie voldoet aan de eisen van dit lid, kan deze informatie worden
opgenomen in, of gehecht aan, het ingediende situatierapport.
De Commissie stelt richtsnoeren op met betrekking tot de inhoud van het situatierapport.
-
3.Wanneer de activiteiten definitief worden stopgezet, beoordeelt de exploitant de toestand
van de bodem- en grondwaterverontreiniging door relevante gevaarlijke stoffen die door de
installatie zijn gebruikt of geproduceerd of die zijn vrijgekomen. Als de installatie, in
vergelijking met de toestand zoals vastgesteld in het in lid 2 bedoelde situatierapport,
significante verontreiniging van de bodem of het grondwater met relevante gevaarlijke
stoffen heeft veroorzaakt, neemt de exploitant de maatregelen die nodig zijn om deze
verontreiniging aan te pakken en het terrein in die toestand te herstellen. Daartoe mag de
technische haalbaarheid van dergelijke maatregelen in aanmerking worden genomen.
Onverminderd de eerste alinea neemt de exploitant bij de definitieve stopzetting van de
activiteiten, wanneer de verontreiniging van de bodem en het grondwater op het terrein een
significant risico voor de menselijke gezondheid en het milieu vormt als gevolg van de
vergunde activiteiten die door de exploitant zijn uitgeoefend voordat de vergunning voor
de installatie voor het eerst na ...* wordt bijgesteld en rekening houdend met de
omstandigheden van het terrein zoals die overeenkomstig artikel 12, lid 1, punt d), zijn
vastgesteld, de nodige maatregelen die gericht zijn op de verwijdering, beheersing,
inperking of vermindering van relevante gevaarlijke stoffen, zodat het terrein, rekening
houdend met het huidige of het goedgekeurde toekomstige gebruik ervan, niet langer een
dergelijke risico vormt.
-
4.Als de exploitant niet verplicht is een situatierapport als bedoeld in lid 2 op te stellen,
neemt hij, bij de definitieve stopzetting van de activiteiten, de nodige maatregelen die
gericht zijn op de verwijdering, beheersing, inperking of vermindering van relevante
gevaarlijke stoffen zodat het terrein, rekening houdend met het huidige of het
goedgekeurde toekomstige gebruik ervan, niet langer een significant risico vormt voor de
menselijke gezondheid of het milieu door de verontreiniging van de bodem en het
grondwater als gevolg van de vergunde activiteiten, met inachtneming van de
omstandigheden van het terrein van de installatie als vastgesteld overeenkomstig artikel 12,
Artikel 23
Milieu-inspecties
-
1.De lidstaten zetten een systeem van milieu-inspecties van installaties op voor het
onderzoek van het volledige spectrum van relevante milieueffecten van de betrokken
installaties.
De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitanten de bevoegde autoriteiten alle noodzakelijke
assistentie verlenen om die autoriteiten in staat te stellen bezoeken ter plaatse uit te voeren,
monsters te nemen en de informatie te verzamelen die nodig is voor het vervullen van hun
taken in het kader van deze richtlijn.
-
2.De lidstaten zorgen ervoor dat er voor alle installaties een milieu-inspectieplan op
nationaal, regionaal of plaatselijk niveau is en zien erop toe dat dit plan geregeld wordt
getoetst en, waar nodig, bijgewerkt.
-
3.Elk milieu-inspectieplan omvat de volgende elementen:
-
a)een algemene beoordeling van de relevante en significante milieuaspecten;
-
b)het geografisch gebied waarop het inspectieplan betrekking heeft;
-
c)een register van de installaties waarop het plan betrekking heeft;
-
d)procedures voor het opstellen van programma's voor routinematige milieu-inspecties
overeenkomstig lid 4;
-
e)procedures voor niet-routinematige milieu-inspecties overeenkomstig lid 5;
-
f)voor zover nodig, bepalingen inzake samenwerking tussen verschillende inspectie-
instanties.
-
4.Op basis van de inspectieplannen stelt de bevoegde autoriteit geregeld programma"s voor
routinematige milieu-inspecties op, waarbij de frequentie van de bezoeken ter plaatse voor
de verschillende types installaties wordt vermeld.
De periode tussen twee bezoeken ter plaatse wordt gebaseerd op een systematische
evaluatie van de milieurisico's van de betrokken installaties en beloopt ten hoogste één jaar
voor installaties met de grootste risico's en drie jaar voor installaties met de kleinste
De systematische evaluatie van de milieurisico's wordt gebaseerd op ten minste de
volgende criteria:
-
a)de potentiële en de reële gevolgen van de betrokken installaties voor de gezondheid
van de mens en voor het milieu, rekening houdend met de emissieniveaus en de
soorten emissies, de gevoeligheid van het plaatselijke milieu en het risico van
ongevallen:
-
b)de naleving tot dusverre van de vergunningsvoorwaarden;
-
c)deelname aan het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie (EMAS).
-
5.Niet-routinematige milieu-inspecties worden uitgevoerd om ernstige milieuklachten,
ernstige milieuongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving zo snel mogelijk en in
voorkomend geval vóór de afgifte, toetsing of bijstelling van een vergunning te
onderzoeken.
-
6.Na elk bezoek ter plaatse stelt de bevoegde autoriteit een verslag op waarin de relevante
bevindingen ten aanzien van de naleving van de vergunningsvoorwaarden door de
installatie en de conclusies ten aanzien van de eventuele noodzaak van verdere maatregelen
Het ontwerp-verslag wordt aan de betrokken exploitant toegezonden en het eindverslag
wordt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van
28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie1 binnen drie
maanden nadat het bezoek ter plaatse heeft plaatsgevonden, openbaar gemaakt.
Onverminderd artikel 8, lid 2, ziet de bevoegde autoriteit erop toe dat de exploitant binnen
een redelijke termijn alle in het verslag vermelde noodzakelijke maatregelen neemt.
Artikel 24
Toegang tot informatie en deelneming van het publiek aan de vergunningsprocedure
-
1.De lidstaten zorgen ervoor dat het betrokken publiek in een vroeg stadium reële
mogelijkheden tot inspraak krijgt bij de volgende procedures:
-
a)de afgifte van een vergunning voor nieuwe installaties;
-
b)de afgifte van een vergunning voor een belangrijke wijziging;
-
c)de bijstelling van een vergunning of van de vergunningsvoorwaarden voor een
installatie overeenkomstig artikel 21, lid 5, onder a).
De procedure beschreven in bijlage IV is op deze inspraak van toepassing.
-
2.Wanneer een besluit over de verlening, toetsing of bijstelling van een vergunning is
genomen, stelt de bevoegde autoriteit het publiek onder meer via het internet de volgende
informatie met betrekking tot de punten a) en b) ter beschikking:
-
a)de inhoud van het besluit, waaronder een afschrift van de vergunning en eventuele
latere bijstellingen;
-
b)de redenen waarop het besluit is gebaseerd;
-
c)de resultaten van de inspraak die aan het nemen van het besluit vooraf is gegaan en
een toelichting van de manier waarop daarmee rekening is gehouden in dat besluit;
-
d)de titel van de BBT-referentiedocument die voor de betrokken installatie of activiteit
relevant zijn;
-
e)de manier waarop de vergunningsvoorwaarden, waaronder de emissiegrenswaarden,
zijn vastgesteld in relatie tot de beste beschikbare technieken en de daarmee
geassocieerde emissieniveaus;
-
f)indien artikel 15, lid 4, wordt toegepast, de redenen voor die toepassing
overeenkomstig artikel 15, lid 4, tweede alinea;
-
3.De bevoegde autoriteit stelt eveneens de volgende informatie ter beschikking van het
publiek;
-
a)relevante informatie over de maatregelen die de exploitant overeenkomstig artikel 22
bij de definitieve stopzetting van de activiteiten heeft genomen;
-
b)de in het bezit van de bevoegde autoriteit zijnde resultaten van de emissiemonitoring
zoals vereist in de vergunningsvoorwaarden.
-
4.De leden 1, 2 en 3 zijn van toepassing met inachtneming van de beperkingen in artikel 4,
leden 1 en 2, van Richtlijn 2003/4/EG.
Artikel 25
Toegang tot de rechter
-
1.De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale
rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of
een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele
rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder artikel 24 aan te
vechten, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
-
b)zij stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, voorzover het bestuursprocesrecht van
een lidstaat dit als voorwaarde stelt.
-
2.De lidstaten bepalen in welk stadium de besluiten, de handelingen of het nalaten kunnen
worden aangevochten.
-
3.Wat als een voldoende belang en als een inbreuk op een recht geldt, wordt bepaald door de
lidstaten in het licht van de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te
verlenen.
Te dien einde wordt het belang van een niet-gouvernementele organisatie die zich inzet
voor milieubescherming en die voldoet aan alle vereisten krachtens de nationale
wetgeving, geacht voldoende te zijn in de zin van lid 1, onder a).
Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden
gemaakt in de zin van lid 1, onder b).
-
4.De bepalingen van de leden 1, 2 en 3 sluiten de mogelijkheid van een voorafgaande
toetsingsprocedure voor een bestuursorgaan niet uit en laten het vereiste onverlet dat de
administratieve toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een
rechterlijke instantie kan worden ingesteld, voorzover een dergelijk vereiste geldt naar
nationaal recht.
Een dergelijke procedure moet eerlijk, billijk en snel zijn en mag niet buitensporig kostbaar
zijn.
-
5.De lidstaten dragen er zorg voor dat het publiek praktische informatie wordt verstrekt over
toegang tot administratieve en rechterlijke toetsingsprocedures.
Artikel 26
Grensoverschrijdende effecten
-
1.Wanneer een lidstaat constateert dat de exploitatie van een installatie significante negatieve
effecten op het milieu van een andere lidstaat zou kunnen hebben of wanneer een lidstaat
die significante schade zou kunnen lijden, daarom verzoekt, doet de lidstaat op het
grondgebied waarvan de aanvraag voor een vergunning overeenkomstig artikel 4 of
artikel 20, lid 2, is ingediend, de andere lidstaat alle informatie die overeenkomstig
bijlage IV verstrekt moet worden of beschikbaar moet worden gesteld, toekomen op het
tijdstip waarop hij die informatie beschikbaar stelt voor het publiek.
-
2.De lidstaten dragen er in het kader van hun bilaterale betrekkingen zorg voor dat de
aanvragen in de in lid 1 genoemde gevallen gedurende een passende termijn ook
toegankelijk zijn voor het publiek van de eventueel getroffen lidstaat, zodat het daarover
opmerkingen kan maken alvorens de bevoegde autoriteit een besluit neemt.
-
3.De resultaten van het overleg uit hoofde van de leden 1 en 2 worden in aanmerking
genomen wanneer de bevoegde autoriteit een besluit neemt over de aanvraag.
-
4.De bevoegde autoriteit stelt elke lidstaat waarmee uit hoofde van lid 1 is overlegd, van het
besluit op de aanvraag in kennis en doet die lidstaat de in artikel 24, lid 2, bedoelde
informatie toekomen. Die lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de
informatie op een geschikte wijze voor het betrokken publiek op zijn grondgebied
beschikbaar wordt gesteld.
Artikel 27
Technieken in opkomst
-
1.De lidstaten stimuleren, waar passend, de ontwikkeling en de toepassing van technieken in
opkomst, in het bijzonder de in de BBT-referentiedocumenten vermelde technieken in
opkomst.
-
2.De Commissie stelt richtsnoeren op om de lidstaten bij te staan bij het stimuleren van de
ontwikkeling en de toepassing van technieken in opkomst, als bedoeld in lid 1.
HOOFDSTUK III
Bijzondere bepalingen betreffende stookinstallaties
Artikel 28
Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen van 50 MW of meer, ongeacht het toegepaste brandstoftype.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende stookinstallaties:
-
a)installaties waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor directe verwarming,
droging of enige andere behandeling van voorwerpen of materialen;
-
b)naverbrandingsinstallaties voor de zuivering van rookgassen door verbranding die niet als
autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;
-
c)installaties voor het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;
-
d)installaties om zwavelwaterstof om te zetten in zwavel;
-
e)in de chemische industrie gebruikte reactoren;
-
h)technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig
worden gebruikt;
-
i)gasturbines die op offshore-platforms worden gebruikt;
-
j)installaties die als brandstof andere vaste of vloeibare afvalstoffen gebruiken dan de in
artikel 3, punt 30, onder b), bedoelde afvalstoffen.
Artikel 29
Samentellingsregels
-
1.Wanneer de rookgassen van twee of meer afzonderlijke stookinstallaties via een
gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten, wordt het samenstel van deze
installaties als één stookinstallatie aangemerkt en wordt hun capaciteit samengeteld voor
de berekening van het totale nominaal thermisch vermogen.
-
2.Wanneer twee of meer afzonderlijke stookinstallaties waarvoor voor het eerst een
vergunning is verleend op of na 1 juli 1987 of waarvoor de exploitanten op of na die datum
een volledige aanvraag voor een vergunning hebben ingediend, zo worden geïnstalleerd dat
hun rookgassen naar het oordeel van de bevoegde autoriteit, met inachtneming van
technische en economische omstandigheden, via één gemeenschappelijke schoorsteen
zouden kunnen worden uitgestoten, wordt het samenstel van deze installaties als één
stookinstallatie aangemerkt en wordt hun capaciteit samengeteld voor de berekening van
-
3.Voor de berekening van het totale nominaal thermisch vermogen van een samenstel van
stookinstallaties als bedoeld in lid 1 en lid 2, worden afzonderlijke stookinstallaties met
een nominaal thermisch vermogen van minder dan 15 MW buiten beschouwing gelaten.
Artikel 30
Emissiegrenswaarden
-
1.Rookgassen uit stookinstallaties worden op gecontroleerde wijze uitgestoten via een
schoorsteen die een of meer rookgasstromen afvoert, waarvan de hoogte zo wordt
berekend dat er geen gevaar bestaat voor de menselijke gezondheid of het milieu.
-
2.Alle vergunningen voor installaties die stookinstallaties omvatten waarvoor een
vergunning is verleend vóór ...*, of waarvoor de exploitant voor die datum ...* een
volledige aanvraag heeft ingediend mits bedoelde installatie uiterlijk ...** in bedrijf wordt
genomen, bevatten voorwaarden die garanderen dat de emissies in de lucht van die
installaties de in deel 1 van bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden niet overschrijden.
Alle vergunningen voor installaties die stookinstallaties omvatten waaraan een vrijstelling
is verleend als bedoeld in artikel 4, lid 4, van Richtlijn 2001/80/EG en die na
1 januari 2016 in bedrijf zijn, omvatten voorwaarden om ervoor te zorgen dat de van deze
installaties afkomstige emissies in de lucht de in deel 2 van bijlage V vastgestelde
emissiegrenswaarden niet overschrijden.
-
3.Alle vergunningen voor installaties die stookinstallaties omvatten waarop lid 2 niet van
toepassing is, bevatten voorwaarden die garanderen dat de emissies in de lucht van die
installaties de in deel 2 van bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden niet overschrijden.
-
4.De in de delen 1 en 2 van bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden en de in deel 5 van
die bijlage vastgestelde minimumpercentages voor ontzwaveling zijn van toepassing op de
emissies van alle gemeenschappelijke schoorstenen in relatie tot het totale nominale
thermische vermogen van de gehele stookinstallatie. Voorziet bijlage V dat
emissiegrenswaarden mogen worden toegepast op een deel van een stookinstallatie met
een beperkt aantal bedrijfsuren, dan zijn deze grenswaarden van toepassing op de emissies
van dat deel van de installatie, maar in relatie tot het totale nominale thermische vermogen
van de gehele stookinstallatie.
-
5.De bevoegde autoriteit kan voor een periode van ten hoogste zes maanden een afwijking
toestaan van de verplichting tot het naleven van de in de leden 2 en 3 bedoelde
emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide bij stookinstallaties waar voor dit doel
normaliter laagzwavelige brandstof wordt verstookt, indien de exploitant wegens een
onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof ten gevolge van een ernstig
tekort aan dergelijke brandstoffen niet in staat is die grenswaarden in acht te nemen.
De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van elke krachtens de eerste
-
6.De bevoegde autoriteit kan een afwijking toestaan van de verplichting tot het naleven van
de emissiegrenswaarden van de leden 2 en 3 voor een stookinstallatie die uitsluitend
gasvormige brandstof gebruikt maar die als gevolg van een plotselinge onderbreking in de
gasvoorziening uitzonderlijk een andere brandstof moet gebruiken en om die reden met een
zuiveringsinrichting zou moeten worden uitgerust. Een dergelijke afwijking wordt
toegestaan voor ten hoogste 10 dagen, tenzij er een absolute noodzaak bestaat om de
energievoorziening in stand te houden.
De exploitant stelt de bevoegde autoriteit onmiddellijk in kennis van elk specifiek geval als
bedoeld in de eerste alinea.
De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van elke krachtens de eerste
alinea toegestane afwijking.
-
7.Bij uitbreiding van een stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden van deel 2 van
bijlage V van toepassing op het uitgebreide gedeelte van de installatie waarop de
verandering betrekking heeft; zij worden vastgesteld op grond van het totale nominale
thermische vermogen van de gehele stookinstallatie. In geval van een wijziging van een
stookinstallatie die gevolgen kan hebben voor het milieu en die betrekking heeft op een
gedeelte van een installatie met een nominaal thermisch vermogen van 50 MW of meer,
zijn de in deel 2 van bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden van toepassing op het
gedeelte van de installatie dat is gewijzigd in relatie tot het totale nominale thermische
vermogen van de gehele stookinstallatie.
-
8.De in deel 1 en deel 2 van bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden zijn niet van
toepassing op de volgende stookinstallaties:
-
a)stookinstallaties met dieselmotoren;
-
b)terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp.
-
9.Voor de volgende stookinstallaties beoordeelt de Commissie op basis van de beste
beschikbare technieken of er op het niveau van de Unie emissiegrenswaarden nodig zijn,
en of een aanpassing nodig is van de in bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden:
-
a)de in lid 8 bedoelde stookinstallaties;
-
b)stookinstallaties in raffinaderijen die distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van
het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen,
zelf verbruiken, rekening houdend met de specificiteit van de energiesystemen van
raffinaderijen;
-
c)stookinstallaties die met andere gassen dan aardgas worden gevoed;
-
d)stookinstallaties in chemische installaties die zelf vloeibare productieresiduen als
niet-commerciële brandstof verbruiken.
De Commissie deelt uiterlijk 31 december 2013 de resultaten van deze beoordeling mee
aan het Europees Parlement en de Raad, indien nodig vergezeld van een
Artikel 31
Ontzwavelingspercentage
Voor stookinstallaties die inheemse vaste brandstoffen stoken en die wegens de kenmerken van die
brandstoffen niet aan de in artikel 30, lid 2 en lid 3, bedoelde emissiegrenswaarden voor
zwaveldioxide kunnen voldoen, kunnen die lidstaten in plaats daarvan de in deel 5 van bijlage V
vastgestelde minimumpercentages voor ontzwaveling toepassen, overeenkomstig de in deel 6 van
die bijlage vastgestelde voorschriften voor de naleving.
Artikel 32
Nationaal plan voor de overgangsfase
-
1.In de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 kunnen de lidstaten een
nationaal plan voor de overgangsfase opstellen en uitvoeren voor stookinstallaties
waarvoor vóór 27 november 2002 een eerste vergunning is verleend of waarvan door de
exploitanten een volledige aanvraag voor een vergunning vóór die datum was ingediend,
mits de installatie uiterlijk 27 november 2003 in bedrijf werd gesteld. In het plan worden
voor elke stookinstallatie waarop het plan betrekking heeft de emissies opgenomen van een
of meer van de volgende verontreinigende stoffen: stikstofoxide, zwaveldioxide en stof.
Wat gasturbines betreft, kan het plan uitsluitend betrekking hebben op emissies van
-
b)in raffinaderijen die gassen met lage calorische waarde uit de vergassing van
raffinaderijresiduen of de distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van het
raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen, zelf
verbruiken;
-
c)waarop artikel 35 van toepassing is.
-
2.Stookinstallaties waarop het plan betrekking heeft, kunnen worden vrijgesteld van de in
artikel 30, lid 2, bedoelde emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen die
verplichting tot inachtneming van de onder het plan vallen of, indien van toepassing, van
de verplichting tot inachtneming van de in artikel 31 bedoelde ontzwavelingspercentages.
De emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof op grond van, met
name, de voorschriften van de Richtlijnen 2001/80/EG en 2008/1/EG, die zijn opgenomen
in de vergunning van de stookinstallatie die geldt op 31 december 2015, worden in elk
geval gehandhaafd.
Stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van meer dan 500 MW die
vaste brandstoffen stoken en na 1 juli 1987 hun eerste vergunning hebben ontvangen,
dienen te voldoen aan de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden van bijlage V, deel 1.
-
3.Het nationaal plan voor de overgangsfase stelt voor elke verontreinigende stof waarop het
betrekking heeft een plafond vast dat de maximale totale jaarlijkse emissies aangeeft voor
elk van de installaties waarop het plan betrekking heeft, op basis van het totale nominale
Het plafond voor het jaar 2016 wordt berekend op basis van de relevante
emissiegrenswaarden als vastgesteld in de bijlagen III tot en met VII bij Richtlijn
2001/80/EG, of in voorkomend geval op basis van de in bijlage III bij Richtlijn
2001/80/EG vastgestelde ontzwavelingspercentages. In geval van gasturbines worden de
emissiegrenswaarden voor stikstofoxide voor dergelijke installaties als vastgesteld in
deel B van bijlage VI van Richtlijn 2001/80/EG gebruikt. Het plafond voor de jaren 2019
en 2020 wordt berekend op basis van de in deel 1 van bijlage V bij deze richtlijn
vastgestelde relevante emissiegrenswaarden of, indien van toepassing, op basis van de in
deel 5 van bijlage V bij deze richtlijn vastgestelde ontzwavelingspercentages. De plafonds
voor de jaren 2017 en 2018 voorzien in een lineaire afname van de plafonds tussen 2016 en
2019.
Wanneer een in het nationale plan voor de overgangsfase opgenomen installatie wordt
gesloten of niet langer onder het toepassingsgebied van hoofdstuk III valt, mogen de totale
jaarlijkse emissies van de resterende installaties waarop het plan betrekking heeft, naar
aanleiding daarvan niet worden verhoogd.
-
4.Het nationale plan voor de overgangsfase bevat tevens bepalingen inzake monitoring en
verslaglegging die stroken met de overeenkomstig artikel 41, onder b), vastgestelde
uitvoeringsvoorschriften, alsmede voor elke installatie de maatregelen ter tijdige naleving
van de emissiegrenswaarden die vanaf 1 januari 2021 van toepassing zullen zijn.
-
5.Uiterlijk 1 januari 2013 delen de lidstaten hun nationale plannen voor de overgangsfase
aan de Commissie mee.
De Commissie evalueert het plan en. indien zij binnen twaalf maanden na ontvangst van
een plan geen bezwaar heeft gemaakt, gaat de betrokken lidstaat ervan uit dat zijn plan
aanvaard is.
Indien de Commissie van oordeel is dat een plan niet aan de krachtens artikel 41, onder b),
vastgestelde uitvoeringsvoorschriften voldoet, deelt zij de betrokken lidstaat mee dat zijn
plan niet kan worden aanvaard. Voor de evaluatie van een nieuwe versie van een plan dat
een lidstaat aan de Commissie toezendt, bedraagt de in de tweede alinea bedoelde termijn
zes maanden.
Artikel 33
Afwijking wegens beperkte levensduur
-
1.In de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2023 kunnen stookinstallaties
worden vrijgesteld van de verplichting tot inachtneming van de in artikel 30, lid 2,
bedoelde emissiegrenswaarden en de verplichting tot de in artikel 31 bedoelde
ontzwavelingspercentages, indien van toepassing, alsmede van de in artikel 32 bedoelde
opneming in het nationale plan voor de overgangsfase, indien:
-
a)de exploitant van de stookinstallatie uiterlijk 1 januari 2014 bij de bevoegde
autoriteit een schriftelijke verklaring indient waarin hij zich ertoe verbindt om de
installatie vanaf 1 januari 2016 en uiterlijk tot en met 31 december 2023 hoogstens
20.000 bedrijfsuren in bedrijf te nemen;
-
b)de exploitant verplicht is jaarlijks bij de bevoegde autoriteit verslag uit te brengen
over het aantal bedrijfsuren na 1 januari 2016;
-
c)de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof op grond van,
met name, de voorschriften van de Richtlijnen 2001/80/EG en 2008/1/EG, die zijn
opgenomen in de vergunning van de stookinstallatie die geldt op 31 december 2015,
worden in elk geval gehandhaafd tijdens de resterende bedrijfsduur van de
stookinstallatie. Stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van
meer dan 500 MW die vaste brandstoffen stoken en na 1 juli 1987 hun eerste
vergunning hebben ontvangen, dienen te voldoen aan de emissiegrenswaarden voor
stikstofoxide van bijlage V, deel 1; en
-
d)aan de stookinstallatie geen vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 4, lid 4, van
Richtlijn 2001/80/EG.
-
2.Uiterlijk 1 januari 2016 delen de lidstaten aan de Commissie een lijst mee van alle
stookinstallaties waarop lid 1 van toepassing is, met vermelding van hun totaal nominaal
thermisch vermogen, de gebruikte soorten brandstof en de toepasselijke emissiegrens-
waarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof. De lidstaten brengen jaarlijks bij de
Commissie verslag uit over het aantal bedrijfsuren na 1 januari 2016 van de installaties
waarop lid 1 van toepassing is.
-
3.In het geval van stookinstallaties die op ...* deel uitmaken van een klein geïsoleerd
systeem en op die datum ten minste 35% van de elektriciteitsvoorziening in dat systeem
vertegenwoordigen en, in verband met de technische kenmerken van de installatie, niet aan
de in artikel 30, lid 2, genoemde emissiegrenswaarden kunnen voldoen, bedraagt het in
lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde aantal bedrijfsuren 18 000, gerekend vanaf
1 januari 2020 en eindigend uiterlijk 31 december 2023, en is de in lid 1, onder b), en in
lid 2 van dit artikel bedoelde datum 1 januari 2020.
-
4.In het geval van stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van meer
dan 1500 MW die vóór 31 december 1986 in gebruik zijn genomen, waarin inheemse vaste
brandstof met een netto calorische waarde van minder dan 5800 kJ/kg wordt gestookt en
die een vochtgehalte van meer dan 45% per gewicht, een gecombineerd vocht- en
asgehalte van meer dan 60% per gewicht en een calciumoxidegehalte in as van meer dan
10% hebben, bedraagt het in lid 1, onder a), bedoelde aantal bedrijfsuren 32 000.
Artikel 34
Kleine geïsoleerde systemen
-
1.Stookinstallaties die op ...* deel uitmaken van een klein geïsoleerd systeem kunnen
uiterlijk tot en met 31 december 2019 worden vrijgesteld van de naleving van de in
artikel 30, lid 2, bedoelde emissiegrenswaarden en de in artikel 31 bedoelde
ontzwavelingspercentages, indien van toepassing. Tot 31 december 2019 worden de in de
vergunningen van die stookinstallatie opgenomen emissiegrenswaarden op grond van, met
name, de voorschriften van de Richtlijnen 2001/80/EG en 2008/1/EG in elk geval
gehandhaafd.
-
2.Stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van meer dan 500 MW die
vaste brandstoffen stoken en na 1 juli 1987 hun eerste vergunning hebben ontvangen,
dienen te voldoen aan de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden van bijlage V, deel 1.
-
3.Indien zich op het grondgebied van een lidstaat onder dit hoofdstuk vallende
stookinstallaties bevinden die onderdeel zijn van een klein geïsoleerd systeem, stelt die
lidstaat vóór ...* de Commissie in kennis van een lijst van deze stookinstallaties, alsook
van het totale jaarlijkse energieverbruik van het kleine geïsoleerde systeem en van de
hoeveelheid energie die door middel van interconnectie met andere systemen wordt
Artikel 35
Stadsverwarmingsinstallaties
-
1.Tot en met 31 december 2023 kan een stookinstallatie worden vrijgesteld van de naleving
van de in artikel 30, lid 2, bedoelde emissiegrenswaarden en van de in artikel 31 bedoelde
ontzwavelingspercentages, indien:
-
a)het totaal nominaal thermisch vermogen van de stookinstallatie niet hoger is dan
200 MW;
-
b)de installatie vóór 27 november 2002 voor het eerst een vergunning heeft gekregen
of de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning had
ingediend, mits die installatie uiterlijk 27 november 2003 in gebruik is genomen;
-
c)ten minste 50% van de nuttige warmteproductie van de installatie (voortschrijdend
gemiddelde over een periode van vijf jaar) in de vorm van stoom of heet water wordt
geleverd aan een openbaar net voor stadsverwarming; en
-
d)de emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof op grond van,
met name, de voorschriften van de Richtlijnen 2001/80/EG en 2008/1/EG, die zijn
opgenomen in de vergunning van de stookinstallatie die geldt op 31 december 2015,
in elk geval gehandhaafd worden tot 31 december 2023.
-
2.Uiterlijk 1 januari 2016 delen de lidstaten aan de Commissie een lijst mee van alle
stookinstallaties waarop lid 1 van toepassing is, met vermelding van hun totaal nominaal
thermisch vermogen, de gebruikte soorten brandstof en de toepasselijke
emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof. Voor elke stookinstallatie
waarop lid 1 van toepassing is en over de in dat lid genoemde periode, delen de lidstaten de
Commissie ook jaarlijks mee hoeveel nuttige warmteproductie van elke installatie in de
vorm van stoom of heet water aan een openbaar net voor stadsverwarming is geleverd
(uitgedrukt als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar).
Artikel 36
Geologische opslag van kooldioxide
-
1.De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitanten van alle stookinstallaties met een nominaal
elektrisch vermogen van 300 megawatt of meer, waarvan de oorspronkelijke
bouwvergunning of, bij ontbreken van een dergelijke procedure, de oorspronkelijke
exploitatievergunning is verleend na de inwerkingtreding van Richtlijn 2009/31/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag
van kooldioxide1, hebben beoordeeld of aan de volgende voorwaarden is voldaan:
-
b)vervoersfaciliteiten zijn technisch en economisch haalbaar,
-
c)het is technisch en economisch haalbaar om de installatie achteraf aan kooldioxide-
afvang aan te passen.
-
2.Als aan de voorwaarden in lid 1 is voldaan, zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat
geschikte ruimte op het terrein van de installatie wordt vrijgemaakt om kooldioxide af te
vangen en te comprimeren. De bevoegde autoriteit bepaalt op basis van de in lid 1
bedoelde beoordeling en andere beschikbare informatie of aan deze voorwaarden is
voldaan, in het bijzonder ten aanzien van de bescherming van het milieu en de gezondheid
van de mens.
Artikel 37
Storingen of uitvallen van de zuiveringsinrichting
-
1.De lidstaten dragen er zorg voor, dat de vergunningen voorschriften bevatten inzake
procedures bij storingen of uitvallen van de zuiveringsinrichting.
-
2.De bevoegde autoriteit verlangt dat de exploitant ingeval de zuiveringsinrichting is
uitgevallen en niet binnen 24 uur weer normaal functioneert, de installatie geheel of
gedeeltelijk stillegt of met een weinig vervuilende brandstof in werking houdt.
De exploitant stelt de bevoegde autoriteit binnen 48 uur na de storing of het uitvallen van
de zuiveringsinrichting op de hoogte.
De som van de perioden van werking zonder zuiveringsinrichting mag in een periode van
12 maanden niet meer bedragen dan 120 uur.
De bevoegde autoriteit kan in de volgende gevallen toestaan dat van de in de eerste en de
derde alinea vastgestelde tijdslimieten wordt afgeweken:
-
a)als het absoluut noodzakelijk is om de energievoorziening in stand te houden;
-
b)als de stookinstallatie met de uitgevallen inrichting anders voor een beperkte tijd zou
worden vervangen door een installatie die over het geheel genomen een hogere
emissie zou veroorzaken.
Artikel 38
Monitoring van de emissies in de lucht
-
1.De lidstaten zorgen ervoor dat de monitoring van luchtverontreinigende stoffen plaatsvindt
overeenkomstig deel 3 van bijlage V.
-
2.De installatie en de werking van de geautomatiseerde monitoringapparatuur zijn
onderworpen aan controles en aan een jaarlijkse verificatietest zoals omschreven in deel 3
van bijlage V.
-
3.De bevoegde autoriteit bepaalt de plaats van de bemonsterings- of meetpunten voor de
-
4.Alle monitoringresultaten worden op zodanige wijze geregistreerd, verwerkt en
gepresenteerd dat de bevoegde autoriteit kan verifiëren of de in de vergunning opgenomen
exploitatievoorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd.
Artikel 39
Naleving van de emissiegrenswaarden
De grenswaarden voor emissies in de lucht worden geacht te zijn nageleefd als aan de in deel 4 van
bijlage V omschreven voorwaarden is voldaan.
Artikel 40
Gemengde stookinstallaties
-
1.In het geval van gemengde stookinstallaties die gelijktijdig met twee of meer brandstoffen
worden gevoed, stelt de bevoegde autoriteit de emissiegrenswaarden vast volgens een
berekeningswijze die de volgende stappen omvat:
-
a)zij neemt de relevante emissiegrenswaarde voor elke brandstof en elke
verontreinigende stof die overeenkomt met het totale nominale thermische vermogen
van de hele stookinstallatie zoals aangegeven in deel 1 en deel 2 van bijlage V;
-
b)zij bepaalt de gewogen emissiegrenswaarden per brandstof; deze waarden worden
verkregen door de onder a) bedoelde emissiegrenswaarden te vermenigvuldigen met
de hoeveelheid door elke brandstof geleverde warmte, en het resultaat van deze
vermenigvuldiging te delen door de warmte geleverd door alle brandstoffen tezamen;
-
c)zij telt de per brandstof gewogen emissiegrenswaarden bij elkaar op.
-
2.In het geval van in artikel 30, lid 2, bedoelde gemengde stookinstallaties die distillatie- en
omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie
met andere brandstoffen, zelf verbruiken, kunnen de volgende emissiegrenswaarden
worden toegepast in plaats van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde emissiegrenswaarden:
-
a)indien tijdens de werking van de stookinstallatie het aandeel van de bepalende
brandstof in de door alle brandstoffen tezamen geleverde warmte 50% of meer
bedraagt, de in bijlage V, deel 1, voor de bepalende brandstof vastgestelde
-
b)indien het aandeel van de bepalende brandstof in de door alle brandstoffen tezamen
geleverde warmte minder dan 50% bedraagt, de overeenkomstig de volgende stappen
vastgestelde emissiegrenswaarde:
-
i)bepalen,voor elke gebruikte brandstof, van de emissiegrenswaarden in
bijlage V, deel 1, die overeenstemmen met het totale nominale thermische
vermogen van de stookinstallatie;
-
ii)berekenen van de emissiegrenswaarde voor de bepalende brandstof door de
voor die brandstof overeenkomstig punt i) vastgestelde emissiegrenswaarde te
vermenigvuldigen met factor 2 en dit product te verminderen met de
emissiegrenswaarde van de gebruikte brandstof met de laagste
emissiegrenswaarde van bijlage V, deel 1, die overeenstemt met het totale
nominale thermische vermogen van de stookinstallatie;
-
iii)bepalen van de gewogen emissiegrenswaarde per brandstof door elk van de
onder i) en ii) bedoelde grenswaarden te vermenigvuldigen met de hoeveelheid
door elke respectieve brandstof geleverde warmte, en dit product te delen door
de warmte geleverd door alle brandstoffen tezamen;
-
iv)optellen van de onder iii) bepaalde gewogen emissiegrenswaarden per
-
3.In het geval van de in artikel 30, lid 2, bedoelde gemengde stookinstallaties die distillatie-
en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in
combinatie met andere brandstoffen, zelf verbruiken, kunnen de gemiddelde
emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide in deel 7 van bijlage V worden toegepast in
plaats van de overeenkomstig de leden 1 of 2 van dit artikel vastgestelde
emissiegrenswaarden.
Artikel 41
Uitvoeringsvoorschriften
Er worden uitvoeringsvoorschriften vastgesteld met betrekking tot:
-
a)de vaststelling van de in artikel 3, punt 26, en in bijlage V, deel 4, punt 1, bedoelde voor de
inwerkingstelling en stillegging benodigde tijd; en
-
b)de in artikel 32 bedoelde nationale plannen voor de overgangsfase, met name de
vaststelling van emissieplafonds en de bijbehorende monitoring en rapportage.
Deze uitvoeringsvoorschriften worden vastgesteld volgens de in artikel 75, lid 2, bedoelde
regelgevingsprocedure met toetsing. De Commissie doet ... passende voorstellen.
HOOFDSTUK IV
Bijzondere bepalingen betreffende afvalverbrandingsinstallaties
en afvalmeeverbrandingsinstallaties
Artikel 42
Toepassingsgebied
-
1.Dit hoofdstuk is van toepassing op afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties
waar vaste of vloeibare afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op vergassings- en pyrolyse-installaties, voor zover de
gassen die het resultaat zijn van deze thermische behandeling van afvalstoffen dermate
worden gezuiverd dat zij vóór de verbranding ervan niet langer een afvalstof zijn en zij niet
meer emissies kunnen veroorzaken dan die welke bij de verbranding van aardgas
vrijkomen.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvatten afvalverbrandingsinstallaties en
afvalmeeverbrandingsinstallaties tevens alle verbrandingsstraten of meeverbrandings-
straten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het
afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, stoomketels, de
voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behandeling
Indien voor de thermische behandeling van afval gebruik wordt gemaakt van andere
processen dan oxidatie, zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, omvat de
afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie zowel het proces voor
thermische behandeling als het daaropvolgende verbrandingsproces.
Indien meeverbranding van afval zodanig plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak
voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten bestemd is, maar
voor de thermische behandeling van afval, wordt de installatie beschouwd als een
afvalverbrandingsinstallatie.
-
2.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende installaties:
-
a)installaties waar uitsluitend de volgende afvalstoffen worden verwerkt:
-
i)de in artikel 3, punt 30, onder b), genoemde afvalstoffen;
-
ii)radioactief afval;
-
iii)karkassen van dieren die vallen onder Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het
Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van
gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde
dierlijke bijproducten1;
-
iv)afvalstoffen die ontstaan bij de exploratie en de exploitatie van olie- en
gasbronnen vanaf installaties in zee en die aan boord van die installaties
-
b)experimentele installaties voor onderzoek, ontwikkeling en beproeving ter
verbetering van het verbrandingsproces waar per jaar minder dan 50 ton afval wordt
verwerkt.
Artikel 43
Definitie van residu
Voor de toepassing van dit hoofdstuk betekent "residu" een vloeibare of vaste afvalstof die wordt
geproduceerd door een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie.
Artikel 44
Aanvraag van een vergunning
De vergunningsaanvraag voor een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie omvat een
beschrijving van de maatregelen die zijn gepland om te waarborgen dat aan de volgende
voorwaarden wordt voldaan:
-
a)de installatie wordt zo ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd dat aan de
voorschriften van dit hoofdstuk wordt voldaan, rekening houdend met de afvalcategorieën
die er zullen worden verbrand of meeverbrand;
-
b)de bij het verbrandings- en meeverbrandingsproces opgewekte warmte wordt voor zover
doenlijk teruggewonnen door de productie van warmte, stoom of elektriciteit;
-
c)het ontstaan van residuen en de schadelijkheid ervan worden tot een minimum beperkt, en
de residuen worden in voorkomend geval gerecycleerd;
-
d)de verwijdering van de residuen die niet kunnen worden vermeden of beperkt en die niet
kunnen worden gerecycleerd, geschiedt overeenkomstig de nationale wetgeving en de
wetgeving van de Unie.
Artikel 45
Vergunningsvoorwaarden
-
1.De vergunning bevat:
-
a)een lijst van alle afvalsoorten die mogen worden verwerkt, waarbij indien mogelijk
ten minste de afvalsoorten worden gebruikt die worden onderscheiden in de bij
Beschikking 2000/532/EG vastgestelde Europese lijst van afvalstoffen, en waarbij in
voorkomend geval informatie wordt verstrekt over de hoeveelheid afval van elke
soort;
-
b)een vermelding van de totale afvalverbrandings- of meeverbrandingscapaciteit van
-
d)de eisen met betrekking tot pH, temperatuur en debiet van het geloosde afvalwater;
-
e)de bemonsterings- en meetprocedures en frequenties die moeten worden gebruikt
om te voldoen aan de gestelde voorwaarden inzake monitoring van emissies;
-
f)de maximaal toelaatbare duur van technisch onvermijdelijke stilleggingen, storingen
dan wel defecten aan de reinigingsapparatuur of de meetapparatuur gedurende welke
de emissies in de lucht en de lozingen van afvalwater de vastgestelde
emissiegrenswaarden mogen overschrijden.
-
2.In aanvulling op de voorschriften van lid 1 bevat de vergunning voor een
afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen
worden gebruikt voorts de volgende gegevens:
-
a)een lijst van de hoeveelheden van de verschillende categorieën gevaarlijke
afvalstoffen die mogen worden verwerkt;
-
b)een specificatie van de minimale en de maximale toevoer van die gevaarlijke
afvalstoffen, de laagste en de hoogste calorische waarde ervan, alsmede de
maximumgehalten aan PCB's, pentachloorfenol, chloor, fluor, zwavel, zware metalen
en andere verontreinigende stoffen.
-
3.De lidstaten kunnen een lijst opstellen van de in de vergunning op te nemen
afvalcategorieën die in bepaalde categorieën van afvalmeeverbrandingsinstallaties mogen
worden meeverbrand.
-
4.De bevoegde autoriteit toetst de vergunningsvoorwaarden geregeld en stelt die zo nodig
bij.
Artikel 46
Controle van de emissies
-
1.De rookgassen van afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties
moeten op gecontroleerde wijze worden afgevoerd door een schoorsteen waarvan de
hoogte zo wordt berekend dat de menselijke gezondheid en het milieu daardoor worden
beschermd.
-
2.De emissies in de lucht van afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandings-
installaties mogen de in deel 3 en deel 4 van bijlage VI vastgestelde of overeenkomstig
deel 4 van die bijlage bepaalde emissiegrenswaarden niet overschrijden.
Wanneer in een afvalmeeverbrandingsinstallatie meer dan 40% van de vrijkomende
warmte afkomstig is van gevaarlijk afval, of wanneer in de installatie onbehandeld
ongesorteerd stedelijk afval wordt meeverbrand, zijn de emissiegrenswaarden van deel 3
van bijlage VI van toepassing.
-
3.Lozingen in het aquatisch milieu van bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater
moeten voor zover doenlijk worden beperkt en de concentraties van verontreinigende
stoffen mogen de emissiegrenswaarden van deel 5 van bijlage VI niet overschrijden.
-
4.De emissiegrenswaarden zijn van toepassing op het punt waar het bij de reiniging van
rookgassen ontstane afvalwater door de afvalverbrandings- of
afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt geloosd.
Wanneer het bij de reiniging van rookgassen ontstane afvalwater buiten de afval-
verbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt gezuiverd in een zuiverings-
installatie die uitsluitend voor de zuivering van dit type afvalwater is bestemd, zijn de
emissiegrenswaarden van deel 5 van bijlage VI van toepassing op het punt waar het
afvalwater de zuiveringsinstallatie verlaat. Als het bij de reiniging van rookgassen ontstane
afvalwater hetzij ter plaatse, hetzij op een andere locatie gezamenlijk met afvalwater uit
andere bronnen wordt gezuiverd, bepaalt de exploitant aan de hand van passende
massabalansberekeningen, met gebruikmaking van de meetresultaten als omschreven in
bijlage VI, deel 6, punt 2, hoe groot het aandeel van de emissies in de uiteindelijk geloosde
hoeveelheid afvalwater is dat kan worden toegeschreven aan het bij de reiniging van
rookgassen ontstane afvalwater.
In geen geval mag afvalwater worden verdund om te voldoen aan de emissiegrenswaarden
van deel 5 van bijlage VI.
-
5.De terreinen van afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties, met de
bijbehorende terreinen voor de opslag van afval, worden zodanig ontworpen en
geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en accidenteel vrijkomen van verontreinigende stoffen
in bodem, oppervlaktewater en grondwater wordt voorkomen.
Er moet worden voorzien in opvangcapaciteit voor van het terrein van de afval-
verbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie wegvloeiend verontreinigd hemelwater
en voor verontreinigd water dat afkomstig is van overlopen of brandbestrijding. De
opvangcapaciteit dient zodanig te zijn, dat dit water, alvorens het wordt geloosd, zo nodig
kan worden onderzocht en behandeld.
-
6.Onverminderd artikel 50, lid 4, onder c), gaat de afvalverbrandingsinstallatie of de
afvalmeeverbrandingsinstallatie, of gaan de afzonderlijke ovens die deel uitmaken van een
afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bij overschrijding van de
emissiegrenswaarden in geen geval meer dan vier uur ononderbroken door met de
verbranding van afval.
De totale tijdsduur gedurende welke een installatie in die omstandigheden in werking is,
mag per jaar niet meer bedragen dan 60 uur.
De in de tweede alinea vastgestelde tijdslimiet geldt voor die ovens die verbonden zijn met
Artikel 47
Uitvallen
Bij uitval vermindert de exploitant de activiteit van de installatie zo spoedig mogelijk of legt hij de
installatie stil totdat normale werking opnieuw mogelijk is.
Artikel 48
Monitoring van emissies
-
1.De lidstaten zorgen ervoor dat de monitoring van de emissies plaatsvindt overeenkomstig
deel 6 en deel 7 van bijlage VI.
-
2.De installatie en de werking van de geautomatiseerde meetsystemen zijn onderworpen aan
controles en aan jaarlijkse verificatietest als omschreven in bijlage VI, deel 6, punt 1.
-
3.De bevoegde autoriteit bepaalt de plaats van de bemonsterings- of meetpunten voor de
monitoring van de emissies.
-
4.Alle monitoringresultaten worden op zodanige wijze geregistreerd, verwerkt en
gepresenteerd dat de bevoegde autoriteit kan controleren of de in de vergunning
opgenomen exploitatievoorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd.
-
5.Zodra in de Unie geschikte meettechnieken beschikbaar zijn, wordt vastgesteld vanaf
welke datum continumetingen van de emissies in de lucht van zware metalen, dioxinen en
furanen moeten worden uitgevoerd, volgens de in artikel 75, lid 2, bedoelde
regelgevingsprocedure .
Artikel 49
Naleving van de emissiegrenswaarden
De grenswaarden voor emissies in de lucht en in water worden geacht te worden nageleefd, indien
aan de in bijlage VI, deel 8, beschreven voorwaarden wordt voldaan.
Artikel 50
Exploitatievoorwaarden
-
1.De afvalverbrandingsinstallaties worden zo geëxploiteerd, dat een verbrandingsniveau
wordt bereikt waarbij de totale hoeveelheid organische koolstof (TOC) in de slakken en de
bodemas minder bedraagt dan 3%, of hun gloeiverlies minder bedraagt dan 5%, van het
droge gewicht van het materiaal. Zo nodig moet het afval met passende technieken worden
voorbehandeld.
-
2.Afvalverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en
geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij de verbranding van
het afval ontstane gas na de laatste toevoer van verbrandingslucht op beheerste en
Afvalmeeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en
geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij de meeverbranding
van het afval ontstane gas op beheerste en homogene wijze gedurende ten minste twee
seconden wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 850 °C.
Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1% gehalogeneerde organische
stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt verbrand of meeverbrand, bedraagt de vereiste
temperatuur om aan de eerste en de tweede alinea te voldoen, ten minste 1100 °C.
In afvalverbrandingsinstallaties wordt de in de eerste en de derde alinea bedoelde
temperatuur gemeten dichtbij de binnenwand van de verbrandingskamer. De bevoegde
autoriteit kan toestaan dat de metingen op een ander representatief punt van de
verbrandingskamer worden uitgevoerd.
-
3.Elke verbrandingskamer van een afvalverbrandingsinstallatie wordt uitgerust met ten
minste één hulpbrander. Deze brander moet automatisch worden ingeschakeld wanneer de
temperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van verbrandingslucht tot
onder de in lid 2 vastgestelde temperatuur zakt. Hij moet ook tijdens de inwerkingstelling
en de stillegging van de installatie worden gebruikt teneinde ervoor te zorgen dat die
temperatuur gedurende bedoelde werkzaamheden steeds wordt gehandhaafd zolang zich
onverbrande afvalstoffen in de verbrandingskamer bevinden.
Er worden geen brandstoffen naar de hulpbrander toegevoerd die hogere emissies kunnen
veroorzaken dan bij het stoken van gasolie als omschreven in artikel 2, punt 2, van
Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het
zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen1, vloeibaar gas of aardgas het geval is.
-
4.Afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties maken gebruik van een
automatisch systeem ter voorkoming dat afval wordt toegevoerd in de volgende situaties:
-
a)bij het in werking stellen, totdat de in lid 2 van dit artikel vastgestelde temperatuur
dan wel de volgens artikel 51, lid 1, aangegeven temperatuur is bereikt;
-
b)wanneer de in lid 2 van dit artikel vastgestelde temperatuur dan wel de volgens
artikel 51, lid 1, aangegeven temperatuur niet gehandhaafd blijft;
-
c)wanneer de continumetingen uitwijzen dat een emissiegrenswaarde wordt
overschreden als gevolg van storingen of defecten in de rookgasreinigingsapparatuur.
-
5.De warmte die door afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties
wordt opgewekt, wordt voor zover doenlijk teruggewonnen.
-
6.Infectieus ziekenhuisafval wordt direct in de oven geplaatst, zonder eerst met andere
afvalcategorieën te worden vermengd en zonder rechtstreeks te worden aangeraakt.
-
7.De lidstaten zorgen ervoor dat afvalverbrandingsinstallaties of
afvalmeeverbrandingsinstallaties worden geëxploiteerd door en onder de controle staan
van een natuurlijke persoon die bevoegd is om de installatie te beheren.
Artikel 51
Toestemming voor wijziging van de exploitatievoorwaarden
-
1.Mits aan de overige voorschriften van dit hoofdstuk wordt voldaan, kunnen door de
bevoegde autoriteit voorwaarden worden toegestaan die verschillen van die van de leden 1,
2 en 3 van artikel 50 en, wat de temperatuur betreft, van lid 4 van dat artikel, en die in de
vergunning voor bepaalde categorieën afval of voor bepaalde thermische processen worden
omschreven. De lidstaten kunnen regels stellen voor dergelijke toestemmingen.
-
2.Voor afvalverbrandingsinstallaties mag de wijziging van de exploitatievoorwaarden er niet
toe leiden dat meer residuen of residuen met een hoger gehalte aan organische
verontreinigende stoffen worden geproduceerd dan te verwachten is onder de in de leden 1,
2 en 3 van artikel 50 genoemde voorwaarden.
-
3.De emissies van de totale hoeveelheid organische koolstof en CO van
afvalverbrandingsinstallaties die overeenkomstig lid 1 toestemming krijgen om afwijkende
exploitatievoorwaarden toe te passen, dienen tevens te voldoen aan de
emissiegrenswaarden van bijlage VI, deel 3.
De emissies van de totale hoeveelheid organische koolstof van schorsovens in de
papierpulp- en papierindustrie die afval meeverbranden op de plaats van productie, die
vóór 28 december 2002 in bedrijf waren en over een vergunning beschikten en die
overeenkomstig lid 1 toestemming krijgen om afwijkende exploitatievoorwaarden toe te
passen, dienen tevens te voldoen aan de emissiegrenswaarden van deel 3 van bijlage VI.
-
4.De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle op grond van de leden 1, 2 en 3
toegestane exploitatievoorwaarden alsmede van de uitslagen van de verrichte controles als
onderdeel van de krachtens de rapportageverplichtingen van artikel 72 verstrekte
Artikel 52
Aflevering en inontvangstneming van afval
-
1.De exploitant van de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie treft
in samenhang met de aflevering en inontvangstneming van de afvalstoffen alle nodige
voorzorgsmaatregelen om de verontreiniging van lucht, bodem, oppervlaktewater en
grondwater alsmede andere negatieve milieueffecten, geurhinder en geluidshinder en
directe risico's voor de menselijke gezondheid te voorkomen of zoveel mogelijk te
beperken.
-
2.De exploitant stelt, indien mogelijk overeenkomstig de bij Beschikking 2000/532/EG
vastgestelde Europese lijst van afvalstoffen, de massa van elke afvalsoort vast, voordat het
afval bij de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt
aanvaard.
-
3.Voordat gevaarlijke afvalstoffen bij de afvalverbrandingsinstallatie of
afvalmeeverbrandingsinstallatie worden aanvaard, vergaart de exploitant de beschikbare
informatie over de afvalstoffen teneinde te verifiëren of aan de vergunningsvoorwaarden
van artikel 45, lid 2, is voldaan.
Deze informatie behelst de volgende elementen:
-
b)de fysische en, voor zover doenlijk, de chemische samenstelling van de afvalstoffen,
alsmede alle overige benodigde gegevens voor de beoordeling van de geschiktheid
van die stoffen voor het beoogde verbrandingsproces;
-
c)de gevaarlijke eigenschappen van de afvalstoffen, de stoffen waarmee zij niet mogen
worden gemengd en de bij behandeling van de afvalstoffen te treffen
voorzorgsmaatregelen.
-
4.Voordat de gevaarlijke afvalstoffen bij de afvalverbrandingsinstallatie of
afvalmeeverbrandingsinstallatie worden aanvaard, volgt de exploitant van de installatie ten
minste de volgende procedures:
-
a)controle van de documenten die vereist zijn op grond van Richtlijn 2008/98/EG
alsmede, in voorkomend geval, op grond van Verordening (EEG) nr. 1013/2006 van
het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging
van afvalstoffen1 en de wetgeving inzake het vervoer van gevaarlijke goederen;
-
b)behalve wanneer dit niet gepast is, representatieve bemonstering, zo mogelijk
voordat de lading wordt gelost, om aan de hand van controles na te gaan of de
monsters met de in lid 3 bedoelde informatie overeenstemmen en om het de
bevoegde autoriteiten mogelijk te maken de aard van de behandelde afvalstoffen vast
te stellen.
De onder b) bedoelde monsters worden gedurende ten minste een maand na de verbranding
-
5.De bevoegde autoriteit kan afwijkingen van de leden 2, 3 en 4 toestaan voor
afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties die deel uitmaken van
een onder hoofdstuk II vallende installatie en die uitsluitend binnen die installatie zelf
geproduceerd afval verbranden of meeverbranden.
Artikel 53
Residuen
-
1.Het ontstaan van residuen en de schadelijkheid daarvan worden tot een minimum beperkt.
De residuen worden, in voorkomend geval, in de installatie zelf of daarbuiten gerecycleerd.
-
2.Vervoer en tussentijdse opslag van droge residuen in de vorm van stof geschieden op
zodanige wijze dat verspreiding van die residuen in het milieu voorkomen wordt.
-
3.Voordat de methoden van verwijdering of recycling van de residuen worden vastgesteld,
worden passende tests uitgevoerd om na te gaan welke de fysische en chemische
eigenschappen en het verontreinigend vermogen van de residuen zijn. Die tests hebben
betrekking op de totale oplosbare fractie en de oplosbare fractie zware metalen.
Artikel 54
Belangrijke wijziging
Een wijziging van de exploitatie van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandings-
installatie waar uitsluitend ongevaarlijk afval wordt verwerkt in een onder hoofdstuk II vallende
installatie, wordt, indien zij de verbranding of meeverbranding van gevaarlijk afval met zich
meebrengt, beschouwd als een belangrijke wijziging.
Artikel 55
Verslaglegging en publieksvoorlichting over afvalverbrandingsinstallaties
en afvalmeeverbrandingsinstallaties
-
1.Aanvragen voor nieuwe vergunningen voor afvalverbrandingsinstallaties en
afvalmeeverbrandingsinstallaties worden gedurende een passende periode op een of meer
plaatsen ter inzage gelegd van het publiek, opdat het publiek opmerkingen over de
aanvragen kan maken vooraleer de bevoegde autoriteit een besluit neemt. Dit besluit, dat
ten minste een afschrift van de vergunning moet omvatten, alsmede eventuele latere
actualiseringen daarvan, moeten eveneens openbaar worden gemaakt.
-
2.Voor afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties met een nominale
capaciteit van twee ton of meer per uur omvat het in artikel 72 bedoelde verslag informatie
over de werking van en de controle op de installatie en wordt daarin een beeld geschetst
van het verloop van het verbrandings- of meeverbrandingsproces en van het niveau van de
emissies in de lucht en in water in vergelijking met de emissiegrenswaarden. Deze
informatie wordt beschikbaar gesteld voor het publiek.
-
3.De bevoegde autoriteit stelt een lijst op van de afvalverbrandingsinstallaties en
afvalmeeverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van minder dan twee ton per
uur en stelt deze ter beschikking van het publiek.
HOOFDSTUK V
Bijzondere bepalingen voor installaties waarin
en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt
Artikel 56
Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op de in bijlage VII, deel 1, vermelde activiteiten en, voor zover
van toepassing, wanneer de in deel 2 van die bijlage vermelde verbruiksdrempels worden bereikt.
Artikel 57
Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende definities:
-
1)"bestaande installatie": een installatie die in bedrijf is op 29 maart 1999 of die vóór
1 april 2001 een vergunning heeft verkregen of is geregistreerd, of waarvan de exploitant
vóór 1 april 2001 een volledige aanvraag om een vergunning heeft ingediend, mits die
installatie uiterlijk 1 april 2002 in gebruik is genomen;
-
3)"diffuse emissie": emissie, in een andere vorm dan van rookgassen, van vluchtige
organische stoffen in lucht, bodem of water alsmede oplosmiddelen die zich in enig
product bevinden, tenzij anders vermeld in bijlage VII, deel 2;
-
4)"totale emissie": de som van diffuse emissies en emissies van rookgassen;
-
5)"mengsel: een mengsel zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG)
nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de
registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische
stoffen (REACH) en tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen1,
-
6)"kleefstof": een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde
organische oplosmiddelen of organische oplosmiddelen bevattende mengsels, dat wordt
gebruikt om afzonderlijke delen van een product samen te kleven;
-
7)"inkt": een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische
oplosmiddelen of organische oplosmiddelen bevattende mengsels, dat bij een drukactiviteit
wordt gebruikt om een tekst of afbeeldingen op een oppervlak af te drukken;
-
8)"lak": een doorzichtige coating;
-
9)"verbruik": de totale input van organische oplosmiddelen per kalenderjaar of een andere
periode van twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele vluchtige
organische stoffen die voor hergebruik zijn teruggewonnen;
-
10)"input": de hoeveelheid organische oplosmiddelen en de hoeveelheid daarvan in mengsels
die tijdens het uitoefenen van een activiteit worden gebruikt, met inbegrip van de binnen
en buiten de installatie gerecycleerde oplosmiddelen, die telkens worden meegerekend
wanneer zij worden gebruikt om de activiteit uit te oefenen;
-
11)"hergebruik": het gebruik van uit een installatie teruggewonnen organische oplosmiddelen
voor elk technisch of commercieel doel, met inbegrip van het gebruik als brandstof maar
met uitzondering van de definitieve verwijdering van deze teruggewonnen organische
oplosmiddelen als afval;
-
12)"gesloten systeem": een systeem dat zodanig functioneert dat de uit de activiteit
vrijkomende vluchtige organische stoffen beheerst worden afgevangen en uitgestoten,
hetzij via een rookgaskanaal of via nabehandelingsapparatuur, en derhalve niet volledig
diffuus zijn;
-
13)"opstarten en stilleggen": activiteiten, met uitzondering van regelmatig oscillerende
activiteitenfasen, die worden uitgevoerd wanneer een activiteit, een deel van de installatie
of een reservoir in of buiten bedrijf wordt gesteld of in of uit de onbelaste toestand wordt
Artikel 58
Vervanging van gevaarlijke stoffen
Stoffen of mengsels die van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F zijn of
moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan vluchtige organische stoffen die krachtens
Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn ingedeeld als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de
voortplanting, worden voor zover mogelijk binnen zo kort mogelijke tijd door minder schadelijke
stoffen of mengsels vervangen.
Artikel 59
Controle van de emissies
-
1.De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat elke installatie aan een
van de volgende eisen voldoet:
-
a)de emissie van vluchtige organische stoffen uit installaties is niet hoger dan de
emissiegrenswaarden voor rookgassen en de diffuse-emissiegrenswaarden of de
totale emissiegrenswaarden, en er wordt voldaan aan de overige voorschriften van
-
b)de installatie voldoet aan de eisen van het reductieprogramma die zijn opgenomen in
bijlage VII, deel 5, mits een emissiebeperking wordt bereikt die gelijkwaardig is aan
die welke bij toepassing van de onder a) bedoelde emissiegrenswaarden zou zijn
bereikt.
De lidstaten brengen overeenkomstig artikel 72, lid 1, verslag uit bij de Commissie over de
vorderingen die zijn gemaakt bij de onder punt b) bedoelde gelijkwaardige
emissiebeperking.
-
2.In afwijking van lid 1, onder a), wanneer de exploitant de bevoegde autoriteit het bewijs
levert dat de diffuse-emissiegrenswaarde technisch en economisch niet haalbaar is voor
een afzonderlijke installatie, kan de bevoegde autoriteit toestaan dat de emissie die
emissiegrenswaarde overschrijdt op voorwaarde dat er geen aanmerkelijke risico's voor de
menselijke gezondheid of het milieu zijn te verwachten en de exploitant de bevoegde
autoriteit het bewijs levert dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare
technieken.
-
3.In afwijking van lid 1, kan de bevoegde autoriteit, voor de onder punt 8 van de tabel in
bijlage VII, deel 2, bedoelde coatingprocessen die niet in een gesloten systeem kunnen
worden toegepast, toestaan dat de emissies van de installatie niet voldoen aan de in dat lid
opgenomen eisen, indien de exploitant de bevoegde autoriteit het bewijs levert dat het
technisch en economisch niet haalbaar is daaraan te voldoen en dat gebruik wordt gemaakt
van de beste beschikbare technieken.
-
4.De lidstaten brengen over de in de leden 2 en 3 bedoelde uitzonderingen verslag uit bij de
Commissie overeenkomstig artikel 72, lid 2.
-
5.De emissie van vluchtige organische stoffen die zijn of moeten zijn voorzien van de
gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F, dan wel van gehalogeneerde
vluchtige organische stoffen die zijn of moeten zijn voorzien van de gevarenaanduidingen
H341 of H351 wordt beperkt als in een gesloten systeem, voor zover dit technisch en
economisch haalbaar is, om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen, en
mag de in bijlage VII, deel 4, vermelde emissiegrenswaarden niet overschrijden.
-
6.Installaties waar twee of meer activiteiten worden verricht die elk de drempelwaarden van
bijlage VII, deel 2, overschrijden, moeten,
-
a)ten aanzien van de in lid 5 gespecificeerde stoffen, voor elke activiteit afzonderlijk
voldoen aan de in dat lid vermelde eisen;
-
b)ten aanzien van alle andere stoffen:
-
i)hetzij voor elke activiteit afzonderlijk voldoen aan de in lid 1 vermelde eisen,
-
ii)hetzij een totale emissie van vluchtige organische stoffen hebben die niet hoger
is dan bij toepassing van punt i) het geval zou zijn geweest.
-
7.Alle passende voorzorgsmaatregelen worden getroffen om de emissies van vluchtige
organische stoffen bij het starten en stilleggen van de installatie tot een minimum te
beperken.
Artikel 60
Monitoring van emissies
De lidstaten zorgen ervoor, hetzij door vermelding in de vergunningsvoorwaarden, hetzij door
middel van algemeen bindende voorschriften dat de emissies overeenkomstig bijlage VII, deel 6,
worden gemeten.
Artikel 61
Inachtneming van emissiegrenswaarden
De emissiegrenswaarden voor rookgassen worden beschouwd in acht te zijn genomen, indien wordt
voldaan aan de voorwaarden van bijlage VII, deel 8.
Artikel 62
Verslaglegging over de naleving van de voorwaarden
De exploitant verstrekt de bevoegde autoriteit desgevraagd gegevens op basis waarvan de bevoegde
autoriteit kan nagaan of de volgende voorwaarden zijn nageleefd:
-
a)de emissiegrenswaarden voor rookgassen, de diffuse- en de totale emissiegrenswaarden,
-
b)de eisen van het reductieprogramma krachtens bijlage VII, deel 5,
-
c)de overeenkomstig artikel 59, leden 2 en 3, toegestane uitzonderingen.
Dit kan een oplosmiddelenboekhouding bevatten dat is opgesteld overeenkomstig bijlage VII,
Artikel 63
Belangrijke wijziging van bestaande installaties
-
1.Een wijziging in de massa organische oplosmiddelen die een installatie gemiddeld op één
dag maximaal als input gebruikt, als de installatie bij de ontwerpoutput in andere
omstandigheden dan opstarten, stilleggen en onderhoud functioneert, wordt als belangrijk
beschouwd indien deze leidt tot een verhoging van de emissie van vluchtige organische
stoffen van meer dan:
-
a)25% voor een installatie waarin activiteiten worden verricht die binnen de laagste
drempelwaarde-interval van de punten 1, 3, 4, 5, 8, 10, 13, 16 of 17 van de tabel in
bijlage VII, deel 2, vallen of activiteiten die onder een van de andere punten van
bijlage VII, deel 2, vallen, en die minder dan 10 ton oplosmiddel per jaar gebruikt;
-
b)10% voor alle andere installaties.
-
2.Wanneer een bestaande installatie een belangrijke wijziging ondergaat of na een
belangrijke wijziging voor het eerst onder de richtlijn valt, wordt dat deel van de installatie
dat de belangrijke wijziging heeft ondergaan behandeld als nieuwe installatie dan wel als
een bestaande installatie, mits de totale emissies van de gehele installatie niet hoger zijn
dan wanneer het deel dat belangrijke wijzigingen heeft ondergaan als nieuwe installatie
-
3.In geval van een belangrijke wijziging gaat de bevoegde autoriteit opnieuw na of de
installatie aan de eisen van deze richtlijn voldoet.
Artikel 64
Uitwisseling van informatie over de vervanging van organische oplosmiddelen
De Commissie organiseert een uitwisseling van informatie met de lidstaten, de betrokken industrie
en niet-gouvernementele organisaties die zich voor de milieubescherming inzetten, over het gebruik
van organische oplosmiddelen en mogelijke vervangingsproducten. en over technieken met de
potentieel geringste gevolgen voor lucht, water, bodem, ecosystemen en de menselijke gezondheid.
Informatie wordt uitgewisseld over alle volgende onderwerpen:
-
a)de geschiktheid voor het gebruik,
-
b)de mogelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid in het algemeen en voor
beroepsmatige blootstelling in het bijzonder,
-
c)de mogelijke gevolgen voor het milieu,
-
d)de economische gevolgen, met name de kosten en baten van de beschikbare
Artikel 65
Toegang tot informatie
-
1.Het besluit van de bevoegde autoriteit, met inbegrip van ten minste een afschrift van de
vergunning, en eventuele latere actualiseringen daarvan zijn voor het publiek toegankelijk.
De algemeen bindende voorschriften voor installaties en de lijst van installaties die aan een
vergunnings- of registratieplicht zijn onderworpen, zijn voor het publiek toegankelijk.
-
2.De resultaten van de bij artikel 60 verplicht gestelde monitoring van emissies waarover de
bevoegde autoriteit beschikt, zijn voor het publiek toegankelijk.
-
3.De leden 1 en 2 zijn van toepassing met inachtneming van de beperkingen die bij artikel 4,
leden 1 en 2, van Richtlijn 2003/4/EG zijn vastgesteld.
HOOFDSTUK VI
Bijzondere bepalingen voor installaties
die titaandioxide produceren
Artikel 66
Artikel 67
Verbod op de lozing van afvalstoffen
De lidstaten verbieden de lozing van de volgende afvalstoffen in wateren, zee of oceaan:
-
a)vaste afvalstoffen,
-
b)moederlogen afkomstig uit de filtratiefase na de hydrolyse van de oplossing van
titanylsulfaat van installaties die het sulfaatproces toepassen, waaronder zure afvalstoffen
die met deze logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5% vrij zwavelzuur en
verschillende zware metalen bevatten en, waaronder die moederlogen welke zijn verdund
tot ze 0,5% of minder vrij zwavelzuur bevatten;
-
c)afvalstoffen afkomstig van installaties die het chlorideproces toepassen en die meer dan
0,5% vrij zoutzuur en verschillende zware metalen bevatten, waaronder afvalstoffen die
zijn verdund tot zij 0,5% of minder vrij zoutzuur bevatten;
-
d)filterzouten en slibvormige en vloeibare afvalstoffen die vrijkomen bij de behandeling
(concentratie of neutralisatie) van de onder b) en c) genoemde afvalstoffen en die
verschillende zware metalen bevatten, maar met uitsluiting van geneutraliseerde en
gefilterde of gedecanteerde afvalstoffen die slechts sporen van zware metalen bevatten en
die, vóór enigerlei verdunning, een pH-waarde van meer dan 5,5 hebben.
Artikel 68
Controle van emissies in het water
Emissies van installaties in het water mogen de in bijlage VIII, deel 1, vermelde
emissiegrenswaarden niet overschrijden.
Artikel 69
Preventie en controle van emissies in de lucht
-
1.De emissie van zuurdruppels uit installaties moet worden voorkomen.
-
2.Emissies uit installaties in de lucht mogen de in bijlage VIII, deel 2, vermelde
emissiegrenswaarden niet overschrijden.
Artikel 70
Monitoring van emissies
-
1.De lidstaten dragen zorg voor de monitoring van emissies in het water, zodat de bevoegde
autoriteit kan controleren of voldaan wordt aan de vergunningsvoorwaarden en artikel 68.
-
2.De lidstaten dragen zorg voor de monitoring van emissies in de lucht, zodat de bevoegde
autoriteit kan controleren of voldaan wordt aan de vergunningsvoorwaarden en artikel 69.
Een dergelijke monitoring omvat ten minste de monitoring van emissies als beschreven in
-
3.De monitoring wordt verricht overeenkomstig de CEN-normen of, indien CEN-normen
ontbreken, de ISO-normen, de nationale of andere internationale normen die gegevens van
een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.
HOOFDSTUK VII
Comité, overgangsbepalingen en slotbepalingen
Artikel 71
Bevoegde autoriteiten
De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor het nakomen van de
verplichtingen die uit deze richtlijn voortvloeien.
Artikel 72
Verslaglegging door de lidstaten
-
1.De lidstaten verstrekken de Commissie informatie over de uitvoering van deze richtlijn,
over representatieve gegevens over emissies en andere vormen van verontreiniging,
emissiegrenswaarden, de toepassing van de beste beschikbare technieken overeenkomstig
de artikelen 14 en 15 en de vorderingen die zijn gemaakt met betrekking tot de
ontwikkeling en toepassing van technieken in opkomst overeenkomstig artikel 27.
-
2.De soort, de opmaak en de frequentie van de overeenkomstig lid 1 te verstrekken
informatie worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure bedoeld in artikel 75, lid
-
2.Dit houdt tevens in dat specifieke activiteiten en verontreinigende stoffen worden
vastgesteld waarvoor de in lid 1 bedoelde gegevens moeten worden verstrekt.
-
3.De lidstaten stellen vanaf 1 januari 2016 een jaarlijkse inventaris op van de emissies van
zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof en van de energie-input met betrekking tot alle
onder hoofdstuk III van deze richtlijn vallende stookinstallaties.
Rekening houdend met de in artikel 29 vastgestelde samentellingregels, verzamelt de
bevoegde autoriteit voor elke stookinstallatie de volgende gegevens:
-
a)het totaal nominaal thermisch vermogen (MW) van de stookinstallatie;
-
b)het soort stookinstallatie: stoomketel, gasturbine, gasmotor, dieselmotor, andere (met
vermelding van de soort);
-
c)de datum waarop de stookinstallatie in bedrijf is gesteld;
-
d)de totale jaarlijkse emissies (ton per jaar) van zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof
(als totaal zwevende deeltjes);
-
f)het aantal bedrijfsuren van de stookinstallatie;
-
g)de totale hoeveelheid energie die per jaar is gebruikt, uitgedrukt in de calorische
onderwaarde (TJ per jaar) en gespecificeerd voor de volgende categorieën
brandstoffen: kolen, bruinkool, biomassa, turf, andere vaste brandstoffen (met
vermelding van de soort), vloeibare brandstoffen, aardgas of andere gassen (met
vermelding van de soort).
De jaarlijkse inventarisgegevens per installatie worden op verzoek aan de Commissie
verstrekt.
Een samenvatting van deze inventarissen wordt om de drie jaar binnen twaalf maanden na
het einde van de betrokken periode van drie jaar aan de Commissie verstrekt. Daarin
worden de gegevens voor stookinstallaties in raffinaderijen apart aangegeven.
De Commissie stelt de lidstaten en het publiek, binnen 24 maanden na afloop van de
betrokken periode van drie jaar, een samenvatting ter beschikking van de vergelijking en
beoordeling van deze inventarissen, overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG.
-
4.Vanaf 1 januari 2016 stellen de lidstaten de Commissie jaarlijks in kennis van de volgende
gegevens:
-
a)voor stookinstallaties waarop artikel 31 van toepassing is, het zwavelgehalte van de
gebruikte, inheemse vaste brandstof en het bereikte ontzwavelingspercentage,
-
b)voor stookinstallaties die niet meer dan 1 500 uur per jaar in bedrijf zijn
(voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar), het aantal bedrijfsuren
per jaar.
Artikel 73
Evaluatie
-
1.Uiterlijk ...* en vervolgens om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement
en de Raad een verslag in waarin de uitvoering van deze richtlijn wordt geëvalueerd aan de
hand van de in artikel 67 bedoelde informatie, dat zonodig vergezeld gaat van een
wetgevingsvoorstel.
-
2.De Commissie evalueert uiterlijk 31 december 2012
-
a)of een controle moet worden ingesteld op de emissies van:
-
i)het stoken van brandstoffen in installaties met een totaal nominaal thermisch
vermogen van minder dan 50 MW;
-
ii)de intensieve rundveehouderij; en
-
b)of er in bijlage I het volgende moet worden vastgesteld:
-
i)gedifferentieerde capaciteitsdrempelwaarden voor het houden van
verschillende pluimveesoorten;
-
ii)capaciteitsdrempelwaarden voor het gelijktijdig houden van verschillende
soorten dieren in dezelfde installatie.
De Commissie deelt de resultaten van die evaluatie mee aan het Europees Parlement en de
Raad, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
Artikel 74
Wijzigingen van de bijlagen
Teneinde de bepalingen van deze richtlijn met behulp van de beste beschikbare technieken aan te
passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang , stelt de Commissie gedelegeerde
handelingen vast overeenkomstig artikel 76 ten aanzien van de aanpassing van bijlage V, delen 3
en 4, bijlage VI, delen 2, 6, 7 en 8, bijlage VII, delen 5, 6, 7 en 8.
Artikel 75
Comitéprocedure
-
1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité.
-
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van
toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op
drie maanden.
Artikel 76
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
-
1.De bevoegdheid om de in artikel 74 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen,
wordt aan de Commissie toegekend vooreen periode van vijf jaar na de inwerkingtreding
van deze richtlijn. De Commissie stelt uiterlijk zes maanden voor het einde van de periode
van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie
wordt automatisch verlengd met dezelfde periode, tenzij het Europees Parlement of de
Raad de bevoegdheid intrekt overeenkomstig artikel 77.
-
2.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees
Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.
Artikel 77
Intrekking van de bevoegdheidsdelegatie
-
1.De in artikel 74 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan door het Europees Parlement of de
Raad worden ingetrokken.
-
2.De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij de
bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, brengt de andere instelling en de Commissie
hiervan uiterlijk een maand voordat een definitief besluit wordt genomen, op de hoogte en
geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken en
waarom.
-
3.Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het
besluit worden vermeld. Het besluit treedt onmiddellijk in werking of op een latere datum
die in het besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht
zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het besluit wordt bekendgemaakt in het
Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 78
Bezwaar tegen gedelegeerde handelingen
-
1.Het Europees Parlement of de Raad kunnen bezwaar aantekenen tegen de gedelegeerde
handelingbinnen drie maanden na de datum van kennisgeving.Het Europees Parlement of
de Raad kunnen bezwaar aantekenen tegen de gedelegeerde handelingbinnen twee
maanden na de datum van kennisgeving. Op initiatief van het Europees Parlement of de
Raad wordt deze termijn met een maand verlengd.
-
2.Indien noch het Europees Parlement noch de Raad bij het verstrijken van deze termijn
bezwaar hebben aangetekend tegen de gedelegeerde handeling, of indien het Europees
Parlement en de Raad beide voor die datum aan de Commissie hebben laten weten dat zij
geen bezwaar zullen aantekenen, treedt de gedelegeerde handeling in werking op de daarin
bepaalde datum.
-
3.Indien het Europees Parlement of de Raad bezwaar aantekent tegen de gedelegeerde
handeling, treedt deze niet in werking. De instelling die bezwaar aantekent tegen de
gedelegeerde handeling, geeft aan om welke redenen zij dit doet.
Artikel 79
Sancties
De lidstaten stellen sancties vast op overtredingen van de nationale bepalingen die op grond van
deze richtln worden vastgesteld. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend
zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlk ...* in kennis van die bepalingen en delen eventuele
latere wijzigingen zo spoedig mogelijk mede.
Artikel 80
Omzetting
-
1.De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden
om uiterlijk ...* te voldoen aan artikel 2, artikel 3, leden 10 tot en met 13, leden 17 tot en
met 22, leden 25 tot en met 29 en leden 33 tot en met 35, artikel 4, leden 2 en 3, artikel 5,
lid 1, artikel 7, artikelen 8 en 10, artikel 11, onder e) en h), artikel 12, lid 1, onder e) en h),
artikel 13, lid 7, artikel 14, lid 1, onder c), ii), artikel 14, lid 1, onder d), e), f) en h),
artikel 14, leden 2 tot en met 7, artikel 15, leden 2 tot en met 5, artikelen 16, 17 en 19,
artikel 21, leden 2 tot en met 5, artikelen 22 en 23, artikel 24, leden 2, 3 en 4, artikelen 27,
28 en 29, artikel 30, leden 3, 4, 7, 8 en 9, artikelen 31, 32, 33, 34, 35 en 36, artikel 38,
artikel 40, leden 2 en 3, artikelen 41, 42 en 43, artikel 45, leden 1 en 2, artikel 57, lid 1,
artikel 58, artikel 59, lid 5, artikel 63, artikel 70, leden 2 en 3, artikelen 71, 72 en 79, en
Zij passen deze bepalingen vanaf diezelfde datum toe.
Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in deze bepalingen of bij de
officiële bekendmaking hiervan naar deze richtlijn verwezen. De methoden voor deze
verwijzing wordt vastgesteld door de lidstaten.
-
2.De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal
recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 81
Intrekking
-
1.De richtlijnen 78/176/EEG, 82/883/EEG, 92/112/EEG, 1999/13/EG, 2000/76/EG en
2008/1/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IX, deel A, genoemde besluiten, zijn vanaf ...*
niet meer geldig, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de omzetting
in nationaal recht en de toepassing van de in bijlage IX, deel B, genoemde richtlijnen.
-
2.Richtlijn 2001/80/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IX, deel A, genoemde besluiten, is
met ingang van 1 januari 2016 niet meer geldig, onverminderd de verplichtingen van de
lidstaten wat betreft de termijnen voor omzetting in nationaal recht en de toepassing van de
in bijlage IX, deel B, genoemde richtlijnen.
-
3.Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar onderhavige
richtlijn en worden gelezen volgens de in bijlage X opgenomen concordantietabel.
Artikel 82
Overgangsbepalingen
-
1.Wat betreft de installaties die activiteiten verrichten als bedoeld in bijlage I, punt 1.1 voor
activiteiten met een nominaal thermisch vermogen hoger dan 50 MW, punten 1.2 en 1.3,
punt 1.4 a), punten 2.1 tot en met punt 2.6, punten 3.1 tot en met 3.5, punten 4.1 tot en
met 4.6 voor activiteiten betreffende chemische productie door chemische verwerking,
punt 5.1 en 5.2 voor activiteiten vallend onder Richtlijn 2008/1/EG punt 5.3, onder a).i
en ii), punt 5.4, punt 6.1, onder a) en b), punten 6.2 en 6.3, punt 6.4, onder c), punten 6.5
tot en met 6.9 die in bedrijf zijn en een vergunning hebben voor ... of die een volledige
aanvraag voor een vergunning hebben ingediend voor die datum mits die installaties
uiterlijk ... in gebruik worden genomen, passen de lidstaten vanaf ....** de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen toe die overeenkomstig artikel 80, lid 1, zijn vastgesteld,
met uitzondering van hoofdstuk III en bijlage V.
-
2.Wat betreft de installaties die activiteiten verrichten als bedoeld in bijlage I, punt 1.1 voor
activiteiten met een nominaal thermisch vermogen van 50 MW, punt 1.4, onder b),
punten 4.1 tot en met 4.6 voor activiteiten betreffende productie door biologische
verwerking, punten 5.1en 5.2 voor activiteiten die niet onder Richtlijn 2008/1/EG vallen,
punt 5.3, onder a), iii) tot v) en punt 5.3, onder b), punten 5.5 en 5.6, punt 6.1, onder c),
punt 6.4, onder b), voor activiteiten die niet onder Richtlijn 2008/1/EG vallen en
punten 6.10 en 6.11 passen de lidstaten vanaf ... de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen toe die overeenkomstig artikel 80, lid 1, zijn vastgesteld.
-
3.Wat de in artikel 30, lid 2, bedoelde stookinstallaties betreft, passen de lidstaten vanaf
1 januari 2016 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe die overeenkomstig
artikel 80, lid 1, zijn vastgesteld teneinde te voldoen aan hoofdstuk III en bijlage V.
4 Met betrekking tot de in artikel 30, lid 3, bedoelde stookinstallaties passen de lidstaten
na ... niet langer Richtlijn 2001/80/EG toe.
-
5.Wat stookinstallaties betreft die ook afval verbranden, is bijlage VI, deel 4, punt 3.1, van
toepassing:
-
b)... * voor de in artikel 30, lid 3, bedoelde stookinstallaties.
-
6.Bijlage VI, deel 4, punt 3.2, is van toepassing op stookinstallaties die ook afval
verbranden:
-
a)vanaf 1 januari 2016 voor de in artikel 30, lid 2, bedoelde stookinstallaties;
-
b)vanaf ...* voor de in artikel 30, lid 3, bedoelde stookinstallaties.
-
7.Artikel 58, lid 3, is van toepassing vanaf 1 juni 2015. Tot die datum geldt: stoffen of
mengsels die van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F of de
risicozinnen R45, R46, R49, R60 of R61, zijn of moeten zijn voorzien wegens hun gehalte
aan vluchtige organische stoffen die krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn
ingedeeld als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting, worden voor
zover mogelijk binnen zo kort mogelijke tijd door minder schadelijke stoffen of mengsels
-
8.Artikel 59, lid 4, is van toepassing vanaf 1 juni 2015. Tot die datum geldt: de emissie van
vluchtige organische stoffen die zijn of moeten zijn voorzien van de gevarenaanduidingen
H340, H350, H350i, H360D of H360F, of de risicozinnen R45, R46, R49, R60 of R61, of
van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen die zijn of moeten zijn voorzien van de
gevarenaanduidingen H341 of H351 of de risicozinnen R40 of R68, wordt beperkt als in
een gesloten systeem, voor zover dit technisch en economisch haalbaar is, om de
gezondheid van de mens en het milieu te beschermen, en mag de in bijlage VII, deel 4,
vermelde emissiegrenswaarden niet overschrijden.
-
9.Bijlage VII, deel 4, punt 2, is van toepassing vanaf 1 juni 2015. Tot die datum geldt: voor
emissies van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen die zijn of moeten zijn voorzien
van de gevarenaanduidingen H341 of H351 of de risicozinnen R40 of R68, waarbij de
massastroom van de som van de stoffen waarvoor de gevarenaanduidingen H341 of H351
of de etikettering R40 of R68 verplicht zijn, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, moet een
emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde"
geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
Artikel 83
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het
Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 84
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
BIJLAGE I
De in artikel 10 bedoelde categorieën van activiteiten
De hieronder genoemde drempelwaarden hebben in het algemeen betrekking op de
productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer in dezelfde installatie verscheidene,
onder dezelfde beschrijving vallende activiteiten met drempelwaarde, worden uitgeoefend, worden
de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld. Voor afvalbeheeractiviteiten is deze
berekeningsmethode van toepassing op de activiteitenniveaus 5.1 en 5.3, onder a) en b).
De Commissie stelt richtsnoeren vast over:
-
a)het verband tussen in deze bijlage beschreven afvalbeheeractiviteiten en die welke staan
beschreven in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2008/98/EG; en
-
b)de interpretatie van de term "industriële schaal" met betrekking tot de beschrijving van de
in deze bijlage beschreven activiteiten van de chemische industrie.
-
1.Energie-industrieën
1.1 Het stoken in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW
of meer
1.2. Het raffineren van aardolie en gas.
1.3. De productie van cokes
1.4. Het vergassen of vloeibaar maken van:
-
a)steenkool;
-
b)andere brandstoffen in installaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van
20 MW of meer.
-
2.Productie en verwerking van metalen
2.1. Het roosten of sinteren van ertsen, met inbegrip van zwavelhoudend erts.
2.2. De productie van ijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van
continugieten met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur.
2.3. De verwerking van ferrometalen door:
-
a)warmwalsen met een capaciteit van meer dan 20 ton ruwstaal per uur;
-
b)smeden met hamers met een slagarbeid van meer dan 50 kilojoule per hamer,
wanneer een thermisch vermogen van meer dan 20 MW wordt gebruikt;
-
c)het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal, met een verwerkingscapaciteit
van meer dan 2 ton ruwstaal per uur.
2.4. Het smelten van ferrometalen met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag.
2.5. De verwerking van non-ferrometalen:
-
a)de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire
grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procédés;
-
b)het smelten, met inbegrip van het legeren van non-ferrometalen, inclusief
terugwinningsproducten en het gieten van non-ferrometalen met een smeltcapaciteit
van meer dan 4 ton per dag voor lood en cadmium of 20 ton per dag voor alle andere
metalen.
2.6. Oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of
chemisch procédé, wanneer de inhoud van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30
m3 bedraagt.
-
3.Minerale industrie
3.1. De productie van cement, ongebluste kalk en magnesiumoxide:
-
a)productie van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer
dan 500 ton per dag, of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50
-
b)productie van ongebluste kalk in ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50
ton per dag;
-
c)productie van magnesiumoxide in ovens met een productiecapaciteit van meer dan
3.2. De winning van asbest of de fabricage van asbestproducten.
3.3. De fabricage van glas, met inbegrip van de fabricage van glasvezels, met een
smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.
3.4. Het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van de fabricage van mineraalvezels, met
een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.
3.5. Het fabriceren van keramische produkten door middel van verhitting, met name
dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein met een
productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag en/of met een ovencapaciteit van meer dan
4 m3 en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3.
-
4.Chemische industrie
Voor de doeleinden van dit deel wordt onder fabricage in de zin van de categorieën
activiteiten in dit deel verstaan de fabricage van de in 4.1 tot en met 4.6 genoemde stoffen
of groepen stoffen op industriële schaal door chemische of biologische omzetting.
4.1. De fabricage van organisch-chemische producten, zoals:
-
a)eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde,
alifatische of aromatische),
-
b)zuurstofhoudende koolwaterstoffen, zoals alcoholen, aldehyden, ketonen,
carbonzuren, esters en mengsels van esters, acetaten, ethers, peroxyden en
epoxyharsen,
-
c)zwavelhoudende koolwaterstoffen,
-
d)stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en
nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten, isocyanaten,
-
e)fosforhoudende koolwaterstoffen,
-
f)halogeenhoudende koolwaterstoffen,
-
g)organometaalverbindingen,
-
h)kunststof producten (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels),
-
i)synthetische rubber,
4.2. De fabricage van anorganisch-chemische producten,
zoals:
-
a)gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof,
kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide,
carbonylchloride,
-
b)zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur,
zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur,
-
c)basen, zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide, natriumhydroxide,
-
d)zouten, zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcarbonaat,
natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat,
-
e)niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals
calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide.
4.3. De fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of
samengestelde meststoffen).
4.4. De fabricage van producten voor gewasbescherming of van biociden.
4.5. De fabricage van farmaceutische producten met inbegrip van tussenproducten.
4.6. De fabricage van explosieven.
-
5.Afvalbeheer
5.1. De verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van
meer dan 10 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten:
-
a)biologische behandeling,
-
b)fysisch-chemische behandeling,
-
c)mengen of vermengen voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde
behandelingen,
-
d)herverpakking voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen,
-
e)terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen,
-
f)recycling/terugwinning van andere anorganische materialen dan metalen of
-
g)regeneratie van zuren of basen,
-
h)terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan;
-
i)terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren;
-
j)herraffinage van olie en ander hergebruik van olie;
-
k)opslag in waterbekkens.
5.2. De verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of
afvalmeeverbrandingsinstallaties voor:
-
a)ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur;
-
b)gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag.
5.3. a) De verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50
ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met
uitzondering van de activiteiten bedoeld in Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21
mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater1:
-
i)biologische behandeling,
-
iii)voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding,
-
iv)behandeling van slakken en assen,
-
v)behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte
elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen
daarvan.
-
b)Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van
ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel
van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die
onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen:
-
i)biologische behandeling;
-
ii)voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;
-
iii)behandeling van slakken en as;
-
iv)behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische
en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.
Indien de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaërobe vergisting, bedraagt de
maximale capaciteit voor deze activiteit 100 ton per dag.
5.4 Stortplaatsen, als gedefinieerd in artikel 2, onder g), van Richtlijn 1999/31/EG, die meer
dan 10 ton afval per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25000 ton
hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.
5.5 Tijdelijke opslag van niet onder punt 5.4. vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting
van een van de onder de punten 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen, met een totale
capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan
inzameling, op de plaats van productie.
5.6 Ondergrondse opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een totale capaciteit van meer dan
50 ton.
-
6.Andere activiteiten
6.1. De fabricage, in industriële installaties van:
-
a)papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen,
-
b)papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag.
-
c)een of meer van de volgende platen en panelen van hout: oriented strand board
(OSB), spaanplaat of vezelplaat met een productiecapaciteit van meer dan 600 m³ per
6.2. De voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van textiel vezels
of textiel met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.
6.3. Het looien van huiden met een verwerkingscapaciteit van meer dan 12 ton eindproducten
per dag.
6.4. a) De exploitatie van slachthuizen met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per
dag geslachte dieren;
-
b)De bewerking en verwerking behalve het uitsluitend verpakken, van de volgende
grondstoffen, al dan niet eerder bewerkt of onbewerkt, voor de fabricage van
levensmiddelen of voeder van:
-
i)uitsluitend dierlijke grondstoffen (andere dan uitsluitend melk) met een
productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag eindproducten,
-
ii)uitsluitend plantaardige grondstoffen met een productiecapaciteit van meer dan
300 ton per dag eindproducten of 600 ton per dag eindproducten indien de
installatie gedurende een periode van niet meer dan 90 opeenvolgende dagen in
om het even welk jaar in bedrijf is;,
-
iii)dierlijke en plantaardige grondstoffen, zowel in gecombineerde als in
afzonderlijke producten, met een productiecapaciteit in ton per dag van meer
dan:
-
-75 indien A gelijk is aan of hoger dan 10, of
-
-[300- (22,5 x A)] in alle andere gevallen,
waarin "A" het aandeel dierlijk materiaal is (in gewichtspercentage ) van de
productiecapaciteit in eindproducten.
De verpakking is niet inbegrepen in het eindgewicht van het product.
Deze onderafdeling is niet van toepassing wanneer de grondstof uitsluitend melk is.
350
a g)
300
e r
d
n p250
e ( t o200
r d
a a150
100
p el w
m50
D r
e
123456789101112
Dierlijke grondstoffen (% van productiecapaciteit in
eindproduct)
-
c)De bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen
melk van meer dan 200 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis).
6.5. De destructie of verwerking van kadavers of dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit
6.6 Intensieve pluimvee- of varkenshouderij:
-
a)met meer dan 40 000 plaatsen voor pluimvee;
-
b)met meer dan 2 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg), of
-
c)met meer dan 750 plaatsen voor zeugen.
6.7 De oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten met behulp van
organische oplosmiddelen, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen
van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren,
met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg organisch oplosmiddel per uur, of meer
dan 200 ton per jaar.
6.8 De fabricage van koolstof (harde gebrande steenkool) of elektrografiet door verbranding of
grafitisering.
6.9. Het afvangen van CO
2-stromen van onder deze richtlijn vallende installaties voor
geologische opslag overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG.
6.10 De conservering van hout en houtproducten met behulp van chemische stoffen met een
productiecapaciteit van meer dan 75 m3 per dag, met uitzondering van de behandeling die
uitsluitend gericht is op het voorkomen van sapvlekken.
6.11 Een niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 91/271/EEG vallende zelfstandig
geëxploiteerde behandeling van afvalwater dat door een onder hoofdstuk II vallende
BIJLAGE II
Lijst van verontreinigende stoffen
LUCHT
-
1.Zwaveloxide en andere zwavelverbindingen.
-
2.Stikstofoxiden en andere stikstofverbindingen.
-
3.Koolmonoxide.
-
4.Vluchtige organische stoffen.
-
5.Metalen en metaalverbindingen.
-
6.Stof met inbegrip van fijn stof.
-
7.Asbest (zwevende deeltjes en vezels).
-
8.Chloor en chloorverbindingen.
-
9.Fluor en fluorverbindingen.
-
12.Stoffen en mengsels waarvan is aangetoond dat zij via de lucht een kankerverwekkende,
mutagene of voor de voortplanting gevaarlijke werking hebben.
-
13.Polychloordibenzodioxine en polychloordibenzofuranen.
WATER
-
1.Organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit in water dergelijke verbindingen
kunnen ontstaan.
-
2.Organische fosforverbindingen.
-
3.Organische tinverbindingen.
-
4.Stoffen en mengsels waarvan is aangetoond dat zij in of via het water een
kankerverwekkende, mutagene of voor de voortplanting gevaarlijke werking hebben.
-
5.Persistente koolwaterstoffen en persistente en bio-accumuleerbare toxische organische
stoffen.
-
7.Metalen en metaalverbindingen.
-
8.Arseen en arseenverbindingen.
-
9.Biociden en producten voor gewasbescherming.
-
10.Stoffen in suspensie.
-
11.Stoffen die bijdragen tot eutrofiëring (met name nitraten en fosfaten).
-
12.Stoffen die een negatieve invloed hebben op de zuurstofbalans (en meetbaar zijn aan de
hand van parameters zoals BZV, CZV).
BIJLAGE III
Criteria voor de bepaling van de beste beschikbare technieken
-
1.de toepassing van technieken die weinig afval veroorzaken;
-
2.de toepassing van minder gevaarlijke stoffen;
-
3.de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en recycling van de
in het proces uitgestoten en gebruikte stoffen en van afval;
-
4.vergelijkbare processen, apparaten of exploitatiemethoden die met succes op industriële
schaal zijn beproefd;
-
5.de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;
-
7.de data van ingebruikneming van de nieuwe of bestaande installaties;
-
8.de tijd die nodig is voor het omschakelen op een betere beschikbare techniek;
-
9.het verbruik en de aard van de grondstoffen (met inbegrip van water) en de energie-
efficiëntie;
-
10.de noodzaak de gevolgen van de emissies en de risico"s voor het milieu te voorkomen of
tot een minimum te beperken;
-
11.de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te
beperken;
BIJLAGE IV
Publieke inspraak in de besluitvorming
-
1.Het publiek wordt (door openbare kennisgevingen of op een andere passende wijze) in een
vroeg stadium van de besluitvormingsprocedure, en uiterlijk zodra de informatie
redelijkerwijs kan worden verstrekt, in kennis gesteld van het volgende:
-
a)de aanvraag om een vergunning of, naar gelang van het geval, het voorstel tot
bijstelling van een vergunning of van vergunningsvoorwaarden overeenkomstig
artikel 21, met de in artikel 12, lid 1, genoemde gegevens;
-
b)indien van toepassing, het feit dat een besluit onderworpen is aan een nationale of
grensoverschrijdende milieueffectbeoordeling of aan overleg tussen lidstaten
overeenkomstig artikel 26;
-
c)nadere gegevens over de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de
besluitvorming, waarbij relevante informatie kan worden verkregen, waaraan
opmerkingen of vragen kunnen worden voorgelegd en nadere gegevens over de
termijnen voor het toezenden van opmerkingen of vragen;
-
e)indien van toepassing, nadere gegevens over een voorstel tot bijstelling van een
vergunning of van de vergunningsvoorwaarden;
-
f)tijd, plaats en wijze van verstrekking van de relevante informatie;
-
g)nadere gegevens over de overeenkomstig punt 5 getroffen regelingen voor inspraak
en raadpleging van het publiek.
-
2.De lidstaten zorgen ervoor dat het volgende binnen een redelijke termijn ter beschikking
van het betrokken publiek wordt gesteld:
-
a)in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste rapporten en
adviezen die aan de bevoegde autoriteit(en) zijn uitgebracht op het tijdstip waarop
het betrokken publiek wordt geïnformeerd in overeenstemming met punt 1;
-
b)overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG, andere informatie dan de in punt 1 bedoelde
die relevant is voor het besluit overeenkomstig artikel 5 van deze richtlijn en die pas
beschikbaar wordt nadat het betrokken publiek overeenkomstig punt 1 is
-
3.Het betrokken publiek heeft het recht opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de
bevoegde autoriteit voordat een besluit wordt genomen.
-
4.De resultaten van de raadplegingen uit hoofde van deze bijlage moeten naar behoren in
aanmerking worden genomen bij de besluitvorming.
-
5.De nadere regelingen voor het informeren van het publiek (bijvoorbeeld met
aanplakbiljetten binnen een bepaalde omtrek of publicatie in plaatselijke kranten) en de
raadpleging van het betrokken publiek (bijvoorbeeld schriftelijk of met een openbare
enquête) worden bepaald door de lidstaten. Er wordt voor de verschillende fasen in
redelijke termijnen voorzien, die toereikend zijn voor de voorlichting van het publiek en,
voor het betrokken publiek, voor doeltreffende voorbereiding op en inspraak in het
milieubesluitvormingsproces overeenkomstig deze bijlage.
BIJLAGE V
Technische bepalingen inzake stookinstallaties
Deel 1
Emissiegrenswaarden voor de in artikel 30, lid 2, bedoelde stookinstallaties
-
1.Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk
van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de rookgassen en bij een
gestandaardiseerd O
2-gehalte van 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor stookinstallaties,
met uitzondering van gasturbines en gasmotoren die vloeibare en gasvormige brandstoffen
gebruiken en 15% voor gasturbines en gasmotoren.
-
2.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO
2 voor stookinstallaties die vaste of vloeibare
brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren.
Totaal nominaal thermisch vermogen (MW) Steenkool en bruinkool Biomassa Turf Vloeibare brandstoffen
en
andere vaste brandstoffen
50-100 400 200 300 350
100-300 250 200 300 250
> 300 200 200 200 200
Voor stookinstallaties die vaste brandstoffen gebruiken waarvoor vóór 27 november 2002
vergunning is verleend of waarvoor de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag
voor een vergunning heeft ingediend, mits de installatie uiterlijk 27 november 2003 in
gebruik is genomen, en die niet meer dan 1500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn
(voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar) geldt een SO
2-emissiegrens-
Voor stookinstallaties die vloeibare brandstoffen gebruiken waarvoor vóór
27 november 2002 vergunning is verleend of waarvoor de exploitant vóór die datum een
volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, mits de installatie uiterlijk
27 november 2003 in gebruik is genomen, en die niet meer dan 1500 bedrijfsuur per jaar in
bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een SO
2-
emissiegrenswaarde van 850 mg/Nm3 in het geval van installaties met een totaal nominaal
thermisch vermogen van maximaal 300 MW en van 400 mg/Nm3 in het geval van
installaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van meer dan 300 MW.
Delen van een stookinstallatie waarvan de rookgassen via een of meer afzonderlijke
rookgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet
meer dan bedrijfsuur 1500 per jaar in bedrijf zijn (als voortschrijdend gemiddelde over een
periode van vijf jaar), kunnen worden onderworpen aan de in de twee vorige alinea's
vastgestelde emissiegrenswaarden in verhouding tot het totaal nominaal thermisch
vermogen van de gehele stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via de betrokken
rookgaskanalen uitgestoten emissies apart gecontroleerd.
-
3.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO
2 voor stookinstallaties die gasvormige
brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren.
In het algemeen 35
Vloeibaar gemaakt gas 5
Gassen met lage calorische waarde, uit cokesovens 400
Gassen met lage calorische waarde uit hoogovens 200
Voor stookinstallaties die gassen met lage calorische waarde gebruiken, verkregen door
vergassing van raffinaderijresiduen, waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is
verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een
vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003
operationeel was, geldt een SO
2-emissiegrenswaarde van 800 mg/Nm3.
-
4.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NO
x voor stookinstallaties die vaste of vloeibare
brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
Totaal nominaal Steenkool en Biomassa en turf Vloeibare
thermisch bruinkool en brandstoffen
vermogen (MW) andere vaste
brandstoffen
50-100 300 300 450
450 bij
verbranding van
poederbruinkool
100-300 200 250 200 (1)
> 300 200 200 150 (1)
Opmerking
(1) Voor stookinstallaties die distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie zelf verbruiken, met een totaal nominaal thermisch vermogen van ten hoogste 500 MWth, en waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, geldt een emissiegrenswaarde van 450 mg/Nm
3, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was.
Voor stookinstallaties in chemische installaties die zelf vloeibare productieresiduen als
niet-commerciële brandstof verbruiken, met een nominaal thermisch vermogen van niet
meer dan 500 MWth, waarvoor vóór 27 november 2002 een vergunning is verleend of
waarvan de exploitant vóór die datum een volledige vergunningaanvraag heeft ingediend,
Voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken met een totaal
nominaal thermisch vermogen van niet meer dan 500 MW waarvoor vóór 27 november
2002 vergunning is verleend of die vóór die datum een volledige aanvraag voor een
vergunning hebben ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003
operationeel was, en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als
voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een emissiegrenswaarde
voor NO
x van 450 mg/Nm3.
Voor stookinstallaties die vaste brandstoffen gebruiken met een totaal nominaal thermisch
vermogen van meer dan 500 MW waarvoor vóór 1 juli 1987 vergunning is verleend en die
niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over
een periode van vijf jaar), geldt een emissiegrenswaarde voor NO
x van 450 mg/Nm3.
Voor stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen groter dan 500 MW
die vloeibare brandstoffen gebruiken, waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is
verleend of waarvan de exploitanten vóór die datum een volledige aanvraag voor een
vergunning hebben ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003
operationeel was, en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als
voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een NO
x-emissiegrens-
Delen van een stookinstallatie waarvan de rookgassen via één of meer afzonderlijke
rookgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet
meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een
periode van vijf jaar, kunnen aan de in de drie voorgaande alinea's genoemde emissiegrens-
waarden worden onderworpen voor het totale nominale thermisch vermogen van de
volledige stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via elk betrokken rookgaskanaal
uitgestoten emissies apart gecontroleerd.
-
5.Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) die als vloeibare brandstof lichte of halfzware
distillaten gebruiken, geldt een NO
x-emissiegrenswaarde van 90 mg/Nm3 en een CO2-
emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3.
De in dit punt genoemde emissiegrenswaarden gelden niet voor gasturbines die, voor
noodgevallen, minder dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke
installaties registreert de gepresteerde bedrijfsuren.
-
6.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NO
x en CO voor met gas gestookte installaties
NO
x CO
Met gas gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren 100 100
Met hoogovengas, cokesovengas of gassen met lage calorische waarde verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren 200 (4) -
Met andere gassen gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren 200 (4) -
Gasturbines (met inbegrip van STEG) die met aardgas worden gestookt50(2)(3) 100
(1)
Gasturbines (met inbegrip van STEG) die met andere gassen worden gestookt120 -
(4)
Opmerkingen:
-
1)Onder aardgas wordt verstaan in de natuur voorkomend methaan met maximaal 20% (v/v) inerte en andere bestanddelen.
-
2)75 mg/Nm3 in de volgende gevallen, waarin het rendement van de gasturbine vastgesteld wordt in ISO-
basisbelastingsomstandigheden:
-
i)gasturbines die in een systeem met warmtekrachtkoppeling worden gebruikt met een totaal rendement van meer
dan 75%;
-
ii)gasturbines die in een warmtekrachtcentrale worden gebruikt met een gemiddeld jaarlijks totaal
elektriciteitsrendement van meer dan 55%;
-
iii)gasturbines voor mechanische aandrijving.
-
3)Voor single-cyclus gasturbines die niet onder een van de in opmerking 2) genoemde categorieën vallen, maar een
rendement hebben dat hoger is dan 35% (bepaald in ISO-basisbelastingsomstandigheden), wordt de emissiegrenswaarde
voor NO
x vastgesteld op 50x/35, waarbij het in ISO-basisbelastingsomstandigheden, in procenten uitgedrukte
rendement van de gasturbine is.
-
4)300 mg/Nm3 voor stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van niet meer dan 500 MW waarvoor
vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een
vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was.
Voor gasturbines (met inbegrip van STEG), zijn de in de tabel in dit punt vermelde NO
x-
en CO-emissiegrenswaarden slechts van toepassing bij een belading van meer dan 70%.
Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning
is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een
vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003
operationeel was, en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als
voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een NO
x-
emissiegrenswaarde van 150 mg/Nm3 in het geval van met aardgas gestookte turbines en
van 200 mg/Nm3 in het geval van met andere gassen of met vloeibare brandstoffen
gestookte turbines.
Delen van een stookinstallatie waarvan de rookgassen via één of meer afzonderlijke
rookgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet
meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een
periode van vijf jaar, kunnen aan de in de voorgaande alinea genoemde
emissiegrenswaarden worden onderworpen voor het totale nominale thermisch vermogen
van de volledige stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via elk betrokken
rookgaskanaal uitgestoten emissies apart gecontroleerd.
De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing op gasturbines en
gasmotoren die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De
exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf
-
7.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die vaste of vloeibare
brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
Totaal nominaal Steenkool en bruinkool Biomassa en turf Vloeibare brandstoffen1
thermisch vermogen en andere vaste
(MW) brandstoffen
50-100 30 30 30
100-300 25 20 25
> 300 20 20 20
Opmerking
(1) Voor stookinstallaties die distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie zelf verbruiken en, waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 50 mg/Nm
3, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november
2003 operationeel was.
-
8.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die gasvormige
brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
Algemeen 5
Hoogovengas 10
Door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt 30
Deel 2
Emissiegrenswaarden voor de in artikel 30, lid 3, bedoelde stookinstallaties
-
1.Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk
van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de rookgassen en bij een
gestandaardiseerd O2-gehalte van 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor stookinstallaties,
met uitzondering van gasturbines en gasmotoren, die vloeibare en gasvormige brandstoffen
gebruiken en 15% voor gasturbines en gasmotoren.
Voor gecombineerde-cyclus gasturbines met aanvullende verbranding, kan het
gestandaardiseerde CO
2-gehalte door de bevoegde autoriteit worden gedefinieerd met
inachtneming van de bijzondere kenmerken van de betrokken installatie.
-
2.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO
2 voor stookinstallaties die vaste of vloeibare
brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
Totaal nominaal Steenkool en Biomassa Turf Vloeibare
thermisch bruinkool en brandstoffen
vermogen (MW) andere vaste
brandstoffen
50-100 400 200 300 350
100-300 200 200 300 200
250 bij
wervelbedver-
branding
> 300 150 150 150 150
200 bij 200 bij
circulerende wervelbedverbra
wervelbedver-nding
branding of
wervelbedver-
branding
onder druk
-
3.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO
2 voor stookinstallaties die gasvormige
brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
Algemeen 35
Vloeibaar gemaakt gas 5
Gassen met lage calorische waarde uit cokesovens 400
-
4.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NO
x voor stookinstallaties die vaste of vloeibare
brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren.
Totaal nominaal Steenkool en Biomassa en turf Vloeibare
thermisch vermogen bruinkool en andere brandstoffen
(MW) vaste brandstoffen
50-100 300 250 300
400 bij verbranding
van poederbruinkool
100-300 200 200 150
> 300 150 150 100
200 bij verbranding
van poederbruinkool
-
5.Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) die als vloeibare brandstof lichte of halfzware
distillaten gebruiken, geldt een NO
x-emissiegrenswaarde van 50 mg/Nm3 en een CO-
emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3.
De in dit punt genoemde emissiegrenswaarden gelden niet voor gasturbines die, voor
noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van
dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf zijn.
-
6.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NO
x en CO voor met gas gestookte installaties
NO
x CO
Stookinstallaties, andere dan 100 100
gasturbines en gasmotoren
Gasturbines (met inbegrip 50 (1) 100
van STEG)
Gasmotoren 75 100
Opmerkingen
(1) Voor single-cyclus gasturbines die een rendement hebben dat hoger is dan 35% (bepaald in ISO-
basisbelastingsomstandigheden), is de emissiegrenswaarde voor NO
x 50x*/35, waarbij het in procenten
uitgedrukte rendement van de gasturbine is, in ISO-basisbelastingsomstandigheden.
Voor gasturbines (met inbegrip van STEG), zijn de in de tabel in dit punt vermelde
NO
x- en CO-emissiegrenswaarden slechts van toepassing bij een belading van meer
dan 70%.
De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing op gasturbines
en gasmotoren die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf
zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke
-
7.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die vaste of vloeibare
brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
Totaal nominaal thermisch vermogen (MWth)
50- 300 20
> 300 10
20 voor biomassa en turf
-
8.Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die gasvormige
brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
Algemeen 5
Hoogovengas 10
Door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan 30
Deel 3
Monitoring van emissies
-
1.De concentratie zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof in rookgassen van elke
stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van 100 MW of meer wordt
continu gemeten.
De concentratie koolmonoxide in rookgassen van met gasvormige brandstoffen gestookte
installaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van 100 MW of meer wordt
continu gemeten.
-
2.De bevoegde autoriteit kan besluiten de in punt 1 bedoelde continumetingen niet te eisen in
de volgende gevallen:
-
a)voor stookinstallaties met een levensduur van minder dan 10.000 bedrijfsuren;
-
b)voor zwaveldioxide en stof van installaties die met aardgas worden gestookt,
-
c)voor zwaveldioxide van installaties die gestookt worden met olie waarvan het
zwavelgehalte bekend is, ingeval er geen uitrusting voor de ontzwaveling van
rookgas is,
-
d)voor zwaveldioxide van met biomassa gestookte installaties wanneer de exploitant
kan aantonen dat de SO
2-emissies in geen geval hoger zijn dan de voorgeschreven
-
3.Indien geen continumetingen voorgeschreven zijn, moeten ten minste om de zes maanden
metingen van zwaveldioxide, stikstofoxiden, stof en, voor met gas gestookte installaties,
ook van koolmonoxide plaatsvinden.
-
4.Voor met steenkool of bruinkool gestookte installaties moet de totale kwikuitstoot ten
minste een maal per jaar worden gemeten.
-
5.Als alternatief op de in punt 3 bedoelde metingen van zwaveldioxide en stikstofdioxiden
kunnen andere, door de bevoegde autoriteit te controleren en goed te keuren methoden
worden gebruikt om de in de emissies aanwezige hoeveelheid zwaveldioxide en
stikstofdioxiden vast te stellen. Daarbij worden de betrokken normen van de Europese
Commissie voor Normalisatie (CEN) gebruikt of, indien er geen CEN-normen bestaan, de
ISO-normen, dan wel nationale of internationale normen die gegevens van een
gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.
-
6.Bij beduidende veranderingen in de gebruikte brandstof of de wijze van functioneren van
de stookinstallatie moet de bevoegde autoriteit daarvan in kennis worden gesteld. De
bevoegde autoriteit beslist of de in de punten 1 tot en met 4 opgenomen bepalingen inzake
monitoring toereikend zijn dan wel aangepast dienen te worden.
-
7.Tot de overeenkomstig punt 1 uitgevoerde continumetingen behoort de meting van
zuurstofgehalte, temperatuur, druk en waterdampgehalte van de rookgassen. Het
waterdampgehalte van de rook gassen behoeft niet continu te worden gemeten, mits het
monster van het rook gas gedroogd wordt voordat de emissies geanalyseerd worden.
-
8.Steekproeven en analyses van de betrokken verontreinigende stoffen en metingen van
procesparameters alsmede de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de
referentiemeetmethoden om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd overeenkomstig de
CEN-normen. Indien er geen CEN-normen bestaan, moeten ISO-normen, nationale
normen of andere internationale normen worden toegepast die gegevens van een
gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.
De geautomatiseerde meetsystemen worden tenminste eenmaal per jaar met behulp van
parallelmetingen met de referentiemethoden gecontroleerd.
De exploitant stelt de bevoegde autoriteit in kennis van de resultaten van de controle van
de geautomatiseerde meet systemen.
-
9.Op het niveau van de emissiegrenswaarde mogen de waarden van de 95%-
betrouwbaarheidsintervallen van individuele metingen de volgende percentages van de
emissiegrenswaarden niet overschrijden:
Koolmonoxide 10%
Zwaveldioxide 20%
Stikstofoxiden 20%
-
10.De gevalideerde uur- en daggemiddelden worden vastgesteld op grond van de gevalideerde
gemeten uurgemiddelden, na aftrek van de waarde van de in punt 9 vermelde
betrouwbaarheidsinterval.
Een dag waarvan meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn wegens storing of
onderhoud van het geautomatiseerde meetsysteem, wordt ongeldig verklaard. Indien
daardoor meer dan tien dagen per jaar ongeldig worden verklaard, verplicht de bevoegde
autoriteit de exploitant passende maatregelen te treffen om de betrouwbaarheid van het
geautomatiseerde meet systeem te verbeteren.
-
11.In het geval van installaties die aan de in artikel 31 genoemde ontzwavelingspercentages
moeten voldoen, wordt ook het zwavelgehalte van de in de installatie gestookte brandstof
eveneens regelmatig gecontroleerd. Bij wezenlijke veranderingen in de gebruikte brandstof
worden de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis gesteld.
Deel 4
Beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden
-
1.Bij continumetingen worden de in de delen 1 en 2 bedoelde emissiegrenswaarden geacht te
zijn nageleefd, indien uit de evaluatie van de meetresultaten voor de bedrijfsduur tijdens
een kalenderjaar blijkt dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
-
a)geen gevalideerd maandgemiddelde is hoger dan de in de delen 1 en 2 vermelde
toepasselijke emissiegrenswaarden;
-
b)geen gevalideerd daggemiddelde is hoger dan 110% van de in de delen 1 en 2
vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden;
-
c)voor stookinstallaties die uitsluitend uit met steenkool gestookte ketels bestaan met
een totaal nominaal thermisch vermogen van minder dan 50 MW, is geen
gevalideerd daggemiddelde hoger dan 150% van de in de delen 1 en 2 vermelde
toepasselijke emissiegrenswaarden;
-
d)95% van alle gevalideerde uurgemiddelden in één jaar is niet hoger dan 200% van de
in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden.
De "gevalideerde gemiddelden" worden bepaald overeenkomstig deel 3, punt 10.
Voor de berekening van de gemiddelde emissiewaarden, worden de waarden die zijn
gemeten tijdens de in artikel 30, leden 5 en 6, en artikel 37 bedoelde periodes en de
periodes van opstarten en stilleggen, buiten beschouwing gelaten.
-
2.Indien continumetingen niet zijn vereist, worden de in de delen 1 en 2 bedoelde
emissiegrenswaarden geacht te zijn nageleefd, indien de resultaten van alle meetcycli of
van andere procedures die overeenkomstig de door de bevoegde autoriteiten vastgelegde
regels zijn bepaald en vastgesteld, de emissiegrenswaarden niet overschrijden.
Deel 5
Minimaal ontzwavelingspercentage
-
1.Minimaal ontzwavelingspercentage voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 2
Totaal nominaal Minimaal ontzwavelingspercentage
thermisch vermogen (mw)
Installaties waarvoor vóór 27 november 2002 Overige installaties
vergunning is verleend of waarvan de
exploitant vóór die datum een volledige
aanvraag voor een vergunning heeft
ingediend, op voorwaarde dat de installatie
uiterlijk 27 november 2003 operationeel was
50-100 80% 92%
100-300 90% 92%
> 300 96% 96%
Opmerking
(1) Voor stookinstallaties waarin olieschalie wordt gestookt, bedraagt het minimale ontzwavelingspercentage 95%.
-
2.Minimaal ontzwavelingspercentage voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 3
Totaal nominaal thermisch Minimaal ontzwavelingspercentage
Deel 6
Naleving van het ontzwavelingspercentage
De in deel 5 van deze bijlage genoemde ontzwavelingspercentages gelden als gemiddelde
maandelijkse grenswaarde.
Deel 7
Gemiddelde emissiegrenswaarden voor gemengde stookinstallaties
Gemiddelde SO
2-emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor gemengde stookinstallaties in een
raffinaderij, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren, die distillatie- en omzettingsresiduen
afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen,
zelf verbruiken:
-
a)voor stookinstallaties waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan
de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend,
op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was: 1000
mg/Nm3;
-
b)voor overige stookinstallaties: 600 mg/Nm3.
Deze emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3
kPa en na aftrek van het waterdampgehalte van de afvalgassen, en bij een genormaliseerde O
2-
inhoud van 6% voor vaste brandstoffen en van 3% voor vloeibare of gasvormige brandstoffen.
BIJLAGE VI
Technische bepalingen inzake afvalverbrandingsinstallaties
en afvalmeeverbrandingsinstallaties
Deel 1
Definities
In deze bijlage gelden de volgende definities:
-
a)bestaande afval verbrandingsinstallatie: een van de volgende afvalverbrandings die:
-
i)vóór 28 december 2002 in werking was is en over een vergunning beschikt beschikte
overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de Unie;
-
ii)toestemming had of geregistreerd is voor afvalverbranding en over een vergunning
beschikte die was afgegeven vóór 28 december 2002 overeenkomstig de
toepasselijke wetgeving van de Unie, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 28
december 2003 operationeel was;
-
iii)naar het oordeel van de bevoegde autoriteit vóór 28 december 2002 volwaardig
kandidaat was voor een vergunning, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 28
december 2004 operationeel was;
Deel 2
Equivalentiefactoren voor dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen
Voor de bepaling van de totale concentratie dioxines en furanen, worden de massaconcentraties van de volgende dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen vermenigvuldigd met de volgende equivalentiefactoren voordat ze bij elkaar worden opgeteld: Toxische equivalentiefactor
2,3,7,8 -- tetrachloordibenzodioxine (TCDD) 1
1,2,3,7,8 -- pentachloordibenzodioxine (PeCDD) 0,5
1,2,3,4,7,8 -- hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1
1,2,3,6,7,8 -- hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1
1,2,3,7,8,9 -- hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1
1,2,3,4,6,7,8 -- heptachloordibenzodioxine (HpCDD) 0,01
Octachloordibenzodioxine (OCDD) 0,001
2,3,7,8 -- tetrachloordibenzofuraan (TCDF) 0,1
2,3,4,7,8 -- pentachloordibenzofuraan (PeCDF) 0,5
1,2,3,7,8 -- pentachloordibenzofuraan (PeCDF) 0,05
1,2,3,4,7,8 -- hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1
1,2,3,6,7,8 -- hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1
1,2,3,7,8,9 -- hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1
Deel 3
Grenswaarden voor emissies naar de lucht voor afvalverbrandingsinstallaties
-
1.Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk
van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de rookgassen.
Zij worden gestandaardiseerd op 11% zuurstof in rookgas, behalve bij verbranding van
afgewerkte minerale olie zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2008/98/EG,
die wordt gestandaardiseerd op 3% zuurstof, en in de in deel 6, punt 2.7 bedoelde gevallen.
1.1. Gemiddelde dagelijkse emissiegrens waarden voor de volgende verontreinigende stoffen
(mg/Nm³)
Totaal stof 10
Gasvormige organische stoffen, uitgedrukt in totale organische koolstof (TOC) 10
Waterstofchloride (HCl) 10
Waterstoffluoride (HF) 1
Zwaveldioxide (SO
-
2)50
Stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO
2), uitgedrukt in NO
2 200
voor bestaande afval verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton per uur of nieuwe afval verbrandingsinstallaties
1.2. Gemiddelde halfuurlijkse emissiegrenswaarden voor de volgende verontreinigende stoffen
(mg/Nm³)
(100%) A (97%) B
Totaal stof 30 10
Gas- en dampvormige organische stoffen, uitgedrukt in totale organische koolstof (TOC) 20 10
Waterstofchloride (HCl) 60 10
Waterstoffluoride (HF) 4 2
Zwaveldioxide (SO
-
2)200 50
Stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO
2), 400 200
uitgedrukt in NO
2 voor bestaande afvalverbrandings-
installaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton per uur of nieuwe afval verbrandingsinstallaties
1.3 Gemiddelde emissiegrenswaarden (mg/Nm³) voor de volgende zware metalen over een
bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal acht uur
Cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt in cadmium (Cd) Totaal: 0,05
Thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt in thallium (Tl)
Kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt in kwik (Hg) 0,05
Antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt in antimoon (As) Totaal: 0,5 mg
Arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt in arseen
(As)
Lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb)
Chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt in chroom (Cr)
Kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt
(Co)
Koper en koperverbindingen, uitgedrukt in koper
(Cu)
Mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt in mangaan (Mn)
Nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt in nikkel (Ni)
1.4. Gemiddelde emissiegrenswaarden (mg/Nm³) voor dioxines en furanen over een
bemonsteringsperiode van minimaal zes en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde
heeft betrekking op de totale concentratie dioxinen en furanen, berekend overeenkomstig
deel 2.
Dioxines en furanen 0,1
1.5. De emissiegrenswaarden (mg/Nm³) voor koolmonoxide (CO) in de rookgassen:
-
a)een daggemiddelde van 50;
-
b)een halfuurgemiddelde van 100
-
c)een 10-minutengemiddelde van 150.
De bevoegde autoriteit kan vrijstelling verlenen van de in dit punt vermelde
emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties die de wervelbedtechnologie
gebruiken, mits in de vergunning een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide (CO) van
niet meer dan 100 mg/Nm3 als uurgemiddelde is bepaald.
-
2.Emissiegrenswaarden die van toepassing zijn in de in artikel 46, lid 6, en artikel 47
vermelde omstandigheden.
De totale stof concentratie van de emissies in de atmosfeer van een afval
verbrandingsinstallatie overschrijdt onder geen enkele voorwaarde een halfuurgemiddelde
Deel 4
Bepaling van de grenswaarden voor emissies naar de lucht in geval
van meeverbranding van afval
-
1.Wanneer een specifieke totale emissiegrenswaarde"C" niet in een tabel in dit deel is
opgenomen, moet de volgende formule (mengregel) worden toegepast.
De emissie grenswaarde voor elke relevante verontreinigende stof en voor CO in het
rookgas dat ontstaat bij de meeverbranding van afvalstoffen wordt als volgt berekend:
V
afval : Het volume rookgas uitsluitend ten gevolge van de verbranding van afvalstoffen, bepaald op basis van de in de vergunning gespecificeerde afvalstof met de laagste calorische waarde en herleid tot de in deze richtlijn vastgestelde condities.
Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10% bedraagt van de totale in de installatie vrijkomende warmte, moet V
afval worden berekend op basis van een
(theoretische) hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij een vastgestelde totale vrijkomende warmte, 10% van de vrijkomende warmte zou opleveren.
C
afvalstoffen : De emissiegrenswaarde voor de in deel 3 vermelde afval verbrandingsinstallaties
C
proces : De emissiegrenswaarde die in dit deel voor bepaalde industriële activiteiten is vastgesteld, of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de emissiegrenswaarde voor verbrandingsinstallaties die aan de voor die installaties geldende wettelijke en bestuursrechtelijke nationale bepalingen voldoen, wanneer daarin de normaal toegestane brandstoffen (geen afvalstoffen) worden gestookt. Bij ontbreken van dergelijke bepalingen wordt de in de vergunning vermelde emissiegrenswaarde gebruikt. Indien in de vergunning geen grenswaarde wordt vermeld, wordt de werkelijke massaconcentratie gebruikt.
C : De totale emissiegrenswaarde bij een zuurstofgehalte dat in dit deel voor bepaalde industriële activiteiten en bepaalde verontreinigende stoffen is vastgesteld, of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de totale emissiegrenswaarde die de in specifieke bijlagen bij deze richtlijn genoemde emissiegrenswaarde vervangt. Het totale zuurstofgehalte dat het zuurstofgehalte voor de herleiding vervangt, wordt berekend op basis van bovenstaand gehalte, rekening houdend met de partiële volumes.
Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de rookgassen.
De lidstaten kunnen regels stellen voor de vrijstellingen waarin dit deel voorziet.
-
2.Bijzondere voorschriften voor grote cementovens waarin afval wordt meeverbrand
2.1. De in de punten 2.2 en 2.3 vastgestelde emissiegrenswaarden gelden als totale
daggemiddelden voor stof, HCl, HF, NO
x, SO
2 en TOC (voor continumetingen), als
gemiddelden gedurende de bemonsteringsperiode van minimum 30 minuten en maximum
2.2. C - Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm3 behalve voor dioxinen en furanen) voor de
volgende verontreinigende stoffen
Verontreinigende stof C
Totaal stof 30
HCl 10
HF 1
NO
x 5001
Cd + Tl 0,05
Hg 0,05
Sb + As + Pb + Cr + Co + Cu + Mn + Ni + V 0,5
Dioxinen en furanen (ng/Nm³) 0,1
2.3. C -Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm³) voor SO
2 en TOC
Verontreinigende stof C
SO
2 50
TOC 10
De bevoegde instantie mag voor de in dit punt vastgestelde emissiegrenswaarden
vrijstellingen toekennen ingeval de TOC en SO
2.4. C - Totale emissiegrenswaarden voor CO
De bevoegde autoriteiten mogen emissiegrenswaarden voor CO vaststellen.
-
3.Bijzondere voorschriften voor stookinstallaties waarin afval wordt meeverbrand
3.1. Als daggemiddelde uitgedrukt Cproc (mg/Nm³); geldig tot de in artikel 82, lid 5, genoemde
datum.
Het totaal nominaal thermisch vermogen van een stookinstallatie wordt bepaald aan de
hand van de in artikel 29 vastgestelde samentellingsregels.
Halfuurgemiddelden zijn enkel nodig voor de berekening van de daggemiddelden.
C
proc voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O2-gehalte 6%)
Verontreinigende < 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 > 300 MWth
stof MWth
SO
2 - 850 200 200
NO
x - 400 200 200
C
proc voor biomassa (O
2-gehalte 6%):
Veront-< 50 MWth 50 tot 100 100 tot 300 > 300 MWth
reinigende stof MWth MWth
SO
2 - 200 200 200
NO
x - 350 300 200
Stof 50 50 30 30
C
proc voor vloeibare brandstoffen (O
2-gehalte 3%):
Veront-< 50 50 tot 100 100 tot 300 MWth > 300
reinigende MWth MWth MWth
stof
SO
2 - 850 400 tot 200 200
(lineaire afname in bereik 100 tot 300 MWth)
NO
x - 400 200 200
Stof 50 50 30 30
3.2. Als daggemiddelde uitgedrukt Cproc (mg/Nm³), geldig vanaf de in artikel 82, lid 6,
genoemde datum
Het totaal nominaal thermisch vermogen van een stookinstallatie wordt bepaald aan de
hand van de in artikel 29 vastgestelde samentellingsregels. Halfuurgemiddelden zijn enkel
3.2.1 C
proces voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 2, met uitzondering van gasturbines
en gasmotoren
C
proces voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O
2-gehalte 6%)
Verontrei-< 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
nigende stof
SO
2 - 400 200 200
voor turf: 300
NO
x - 300 200 200
bruinkoolstof:
400
Stof 50 30 25 20
voor turf: 20
C
proc voor biomassa (O
2-gehalte 6%):
Veront-< 50 MWth 50 tot 100 MWth 100 tot 300 > 300 MWth
reinigende stof MWth
SO
2 - 200 200 200
NO
x - 300 250 200
C
proc voor vloeibare brandstoffen (O
2-gehalte 3%):
Veront-< 50 MWth 50 tot 100 100 tot 300 MWth > 300 MWth
reinigende stof MWth
SO
2 - 350 250 200
NO
x - 400 200 150
Stof 50 30 25 20
3.2.2 C
proc voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 3, met uitzondering van gasturbines
en gasmotoren
C
proc voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O
2-gehalte 6%)
Veront-< 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 > 300 MWth
reinigende MWth
stof
SO
2 - 400 200 150
voor turf: 300 voor turf: 300, bij circulerende
behalve bij wervelbedverbranding of
wervelbed-wervelbedverbranding
verbranding: 250 onder druk of, bij
turfverbranding, voor alle
vormen van
wervelbedverbranding: 200
NO
C
proc voor biomassa (O
2-gehalte 6%):
Veront-< 50 MWth 50 tot 100 100 tot 300 > 300 MWth
reinigende MWth MWth
stof
SO
2 - 200 200 150
NO
x - 250 200 150
Stof 50 20 20 20
C
proc voor vloeibare brandstoffen (O
2-gehalte 3%):
Veront-< 50 50 tot 100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
reinigende MWth
stof
SO
2 - 350 200 150
NO
x - 300 150 100
3.3. C - Totale emissiegrenswaarden voor zware metalen (mg/Nm3) uitgedrukt in gemiddelden
berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal 8 uur
(O2-gehalte 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor vloeibare brandstoffen).
Verontreinigende stof C
Cd + Tl 0,05
Hg 0,05
Sb + As + Pb + Cr + Co + Cu + Mn + Ni + V 0,5
3.4. C - Totale emissiegrenswaarde (ng/Nm3) voor dioxinen en furanen uitgedrukt in
gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal
acht uur (O2-gehalte 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor vloeibare brandstoffen).
Verontreinigende stof C
Dioxinen en furanen 0,1
-
4.Bijzondere voorschriften voor meeverbrandingsafvalinstallaties in industriële sectoren die
niet onder de punten 2 en 3 van dit deel vallen.
4.1. C - Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor dioxinen en furanen uitgedrukt in
gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 6 uur en maximaal 8
uur:
Verontreinigende stof C
Dioxinen en furanen 0,1
4.2. C - Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm3) zware metalen uitgedrukt in gemiddelden
berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal 8 uur:
Verontreinigende stof C
Cd + Tl 0,05
Deel 5
Emissiegrenswaarden voor lozingen van afvalwater van de reiniging van rookgassen
Verontreinigende stof Emissiegrenswaarden voor niet-
gefiltreerde monsters (mg/l behalve
voor dioxinen en furanen)
-
1.Totale hoeveelheid zwevende deeltjes als omschreven in bijlage I van Richtlijn 91/271/EEG (95%) (100%)
30 45
-
2.Kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik
(Hg) 0,03
-
3.Cadmium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als cadmium (Cd) 0,05
-
4.Thallium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als thallium (Tl) 0,05
-
5.Arseen en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als arseen (As) 0,15
-
6.Lood en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als lood (Pb) 0,2
-
7.Chroom en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als chroom (Cr) 0,5
Deel 6
Emissiemonitoring
-
1.Meettechnieken
1.1. Metingen ter bepaling van de concentratie van lucht- en waterverontreinigende stoffen
moeten representatief zijn.
1.2. De bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen, met inbegrip van dioxinen
en furanen, de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen, evenals de
referentiemetingen ter ijking daarvan, moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de
CEN/ISO-normen. Indien er geen CEN-normen bestaan, moeten ISO-normen, nationale
normen of andere internationale normen worden toegepast die waarborgen dat gegevens
van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt. Geautomatiseerde
meetsystemen worden tenminste eenmaal per jaar aan de hand van parallelmetingen met de
referentiemethoden gecontroleerd.
1.3. De waarden van de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van individuele metingen, bepaald
bij de grenswaarden voor de dagelijkse emissie, mogen de volgende percentages van de
emissiegrenswaarden niet overschrijden:
Koolmonoxide 10%
Zwaveldioxide 20%
Stikstofdioxide 20%
Totaal stof 30%
Totale hoeveelheid organische koolstof 30%
Waterstofchloride 40%
Waterstoffluoride 40%.
De periodieke metingen van de emissies in de atmosfeer en het water worden uitgevoerd
overeenkomstig de punten 1.1 en 1.2.
-
2.Meting van luchtverontreinigende stoffen
2.1. Wat verontreinigende stoffen in de lucht betreft worden de volgende metingen verricht:
-
a)continumetingen van de volgende stoffen: NO
x, mits daarvoor emissiegrenswaarden
zijn vastgesteld, CO, totale hoeveelheid stof, TOC, HCl, HF en SO
-
b)continumetingen van de volgende procesparameters: temperatuur dichtbij de
binnenwand of op een door de bevoegde autoriteit toegestaan ander representatief
punt van de verbrandingskamer, zuurstofconcentratie, druk, temperatuur en
waterdampgehalte van het rookgas;
-
c)ten minste twee metingen per jaar van zware metalen, dioxinen en furanen;
gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden dient evenwel ten minste
om de drie maanden een meting te worden verricht.
2.2. De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de rookgassen worden
op passende wijze gecontroleerd, en wel ten minste één keer wanneer de afval
verbrandings- of -meeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld alsmede onder de
meest ongunstige bedrijfsomstandigheden.
2.3. Continumeting van HF mag achterwege blijven indien voor HCl behandelingsstappen
worden gevolgd die waarborgen dat de emissiegrenswaarde voor HCl niet wordt
overschreden. In dat geval worden de emissies van HF periodiek gemeten zoals bepaald in
punt 2.1, onder c).
2.4. Continumeting van het waterdampgehalte is niet nodig indien de als monster gebruikte
rookgassen worden gedroogd alvorens de emissies worden geanalyseerd.
2.5. De bevoegde autoriteit kan oordelen dat in afval verbrandings- of -
meeverbrandingsinstallaties geen continumetingen van HCl, HF en SO
2 dienen te worden
uitgevoerd, maar wel periodieke metingen als bepaald in lid 2, onder c), of dat geen
metingen moeten worden verricht indien de exploitant kan aantonen dat de emissies van
genoemde verontreinigende stoffen in geen geval hoger kunnen zijn dan de vastgestelde
emissiegrenswaarden.
De bevoegde autoriteit kan besluiten dat het in bestaande installaties met een nominale
capaciteit van minder dan 6 ton per uur niet nodig is continumetingen voor NO
x uit te
voeren, maar wel periodieke metingen als bedoeld in punt 2.1, onder c), indien de
exploitant aan de hand van informatie betreffende de kwaliteit van het betrokken afval, de
gebruikte technologieën en de resultaten van de emissiemonitoring kan aantonen dat de
uitstoot van NO
x in geen geval de vastgestelde emissiegrenswaarden kan overschrijden.
2.6. De bevoegde autoriteit kan voorschrijven voor zware metalen één meting om de twee jaar
te verrichten, en voor dioxinen en furanen één meting per jaar op voorwaarde dat
-
a)de emissies als gevolg van verbranding of meeverbranding van afval in alle
omstandigheden minder dan 50% bedragen van de emissiegrenswaarden;
-
b)het te verbranden of mee te verbranden afval uitsluitend bestaat uit bepaalde
gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijk afval dat niet recycleerbaar is en aan
bepaalde kenmerken voldoet, en dat nader omschreven wordt op basis van de in
punt c) genoemde beoordeling;
-
c)de exploitant aan de hand van informatie over de kwaliteit van het afval in kwestie en
monitoring van de emissies kan bewijzen dat de emissies onder alle omstandigheden
aanmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden voor dioxinen, furanen en
zware metalen.
2.7. De resultaten van de metingen worden gestandaardiseerd aan de hand van de in deel 3
vermelde genormaliseerde zuurstofgehaltes of berekend overeenkomstig deel 4 en de in
deel 7 vastgestelde formule.
Wanneer afval in een met zuurstof verrijkte atmosfeer wordt verbrand of meeverbrand,
mogen de meetresultaten worden herleid tot een door de bevoegde instantie vastgesteld
zuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het specifieke geval weerspiegelt;
Worden de emissies van verontreinigende stoffen verminderd door behandeling van het
rookgas in een afval verbrandings- of - meeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke
afvalstoffen worden behandeld, dan geschiedt standaardisering voor de in de eerste alinea
vermelde zuurstofgehaltes enkel en alleen indien het over dezelfde periode als voor de
betrokken verontreinigende stof gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante
standaardzuurstofgehalte.
-
3.Meting van waterverontreinigende stoffen
3.1. De volgende metingen worden uitgevoerd op het lozingspunt van het afvalwater:
-
a)continumetingen van de pH, de temperatuur en het debiet;
-
b)dagelijkse steekproefmetingen van de totale hoeveelheid zwevende deeltjes of
metingen van een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur;
-
c)ten minste maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige representatieve
steekproef over een periode van 24 uur van Hg, Cd, TI, As, Pb, Cr, Cu, Ni en Zn;
-
d)ten minste elke 6 maanden van dioxinen en furanen; gedurende de eerste
exploitatieperiode van twaalf maanden dient evenwel ten minste om de drie maanden
een meting te worden uitgevoerd.
3.2. Wanneer het afvalwater dat bij de reiniging van rookgassen ontstaat, ter plaatse
gezamenlijk met afvalwater uit andere bronnen van de plaats van de installatie wordt
gezuiverd, verricht de exploitant de metingen:
-
a)op de afvalwaterstroom van de rookgasreinigingsprocessen vóór de uitmonding
daarvan op de gezamenlijke afvalwaterzuiveringsinstallatie;
-
b)op de andere afvalwaterstroom of -stromen vóór de uitmonding daarvan op de
gezamenlijke afvalwaterzuiveringsinstallatie;
-
c)op het punt waar het afvalwater na de zuivering uiteindelijk door de afval
verbrandingsinstallatie of de - meeverbrandingsinstallatie wordt geloosd.
Deel 7
Formule voor de berekening van de emissieconcentratie bij genormaliseerd zuurstofgehalte
21 O
S
E
S = × E
M
21 O
M
E
S = Berekende emissieconcentratie bij genormaliseerd zuurstofgehalte
E
M = Gemeten emissieconcentratie
O
S = Genormaliseerd zuurstofgehalte
O
Deel 8
Beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden
-
1.Grenswaarden voor emissies in de lucht
1.1. Aan de emissiegrenswaarden voor lucht wordt geacht voldaan te zijn wanneer:
-
a)geen van de daggemiddelden hoger is dan een in punt 1.1 van deel 3 of in deel 4
vermelde of overeenkomstig deel 4 berekende emissiegrenswaarde;
-
b)ofwel geen van de halfuurgemiddelden hoger is dan een van de in, kolom A van de
tabel onder punt 1.2 van deel 3 vermelde emissiegrenswaarden ofwel, in voorkomend
geval, 97% van de halfuurgemiddelden over het jaar niet hoger liggen dan een van de
in kolom B van de tabel onder punt 1.2 van deel 3 vermelde emissiegrenswaarden;
-
c)geen van de gemiddelden over de voor zware metalen en dioxinen en furanen
vastgestelde bemonsteringsperiode hoger is dan een in de punten 1.3 en 1.4 van deel
3 of in deel 4 vermelde of overeenkomstig deel 4 berekende emissiegrenswaarde;
-
d)voor koolmonoxide (CO):
-
i)voor afvalverbrandingsinstallaties:
-
-ten minste 97% van de daggemiddelden gedurende één jaar de in punt
1.5, onder a), van deel 3 vastgestelde emissiegrenswaarden niet
overschrijden; en
-
-ten minste 95% van alle 10-minutengemiddelden gedurende een
willekeurige periode van 24 uur (1) of alle halfuurgemiddelden tijdens
diezelfde periode de in punt 1.5, onder b) en c), van deel 3 vastgestelde
emissiegrenswaarden niet overschrijden; in het geval van
verbrandingsinstallaties waarin het bij verbranding ontstane gas
gedurende ten minste twee seconden wordt verhit tot een temperatuur
van ten minste 1100°C, mogen de lidstaten voor de 10-
minutengemiddelden een evaluatieperiode van 7 dagen toepassen.
-
ii)voor afvalmeeverbrandingsinstallaties: voldaan is aan de bepalingen van
1.2. De halfuurgemiddelden en de 10-minutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat
de installatie werkelijk in werking is (niet inbegrepen de voor de inwerkingstelling en
stillegging benodigde tijd, wanneer dan geen afvalstoffen worden verbrand) op basis van
de meetwaarden nadat daarvan de waarde van het betrouwbaarheidsinterval van punt 1.3
van deel 6 is afgetrokken.
Een daggemiddelde is slechts geldig indien voor de betrokken dag niet meer dan vijf
halfuurgemiddelden als gevolg van defecten of het onderhoud van het systeem voor
continumetingen buiten beschouwing zijn gelaten. Per jaar mogen niet meer dan tien
daggemiddelden ten gevolge van defecten of onderhoud van het continumetingssysteem
buiten beschouwing worden gelaten.
1.3. De gemiddelden over de bemonsteringsperiode en de gemiddelden in het geval van
periodieke metingen van HF, HCl en SO
2 worden bepaald overeenkomstig de artikelen 45,
lid 1) onder e); artikel 48, lid 3, en punt 1 van deel 6.
-
2.Emissiegrenswaarden voor waterlozingen
De emissiegrenswaarden voor lozingen in water worden geacht te zijn nageleefd indien:
-
a)bij metingen van de totale hoeveelheid zwevende deeltjes 95% en 100% van de
meetwaarden de respectieve emissiegrenswaarden van deel 5 niet overschrijden;
-
b)bij metingen van zware metalen (Hg, Cd, TI, As, Pb, Cr, Cu, Ni and Zn) niet meer
dan eenmaal per jaar de emissiegrenswaarden van deel 5 overschreden worden; of,
indien de lidstaat meer dan 20 steekproeven per jaar voorschrijft, bij niet meer dan
5% van deze steekproeven de emissiegrenswaarden van deel 5 overschreden worden;
-
c)bij de resultaten van de metingen van dioxinen en furanen de emissiegrenswaarde
van deel 5 niet overschreden wordt.
BIJLAGE VII
Technische bepalingen voor installaties
en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt
Deel 1
Activiteiten
-
1.De in elk van de volgende punten vermelde activiteiten omvatten de reiniging van de
procesapparatuur, maar niet de reiniging van de werkstukken, tenzij andersluidende
vermeldingen zijn opgenomen.
-
2.Aanbrengen van lijmlagen
Activiteiten waarbij een kleefstof op een oppervlak wordt aangebracht, met uitzondering
van het aanbrengen van lijmlagen en lamineren samenhangend met drukprocessen.
-
3.Coatingwerkzaamheden
Alle activiteiten waarbij een of meer ononderbroken lagen van een coating worden
-
a)een van de volgende voertuigen:
-
i)nieuwe auto"s die in Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van
motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en
technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd1 worden
gedefinieerd als voertuigen van categorie M1 en, voorzover de coating plaatsvindt in
dezelfde installatie als voertuigen van M1 van categorie N1;
-
ii)vrachtwagencabines, gedefinieerd als de behuizing voor de chauffeur en de daarmee
geïntegreerde behuizing voor de technische apparatuur van voertuigen die in
Richtlijn 2007/46/EEG als voertuigen van de categorieën N2 en N3 worden
gedefinieerd;
-
iii)bestelwagens en vrachtwagens, in Richtlijn 70/156/EEG gedefinieerd als voertuigen
van de categorieën N1, N2 en N3, met uitzondering van vrachtwagencabines;
-
iv)bussen, in Richtlijn 2007/46/EEG gedefinieerd als voertuigen van de categorieën M2
en M3;
-
v)aanhangwagens, gedefinieerd in de categorieën O1, O2, O3 en O4 in Richtlijn
2007/46/EEG;
Coatingwerkzaamheden omvatten niet de coating van substraten met metalen met behulp
van elektroforese en chemische spuittechnieken. Als de coatingactiviteit ook een stap
omvat waarbij hetzelfde artikel wordt bedrukt, ongeacht de daarbij gebruikte techniek,
wordt deze stap als onderdeel van de coatingactiviteit beschouwd. Drukactiviteiten die als
afzonderlijke activiteiten plaatsvinden, vallen echter niet binnen deze categorie, maar
kunnen onder hoofdstuk 5 van deze richtlijn vallen indien de drukactiviteit binnen het
toepassingsgebied daarvan valt.
-
4.Bandlakken
Elke activiteit waarbij band van staal, roestvrij staal, bekleed staal, koperlegeringen of
aluminiumband in een continu procédé wordt bekleed met een filmvormende of
laminaatcoating.
-
5.Chemisch reinigen
Alle industriële of commerciële activiteiten waarbij vluchtige organische stoffen worden
gebruikt in een installatie voor het schoonmaken van kleren, meubelstoffen en soortgelijke
consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de
textiel- en de kledingindustrie.
-
6.Fabricage van schoeisel
Elke activiteit met betrekking tot de fabricage van volledig schoeisel of delen daarvan.
-
7.Vervaardiging van coating mengsels, lak, inkt en kleefstoffen
De vervaardiging van bovengenoemde eindproducten en, wanneer dit in dezelfde
installatie gebeurt, van halffabrikaten door het mengen van pigmenten, hars en kleefstoffen
met organische oplosmiddelen of andere draagstoffen, waaronder dispergeren en
predispergeren, aanpassen van de viscositeit en de kleur en bewerkingen om de verpakking
te vullen met het eindproduct.
-
8.Vervaardiging van geneesmiddelen
De chemische synthese, fermentatie, extractie, formulering en afwerking van
geneesmiddelen en de vervaardiging van halffabrikaten, voorzover deze op dezelfde plaats
gebeurt.
-
9.Drukken
Een activiteit waarbij tekst en/of afbeeldingen worden gereproduceerd door met behulp
van een beelddrager inkt op ongeacht welk soort oppervlak aan te brengen.
Hieronder vallen ook daarmee samenhangende lak-, coating- en lamineertechnieken.
Onder hoofdstuk V vallen alleen de volgende deelprocessen:
-
a)flexografie: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager
van rubber of elastische fotopolymeren, waarop de drukkende delen zich boven de
niet-drukkende delen bevinden, en van vloeibare inkt die door verdamping droogt;
-
b)heatsetrotatie-offset: een rotatiedrukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een
beelddrager waarop de drukkende delen en de niet-drukkende delen in hetzelfde vlak
liggen, waarbij rotatie inhoudt dat het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen
maar van een rol in de machine wordt gevoerd. Het niet-drukkende deel wordt
zodanig behandeld dat het water aantrekt en derhalve de inkt afstoot. Het drukkende
deel wordt zodanig behandeld dat het inkt opneemt en overbrengt op het te
bedrukken oppervlak. De verdamping vindt plaats in een oven, waar het bedrukte
materiaal met warme lucht wordt verwarmd;
-
c)lamineren samenhangend met een drukproces: de samenhechting van twee of meer
flexibele materialen tot een laminaat;
-
d)illustratiediepdruk: rotatiediepdrukactiviteit waarbij papier voor tijdschriften,
brochures, catalogi of soortgelijke producten met inkt op basis van tolueen wordt
bedrukt;
-
e)rotatiediepdruk: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een
cilindrische beelddrager, waarop de drukkende delen lager liggen dan de niet-
drukkende delen, en vloeibare inkt die door verdamping droogt. De napjes worden
met inkt gevuld en het overschot wordt van de niet-drukkende delen verwijderd
voordat het te bedrukken oppervlak contact met de cilinder maakt en de inkt uit de
-
f)rotatiezeefdruk: een rotatiedrukactiviteit waarbij de inkt door een poreuze
beelddrager wordt geperst, waarbij de drukkende delen open zijn en het niet-
drukkende deel wordt afgedekt, en zo op het te bedrukken oppervlak wordt gebracht
en gebruik wordt gemaakt van vloeibare inkt die uitsluitend door verdamping droogt.
Bij een rotatief drukproces wordt het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen
maar van een rol in de machine gebracht.
-
g)lakken: een proces waarbij een lak of een kleefstof om later het verpakkingsmateriaal
af te sluiten op een flexibel materiaal wordt aangebracht.
-
10.Bewerking van rubber
Elke activiteit met betrekking tot het mengen, malen, vermengen, kalanderen, extruderen
en vulkaniseren van natuurlijk of synthetisch rubber en alle nevenbewerkingen om
natuurlijk of synthetisch rubber te bewerken tot eindproduct.
-
11.Oppervlaktereiniging
Alle activiteiten, met uitzondering van chemisch reinigen, waarbij organische
oplosmiddelen worden gebruikt om verontreiniging van het oppervlak van materialen te
verwijderen, met inbegrip van ontvetting. Een uit meer dan één stap bestaande
reinigingsactiviteit die niet wordt onderbroken door een andere stap, wordt als één
oppervlaktereinigingsactiviteit beschouwd. Deze activiteit betreft niet het reinigen van
apparatuur maar het reinigen van het oppervlak van producten.
-
12.Extractie van plantaardige oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën
Alle activiteiten waarbij plantaardige olie uit zaden en ander plantaardig materiaal wordt
geëxtraheerd, droge residuen tot diervoeder worden verwerkt, of vetten en plantaardige
olie uit zaden, plantaardig materiaal en/of dierlijk materiaal worden geraffineerd.
-
13.Overspuiten van voertuigen
Alle industriële of commerciële activiteiten en daarmee verband houdende
ontvettingsactiviteiten waaronder een van de volgende:
-
a)het aanbrengen van de oorspronkelijke laklaag op wegvoertuigen, zoals gedefinieerd
in Richtlijn 2007/46/EEG of een deel daarvan, met voor het overspuiten
gebruikelijke lakken op een andere plaats dan de oorspronkelijke fabricagelijn;
-
b)het aanbrengen van een laklaag op aanhangwagens (met inbegrip van opleggers)
(categorie O in Richtlijn 2007/46/EEG ).
-
14.Coating van wikkeldraad
Elke coatingsactiviteit van metalen geleiders die worden gebruikt om spoelen voor
transformatoren, motoren enz. mee te wikkelen.
-
15.Impregneren van hout
Elke activiteit waarbij een houtverduurzamingsmiddel in het hout wordt gebracht.
-
16.Lamineren van hout en kunststof
Elke activiteit met het oog op het aaneenhechten van hout en/of kunststof voor de
Deel 2
Drempelwaarden en emissie grenswaarden
De emissiegrenswaarden in rookgassen worden gemeten bij een temperatuur van 273,15 Kelvin, en een druk van 101,3 kPa.
Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen
arde in emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage
oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)
oplosmiddelen
in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande
installaties installaties installaties installaties
1 Heatsetrotatie-offsetdruk 15--25 100 30 (1) (1) Resten oplosmiddelen in
eindproduct worden niet als onderdeel van de diffuse emissie beschouwd.
(> 15) > 25 20 30 (1)
2 Illustratiediepdruk 75 10 15
Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen
arde in emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage
oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)
oplosmiddelen
in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande
installaties installaties installaties installaties
3 Andere rotatiediepdruk, 15--25 100 25 (1) Drempel voor rotatiezeefdruk op
flexografie, rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden, (> 15) rotatiezeefdruk op textiel/karton (> 30) textiel en karton.
> 25 100 20
> 30 (1) 100 20
4 Oppervlaktereiniging met de 1--5 20 (1) 15 (1) Grenswaarde in massa van de
in artikel 59, lid 5, vermelde stoffen verbindingen in mg/nm3 en niet in
> 5 20 (1) 10 totale massa koolstof.
Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen
arde in emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage
oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)
oplosmiddelen
in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande
installaties installaties installaties installaties
5 Overige oppervlaktereiniging 2--10 75 (1) 20 (1) (1) Wanneer aan de bevoegde instantie
wordt aangetoond dat het gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van al het in een installatie gebruikte reinigingsmateriaal niet hoger ligt dan 30 gewichtsprocenten, gelden deze waarden niet voor die installatie.
(> 2) > 10 75 (1) 15 (1)
6 Coating van voertuigen (< 15) > 0,5 50 (1) 25 (1) Naleving overeenkomstig punt 2
en overspuiten van voertuigen van deel 8 moet worden aangetoond op basis van metingen om de 15 minuten.
Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen
arde in emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage
oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)
oplosmiddelen
in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande
installaties installaties installaties installaties
7 Bandlakken 50 (1) 5 10 (1) Voor installaties die technieken
gebruiken waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt een emissiegrenswaarde van 150.
Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen
arde in emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage
oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)
oplosmiddelen
in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande
installaties installaties installaties installaties
8 Andere coatingprocessen, 5--15 100 (1) (4) 25 (4) (1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor
waaronder metaal-, kunststof-, textiel- (coating- en droogprocessen in een gesloten systeem.
5), stoffen, film- en > 15 50/75 (2) (3) (4) 20 (4)
papiercoating
(2) De eerste emissiegrenswaarde geldt
(> 5) voor droogprocessen, de tweede voor coatingprocessen.
(3) Voor installaties die
genitrogeneerde oplosmiddelen gebruiken met technieken waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt een gecombineerde grenswaarde voor coating- en droogproces van 150.
(4) Voor coatingwerk dat niet kan
worden uitgevoerd in een gesloten systeem (zoals in de scheepsbouw, schilderen van vliegtuigrompen) kan overeenkomstig artikel 54, lid 3, van deze waarden worden afgeweken.
(5) Rotatiezeefdruk op textiel valt
Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen
arde in emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage
oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)
oplosmiddelen
in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande
installaties installaties installaties installaties
9 Coating van wikkeldraad 10 g/kg (1) (1) Geldt voor installaties met een
gemiddelde draaddiameter 0,1 mm.
(> 5) 5 g/kg (2)
(2) Geldt voor alle andere installaties.
10 Coating van houten 15--25 100 (1) 25 (1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor
oppervlakken coating- en droogprocessen in een gesloten systeem.
> 25 50/75 (2) 20
(> 15)
(2) De eerste waarde geldt voor
droogprocessen, de tweede voor coatingprocessen.
Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen
arde in emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage
oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)
oplosmiddelen
in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande
installaties installaties installaties installaties
11 Chemisch reinigen 20 g/kg (1) (2) (1) Uitgedrukt in massa uitgestoten
oplosmiddel per kilogram gereinigd en gedroogd product.
(2) De in punt 2 van deel 4 vermelde
emissiegrenswaarde geldt niet voor deze activiteit
.
12 Impregneren van hout 100 (1) 45 11 kg/m3 (1) De emissiegrenswaarde geldt niet
voor impregneren met creosoot.
(> 25)
13 Coating van leer 10--25 85 g/m2 De emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per vierkante meter vervaardigd product.
(> 10) > 25 75 g/m2
> 10 (1) 150 g/m2
(1) Voor coating van leer voor
meubelen en bepaalde lederen goederen die worden gebruikt als kleine consumptiegoederen zoals tassen, riemen, portefeuilles enz.
Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen
arde in emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage
oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)
oplosmiddelen
in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande
installaties installaties installaties installaties
14 Fabricage van schoeisel 25 g per paar De totale emissiegrenswaarde is uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per vervaardigd paar compleet schoeisel.
(> 5)
15 Lamineren van hout en 30 g/m2
kunststof
(> 5)
16 Aanbrengen van lijmlagen 5--15 50 (1) 25 (1) Als technieken worden gebruikt
waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor rookgassen een emissiegrenswaarde van 150.
(> 5) > 15 50 (1) 20
17 Vervaardiging van coating 100--1 000 150 5 5% van de oplosmiddeleninput Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coatingmengsel in een gesloten container worden verkocht.
mengsels, lak, inkt en kleefstoffen
> 1 000 150 3
3% van de oplosmiddeleninput
Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen
arde in emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage
oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)
oplosmiddelen
in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande
installaties installaties installaties installaties
18 Bewerking van rubber 20 (1) 25 (2) 25% van de (1) Als technieken worden gebruikt
oplosmiddeleninput waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor rookgassen een emissiegrenswaarde van 150.
(> 15)
(2) Onder de diffuse-
emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coatingmengsel in een gesloten container worden verkocht.
Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen
arde in emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage
oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)
oplosmiddelen
in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande
installaties installaties installaties installaties
19 Extractie van plantaardige Dierlijk vet: (1) De totale emissiegrenswaarden voor
oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën 1,5 kg/ton installaties voor de verwerking van losse partijen zaden en ander plantaardig materiaal moeten door de bevoegde autoriteit per geval worden vastgesteld, met toepassing van de beste beschikbare technieken.
Ricinus:
3 kg/ton
(> 10)
Raapzaad:
1 kg/ton
(2) Geldt voor alle
Zonnebloemzaad: fractioneringsprocessen met uitzondering van ontgommen (het verwijderen van gom uit de olie).
1 kg/ton
Sojabonen (normale
maling): 0,8 kg/ton(3) Geldt voor ontgommen.
Sojabonen (witte vlokken):
1,2 kg/ton
Overige zaden en ander plantaardig materiaal:
3 kg/ton ( 1)
1,5 kg/ton (2)
Activiteit Drempelwaarde EmissiegrenswaDiffuse-Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen
arde in emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor verbruik (drempelwaarde rookgassen (percentage
oplosmiddelen in ton/jaar) voor verbruik (mg C/Nm3) oplosmiddeleninput)
oplosmiddelen
in ton/jaar) Nieuwe Bestaande Nieuwe Bestaande
installaties installaties installaties installaties
20 Vervaardiging van 20 (1) 5 (2) 15 (2) 5% van de 15% van
de oplosmidde leninput (1) Als technieken worden gebruikt
geneesmiddelen oplosmiddel eninput waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor rookgassen een emissiegrenswaarde van 150.
(> 50)
(2) Onder de diffuse-
emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coating
mengsel in een gesloten
Deel 3
Emissiegrenswaarden voor installaties in de voertuigcoatingindustrie
-
1.De totale emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten organisch oplosmiddel
per m2 vervaardigd product en in kilogram uitgestoten organisch oplosmiddel per
carrosserie.
-
2.Het oppervlak van de in de tabel onder punt 3 vermelde producten wordt als volgt
gedefinieerd:
-
-het berekende oppervlak van het totale elektroforetisch coatingvlak en het oppervlak
van delen die eventueel in latere fasen van het coatingproces worden toegevoegd en
met dezelfde coating worden bekleed als voor het desbetreffende product wordt
gebruikt, of het totale oppervlak van het in de installatie gecoate product.
Het oppervlak van het elektroforetisch coatingvlak wordt berekend met de volgende
formule:
2 × gewicht product zonder coating
Gemiddelde dikte metaalplaat × dichtheid metaalplaat
Deze methode wordt ook gebruikt voor andere gecoate onderdelen van metaalplaat.
Voor de berekening van het oppervlak van de andere toegevoegde delen of het totale in de
-
3.De totale emissiegrenswaarden in onderstaande tabel hebben betrekking op alle
procesfasen die in dezelfde installatie worden uitgevoerd vanaf elektroforetische coating of
een ander soort coatingproces tot en met het uiteindelijke in de was zetten en polijsten van
de toplaag, alsmede de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden
gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als
buiten de productiefase.
Activiteit Drempelwaarde productie Totale emissiegrenswaarde
(drempelwaarde voor (geldt voor de jaarlijkse Nieuwe installaties Bestaande
verbruik oplosmiddelen productie van gecoat installaties
in ton/jaar) materiaal)
Coating nieuwe auto"s (> 15) > 5 000 45 g/m2 of 1,3 60 g/m2 of 1,9
kg/auto + 33 g/m2 kg/auto + 41 g/m2
5 000 zelfdragend of > 3 500 met chassis 90 g/m2 of 1,5 90 g/m2 of 1,5
kg/auto + 70 g/m2 kg/auto + 70 g/m2
Totale emissiegrenswaarde (g/m2)
Coating van nieuwe vrachtwagencabines (> 15) 5 000 65 85
> 5 000 55 75
Coating van nieuwe bestelwagens en vrachtwagens (> 15) 2 500 90 120
> 2 500 70 90
Coating nieuwe bussen (> 15) 2 000 210 290
-
4.Installaties voor de coating van voertuigen die de in de tabel onder punt 3 opgenomen
drempelwaarden voor het oplosmiddelenverbruik niet overschrijden, moeten voldoen aan
de in deel 2 vermelde eisen voor de sector overspuiten van voertuigen.
Deel 4
Emissegrenswaarden voor vluchtige organische stoffen met bijzondere risicozinnen
-
1.Voor emissies van de in artikel 58 vermelde vluchtige organische stoffen, waarbij de
massastroom van de stoffen waarvoor de in dat artikel vermelde etikettering verplicht is, in
totaal 10 g/uur of meer bedraagt, moet een emissiegrenswaarde van 2 mg/Nm3 in acht
worden genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken
stoffen.
-
2.Voor emissies van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen waaraan de gevaar-
aanduidingen H341 of H351 zijn toegekend of die van deze aanduidingen of zinnen
moeten zijn voorzien, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de gevaar-
aanduiding H341 of H351 verplicht is, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, moet een
emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde
geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
Deel 5
Reductieprogramma
-
1.De exploitant kan ieder speciaal voor zijn installatie ontworpen reductieprogramma
gebruiken.
-
2.Bij het aanbrengen van coating, lak, kleefstof of inkt kan het volgende programma worden
gebruikt. Wanneer deze methode niet bruikbaar is, kan de bevoegde instantie een
exploitant toestaan een andere regeling toe te passen waardoor de emissies in dezelfde
mate worden beperkt als door de toepassing van de emissiegrenswaarden van de delen 2
en 3. Bij de opzet van het programma moet rekening worden gehouden met de volgende
gegevens:
-
a)wanneer de vervangingsproducten met weinig of geen oplosmiddelen nog in
ontwikkeling zijn, moet de exploitant extra tijd krijgen om zijn reductieprogramma
uit te voeren;
-
b)het referentiepunt voor de emissiebeperking moet zo goed mogelijk overeenkomen
met de emissie die het resultaat zou zijn als er geen beperkende maatregelen zouden
-
3.De volgende regeling geldt voor installaties waar voor het product een constant gehalte aan
vaste stof kan worden verondersteld:
-
a)De jaarlijkse referentie-emissie wordt als volgt berekend:
-
i)Eerst wordt de totale massa bepaald aan vaste stof in de hoeveelheid coating
en/of inkt en/of lak en/of kleefstof die per jaar wordt gebruikt. Vaste stoffen
zijn alle materialen in coating, inkt, lak en kleefstof die vast worden wanneer
het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.
-
ii)De jaarlijkse referentie-emissie wordt berekend door de volgens punt i)
bepaalde massa te vermenigvuldigen met de in onderstaande tabel vermelde
factor. De bevoegde instanties kunnen deze factoren voor individuele
installaties aanpassen om rekening te houden met een aangetoonde stijging van
het rendement bij het gebruik van vaste stoffen.
Activiteit Voor punt a), onder ii) te gebruiken
vermenigvuldigingsfactor
Rotatiediepdruk; flexografie; lamineren samenhangend met een drukactiviteit; lakken samenhangend met een drukactiviteit; coating van hout; coating van textiel, vezel, film of papier; het aanbrengen van een lijmlaag 4
Bandlakken, overspuiten van voertuigen 3
-
b)De beoogde emissie wordt berekend door de jaarlijkse referentie-emissie te
vermenigvuldigen met een percentage dat gelijk is aan:
-
i)(de diffuse-emissiegrenswaarde + 15) voor installaties die onder punt 6 en
binnen het laagste drempelwaarde-interval van de punten 8 en 10 van deel 2
vallen;
-
ii)(de diffuse-emissiegrenswaarde + 5) voor alle andere installaties.
-
c)Aan de eisen wordt voldaan als de feitelijke emissie van oplosmiddelen, bepaald aan
de hand van de oplosmiddelenboekhouding, kleiner is dan of gelijk is aan de
Deel 6
Emissie monitoring
-
1.Rookkanalen waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en die aan de uitlaatzijde
gemiddeld in totaal meer dan 10 kg organische koolstof per uur uitwerpen, moeten
doorlopend op naleving van de emissiegrenswaarden worden gecontroleerd.
-
2.In andere gevallen dragen de lidstaten er zorg voor dat continue of periodieke metingen
worden uitgevoerd. Bij periodieke metingen worden gedurende elke meetcampagne ten
minste drie meetwaarden geregistreerd.
-
3.Metingen zijn niet vereist indien nabehandelingsapparatuur aan het einde van de pijp niet
noodzakelijk is om te voldoen aan deze richtlijn.
Deel 7
Oplosmiddelenboekhouding
-
1.Beginselen
De oplosmiddelenboekhouding wordt gebruikt om:
-
a)te controleren of aan de eisen van artikel 62 wordt voldaan;
-
b)de mogelijkheden voor emissiebeperking in de toekomst te specificeren;
-
c)aan het publiek informatie te kunnen verstrekken over het verbruik van
oplosmiddelen, de emissie van oplosmiddelen en de naleving van de richtlijn.
-
2.Definities
Met de volgende definities worden regels gegeven ter bepaling van de massabalans.
Input (I) van organische oplosmiddelen:
I1. De hoeveelheid aangekochte organische oplosmiddelen als zodanig of in mengsels ,
die in het proces worden ingevoerd gedurende de termijn waarover de massabalans
wordt bepaald.
I2. De hoeveelheid teruggewonnen en als oplosmiddel in het proces hergebruikte
organische oplosmiddelen als zodanig of in mengsels. De gerecycleerde
Output (O) van organische oplosmiddelen:
O1 Rookgasemissies.
O2 In water geloosde organische oplosmiddelen, rekening houdend met de
afvalwaterzuivering bij de berekening van O5.
O3 De hoeveelheid organische oplosmiddelen die als verontreiniging of als residu in de bij het
proces vervaardigde producten achterblijft.
O4 Niet-afgevangen emissie van organische oplosmiddelen in de lucht. Het gaat hierbij om de
algemene ventilatie van ruimtes, waarbij de lucht via ramen, deuren, luchtafvoerkanalen en
soortgelijke openingen in het buitenmilieu terechtkomt.
O5 Organische oplosmiddelen en/of organische verbindingen die door chemische of fysische
reacties verloren gaan (met inbegrip van hoeveelheden die door verbranding, een andere
zuivering van rookgassen of afvalwaterzuivering vernietigd worden of door adsorptie
opgevangen worden, mits die niet bij O6, O7 of O8 worden meegerekend).
O6 Organische oplosmiddelen in ingezameld afval.
O7 Organische oplosmiddelen als zodanig of in mengsels die als een product met
handelswaarde worden verkocht of bestemd zijn om te worden verkocht.
O8 Organische oplosmiddelen in mengsels die voor hergebruik worden teruggewonnen
maar niet opnieuw in het proces worden ingebracht, mits deze niet bij O7 worden
meegerekend.
O9 Organische oplosmiddelen die op andere wijze vrijkomen.
-
3.Gebruik van een oplosmiddelenboekhouding voor controle op de naleving
Het specifieke voorschrift waarop de controle wordt toegepast, zal bepalend zijn voor de
wijze waarop de oplosmiddelenboekhouding wordt gebruikt:
-
a)Controle op de naleving van het reductieprogramma in deel 5, waarbij de totale
emissiegrenswaarde wordt uitgedrukt in uitgestoten oplosmiddel per eenheid
product, of anders wordt geformuleerd in deel 2 en 3.
-
i)Voor alle activiteiten die gebruik maken van het in deel 5 omschreven
reductieprogramma moet de oplosmiddelenboekhouding jaarlijks worden
opgemaakt om het verbruik (C) te bepalen. Het verbruik wordt met behulp van
de volgende vergelijking berekend:
C = I1 - O8
Op soortgelijke wijze moet ook de in coatings gebruikte hoeveelheid vaste stof
worden bepaald, zodat elk jaar de jaarlijkse referentie-emissie en de beoogde
emissie kunnen worden berekend.
-
ii)Voor de controle op de naleving van een totale emissiegrenswaarde die in
uitgeworpen oplosmiddel per eenheid product wordt uitgedrukt, of anders wordt
geformuleerd in deel 2 en 3, moet de oplosmiddelenboekhouding jaarlijks worden
gebruikt om de emissie (E) te bepalen. De emissie wordt met behulp van de volgende
vergelijking berekend:
E = F + O1
Hierbij is LE de lekkage-emissie, zoals gedefinieerd onder punt b, onder i). De
emissie moet vervolgens worden gedeeld door de parameter voor het desbetreffende
product.
-
iii)Voor controle op de naleving van de voorschriften van artikel 59, lid 6, onder ii), b),
moet de oplosmiddelenboekhouding jaarlijks worden gebruikt om de totale emissie
van alle betrokken activiteiten te bepalen en moet dit getal vervolgens worden
vergeleken met de totale emissie die zou zijn veroorzaakt als de voorschriften van
deel 2, 3 en 5 voor elke activiteit afzonderlijk nageleefd zouden zijn.
-
b)Bepaling van de diffuse emissie om deze met de lekkage-emissiewaarden in deel 2 te
kunnen vergelijken:
-
i)De diffuse emissie wordt met behulp van een van de volgende vergelijkingen
berekend:
F = I1 - O1 - O5 - O6 - O7 - O8
of
F = O2 + O3 + O4 + O9.
F wordt hetzij door rechtstreekse meting van de verschillende factoren worden
bepaald, hetzij door middel van een een gelijkwaardige berekeningsmethode,
bijvoorbeeld met behulp van het afvangrendement van het proces.
De diffuse-emissiewaarde wordt uitgedrukt als een percentage van de input, die met
behulp van de volgende vergelijking wordt berekend:
I = I1 + I2.
-
ii)De diffuse emissie wordt met behulp van korte maar volledige metingen bepaald en
behoeft niet te worden herhaald zolang de apparatuur niet veranderd wordt.
Deel 8
Beoordeling van de conformiteit met de emissegrenswaarden in rookgassen
-
1.Bij doorlopende metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn
indien:
-
a)geen van de rekenkundige gemiddelden van alle geldige metingen gedurende een
periode van 24 uur waarin een installatie in bedrijf is, met uitzondering van het
opstarten en stilleggen van de exploitatie en het onderhoud van de apparatuur
onder normale omstandigheden gedurende 24 uur normaal bedrijf hoger is dan de
emissiegrenswaarden,
-
b)geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal
de emissiegrenswaarden.
-
2.Bij periodieke metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn indien
in één monitoringcampagne:
-
a)het gemiddelde van alle meetwaarden onder normale omstandigheden niet hoger is
dan de emissiegrenswaarden, en
-
b)geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal
-
3.De naleving van deel 4 wordt gecontroleerd op basis van de som van de massa-
concentraties van de verschillende betrokken vluchtige organische stoffen. In alle andere
gevallen vindt de controle op de naleving plaats op basis van de totale massa organische
koolstof die wordt uitgestoten, tenzij in deel 2 anders is bepaald.
-
4.Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de rookgassen af te koelen of te verdunnen
indien dit technisch gerechtvaardigd is maar worden niet meegeteld bij het vaststellen van
de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.
BIJLAGE VIII
Bijzondere bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren
Deel 1
Emissiegrenswaarden voor emissies in water
-
1.Installaties die van het sulfaatproces gebruik maken (jaarlijks gemiddelde): 550 kg sulfaat
per geproduceerde ton titaandioxide;
-
2.Installaties die van het chlorideproces gebruik maken (jaarlijks gemiddelde):
-
a)130 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van natuurlijk rutiel,
-
b)228 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van synthetisch
rutiel,
-
c)330 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van slakken, Voor in
zeewater (in estuaria, langs de kust, in volle zee) lozende installaties mag een
emissiegrenswaarde gelden van 450 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide
bij gebruik van slakken.
-
3.Voor installaties die van het chlorideproces gebruik maken en die meer dan één soort erts
gebruiken, gelden de waarden in punt 2 naar rata van de hoeveelheden waarin deze ertsen
Deel 2
Emissiegrenswaarden voor lucht
-
1.De emissiegrenswaarden, uitgedrukt als massaconcentratie per kubieke meter (Nm3),
worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,3 kPa.
-
2.Voor stof: een uurgemiddelde van 50 mg/Nm3 uit de voornaamste bronnen en een
uurgemiddelde van 150 mg/Nm3 uit andere bronnen;
-
3.Voor lozingen van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide afkomstig van ontsluiting
en roosting, met inbegrip van zuurdruppels, berekend als Sox-equivalent,
-
a)een jaargemiddelde van 6 kg per geproduceerde ton titaandioxide;
-
b)een uurgemiddelde van 500 mg/Nm3 SO
x voor de concentratie van afvalzuren;
-
4.Voor chloride in het geval van installaties die gebruik maken van het chlorideproces:
-
a)een dagelijkse gemiddelde van 5 mg/Nm3
Deel 3
Emissiemonitoring
De monitoring van emissie in de lucht omvat ten minste een continue meting van:
-
a)lozingen van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide afkomstig van ontsluiting en
roosting uit inrichtingen voor de concentratie van afvalzuren in installaties die van het
sulfaatproces gebruik maken;
-
b)chloride dat afkomstig is uit de voornaamste bronnen in installaties die gebruik maken van
het chlorideproces;
BIJLAGE IX
Deel A
Ingetrokken richtlijnen en opeenvolgende wijzigingen
(bedoeld in artikel 81)
Richtlijn 78/176/EEG van de Raad
(PB L 54 van 25.2.1978, blz. 19)
Richtlijn 83/29/EEG van de Raad
(PB L 32 van 3.2.1983, blz. 28)
Richtlijn 91/692/EEG van de Raad Alleen bijlage I, punt b)
(PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48)
Richtlijn 82/883/EEG van de Raad
(PB L 378 van 31.12.1982, blz. 1)
Akte van Toetreding van 1985 Alleen bijlage I, punt X.1, onder o)
Akte van Toetreding van 1994 Alleen bijlage I, punt VIII.A6
Verordening (EG) nr. 807/2003 van de Raad Alleen bijlage III, punt 34
(PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36)
Verordening (EG) nr. 219/2009 van het Alleen bijlage, punt 3.1
Richtlijn 1999/13/EG van de Raad
(PB L 85 van 29.3.1999, blz. 1)
Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Alleen bijlage I, punt 17
Europees Parlement en de Raad,
(PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1)
Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Alleen artikel 13, lid 1
Parlement en de Raad
(PB L 143 van 30.4.2004, blz. 87)
Richtlijn 2008/112/EG van het Europees Alleen artikel 3
Parlement en de Raad
(PB L 345 van 23.12.2008, blz. 68)
Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement
en de Raad
(PB L 332 van 28.12.2000, blz. 91)
Verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Alleen bijlage, punt 4.8
Parlement en de Raad
(PB L 311 van 21.11.2008, blz. 1)
Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement
en de Raad
(PB L 309 van 27.11.2001, blz. 1)
Richtlijn 2006/105/EG van de Raad Alleen Bijlage I, deel B, punt 2
(PB L 363 van 20.12.2006, blz. 368)
Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Alleen artikel 33
Parlement en de Raad
(PB L 140 van 5.5.2009, blz. 14)
Richtlijn 2008/1/EG van het Europees
Parlement en de Raad
(PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8)
Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Alleen artikel 37
Parlement en de Raad
(PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114)
Deel B
Lijst van termijnen voor omzetting in nationaal recht
(bedoeld in artikel 81)
Richtlijn Omzettingstermijn Uitvoeringstermijn
78/176/EG 25 februari 1979
82/883/EG 31 december 1984
92/112/EG 15 juni 1993
1999/13/EG 1 april 2001
2000/76/EG 28 december 2000 28 december 2002
28 december 2005
2001/80/EG 27 november 2002 27 november 2004
2003/35/EG 25 juni 2005
2003/87/EG 31 december 2003
2008/1/EG 30 oktober 19991 30 oktober 1999
BIJLAGE X
Transponeringstabel
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 1, lid 1 Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1, eerste Artikel 1
alinea
--- --- --- --- --- --- ---- Artikel 2
Artikel 1, lid 2, Artikel 2, lid 2 Artikel 3, lid 2
onder a)
Artikel 1, lid 2, Artikel 3, lid 1 Artikel 3, lid 36
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 1, lid 2, ---
onder c), d) en e)
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 66
Artikel 2 Artikel 67
Artikel 3 Artikel 11, punten d)
en e)
Artikel 4 Artikel 4 Artikel 3, aanhef en Artikel 4, lid 1 Artikel 4, lid 1,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 5 Artikel 11, punten d)
en e)
Artikel 6 Artikel 11, punten d)
en e)
Artikel 7, lid 1 Artikel 10 Artikel 70, lid 1 en
lid 2, eerste zin
Artikel 7, leden 2 ---
en 3
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 70, lid 2,
tweede zin en lid 3
Artikel 8, lid 1 ---
Artikel 8, lid 2 Artikel 26, lid 1,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 9 ---
Artikel 10 ---
Artikel 11 Artikel 12
Artikel 12 ---
Artikel 13, lid 1 Artikel 17, lid 1, Artikel 11, lid 1, Artikel 72, lid 1,
eerste alinea en lid 3, eerste zin en lid 2 eerste alinea
eerste alinea, eerste
zin
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 72, lid 1,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 13, leden 2, 3 ---
en 4
Artikel 14 ---
Artikel 15 Artikel 14 Artikel 12 Artikel 21 Artikel 15 Artikel 21 Artikel 18, leden 1 Artikel 80
en 3
Artikel 16 Artikel 15 Artikel 13 Artikel 23 Artikel 17 Artikel 23 Artikel 20 Artikel 84
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage IIA, aanhef ---
en punt 1
Bijlage IIA, punt 2 ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 2 ---
Artikel 3 ---
Artikel 4, leden 1 ---
en 2, eerste alinea
Artikel 4, lid 2, ---
tweede alinea
Artikel 4, leden 3
en 4
Artikel 5 ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 7 ---
Artikel 8 ---
Artikel 9 ---
Artikel 10 ---
Artikel 11, lid 1 Artikel 13, lid 1 Artikel 17, lid 1 Artikel 75, lid 1
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 75, lid 2
Artikel 11, lid 2 Artikel 17, lid 2 ...
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 12 ---
Artikel 13 ---
Bijlage I ---
Bijlage II ---
Bijlage III ---
Bijlage IV ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 2, lid 1, ---
aanhef
Artikel 2, lid 1, ---
onder a), aanhef
Artikel 2, lid 1, onder a), eerste Artikel 67, onder a)
streepje
Artikel 2, lid 1, Artikel 67, onder b)
onder a), tweede
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 2, lid 1, Artikel 67, onder d)
onder a), derde
streepje en 2, lid 1,
onder b), derde
streepje
Artikel 2, lid 1, ---
onder a), vierde,
vijfde, zesde en
zevende streepje
Artikel 2, lid 1, ---
onder b), aanhef en
eerste, vierde, vijfde,
zesde en zevende
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 2, lid 1, Artikel 67, onder c)
onder b), tweede
streepje
Artikel 2, lid 1, ---
onder c)
Artikel 2, lid 2 ---
Artikel 3 Artikel 67
Artikel 4 Artikel 67
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 6, eerste Artikel 68
alinea, aanhef
Artikel 6, eerste Bijlage VIII, deel 1,
alinea, onder a) punt 1
Artikel 6, eerste Bijlage VIII, deel 1,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 6, tweede Bijlage VIII, deel 1,
alinea punt 3
Artikel 7 ---
Artikel 8 ---
Artikel 9, lid 1, Artikel 69, lid 2
aanhef
Artikel 9, lid 1, ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 9, lid 1, Bijlage VIII, deel 2,
onder a), i) punt 2
Artikel 9, lid 1, Bijlage VIII, deel 2,
onder a), ii) punt 3, aanhef en
punt 3, onder a).
Artikel 9, lid 1, Artikel 69, lid 1
onder a), iii)
Artikel 9, lid 1, Bijlage VIII, deel 2,
onder a), iv) punt 3, onder b)
Artikel 9, lid 1, ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 9, lid 1, Bijlage VIII, deel 2,
onder b) punt 4
Artikel 9, leden 2 ---
en 3
Artikel 11 Artikel 11, onder d)
en e)
Bijlage ---
Artikel 2, aanhef Artikel 3, aanhef
Artikel 2, lid 1 Artikel 2, lid 14 Artikel 3, lid 1
Artikel 2, lid 3 Artikel 2, lid 1 Artikel 3, lid 3
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 2, lid 4 ---
Artikel 2, lid 5 Artikel 2, lid 9 Artikel 3, lid 8 Artikel 2, lid 1 Artikel 3, lid 4
Artikel 2, lid 6, Artikel 2, lid 13 Artikel 3, lid 9 Artikel 2, lid 3, Artikel 3, lid 5
eerste zin eerste deel
Artikel 2, lid 6, Artikel 15, lid 1
tweede zin
Artikel 2, lid 7 Artikel 3, lid 6
Artikel 2, lid 8 Artikel 2, lid 5 Artikel 71
Artikel 2, lid 9, Artikel 2, lid 7 Artikel 3, lid 12 Artikel 3, lid 7
eerste zin
Artikel 2, lid 9, Artikel 4, lid 2,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 4, lid 2,
tweede alinea
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 4, lid 3
Artikel 2, lid 10 ---
Artikel 2, lid 11, Artikel 3, lid 8
eerste zin
Artikel 2, lid 11, Artikel 21, lid 3
tweede zin
Artikel 2, lid 12, Artikel 3, lid 9
eerste alinea en
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 2, lid 12, Artikel 14, lid 5,
tweede alinea onder a), en 14, lid 6
Artikel 2, lid 13 Artikel 2, lid 6 Artikel 3, lid 11 Artikel 2, lid 5 Artikel 3, lid 14
Artikel 2, lid 14 Artikel 3, lid 15
Artikel 2, lid 15 Artikel 3, lid 16
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 3, leden 10
t/m 13, 17 t/m 22, 25
t/m 29 en 33 t/m 35
Artikel 3, eerste Artikel 11, aanhef
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder a)
punt a) en b)
Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder c)
onder b)
Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder d)
onder c) en e)
Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder f)
onder d)
Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder g)
onder e)
Artikel 3, lid 1, Artikel 11, onder h)
onder f)
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 5, lid 1 ---
Artikel 5, lid 2 Artikel 80, lid 1,
tweede alinea
Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,
aanhef eerste alinea, aanhef
Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,
eerste alinea, eerste alinea,
onder a) t/m d) onder a) t/m d)
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 12, lid 1,
eerste alinea,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,
eerste alinea, eerste alinea,
onder e) onder f)
Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,
eerste alinea, eerste alinea,
onder f) onder g)
Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,
eerste alinea, eerste alinea,
onder g) onder h)
Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,
eerste alinea, eerste alinea,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,
eerste alinea, eerste alinea,
onder i) onder j)
Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,
eerste alinea, eerste alinea,
onder j) onder k)
Artikel 6, lid 1, Artikel 12, lid 1,
tweede alinea tweede alinea
Artikel 6, lid 2 Artikel 12, lid 2
Artikel 7 Artikel 5, lid 2
Artikel 8, eerste Artikel 4, lid 3 Artikel 5, lid 1
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 8, tweede ---
alinea
Artikel 9, lid 1, Artikel 14, lid 1,
eerste deel van de eerste alinea
zin
Artikel 9, lid 1, ---
tweede deel van de
zin
Artikel 9, lid 2 Artikel 5, lid 3
Artikel 9, lid 3, Artikel 14, lid 1,
eerste alinea, eerste tweede alinea,
en tweede zin aanhef en onder a)
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 9, lid 3, Artikel 14, lid 2
eerste alinea, derde
zin
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, leden 3, 4
en 7
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 5,
aanhef en onder b)
van de eerste alinea
en artikel 14, lid 5,
tweede alinea
Artikel 9, lid 3, ---
tweede alinea
Artikel 9, lid 3, Artikel 9, lid 1
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 9, lid 3, Artikel 9, lid 2
vierde alinea
Artikel 9, lid 3, Artikel 9, lid 3
vijfde alinea
Artikel 9, lid 3, Artikel 9, lid 4
zesde alinea
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 10
Artikel 9, lid 4, Artikel 15, lid 2
eerste deel van de
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 9, lid 4, Artikel 15, lid 4,
tweede deel van de eerste alinea
eerste zin
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 15, lid 4,
tweede t/m vijfde
alinea en Artikel 15,
lid 5
Artikel 9, lid 4, Artikel 14, lid 1,
tweede volzin tweede alinea,
onder g)
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 1,
tweede alinea,
onder h)
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 15, lid 3
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 16
Artikel 9, lid 5, Artikel 14, lid 1,
eerste alinea tweede alinea,
onder c), i)
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 1,
tweede alinea,
onder c), ii)
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 1,
tweede alinea,
onder d)
Artikel 9, lid 5, ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 1,
tweede alinea,
onder e)
Artikel 9, lid 6, Artikel 14, lid 1,
eerste alinea tweede alinea,
onder f)
Artikel 9, lid 6, ---
tweede alinea
Artikel 9, lid 7 ---
Artikel 9, lid 8 Artikel 6 en 17,
eerste zin
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 17, tweede
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 10 Artikel 18
Artikel 11 Artikel 19
Artikel 12, lid 1 Artikel 20, lid 1
Artikel 12, lid 2, Artikel 20, lid 2,
eerste zin eerste alinea
Artikel 12, lid 2, Artikel 20, lid 2,
tweede volzin tweede alinea
Artikel 12, lid 2, ---
derde volzin
Artikel 13, lid 1 Artikel 21, lid 1
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 21, leden 2, 3
en 4
Artikel 13, lid 2, Artikel 21, lid 5,
aanhef aanhef
Artikel 13, lid 2, Artikel 21, lid 5,
onder a) onder a)
Artikel 13, lid 2,
onder b)
Artikel 13, lid 2, Artikel 21, lid 5,
onder c) onder b)
Artikel 13, lid 2, ---
onder d)
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 21, lid 5,
onder c)
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 22
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- ---
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 23, lid 1,
eerste alinea
Artikel 14, aanhef en Artikel 8, lid 1
onder a)
Artikel 14, onder b) Artikel 7, onder en a)
en b) en artikel 14,
lid 1, onder d), i)
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 7, aanhef en
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 14, lid 1,
onder d), ii)
Artikel 14, onder c) Artikel 23, lid 1,
tweede alinea
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 23, leden 2
tot en met 6
Artikel 15, lid 1, Artikel 12, lid 1, Artikel 24, lid 1,
eerste alinea, aanhef eerste alinea eerste alinea, aanhef
en onder a) en b) en punten a) en b)
Artikel 15, lid 1, Artikel 24, lid 1,
onder c) eerste alinea,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 15, lid 1, Artikel 24, lid 1,
tweede alinea tweede alinea
--- --- --- --- --- --- ---
Artikel 15, lid 2 Artikel 24, lid 3,
onder b)
Artikel 15, lid 3 Artikel 24, lid 4
Artikel 15, lid 4 Artikel 24, lid 2,
aanhef en punten a)
en b)
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 24, lid 2,
punten c) tot en met
-
f)en artikel 24, lid 3,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 16, lid 1 Artikel 25, lid 1
Artikel 16, lid 2 Artikel 25, lid 2
Artikel 16, lid 3 Artikel 25, lid 3
Artikel 16, lid 4 Artikel 25, lid 4
Artikel 16, lid 5 Artikel 25, lid 5
Artikel 17, lid 1, Artikel 72, lid 1,
tweede alinea eerste alinea
Artikel 17, lid 2, Artikel 13, lid 1
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 13, leden 2
t/m 7
Artikel 17, lid 2, ---
tweede alinea
Artikel 17, lid 3, Artikel 11, lid 1, Artikel 72, lid 2
eerste alinea, tweede tweede volzin
en derde zin
Artikel 17, lid 3, ---
eerste alinea, vierde
zin
Artikel 72, leden 3
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 17, lid 3,
tweede alinea
Artikel 17, lid 3, Artikel 11, lid 3 Artikel 73, lid 1
derde alinea
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 73, lid 2
Artikel 17, lid 4 ---
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 74
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 27
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 18 Artikel 11 Artikel 26
Artikel 19 ---
Artikel 20 ---
Artikel 21 Artikel807, lid 2
Artikel 22 Artikel 18 Artikel 17 Artikel 81
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 82
Artikel 23 Artikel 16 Artikel 22 Artikel 19 Artikel 83
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 2, lid 1
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage I, eerste Artikel 2, lid 2
alinea van de aanhef
Bijlage I, tweede Bijlage I, eerste
alinea van de aanhef alinea van de aanhef,
eerste zin
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, eerste
alinea van de aanhef,
tweede zin
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, tweede
alinea van de aanhef
Bijlage I, punt 1.1 Bijlage I, punt 1.1
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage I, punt 1.4 Bijlage I, punt 1.4,
onder a)
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 1.4,
onder b)
Bijlge I, punt 2 Bijlage I, punt 2
Bijlage I, punt 3.1 Bijlage I, punt 3.1,
onder a) en b)
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 3.1,
onder c)
Bijlage I, punten 3.2 Bijlage I, punten 3.2
t/m 3.5 t/m 3.5
Bijlage I, punt 4 Bijlage I, punt 4
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage I, punt 5), ---
aanhef
Bijlage I, punt 5.1 Bijlage I, punten 5.1,
onder b), f), g), i), j)
en 5.2, onder b)
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 5.1, onder a), c), d), e),
h), k)
Bijlage I, punt 5.2 Bijlage I, punt 5.2,
onder a)
Bijlage I, punt 5.3 Bijlage I, punt 5.3,
onder a), i) en ii)
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 5.3,
onder a), iii) t/m v)
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage I, punt 5.4 Bijlage I, punt 5.4
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punten 5.5
en 5.6
Bijlage I, punt 6.1, Bijlage I, punt 6.1,
onder a) en b) onder a) en b)
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 6.1,
onder c)
Bijlage I, punten 6.2 Bijlage I, punten 6.2
tot en met 6.4, tot en met 6.4,
onder b) onder b), ii)
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punt 6.4,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage I, punten 6.4, Bijlage I, punt 6.4,
onder c) tot en onder c) tot en met -
met 6.9 6.9
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage I, punten
6.10 en 6.11
Bijlage II ---
Bijlage III Bijlage II "Lucht" en
"Water", punten 1
t/m 12
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage II "Water",
punt 13
Bijlage IV, punten 1 Bijlage III
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage V Bijlage IV
Artikel 2, lid 2 Artikel 57, lid 1
Artikel 2, lid 3 ---
Artikel 2, lid 4 Artikel 63, lid 1
Artikel 2, lid 8 Artikel 4, lid 1,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 2, lid 10 Artikel 57, lid 3
Artikel 2, lid 11 Artikel 57, lid 2
Artikel 2, lid 12 Artikel 57, lid 4
Artikel 2, lid 15 Artikel 57, lid 5
Artikel 2, lid 16 Artikel 3, lid 43
Artikel 2, lid 17 Artikel 3, lid 44
Artikel 2, lid 18 Artikel 3, lid 45
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 2, lid 20 Artikel 3, lid 46
Artikel 2, lid 21 Artikel 57, lid 6
Artikel 2, lid 22 Artikel 57, lid 7
Artikel 2, lid 23 Artikel 57, lid 8
Artikel 2, lid 24 Artikel 57, lid 9
Artikel 2, lid 25 Artikel 57, lid 10
Artikel 2, lid 26 Artikel 57, lid 11
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 2, lid 28 Artikel 63, lid 1
Artikel 2, lid 29 ---
Artikel 2, lid 30 Artikel 57, lid 12
Artikel 2, lid 31 Bijlage VII, deel 2,
eerste zin
Bijlage VIII, deel 2,
punt 1
Artikel 2, lid 32 ---
Artikel 2, lid 33 Artikel 57, lid 13
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 3, lid 2 Artikel 4, lid 1,
tweede alinea
Artikel 4, leden 1 tot Artikel 4, lid 1,
en met 3 eerste en tweede
alinea
Artikel 4, lid 4 Artikel 63, lid 2
Artikel 5, lid 1 Artikel 59, lid 1,
eerste alinea, aanhef
Artikel 5, lid 2 Artikel 59, lid 1,
eerste alinea,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 5, lid 3, Artikel 59, lid 2
eerste alinea,
onder a)
Artikel 5, lid 3, Artikel 59, lid 3
eerste alinea,
onder b)
Artikel 5, lid 3, Artikel 59, lid 4
tweede alinea
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 59, lid 5
Artikel 5, lid 4 ---
Artikel 5, lid 5 Artikel 59, lid 6
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 5, lid 6 Artikel 58
Artikel 5, lid 7 Bijlage VII, deel 4,
punt 1
Artikel 5, lid 8, Bijlage VII, deel 4,
eerste alinea punt 2
Artikel 5, lid 8, Artikel 59, lid 5
tweede alinea
Artikel 5, lid 9 ---
Artikel 5, lid 10 Artikel 59, lid 7
Artikel 5, leden 11, ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 6 ---
Artikel 7, lid 1, Artikel 64
aanhef en eerste tot
en met vierde
streepje
Artikel 7, lid 1, ---
afsluitend gedeelte
Artikel 7, lid 2 ---
Artikel 8, lid 1 Artikel 14, lid 1,
punt d), Artikel 60
Artikel 8, lid 2 Bijlage VII, deel 6,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 8, lid 3 Bijlage VII, deel 6,
punt 2
Artikel 8, lid 4 Bijlage VII, deel 6,
punt 3.
Artikel 8, lid 5 ---
Artikel 9, lid 1, Artikel 62, eerste
eerste alinea, aanhef alinea, aanhef
Artikel 9, lid 1, Artikel 62, eerste
eerste alinea, eerste, alinea, punten a), b)
tweede en derde en c)
streepje
Artikel 9, lid 1, Artikel 62, tweede
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 9, lid 1, Bijlage VII, deel 8,
derde alinea punt 4
Artikel 9, lid 2 Artikel 63, lid 3
Artikel 9, lid 3 Bijlage VII, deel 8,
punt 1
Artikel 9, lid 4 Bijlage VII, deel 8,
punt 2
Artikel 9, lid 5 Bijlage VII, deel 8,
punt 3
Artikel 10 Artikel 4, lid 9 Artikel 8, lid 2
Artikel 11, lid 1, ---
derde tot en met
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 12, lid 1, Artikel 65, lid 1,
tweede alinea eerste alinea
Artikel 12, lid 1, Artikel 65, lid 1,
derde alinea tweede alinea
Artikel 12, lid 2 Artikel 65, lid 2
Artikel 12, lid 3 Artikel 65, lid 3
Artikel 13, leden 2 ---
en 3
Artikel 14 Artikel 19 Artikel 16 Artikel 79
Bijlage I, eerste en Artikel 56
tweede zin van de
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage I, derde zin Bijlage VII, deel 1
van de aanhef en lijst
van de activiteiten
Bijlage IIA Bijlage VII, delen 2
en 3
Bijlage IIA, deel II, ---
laatste zin van
alinea 6
Bijlage IIB, punt 1, Artikel 59, lid 1,
eerste en tweede zin eerste alinea,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage IIB, punt 1, Artikel 54, lid 1,
derde zin tweede alinea
Bijlage IIB, punt 2 Bijlage VII, deel 5
Bijlage IIB, punt 2, ---
tweede alinea,
onder i) en tabel
Bijlage III, punt 1 ---
Bijlage III, punt 2 Bijlage VII, deel 7,
punt 1
Bijlage III, punt 3 Bijlage VII, deel 7,
punt 2
Bijlage III, punt 4 Bijlage VII, deel 7,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 1, tweede ---
alinea
Artikel 2, lid 1 Artikel 42, lid 1,
eerste alinea
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 42, lid 1,
tweede alinea
Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,
aanhef aanhef
Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,
onder a), aanhef onder a), aanhef
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,
onder a), i) tot en onder a), punt i)
met v)
Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,
onder a), punt vi) onder a), punt ii)
Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,
onder a), punt vii) onder a), punt iii)
Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,
onder a), punt viii) onder a), punt iv)
Artikel 2, lid 2, Artikel 42, lid 2,
onder b) onder b)
Artikel 3, lid 2, Artikel 3, lid 37
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 3, lid 2, ---
tweede alinea
Artikel 3, lid 3 Artikel 3, lid 38
Artikel 3, lid 4, Artikel 3, lid 39
eerste alinea
Artikel 3, lid 4, Artikel 42, lid 1,
tweede alinea derde alinea
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 42, lid 1,
vierde alinea
Artikel 3, lid 5, Artikel 3, lid 40
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 3, lid 5, Artikel 42, lid 1,
tweede alinea vijfde alinea
Artikel 3, lid 5, Artikel 42, lid 1,
derde alinea derde alinea
Artikel 3, lid 6 Bijlage VI, deel 1,
onder a)
Artikel 3, lid 7 Artikel 3, lid 41
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage VI, deel 1,
onder b)
Artikel 3, lid 10 Artikel 3, lid 42
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 4, lid 2 Artikel 44
Artikel 4, lid 4, Artikel 45, lid 1,
aanhef en onder a) aanhef en onder a)
en b) en b)
Artikel 4, lid 4, Artikel 45, lid 1,
onder c) onder e)
Artikel 4, lid 5 Artikel 45, lid 2
Artikel 4, lid 6 Artikel 45, lid 3
Artikel 4, lid 7 Artikel 45, lid 4
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 5 Artikel 52
Artikel 6, lid 1, Artikel 50, lid 1
eerste alinea
Artikel 6, lid 1, Artikel 50, lid 2
tweede alinea en
artikel 6, lid 2
Artikel 6, lid 1, Artikel 50, lid 3,
derde alinea eerste alinea
Artikel 6, lid 1, ---
eerste deel van de
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 6, lid 1, Artikel 50, lid 3,
tweede deel van de tweede alinea
vierde alinea
Artikel 6, lid 3 Artikel 50, lid 4
Artikel 6, lid 4, Artikel 51, lid 1
eerste en tweede zin
van de eerste alinea,
en artikel 6, lid 4,
tweede alinea
Artikel 6, lid 4, Artikel 51, lid 2
derde zin van de
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 51, lid 3,
eerste alinea
Artikel 6, lid 4, Artikel 51, lid 3,
derde alinea tweede alinea
Artikel 6, lid 4, Artikel 51, lid 4
vierde alinea
Artikel 6, lid 5 Artikel 46, lid 1
Artikel 6, lid 6 Artikel 50, lid 5
Artikel 6, lid 7 Artikel 50, lid 6
Artikel 6, lid 8 Artikel 50, lid 7
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 7, lid 1, en Artikel 46, lid 2,
artikel 7, lid 2, eerste eerste alinea
alinea
Artikel 7, lid 2, Artikel 46, lid 2,
tweede alinea tweede alinea
Artikel 7, lid 3, en Bijlage VI, deel 6,
artikel 11, lid 8, eerste deel van
aanhef van de eerste punt 2.7
alinea
Artikel 7, lid 4 Artikel 46, lid 2,
tweede alinea
Artikel 7, lid 5 ---
Artikel 8, lid 1 Artikel 45, lid 1,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 8, lid 2 Artikel 46, lid 3
Artikel 8, lid 3 ---
Artikel 8, lid 4, Artikel 46, lid 4,
eerste alinea eerste alinea
Artikel 8, lid 4, Bijlage VI, deel 6,
tweede alinea punt 3.2
Artikel 8, lid 4, ---
derde alinea
Artikel 8, lid 4, ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 8, lid 5 Artikel 46, lid 4,
tweede en derde
alinea
Artikel 8, lid 6 Artikel 45, lid 1,
onder c) en d)
Artikel 8, lid 7 Artikel 46, lid 5
Artikel 8, lid 8 ---
Artikel 9, eerste Artikel 53, lid 1
alinea
Artikel 9, tweede Artikel 53, lid 2
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 9, derde Artikel 53, lid 3
alinea
Artikel 10, leden 1 ---
en 2
Artikel 10, lid 3, Artikel 48, lid 2
eerste zin
Artikel 10, lid 3, ---
tweede volzin
Artikel 10, lid 4 Artikel 48, lid 3
Artikel 10, lid 5 Bijlage VI, deel 6,
tweede deel van
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 11, lid 1 Artikel 48, lid 1
Artikel 11, lid 2 Bijlage VI, deel 6,
punt 2.1
Artikel 11, lid 3 Bijlage VI, deel 6,
punt 2.2
Artikel 11, lid 4 Bijlage VI, deel 6,
punt 2.3
Artikel 11, lid 5 Bijlage VI, deel 6,
punt 2.4
Artikel 11, lid 6 Bijlage VI, deel 6,
punt 2.5, eerste
alinea
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage VI, deel 6,
punt 2.5, tweede
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 11, lid 7, Bijlage VI, deel 6,
eerste deel van de punt 2.6, aanhef
eerste zin van de
eerste alinea
Artikel 11, lid 7, Bijlage VI, deel 6,
tweede deel van de punt 2.6, onder a)
eerste zin van de
eerste alinea
Artikel 11, lid 7, ---
tweede zin van de
eerste alinea
Artikel 11, lid 7, ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 11, lid 7, Bijlage VI, deel 6,
onder a) punt 2.6, onder b)
Artikel 11, lid 7, ---
onder b) en c)
Artikel 11, lid 7, Bijlage VI, deel 6,
onder d) punt 2.6, onder c)
Artikel 11, lid 7, ---
onder e) en f)
Artikel 11, lid 8, Bijlage VI, deel 3,
eerste alinea, punt 1
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 11, lid 8, Bijlage VI, deel 6,
eerste alinea, tweede alinea van
onder c), en tweede punt 2.7
alinea
Artikel 11, lid 8, Bijlage VI, deel 4,
eerste alinea, punt 2.1, tweede
onder d) alinea
Artikel 11, lid 9 Artikel 48, lid 4
Artikel 11, lid 10 Bijlage VI, deel 8,
punt 1.1
Artikel 11, lid 11 Bijlage VI, deel 8,
punt 1.2
Artikel 11, lid 12 Bijlage VI, deel 8,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 11, lid 13 Artikel 48, lid 5
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 49
Artikel 11, lid 14 Bijlage VI, deel 6,
punt 3.1
Artikel 11, lid 15 Artikel 45, lid 1,
onder e)
Artikel 11, lid 16 Bijlage VI, deel 8,
punt 2
Artikel 11, lid 17 Artikel 8, lid 2,
onder a)
Artikel 12, lid 1 Artikel 55, lid 1
Artikel 12, lid 2, Artikel 55, lid 2
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 12, lid 2, Artikel 55, lid 3
derde volzin
Artikel 13, lid 1 Artikel 45, lid 1,
onder f)
Artikel 13, lid 2 Artikel 47
Artikel 13, lid 3 Artikel 46, lid 6
Artikel 13, lid 4 Bijlage VI, deel 3,
punt 2
Artikel 14 ---
Artikel 15 ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 20 ---
Bijlage I Bijlage VI, deel 2
Bijlage II, eerste deel Bijlage VI, deel 4,
(niet genummerd) punt 1
Bijlage II, punt 1, Bijlage VI, deel 4,
aanhef punt 2.1
Bijlage II, punten 1.1 Bijlage VI, deel 4,
en 1.2 punt 2.2 en 2.3
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage VI, deel 4,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage II, punt 1.3 ---
Bijlage II, punt 2.1 Bijlage VI, deel 4,
punt 3.1
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage VI, deel 4,
punt 3.2
Bijlage II, punt 2.2 Bijlage VI, deel 4,
punt 3.3 en 3.4
Bijlage II, punt 3 Bijlage VI, deel 4,
punt 4
Bijlage III Bijlage VI, deel 6,
punt 1
Bijlage IV, tabel Bijlage VI, deel 5
Bijlage IV, laatste ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage V, punt a), Bijlage VI, deel 3,
tabel punt 1.1
Bijlage V, punt a), ---
laatste zin
Bijlage V, punt b), Bijlage VI, deel 3,
tabel punt 1.2
Bijlage V, punt b), ---
laatste zin
Bijlage V, punt c) Bijlage VI, deel 3,
punt 1.3
Bijlage V, punt d) Bijlage VI, deel 3,
punt 1.4
Bijlage V, punt e) Bijlage VI, deel 3,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage V, onder f) Bijlage VI, deel 3,
punt 3
Bijlage VI Bijlage VI, deel 7
Artikel 1 Artikel 28, eerste
alinea
Artikel 2, lid 2 Bijlage V, deel 1,
punt 1 en deel 2,
punt 1, eerste
streepje
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 1,
punt 1 en deel 2,
punt 1, tweede
streepje
Artikel 2, lid 3, Bijlage V, deel 1,
tweede deel punt 1 en deel 2,
punt 1, eerste
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 1,
punt 1 en deel 2,
punt 1, tweede
streepje
Artikel 2, lid 4 ---
Artikel 2, lid 6, Artikel 3, lid 23
eerste deel
Artikel 2, lid 6, Artikel 28, tweede
tweede deel alinea, onder j)
Artikel 2, lid 7, Artikel 3, lid 24
eerste alinea
Artikel 2, lid 7, ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 2, lid 7, Artikel 28, tweede
tweede alinea, alinea en onder a)
tweede zin en t/m i)
onder a) t/m i)
Artikel 2, lid 7, ---
tweede alinea,
onder j)
Artikel 2, lid 7, ---
derde alinea
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 29, lid 1
Artikel 2, lid 7, Artikel 29, lid 2
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 29, lid 3
Artikel 2, lid 8 Artikel 3, lid 31
Artikel 2, lid 9 ---
Artikel 2, lid 10 ---
Artikel 2, lid 11 Artikel 3, lid 30
Artikel 2, lid 12 Artikel 3, lid 32
Artikel 2, lid 13 ---
Artikel 3 ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 4, lid 2 ---
Artikel 4, leden 3 tot
en met 8
Artikel 5, lid 1 Bijlage V, deel 1,
punt 2, tweede alinea
Bijlage V, deel 1,
punt 2, eerste, derde
en vierde alinea
Artikel 5, lid 2 ---
Artikel 6 ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 7, lid 2 Artikel 30, lid 5
Artikel 7, lid 3 Artikel 30, lid 6
Artikel 8, lid 1 Artikel 40, lid 1
Artikel 8, lid 2, Artikel 40, lid 2,
eerste deel van de eerste deel van de
eerste alinea eerste alinea
Artikel 8, lid 2, ---
tweede deel van de
eerste alinea
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 40, lid 2,
tweede deel van de
eerste alinea
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 40, lid 2,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 40, lid 3
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 41
Artikel 8, lid 2, ---
tweede alinea
Artikel 8, leden 3 ---
en 4
Artikel 9 Artikel 30, lid 1
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 30, leden 2, 3
en 4
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 10, eerste Artikel 30, lid 7,
alinea, eerste zin eerste zin
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 30, lid 7,
tweede zin
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 30, leden 8
en 9
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 31 t/m 35
Artikel 10, eerste ---
alinea, tweede volzin
Artikel 10, tweede ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 12, eerste zin Artikel 38, lid 1
Artikel 12, tweede ---
zin
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 38, leden 2,
3 en 4
--- --- --- --- --- --- --- Artikel 39
Artikel 13 Bijlage V, deel 3,
derde deel van
punt 8
Artikel 14 Bijlage V, deel 4
--- --- --- --- --- --- --- Deel V, deel 5,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Artikel 15 ---
Artikel 18, lid 2 ---
Bijlage I ---
Bijlage II ---
Bijlagen III en IV Bijlage V, punt 2 van
deel 1 en deel 2
Bijlge V A Bijlage V, deel 1,
punt 3
Bijlage V B Bijlage V, deel 2,
punt 3
Bijlage VI A Bijlage V, deel 1,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 1,
punt 5
Bijlage VI B Bijlage V, deel 2,
punten 4 en 6
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 2,
punt 5
Bijlage VII A Bijlage V, deel 1,
punten 7 en 8
Bijlage VII B Bijlage V, deel 2,
punten 7 en 8
Bijlage VIII A, ---
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
Bijlage VIII A, Bijlage V, deel 3,
punt 2 eerste deel van
punt 1 en punten 2, 3
en 5
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 3,
tweede deel van
punt 1
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 3,
punt 4
Bijlage VIII A, ---
punt 3
Bijlage VIII A, Bijlage V, deel 3,
punt 4 punt 6
Bijlage VIII A, Bijlage V, deel 3,
punt 5 punten 7 en 8
Bijlage VIII A, Bijlage V, deel 3,
Richtlijn Richtlijn Richtlijn Richtlijn 2008/1/EG Richtlijn Richtlijn Richtlijn Deze richtlijn
78/176/EEC 82/883/EEC 92/112/EEG 1999/13/EG 2000/76/EG 2001/80/EG
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 3,
punt 11
--- --- --- --- --- --- --- Bijlage V, deel 4
Bijlage VIII B ---
Bijlage VIII C ---
Bijlage VI Bijlage IX Bijlage IX
Bijlage VII Bijlage X Bijlage X
| publicatiedatum | 15-02-2010 |
|---|---|
| kenmerk | 11962/2/09 REV 2 |
