Parlementaire onderzoeken in historisch perspectief - Hoofdinhoud
Behalve parlementaire enquêtes, waarbij getuigen onder ede kunnen worden gehoord, verrichten (tijdelijke) commissies geregeld onderzoek naar beleidsvraagstukken. Dat onderzoek bestaat meestal zowel uit het horen van personen, als uit het doen van (literatuur)studie. Vaak worden ook externe onderzoekers ingeschakeld om bij het onderzoek te helpen.
Na de discussies over de 'Parlementaire zelfreflectie' werd in 2009 besloten jaarlijks een toekomst- en onderzoeksagenda op te stellen, waarvan er drie worden uitgevoerd. Het kan gaan om onderzoek naar uitvoering van bestaande regelgeving of naar ontwikkelingen op een bepaald beleidsterrein.
Criteria daarbij zijn:
| 1. |
maatschappelijke en politiek relevante en de mate van urgentie |
| 2. |
de meerwaarde van aanvullend parlementair onderzoek |
| 3. |
uitvoerbaarheid binnen een jaar, inclusief de behandeling van de resultaten in de Kamer |
De parlementaire toekomst- en onderzoeksagenda leidde onder meer tot onderzoeken naar arbeidsmigratie en naar onderhoud en innovatie op het spoor.
De Tweede Kamer voerde al in de negentiende eeuw enkele onderzoeken uit. Soms was dat in de vorm van een parlementaire enquête, soms als 'gewoon' onderzoek. De negentiende-eeuwse enquêtes waren vooral toekomstgericht en hadden minder als doel het laten afleggen van verantwoording. De Wet op de enquête bood daarvoor in die tijd ook nauwelijks mogelijkheden.
In de eerste helft van de twintigste eeuw werden via 'gewone' parlementaire onderzoeken soms wel gevoelige politieke kwesties onderzocht, zoals de gang van zaken bij de bestrijding van criminaliteit in Oss. Aan het eind van de jaren vijftig werd een breed parlementair onderzoek uitgevoerd naar de aanschaf van defensiemeterieel. Parlementaire enquêtes werden nauwelijks gehouden.
Pas in de jaren zeventig werd de behoefte aan betere mogelijkheden voor parlementair onderzoek groter. Dit leidde in 1975 tot modernisering van de Wet op de parlementaire enquête. De succesvolle enquête naar de ondergang van het RSV-concern betekende een belangrijk impuls voor parlementair onderzoek. Dat gebeurde nadien overigens lang niet altijd in de vorm van een enquête.
Er zijn in de loop der tijd diverse onderzoeken uitgevoerd door de Tweede Kamer. In het verleden werd daar een speciale commissie mee belast, soms een subcommissie of een werkgroep van enkele leden. Sinds een wijziging van het Reglement van Orde in 1994 wordt een tijdelijke commissie ingesteld, die het onderzoek uitvoert.
In 2011 besloot ook de Eerste Kamer voor het eerst tot het instellen van een parlementair onderzoek: naar privatiseringen over overheidsdiensten.
Soms wordt het om politieke redenen onwenselijk geacht om van enquêtebevoegdheden gebruik te maken, maar ook wordt het onder ede verhoren van getuigen niet altijd nodig geacht. In dergelijke gevallen kan de Kamer ervoor kiezen een parlementair onderzoek in te stellen.
Aangezien de coalitiefracties in het algemeen een meerderheid in de Tweede Kamer hebben, is het voor de oppositie niet mogelijk om zonder steun vanuit één of meer coalitiefracties een parlementair onderzoek te doen houden.
Tijdelijke commissies en parlementaire onderzoeken kunnen een soort 'opstapje' naar een enquête zijn. Zo was er in 1999-2000 een onderzoekscommissie onder voorzitterschap van de D66'er Bert Bakker die onderzoek deed naar de besluitvorming over uitzendingen (van Nederlandse militairen op vredesmissies). In het voorjaar van 2002 kwam een tijdelijke commissie onder voorzitterschap van Eimert van Middelkoop (ChristenUnie) met de aanbeveling een aanvullend parlementair onderzoek naar de gang van zaken rond Srebrenica in te stellen. Zodoende kwam er alsnog een Srebrenica-enquête. De enquêtecommissie stond wederom onder voorzitterschap van Bert Bakker.
Parlementaire onderzoeken zijn overigens niet altijd gericht op reeds uitgevoerd beleid. Het onderzoek naar klimaatverandering (1996) betrof bijvoorbeeld de toekomstige beleidsvorming en had als doel het vergroten van de kennis van Kamerleden. Iets vergelijkbaars gold voor het onderzoek naar biotechnologie (2001).
Hoewel parlementaire onderzoeken (niet zijnde enquêtes) meestal gericht waren op beleidsmatige aspecten, kwamen ook onderzoeken die een belangrijke politieke lading hadden. De uitkomsten van twee onderzoeken leidde tot het aftreden van de verantwoordelijke bewindspersonen.
In 1990 leidde het naar de mening van de PvdA onvoldoende uitvoeren van de aanbevelingen uit een parlementair onderzoek naar visquoteringsregelingen tot het aftreden van minister Braks. In 1996 trad staatssecretaris Linschoten af naar aanleiding van het Tweede Kamerdebat over het CTSV-onderzoek.
Meer over