De Tweede Kamer behoudt haar missie - Hoofdinhoud
"Er is altijd een Kamer met een volledige en volwaardige missie van de kiezers." Dat zei PPR-fractievoorzitter Bas de Gaay Fortman op 30 mei 1977 tijdens een debat na de val van het kabinet-Den Uyl. De Kamer besprak toen de situatie die was ontstaan door het demissionair worden van het kabinet, vlak voor de verkiezingen. Premier Den Uyl erkende het gelijk van De Gaay Fortman: "De Kamer behoudt haar missie." Uit de gang van zaken bij het Lenteakkoord kun je zelfs concluderen dat in een demissionaire periode het initiatief grotendeels bij de Tweede Kamer kan komen te liggen.
Over wat Kamer en demissionair kabinet in die situatie kunnen en mogen doen, bestaan geen formele regels. Er is een staatsrechtelijke conventie dat controversiële onderwerpen blijven rusten tot na de vorming van een nieuw kabinet. Van belang is daarbij dat de Kamer niet meer de mogelijkheid heeft om het kabinet weg te zenden (door het opzeggen van het vertrouwen), omdat dat immers feitelijk of indirect al is gebeurd. Uiteindelijk is het evenwel de Kamermeerderheid (in beide Kamers) die beslist of iets wel of niet controversieel moet worden verklaard.
Voor een demissionair kabinet of een kabinet met een beperkte missie (zoals voorbereiden van Kamerontbinding) is anderzijds leidend het verzoek van de Koning om alles te blijven doen wat in het belang van het land is. In veel gevallen betrof dat met name de opstelling van de begroting voor het volgende jaar.
Als we naar de parlementaire geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar kijken, dan blijkt dat niet alle demissionaire periodes gelijk waren. Soms kwam er na een conflict een interim-kabinet, maar soms ook bleef het volledige aftredende kabinet aan. In sommige gevallen kon zo'n kabinet bovendien nog steeds rekenen op een Kamermeerderheid, soms was er feitelijk sprake van een 'gedoogconstructie'.
Het in november 1966 aangetreden interim-kabinet-Zijlstra bestond uit ministers van KVP en ARP, maar feitelijk steunde ook de CHU dat kabinet - het was echter niet gelukt een CHU-bewindsman te vinden - en de VVD, SGP en GPV stelden zich welwillend op. Het kabinet-Biesheuvel behield na het uittreden van DS'70 wel formeel zijn missionaire status en kon in belangrijke mate rekenen op steun van kleinere fracties ter rechterzijde en DS'70, waardoor het feitelijk een meerderheidskabinet bleef.
In 1982 bereidde het formeel missionaire, maar materieel gezien demissionaire derde kabinet-Van Agt de begroting voor 1983 voor. Dat behelsde onder meer 13 miljard gulden aan ombuigingen, via bevriezing ambtenarensalarissen, sociale uitkeringen en de kinderbijslag, door verhoging van sociale premies en invoering van een eigenbijdrage in de ziektekostenverzekering, alsmede stijging van de tarieven voor openbaar vervoer en energie. Het opvolgende kabinet-Lubbers I kwam in november 1982 overigens met nog veel verdergaande 'ombuigingen'.
Na de val van het tweede kabinet-Balkenende door het uittreden van D66 werd het derde kabinet-Balkenende gevormd. Dat CDA-VVD-kabinet verzekerde zich van steun van LPF, SGP en (op financieel-economisch gebied) D66. Dat was niet zo vreemd, omdat het conflict met D66 het dossier-Ayaan Hirsi Ali betrof en met name D66-minister Brinkhorst in Balkenende II volop medeverantwoordelijk was geweest voor het economisch beleid.
Overzicht kabinetten na een crisis (zonder tussentijdse verkiezingen)
kabinet |
periode |
reden ontstaan |
steun in TK (tot de verkiezingen) |
status kabinet |
november 1966-februari 1967 |
conflict kabinet-Cals met Tweede Kamer |
76 |
interim (met gedoogsteun) |
|
augustus-november 1972 |
conflict in kabinet (DS'70) |
74 |
interim (rompkabinet) |
|
maart-mei 1977 |
conflict in kabinet (KVP/ARP) |
96 |
demissionair |
|
mei-september 1982 |
conflict in kabinet (PvdA) |
65 |
interim |
|
mei-september 1989 |
conflict met VVD-fractie |
81 |
demissionair |
|
maart-mei 2002 |
rapport over Srebrenica |
97 |
demissionair |
|
oktober 2002-mei 2003 |
opzeggen vertrouwen in LPF |
93 |
demissionair |
|
juli 2006-maart 2007 |
conflict met D66-fractie |
71 |
'interim' (rompkabinet) |
|
maart-juni 2010 |
conflict in kabinet (PvdA) |
47 |
'interim' (rompkabinet) |
|
april 2012- |
conflict met gedoogpartner PVV |
52 |
demissionair |
Demissionaire periodes komen relatief vaker voor in het voorjaar en de zomer (alleen al vanwege het feit dat de reguliere Kamerverkiezingen in mei zijn). Dat is de periode waarin de begroting voor het volgende jaar wordt opgesteld. Soms (bijvoorbeeld in 1971, 1981, 1994, 1998, 2010) viel dit samen met onderhandelingen over een nieuw regeerakkoord, waarbij werd gesproken over belangrijke (nieuwe) ombuigingen.
Het kabinet-Zijlstra bracht de Omroepwet tot stand; een wet die jarenlang issue van politieke strijd was geweest en waarover het kabinet-Marijnen was gevallen. Ook oppositiepartij PvdA werkte mee aan de afhandeling van dat voorstel. Dat is echter een uitzondering.
Als algehele regel geldt dat hoe langer de demissionaire periode duurt, hoe meer recht van spreken het kabinet heeft om toch zaken af te handelen. Het zal zich dan wel van een Kamermeerderheid moeten verzekeren.
Na de crisis die in februari 2010 in het kabinet-Balkenende IV ontstond en na het uittreden van de PvdA-bewindslieden bleef een zeer 'smal' rompkabinet over bestaande uit bewindslieden van CDA en ChristenUnie. Na de verkiezingen van juni 2010 liep het zeteltal van de fracties die het kabinet steunden terug naar 26.
De Tweede Kamer nam na de verkiezingen via een motie-Koolmees/Weekers zelf het initiatief om het kabinet alvast 3,2 miljard van voorgenomen bezuinigingen in te vullen. De motie riep het kabinet tevens op hiervoor parlementaire meerderheden te zoeken. Dit initiatief kan derhalve worden gezien als een 'oefening' voor het Lenteakkoord van dit jaar. Ook bij dat akkoord namen immers Kamerfracties zelf het initiatief. De fracties die de motie-Koolmees/Weekers steunden, waren VVD, D66, PvdA, GroenLinks en SGP, en het was dus een geheel andere combinatie dan bij het Lenteakkoord.