Rapport van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad - Hoofdinhoud
RAAD VAN Brussel, 11 februari 2010
(OR. en)
DE EUROPESE UNIE
6378/10
STATIS 7 SOC 104 ECOFIN 94
INGEKOMEN DOCUMENT
van:
de heer Jordi AYET PUIGARNAU, directeur, namens de secretaris- generaal van de Europese Commissie
ingekomen: 9 februari 2010
aan: de heer Pierre de BOISSIEU, secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie
Betreft: Rapport van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad
Hierbij gaat voor de delegaties Commissiedocument COM(2010) 46 definitief.
EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 9.2.2010 COM(2010)46 definitief
RAPPORT VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE
RAAD
over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad
RAPPORT VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE
RAAD
over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad
-
1.INLEIDING
Dit is het vierde van een reeks van driejaarlijkse rapporten die de Commissie moet voorleggen op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 577/98 betreffende de organisatie van een steekproefenquête naar de arbeidskrachten in de Gemeenschap
1 (hierna "wetgeving inzake de
arbeidskrachtenenquête" genoemd). De Commissie heeft het eerste rapport over de periode 1998-1999 voorgelegd in 2000. Het tweede rapport over de periode 2000-2002 werd voorgelegd in 2003 en het derde rapport over de jaren 2003-2005 in 2006.
Dit rapport beschrijft de vooruitgang die de lidstaten, kandidaat-lidstaten2 en EVA-landen
(hierna de "deelnemende landen" genoemd) in 2006 en 20073 hebben geboekt ten aanzien van
de naleving van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2104/2002 van de Commissie
4 en Verordening (EG) nr. 2257/2003
van het Europees Parlement en de Raad5. Met name Verordening (EG) nr. 2257/2003 heeft
vanaf 2006 diverse innovaties in de wetgeving inzake de arbeidskrachtenenquête opgeleverd,
waaronder:
· zes aanvullende enquêtekenmerken;
· verplichte opname van module n) over atypische werktijden, waarnaar tot dusver op basis
van een herenakkoord werd geënquêteerd;
· een onderscheid tussen kernvariabelen, waarnaar per kwartaal moet worden geënquêteerd,
en structurele variabelen, die slechts als jaargemiddelden moeten worden verzameld en waarvoor een deelsteekproef van de volledige jaarlijkse steekproef kan worden gebruikt.
2.1. Uitvoering van doorlopende kwartaalenquêtes -- artikel 1
De uitvoering van de doorlopende enquête en de productie en verspreiding van de kwartaalresultaten zijn verder verbeterd. Met name is Luxemburg in 2007 begonnen met het opstellen van kwartaalresultaten en is Kroatië overgestapt op een doorlopende enquête. Alleen Turkije en Zwitserland voeren nog geen doorlopende enquête uit. Turkije stelt echter wel kwartaalresultaten op, terwijl Zwitserland de invoering van een doorlopende enquête in 2010 plant.
In 2007 voldeden alle deelnemende landen die een doorlopende enquête uitvoeren, op Bulgarije na, aan de eis dat alle weken van het jaar bestreken moeten zijn. Dit betekent een verbetering voor Hongarije
6, Slovenië en Roemenië, waar tot 2005 slechts van een partiële
dekking sprake was, en voor Kroatië, dat in 2007 de doorlopende enquête invoerde.
Anderzijds hebben Luxemburg, Slovenië, Hongarije, Nederland en Duitsland weinig of geen vooruitgang geboekt op het punt van een uniforme verdeling van de referentieweken over het jaar, daar deze landen nog bijlange niet aan deze eis voldoen.
2.2. Eenheden en waarnemingsgebied van de enquête -- artikel 2
De deelnemende landen gebruiken nog steeds verschillende concepten voor inwoners: sommige zijn gebaseerd op de verblijfsduur en andere op de rechtspositie, wat gewoonlijk administratieve inschrijving in het bevolkingsregister inhoudt.
Wat de dekking van het nationale economische grondgebied betreft, voldoet Frankrijk nog steeds niet aan de eisen omdat de overzeese departementen (départements d'outre mer -- DOM's) in de kwartalen 1, 3 en 4 niet bestreken zijn. Er wordt echter gewerkt aan een volledige dekking voor 2013.
Een ander aspect in verband met de geografische vergelijkbaarheid is dat er voor collectieve huishoudens verschillende nationale praktijken worden gehanteerd. De verschillen betreffen de mate waarin de institutionele populatie in de steekproef wordt bestreken (volledig, partieel of niet), de informatieverzamelingsmethoden (directe steekproeftrekking voor institutionele huishoudens of via het particuliere huishouden waarmee personen in collectieve huishoudens een band hebben) en het al dan niet opnemen van de collectieve huishoudens in de doelpopulatie bij de berekening van de gewichten voor de enquête. Diverse landen zijn niet consequent en bestrijken de collectieve huishoudens niet, maar extrapoleren de steekproef wel naar de totale populatie (België, Ierland, Letland, Malta, Roemenië, Slovenië en Zwitserland). Andere enquêteren personen die in collectieve huishoudens wonen maar houden voor de berekening van de gewichten voor de enquête alleen rekening met de populatie in particuliere huishoudens (Litouwen).
huishoudgegevens volledig in overeenstemming met het regelgevingskader te verstrekken, terwijl Noorwegen meer tijd nodig zal hebben.
2.3. Eisen ten aanzien van de nauwkeurigheid artikel 3, leden 1 en 27
Wat de nauwkeurigheidseisen in artikel 3, lid 1, betreft, werd de drempel van een relatieve standaardafwijking van 8 % voor een geschatte werkloosheid van 5% van de beroepsbevolking zowel in 2006 als in 2007 in 35 NUTS II-regio's van de 288 regio's (292 in 2007) met meer dan 300 000 inwoners overschreden. Deze regio's zijn gelegen in Frankrijk (10 regio's), het Verenigd Koninkrijk (8), Griekenland (5), Polen (5), Roemenië (3), Portugal (2), Bulgarije (1) en België (1). Frankrijk werkt echter aan een nieuwe opzet van de arbeidskrachtenenquête,
met onder meer een geleidelijke vergroting van de
steekproefomvang, waardoor het vanaf begin 2011 aan de eis zou kunnen voldoen. Polen heeft van zijn kant de steekproefomvang voor regio's die niet voldoen aan artikel 3, lid 1, in 2008 en 2009 geleidelijk met gemiddeld 7% vergroot.
Wat de nauwkeurigheidseisen in artikel 3, lid 2, betreft, voldeden Duitsland, Polen en Roemenië niet aan de voorwaarde dat voor deelpopulaties van 5% van de beroepsbevolking de relatieve standaardafwijking voor de schatting van het verschil tussen twee opeenvolgende kwartalen niet meer dan 2% mag bedragen, zoals vastgesteld voor landen met 20 miljoen of meer inwoners. Om aan de eis te voldoen, is Polen voornemens de steekproefomvang vanaf 2010 te verdubbelen. Voor België, Bulgarije, Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Slovenië en Kroatië bedroeg de relatieve standaardafwijking meer dan 3%, het percentage dat als drempel werd vastgesteld voor landen met 1 tot 20 miljoen inwoners.
2.4. Kenmerken van de enquête -- artikel 4, lid 1
Sinds het laatste rapport is een algemene verbetering merkbaar in de volledigheid van de datasets, bijvoorbeeld voor de variabelen in module a) over demografische achtergrond of module f) over zichtbare latente werkloosheid. De zes nieuwe kenmerken die werden ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 2257/2003 werden in 2006 door de meeste landen volledig toegepast
-
8.Sommige deelnemende landen verstrekken echter nog steeds niet alle
verplichte variabelen (en in enkele gevallen geen volledige subsets). Ierland stuurt nog steeds geen correcte gegevens over de samenstelling van huishoudens en over de nationaliteit van respondenten. Niettemin zijn de inspanningen om aan de wetgeving inzake de arbeidskrachtenenquête te voldoen in het najaar van 2009 opgevoerd en kan tegen het einde van het jaar een bevredigende situatie worden verwacht.
Alle deelnemende landen voerden beide speciale modules uit, behalve Kroatië en IJsland in 2006, en Turkije, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Zwitserland in beide jaren
-
9.De aanvankelijke gegevens werden in het algemeen op tijd ingediend, behalve
door Ierland voor 2006 en Denemarken, Frankrijk, IJsland en Noorwegen voor 2007. Vaak moesten echter herhaaldelijk herziene gegevens worden ingediend om een correcte dataset te verkrijgen. Sommige landen weken af van de verplichte referentieperiode, die ofwel het gehele jaar of het tweede kwartaal was. Voor de module 2007 hanteerde het Verenigd Koninkrijk kwartaal 1 als referentieperiode, terwijl Nederland en Oostenrijk de steekproef over meer dan één kwartaal spreidden maar niet het gehele jaar bestreken.
2.6. Definitie van werkloosheid en de twaalf principes voor het formuleren van de vragenlijsten -- artikel 4, lid 3
In 2006 en 2007 pasten acht landen -- Italië, Luxemburg, Letland, Hongarije, Roemenië, Slowakije, Kroatië en Noorwegen -- hun vragenlijst aan om deze beter af te stemmen op de definitie van werkloosheid in Verordening (EG) nr. 1897/2000 van de Commissie
-
10.Eind
2007 voldeden Denemarken, Frankrijk, Italië, Letland, Oostenrijk, Roemenië, Noorwegen en Zwitserland volledig aan de eisen. De meeste problemen in de landen die niet aan de eisen voldeden, hadden nog steeds te maken met de referentieperiode voor de beschikbaarheid voor werk (België, Bulgarije, Tsjechië, Griekenland, Ierland, Cyprus, Litouwen, Luxemburg, Hongarije, Malta, Nederland, Polen, Slovenië, Finland, Kroatië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Turkije, IJsland) en met follow-upvragen om de arbeidssituatie te controleren van personen die tijdelijk werkloos zijn (Bulgarije, Tsjechië, Duitsland, Luxemburg, Nederland, Portugal, Slowakije, Zweden, Verenigd Koninkrijk, Kroatië,
IJsland). Spanje, het Verenigd Koninkrijk en IJsland stelden de
minimumleeftijdsgrens vast op 16 jaar, terwijl Estland, Ierland, Slovenië en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië geen juiste controles uitvoerden voor personen die geen werk zochten omdat ze al een baan hadden gevonden.
In 2006 en 2007 veranderden diverse landen hun vragenlijsten om ze beter af te stemmen op de twaalf principes voor het formuleren van de vragenlijst. In 2007 werden echter alleen de principes 8 en 11 door alle deelnemende landen nageleefd.
De meeste afwijkingen hadden nog steeds betrekking op:
Ierland, Malta en Kroatië begonnen nog steeds met vragen over de hoofdactiviteit, in strijd met principe 1. Nederland wendde de huidige situatie aan als referentieperiode voor werk en week daarmee af van principe 6, en stelde vragen over het zoeken naar werk alleen aan degenen die de wens om te werken hadden geuit, wat in strijd is met principe 7
-
11.Vier landen
-- Spanje, Oostenrijk, Roemenië en Zweden -- leefden alle principes volledig na12.
Diverse landen hebben hun vragenlijst na 2007 veranderd of waren voornemens dat de komende jaren te doen, teneinde de definitie van werkloosheid na te leven of de twaalf principes volledig in acht te nemen (zie tabel 15). Litouwen heeft zich ertoe verbonden vanaf 2010 aan beide eisen te voldoen.
2.7. Structurele variabelen -- artikel 4, lid 4
Zeven landen, namelijk Spanje, Duitsland, Frankrijk, Nederland, Finland, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen, maakten in 2006 en 2007 gebruik van de mogelijkheid om te enquêteren naar structurele (jaarlijkse) variabelen op een deelsteekproef van de volledige jaarlijkse steekproef. Alleen Spanje gebruikte een deelsteekproef voor bijna alle 42 structurele variabelen. Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen maakten voor ongeveer de helft ervan van de mogelijkheid gebruik, terwijl Finland, Duitsland en Frankrijk dat voor een zeer beperkt aantal jaarlijkse variabelen deden. Sommige landen zorgden niet voor consistentie van de totalen tussen de jaarlijkse substeekproef en het jaarlijkse gemiddelde van de kwartaalresultaten. Bovendien, en waarschijnlijk als gevolg van aanvankelijke technische moeilijkheden bij het gebruik van een deelsteekproef, werden jaarlijkse gewichten in het algemeen vrij laat verstrekt voor het jaar waarin de deelsteekproef werd ingevoerd, waardoor de jaarresultaten niet tijdig konden worden verspreid.
2.8. Indiening van resultaten -- artikel 6
Bijna alle deelnemende landen dienden hun aanvankelijke gegevens binnen de vastgestelde termijn van twaalf weken in. Vaak moesten echter herhaaldelijk opnieuw gegevens worden ingediend, wat veel tijd kostte. Wat de naleving van de termijn voor de indiening van correcte bestanden betreft, verstrekten alleen Spanje en Portugal microgegevens voor alle kwartalen van 2006 en 2007 steeds op tijd, terwijl Malta, Kroatië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en IJsland alle gegevens voor beide jaren te laat indienden en België, Ierland, Italië, Turkije en Zwitserland
maar waarvan door sommige landen werd afgeweken. De kwaliteit van zowel de nationale als de EU-arbeidskrachtenenquêtes als geheel is dus verbeterd, vooral wat relevantie, nauwkeurigheid, geografische vergelijkbaarheid en tijdigheid betreft.
Alle lidstaten voeren nu een doorlopende enquête uit die kwartaalresultaten oplevert en bijna allemaal
bestrijken ze alle weken van het jaar. De relevantie van de
EU-arbeidskrachtenenquête nam toe aangezien zes nieuwe kenmerken werden toegepast, het aantal niet-verstrekte verplichte variabelen verminderde en twee bijkomende landen microgegevens naar Eurostat sturen. De vergelijkbaarheid tussen de landen verbeterde omdat diverse landen hun vragenlijsten hebben herzien om beter aan de definitie van werkloosheid en aan de twaalf principes voor de vragen over de arbeidssituatie te beantwoorden. Vele nationale enquêtes werden nauwkeuriger dankzij een betere opzet en een betere organisatie, bijvoorbeeld door een grotere steekproefomvang, een efficiëntere rotatie, een uitgebreider wegingssysteem of de invoering van computerondersteunde methoden in plaats van papieren vragenlijsten. Op een paar uitzonderingen na is ook de tijdigheid van de gegevensindiening verbeterd.
Aan andere verbeteringen wordt zowel op nationaal als op Europees niveau al gewerkt. Een verdere impuls voor de kwaliteit van de EU-arbeidskrachtenenquête kan de komende jaren worden verwacht van de uitvoering van de 43 aanbevelingen van de taskforce inzake de arbeidskrachtenenquête
14.
De wetgeving inzake de arbeidskrachtenenquête werd echter nog niet volledig uitgevoerd. De voornaamste zorgen van de Commissie hieromtrent worden hieronder vermeld.
De kwaliteit van de eerste gegevenstoezendingen was soms onvoldoende om verspreid te kunnen worden en diverse herzieningen waren nodig alvorens een aanvaardbare versie beschikbaar was. Dit had negatieve gevolgen voor de tijdigheid van de gegevensverspreiding. Daardoor kon geen tijdschema voor de bekendmaking van de gegevens uit de arbeidskrachtenenquête ("release calendar") worden opgesteld, wat door de gebruikers ten zeerste zou zijn geapprecieerd en wat de relevantie van de enquête nog meer ten goede was gekomen.
verbeteren, hetzij op regionaal niveau, hetzij wat de schattingen van het verschil tussen kwartalen betreft.
Weinig landen hebben tot dusver gebruikgemaakt van de mogelijkheid om door middel van een deelsteekproef naar structurele variabelen te enquêteren, wat bedoeld was als een belangrijk hulpmiddel om de responslast te verlichten.
Wat de speciale modules betreft, waren de dekking en de naleving van de termijnen voor gegevenstoezending bevredigend. De Commissie zal nauw met de lidstaten blijven samenwerken om ervoor te zorgen dat zij de wetgeving inzake de arbeidskrachtenenquête volledig naleven. Eurostat ziet regelmatig toe op de naleving van de wetgeving. Wanneer wordt geconstateerd dat deze niet wordt nageleefd, neemt de Commissie passende maatregelen.
| publicatiedatum | 11-02-2010 |
|---|---|
| kenmerk | 6378/10 |
