Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

De slapende reus wordt wakker

Wytze van der Woude (1976) is universitair docent staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Utrecht

Het budgetrecht is één van de oudste parlementaire rechten die kan worden ingezet om de regering te controleren. Het betreft hier bovendien geen controle achteraf, maar controle die vooraf kan worden uitgeoefend. Immers, zonder een van tevoren door de Tweede en Eerste Kamer goedgekeurde begroting kan de regering nauwelijks uitgaven doen en komt er van het verwezenlijken van haar beleidsdoelstellingen weinig terecht.

Al in de eerste helft van de negentiende eeuw werd het zware politieke kaliber dat van dit recht uitging onderkend. Zo sneuvelden in 1839 twee ministers (Van den Bosch en Beelaerts van Blokland), nadat hun begrotingen vanwege politieke onvrede niet werden goedgekeurd. In die tijd was het begrotingsrecht al een reus onder de dwergjes van overige, zwak ontwikkelde parlementaire rechten. Toen het goedkeuren van de begroting in 1848 een jaarlijkse aangelegenheid werd, groeide de statuur van dit recht nog verder. Over de band van het begrotingsrecht bevocht de Tweede Kamer tussen 1866 en 1868 een verruiming van de politieke ministeriële verantwoordelijkheid (de kwestie-Mijer) en dwong zij de vestiging van de nog altijd ongeschreven vertrouwensregel af (de kwestie-Luxemburg). Ook daarna bleef het begrotingsrecht nog lange tijd gelden als politiek breekijzer in handen van met name de Tweede Kamer.

Jaarlijks circus

Met de vestiging van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging, de toenemende rol van politieke partijen en bijbehorende fractiediscipline en de stapsgewijze ontwikkeling van het huidige stelsel van coalitievorming begint het begrotingsrecht veel van zijn politieke glans te verliezen. De laatste begrotingsverwerping die leidt tot het aftreden van een minister vindt plaats in 1919 en daarna wordt het stiller aan het financiële front.

Dat betekent niet dat er niet nog steeds een jaarlijks circus wordt opgetuigd. Kosten noch moeite worden gespaard om een gouden koets te laten rijden en een zo langzamerhand antiek koffertje van een jaarlading aan stof te ontdoen. Er worden zelfs dagen aan parlementaire vergadertijd opgeofferd. Dat kan echter niet het feit verhullen dat een kabinet dat zich steeds gesteund wist door een vaste meerderheid in beide Kamers ervoor zorgde dat het decennialang nooit spannend werd als het om de uiteindelijke, politieke, vraag ging of een meerderheid van de Tweede Kamer de regering met haar ‘zakgeld’ toevertrouwde. De reus was in slaap gesust. En dat niet alleen: in zijn slaap werd deze reus in de dwangbuis van coalitiepolitiek vastgebonden.

Een tweede dwangbuis

In de beide kabinetten-Rutte bleek deze dwangbuis echter behoorlijk te kunnen worden versoepeld. Het naoorlogse Nederland kreeg zijn eerste volwaardige minderheidskabinet (Rutte I) en daarna een kabinet dat in de verste verte niet aan een meerderheid kwam in de Eerste Kamer (Rutte II). Meteen werd het spannend rondom de begroting en er moest in 2012 een heuse regenboogcoalitie aan te pas komen om de regering van een begrotingsfiasco te redden. In 2013 moesten opnieuw verschillende oppositiefracties te hulp schieten om de begroting van het daarop volgende jaar overeind te houden.

Dat de oppositie de coalitie toen niet al meteen heeft laten vallen heeft ongetwijfeld te maken met de bijzondere politieke capaciteiten van onze minister-president en onze minister van Financiën. Wat ook een rol kan hebben gespeeld is dat onze slapende reus de afgelopen jaren in een tweede dwangbuis is gelegd: de financiële crisis en het verscherpte Europese begrotingstoezicht op de lidstaten. Het gegeven dat de financiële manoeuvreerruimte hierdoor ernstig wordt beperkt, zal veel oppositiepartijen tot het besef gebracht hebben dat een politieke wapenstilstand meer oplevert dan politieke oorlog.

Toekomstbestendigheid

Er zijn twee factoren die de toekomstbestendigheid van deze politieke verhoudingen kunnen ondergraven. De eerste is politieke versnippering. Als de huidige peilingen ook maar enigszins bewaarheid worden, zal het buitengewoon moeilijk worden een vaste, laat staan incidentele coalitie(s) te vormen. De tweede is de economische vooruitgang. Naarmate er meer te besteden valt en Nederland zich zonder veel moeite binnen de Europese begrotingsnormen weet te houden, zal de ruimte voor het uitmeten van politieke tegenstellingen alleen maar groter worden.

In dat geval zal de slapende reus ontketend ontwaken en zal het politici van een minder kaliber dan Rutte en Dijsselbloem nog behoorlijke moeite kosten hem weer zachtjes in slaap te sussen.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 26 september 2016.