Voorstel Europese Commissie over recht van staking stuit op verzet - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Zetels en interruptiemicrofoons

Op 12 september 2012 heeft de Europese Commissie een voorstel over het stakingsrecht, de zogenaamde Monti II-verordening (COM 2012, 130), ingetrokken. Dit tot tevredenheid van de Nederlandse Tweede Kamer en elf andere nationale parlementen. Die trokken in mei 2012 een 'gele kaart' tegen het voorstel. Het ging om een voorstel voor een verordening over de verhouding van het stakingsrecht met de vrijheden van dienstverlening en vestiging.

De Europese Commissie erkende in eerste instantie dat het stakingsrecht weliswaar een fundamenteel, maar niet absoluut recht is. De rechter kan een afweging maken tussen het stakingsrecht en economische belangen die daardoor worden geschaad. Hiertegen nam de Kamer met algemene stemmen een motie van de PvdA en de SP aan. De Kamer stelt 'dat voor de inperking van het stakingsrecht binnen de EU geen juridische basis is en er ruim voldoende subsidiariteitsbezwaren tegen dit voorstel zijn'.

Opmerkelijk aan deze situatie is het besluit van de Europese Commissie om haar voorstel in te trekken. In principe kan de Commissie in het geval van een gele kaart volstaan met een heroverweging en een nadere argumentatie bij haar voorstel.

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Kritiek

De Monti II-verordening heeft twee oude en fundamenteel tegengestelde ideeën over Europa naar voren gebracht: enerzijds markt versus mensen en anderzijds Europese macht versus nationale zelfbeschikking.

Eind 2007 kwamen die tegenstellingen aan de orde in twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie: Viking Line (11 december 2007, zaak C-438/05) en Laval (18 december 2007, zaak C-341/05). Het Hof erkende in die zaken voor het eerst dat het recht om collectieve actie te voeren, met inbegrip van het stakingsrecht, een grondrecht is dat integraal deel uitmaakt van de algemene beginselen van het EU-recht. Wel is het zo dat de rechter het belang van de staking kan afwegen tegen andere (met name economische) belangen.

Critici wezen erop dat het Hof in de twee arresten stelt dat: "aan de uitoefening (van het stakingsrecht) bepaalde beperkingen kunnen worden gesteld" waarmee het economisch  belang boven het stakingsrecht word geplaatst. Het voorstel van Brussel betekent volgens de Kamer niet een erkenning , maar vooral een inperking van het stakingsrecht en is strijdig met artikel 153, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Daarin staat onder meer dat ondersteuning en aanvulling van de lidstaten door de Unie niet geldt voor het stakingsrecht. 

2.

'Gele kaart'-procedure

In deze zaak werd voor het eerst gebruik gemaakt van de gelekaartprocedure sinds de inwerkingtreding van het Europese Verdrag van Lissabon eind 2009.

Met deze vorm van democratische controle door de parlementen van de lidstaten heeft elk lidstaat twee stemmen. In landen met een tweekamerstelsel (zoals in Nederland, met een Eerste en Tweede Kamer) heeft elke kamer een stem. Met de huidige 27 lidstaten zijn er dus 54 stemmen. Als een derde daarvan (achttien) bezwaar maakt, dan zal de Europese Commissie het voorstel moeten heroverwegen. Mocht de Europese Commissie alsnog besluiten om door te zetten dan moet zij daar redenen voor geven.

Er werd tegen het voorstel over stakingsrecht negentien maal bezwaar aangetekend. Dat is dus meer dan het minimum (achttien). De stemmen waren afkomstig uit Denemarken, Finland, Letland, Luxemburg, Malta, Portugal, Zweden (van al deze landen twee stemmen), België (Kamer van Volksvertegenwoordigers), Frankrijk (Senaat), Nederland (Tweede Kamer), Polen (Lagerhuis) en het Verenigd Koninkrijk (Lagerhuis).

3.

Meer informatie

Inhoud