Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD overeenkomstig artikel 122, lid 2, van het Verdrag betreffende de aanneming van de eenheidsmunt door Malta op 1 januari 2008 - Montesquieu Instituut

Montesquieu Instituut van wetenschap naar samenleving

Inhoud

enveloppe

Delen

1.

Tekst

 

RAAD VAN Brussel, 22 mei 2007 (06.06)

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

9697/07

Interinstitutioneel dossier:

2007/0092 (CNS)

UEM 104 ECOFIN 210

VOORSTEL

van:

de Europese Commissie

d.d.: 22 mei 2007

Betreft: Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD overeenkomstig artikel 122, lid 2, van het Verdrag betreffende de aanneming van de eenheidsmunt door Malta op 1 januari 2008

Hierbij gaat voor de delegaties het voorstel van de Commissie dat bij brief van de heer Jordi AYET

PUIGARNAU, directeur, aan de heer Javier SOLANA, secretaris-generaal/hoge vertegen-

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Brussel, 16.5.2007 COM(2007) 259 definitief

2007/0092 (CNS)

Voorstel voor een

BESCHIKKING VAN DE RAAD

overeenkomstig artikel 122, lid 2, van het Verdrag

betreffende de aanneming van de eenheidsmunt door Malta op 1 januari 2008

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

Op 3 mei 1998 heeft de Raad besloten dat België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland voldeden aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van de eenheidsmunt op 1 januari 1999. Denemarken en het Verenigd Koninkrijk hebben gebruik gemaakt van hun recht om niet deel te nemen en werden derhalve niet beoordeeld door de Raad. Griekenland en Zweden werden door de Raad beschouwd als lidstaten met een derogatie. Op 19 juni 2000 heeft de Raad besloten dat Griekenland voldeed aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van de euro op 1 januari 2001. De landen die op 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden (Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije), werden overeenkomstig artikel 4 van het desbetreffende Toetredingsverdrag als lidstaten met een derogatie aangemerkt. Op 11 juli 2006 heeft de Raad besloten dat Slovenië voldeed aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van de euro op 1 januari 2007. Bulgarije en Roemenië, die op 1 januari 2007 tot de Europese Unie zijn toegetreden, werden overeenkomstig artikel 5 van het desbetreffende Toetredingsverdrag als lidstaten met een derogatie aangemerkt.

In Artikel 122, lid 2, zijn de procedures voor de intrekking van derogaties neergelegd. Deze procedures moeten ten minste om de twee jaar, dan wel op verzoek van een lidstaat met een derogatie worden ingeleid. Volgens deze procedures moeten de Commissie en de Europese Centrale Bank (ECB) aan de Raad verslag uitbrengen op grond van artikel 121, lid 1, over de vooruitgang die door de lidstaten met een derogatie is geboekt bij de nakoming van hun verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie.

Op basis van haar eigen verslag en dat van de ECB kan de Commissie bij de Raad een voorstel indienen voor een beschikking van de Raad tot intrekking van de derogatie van de lidstaten die aan de nodige voorwaarden voldoen.

In 2006 zijn alle landen met een derogatie door de Commissie en de ECB beoordeeld. Op 27 februari 2007 heeft Malta een verzoek om een nieuwe beoordeling van de convergentie ingediend met de bedoeling op 1 januari 2008 de euro in te voeren ingeval de derogatie zou worden ingetrokken. In reactie op dit verzoek hebben de Commissie en de ECB convergentieverslagen voor Malta opgesteld.

2007/0092 (CNS)

Voorstel voor een

BESCHIKKING VAN DE RAAD

overeenkomstig artikel 122, lid 2, van het Verdrag

betreffende de aanneming van de eenheidsmunt door Malta op 1 januari 2008

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 122, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het verslag van de Commissie1,

Gezien het verslag van de Europese Centrale Bank2,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien de bespreking in de Raad, bijeen in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De derde fase van de Economische en Monetaire Unie (EMU) begon op 1 januari 1999. De Raad, bijeen te Brussel op 3 mei 1998 in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders, heeft besloten dat België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland voldeden aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van de eenheidsmunt op 1 januari 1999

(3) Overeenkomstig punt 1 van het aan het Verdrag gehechte protocol betreffende enkele bepalingen met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland heeft het Verenigd Koninkrijk de Raad ervan in kennis gesteld dat het niet voornemens was op 1 januari 1999 naar de derde fase van de EMU over te gaan. Deze kennisgeving is niet gewijzigd. Overeenkomstig punt 1 van het aan het Verdrag gehechte protocol betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken en het besluit van de staatshoofden en regeringsleiders, bijeen te Edinburgh in december 1992, heeft Denemarken de Raad ervan in kennis gesteld dat het niet aan de derde fase van de EMU zal deelnemen. Denemarken heeft niet om de inleiding van de procedure van artikel 122, lid 2, van het Verdrag verzocht.

(4) Overeenkomstig Beschikking 1998/317/EG heeft Zweden een derogatie in de zin van artikel 122 van het Verdrag. Overeenkomstig artikel 4 van het Toetredingsverdrag

6

hebben Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen en Slowakije een derogatie in de zin van artikel 122 van het Verdrag. Overeenkomstig artikel 5 van het desbetreffende Toetredingsverdrag

7 hebben Bulgarije en Roemenië

een derogatie in de zin van artikel 122 van het Verdrag.

(5) De Europese Centrale Bank (ECB) werd op 1 juli 1998 opgericht. Het Europees monetair stelsel werd vervangen door een wisselkoersmechanisme waarvan de invoering werd overeengekomen bij een resolutie van de Europese Raad van 16 juni 1997 inzake de instelling van een wisselkoersmechanisme in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie

  • 8. 
    De procedures voor een wisselkoersmechanisme in

de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (WKM II) werden neergelegd in de overeenkomst van 1 september 1998 tussen de ECB en de nationale centrale banken van de lidstaten buiten de eurozone waarin de operationele procedures voor een wisselkoersmechanisme in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie zijn neergelegd

9.

(6) In artikel 122, lid 2, van het Verdrag is de procedure voor de intrekking van de derogatie van de betrokken lidstaten neergelegd. Overeenkomstig dat artikel brengen de Commissie en de ECB ten minste om de twee jaar of op verzoek van een lidstaat met een derogatie aan de Raad verslag uit volgens de procedure van artikel 121, lid 1, van het Verdrag. Op 27 februari 2007 heeft Malta een officieel verzoek om een beoordeling van de convergentie ingediend.

(8) Overeenkomstig artikel 1 van het protocol betreffende de in artikel 121 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde convergentiecriteria betekent het in artikel 121, lid 1, eerste streepje, van het Verdrag bedoelde criterium inzake prijsstabiliteit dat een lidstaat een houdbare prijsontwikkeling heeft en een gemiddeld inflatiepercentage dat, gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek, niet meer dan 1,5 procentpunt hoger ligt dan dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren. Voor de toepassing van het criterium inzake prijsstabiliteit, wordt de inflatie gemeten aan de hand van de geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen (HICP's), als omschreven in Verordening (EG) nr. 2494/95 van de Raad

  • 10. 
    Voor de toetsing van het criterium

inzake prijsstabiliteit is de inflatie van een lidstaat gemeten aan de hand van de procentuele verandering van het rekenkundige gemiddelde van twaalf maandelijkse indexcijfers ten opzichte van het rekenkundige gemiddelde van twaalf maandelijkse indexcijfers van de voorgaande periode. Over de in maart 2007 eindigende periode van één jaar waren de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteerden Finland, Polen en Zweden, met een inflatie van respectievelijk 1,3%, 1,5%

en 1,6%. Een referentiewaarde, berekend als het gewone rekenkundige gemiddelde van de inflatiepercentages van de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren, plus 1,5 procentpunt, is in aanmerking genomen in de verslagen van de Commissie en de ECB. De aldus verkregen referentiewaarde over de in maart 2007 eindigende periode van één jaar was 3,0%.

(9) Overeenkomstig artikel 2 van het protocol betreffende de in artikel 121 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde convergentiecriteria houdt het in artikel 121, lid 1, tweede streepje, van het Verdrag bedoelde criterium inzake de begrotingssituatie van de overheid in, dat ten aanzien van de lidstaat op het tijdstip van het onderzoek geen beschikking van de Raad krachtens artikel 104, lid 6, van het Verdrag geldt waarin wordt vastgesteld dat er in de betrokken lidstaat een buitensporig tekort bestaat.

(10) Overeenkomstig artikel 3 van het protocol betreffende de in artikel 121 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde convergentiecriteria betekent het in artikel 121, lid 1, derde streepje, van het Verdrag bedoelde criterium inzake deelneming aan het wisselkoersmechanisme (WKM) van het Europees monetair stelsel dat een lidstaat ten minste gedurende de laatste twee jaar vóór het onderzoek, zonder grote spanningen de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het Europees monetair stelsel heeft kunnen aanhouden.

De betrokken lidstaat mag met name tijdens die periode de bilaterale spilkoers van zijn valuta tegenover die van een andere lidstaat niet op eigen initiatief hebben gedevalueerd. WKM II verschaft sinds 1 januari 1999 het kader waarin de naleving van het wisselkoerscriterium wordt beoordeeld. De Commissie en de ECB hebben, toen zij in hun verslagen nagingen of aan dit criterium werd voldaan, de op 26 april 2007 eindigende periode van twee jaar onderzocht.

(11) Overeenkomstig artikel 4 van het protocol betreffende de in artikel 121 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde convergentiecriteria betekent het in artikel 121, lid 1, vierde streepje, van het Verdrag genoemde criterium inzake de convergentie van het niveau van de rentevoet dat een lidstaat, gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek, een gemiddelde nominale langetermijnrente heeft gehad die niet meer dan twee procentpunten hoger ligt dan die van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren. Voor de toepassing van het criterium betreffende de convergentie van de rentetarieven werden vergelijkbare rentetarieven op benchmarkobligaties van de overheid met een looptijd van tien jaar gebruikt. Om te beoordelen of aan het criterium inzake het niveau van de rentevoet wordt voldaan, is een referentiewaarde, berekend als het gewone rekenkundige gemiddelde van de nominale langetermijnrente van de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren, plus twee procentpunten, in aanmerking genomen in de verslagen van de Commissie en de ECB.

De aldus verkregen referentiewaarde over de in maart 2007 eindigende periode van één jaar was 6,4%.

(12) Overeenkomstig artikel 5 van het protocol betreffende de in artikel 121 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde convergentiecriteria zullen de statistische gegevens die nodig zijn om te beoordelen of aan de convergentiecriteria wordt voldaan, door de Commissie worden verstrekt. De Commissie heeft de voor de voorbereiding van dit voorstel vereiste gegevens verstrekt. De begrotingsgegevens zijn door de Commissie verstrekt op basis van de verslagen die de lidstaten vóór 1 april 2007 hadden overgelegd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad van 22 november 1993 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten

11.

(13) Op grond van de door de Commissie en de ECB uitgebrachte verslagen over de vooruitgang die door Malta is geboekt bij de nakoming van zijn verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie, komt de Commissie tot de volgende conclusie:

  • het begrotingstekort van Malta is op een geloofwaardige en duurzame wijze teruggedrongen tot minder dan 3% van het BBP en de schuldquote is afgenomen in de richting van de referentiewaarde van 60%; de Commissie beveelt de Raad daarom aan de beschikking betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Malta in te trekken;
  • Malta is sinds 2 mei 2005 lid van WKM II; tijdens de periode van twee jaar eindigend op 26 april 2007 is de Maltese lire (MTL) niet aan grote spanningen onderhevig geweest en heeft Malta de bilaterale spilkoers van de MTL tegenover de euro niet op eigen initiatief gedevalueerd;
  • over het in maart 2007 eindigende jaar bedroeg de langetermijnrente in Malta gemiddeld 4,3%, hetgeen lager is dan de referentiewaarde.

Malta heeft een hoge mate van duurzame convergentie bereikt met betrekking tot al deze criteria en voldoet aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van de euro, mits de Raad de beschikking betreffende het bestaan van een buitensporig tekort intrekt.

(14) Op aanbeveling van de Commissie heeft de Raad op 5 juni 2007 de beschikking van de Raad betreffende het bestaan van een buitensporig tekort ingetrokken

12.

(15) De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie welke lidstaten met een derogatie aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van de ene munt voldoen en trekt de derogaties van de betrokken lidstaten in,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Malta voldoet aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van de eenheidsmunt. De in artikel 4 van het Toetredingsverdrag bedoelde derogatie van Malta wordt met ingang van 1 januari 2008 ingetrokken.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

16 mei
'07
COM(2007)259 - Aanneming van de eenheidsmunt door Malta op 1 januari 2008


16 mei
'07
COM(2007)258 - Convergentieverslag 2007 over Malta (op verzoek van Malta opgesteld in overeenstemming met artikel 122, lid 2, van het Verdrag)


16 mei
'06
COM(2006)225 - Voorstel voor een beschikking van de Raadovereenkomstig artikel 122, lid 2, van hetVerdrag betreffende de aanneming van de eenheidsmunt door Slovenië op 1 januari 2007


2 mrt
'05
COM(2005)71 - Wijziging van Verordening (EG) nr. 3605/93, wat de kwaliteit van de statistische gegevens in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten betreft


27 dec
'01
COM(2001)789 - Aanpassing van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegden die zijn vastgelegd in volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag goedgekeurde besluiten van het Europees Parlement en de Raad


3 mei
'00
COM(2000)274 - Aanneming van één munt door Griekenland op 1 januari 2001


9 jan
'95
COM(1994)674 - Geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen


22 jul
'93
COM(1993)371 - Toepassing van het aan het verdrag tot oprichting van de EG gehechte protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten


22 jul
'93
COM(1993)371 - Afgeleid recht voor de tweede fase van de economische en monetaire unie


98/317/EG: Beschikking van de Raad van 3 mei 1998 overeenkomstig artikel 109 J, lid 4, van het Verdrag


 
publicatiedatum 22-05-2007
kenmerk 9697/07

Inhoud