RAAD VAN Brussel, 25 juli 2006 (26.07)
(OR. en)
DE EUROPESE UNIE
11984/06
Interinstitutioneel dossier:
2006/0134 (CNS)
PECHE 238
VOORSTEL
van:
de Europese Commissie
d.d.: 24 juli 2006
Betreft: Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren
Hierbij gaat voor de delegaties het voorstel van de Commissie dat bij brief van de heer
Jordi AYET PUIGARNAU, directeur, aan de heer Javier SOLANA, secretaris-generaal/hoge
vertegenwoordiger, is toegezonden.
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
Brussel, 24.7.2006 COM(2006) 411 definitief
2006/0134 (CNS)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN DE RAAD
tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de
visserijtakken die deze bestanden exploiteren
TOELICHTING
-
1)ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
110 ·
·
·
· Motivering en doel van het voorstel
Blijkens een recent wetenschappelijk advies van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) hebben de twee kabeljauwbestanden in de Oostzee te lijden van exploitatieniveaus die niet duurzaam zijn. Bij het oostelijke kabeljauwbestand in de ICES-deelsectoren 25 tot en met 32 is sprake van visserijsterfteniveaus die de bestandsgrootte in die mate hebben doen afnemen dat het bestand misschien niet in staat zal zijn zich door voortplanting te herstellen, zodat instorting van het bestand dreigt. Het westelijke kabeljauwbestand in de ICES- deelsectoren 22 tot en met 24 verkeert weliswaar in een iets betere staat, maar is eveneens blootgesteld aan zeer hoge bevissingsniveaus die ertoe leiden dat de fysieke opbrengsten veel kleiner zijn dan wat op lange termijn haalbaar zou moeten zijn.
Het voorstel is er daarom op gericht een meerjarenplan voor het beheer op lange termijn van de bevissing van de kabeljauwbestanden in de Oostzee vast te stellen om te garanderen dat die bestanden worden geëxploiteerd in overeenstemming met het algemene doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid, dat erin bestaat voor duurzame omstandigheden op economisch, milieu- en sociaal gebied te zorgen.
120 ·
·
·
· Algemene context
De Internationale Visserijcommissie voor de Oostzee (IBSFC) heeft in 2003 een beheersplan voor de bevissing van de kabeljauwbestanden in de Oostzee goedgekeurd. Het beheersplan gaf streefwaarden voor het beheer aan en omvatte procedures voor de vaststelling van totaal toegestane vangsten (TAC's) voor de twee bestanden, technische maatregelen ter beperking van de visserij-inspanning en ter verbetering van de selectiviteit bij de kabeljauwvisserij en een verbintenis om verder samen te werken op het gebied van controle en handhaving.
kabeljauwvisserij. Tot deze maatregelen behoren de sluiting van gebieden/perioden om de visserij-inspanning te beperken en maatregelen betreffende het vistuig om de visserij selectiever te maken. Met name is gebleken dat de invoering van het Bacoma-trawlnet (een trawlnet dat in het bovenste deel van de kuil is voorzien van een ontsnappingspaneel met vierkante mazen) een positief effect heeft gehad en de vangsten van ondermaatse kabeljauw heeft verminderd. De technische maatregelen zijn echter niet voldoende geweest om het probleem van niet-duurzame bevissingsniveaus aan te pakken.
De algemene conclusie luidt dat uitvoering en handhaving van het huidige beheersplan van de IBSFC niet mogelijk zijn. Daarom moet het beheersplan worden herzien.
130 ·
·
·
· Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied
Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid bevat de algemene kaderregeling voor een duurzame exploitatie van de visserijhulpbronnen en geeft aan in welke situaties de Raad beheersplannen dient vast te stellen.
Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 bevat alle permanente technische maatregelen voor de instandhouding van de visserijhulpbronnen in de wateren van de Oostzee, de Belten en de Sont. In het bijgaande voorstel zijn echter verdere technische maatregelen voor het beheer op lange termijn van de kabeljauwbestanden opgenomen. Zo wordt onder meer voorgesteld gebieden en perioden voor de kabeljauwvisserij te sluiten.
Verordening (EG) nr. 52/2006 van de Raad van 22 december 2005 tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften bevat een aantal tijdelijke bepalingen voor het beheer van de kabeljauwvisserij in de Oostzee. Voor zover die bepalingen relevant zijn voor het beheer van de kabeljauwbestanden, zijn zij overgenomen in het bijgaande voorstel.
In september 2004 heeft de Commissie de lidstaten en de belanghebbenden een non- paper bezorgd waarin de problemen op het gebied van het beheer van de kabeljauwvisserij en eventueel in een beheersplan op te nemen elementen werden behandeld. Het non-paper werd met de lidstaten besproken in een informele vergadering op 5 oktober 2004. De algemene reacties waren positief. Alle lidstaten steunden de ontwikkeling van een nieuw beheersplan voor de kabeljauwbestanden dat onder meer een regeling ter beperking van de visserij-inspanning zou bevatten. Die steun werd bevestigd in de vergadering van de Raad Visserij in december 2004, waar de Raad en de Commissie zich er in een gemeenschappelijke verklaring toe verbonden om in 2005 een beheersplan op lange termijn voor de kabeljauw in de Oostzee, met inbegrip van een herstelplan voor het oostelijke bestand, te ontwikkelen.
Ten vervolge op de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de Commissie is deze laatste in april 2005 met een herzien non-paper gekomen. Dit non-paper is op 3 mei 2005 op een regionale workshop in Brussel met belanghebbenden en op 6 juni 2005 met de lidstaten besproken.
Zowel de belanghebbenden als de lidstaten steunden de algemene opzet van het in het non-paper ontvouwde beheersplan. Belangrijke punten die aan de orde werden gesteld, waren dat de exploitatie geleidelijk moet worden verminderd tot niveaus die op lange termijn duurzaam zijn, en dat het belangrijk is een systeem voor het beheer van de visserij-inspanning in te voeren dat aanvaardbaar is voor de visserijsector. In dit verband konden noch de lidstaten noch de belanghebbenden instemmen met een soortgelijk systeem als het op de "buitengaats doorgebrachte dagen" gebaseerde systeem dat momenteel voor de Noordzee en de wateren ten westen van Schotland geldt.
Op basis van de reacties van de lidstaten en de belanghebbenden en met inachtneming van een nieuw wetenschappelijk advies van de ICES heeft de Commissie een ontwerp-voorstel voor een verordening van de Raad uitgewerkt. De belanghebbenden werden op 23 augustus 2005 over het ontwerp-voorstel geraadpleegd en de lidstaten werden erover geraadpleegd in de marge van de jaarlijkse vergadering van de IBSFC van 5 tot en met 9 september 2005.
risico's met onomkeerbare gevolgen.
225 Het algemene advies dat van de ICES en het WTECV is ontvangen, is dat, om voor hoge fysieke opbrengsten en voor een gering risico voor de bestanden te zorgen, de visserijsterfte sterk moet worden verlaagd. In de adviezen staat voorts dat een geleidelijke aanpak waarbij de visserij-inspanning stapsgewijs over een aantal jaren tot de aanbevolen niveaus wordt verlaagd, met een hoge mate van waarschijnlijkheid in duurzame bevissingsniveaus zou resulteren, mits die aanpak volledig uitgevoerd en gehandhaafd wordt.
226 Wijze waarop het deskundigenadvies beschikbaar is gemaakt voor het publiek
De adviezen van de ICES en het WTECV zijn op hun respectieve website beschikbaar voor het publiek.
230 ·
·
·
· Effectbeoordeling
De voorgestelde maatregelen zouden bij uitvoering de volgende resultaten opleveren:
-
a)voor de kabeljauwbestanden
· herstel van de kabeljauwbestanden in de Oostzee totdat duurzame niveaus
zijn bereikt, en daarna behoud van die niveaus
· een zodanige verandering van de leeftijdsopbouw dat er meer oudere en
grotere vissen zijn
-
b)voor andere bestanden
· een daling van de visserijsterfte voor de bij de demersale visserij samen
met kabeljauw beviste bestanden (hoofdzakelijk platvisbestanden)
· omdat voor die geassocieerde bestanden geen analytische beoordeling
beschikbaar is, kan niet worden beoordeeld welk effect de lagere visserijsterfte zou hebben op de ontwikkeling van de bestanden en op de vangsten
· een grotere vangst per inspanningseenheid
De economische gevolgen van het beheersplan voor de visserijsector hangen af van de wijze waarop het plan door de lidstaten wordt uitgevoerd. Momenteel is de visserijsterfte bij de twee bestanden twee- à driemaal zo groot als de voorgestelde streefwaarden en om die streefwaarden te bereiken zal de visserij-inspanning verhoudingsgewijs moeten worden verlaagd. Uitvoering van het plan zal daarom een geleidelijke verlaging van de visserij-inspanning met 50 à 75% betekenen. Bij een onveranderde vlootcapaciteit zal dus een evenredige bekorting nodig zijn van de perioden waarin demersale visserij is toegestaan. Wordt echter de capaciteit van de vlootsegmenten
die kabeljauwbestanden exploiteren, bijvoorbeeld door
oplegprogramma's verlaagd, dan zouden de voor demersale visserij opengestelde perioden in mindere mate moeten worden bekort.
-
3)JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL
310 ·
·
·
· Rechtsgrondslag
De rechtsgrondslag voor het bijgaande voorstel is artikel 37 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
Toen het gemeenschappelijk visserijbeleid in 2002 werd hervormd en in Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad een artikel 5 betreffende herstelplannen en een artikel 6 betreffende beheersplannen werden opgenomen, lag het accent op het beheer van afzonderlijke bestanden waarvoor herstelmaatregelen dringend noodzakelijk waren. Voor dergelijke bestanden was een andere aanpak nodig dan voor bestanden die zich duidelijk binnen biologisch veilige grenzen bevonden.
Er zijn echter visserijtakken die door sterke interacties en/of onderlinge verbanden worden gekenmerkt en waarvoor een gezamenlijke beheersaanpak nodig is met het oog op de vaststelling van doelstellingen op lange termijn en de ontwikkeling van een efficiënt beheerskader. Aangezien de twee kabeljauwbestanden waarop het bijgaande voorstel betrekking heeft, door dezelfde vissersvaartuigen worden geëxploiteerd, is het een eerste vereiste dat een meerjarenplan voor langetermijnbeheer op beide bestanden tegelijk wordt toegepast, ook al verschillen die bestanden wat hun staat van instandhouding betreft.
·
·
·
· Evenredigheidsbeginsel
Om de volgende redenen voldoet het bijgaande voorstel aan het
evenredigheidsbeginsel.
331 De kabeljauwbestanden in de Oostzee zijn over het grootste deel van die zee verspreid en kabeljauw komt voor in de wateren van alle lidstaten die aan de Oostzee liggen. Maatregelen die door de lidstaten elk afzonderlijk worden genomen, zullen niet voldoende zijn om een exploitatie van de kabeljauwbestanden in overeenstemming met de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid te garanderen en daarom is een optreden op communautair niveau noodzakelijk.
De kabeljauwvisserij is tot nu toe beheerd door middel van totaal toegestane vangsten, gecombineerd met technische maatregelen. Deze aanpak is onvoldoende gebleken om de exploitatie tot duurzame niveaus te beperken en aanvullende maatregelen op het niveau van de Gemeenschap zijn noodzakelijk. In het bijgaande voorstel gaat het om een geleidelijke inkrimping van de visserij-inspanning ter aanvulling van de jaarlijkse aanpassingen van de totaal toegestane vangsten. Dit gaat gepaard met maatregelen op het gebied van toezicht, inspectie en bewaking.
-
4)GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
409 Het voorstel heeft geen gevolgen voor de Gemeenschapsbegroting.
-
5)AANVULLENDE INFORMATIE
·
·
·
· Evaluatie-/herzienings-/vervalbepaling
531 Het voorstel bevat een evaluatiebepaling.
532 Het voorstel bevat een herzieningsbepaling.
570 ·
·
·
· Nadere uitleg van het voorstel
Het mechanisme voor het bereiken van de streefwaarden is van tweeërlei aard. De visserij-inspanning en de visserijsterfte moeten beide met 10% per jaar worden verlaagd totdat de doelstellingen zijn verwezenlijkt. Specifieke regels geven aan hoe de aanpassingen van de visserij-inspanning zullen worden verricht en hoe wetenschappelijke informatie zal worden gebruikt voor de vaststelling van totaal toegestane vangsten die in overeenstemming zijn met de beperkingen van de visserij- inspanning.
Het plan bevat bepalingen die voorzien in een evaluatie om de drie jaar om na te gaan welke prestaties met de beheersregelingen zijn geleverd en of die regelingen geschikt zijn.
2006/0134 (CNS)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN DE RAAD
tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de
visserijtakken die deze bestanden exploiteren
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,
Gezien het voorstel van de Commissie1,
Gezien het advies van het Europees Parlement2,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Blijkens recent wetenschappelijk advies van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) is het kabeljauwbestand in de ICES-deelsectoren 25 tot en met 32 van de Oostzee afgenomen tot niveaus waarop het lijdt onder een verminderde voortplantingscapaciteit, en wordt dit bestand op niet-duurzame wijze bevist.
(2) Blijkens recent wetenschappelijk advies van de ICES wordt het kabeljauwbestand in de ICES-deelsectoren 22, 23 en 24 van de Oostzee overgeëxploiteerd en heeft het niveaus bereikt waarop het een risico op een verminderde voortplantingscapaciteit loopt.
aanpak van het visserijbeheer en bij te dragen tot doelmatige visserijactiviteiten binnen een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector, daarbij zorgend voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van de kabeljauwvisserij op de Oostzee afhankelijk zijn, en rekening houdend met de belangen van de consumenten.
(6) Om het doel te verwezenlijken moet het oostelijke bestand zich kunnen herstellen tot het zich binnen biologisch veilige grenzen bevindt, en moeten voor beide bestanden niveaus worden gewaarborgd waarop hun volledige voortplantingscapaciteit behouden blijft en de hoogste fysieke opbrengsten op lange termijn kunnen worden verkregen.
(7) Dit kan worden bereikt door een passende methode in te voeren om de visserij- inspanning bij de op kabeljauw vissende visserijtakken geleidelijk te verlagen tot niveaus die te rijmen zijn met het doel, en door de totaal toegestane vangsten (TAC's) voor de kabeljauwbestanden vast te stellen op niveaus die te rijmen zijn met de visserij-inspanning.
(8) Aangezien de vangsten van kabeljauw bij de haring- en de sprotvisserij en bij de zalmvisserij met kieuw- en warnetten zeer beperkt zijn, hoeft de geleidelijke verlaging van de visserij-inspanning niet te gelden voor die visserijtakken.
(9) Om stabiliteit bij de vangstmogelijkheden te waarborgen dient de verandering van de TAC's ten opzichte van het voorgaande jaar te worden beperkt.
(10) Een passend instrument voor de beheersing van de visserij-inspanning is regulering van de duur van de perioden waarin de kabeljauwvisserij is toegestaan.
(11) Om ervoor te zorgen dat de bij de onderhavige verordening vastgestelde maatregelen worden nageleefd, zijn controlemaatregelen nodig ter aanvulling of in afwijking van die welke zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten
3,
Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid
4 en Verordening
(EEG) nr. 2807/83 van de Commissie van 22 september 1983 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de registratie van gegevens over de visvangst van de lidstaten
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN
BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening wordt een meerjarenplan vastgesteld voor de volgende kabeljauwbestanden (hierna "de betrokken kabeljauwbestanden" genoemd) en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren:
(a) kabeljauw die verblijft in de deelsectoren 22, 23 en 24;
(b) kabeljauw die verblijft in de deelsectoren 25 tot en met 32.
Artikel 2
Toepassingsgebied
Deze verordening geldt voor de communautaire vissersvaartuigen (hierna "communautaire vaartuigen" genoemd) die in de Oostzee vissen, en voor de lidstaten die aan de Oostzee liggen (hierna "de betrokken lidstaten" genoemd).
Artikel 3
(d) onder "VMS" wordt verstaan een satellietvolgsysteem (VMS) in de zin van Verordening (EG) nr. 2244/2003 van de Commissie van 18 december 2003 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake satellietvolgsystemen (VMS)
6.
HOOFDSTUK II
DOEL EN STREEFWAARDEN
Artikel 4
Doel en streefwaarden
Het plan waarborgt de duurzame exploitatie van de betrokken kabeljauwbestanden door de visserijsterftecoëfficiënten geleidelijk te verlagen tot en te handhaven op niveaus die niet lager zijn dan:
-
1)0,6 bij de leeftijden van drie tot en met zes jaar voor het kabeljauwbestand in de deelsectoren 22, 23 en 24 en
-
2)0,3 bij de leeftijden van vier tot en met zeven jaar voor het kabeljauwbestand in de deelsectoren 25 tot en met 32.
HOOFDSTUK III
TOTAAL TOEGESTANE VANGSTEN
Artikel 5
en Economisch Comité voor de visserij (WTECV), de hoogste is van de volgende twee hoeveelheden:
-
a)de TAC die in het jaar van toepassing ervan zou resulteren in een verlaging met 10% van de visserijsterftecoëfficiënt vergeleken met de voor het voorgaande jaar geschatte visserijsterftecoëffciënt;
-
b)de TAC die zou resulteren in het in artikel 4 bepaalde niveau van de visserijsterftecoëfficiënt.
-
2.Wanneer de toepassing van lid 1 zou resulteren in een TAC die meer dan 15 % groter is dan de TAC van het voorgaande jaar, stelt de Raad een TAC vast die 15% groter is dan de TAC van dat jaar.
-
3.Wanneer de toepassing van lid 1 zou resulteren in een TAC die meer dan 15% kleiner is dan de TAC van het voorgaande jaar, stelt de Raad een TAC vast die 15% kleiner is dan de TAC van dat jaar.
-
4.Lid 3 geldt niet in het geval dat uit een door het WTECV uitgevoerde wetenschappelijke evaluatie blijkt dat de visserijsterftecoëfficiënt in het jaar van toepassing van de TAC hoger zal zijn dan een waarde van 1 per jaar bij de leeftijden van drie tot en met zes jaar voor het kabeljauwbestand in de deelsectoren 22, 23 en 24 of dan een waarde van 0,6 per jaar bij de leeftijden van vier tot en met zeven jaar voor het kabeljauwbestand in de deelsectoren 25 tot en met 32.
Artikel 7
Afwijking van artikel 6
In afwijking van artikel 6 kan de Raad, indien hij dat passend acht, een TAC vaststellen die kleiner is dan de TAC die voortvloeit uit de toepassing van artikel 6.
-
b)van 15 juni tot en met 14 september in de deelsectoren 25 tot en met
27.
-
2.Elk jaar neeemt de Raad volgens de in de leden 3 en 4 vastgestelde regels met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit over extra perioden in het volgende jaar waarin de visserij met het in lid 1 genoemde vistuig is verboden.
-
3.Wanneer de visserijsterftecoëfficiënt voor één van de betrokken kabeljauwbestanden door het WTECV is geschat op ten minste 10% boven de in artikel 4 bepaalde minimale visserijsterftecoëfficiënt, wordt het totale aantal dagen waarop de visserij met het in lid 1 genoemde vistuig is toegestaan, met 10% verlaagd ten opzichte van het totale aantal dagen waarop die visserij in het lopende jaar is toegestaan.
-
4.Wanneer de visserijsterftecoëfficiënt voor één van de betrokken kabeljauwbestanden door het WTECV is geschat op minder dan 10% boven de in artikel 4 bepaalde minimale visserijsterftecoëfficiënt, is het totale aantal dagen waarop de visserij met het in lid 1 genoemde vistuig is toegestaan, gelijk aan het totale aantal dagen waarop die visserij in het lopende jaar is toegestaan, vermenigvuldigd met het resultaat van de deling van de in artikel 4 bepaalde minimale visserijsterftecoëfficiënt door de door het WTECV geschatte visserijsterftecoëfficiënt.
-
5.Op verzoek van de Commissie bezorgen de lidstaten een beschrijving van de ter naleving van de leden 2, 3 en 4 toegepaste regeling.
-
6.In afwijking van de leden 1 tot en met 4 mogen communautaire vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 m bij de visserij met kieuwnetten, warnetten en/of schakelnetten met een maaswijdte van 110 mm of meer ten hoogste 10% kabeljauw op basis van het levend gewicht aan boord houden en aanlanden.
Artikel 9
Procedure voor de recuperatie van visdagen
-
3.Lidstaten die wensen te profiteren van de in de leden 1 en 2 van het onderhavige
artikel bedoelde toewijzingen, dienen bij de Commissie een verzoek in dat vergezeld gaat van verslagen met de bijzonderheden over de betrokken definitieve beëindigingen van visserijactiviteiten. Op basis van dat verzoek kan de Commissie de visperioden voor de betrokken lidstaat wijzigen volgens de in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure.
Artikel 10
Gebieden waar beperkingen voor de visserij gelden
-
1.Alle visserij is van 1 mei tot en met 31 oktober verboden binnen de gebieden die
worden ingesloten door de punten met de volgende geografische coördinaten, gemeten volgens het WGS84-coördinatenstelsel, achtereenvolgens door middel van loxodromen met elkaar te verbinden:
-
a)Gebied 1:
-
-55°45'NB, 15°30'OL
-
-55°45'NB, 16°30'OL
-
-55°00'NB, 16°30'OL
-
-55°00'NB, 16°00'OL
-
-55°15'NB, 16°00'OL
-
-55°15'NB, 15°30'OL
-
-55°59'NB, 19°13'OL
-
-56°03'NB, 19°06'OL
-
-56°00'NB, 18°51'OL
-
-55°47'NB, 18°57'OL
-
-55°30'NB, 18°34'OL
-
-56°13'NB, 18°27'OL.
-
2.In afwijking van lid 1 is de visserij met kieuwnetten, warnetten en schakelnetten met
een maaswijdte van 157 mm of meer of met beugen toegestaan. Bij de beugvisserij mag geen kabeljauw aan boord worden gehouden.
HOOFDSTUK V
TOEZICHT, INSPECTIE EN BEWAKING
Artikel 11
Speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee
-
1.In afwijking van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten
7 moeten alle communautaire vaartuigen met een lengte over alles van
8 m of meer die in de Oostzee vistuig voor de kabeljauwvisserij aan boord hebben of gebruiken in overeenstemming met artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2187/2005, beschikken over een speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee.
-
2.De lidstaten geven het in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij slechts af aan communautaire vaartuigen die in 2005 over een speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee beschikten overeenkomstig punt 6.2.1 van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 27/2005 van de Raad van 22 december 2004 tot vaststelling, voor 2005, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaaruigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften
-
3.Elke betrokken lidstaat stelt een lijst op van de vaartuigen die over een speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee beschikken, houdt deze lijst bijgewerkt en maakt ze toegankelijk via zijn officiële website.
-
4.De kapitein van een vissersvaartuig waaraan een lidstaat een speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee heeft afgegeven, of diens gemachtige vertegenwoordiger bewaart een kopie van dat visdocument aan boord van het vissersvaartuig.
Artikel 12
Logboeken
-
1.In afwijking van artikel 6, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid
9 houden de kapiteins van alle communautaire
vaartuigen met een lengte over alles van 8 m of meer overeenkomstig artikel 6 van die verordening een logboek van hun activiteiten bij.
-
2.Voor vaartuigen die zijn voorzien van VMS-volgapparatuur, gaan de lidstaten aan de hand van de VMS-gegevens na of de in het visserijcontrolecentrum (VCC) ontvangen gegevens in overeenstemming zijn met de in het logboek vermelde activiteiten. Deze kruiscontroles worden in een voor computers leesbare vorm bewaard gedurende een periode van drie jaar.
-
3.Elke lidstaat zorgt ervoor dat de contactgegevens voor de indiening van de logboeken, de aanvoeraangiften en de in artikel 18 van de onderhavige verordening bedoelde voorafgaande kennisgevingen zijn bijgewerkt, en maakt deze gegevens via zijn officiële website toegankelijk.
genoteerd, aan het VCC van de vlaggenlidstaat. De VCC's van de vlaggenlidstaten zorgen ervoor dat die gegevens in een voor computers leesbare vorm worden bewaard gedurende een periode van drie jaar.
-
3.De lidstaten zorgen ervoor dat hun VCC de in lid 2 van het onderhavige artikel bedoelde gegevens ten minste dagelijks of, op verzoek van het VCC, met kortere tussenpozen ontvangt.
-
4.De vlaggenlidstaten verzenden de overeenkomstig lid 2 van het onderhavige artikel ontvangen gegevens dagelijks aan het VCC van de kuststaat gedurende de periode waarin hun vissersvaartuigen zich in de wateren van die kuststaat bevinden. Het VCC van de kuststaat kan besluiten die gegevens met kortere tussenpozen te verlangen.
Artikel 14
Vastlegging van gegevens over de visserij-inspanning
-
1.De vissersvaartuigen verzenden de in artikel 19 ter van Verordening (EEG) nr. 2847/93 bedoelde gegevens aan het VCC van de vlaggenlidstaat, welk centrum deze gegevens opneemt in zijn geautomatiseerde gegevensbank zoals bedoeld in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2244/2003 van de Commissie.
-
2.Artikel 19 ter van Verordening (EEG) nr. 2847/93 geldt niet voor de vaartuigen die zijn voorzien van VMS-volgapparatuur.
Artikel 15
Toezicht en controle op de visserij-inspanning
Artikel 16
Tolerantiemarge in het logboek
In afwijking van artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2807/83 bedraagt de tolerantiemarge die mag worden toegepast bij de raming van de in kg uitgedrukte hoeveelheden aan boord gehouden vis waarvoor een TAC is vastgesteld, 8% van het cijfer in het logboek.
Voor vangsten die ongesorteerd worden aangeland, bedraagt de tolerantiemarge die bij de raming van de hoeveelheden mag worden toegepast, 8% van de totale hoeveelheid die aan boord wordt gehouden.
Artikel 17
Binnenvaren of verlaten van specifieke gebieden
-
1.Een vissersvaartuig mag slechts met minder dan 100 kg kabeljauw aan boord beginnen te vissen in de deelsectoren 22-24 (gebied A) of de deelsectoren 25-27 (gebied B) van de communautaire wateren.
-
2.Wanneer een vissersvaartuig gebied A, gebied B of de deelsectoren 28-32 (gebied C) met meer dan 100 kg kabeljauw aan boord verlaat:
(a) vaart het rechtstreeks naar een haven binnen het gebied waar het heeft gevist, en brengt het daar de vis aan land of
(b) vaart het rechtstreeks naar een haven buiten het gebied waar het heeft gevist, en brengt het daar de vis aan land.
(c) Wanneer een vaartuig het gebied verlaat waar het heeft gevist, moeten de netten overeenkomstig de onderstaande bepalingen zijn opgeborgen zodat zij niet onmiddellijk kunnen worden gebruikt:
(b) de in levend gewicht uitgedrukte hoeveelheden van elke soort voor alle aan boord gehouden vangsten.
De onder artikel 13 van de onderhavige verordening vallende vaartuigen zijn vrijgesteld van deze verplichting.
-
2.De in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde kennisgeving mag ook worden gedaan door een vertegenwoordiger van de kapitein van het communautaire vaartuig.
-
3.In afwijking van artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 stelt de kapitein van een communautair vaartuig dat meer dan 300 kg kabeljauw, uitgedrukt in levend gewicht, aan boord heeft, of diens gemachtigde vertegenwoordiger de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de aanlanding zal plaatsvinden, ten minste één uur vóór het binnenvaren van een aanvoerplaats in kennis van:
(a) de naam van de aanvoerplaats,
(b) de vermoedelijke tijd van aankomst op de aanvoerplaats,
(c) de in levend gewicht uitgedrukte hoeveelheden van elke soort voor alle aan boord gehouden vangsten.
Artikel 19
Aangewezen havens
-
1.Wanneer een vaartuig meer dan 750 kg kabeljauw, uitgedrukt in levend gewicht, aan boord heeft, mag de kabeljauw uitsluitend in aangewezen havens worden aangeland.
-
2.Elke lidstaat kan de havens aanwijzen waar hoeveelheden kabeljauw uit de Oostzee van meer dan 750 kg moeten worden aangeland.
Artikel 21
IJkpunten voor de inspectie
Elke aan de Oostzee gelegen lidstaat stelt specifieke ijkpunten voor de inspectie vast. Deze ijkpunten worden periodiek herzien nadat de behaalde resultaten zijn geanalyseerd. De ijkpunten voor de inspectie worden geleidelijk verder ontwikkeld totdat de in bijlage I omschreven streefijkpunten worden bereikt.
Artikel 22
Verbod op doorvoer en overlading
-
1.Doorvoer in voor de kabeljauwvisserij gesloten gebieden is verboden tenzij het vistuig dat zich aan boord bevindt, overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder c), stevig vastgemaakt en opgeborgen is.
-
2.Kabeljauw mag slechts worden overgeladen in een haven die door de bevoegde autoriteiten voor overlading is aangewezen.
-
3.Elke lidstaat stelt een lijst van de voor overlading aangewezen havens op, houdt deze lijst bijgewerkt en maakt ze via zijn officiële website toegankelijk.
Artikel 23
Vervoer van kabeljauw uit de Oostzee
In afwijking van artikel 8, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 vult de kapitein van een vissersvaartuig met een lengte over alles van 8 m of meer een aanvoeraangifte in wanneer vis naar een andere plaats dan de plaats van aanlanding of invoer wordt vervoerd.
De aanvoeraangifte vergezelt de in artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 bedoelde documenten.
gezamenlijke inspectie- en bewakingsprogramma voor het volgende jaar te coördineren.
Artikel 25
Nationale actieprogramma's op controlegebied
-
1.De aan de Oostzee gelegen lidstaten stellen in overeenstemming met bijlage II nationale actieprogramma's op controlegebied voor de Oostzee vast.
-
2.De aan de Oostzee gelegen lidstaten stellen in overeenstemming met bijlage I specifieke ijkpunten voor de inspectie vast. Deze ijkpunten worden periodiek herzien nadat de behaalde resultaten zijn geanalyseerd. De ijkpunten voor de inspectie worden geleidelijk verder ontwikkeld totdat de in bijlage I omschreven streefijkpunten worden bereikt.
-
3.Jaarlijks vóór 31 januari maken de aan de Oostzee gelegen lidstaten hun nationale actieprogramma's op controlegebied zoals bedoeld in lid 1 samen met een uitvoeringsschema via hun officiële website toegankelijk voor de Commissie en de andere aan de Oostzee gelegen lidstaten.
-
4.Ten minste eenmaal per jaar belegt de Commissie een vergadering van het Comité voor de visserij en de aquacultuur om de naleving en de resultaten van de nationale actieprogramma's op controlegebied voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee te evalueren.
Artikel 26
Specifiek toezichtsprogramma
In afwijking van artikel 34 quater, lid 1, vijfde alinea, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 kan de looptijd van het specifieke controle- en inspectieprogramma voor de betrokken kabeljauwbestanden langer zijn dan drie jaar.
-
2.In het derde jaar van toepassing van deze verordening en vervolgens om de drie jaar zolang deze verordening van toepassing is, wint de Commissie een wetenschappelijk advies van het WTECV in over het tempo van voortgang in de richting van de in artikel 4 bepaalde streefwaarden. Indien uit het advies blijkt dat het niet waarschijnlijk is dat de streefwaarden worden gehaald, neemt de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit over de aanvullende en/of alternatieve maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de doelstellingen worden verwezenlijkt.
Artikel 28
Herziening van de minimale visserijsterftecoëfficiënten
Indien de Commissie op basis van een advies van het WTECV constateert dat de in artikel 4 bepaalde minimale visserijsterftecoëfficiënten niet in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het beheersplan, neemt de Raad op basis van een voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit over herziene minimale visserijsterftecoëfficiënten die in overeenstemming zijn met het beoogde doel.
HOOFDSTUK VII
SLOTBEPALINGEN
Artikel 29
Intrekkingen
-
1.Verordening (EG) nr. 779/97 van de Raad van 24 april 1997 tot instelling van een regeling voor het beheer van de visserij-inspanning in de Oostzee
Artikel 30
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
BIJLAGE I
SPECIFIEKE IJKPUNTEN VOOR DE INSPECTIE
Doel
-
1.Elke lidstaat stelt in overeenstemming met deze bijlage specifieke ijkpunten voor de inspectie vast.
Strategie
-
2.De inspectie en bewaking van de visserijactiviteiten worden toegespitst op de vaartuigen die waarschijnlijk kabeljauw vangen. Aselecte inspecties van het vervoer
en
de afzet van kabeljauw worden gebruikt als een aanvullend
kruiscontrolemechanisme om te testen of de inspectie en bewaking doeltreffend zijn.
Prioriteiten
-
3.Voor verschillende typen van vistuig moeten onderscheiden prioriteitsniveaus gelden, afhankelijk van de mate waarin de vloten te maken hebben met beperkingen van de vangstmogelijkheden. Om die reden moet elke lidstaat specifieke prioriteiten vaststellen.
Streefijkpunten
-
4.Binnen één maand te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening geven de lidstaten uitvoering aan hun inspectieschema's met inachtneming van de hierna aangegeven streefniveaus.
De lidstaten specificeren welke steekproefstrategie zal worden toegepast, en beschrijven deze strategie.
Op verzoek van de Commissie wordt haar inzage verleend van het door de lidstaat gebruikte steekproefplan.
-
a.Inspectieniveau in de havens
In de regel moet een nauwkeurigheid worden bereikt die ten minste gelijkwaardig is aan die welke zou worden verkregen als met behulp van een eenvoudige aselecte steekproefmethode inspecties zouden worden verricht die betrekking hebben 20 gewichtspercenten van de aanlanding van kabeljauw in alle aanvoerplaatsen.
BIJLAGE II
Inhoud van de nationale actieprogramma's op controlegebied
Er dient naar te worden gestreefd om in de nationale actieprogramma's op controlegebied onder meer het volgende te vermelden.
-
1.CONTROLEMIDDELEN
Personele middelen
1.1. De aantallen aan de wal en op zee in te zetten inspecteurs en de perioden en
gebieden waarin zij zullen worden ingezet.
Technische middelen
1.2. De aantallen patrouillevaartuigen en vliegtuigen en de perioden en gebieden
waarin deze zullen worden ingezet.
Financiële middelen
1.3. De budgettaire toewijzing voor de inzet van personele middelen en van
patrouillevaartuigen en vliegtuigen.
-
2.ELEKTRONISCHE VASTLEGGING EN MELDING VAN GEGEVENS OVER DE VISSERIJACTIVITEITEN
Beschrijving van de systemen die ter naleving van de artikelen 13, 14, 15 en 18 worden gebruikt.
-
3.AANWIJZING VAN HAVENS
In voorkomend geval, de lijst van de havens die overeenkomstig artikel 19 zijn aangewezen voor de aanlanding van kabeljauw.
-
4.BINNENVAREN OF VERLATEN VAN SPECIFIEKE GEBIEDEN
Beschrijving van de systemen die ter naleving van artikel 17 worden gebruikt.
| publicatiedatum | 25-07-2006 |
|---|---|
| kenmerk | 11984/06 |
