Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op informatie in strafprocedures: - Algemene oriëntatie - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VANBrussel, 6 december 2010 (10.10)

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

17503/10

Interinstitutioneel dossier:

2010/0215 (COD)

DROIPEN 147 COPEN 280 CODEC 1465

RESULTAAT BESPREKINGEN van

de Raad (JBZ) van 3 december 2010

nr. initiatief: 12564/10 DROIPEN 83 COPEN 162 CODEC 727 + ADD 1 + ADD 2

nr. vorig doc.: 16858/1/10 REV 1 DROIPEN 137 COPEN 265 CODEC 1368

Betreft: Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op informatie in strafprocedures:

  • Algemene oriëntatie

Op 3 december 2010 heeft de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken de ontwerptekst besproken van

de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op informatie in

strafprocedures.

BIJLAGE

-

2010/0215 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN .../.../EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende het recht op informatie in strafprocedures

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het voorstel voor een wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité1,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's2,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)3 De Europese Unie stelt zich ten doel een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te

handhaven en ontwikkelen. Volgens de conclusies van de Europese Raad van Tampere van

15 en 16 oktober 1999, en met name punt 33, moet het beginsel van wederzijdse erkenning

(2) Op 29 november 2000 heeft de Raad, overeenkomstig de conclusies van Tampere, een

programma van maatregelen goedgekeurd om uitvoering te geven aan het beginsel

van wederzijdse erkenning van strafrechtelke beslissingen4. In de inleiding van het

programma wordt verklaard dat wederzijdse erkenning "de samenwerking tussen de

lidstaten en de bescherming van de rechten van het individu [moet] versterken".

(3) De toepassing van het beginsel wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen

veronderstelt dat de lidstaten vertrouwen hebben in elkaars strafrechtsstelsels. De omvang

van die wederzijdse erkenning hangt nauw samen met het bestaan en de inhoud van

bepaalde parameters, waaronder regelingen voor de bescherming van de rechten van

verdachten of beklaagden en gemeenschappelijke minimumnormen, die noodzakelijk zijn

om de toepassing van het beginsel wederzijdse erkenning te vergemakkelijken.

(4) Wederzijdse erkenning kan alleen effectief functioneren in een geest van vertrouwen,

waarbij niet alleen de gerechtelijke autoriteiten, maar alle bij de strafprocedure betrokken

actoren beslissingen van de gerechtelijke autoriteiten van de andere lidstaten als

gelijkwaardig aan hun eigen beslissingen beschouwen; daarbij gaat het niet alleen om het

vertrouwen dat de regels van de partners adequaat zijn, maar ook om het vertrouwen dat die

regels correct worden toegepast.

(5) In artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna "het

Handvest" genoemd) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten

van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht op een eerlijk proces

(8) Verbetering van het wederzijdse vertrouwen vereist gedetailleerde regels inzake de

bescherming van de procedurele rechten en waarborgen die voortvloeien uit het Handvest en

het EVRM.

(9) Artikel 82, lid 2, van het Verdrag voorziet in de vaststelling van minimumvoorschriften die

in de lidstaten van toepassing zijn, ter bevordering van de wederzijdse erkenning van

vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in

strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie. Punt b) van artikel 82, lid 2, verwijst

naar "de rechten van personen in de strafvordering" als een van de gebieden waarop

minimumvoorschriften kunnen worden vastgesteld.

(10) Gemeenschappelijke minimumvoorschriften dienen te leiden tot meer vertrouwen in de

strafrechtsstelsels van alle lidstaten, hetgeen weer dient te leiden tot efficiëntere justitiële

samenwerking in een klimaat van wederzijds vertrouwen. Dergelijke gemeenschappelijke

minimumvoorschriften dienen ook voor informatie in strafprocedures te gelden.

(11) Op 30 november 2009 nam de Raad een routekaart ter versterking van de procedurele

rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures aan (hierna "de routekaart"

genoemd)5 . In de routekaart, die een stapsgewijze benadering volgt, wordt opgeroepen tot

de goedkeuring van maatregelen met betrekking tot het recht op vertaling en vertolking, het

recht op informatie over de rechten en informatie over de beschuldiging, het recht op

juridisch advies en rechtsbijstand en het recht op communicatie met familie, werkgever en

consulaire autoriteiten en met betrekking tot bijzondere waarborgen voor kwetsbare

verdachten of beklaagden. In de routekaart wordt benadrukt dat de volgorde van de rechten

(13) De eerste maatregel van de routekaart is een richtlijn van het Europees Parlement en de

Raad betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures7.

(14) Deze richtlijn heeft betrekking op maatregel B van de routekaart. Zij bevat gemeen-

schappelijke minimumnormen die teneinde het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten

te vergroten moeten gelden voor de informatie over de rechten en over de beschuldiging

die aan iemand die verdacht of beschuldigd wordt van een strafbaar feit, moet worden

verstrekt. De richtlijn is geënt op de in het Handvest, meer bepaald de artikelen 6, 47 en 48,

neergelegde rechten, die op hun beurt zijn gebaseerd op de artikelen 5 en 6 EVRM, zoals

uitgelegd door het Europees Hof voor de rechten van de mens. In de mededeling "Een

ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa", het actieplan ter

uitvoering van het programma van Stockholm8, kondigde de Commissie aan in 2010 een

voorstel te zullen presenteren over het recht op informatie.

(15) (...)

(15 bis) In sommige lidstaten is een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank

bevoegd tot het opleggen van sancties met betrekking tot relatief lichte strafbare feiten. Dit

kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot verkeersovertredingen die op grote schaal

worden begaan en die kunnen worden vastgesteld bij een verkeerscontrole. In dergelijke

situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te

waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Indien de wet van een lidstaat erin voorziet dat

(17) (...)

(18) De verdachte of beklaagde moet door de bevoegde autoriteiten tijdig, hetzij mondeling

hetzij schriftelijk, worden ingelicht over de bij het nationale recht toegekende rechten die

essentieel zijn om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, zoals bepaald in

deze richtlijn. Krachtens deze richtlijn dient de verdachte of beklaagde ten minste

informatie te krijgen over het recht op een advocaat, in voorkomend geval het recht op

kosteloos juridisch advies en de voorwaarden waaronder dit advies kan worden verkregen,

het recht op vertolking en vertaling, zwijgrecht en, in geval van aanhouding, de

nationaalrechtelijke termijn vanaf de vrijheidsbeneming waarbinnen hij voor de rechter

moet worden gebracht. Dit laat onverlet dat informatie moet worden verstrekt over andere

procedurele rechten die voortvloeien uit het Handvest, het EVRM, de nationale wetgeving

en de toepasselijke EU-wetgeving zoals uitgelegd door de betrokken rechterlijke instanties.

(18 bis) Met het oog op een praktische en doeltreffende uitoefening van deze rechten dient deze

informatie tijdig te worden verstrekt, met inachtneming van het tijdstip waarop de rechten

voor het eerst in de loop van de procedure zullen gelden, bijvoorbeeld vóór het eerste

politieverhoor. Zodra informatie over een bepaald recht is verstrekt, hoeven de bevoegde

autoriteiten deze informatie niet nog eens te verstrekken, tenzij de specifieke

omstandigheden of de in de nationale wetgeving vastgestelde specifieke rechten daartoe

nopen.

(19 bis) De gearresteerde moet de verklaring van rechten gedurende de volledige periode van

zijn vrijheidsbeneming in zijn bezit kunnen houden. Onder uitzonderlijke omstandigheden,

wanneer dat voor de veiligheid van de gearresteerde of van een ander persoon nodig is,

kunnen de bevoegde autoriteiten besluiten dat de gearresteerde de verklaring van rechten

niet in zijn bezit mag houden, mits hij volledig in kennis is gesteld van de inhoud daarvan.

(19 ter) (...).

(19 quater) Bij het verstrekken van informatie aan de verdachte of beklaagde overeenkomstig deze

richtlijn dienen de bevoegde autoriteiten bijzondere aandacht te besteden aan verdachten of

beklaagden die de inhoud of de betekenis van de informatie niet kunnen begrijpen of volgen

vanwege bijvoorbeeld hun jeugdige leeftijd of hun mentale of fysieke gesteldheid.

(20) Een persoon die ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, dient alle

informatie over de tenlastelegging te ontvangen die hij nodig heeft om zijn verdediging te

kunnen voorbereiden en die met het oog op een eerlijk verloop van de procedure is geboden.

(21) (...)

(21 bis) Voor de toepassing van deze richtlijn moet toegang tot de dossierstukken ten minste

betrekking hebben op de in de nationale wetgeving omschreven materiële bewijsstukken die

(21 ter) De toegang, overeenkomstig deze richtlijn, tot materiële bewijsstukken waarover de

bevoegde autoriteiten ten gunste of ten laste van de betrokkene beschikken, kan

overeenkomstig de nationale wetgeving worden geweigerd, indien de grondrechten van een

ander persoon ernstig in het gedrang dreigen te komen of indien dit strikt noodzakelijk is ter

bescherming van een zwaarwegend algemeen belang. Dit moet worden afgewogen tegen het

recht op verdediging van de verdachte of beklaagde, met inachtneming van de verschillende

stadia van de procedure. Deze beperkingen moeten strikt worden geïnterpreteerd, volgens

het beginsel van het recht op een eerlijk proces, zoals bepaald in het EVRM en uitgelegd in

de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

(21 quater) Toegang tot het dossier kan direct worden verleend, door inzage in de daarin

opgenomen bewijsstukken of documenten toe te staan, of indirect, door kopieën of

informatie over de inhoud ervan te verstrekken, indien de nationale wetgeving dit vereist.

(21 quinquies) De in deze richtlijn bedoelde inzage in de dossierstukken moet kosteloos zijn. Dit

laat onverlet de bepalingen in de nationale wetgeving van de lidstaten die voorzien in de

betaling van rechten voor kopieën uit het procesdossier of van de kosten voor verzending

aan de betrokkene of zijn advocaat.

(22) (...)

(22 bis) Een verdachte of beklaagde of zijn advocaat moet het recht hebben om, overeenkomstig

(23 bis) De lidstaten moeten al het nodige ondernemen om aan deze richtlijn te voldoen. Een

aantal bepalingen, zoals de verplichting de verdachte of beklaagde in eenvoudige en

begrijpelijke bewoordingen informatie over zijn rechten te verstrekken, kan praktisch en

doeltreffend worden geïmplementeerd met verschillende middelen, waaronder niet-

wetgevingsmaatregelen, bijvoorbeeld een passende opleiding voor de bevoegde autoriteiten

of een verklaring van rechten die in een eenvoudige en niet-technische taal is gesteld, zodat

zij gemakkelijk kan worden begrepen door iemand zonder kennis van het strafprocesrecht.

(...)

(25) Het recht van de betrokkene om bij zijn aanhouding te worden geïnformeerd omtrent de

rechten waarin deze richtlijn voorziet, moet van overeenkomstige toepassing zijn op

personen die worden aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel in de zin

van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees

aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten10. [Om de lidstaten

te helpen bij het opstellen van een verklaring van rechten is in bijlage II bij de richtlijn een

modelverklaring van rechten opgenomen waarvan de lidstaten kunnen gebruikmaken. Dit

model is indicatief en kan zowel in het kader van het krachtens artikel 12 van de richtlijn uit

te brengen verslag over de toepassing worden herzien, als wanneer alle maatregelen van de

routekaart in werking zijn getreden]11.

(26) In deze richtlijn worden minimumvoorschriften vastgesteld. De lidstaten kunnen de in deze

richtlijn vervatte rechten uitbreiden om ook in situaties die niet uitdrukkelijk onder deze

richtlijn vallen, een hoger beschermingsniveau te bieden. Het beschermingsniveau mag

nooit lager zijn dan dat van de normen van het EVRM, zoals uitgelegd in de jurisprudentie

(29) Aangezien het doel om gemeenschappelijke minimumnormen tot stand te brengen op

nationaal, regionaal noch lokaal niveau op afdoende wijze door een eenzijdig optreden van

de lidstaten kan worden bereikt, doch enkel op het niveau van de Unie, kunnen het Europees

Parlement en de Raad overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de

Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het

in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan

wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(30) Overeenkomstig de artikelen 1, 2, 3 en 4 van het Protocol betreffende de positie van het

Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht,

dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de

werking van de Europese Unie, hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland laten weten dat

zij wensen deel te nemen aan de aanneming en de toepassing van deze richtlijn.

(31) Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie

en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte protocol betreffende

de positie van Denemarken, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze

richtlijn; deze richtlijn is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

De richtlijn legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie over procedurele

rechten in strafprocedures en procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees

aanhoudingsbevel, alsmede over de tenlastelegging in strafprocedures.

Artikel 2

Toepassingsgebied

  • 1. 
    Deze richtlijn geldt voor eenieder, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van

een lidstaat hem er door middel van een officiële kennisgeving of anderszins overeenkomstig

de nationale wetgeving van in kennis stellen dat hij ervan wordt verdacht of beschuldigd een

strafbaar feit te hebben gepleegd, tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de

uiteindelijke vaststelling dat de verdachte of beklaagde al dan niet het strafbare feit heeft

gepleegd, in voorkomend geval met inbegrip van de veroordeling en de uitspraak in een

eventuele beroepsprocedure.

2. (...)

  • 3. 
    Als de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie wordt

opgelegd door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank en tegen het

Artikel 3

Het recht op informatie over rechten

  • 1. 
    De lidstaten zien erop toe dat eenieder die ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar

feit te hebben gepleegd, informatie krijgt over ten minste de volgende procedurele rechten,

voor zover die van toepassing zijn in hun nationale wetgeving:

  • het recht op een advocaat;
  • eventueel recht op kosteloos juridisch advies en de voorwaarden waaronder dit advies

kan worden verkregen;

  • het recht op vertolking en vertaling;
  • zwijgrecht.

1 bis. De in lid 1 bedoelde informatie wordt verstrekt zodra deze rechten in de loop van de

procedure van toepassing worden en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden

uitgeoefend.

  • 2. 
    De informatie wordt verstrekt in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen.

Artikel 4

Het recht op schriftelijke informatie over rechten bij aanhouding

  • 2. 
    De verklaring van rechten wordt in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen gesteld.

[Bijlage I bij deze richtlijn bevat een indicatief model van een dergelijke verklaring]12.

  • 3. 
    De lidstaten zien erop toe dat de verdachte of beschuldigde de verklaring van rechten

schriftelijk ontvangt in een taal die hij verstaat. Als er geen verklaring van rechten in de

passende taal beschikbaar is, worden de rechten mondeling aan de verdachte of beschuldigde

meegedeeld in een taal die hij verstaat. Aan de betrokkene moet vervolgens onverwijld een

verklaring van rechten worden verstrekt in een taal die hij verstaat.

Artikel 5

Het recht op schriftelijke informatie over rechten in procedures in verband met een Europees

aanhoudingsbevel

De lidstaten zien erop tot dat eenieder die wordt aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging

van een Europees aanhoudingsbevel onverwijld een passende verklaring van rechten ontvangt met

informatie over de nationale wetgeving betreffende ten minste de rechten van de betrokkene als

bedoeld in de artikelen 11, 13, lid 2, en 14 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad. [Bijlage II

bij deze richtlijn bevat een indicatief model van een dergelijke verklaring]13.

Artikel 6

Het recht op informatie over de beschuldiging

  • 1. 
    De lidstaten zien erop toe dat eenieder die wordt aangehouden in kennis wordt gesteld van

de redenen voor zijn aanhouding, met inbegrip van het strafbare feit waarvan hij wordt

verdacht.

1 bis. De lidstaten zien erop toe dat eenieder die in de loop van een strafprocedure officieel als

verdachte of beschuldigde wordt verhoord door de politie of een andere bevoegde autoriteit,

in kennis wordt gesteld van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht.

  • 2. 
    De lidstaten zien erop toe dat eenieder die een strafbaar feit ten laste wordt gelegd,

onverwijld toereikende informatie ontvangt over de aard en de oorzaak van de

beschuldiging, teneinde een eerlijk verloop van de strafprocedure en een daadwerkelijke

uitoefening van zijn recht op verdediging te waarborgen.

  • 3. 
    De in lid 2 bedoelde informatie wordt in bijzonderheden verstrekt uiterlijk bij de indiening

van de tenlastelegging bij het gerecht en omvat:

  • a) 
    een beschrijving van de feiten waarvan de betrokkene wordt verdacht, met opgave van

plaats en tijdstip, en

  • b) 
    de aard van het strafbare feit, met inbegrip van de delictsomschrijving.

Artikel 7

Het recht op toegang tot de dossierstukken

  • 1. 
    De lidstaten zien erop toe dat, ten aanzien van een persoon die in welke fase ook van de

strafprocedure wordt aangehouden en gevangengenomen, alle dossierinformatie die in het

bezit is van de bevoegde autoriteiten en die essentieel is om de rechtmatigheid van de

aanhouding of de voorlopige hechtenis overeenkomstige de nationale wetgeving aan te

vechten, ter beschikking wordt gesteld van de gearresteerde of zijn advocaat.

  • 2. 
    De lidstaten zien erop toe dat de verdachte of beschuldigde of diens advocaat toegang wordt

verleend tot ten minste alle materiële bewijsstukken waarover de bevoegde autoriteiten ten

gunste of ten laste van de betrokkene beschikken, teneinde een eerlijk verloop van de

procedure te waarborgen en de voorbereiding van de verdediging mogelijk te maken.

  • 3. 
    Onverminderd lid 1 wordt met het oog op de daadwerkelijke uitoefening van het recht op

verdediging tijdig toegang tot de in lid 2 bedoelde stukken verleend, uiterlijk bij de indiening

van de tenlastelegging bij het gerecht. Indien de bevoegde autoriteiten in het bezit worden

gesteld van verder bewijsmateriaal, verlenen zij daartoe tijdig toegang, zodat het kan worden

bestudeerd.

  • 4. 
    Bij wijze van uitzondering op de leden 2 en 3 kan, op voorwaarde dat het recht op een eerlijk

proces niet wordt geschonden, de toegang tot bepaalde stukken worden geweigerd indien de

Artikel 8

Verificatie en rechtsmiddelen

  • 1. 
    De lidstaten zien erop toe dat wanneer informatie aan de verdachte of beschuldigde

overeenkomstig artikel 4, lid 1, artikel 5 en artikel 6, lid 1 bis van deze richtlijn wordt

verstrekt, dit wordt geregistreerd aan de hand van de registratieprocedure waarin de

wetgeving van de betrokken lidstaat voorziet.

  • 2. 
    De lidstaten zien erop toe dat een verdachte of beschuldigde of zijn advocaat het recht heeft

om, overeenkomstig de procedures waarin het nationale recht voorziet, het eventuele

verzuim of de eventuele weigering van de bevoegde autoriteiten om informatie

overeenkomstig deze richtlijn te verstrekken, aan te vechten.

Artikel 9

Opleiding

Zonder afbreuk te doen aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de verschillen in

rechterlijke organisatie binnen de Unie, verzoeken de lidstaten degenen die verantwoordelijk zijn

voor de opleiding van bij strafprocedures betrokken rechters, aanklagers, politiefunctionarissen en

justitieel personeel, te voorzien in passende opleiding over de doelstellingen van deze richtlijn.

Artikel 11

Omzetting

  • 1. 
    De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden

om uiterlijk op ... 14 aan deze richtlijn te voldoen.

  • 2. 
    De lidstaten delen de Commissie de tekst van deze bepalingen mee.
  • 3. 
    Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt daarin naar deze richtlijn verwezen

of wordt daarnaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels

voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 12

Verslaglegging

De Commissie dient uiterlijk op .... 15 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin

wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze

richtlijn te voldoen, indien nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Artikel 14

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

_____________

[BIJLAGE I]1

Verklaring van rechten voor verdachten en beschuldigden bij aanhouding (indicatief model)

Dit model is uitsluitend bedoeld als voorbeeld van een verklaring van rechten, teneinde de

nationale autoriteiten te helpen bij de voorbereiding van een dergelijke verklaring op nationaal

niveau:

Als u door de politie wordt aangehouden, heeft u de volgende rechten voor zover zij uit hoofde

van de nationale wetgeving van toepassing zijn:

A. het recht op informatie over het strafbare feit waarvan u wordt verdacht

B. het recht op bijstand van een advocaat

C. het recht op een tolk en een vertaling van de stukken (als u de taal niet verstaat)

D. het recht te weten hoe lang u kunt worden vastgehouden

U mag deze verklaring van rechten tijdens uw voorlopige hechtenis bij zich houden.

 

B. Bijstand van een advocaat

U heeft het recht om met een advocaat te spreken voordat de politie u

begint te verhoren.

Het feit dat u om een advocaat vraagt, maakt u niet verdacht.

De politie moet u helpen om een advocaat te vinden.

De advocaat werkt onafhankelijk van de politie. Hij zal de informatie

die u hem geeft, niet bekendmaken zonder uw toestemming.

U heeft het recht om ongestoord met uw advocaat te overleggen, op het

politiebureau en/of telefonisch.

Als u zich geen advocaat kunt permitteren, moet de politie u informeren

over (gedeeltelijk) gratis rechtsbijstand.

C. Bijstand van een tolk

Als u de taal niet spreekt of verstaat, wordt er een tolk voor u geregeld.

De tolk werkt onafhankelijk van de politie. Hij zal de informatie die u hem geeft, niet bekendmaken zonder uw toestemming.

Ook bij het contact met uw advocaat kunt u zich laten helpen door een

tolk.

De hulp van een tolk is gratis.

U heeft recht op een vertaling van eventuele gerechtelijke bevelen tot

aanhouding of bewaring. Ook mag u vragen om een vertaling van andere stukken die van belang zijn voor het onderzoek.

[BIJLAGE II]1

Verklaring van rechten voor personen aangehouden op grond van een Europees

aanhoudingsbevel (indicatief model)

Dit model is uitsluitend bedoeld als voorbeeld van een verklaring van rechten, teneinde de

nationale autoriteiten te helpen bij de voorbereiding van een dergelijke verklaring op nationaal

niveau:

Als u door de politie wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel, heeft

u de volgende rechten voor zover zij uit hoofde van de nationale wetgeving van toepassing

zijn:

A. het recht te weten waarom u bent aangehouden

B. het recht op bijstand van een advocaat

C. het recht op een tolk en een vertaling van de stukken (als u de taal niet verstaat)

D. het recht te worden gewezen op uw recht om in te stemmen met overlevering

B. Bijstand van een advocaat

U heeft recht op een advocaat. De politie moet u helpen om een

advocaat te vinden.

De advocaat werkt onafhankelijk van de politie. Hij zal de informatie

die u hem geeft, niet bekendmaken zonder uw toestemming.

U heeft het recht om ongestoord met uw advocaat te overleggen, op het

politiebureau en/of telefonisch.

Als u zich geen advocaat kunt permitteren, moet de politie u informeren

over gratis rechtsbijstand.

C. Bijstand van een tolk

Als u de taal niet spreekt of verstaat, wordt er een tolk voor u geregeld.

De tolk werkt onafhankelijk van de politie. Hij zal de informatie die u hem geeft, niet bekendmaken zonder uw toestemming.

Ook bij het contact met uw advocaat kunt u zich laten helpen door een

tolk.

De hulp van een tolk is gratis.

U heeft recht op een vertaling van eventuele gerechtelijke bevelen tot

aanhouding of bewaring. Ook mag u vragen om een vertaling van andere stukken die van belang zijn voor het onderzoek.

E. Recht om te worden gehoord

Als u niet instemt met overlevering aan de lidstaat die u zoekt, heeft u

er recht op voor de rechter te verschijnen om uw motieven toe te lichten.

F. Recht op invrijheidstelling na verstrijken van de uiterste termijn

Als de rechter definitief tot uw overlevering heeft besloten, moet u in de

regel binnen 10 dagen worden overgeleverd. Als u na 10 dagen niet bent

overgeleverd, moeten de autoriteiten u normaal gezien in vrijheid stellen.

Er zijn echter uitzonderingen op deze regel. Raadpleeg hierover dus een

advocaat.

_______________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

20 apr
'10
COM(2010)171 - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm


19 sep
'01
COM(2001)522 - Europees arrestatiebevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de EU


 
publicatiedatum 06-12-2010
kenmerk 17503/10

Inhoud