Europa en de onrust in de Arabische wereld - Hoofdinhoud
Sinds eind 2010 zijn er in de Arabische wereld verschillende demonstraties en revoluties aan de gang. Deze Arabische Lente heeft in Tunesië, Egypte en Libië zelfs geleid tot verandering van het regime en het aftreden van de presidenten en andere leiders. In andere landen duren de protesten nog steeds voort. Het is in veel landen bloedig verlopen en de EU heeft zich hier tegen uitgesproken. Het verschilt per land, wat de EU heeft gedaan om de situatie te veranderen.
Op 17 december 2010 wordt de Tunesische stad Sidi Bouzid opgeschrikt door de publieke zelfverbranding van de 26-jarige Mohammed Bouazizi. Hij verdient geld met de verkoop van groente en fruit. Als de politie zijn spullen in beslag neemt, en de autoriteiten weigeren hem te woord te staan, overgiet hij zichzelf met benzine en steekt hij zichzelf in brand.
De zelfmoord vormt het begin van massale protesten tegen de Tunesische regering. De onrust in Tunesië maakt een kettingreactie los in de rest van de Arabische wereld. Ook in Egypte, Libië, Jordanië, Algerije, Jemen, Bahrein, Iran, Marokko, Oman en Syrië vinden er grootschalige demonstraties plaats tegen de zittende machthebbers. Inmiddels hebben de demonstraties in Tunesië en Egypte geleid tot een machtswisseling, maar in andere Arabische landen wordt er nog altijd gestreden tegen armoede, corruptie en onderdrukking.
Omdat veel van de betrokken landen onder het beleid buurlanden van de Europese Unie vallen, vormt de schending van de mensenrechten een onderwerp van discussie binnen de EU.
De EU roept de regeringsleiders van de Arabische landen op om geen geweld te gebruiken tegen de demonstranten, en respect te hebben voor de fundamentele vrijheden en rechten van de mens.
Naar aanleiding van de opstanden heeft de Europese Unie in mei 2011 het buurlandenbeleid herzien. Daarnaast is 1,24 miljard euro extra ter beschikking gesteld. Op 7 juni 2011 heeft EU-buitenlandvertegenwoordiger Ashton een Europese task force geïnstalleerd om de politieke hervormingen in Noord-Afrika te ondersteunen. In de task force zijn onder andere EDEO, de Europese Commissie, de Europese Investeringsbank en de Europese Ontwikkelingsbank vertegenwoordigd.
Na de zelfmoordactie op 17 december gaan zo'n duizend studenten de straat op. Zij protesteren tegen de hoge werkeloosheid, de hoge voedselprijzen en de in hun ogen corrupte regering van president Zine al-Abidine Ben Ali. Tijdens botsingen tussen demonstranten en de politie vallen minstens vijftig doden. Om de rust terug te laten keren, ontslaat Ben Ali zijn regering.
De demonstranten nemen daar geen genoegen mee, wat ertoe leidt dat Ben Ali op 14 januari 2011 vlucht naar Saoedie-Arabië. Premier Mohamed Ghannouchi vormt een nieuwe regering. Als tijdens protesten in februari opnieuw doden vallen, maakt Ghannouchi op 27 februari bekend af te treden. Vervolgens wordt Beji Caid Essebsi tot premier benoemd. Hij heft op 9 maart de politieke partij van Ben Ali op.
Op 23 oktober 2011 werden er verkiezingen gehouden. Daarbij was, op uitnodiging van Tunesië, een waarnemingsmissie van de EU aanwezig.
Na de gebeurtenissen in Tunesië wordt het ook in Egypte onrustig. Een deel van de bevolking komt in opstand tegen het regime van president Hosni Mubarak. Hij regeert al dertig jaar met harde hand en de demonstranten willen dat de dictatoriale leider vertrekt. De protesten beginnen vreedzaam, maar botsingen tussen demonstranten en aanhangers van Mubarak zijn als olie op het vuur. In korte tijd verandert de sfeer op het Tahrirplein in Caïro van relatief rustig in zeer gewelddadig. Mubarak probeert vervolgens door middel van een aantal beloftes de rust weer te laten keren. Deze beloftes zijn voor de betogers echter onvoldoende en zij blijven protesteren tot Mubarak aftreedt.
Op 11 februari maakt Mubarak bekend op te stappen, maar de demonstraties blijven. Demonstranten willen dat de leiders van het oude regime gestraft worden voor hun daden.
Op 15 februari 2011 barst ook in Libië de bom. In tegenstelling tot de demonstraties in de andere Arabische landen, is de sfeer in Libië vanaf het begin gewelddadig. In de noord-Libische stad Benghazi gaan duizenden jongeren gewapend met brandbommen en stenen de straat op, waar de politie wacht met waterkanonnen, traangas en rubberen kogels.
Het doel van de demonstranten in Libië is het aftreden van dictator Muammar Khaddafi. Hij reageert met het bombarderen van zijn eigen bevolking. Op 18 maart wordt een resolutie van de VN-Veiligheidsraad over het instellen van een vliegverbod voor Libische vliegtuigen boven hun land, aangenomen. Kort daarna vinden de eerste luchtaanvallen plaats op kazernes en schuilplaatsen van Khaddafi, uitgevoerd door Britse en Franse gevechtsvliegtuigen. Op 27 maart neemt de NAVO de leiding van de militaire actie in Libië op zich.
Eind augustus veroveren de opstandelingen Tripoli, het begin van het einde van het regiem-Khaddafi. Op 20 oktober 2011 werd Khaddafi opgepakt tijdens een slag om één van de laatste bolwerken van het oude regime. Enige tijd later bezweek hij aan zijn verwondingen.
Tegelijk met de demonstraties in Egypte en Libië breken er ook in Jordanië protesten uit. De Jordaanse bevolking voelt zich gesterkt door het succes van de Tunesische demonstranten en komt op 22 januari in opstand tegen de hoge voedsel- en brandstofprijzen, de grote armoede en het gebrek aan vrijheid. De Jordaniërs eisen politieke en economische hervormingen.
In Syrië zijn sinds 15 maart 2011 demonstranten op de been. Hun belangrijkste eisen waren in het begin de vrijlating van duizenden politieke gevangenen en een einde aan de wijdverbreide corruptie in het land. Syrië kent sinds 1963 een noodwet die demonstraties verbiedt. Na een aantal dagen van protest bood de Syrische regering haar ontslag aan, maar president Bashar al Assad bleef. De nieuwe regering en president Assad bleven gewelddadig optreden tegen demonstraties.
Momenteel is er vanuit de EU een olie-embargo van kracht. Ook heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen die het aftreden president Assad eist.
Tegen alle verordeningen van de staat in, gaan in februari 2011 duizenden Algerijnen de straat op uit protest tegen het regime van president Abdelaziz Bouteflika. Hoewel de politie hard blijft ingrijpen bij protesten, blijven de demonstranten actief.
In Jemen zijn al sinds half januari 2011 protesten aan de gang. Hier wordt niet alleen geprotesteerd voor grondwetswijzigingen, maar ook tegen het bewind van Ali Abdullah Saleh. Deze president is volgens de betogers ondemocratisch. Grootschalige protesten zijn aan de orde van de dag. Het leger schuwt geweld niet en er vallen vele doden en gewonden. Desondanks lijkt het alsof de macht van Saleh steeds meer afneemt doordat legerleiders en leden van de regering overstappen naar de demonstranten.
Ook in Bahrein gaan op 14 februari 2011 duizenden betogers de straat op. Er wordt gedemonstreerd tegen koning Hamad ibn Isa al-Khalifa. De vooral sjiitische demonstranten verwijten de soennitische regering van al-Khalifa dat deze discrimineert. De regering krijgt in april militaire hulp van Saudi-Arabië in de strijd tegen de demonstraties.
Ook het regime van Mahmoud Ahmedinejad krijgt het zwaar op 14 februari. In Teheran breken massaal protesten uit tegen het bewind en net als in andere Arabische landen treedt de politie hard op. De politie gebruikt traangas, wapenstokken en paintballgeweren. Ahmedinejad blijft roepen niet te zullen wijken voor de demonstranten.
Net als in de andere Arabische landen ontstaat ook in Marokko onvrede over de situatie waarin het land verkeert. De roep om verandering komt voornamelijk van Marokkaanse jongeren, die door de hoge werkloosheid geen toekomst zien in eigen land. In februari gaan teleurgestelde Marokkanen de straat op, met her en der onlusten tot gevolg. De koning van Marokko, Mohammed VI, belooft vervolgens hervormingen.
Eind februari breken ook in Oman protesten uit. In tegenstelling tot demonstranten in andere landen, willen de Omani niet het aftreden van hun leider, sultan Qaboos, maar willen ze alleen meer inspraak in het regeringsbeleid.