EUROPESE UNIE
HET EUROPEES PARLEMENT DE RAAD
-
Brussel, 9 november 2010
(OR. en)
2009/0142 (COD) PE-CONS 40/10
EF 104 ECPFO, 523 SIRE 48 CPDEC 834
WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN
Betreft:
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie
VERORDENING (EU) Nr. .../2010
VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van
tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit
(Europese Bankautoriteit),
tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG
en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank1,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité2,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure3,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) De financiële crisis in 2007 en 2008 heeft grote tekortkomingen in het financiële toezicht
aan het licht gebracht, zowel wat het toezicht op individuele instellingen als wat het
toezicht op het financiële stelsel als geheel betreft. Nationale toezichtmodellen zijn dan
ook niet meer berekend op de financiële globalisering en de geïntegreerde en vervlochten
Europese financiële markten waarop tal van financiële instellingen over de grenzen heen
actief zijn. De crisis heeft tekortkomingen op het gebied van samenwerking, coördinatie,
de consistente toepassing van het Unierecht en vertrouwen tussen nationale toezicht-
houders aan het licht gebracht.
(2) Voor en tijdens de financiële crisis heeft het Europees Parlement opgeroepen over te gaan
tot een meer geïntegreerd Europees toezicht teneinde op Unieniveau voor alle marktdeel-
nemers werkelijk gelijke marktvoorwaarden te creëren en rekening te houden met de toe-
nemende integratie van de financiële markten binnen de Unie (namelijk in zijn resoluties
van 13 april 2000 over de mededeling van de Commissie Tenuitvoerlegging van het
kader voor financiële markten: een actieplan1, van 21 november 2002 over de regels inzake
bedrijfseconomisch toezicht in de Europese Unie2, van 11 juli 2007 over het beleid op het
gebied van financiële diensten (2005-2010) Witboek3, van 23 september 2008 met
aanbevelingen aan de Commissie inzake hedgefondsen en private equity4, van
9 oktober 2008 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de Lamfalussy follow-
up: de toekomstige toezichtstructuur5, en in zijn standpunten van 22 april 2009 over het
gewijzigde voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende
de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf
(Solvabiliteit II)6 en van 23 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het
Europees Parlement en de Raad over ratingbureaus7).
(3) In november 2008 heeft de Commissie een groep op hoog niveau onder voorzitterschap
van de heer Jacques de Larosière opdracht gegeven aanbevelingen te doen over de wijze
waarop de Europese toezichtregelingen kunnen worden versterkt met het oog op een betere
bescherming van de burgers en het herstel van het vertrouwen in het financiële stelsel. In
zijn eindverslag van 25 februari 2009 ("verslag-de Larosière") formuleerde de groep op
hoog niveau de aanbeveling dat het toezichtkader moest worden versterkt om het risico en
de ernst van toekomstige financiële crises te verminderen. De groep op hoog niveau heeft
aanbevolen de toezichtstructuur voor de financiële sector in de Unie te hervormen. De
groep heeft tevens geconcludeerd dat een Europees Systeem van financiële toezicht-
houders, bestaande uit drie Europese toezichthoudende autoriteiten, één voor de bank-
sector, één voor de effectensector en één voor de sector verzekeringen en bedrijfs-
pensioenen, en heeft aanbevolen een Europees Comité voor systeemrisico's te creëren. Het
verslag presenteert de hervormingen die de deskundigen noodzakelijk achten en die
onmiddellijk ter hand dienen te worden genomen.
(4) In haar mededeling van 4 maart 2009 "Op weg naar Europees herstel" stelde de Commissie
voor met ontwerpwetgeving te komen tot instelling van een Europees Systeem voor
financieel toezicht en een Europees Comité voor systeemrisico's. In haar mededeling van
27 mei 2009 "Europees financieel toezicht" verstrekte zij nadere bijzonderheden over de
mogelijke architectuur van het nieuwe toezichtkader, waarin de belangrijkste ideeën uit het
verslag-de Larosière zijn terug te vinden.
(5) De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 19 juni 2009 bevestigd dat er een Europees
Systeem van financiële toezichthouders, bestaande uit drie nieuwe Europese toezicht-
houdende autoriteiten, dient te worden ingesteld. Het systeem moet gericht zijn op het
verbeteren van de kwaliteit en consistentie van het nationale toezicht, het versterken van de
controle op grensoverschrijdende groepen en het opstellen van één Europees "rulebook"
dat op alle financiële instellingen op de interne markt van toepassing is. De Europese Raad
heeft beklemtoond dat de Europese toezichthoudende autoriteiten tevens bevoegd moeten
zijn voor het toezicht op kredietwaardigheidsbeoordelaars (ratingbureaus), heeft de
Commissie uitgenodigd concrete voorstellen op te stellen over de wijze waarop het
Europees Systeem van financiële toezichthouders een sterke rol kan spelen in crisis-
situaties en heeft bovendien benadrukt dat besluiten van Europese toezichthoudende
autoriteiten geen afbreuk mogen doen aan de budgettaire verantwoordelijkheden van de
lidstaten.
(6) De Europese Raad van 17 juni 2010 was het erover eens dat "de lidstaten regelingen voor
heffingen en belastingen moeten invoeren op financiële instellingen teneinde de lasten
billijk te verdelen en stimulansen tot beperking van systeemrisico's te scheppen. Dergelijke
heffingen en belastingen moeten deel uitmaken van een geloofwaardig afwikkelingskader.
De voornaamste kenmerken van die heffingen en belastingen moeten dringend nader
worden uitgewerkt en er moet zorgvuldig worden gekeken naar aspecten die gelijke
spelregels moeten garanderen, en naar de cumulatieve effecten van de verschillende
(7) De financiële en economische crisis heeft reële en serieuze risico's voor de stabiliteit van
het financiële stelsel en de werking van de interne markt teweeggebracht. Het herstellen en
in stand houden van een stabiel en betrouwbaar financieel stelsel is een absoluut
noodzakelijke voorwaarde om het vertrouwen in en de samenhang van de interne markt te
bewaren en aldus betere voorwaarden te scheppen voor de instelling van een volledig
geïntegreerde en goed functionerende interne markt voor financiële diensten. Bovendien
bieden diepere en sterker geïntegreerde financiële markten meer mogelijkheden voor
financiering en risicospreiding, waardoor zij ertoe bijdragen dat economieën beter in staat
zijn om schokken op te vangen.
(8) De Unie heeft de grenzen bereikt van hetgeen haalbaar is met de huidige status van de
comités van Europese toezichthouders. Het is op termijn onhoudbaar dat in de Unie een
situatie blijft bestaan waarin geen mechanisme voorhanden is om ervoor te zorgen dat
nationale toezichthouders tot de best mogelijke toezichtbeslissingen komen met betrekking
tot grensoverschrijdende financiële instellingen, waarin onvoldoende samenwerking en
informatie-uitwisseling tussen nationale toezichthouders plaatsvindt, waarin een
gezamenlijk optreden van nationale autoriteiten ingewikkelde regelingen vereist omdat met
een lappendeken van regulerings- en toezichteisen rekening moet worden gehouden,
waarin nationale oplossingen veelal de enige haalbare optie zijn om op problemen op het
niveau van de Unie te reageren en waarin uiteenlopende interpretaties van dezelfde
wettekst bestaan. Met de oprichting van het Europees Systeem voor financieel toezicht
(European System of Financial Supervision - ESFS) wordt beoogd deze tekortkomingen te
(9) Het ESFS moet een geïntegreerd netwerk zijn van nationale en op Unieniveau toezicht-
houdende autoriteiten, waarbij het dagelijkse toezicht op financiële instellingen op
nationaal niveau blijft. Tevens moet een grotere harmonisatie en de coherente toepassing
van de regels voor de financiële instellingen en markten in de gehele Unie worden bereikt.
Naast de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (hierna "de
Autoriteit") (European Supervisory Authority (European Banking Authority - EBA))
moeten ook een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor
verzekeringen en bedrijfspensioenen) (European Supervisory Authority (European
Insurance and Occupational Pensions Authority - EIOPA)) en een Europese toezicht-
houdende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (European Supervisory
Authority (European Securities and Markets Authority - ESMA)) worden opgericht, alsook
een Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten (hierna "het
Gemengd Comité"). Een Europees Comité voor systeemrisico's (European Systemic Risk
Board - ESRB) moet deel uitmaken van het ESFS voor de in deze verordening en in
Verordening (EU) nr. .../2010* omschreven taken.
(10) De Europese toezichthoudende autoriteiten (European Supervisory Authorities - ESA's)
moeten het Comité van Europese bankentoezichthouders, opgericht bij Besluit 2009/78/EG
van de Commissie1, het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en
bedrijfspensioenen, opgericht bij Besluit 2009/79/EG van de Commissie2, en het Comité
van Europese effectenregelgevers, opgericht bij Besluit 2009/77/EG van de Commissie3
vervangen en alle taken en bevoegdheden van deze comités overnemen, inclusief, voor
zover van toepassing, de voortzetting van lopende werkzaamheden en projecten. Het
werkterrein van elke Europese toezichthoudende autoriteit moet duidelijk worden
afgebakend. De ESA's dienen tegenover het Europese Parlement en de Raad verant-
woordingsplichtig te zijn. Wanneer die verantwoordingsplicht sectoroverschrijdende zaken
betreft die via het Gemengd Comité gecoördineerd zijn geweest, moeten de ESA's
verantwoording verschuldigd zijn voor de coördinatie via het Gemengd Comité.
(11) De Autoriteit dient te handelen met het oog op het verbeteren van de werking van de
interne markt, in het bijzonder door een hoog, effectief en consistent niveau van regulering
en toezicht te verzekeren, rekening houdend met de verschillende belangen van alle lid-
staten en de diverse aard van financiële instellingen. De Autoriteit moet collectieve
waarden zoals de stabiliteit van het financiële stelsel, de transparantie van markten en
financiële producten en de bescherming van depositohouders en beleggers garanderen. De
Autoriteit moet ook reguleringsarbitrage voorkomen en gelijke marktvoorwaarden
garanderen, en de internationale coördinatie van het toezicht versterken, ten voordele van
de economie in het algemeen, daaronder begrepen de financiële instellingen en andere
stakeholders, consumenten en werknemers. Tot haar taken behoren ook het bevorderen van
convergentie op het gebied van toezicht en het verstrekken van adviezen aan de
instellingen van de Unie op het gebied van het bankwezen, betalingsverkeer, regulering en
toezicht inzake elektronisch geld en daarmee verband houdende kwesties op het gebied van
ondernemingsbestuur, accountantscontrole en financiële verslaglegging. Ook moet de
Autoriteit worden belast met bepaalde verantwoordelijkheden voor bestaande en nieuwe
(12) De Autoriteit moet daarnaast bepaalde financiële activiteiten tijdelijk kunnen verbieden of
beperken als deze een bedreiging vormen voor het ordelijk functioneren en de integriteit
van de financiële markten of voor de stabiliteit van het geheel of van een deel van het
financiële stelsel in de Unie, in de gevallen die gespecificeerd en onder de voorwaarden die
vastgelegd zijn in de in deze verordening bedoelde wetgevingshandelingen. Indien in een
noodsituatie vereist is dergelijk tijdelijk verbod in te stellen, dient de Autoriteit dit te doen
overeenkomstig deze verordening en de daarin bepaalde voorwaarden. In gevallen waarin
een tijdelijk verbod of een tijdelijke beperking van bepaalde financiële activiteiten een
sectoroverschrijdend effect heeft, moet de sectorale wetgeving bepalen dat de Autoriteit in
voorkomend geval via het Gemengd Comité de Europese toezichthoudende autoriteit
(Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezicht-
houdende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) dient te raadplegen en
haar werk met die instanties dient te coördineren.
(13) De Autoriteit moet naar behoren rekening houden met de gevolgen van haar activiteiten
voor de mededinging en de innovatie op de interne markt, voor het concurrentievermogen
van de Unie in mondiaal perspectief, voor financiële inclusie en voor de nieuwe Unie-
strategie voor banen en groei.
(14) Om haar doelstellingen te kunnen verwezenlijken, dient de Autoriteit rechtspersoonlijkheid
en administratieve en financiële autonomie te bezitten.
(15) Gezien het werk van internationale instanties dient systeemrisico gedefinieerd te worden
als het risico op verstoring van het financiële stelsel met mogelijke ernstige gevolgen voor
de interne markt en de reële economie. Alle soorten financiële tussenpersonen, markten en
infrastructuur zijn tot op zekere hoogte potentieel systeemrelevant.
(16) Grensoverschrijdend risico omvat alle risico's als gevolg van economische onevenwichtig-
heden of financiële debacles in de gehele Unie of delen daarvan, die significante negatieve
consequenties kunnen hebben voor de transacties tussen marktdeelnemers in twee of meer
lidstaten, voor de werking van de interne markt of voor de openbare financiën van de Unie
of een of meer van haar lidstaten.
(17) Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 2 mei 2006 in
zaak C-217/04 (Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland/Europees
Parlement en Raad van de Unie) geoordeeld dat "uit de bewoordingen van artikel 95 VEG
[nu artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)]
niet kan worden afgeleid dat de door de communautaire wetgever op basis van deze
bepaling vastgestelde maatregelen zich, wat de adressaat ervan betreft, tot de lidstaten
moeten beperken. Naar het oordeel van deze wetgever kan de oprichting van een
communautair orgaan namelijk nodig zijn om bij te dragen aan de verwezenlijking van een
harmonisatieproces in situaties waarin, ter eenvormige uitvoering en toepassing van op
deze bepaling gebaseerde handelingen, de vaststelling van niet-bindende begeleidende en
ondersteunende maatregelen gepast lijkt"1. Het doel en de taken van de Autoriteit - bijstaan
van de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteiten bij de consistente interpretatie en
toepassing van de Unieregelgeving en bijdragen tot de financiële stabiliteit die nodig is
voor financiële integratie - knopen nauw aan bij de doelstellingen van het acquis van de
Unie betreffende de interne markt voor financiële diensten. De Autoriteit moet bijgevolg
op basis van artikel 114 VWEU worden opgericht.
(18) De taken van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van de wijze van
samenwerking met elkaar en met de Commissie, worden bij de volgende wetgevings-
handelingen vastgesteld: Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van
14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van
kredietinstellingen1, Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van
14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en krediet-
instellingen2 en Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van
30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels3.
(19) Tot de bestaande wetgeving van de Unie die het door deze verordening bestreken gebied
regelt, behoren eveneens Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen,
verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat1,
Richtlijn 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998
betreffende het aanvullend toezicht op verzekeringsondernemingen in een verzekerings-
groep2, Verordening (EG) nr. 1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van
15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler3,
Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009
betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaam-
heden van instellingen voor elektronisch geld4 en de relevante gedeelten van Richt-
lijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voor-
koming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de
financiering van terrorisme5, van Richtln 2002/65/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten
aan consumenten6 en van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt7.
(20) Het is wenselijk dat de Autoriteit een consistente aanpak op het gebied van deposito-
garanties bevordert om te verzekeren dat aan iedereen dezelfde eisen worden gesteld en de
depositohouders over geheel de Unie billijk worden behandeld. Aangezien deposito-
garantiestelsels in een lidstaat aan controle en niet aan regulerend toezicht onderworpen
zijn, moet de Autoriteit op grond van deze verordening haar bevoegdheden ten aanzien van
het depositogarantiestelsel zelf en de betrokken onderneming kunnen uitoefenen.
(21) Overeenkomstig de verklaring (nr. 39) betreffende artikel 290 van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie (VWEU), gehecht aan de slotakte van de Inter-
gouvernementele Conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, is voor de
uitwerking van technische reguleringsnormen de bijstand vereist van technische
deskundigen in een vorm die specifiek is voor het gebied van de financiële diensten. De
Autoriteit moet worden toegestaan dergelijke deskundigheid ook te bieden betreffende
normen of delen van normen die niet zijn gebaseerd op een door de Autoriteit uitgewerkt
ontwerp van technische norm.
(22) Er dient een effectief instrument te worden ingevoerd om geharmoniseerde technische
reguleringsnormen op het gebied van financiële diensten in te stellen om, mede door de
invoering van één "rulebook", te zorgen voor gelijke marktvoorwaarden en voor adequate
bescherming van depositohouders, beleggers en consumenten in de gehele Unie. Het is
efficiënt en passend om de Autoriteit, als orgaan met hooggespecialiseerde expertise, op bij
het Unierecht vastgestelde gebieden te belasten met de uitwerking van voorstellen voor
technische reguleringsnormen die geen beleidskeuzen inhouden.
(23) De Commissie moet deze ontwerpen van technische reguleringsnormen bevestigen door
middel van gedelegeerde handelingen uit hoofde van artikel 290 VWEU, om er bindende
rechtskracht aan te geven. Zij moeten slechts in zeer beperkte en uitzonderlijke gevallen
kunnen worden gewijzigd, aangezien de Autoriteit degene is die in nauw contact staat met
en het beste inzicht heeft in de dagelijkse werking van de financiële markten. Ontwerpen
van technische reguleringsnormen dienen aan wijziging onderworpen te zijn wanneer zij
onverenigbaar zouden zijn met het Unierecht, het evenredigheidsbeginsel niet zouden
respecteren of zouden indruisen tegen de fundamentele beginselen van de interne markt
voor financiële diensten zoals weergegeven in het acquis van de Uniewetgeving inzake
financiële diensten. De Commissie mag de inhoud van de door de Autoriteit opgestelde
ontwerpen van technische reguleringsnormen niet wijzigen zonder voorafgaande
coördinatie met de Autoriteit. Om een vlot en snel vaststellingsproces voor deze normen te
verzekeren, moet het besluit van de Commissie om ontwerpen van technische regulerings-
normen te bevestigen aan een termijn onderworpen worden.
(24) Gezien de technische expertise van de Autoriteit op de gebieden waarop er technische
reguleringsnormen moeten worden ontwikkeld, dient er nota te worden genomen van het
verklaarde voornemen van de Commissie om in beginsel uit te gaan van de ontwerpen van
technische reguleringsnormen die de Autoriteit bij haar indient met het oog op de vast-
stelling van de overeenkomstige gedelegeerde handelingen. Wanneer de Autoriteit echter
nalaat om binnen de bij de betrokken wetgevingshandeling gestelde termijnen een ontwerp
van een technische reguleringsnorm in te dienen, dient te worden gewaarborgd dat het
(25) De Commissie dient tevens te worden gemachtigd om technische uitvoeringsnormen vast
te stellen door middel van uitvoeringshandelingen uit hoofde van artikel 291 VWEU.
(26) Op niet door technische regulerings- of uitvoeringsnormen geregelde gebieden moet de
Autoriteit bevoegd zijn om richtsnoeren te geven en aanbevelingen te doen betreffende de
toepassing van het Unierecht. Om transparantie te verzekeren en om naleving door de
nationale toezichthoudende autoriteiten van die richtsnoeren en aanbevelingen te
verbeteren, moet de Autoriteit de mogelijkheid krijgen de redenen waarom die richtsnoeren
en aanbevelingen door de toezichtautoriteiten niet worden gevolgd, openbaar te maken.
(27) Het verzekeren van de juiste en volledige toepassing van het Unierecht is een basis-
voorwaarde voor de integriteit, transparantie, efficiëntie en ordelijke werking van de
financiële markten, de stabiliteit van het financiële stelsel en voor neutrale concurrentie-
voorwaarden voor de financiële instellingen in de Unie. Bijgevolg moet een mechanisme
worden ingesteld waarbij de Autoriteit gevallen van niet-naleving of onjuiste toepassing
van het Unierecht aanpakt die een inbreuk daarop vormen. Dit mechanisme moet van
toepassing zijn op gebieden waar het Unierecht duidelijke en onvoorwaardelijke
(28) Om een evenredige reactie op gevallen van onjuiste of ontoereikende toepassing van
Unierecht mogelijk te maken, moet een drietrapsmechanisme van toepassing zijn. Ten
eerste moet de Autoriteit gemachtigd worden gevallen waarin nationale autoriteiten in hun
toezichtpraktijk verplichtingen van Unierecht op onjuiste of ontoereikende wijze zouden
hebben toegepast, te onderzoeken en te besluiten met een aanbeveling. Indien een
bevoegde nationale autoriteit geen gevolg geeft aan de aanbeveling, moet de Commissie in
tweede instantie gemachtigd zijn om, rekening houdend met de aanbeveling van de
Autoriteit, een formeel advies uit te brengen waarin zij de bevoegde autoriteit opdraagt de
nodige actie te ondernemen om ervoor te zorgen dat het Unierecht wordt nageleefd.
(29) Om te voorzien in uitzonderlijke situaties waarin maatregelen van de betrokken bevoegde
autoriteit uitblijven, moet de Autoriteit in derde instantie gemachtigd zijn besluiten te
nemen die tot individuele financiële instellingen worden gericht. Deze bevoegdheid dient
beperkt te zijn tot uitzonderlijke omstandigheden waarin een bevoegde autoriteit het tot
haar gerichte formele advies niet naleeft en waarin het Unierecht krachtens bestaande of
toekomstige regelgeving van de Unie op de financiële instellingen rechtstreeks van
(30) Ernstige bedreigingen van de ordelijke werking en integriteit van de financiële markten of
de stabiliteit van het financiële stelsel in de Unie vereisen een snelle en gecoördineerde
reactie op Unieniveau. De Autoriteit moet bijgevolg de nationale toezichthoudende
autoriteiten kunnen verplichten tot het nemen van bepaalde maatregelen om een nood-
situatie te verhelpen. De bevoegdheid om te bepalen of er sprake is van een noodsituatie,
dient te berusten bij de Raad, op verzoek van een van de ESA's, de Commissie of het
ESRB.
(31) De Autoriteit moet de nationale toezichthoudende autoriteiten kunnen verplichten tot het
nemen van bepaalde maatregelen om een noodsituatie te verhelpen. De in dit verband door
de Autoriteit genomen maatregelen mogen geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de
Commissie krachtens artikel 258 VWEU om een inbreukprocedure tegen de lidstaat van
die toezichthoudende autoriteit in te leiden wegens het niet nemen van een dergelijke maat-
regel, onverminderd het recht van de Commissie om in dergelijke gevallen het verkrijgen
van voorlopige maatregelen na te streven overeenkomstig het Reglement voor de proces-
voering van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bovendien doen zij evenmin af aan
de eventuele aansprakelijkheid van die lidstaat overeenkomstig de jurisprudentie van het
Hof van Justitie van de Europese Unie indien de toezichthoudende autoriteiten van de
lidstaat nalaten de door de Autoriteit verlangde maatregelen te nemen.
(32) Om een efficiënt en effectief toezicht en een evenwichtige afweging van de standpunten
van de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten te verzekeren, moet de Autoriteit
in staat zijn om meningsverschillen in grensoverschrijdende situaties tussen de bevoegde
autoriteiten, daaronder begrepen binnen de colleges van toezichthouders, met bindend
effect te schikken. Er dient voorzien te worden in een verzoeningsfase, tijdens welke de
bevoegde autoriteiten tot overeenstemming kunnen komen. De bevoegdheid van de
Autoriteit moet betrekking hebben op procedurele of inhoudelijke meningsverschillen over
door een bevoegde autoriteit van een lidstaat genomen/niet genomen maatregelen in de
gevallen vermeld in de in deze verordening genoemde juridisch bindende handelingen van
de Unie. In dergelijke situaties moet een van de betrokken toezichthouders gerechtigd zijn
de kwestie voor te leggen aan de Autoriteit, die dient te handelen overeenkomstig deze
verordening. De Autoriteit moet de bevoegdheid hebben om te verlangen dat de betrokken
bevoegde autoriteiten specifieke maatregelen nemen of van het nemen van maatregelen
afzien, om de zaak te schikken teneinde ervoor te zorgen dat het Unierecht wordt
nageleefd, met bindend gevolg voor de betrokken bevoegde autoriteiten. Wanneer een
bevoegde autoriteit zich niet conformeert aan het tot haar gerichte schikkingsbesluit, moet
de Autoriteit gemachtigd zijn rechtstreeks tot financiële instellingen gerichte besluiten te
nemen op gebieden van het Unierecht die rechtstreeks op hen van toepassing zijn. De
bevoegdheid om dergelijke besluiten te nemen, mag slechts in laatste instantie worden
uitgeoefend en in dat geval uitsluitend om de correcte en consistente toepassing van het
Unierecht te waarborgen. Indien de toepasselijke Uniewetgeving de bevoegde autoriteiten
van de lidstaten discretionaire bevoegdheid verleent, mogen de door de Autoriteit genomen
(33) De crisis heeft aangetoond dat het huidige systeem van samenwerking tussen nationale
instanties waarvan de bevoegdheid beperkt is tot een enkele lidstaat, tekortschiet ten
aanzien van financiële instellingen wier activiteiten zich over meer landen uitstrekken.
(34) Groepen van deskundigen die de lidstaten hadden opgericht om de oorzaken van de crisis
te achterhalen en voorstellen te doen om de regulering van en het toezicht op de financiële
sector te verbeteren, hebben bevestigd dat de huidige regelingen geen solide basis vormen
voor het reguleren van en het toezicht op grensoverschrijdende financiële instellingen in de
gehele Unie in de toekomst.
(35) Volgens het verslag-de Larosière zijn er slechts twee mogelijkheden: "de eerste wordt
gevormd door oplossingen waarbij het "chacun pour soi", ieder voor zich, is en de tweede
door een versterkte, pragmatische, gedoseerde Europese samenwerking om, ten voordele
van allen, een open wereldeconomie te behouden, hetgeen ongetwijfeld tot economische
(36) De colleges van toezichthouders spelen een belangrijke rol in het efficiënte, effectieve en
consistente toezicht op financiële instellingen die grensoverschrijdend opereren. De
Autoriteit moet bijdragen tot de bevordering en monitoring van de doelmatige, doel-
treffende en consistente werking van de colleges van toezichthouders, en in dat opzicht een
leidende rol spelen bij het waarborgen van de consistente en samenhangende werking van
colleges van toezichthouders voor grensoverschrijdende financiële instellingen in geheel
de Unie. De Autoriteit moet derhalve onder meer het recht hebben in alle opzichten aan de
colleges van toezichthouders deel te nemen om de werking van en het informatie-
uitwisselingsproces in de colleges van toezichthouders te stroomlijnen en in de colleges
convergentie en consistentie in de toepassing van het Unierecht te bevorderen. In het
verslag-de Larosière wordt gesteld dat "concurrentieverstoring en reguleringsarbitrage als
gevolg van verschillen in toezichtcultuur moeten worden voorkomen, omdat zij de
financiële stabiliteit kunnen ondermijnen, onder meer doordat daarmee het verplaatsen van
financiële activiteiten naar landen met minder streng toezicht in de hand wordt gewerkt.
Het toezichtsysteem moet als eerlijk en evenwichtig worden ervaren".
(37) Convergentie op het gebied van crisispreventie, -management en -afwikkeling, met
inbegrip van financieringsmechanismen, is noodzakelijk om de internalisering van de
kosten door het financiële systeem te verzekeren en ervoor te zorgen dat de overheid
failliet gaande financiële instellingen op zodanige wijze kan afhandelen dat de gevolgen
van insolventies voor het financiële stelsel, het beroep op belastinggeld voor de redding
van banken alsmede het gebruik van overheidsmiddelen tot een minimum worden
gereduceerd, de schade voor de economie beperkt blijft en de toepassing van nationale
afwikkelingsmaatregelen wordt gecoördineerd. In dit verband is het van essentieel belang
dat een gemeenschappelijk pakket van regels betreffende een compleet instrumentarium
voor de preventie en afwikkeling van failliet gaande banken wordt ontwikkeld om met
name de crisis bij grote, grensoverschrijdende of met elkaar verbonden instellingen aan te
pakken, en moet worden beoordeeld of aan de Autoriteit extra bevoegdheden ter zake
moeten worden verleend en hoe banken en spaarinstellingen van het beschermen van de
spaarders een prioriteit kunnen maken.
(38) Bij de huidige toetsing van Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van
30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels1 en van Richtlijn 97/9/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 3 maart 1997 betreffende de beleggerscompensatiestelsels2
wordt aangetekend dat de Commissie voornemens is bijzondere aandacht te besteden aan
de noodzaak van verdere harmonisatie in de gehele Unie. Wat de verzekeringssector
betreft, wordt voorts opgemerkt dat de Commissie voornemens is na te gaan of er Unie-
regels kunnen worden ingevoerd ter bescherming van verzekeringnemers ingeval een
(39) De delegatie van taken en verantwoordelijkheden kan in verband met de werking van het
netwerk van toezichthouders een nuttig instrument zijn om overlapping in toezichttaken te
vermijden, om samenwerking te bevorderen en aldus het toezichtproces te stroomlijnen
alsmede om de last die aan de financiële instellingen wordt opgelegd, te verminderen.
Deze verordening moet bijgevolg in een duidelijke rechtsgrondslag voor een dergelijke
delegatie voorzien. Hoewel de algemene regel dat delegatie mogelijk moet zijn, dient te
worden geëerbiedigd, moeten de lidstaten specifieke voorwaarden kunnen opleggen voor
de delegatie van verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld met betrekking tot informatie-
verstrekking inzake en de kennisgeving van delegatieregelingen. Delegatie van taken
betekent dat taken door de Autoriteit of door een andere nationale toezichthoudende
autoriteit dan de verantwoordelijke autoriteit worden uitgevoerd, terwijl de verantwoorde-
lijkheid voor de toezichtbesluiten bij de delegerende autoriteit blijft. Door de delegatie van
verantwoordelijkheden moet de Autoriteit of een nationale toezichthoudende autoriteit (de
gedelegeerde) over een bepaalde toezichtaangelegenheid in haar eigen naam in plaats van
de delegerende autoriteit kunnen beslissen. Voor delegaties moet het principe gelden dat
toezichtbevoegdheid wordt toegewezen aan de toezichthouder die in de beste positie
verkeert om in de betrokken aangelegenheid maatregelen te nemen. Een hertoewijzing van
verantwoordelijkheden zou passend zijn, bijvoorbeeld om redenen van schaalvoordelen of
toepassingsgebied, van coherentie bij groepstoezicht en van optimaal gebruik van bij de
nationale toezichthoudende autoriteiten aanwezige technische expertise. De beslissingen
van de gedelegeerde zouden door de delegerende autoriteit en andere bevoegde autoriteiten
als definitief moeten worden erkend, indien deze beslissingen binnen de werkingssfeer van
De Autoriteit moet vooraf van voorgenomen delegatieovereenkomsten op de hoogte
worden gebracht om in voorkomend geval een advies te kunnen formuleren. De publicatie
van dergelijke overeenkomsten dient bij de Autoriteit te worden gecentraliseerd om ervoor
te zorgen dat informatie over overeenkomsten voor alle betrokken partijen tijdig
beschikbaar, transparant en gemakkelijk toegankelijk is. Ten slotte dient de Autoriteit beste
praktijken met betrekking tot delegatie en delegatieovereenkomsten vast te stellen en te
verspreiden.
(40) De Autoriteit dient de toezichtconvergentie in geheel de Unie actief te bevorderen met het
doel een gemeenschappelijke toezichtcultuur tot stand te brengen.
(41) Collegiale toetsingen zijn een efficiënt en effectief instrument om consistentie binnen het
netwerk van financiële toezichthouders te bevorderen. De Autoriteit dient bijgevolg het
methodologische kader voor dergelijke toetsingen te ontwikkelen en regelmatig dergelijke
toetsingen te houden. Bij toetsingen dienen niet alleen de convergentie van toezicht-
praktijken, maar tevens de capaciteit van toezichthouders om kwalitatief hoogstaande
toezichtresultaten te bereiken alsmede de onafhankelijkheid van de bevoegde autoriteiten
centraal te staan. De resultaten van collegiale toetsingen dienen bekend te worden gemaakt
met instemming van de bevoegde autoriteit die aan toetsing onderworpen wordt. Ook
moeten er beste praktijken worden geïdentificeerd en bekendgemaakt.
(42) De Autoriteit dient een gecoördineerde toezichtrespons van de Unie actief te bevorderen,
in het bijzonder om de ordelijke werking en integriteit van de financiële markten en de
(43) Om de financiële stabiliteit te bewaren, dienen in een vroeg stadium over de grenzen en
sectoren heen trends, potentiële risico's en zwakke plekken die van het microprudentiële
niveau afkomstig zijn, te worden aangewezen. De Autoriteit moet dergelijke ontwik-
kelingen op haar bevoegdheidsgebied volgen en beoordelen en, waar nodig, het Europees
Parlement, de Raad, de Commissie, de andere Europese toezichthoudende autoriteiten en
het ESRB regelmatig en in voorkomend geval ad hoc op de hoogte brengen. De Autoriteit
moet eveneens in samenwerking met het ESRB stresstests in de hele Unie initiëren en
coördineren om de veerkracht van financiële instellingen bij ongunstige marktontwik-
kelingen te beoordelen en moet ervoor zorgen dat op nationaal niveau bij het houden van
dergelijke tests een zo consistent mogelijke methode wordt gevolgd. Teneinde zich op de
juiste wijze van haar taken te kunnen kwijten, moet de Autoriteit economische analyses
verrichten van de markten en de gevolgen van potentiële marktontwikkelingen.
(44) Gezien de mondialisering van de financiële diensten en het toegenomen belang van inter-
nationale normen, dient de Autoriteit de dialoog en de samenwerking met toezichthouders
buiten de Unie te bevorderen. Zij dient de bevoegdheid te krijgen contacten te leggen en
administratieve regelingen te treffen met toezichthoudende autoriteiten en overheids-
instanties uit derde landen en met internationale organisaties, met volledige inachtneming
van de bestaande rollen van de lidstaten en de instellingen van de Unie alsmede van hun
respectieve bevoegdheden. De werkzaamheden van de Autoriteit dienen open te staan voor
deelname door landen die middels overeenkomsten met de Unie de Uniewetgeving hebben
overgenomen en toepassen, en de Autoriteit dient over de mogelijkheid te beschikken
samen te werken met derde landen die wetgeving toepassen die als gelijkwaardig met deze
van de Unie wordt erkend.
(45) De Autoriteit dient op haar bevoegdheidsgebied als een onafhankelijk adviesorgaan van
het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op te treden. Onverminderd de
bevoegdheden van de betrokken bevoegde autoriteiten, moet de Autoriteit haar advies
kunnen verstrekken over de prudentiële beoordeling van fusies en overnames op grond van
Richtlijn 2006/48/EG, als gewijzigd bij Richtlijn 2007/44/EG1, in de gevallen waarin deze
richtlijn overleg tussen de bevoegde autoriteiten van twee of meer lidstaten voorschrijft.
(46) Om haar verplichtingen doeltreffend te kunnen uitvoeren, moet de Autoriteit het recht
hebben alle nodige informatie op te vragen. Om dubbele rapportageverplichtingen voor
financiële instellingen te vermijden, moet die informatie normaal gesproken door de
nationale toezichthoudende autoriteiten die het dichtst bij de financiële markten en
instellingen staan, worden verstrekt en moet daarin rekening worden gehouden met reeds
beschikbare statistieken. In laatste instantie moet de Autoriteit evenwel een naar behoren
gerechtvaardigd en met redenen omkleed verzoek om informatie rechtstreeks tot een
financiële instelling kunnen richten indien een nationale bevoegde autoriteit dergelijke
informatie niet tijdig verstrekt of kan verstrekken. De autoriteiten van de lidstaten moeten
ertoe verplicht worden de Autoriteit bij te staan bij de tenuitvoerlegging van die recht-
streekse verzoeken. Het overleg over gemeenschappelijke modellen voor verslaglegging is
in dit verband van essentieel belang. De maatregelen met het oog op het verzamelen van
informatie mogen geen afbreuk doen aan het rechtskader van het Europees statistisch
systeem en het Europees Stelsel van centrale banken op statistisch gebied. Deze
verordening laat derhalve zowel Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees
Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek1 als
Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het
verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank2 onverlet.
(47) Nauwe samenwerking tussen de Autoriteit en het ESRB is van essentieel belang voor een
volkomen doeltreffende werking van het ESRB en de follow-up van zijn waarschuwingen
en aanbevelingen. De Autoriteit en het ESRB moeten alle relevante informatie met elkaar
delen. Gegevens in verband met afzonderlijke ondernemingen mogen alleen op met
redenen omkleed verzoek worden verstrekt. Bij ontvangst van waarschuwingen of
aanbevelingen die het ESRB tot de Autoriteit of een nationale toezichthoudende autoriteit
richt, moet de Autoriteit hieraan waar nodig een follow-up geven.
(48) De Autoriteit moet over technische regulerings- of uitvoeringsnormen, richtsnoeren en
aanbevelingen met belanghebbende partijen overleggen en hen in redelijke mate de
mogelijkheid bieden over voorgestelde maatregelen opmerkingen te maken. Alvorens
ontwerpen van technische regulerings- of uitvoeringsnormen, richtsnoeren en
aanbevelingen vast te stellen, dient de Autoriteit een effectbeoordeling te verrichten. Om
redenen van efficiëntie moet hiertoe een Stakeholdergroep bankwezen worden gebruikt die
evenwichtig samengesteld moet zijn uit krediet- en beleggingsinstellingen uit de Unie die
de financiële instellingen en ondernemingen in al hun variaties qua omvang en bedrijfs-
model vertegenwoordigen, daaronder begrepen in voorkomend geval institutionele
beleggers en andere financiële instellingen die zelf financiële diensten gebruiken; het
mkb/kmo's; vakbonden; academici; consumenten; en andere retailgebruikers van bank-
diensten. De Stakeholdergroep bankwezen moet als schakel fungeren met andere door de
Commissie of de Uniewetgeving ingestelde gebruikersgroepen op het gebied van
(49) De leden van de Stakeholdergroep bankwezen die organisaties zonder winstoogmerk of de
wetenschappelijke wereld vertegenwoordigen dienen een passende compensatie te
ontvangen opdat personen die niet over eigen financiële middelen beschikken en geen
vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zijn, volledig aan het debat over de financiële
regulering kunnen deelnemen.
(50) De lidstaten hebben een centrale verantwoordelijkheid in het zorgen voor gecoördineerd
crisismanagement en het bewaren van financiële stabiliteit in crisissituaties, in het
bijzonder met betrekking tot de stabilisering en afwikkeling van afzonderlijke failliet
gaande financiële instellingen. Beslissingen van de Autoriteit in nood- of schikkings-
situaties die de stabiliteit van een financiële instelling beïnvloeden, mogen geen afbreuk
doen aan de budgettaire verantwoordelijkheden van de lidstaten. Er moet een mechanisme
worden ingesteld waarbij de lidstaten zich op deze vrijwaringsclausule kunnen beroepen en
in laatste instantie de zaak ter beslechting aan de Raad kunnen voorleggen. Van dit
vrijwaringsmechanisme mag evenwel geen misbruik worden gemaakt, met name met
betrekking tot een door de Autoriteit genomen besluit dat geen wezenlijke of materiële
budgettaire gevolgen heeft, zoals een vermindering van de inkomsten in verband met het
tijdelijke verbod op specifieke werkzaamheden of producten met het oog op bescherming
van de consument. Wanneer de Raad op grond van dit vrijwaringsmechanisme besluiten
neemt, moet bij de stemming elke lidstaat één stem hebben. Het is passend op dit gebied de
Raad een rol toe te wijzen gezien de bijzondere verantwoordelijkheden die de lidstaten in
dat verband bezitten. Gelet op de delicate aard van deze kwestie, moeten strikte afspraken
(51) De Autoriteit moet in haar besluitvormingsprocedures gebonden zijn aan de Unieregels en
algemene beginselen inzake behoorlijke procedure en transparantie. Het recht van de
adressaten van de besluiten van de Autoriteit om te worden gehoord moet ten volle worden
gerespecteerd. De handelingen van de Autoriteit moeten een integrerend deel van het
Unierecht vormen.
(52) Een raad van toezichthouders, die bestaat uit de hoofden van de desbetreffende bevoegde
autoriteiten in elke lidstaat en voorgezeten wordt door de voorzitter van de Autoriteit, dient
het voornaamste besluitvormingsorgaan van de Autoriteit te zijn. Vertegenwoordigers van
de Commissie, het ESRB, de Europese Centrale Bank, de Europese toezichthoudende
autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese
toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) dienen als
waarnemer deel te nemen. De leden van de raad van toezichthouders dienen onafhankelijk
en alleen in het belang van de Unie op te treden.
(53) De raad van toezichthouders dient in de regel te besluiten met gewone meerderheid van
stemmen, waarbij elk lid één stem heeft. Voor algemene handelingen, daaronder begrepen
de handelingen betreffende technische reguleringsnormen en technische uitvoerings-
normen, richtsnoeren en aanbevelingen, alsmede begrotingsaangelegenheden en ten
aanzien van verzoeken van een lidstaat om heroverweging van een beslissing van de
Autoriteit om bepaalde financiële activiteiten tijdelijk te verbieden of te beperken, is het
echter passend de regels inzake het stemmen bij gekwalificeerde meerderheid toe te passen
zoals vastgesteld in artikel 16, lid 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,
alsmede in het Protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen dat als bijlage aan het
Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie is gehecht. Zaken betreffende de schikking van meningsverschillen tussen
nationale toezichthoudende autoriteiten moeten worden onderzocht door een beperkt,
objectief panel, bestaande uit leden die geen vertegenwoordiger zijn van de bevoegde
autoriteiten die bij het meningsverschil betrokken zijn en geen belang bij het conflict noch
een directe band met de betrokken bevoegde autoriteiten hebben. De samenstelling van het
panel moet op een passend evenwicht berusten. De besluiten van het panel moeten met
gewone meerderheid van stemmen door de raad van toezichthouders worden goedgekeurd,
waarbij elk lid één stem heeft. Wat de door de consoliderende toezichthouder genomen
besluiten betreft, kan het door het panel voorgestelde besluit worden verworpen door een
aantal leden die een blokkeringsminderheid van de stemmen vertegenwoordigen, in de zin
van artikel 16, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 3 van het
Protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen.
(54) Een raad van bestuur, samengesteld uit de voorzitter van de Autoriteit, vertegenwoordigers
van de nationale toezichthoudende autoriteiten en van de Commissie moet verzekeren dat
de Autoriteit haar opdracht vervult en de haar opgedragen taken verricht. De raad van
bestuur moet over de nodige bevoegdheden beschikken om onder meer het jaar- en meer-
jarenwerkprogramma voor te stellen, bepaalde budgettaire bevoegdheden uit te oefenen,
het personeelsbeleidsplan van de Autoriteit vast te stellen, speciale bepalingen betreffende
het recht van toegang tot documenten vast te stellen en het jaarverslag voor te stellen.
(55) De Autoriteit moet vertegenwoordigd worden door een voltijdse voorzitter die door de raad
van toezichthouders benoemd wordt op basis van verdienste, bekwaamheid, kennis van
financiële instellingen en markten en van relevante ervaring met betrekking tot financieel
toezicht en financiële regulering, na een door de raad van toezichthouders met assistentie
van de Commissie georganiseerde en beheerde open selectieprocedure. Met het oog op het
aanwijzen van de eerste voorzitter van de autoriteit dient de Commissie onder meer een
beperkte lijst van kandidaten op te stellen, op basis van verdienste, bekwaamheid, kennis
van financiële instellingen en markten en relevante ervaring met betrekking tot financieel
toezicht en financiële regulering. Met het oog op de latere aanwijzingen moet in een
overeenkomstig deze verordening op te stellen verslag worden getoetst of het opstellen van
een beperkte lijst van kandidaten door de Commissie dienstig is gebleken. Voordat de
geselecteerde persoon zijn functie opneemt, moet het Europees Parlement, na deze persoon
te hebben gehoord, de mogelijkheid hebben tot een maand na zijn selectie door de raad van
toezichthouders bezwaar te maken tegen de aanwijzing.
(56) Het management van de Autoriteit moet worden toevertrouwd aan een uitvoerend
directeur, die het recht moet hebben zonder stemrecht aan de vergaderingen van de raad
van toezichthouders en de raad van bestuur deel te nemen.
(57) Om sectoroverschrijdende consistentie in de activiteiten van de ESA's te verzekeren,
moeten deze nauw samenwerken in een Gemengd Comité, en in voorkomend geval
gemeenschappelijke standpunten bereiken. Het Gemengd Comité dient de taken van de
ESA's met betrekking tot financiële conglomeraten en andere sectoroverschrijdende
aangelegenheden te coördineren. Waar dit relevant is, moeten de handelingen die eveneens
binnen het bevoegdheidsgebied van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese
Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) of de Europese toezichthoudende
autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) liggen, parallel door de betrokken
Europese toezichthoudende autoriteiten worden vastgesteld. Het Gemengd Comité moet
voor een termijn van 12 maanden op basis van een rotatiesysteem worden voorgezeten
door de voorzitters van de ESA's. De voorzitter van het Gemengd Comité moet
ondervoorzitter zijn van het ESRB. Het Gemengd Comité moet specifiek personeel hebben
dat ter beschikking wordt gesteld door de ESA's, teneinde informele informatiedeling en de
totstandbrenging van een gemeenschappelijke aanpak die stoelt op een op toezicht gerichte
cultuur binnen de ESA's mogelijk te maken.
(58) Het is nodig ervoor te zorgen dat de partijen waarop door de Autoriteit vastgestelde
besluiten invloed hebben, een beroep kunnen doen op de noodzakelijke rechtsmiddelen.
Om de rechten van partijen doeltreffend te beschermen en om redenen van proceseconomie
moeten, indien de Autoriteit over besluitvormingsbevoegdheden beschikt, partijen het
recht hebben om bezwaar aan te tekenen bij een bezwaarcommissie. Om redenen van
efficiëntie en consistentie moet de bezwaarcommissie een gemengd orgaan zijn van de
ESA's, onafhankelijk van hun administratieve en regulerende structuren. Tegen
beslissingen van de bezwaarcommissie moet bij het Hof van Justitie van de Europese Unie
beroep openstaan.
(59) Om haar autonomie en onafhankelijkheid volledig te waarborgen, moet de Autoriteit de
beschikking krijgen over een autonome begroting met inkomsten uit hoofdzakelijk
verplichte bijdragen van de nationale toezichthoudende autoriteiten en uit de algemene
begroting van de Europese Unie. De financiering van de Autoriteit door de Unie is onder-
worpen aan het akkoord van de begrotingsautoriteit overeenkomstig punt 47 van het Inter-
institutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van
17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer1. De
begrotingsprocedure van de Unie moet van toepassing zijn. De controle van de rekeningen
moet worden verricht door de Rekenkamer. Op de begrotingsuitgaven is de kwijtings-
(60) Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999
betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)1 moet
op de Autoriteit van toepassing zijn. De Autoriteit dient eveneens toe te treden tot het
Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van
de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de
interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)2.
(61) Om openbare en transparante arbeidsvoorwaarden en gelijke behandeling van het
personeel te verzekeren, dient het statuut van de ambtenaren of van de regeling welke van
toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen3 op het
personeel van de Autoriteit van toepassing te zijn.
(62) Het is van essentieel belang dat bedrijfsgeheimen en andere vertrouwelijke informatie
worden beschermd. De aan de Autoriteit verstrekte en in het netwerk uitgewisselde
informatie moet worden onderworpen aan strikte en doeltreffende geheimhoudings-
(63) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995
betreffende de bescherming van natuurlke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vre verkeer van die gegevens1 en Verordening (EG)
nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de
bescherming van natuurlke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vre
verkeer van die gegevens2, zijn geheel van toepassing op de verwerking van persoons-
gegevens in het kader van deze verordening.
(64) Om de transparante werking van de Autoriteit te verzekeren, moet Verordening (EG)
nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang
van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie3 op
de Autoriteit van toepassing zijn.
(65) Derde landen moeten aan de werkzaamheden van de Autoriteit kunnen deelnemen op
grond van door de Unie te sluiten passende overeenkomsten.
(66) Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het verbeteren van de werking van
de interne markt door een hoog, effectief en consistent niveau van prudentiële regulering
en toezicht te verzekeren, het beschermen van depositohouders en beleggers, het
beschermen van de integriteit, efficiëntie en ordelijke werking van de financiële markten,
het bewaren van de stabiliteit van het financiële stelsel en het versterken van de inter-
nationale coördinatie van het toezicht, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden
verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden, beter door
de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van
het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen
nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat
deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(67) De Autoriteit moet alle huidige taken en bevoegdheden van het Comité van Europese
bankentoezichthouders overnemen. Besluit 2009/78/EG van de Commissie moet bijgevolg
op de datum van oprichting van de Autoriteit worden ingetrokken, en Besluit nr.
716/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vast-
stelling van een Gemeenschapsprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op
het gebied van financiële diensten, financiële verslaggeving en controle van jaar-
rekeningen1 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd. Indachtig de bestaande
structuren en werking van het Comité van Europese bankentoezichthouders, is het belang-
rijk dat het Comité van Europese bankentoezichthouders en de Commissie in zeer nauwe
onderlinge samenwerking een passende overgangsregeling vaststellen, om ervoor te zorgen
(68) Het is passend een termijn vast te stellen voor de toepassing van deze verordening om
ervoor te zorgen dat de Autoriteit bij de aanvang van haar activiteiten voldoende is
voorbereid en om een vlotte overgang van het Comité van Europese bankentoezicht-
houders te verzekeren. De Autoriteit dient over passende financiële middelen te kunnen
beschikken. Althans in een eerste fase moet zij voor 40% worden gefinancierd met
middelen van de Unie en voor 60% met middelen van de lidstaten, vastgesteld op basis van
de verdeelsleutel voor de stemmenweging van artikel 3, lid 3, van het Protocol (nr. 36)
betreffende de overgangsbepalingen.
(69) Opdat de autoriteit per 1 januari 2011 kan worden opgericht, moet deze verordening in
werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de
Europese Unie,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
OPRICHTING EN RECHTSSTATUS
Artikel 1
Oprichting en werkterrein
-
1.Bij deze verordening wordt een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bank-
autoriteit) (hierna "de Autoriteit") opgericht.
-
2.De Autoriteit handelt overeenkomstig de haar bij deze verordening toegekende bevoegd-
heden en binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2006/48/EG, Richtlijn 2006/49/EG,
Richtlijn 2002/87/EG, Verordening (EG) nr. 1781/2006, Richtlijn 94/19/EG en van
bepaalde onderdelen van Richtlijn 2005/60/EG, Richtlijn 2002/65/EG, Richtlijn
2007/64/EG en Richtlijn 2009/110/EG voor zover deze handelingen van toepassing zijn op
kredietinstellingen en financiële instellingen alsook op de daarop toezicht houdende
bevoegde autoriteiten, met inbegrip van alle op deze handelingen gebaseerde richtlijnen,
verordeningen en besluiten en alle andere juridisch bindende handelingen van de Unie die
taken aan de Autoriteit toewijzen.
-
3.De Autoriteit handelt op het werkterrein van kredietinstellingen, financiële conglomeraten,
beleggingsondernemingen, betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld,
eveneens met betrekking tot zaken die niet rechtstreeks onder de in lid 2 bedoelde
-
4.De bepalingen van deze verordening doen geen afbreuk aan de bevoegdheden van de
Commissie, in het bijzonder op grond van artikel 258 VWEU, om de naleving van het
Unierecht te verzekeren.
-
5.De doelstelling van de Autoriteit is de collectieve belangen te beschermen door bij te
dragen tot de stabiliteit en doeltreffendheid van het financiële stelsel op de korte, middel-
lange en lange termijn, in het belang van de economie, de burgers en het bedrijfsleven van
de Unie. De Autoriteit draagt bij tot:
-
a)de verbetering van de werking van de interne markt, daaronder met name begrepen
een solide, effectief en consistent niveau van regulering en toezicht,
-
b)het verzekeren van de integriteit, transparantie, efficiëntie en ordelijke werking van
de financiële markten,
-
c)de versterking van de internationale coördinatie van het toezicht,
-
d)het voorkomen van reguleringsarbitrage en het bevorderen van gelijke concurrentie-
voorwaarden,
-
e)het waarborgen van behoorlijke regulering en toezicht met betrekking tot het aangaan
van kredietrisico's en andere risico's, en
Te dien einde draagt de Autoriteit bij tot het verzekeren van de consistente, efficiënte en
effectieve toepassing van de in lid 2 genoemde handelingen, bevordert zij de convergentie
op het gebied van het toezicht, verstrekt adviezen aan het Europees Parlement, de Raad en
de Commissie en verricht economische analyses van de markten om de verwezenlijking
van de doelstelling van de Autoriteit te bevorderen.
Bij de uitoefening van de taken die haar bij deze verordening worden toevertrouwd
besteedt de Autoriteit bijzondere aandacht aan systeemrisico's die veroorzaakt worden door
instellingen waarvan de insolventie de werking van het financiële stelsel of de reële
economie kan aantasten.
Bij de uitvoering van haar taken handelt de Autoriteit onafhankelijk en objectief en
uitsluitend in het belang van de Unie.
Artikel 2
Het Europees Systeem voor financieel toezicht
-
1.De Autoriteit maakt deel uit van een Europees Systeem voor financieel toezicht (European
System of Financial Supervision - ESFS). Het hoofddoel van het ESFS is erop toe te zien
dat de regels die van toepassing zijn op de financiële sector naar behoren worden
uitgevoerd teneinde de financiële stabiliteit te bewaren en te zorgen voor vertrouwen in het
financiële stelsel als geheel, met voldoende bescherming voor gebruikers van financiële
-
2.Het ESFS bestaat uit de volgende instanties:
-
a)het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) voor de in Verordening (EU)
nr. .../2010* en de onderhavige verordening omschreven taken;
-
b)de Autoriteit;
-
c)de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit verzekeringen en
bedrijfspensioenen), opgericht bij Verordening (EU) nr. .../2010** van het Europees
-
Parlement en de Raad;
-
d)de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit effecten en markten),
opgericht bij Verordening (EU) nr. .../2010*** van het Europees Parlement en de
-
Raad;
-
e)het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten ("Gemengd
Comité") voor de uitoefening van de in de artikelen 54 tot en met 57 van deze
verordening, van Verordening (EU) nr. .../2010**** en van Verordening (EU)
nr. .../2010***** omschreven taken;
-
f)de bevoegde of toezichthoudende autoriteiten in de lidstaten als gespecificeerd in de
Uniehandelingen die vermeld worden in artikel 1, lid 2, van deze verordening, van
Verordening (EU) nr. .../2010**** en van Verordening (EU) nr. .../2010*****;
-
3.Via het Gemengd Comité werkt de Autoriteit regelmatig en nauw samen met het ESRB
alsook met de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor
verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit
(Europese Autoriteit voor effecten en markten) en zorgt daarmee voor de intersectorale
samenhang van de werkzaamheden en het bereiken van gemeenschappelijke standpunten
op het gebied van het toezicht op financiële conglomeraten en andere intersectorale
kwesties.
-
4.Krachtens het beginsel van loyale samenwerking overeenkomstig artikel 4, lid 3, van het
Verdrag betreffende de Europese Unie werken de partijen bij het ESFS met vertrouwen en
met het volste wederzijdse respect samen, met name om te zorgen voor een passende en
betrouwbare onderlinge informatiestroom.
-
5.De toezichthoudende autoriteiten die deel uitmaken van het ESFS zijn gehouden overeen-
komstig de in artikel 1, lid 2, bedoelde handelingen toezicht uit te oefenen op financiële
instellingen die in de Unie opereren.
Artikel 3
Verantwoordingsplicht van de Autoriteiten
De in artikel 2, lid 2, onder a) tot en met d), bedoelde autoriteiten leggen verantwoording af aan het
Europees Parlement en de Raad.
Artikel 4
Definities
Voor de toepassing van onderhavige verordening wordt verstaan onder:
-
1)"financiële instellingen": "kredietinstellingen" in de zin van artikel 4, punt 1, van Richtlijn
2006/48/EG, "beleggingsondernemingen" in de zin van artikel 3, punt 1, onder b), van
Richtlijn 2006/49/EG en "financiële conglomeraten" in de zin van artikel 2, punt 14, van
Richtlijn 2002/87/EG, met dien verstande dat, wat Richtlijn 2005/60/EG betreft, onder
"financiële instellingen" uitsluitend wordt verstaan, de kredietinstellingen en financiële
instellingen als gedefinieerd in artikel 3, punten 1 en 2, van die richtlijn;
-
2)"bevoegde autoriteiten":
-
i)bevoegde autoriteiten in de zin van de Richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en
2007/64/EG en als bedoeld in Richtlijn 2009/110/EG,
-
ii)wat de Richtlijnen 2002/65/EG en 2005/60/EG betreft, de autoriteiten die de
naleving van de voorschriften van deze richtlijnen door de kredietinstellingen en
financiële instellingen moeten garanderen, en
-
iii)wat depositogarantiestelsels betreft, organen die depositogarantiestelsels beheren
ingevolge Richtlijn 94/19/EG of, ingeval de activiteit van het depositogarantiestelsel
door een particuliere onderneming wordt beheerd, de overheidsinstantie die
Artikel 5
Rechtsstatus
-
1.De Autoriteit is een orgaan van de Unie met rechtspersoonlijkheid.
-
2.In elke lidstaat geniet de Autoriteit de ruimste handelingsbevoegdheid die op grond van het
nationale recht aan rechtspersonen wordt toegekend. Zij kan met name roerende en
onroerende goederen verwerven en vervreemden, en in rechte optreden.
-
3.De Autoriteit wordt vertegenwoordigd door haar voorzitter.
Artikel 6
Samenstelling
De Autoriteit bestaat uit:
-
1)een raad van toezichthouders, die de in artikel 43 vastgestelde taken uitoefent;
-
2)een raad van bestuur, die de in artikel 47 vastgestelde taken uitoefent;
-
3)een voorzitter, die de in artikel 48 vastgestelde taken uitoefent;
-
4)een uitvoerend directeur, die de in artikel 53 vastgestelde taken uitoefent;
Artikel 7
Zetel
De Autoriteit heeft haar zetel in Londen.
HOOFDSTUK II
TAKEN EN BEVOEGDHEDEN VAN DE AUTORITEIT
Artikel 8
Taken en bevoegdheden van de Autoriteit
-
1.De Autoriteit heeft de volgende taken:
-
a)bijdragen tot de invoering van kwalitatief hoogstaande gemeenschappelijke
regulerings- en toezichtnormen en -praktijken, met name door het verstrekken van
adviezen aan de instellingen van de Unie en door het ontwikkelen van richtsnoeren,
aanbevelingen en ontwerpen van technische reguleringsnormen en technische
uitvoeringsnormen op basis van de in artikel 1, lid 2, genoemde wetgevings-
-
b)bijdragen tot de consistente toepassing van de juridisch bindende handelingen van de
Unie, met name door tot een gemeenschappelijke toezichtpraktijk bij te dragen, de
consistente, efficiënte en effectieve toepassing van de in artikel 1, lid 2, genoemde
handelingen te verzekeren, reguleringsarbitrage te voorkomen, bij menings-
verschillen tussen de bevoegde autoriteiten te bemiddelen en een schikking te treffen,
een doeltreffend en consistent toezicht op financiële instellingen en een coherente
werking van de colleges van toezichthouders te waarborgen en maatregelen te nemen
in onder meer noodsituaties;
-
c)stimuleren en vergemakkelijken van de delegatie van taken en verantwoordelijk-
heden tussen de bevoegde autoriteiten;
-
d)nauw samenwerken met het ESRB, met name door het ESRB de nodige informatie te
verstrekken voor het uitvoeren van zijn taken en door een behoorlijke follow-up te
geven aan de waarschuwingen en aanbevelingen van het ESRB;
-
e)organiseren en verrichten van collegiale toetsingen van de bevoegde autoriteiten, met
inbegrip van het verstrekken van richtsnoeren en aanbevelingen en het vaststellen
van beste praktijken, met de bedoeling de consistentie in de toezichtresultaten te
verhogen;
-
f)volgen en beoordelen van marktontwikkelingen op haar bevoegdheidsgebied, mede
waar passend van tendensen in kredietverstrekking, met name aan huishoudens en
-
h)bevorderen van de bescherming van depositohouders en beleggers;
-
i)bijdragen tot de consistente en samenhangende werking van de colleges van toezicht-
houders, de monitoring, beoordeling en meting van het systeemrisico, de
ontwikkeling en coördinatie van herstel- en afwikkelingsplannen, waarbij in de
gehele Unie een hoge beschermingsgraad wordt geboden aan depositohouders en
beleggers en er methoden voor de afwikkeling van failliet gaande financiële
instellingen worden ontwikkeld alsmede een beoordeling van de noodzaak tot
passende financieringsinstrumenten overeenkomstig de artikelen 21 tot en met 26;
-
j)vervullen van alle andere specifieke taken die in deze verordening of in andere
wetgevingshandelingen zijn vastgesteld;
-
k)bekendmaken en regelmatig bijwerken van informatie op haar website over haar
activiteiten, met name, binnen haar bevoegdheden,, ten aanzien van geregistreerde
financiële instellingen, teneinde gemakkelijk toegankelijke informatie voor het
publiek te garanderen;
-
l)overnemen, voor zover van toepassing, van de huidige, lopende taken van het Comité
van Europese bankentoezichthouders (CEBT).
-
2.Om de in lid 1 vastgestelde taken uit te voeren, beschikt de Autoriteit over de in onder-
havige verordening vastgestelde bevoegdheden, met name de bevoegdheid om:
-
b)voorstellen voor technische uitvoeringsnormen te ontwikkelen, in de in artikel 15
bedoelde specifieke gevallen;
-
c)richtsnoeren en aanbevelingen te geven, als vastgesteld in artikel 16;
-
d)in specifieke gevallen aanbevelingen te doen, als bedoeld in artikel 17, lid 3;
-
e)in de in de artikelen 18, lid 3 en 19, lid 3 genoemde specifieke gevallen individuele
besluiten te nemen die gericht zijn tot bevoegde autoriteiten;
-
f)in gevallen die betrekking hebben op rechtstreeks toepasselijk Unierecht, individuele
besluiten te nemen die gericht zijn tot financiële instellingen, in de in artikel 17, lid
6, in artikel 18, lid 4, en in artikel 19, lid 4, bedoelde specifieke gevallen;
-
g)adviezen te verstrekken aan het Europees Parlement, de Raad of de Commissie als
bepaald in artikel 34;
-
h)overeenkomstig artikel 35 de nodige informatie over financiële instellingen te
verzamelen;
-
i)gemeenschappelijke methoden ter beoordeling van het effect van bepaalde product-
kenmerken en distributieprocessen op de financiële positie van instellingen en op de
consumentenbescherming te ontwikkelen;
Artikel 9
Taken in verband met consumentenbescherming
en financiële activiteiten
-
1.De Autoriteit speelt een leidende rol bij het bevorderen van transparantie, eenvoud en
billijkheid op de markt voor financiële producten of diensten aan consumenten in de gehele
interne markt, onder meer door:
-
a)het verzamelen en analyseren van en het verslag uitbrengen over consumententrends;
-
b)het evalueren en coördineren van financiële kennis van de bevoegde autoriteiten en
van de door hen genomen educatieve initiatieven;
-
c)de ontwikkeling van opleidingsnormen voor de industrie; en
-
d)bij te dragen aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke openbaarmakingsregels.
-
2.De Autoriteit oefent toezicht uit op nieuwe en bestaande financiële activiteiten en kan
richtsnoeren vaststellen en aanbevelingen doen om de veiligheid en de soliditeit van
markten alsmede convergentie van de reguleringspraktijk te bevorderen.
-
3.De Autoriteit kan tevens waarschuwingen geven ingeval een financiële activiteit een
ernstige bedreiging vormt van de doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 1, lid 5.
-
4.De Autoriteit richt, als een integrerend onderdeel van de Autoriteit, een Commissie
financiële innovatie op, waarin alle relevante bevoegde nationale toezichthoudende
autoriteiten zitting hebben met het oog op een gecoördineerde benadering van de
behandeling van nieuwe of innoverende financiële activiteiten uit het oogpunt van
regulering en toezicht, en die advies levert dat de Autoriteit aan het Europees Parlement, de
Raad en de Commissie verstrekt.
-
5.De Autoriteit kan bepaalde financiële activiteiten tijdelijk verbieden of beperken als zij een
bedreiging vormen voor het ordelijk functioneren en de integriteit van de financiële
markten of de stabiliteit van het gehele financiële systeem van de Unie of een deel ervan in
de gevallen die gespecificeerd zijn en onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in de
wetgevingshandelingen als bedoeld in artikel 1, lid 2 of, indien dit in een noodsituatie
vereist is, overeenkomstig artikel 18 en de daarin bepaalde voorwaarden.
De Autoriteit evalueert het in de eerste alinea bedoelde besluit met passende tussenpozen
en ten minste om de drie maanden. Indien het besluit na een periode van drie maanden niet
wordt verlengd, verstrijkt het automatisch.
Een lidstaat kan de Autoriteit verzoeken haar besluit te heroverwegen. In dat geval beslist
de Autoriteit overeenkomstig de procedure van artikel 44, lid 1, tweede alinea, of zij haar
besluit handhaaft.
De Autoriteit kan ook beoordelen of het nodig is bepaalde soorten financiële activiteiten te
Artikel 10
Technische reguleringsnormen
-
1.Wanneer het Europees Parlement en de Raad door middel van gedelegeerde handelingen
overeenkomstig artikel 290 VWEU bevoegdheden delegeren aan de Commissie voor de
vaststelling van technische reguleringsnormen teneinde consistente harmonisatie te
waarborgen op de gebieden die specifiek in de in artikel 1, lid 2, genoemde wetgevings-
handelingen zijn vastgesteld, kan de Autoriteit ontwerpen van technische regulerings-
normen ontwikkelen. De Autoriteit legt haar ontwerpen van normen ter bevestiging aan de
Commissie voor.
De technische reguleringsnormen zijn van technische aard, houden geen strategische
beslissingen of beleidskeuzen in, en zijn inhoudelijk beperkt door de wetgevings-
handelingen waarop zij gebaseerd zijn.
Alvorens ontwerpen van technische reguleringsnormen aan de Commissie voor te leggen,
houdt de Autoriteit openbare raadplegingen daarover en analyseert zij de mogelijke kosten
en baten daarvan, tenzij dergelijke raadplegingen en analyses niet in een evenredige
verhouding staan tot het toepassingsgebied en het effect van het ontwerp van technische
reguleringsnorm in kwestie of tot de specifieke urgentie van de zaak. Ook wint de
Autoriteit het advies in van de in artikel 37 bedoelde Stakeholdergroep bankwezen.
Wanneer de Autoriteit een ontwerp van technische reguleringsnorm voorlegt, doet de
Binnen drie maanden na ontvangst van een ontwerp van technische reguleringsnorm
besluit de Commissie of zij het ontwerp bevestigt. De Commissie kan besluiten de
ontwerpen van technische reguleringsnormen slechts gedeeltelijk of gewijzigd te
bevestigen indien het belang van de Unie dit vereist.
Indien de Commissie voornemens is een ontwerp van technische reguleringsnorm niet,
slechts gedeeltelijk of in gewijzigde vorm te bevestigen, zendt zij het ontwerp van
technische reguleringsnorm terug naar de Autoriteit en motiveert zij waarom zij het niet
heeft goedgekeurd of motiveert zij haar wijzigingen, naargelang het geval. Binnen een
termijn van zes weken kan de Autoriteit het ontwerp van technische reguleringsnorm
wijzigen op basis van de wijzigingsvoorstellen van de Commissie, en deze in de vorm van
een formeel advies opnieuw aan de Commissie voorleggen. De Autoriteit doet het
Europees Parlement en de Raad een kopie van haar formeel advies toekomen.
Indien de Autoriteit na het verstrijken van die termijn van zes weken geen gewijzigd
ontwerp van technische reguleringsnorm heeft ingediend, of een ontwerp van technische
reguleringsnorm heeft ingediend dat niet is gewijzigd op een manier die strookt met de
wijzigingsvoorstellen van de Commissie, mag de Commissie de technische regulerings-
norm aannemen met de wijzigingen die zij relevant acht, dan wel de norm verwerpen.
De Commissie mag de inhoud van het door de Autoriteit opgestelde ontwerp van
technische reguleringsnorm niet wijzigen zonder voorafgaande coördinatie met de
Autoriteit, als bepaald in dit artikel.
-
2.Indien de Autoriteit binnen de termijn die is vastgesteld in de in artikel 1, lid 2, bedoelde
wetgevingshandelingen, geen ontwerp van technische reguleringsnorm heeft ingediend,
mag de Commissie een dergelijk ontwerp binnen een nieuwe termijn verlangen.
-
3.Enkel wanneer de Autoriteit geen ontwerp van technische reguleringsnorm bij de
Commissie indient binnen de in lid 2 bedoelde termijnen, mag de Commissie middels een
gedelegeerde handeling een technische reguleringsnorm aannemen zonder een ontwerp van
de Autoriteit.
De Commissie houdt openbare raadplegingen over ontwerpen van technische regulerings-
normen en analyseert de mogelijke kosten en baten daarvan, tenzij dergelijke raad-
plegingen en analyses niet in een evenredige verhouding staan tot het toepassingsgebied en
het effect van het ontwerp van technische reguleringsnorm in kwestie of tot de specifieke
urgentie van de zaak. Ook wint de Commissie het standpunt of advies in van de in
artikel 37 bedoelde Stakeholdergroep bankwezen.
De Commissie doet het ontwerp van technische reguleringsnorm onmiddellijk aan het
Europees Parlement en de Raad toekomen.
De Commissie zendt haar ontwerp van technische reguleringsnorm aan de Autoriteit toe.
Binnen een termijn van zes weken kan de Autoriteit het ontwerp van technische
reguleringsnorm wijzigen en dit in de vorm van een formeel advies aan de Commissie
voorleggen. De Autoriteit doet een kopie van haar formeel advies aan het Europees
Indien de Autoriteit na het verstrijken van de in de vierde alinea bedoelde termijn van zes
weken geen gewijzigd ontwerp van technische reguleringsnorm heeft ingediend, mag de
Commissie de technische reguleringsnorm aannemen.
Indien de Autoriteit binnen de periode van zes weken een gewijzigd ontwerp van
technische reguleringsnorm heeft ingediend, mag de Commissie het ontwerp van
technische reguleringsnorm wijzigen op basis van de door de Autoriteit voorgestelde
wijzigingen, dan wel de technische reguleringsnorm aannemen met de wijzigingen die zij
relevant acht. De Commissie mag de inhoud van het door de Autoriteit opgestelde ontwerp
van technische reguleringsnorm niet wijzigen zonder voorafgaande coördinatie met de
Autoriteit, als bepaald in dit artikel.
-
4.De technische reguleringsnormen worden vastgesteld door middel van verordeningen of
besluiten. Zij worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treden
op de daarin vermelde datum in werking.
Artikel 11
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
-
1.De bevoegdheid om de in artikel 10 bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen,
wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vier jaar vanaf ... . Uiterlijk
zes maanden voor het einde van de periode van vier jaar stelt de Commissie een verslag op
over de gedelegeerde bevoegdheid. De bevoegdheidsdelegatie wordt automatisch met
-
2.Zodra de Commissie een technische reguleringsnorm heeft vastgesteld, stelt zij het
Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.
-
3.De bevoegdheid om technische reguleringsnormen vast te stellen, wordt aan de Commissie
toegekend onder de voorwaarden die worden gesteld in de artikelen 12 tot en met 14.
Artikel 12
Intrekking van de bevoegdheidsdelegatie
-
1.De in artikel 10 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees
Parlement of de Raad worden ingetrokken.
-
2.De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij de bevoegd-
heidsdelegatie wenst in te trekken, beijvert zich om de andere instelling en de Commissie
hiervan binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen, op de
hoogte te stellen en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheid mogelijk worden
ingetrokken.
-
3.Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de in dat besluit genoemde
bevoegdheid. Het besluit treedt onmiddellijk in werking of op een in dat besluit bepaalde
latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds in werking zijnde technische regulerings-
normen onverlet. Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 13
Bezwaar tegen technische reguleringsnormen
-
1.Het Europees Parlement of de Raad kan binnen een termijn van drie maanden na de datum
van kennisgeving van de door de Commissie vastgestelde technische reguleringsnorm
tegen de technische reguleringsnorm bezwaar aantekenen. Op initiatief van het Europees
Parlement of de Raad wordt deze termijn met drie maanden verlengd.
Wanneer de Commissie een technische reguleringsnorm vaststelt die identiek is aan het
door de Autoriteit ingediende ontwerp van technische reguleringsnorm, bedraagt de
termijn tijdens welke het Europees Parlement en de Raad bezwaar kunnen aantekenen één
maand na de datum van kennisgeving. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad
wordt deze termijn met één maand verlengd.
-
2.Indien noch het Europees Parlement noch de Raad bij het verstrijken van de in lid 1
bedoelde termijn bezwaar heeft aangetekend tegen de technische reguleringsnorm wordt de
technische reguleringsnorm bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en
treedt deze in werking op de daarin bepaalde datum.
Indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie heeft meegedeeld dat het
respectievelijk hij voornemens is geen bezwaar aan te tekenen, mag de technische
reguleringsnorm vóór het verstrijken van die termijn worden gepubliceerd in het
Publicatieblad van de Europese Unie en in werking treden.
-
3.Indien het Europees Parlement of de Raad bezwaar aantekent tegen een technische
reguleringsnorm binnen de in lid 1 vermelde termijn, treedt deze niet in werking.
Overeenkomstig artikel 296 VWEU wordt door de instelling die bezwaar aantekent, het
bezwaar tegen de technische reguleringsnorm met redenen omkleed.
Artikel 14
Niet-bevestiging of wijziging van ontwerpen
van technische reguleringsnormen
-
1.Indien de Commissie een ontwerp van technische reguleringsnorm overeenkomstig
artikel 10 niet bevestigt of het wijzigt, stelt zij de Autoriteit, het Europees Parlement en de
Raad daarvan in kennis en omkleedt zij dit met redenen.
-
2.In voorkomend geval kan het Europees Parlement of de Raad het verantwoordelijke
Commissielid samen met de voorzitter van de Autoriteit binnen één maand na de in lid 1
bedoelde kennisgeving uitnodigen voor een ad-hocvergadering van de bevoegde
commissie van het Europees Parlement of de Raad om hun meningsverschillen uiteen te
Artikel 15
Technische uitvoeringsnormen
-
1.De Autoriteit kan technische uitvoeringsnormen ontwikkelen door middel van uitvoerings-
handelingen overeenkomstig artikel 291 VWEU op de gebieden die specifiek in de in
artikel 1, lid 2, genoemde wetgevingshandelingen zijn vastgesteld. De technische
uitvoeringsnormen zijn van technische aard, houden geen strategische beslissingen of
beleidskeuzen in en bepalen inhoudelijk de voorwaarden voor de toepassing van die
handelingen. De Autoriteit legt haar ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ter
bevestiging aan de Commissie voor.
Alvorens ontwerpen van technische uitvoeringsnormen aan de Commissie voor te leggen,
houdt de Autoriteit openbare raadplegingen daarover en analyseert zij de mogelijke kosten
en baten daarvan, tenzij dergelijke raadplegingen en analyses niet in een evenredige
verhouding staan tot het toepassingsgebied en het effect van de ontwerpen van technische
uitvoeringsnormen in kwestie of tot de specifieke urgentie van de zaak. Ook wint de
Autoriteit het advies in van de in artikel 37 bedoelde Stakeholdergroep bankwezen.
Wanneer de Autoriteit een ontwerp van technische uitvoeringsnorm voorlegt, doet de
Commissie dat onmiddellijk aan het Europees Parlement en de Raad toekomen.
Binnen drie maanden na ontvangst van een ontwerp van technische uitvoeringsnorm
besluit de Commissie of zij dit ontwerp bevestigt. De Commissie kan die termijn met één
maand verlengen. De Commissie kan besluiten het ontwerp van technische uitvoerings-
norm slechts gedeeltelijk of gewijzigd te bevestigen indien het belang van de Unie dit
vereist.
Indien de Commissie voornemens is het ontwerp van technische uitvoeringsnorm niet,
slechts gedeeltelijk of in gewijzigde vorm te bevestigen, zendt zij het terug naar de
Autoriteit en motiveert waarom zij het niet heeft goedgekeurd of motiveert zij haar
wijzigingen, naar gelang het geval. Binnen een termijn van zes weken kan de Autoriteit de
ontwerpen van technische uitvoeringsnormen wijzigen op basis van de wijzigings-
voorstellen van de Commissie, en deze in de vorm van een formeel advies opnieuw aan de
Commissie voorleggen. De Autoriteit doet het Europees Parlement en de Raad een kopie
van haar formele advies toekomen.
Indien de Autoriteit na het verstrijken van de in de vijfde alinea bedoelde termijn van zes
weken geen gewijzigd ontwerp van technische uitvoeringsnorm heeft ingediend, of een
ontwerp van technische uitvoeringsnorm heeft ingediend dat niet is gewijzigd op een
manier die strookt met de wijzigingsvoorstellen van de Commissie, kan de Commissie de
technische uitvoeringsnorm aannemen met de wijzigingen die zij relevant acht, dan wel de
norm verwerpen.
De Commissie mag de inhoud van een door de Autoriteit opgesteld ontwerp van
-
2.Indien de Autoriteit binnen de termijn die is vastgesteld in de in artikel 1, lid 2, bedoelde
wetgevingshandelingen, geen ontwerp van technische uitvoeringsnorm heeft ingediend,
mag de Commissie een dergelijk ontwerp binnen een nieuwe termijn verlangen.
-
3.Enkel wanneer de Autoriteit geen ontwerp van technische uitvoeringsnorm bij de
Commissie indient binnen de in lid 2 vastgestelde termijn, kan de Commissie middels een
uitvoeringshandeling een technische uitvoeringsnorm aannemen zonder een ontwerp van
de Autoriteit.
De Commissie houdt openbare raadplegingen over ontwerpen van technische uitvoerings-
normen en analyseert de mogelijke kosten en baten daarvan, tenzij dergelijke raad-
plegingen en analyses niet in een evenredige verhouding staan tot het toepassingsgebied en
het effect van de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen in kwestie of tot de
specifieke urgentie van de zaak. Ook wint de Commissie het standpunt of advies in van de
in artikel 37 bedoelde Stakeholdergroep bankwezen.
De Commissie doet het ontwerp van technische uitvoeringsnorm onmiddellijk aan het
Europees Parlement en de Raad toekomen.
De Commissie zendt het ontwerp van technische uitvoeringsnorm aan de Autoriteit toe.
Binnen een termijn van zes weken kan de Autoriteit het ontwerp van technische
uitvoeringsnorm wijzigen en dit in de vorm van een formeel advies aan de Commissie
voorleggen. De Autoriteit doet een kopie van haar formele advies aan het Europees
Indien de Autoriteit na het verstrijken van de in de vierde alinea bedoelde termijn van zes
weken geen gewijzigd ontwerp van technische uitvoeringsnorm heeft ingediend, kan de
Commissie de technische uitvoeringsnorm aannemen.
Indien de Autoriteit binnen die termijn van zes weken een gewijzigd ontwerp van
technische uitvoeringsnorm heeft ingediend, mag de Commissie het ontwerp van
technische uitvoeringsnorm wijzigen op basis van de door de Autoriteit voorgestelde
wijzigingen, dan wel de technische uitvoeringsnorm aannemen met de wijzigingen die zij
relevant acht.
De Commissie mag de inhoud van de door de Autoriteit opgestelde ontwerpen van
technische uitvoeringsnormen niet wijzigen zonder voorafgaande coördinatie met de
Autoriteit, als bepaald in dit artikel.
-
4.De technische uitvoeringsnormen worden vastgesteld door middel van verordeningen of
besluiten. Zij worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treden
op de daarin vermelde datum in werking.
Artikel 16
Richtsnoeren en aanbevelingen
-
1.Met het oog op het invoeren van consistente, efficiënte en effectieve toezichtpraktijken
binnen het ESFS en het verzekeren van de gemeenschappelijke, uniforme en consistente
-
2.In voorkomend geval houdt de Autoriteit openbare raadplegingen over richtsnoeren en
aanbevelingen, en analyseert zij de potentiële kosten en baten daarvan. Die raadplegingen
en analyse staan in verhouding tot de reikwijdte, de aard en het effect van het richtsnoer of
de aanbeveling. Ook wint de Autoriteit in voorkomend geval het standpunt of advies in van
de in artikel 37 bedoelde Stakeholdergroep bankwezen.
-
3.Bevoegde autoriteiten en financiële instellingen spannen zich tot het uiterste in om aan die
richtsnoeren en aanbevelingen te voldoen.
Binnen twee maanden nadat een richtsnoer of aanbeveling is gegeven, bevestigt elke
bevoegde autoriteit of zij aan dat richtsnoer of die aanbeveling voldoet of voornemens is
die op te volgen. Wanneer een bevoegde autoriteit daaraan niet voldoet of niet voornemens
is die op te volgen, stelt zij de Autoriteit daarvan in kennis, met opgave van de redenen.
Het feit dat de bevoegde autoriteit niet aan het richtsnoer of de aanbeveling in kwestie
voldoet of niet voornemens is die op te volgen, wordt door de Autoriteit bekendgemaakt.
De Autoriteit kan eveneens per geval besluiten de redenen die de bevoegde autoriteit
aanvoert om niet aan het richtsnoer of de aanbeveling in kwestie te voldoen, bekend te
maken. De bevoegde autoriteit ontvangt vooraf een kennisgeving van deze bekendmaking.
Indien zulks in dat richtsnoer of die aanbeveling is voorgeschreven, melden de
financiëlemarktdeelnemers op duidelijke en gedetailleerde wijze of zij zich aan dat
richtsnoer of die aanbeveling houden.
-
4.In het in artikel 43, lid 5, bedoelde verslag stelt de Autoriteit het Europees Parlement, de
Raad en de Commissie in kennis van de gegeven richtsnoeren en aanbevelingen en
vermeldt zij welke bevoegde nationale autoriteiten deze niet hebben opgevolgd, en hoe zij
ervoor denkt te zorgen dat ieder van deze bevoegde autoriteiten in de toekomst haar
aanbevelingen en richtsnoeren zal opvolgen.
Artikel 17
Inbreuk op het Unierecht
-
1.Ingeval een bevoegde autoriteit de in artikel 1, lid 2, genoemde handelingen, waaronder
begrepen de overeenkomstig artikel 10 tot en met 15 vastgestelde technische regulerings-
normen en technische uitvoeringsnormen, niet heeft toegepast of heeft toegepast op een
wijze die in strijd is met het Unierecht, met name door niet te verzekeren dat een financiële
instelling de in die handelingen vastgestelde eisen vervult, handelt de Autoriteit overeen-
komstig de in de leden 2, 3 en 6 van dit artikel genoemde bevoegdheden.
-
2.Op verzoek van een of meer bevoegde autoriteiten, het Europees Parlement, de Raad, de
Commissie, of de Stakeholdergroep bankwezen, of op eigen initiatief, en na de betrokken
bevoegde autoriteit op de hoogte te hebben gebracht, kan de Autoriteit de aangevoerde
inbreuk op of niet-toepassing van het Unierecht onderzoeken.
Onverminderd de in artikel 35 vastgestelde bevoegdheden verstrekt de bevoegde autoriteit
aan de Autoriteit onverwijld alle informatie die de Autoriteit nodig acht voor haar
-
3.De Autoriteit kan, uiterlijk binnen twee maanden na de aanvang van haar onderzoek, tot de
betrokken bevoegde autoriteit een aanbeveling richten waarin wordt uiteengezet welke
maatregelen nodig zijn om aan het Unierecht te voldoen.
De bevoegde autoriteit brengt de Autoriteit binnen tien werkdagen na ontvangst van de
aanbeveling op de hoogte van de stappen die zij heeft gedaan of voornemens is te doen om
de inachtneming van het Unierecht te verzekeren.
-
4.Ingeval de bevoegde autoriteit binnen één maand na ontvangst van de aanbeveling van de
Autoriteit niet aan het Unierecht heeft voldaan, kan de Commissie, na door de Autoriteit op
de hoogte te zijn gebracht of op eigen initiatief, een formeel advies uitbrengen op grond
waarvan de bevoegde autoriteit de maatregelen dient te nemen die nodig zijn om het
Unierecht na te leven. De Commissie houdt in haar formeel advies rekening met de
aanbeveling van de Autoriteit.
De Commissie brengt een dergelijk formeel advies uit uiterlijk drie maanden na het geven
van de aanbeveling. De Commissie kan die termijn met één maand verlengen.
De Autoriteit en de bevoegde autoriteiten verstrekken de Commissie alle nodige
informatie.
-
5.Binnen tien werkdagen na ontvangst van het in lid 4 bedoelde formeel advies informeert de
bevoegde autoriteit de Commissie en de Autoriteit over de stappen die zij heeft gedaan of
zal doen om dat formeel advies na te leven.
-
6.Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie volgens artikel 258 VWEU kan,
ingeval een bevoegde autoriteit het in lid 4 bedoelde formeel advies niet binnen de daarin
bepaalde termijn naleeft en het nodig is deze niet-naleving tijdig te verhelpen om neutrale
concurrentievoorwaarden op de markt te behouden of te herstellen of de ordelijke werking
en de integriteit van het financiële stelsel te verzekeren, de Autoriteit, indien de toepas-
selijke eisen van de in artikel 1, lid 2, genoemde handelingen op de financiële instellingen
rechtstreeks toepasselijk zijn, een tot een financiële instelling gericht individueel besluit
nemen op grond waarvan de financiële instelling de nodige maatregelen dient te nemen om
te voldoen aan haar verplichtingen volgens het Unierecht, met inbegrip van de stopzetting
van haar activiteiten.
Het besluit van de Autoriteit is in overeenstemming met het door de Commissie ingevolge
lid 4 uitgebrachte formeel advies.
-
7.Op grond van lid 6 vastgestelde besluiten hebben voorrang op eerdere besluiten die door de
bevoegde autoriteiten over dezelfde aangelegenheid zijn vastgesteld.
Bij het nemen van maatregelen met betrekking tot aangelegenheden die onderworpen
worden aan een formeel advies ingevolge lid 4 of aan een besluit ingevolge lid 6
conformeren de bevoegde autoriteiten zich aan het formeel advies of het besluit, al naar het
geval.
Artikel 18
Maatregelen in noodsituaties
-
1.Ingeval van ongunstige ontwikkelingen die de ordelijke werking en de integriteit van de
financiële markten of de stabiliteit van het financiële stelsel in de Unie geheel of gedeelte-
lijk ernstig in gevaar kunnen brengen, faciliteert de Autoriteit metterdaad de door de
betrokken bevoegde nationale toezichthoudende autoriteiten genomen maatregelen en
coördineert zij deze voor zover dit nodig wordt geacht.
Om die faciliterende en coördinerende rol te kunnen vervullen, wordt de Autoriteit
volledig geïnformeerd over relevante ontwikkelingen, en wordt zij uitgenodigd om als
waarnemer deel te nemen aan de desbetreffende bijeenkomsten van de bevoegde nationale
toezichthoudende autoriteiten.
-
2.De Raad kan, na een verzoek van de Autoriteit, de Commissie of het ESRB, in overleg met
de Commissie en het ESRB en, voor zover van toepassing, de ESA's, een tot de Autoriteit
gericht besluit nemen waarin bepaald wordt dat er sprake is van een noodsituatie in de zin
van deze verordening. De Raad evalueert dat besluit met passende tussenpozen en ten
minste elke maand. Indien het besluit op het einde van een periode van een maand niet
wordt verlengd, verstrijkt het automatisch. De Raad kan de noodsituatie te allen tijde voor
Indien het ESRB of de Autoriteit oordeelt dat er een noodsituatie kan ontstaan, geven zij
een aan de Raad gerichte vertrouwelijke aanbeveling en leggen zij een beoordeling van de
situatie voor. De Raad beoordeelt vervolgens of het nodig is een vergadering bijeen te
roepen. In dit proces moet de geheimhouding worden gewaarborgd.
Indien de Raad bepaalt dat er sprake is van een noodsituatie, stelt hij het Europees
Parlement en de Commissie daarvan onverwijld naar behoren in kennis.
-
3.Ingeval de Raad een besluit heeft vastgesteld ingevolge lid 2, alsook in uitzonderlijke
gevallen waarin gecoördineerde actie van de nationale autoriteiten nodig is om het hoofd te
bieden aan ongunstige ontwikkelingen die de ordelijke werking en de integriteit van de
financiële markten of de stabiliteit van het geheel of een deel van het financiële stelsel in
de Unie ernstig in gevaar kunnen brengen, kan de Autoriteit individuele besluiten nemen
op grond waarvan bevoegde autoriteiten overeenkomstig de in artikel 1, lid 2, genoemde
wetgeving de nodige maatregelen dienen te nemen om deze ontwikkelingen aan te pakken
door te verzekeren dat financiële instellingen en bevoegde autoriteiten aan de in die
wetgeving vastgestelde eisen voldoen.
-
4.Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie volgens artikel 258 VWEU kan,
wanneer een bevoegde autoriteit het in lid 3 bedoelde besluit van de Autoriteit niet binnen
de in dat besluit vastgestelde termijn naleeft, de Autoriteit, ingeval de desbetreffende eisen
die zijn vastgesteld in de in artikel 1, lid 2, genoemde wetgevingshandelingen, daaronder
begrepen de technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen die zijn vast-
gesteld overeenkomstig die handelingen, rechtstreeks toepasselijk zijn op financiële
instellingen, een tot een financiële instelling gericht individueel besluit nemen op grond
waarvan de financiële instelling de nodige maatregelen dient te nemen om te voldoen aan
haar verplichtingen volgens die wetgeving, met inbegrip van de stopzetting van haar
activiteiten. Dit geldt uitsluitend in situaties waarin een bevoegde autoriteit de in artikel 1,
lid 2, bedoelde wetgevingshandelingen, daaronder begrepen de technische regulerings-
normen en technische uitvoeringsnormen die zijn vastgesteld overeenkomstig die
handelingen, niet toepast, of toepast op een manier die een kennelijke schending van die
handelingen inhoudt die dringend ongedaan moet worden gemaakt om de ordelijke
werking en de integriteit van de financiële markten of de stabiliteit van het geheel of van
een deel van het financiële systeem in de Unie te herstellen.
-
5.Op grond van lid 4 vastgestelde besluiten hebben voorrang op eerdere besluiten die door de
bevoegde autoriteiten over dezelfde aangelegenheid zijn vastgesteld.
Maatregelen van de bevoegde autoriteiten met betrekking tot kwesties die onderworpen
worden aan een besluit ingevolge lid 3 of 4 dienen verenigbaar te zijn met die besluiten.
Artikel 19
Schikking van meningsverschillen tussen bevoegde autoriteiten
in grensoverschrijdende situaties
-
1.Onverminderd de in artikel 17 vastgestelde bevoegdheden kan de Autoriteit, indien een
bevoegde autoriteit in procedureel of inhoudelijk opzicht van mening verschilt over door
een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat genomen of niet genomen maatregelen in
de gevallen die zijn vermeld in de in artikel 1, lid 2, genoemde handelingen, op verzoek
van een of meer betrokken bevoegde autoriteiten die autoriteiten bijstaan bij het bereiken
van overeenstemming overeenkomstig de in de leden 2 tot en met 4 van dit artikel
vastgestelde procedure.
In de gevallen vermeld in de in artikel 1, lid 2, genoemde wetgeving en indien op basis van
objectieve criteria een verschil van mening tussen de bevoegde autoriteiten van
verschillende lidstaten kan worden vastgesteld, kan de Autoriteit, op eigen initiatief, die
autoriteiten bijstaan bij het bereiken van overeenstemming overeenkomstig de in de
leden 2 tot en met 4 vastgestelde procedure.
-
2.De Autoriteit stelt een termijn vast voor verzoening tussen de bevoegde autoriteiten
rekening houdend met desbetreffende termijnen die in de in artikel 1, lid 2, genoemde
handelingen worden bepaald en met de complexiteit en urgentie van de aangelegenheid. In
dat stadium treedt de Autoriteit als bemiddelaar op.
-
3.Indien de bevoegde autoriteiten er niet in geslaagd zijn tijdens de in lid 2 bedoelde
verzoeningsfase tot overeenstemming te komen, kan de Autoriteit overeenkomstig de
procedure van artikel 44, lid 1, derde en vierde alinea, een besluit nemen dat de bevoegde
autoriteiten verplicht specifieke maatregelen te nemen of van het nemen van maatregelen
af te zien om de zaak te schikken, met bindende werking voor de betrokken bevoegde
autoriteiten, teneinde de naleving van het Unierecht te garanderen.
-
4.Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie volgens artikel 258 VWEU kan,
wanneer een bevoegde autoriteit het besluit van de Autoriteit niet naleeft en er daardoor
niet in slaagt te verzekeren dat een financiële instelling voldoet aan de eisen die krachtens
de in artikel 1, lid 2, genoemde handelingen rechtstreeks op die instelling toepasselijk zijn,
de Autoriteit een tot die financiële instelling gericht individueel besluit nemen op grond
waarvan die financiële instelling de nodige maatregelen dient te nemen om te voldoen aan
haar verplichtingen op grond van het Unierecht, met inbegrip van de stopzetting van haar
activiteiten.
-
5.Op grond van lid 4 vastgestelde besluiten hebben voorrang op eerdere besluiten die door de
bevoegde autoriteiten over dezelfde aangelegenheid zijn vastgesteld. Maatregelen van de
bevoegde autoriteiten met betrekking tot feiten die onderworpen worden aan een besluit
ingevolge lid 3 of lid 4 dienen verenigbaar te zijn met die besluiten.
-
6.De voorzitter van de Autoriteit vermeldt in het in artikel 50, lid 2, bedoelde verslag de aard
en het type van de meningsverschillen tussen bevoegde autoriteiten, de bereikte overeen-
Artikel 20
Schikking van intersectorale meningsverschillen
tussen bevoegde autoriteiten
Het Gemengd Comité schikt overeenkomstig de procedure van de artikelen 19 en 56 intersectorale
meningsverschillen die kunnen ontstaan tussen bevoegde autoriteiten als omschreven in artikel 4,
punt 2), van deze verordening, van Verordening (EU) nr. .../2010 respectievelijk Verordening (EU)
nr. .../2010*.
Artikel 21
Colleges van toezichthouders
-
1.De Autoriteit draagt bij tot de bevordering en monitoring van de efficiënte, effectieve en
consistente werking van de in Richtlijn 2006/48/EG bedoelde colleges van toezichthouders
en bevordert de consistente toepassing van het Unierecht door alle colleges van toezicht-
houders. Teneinde te komen tot convergentie wat betreft beste praktijken inzake toezicht,
kan personeel van de Autoriteit deelnemen aan de activiteiten van de colleges van
toezichthouders, inclusief inspecties ter plaatse, die gezamenlijk worden uitgevoerd door
twee of meer bevoegde autoriteiten.
-
2.De Autoriteit geeft leiding bij het waarborgen van de consistente en coherente werking van
de colleges van toezichthouders voor grensoverschrijdende instellingen in de gehele Unie,
rekening houdend met het systeemrisico dat financiële instellingen, als bedoeld in
artikel 23, opleveren.
Voor de toepassing van dit lid en van lid 1 van dit artikel wordt de Autoriteit beschouwd
als een "bevoegde autoriteit" in de zin van de toepasselijke wetgeving.
De Autoriteit kan:
-
a)alle relevante informatie verzamelen en delen in samenwerking met de bevoegde
autoriteiten om het werk van het college te vergemakkelijken en een centraal systeem
op te zetten en te beheren om deze informatie beschikbaar te stellen aan de bevoegde
autoriteiten in het college;
-
b)Uniebrede stresstests overeenkomstig artikel 32 initiëren en coördineren om de
veerkracht van financiële instellingen, met name het systeemrisico dat de in
artikel 23 bedoelde financiële instellingen opleveren, bij ongunstige marktontwik-
kelingen te beoordelen, en een beoordeling te verrichten van de mogelijkheid dat het
systeemrisico toeneemt in stresssituaties, waarbij ervoor wordt gezorgd dat op
nationaal niveau bij het houden van dergelijke tests een zo consistent mogelijke
methode wordt gevolgd, en indien nodig, aan de bevoegde autoriteit een aanbeveling
wordt gegeven om problemen aan te pakken die bij de stresstest aan het licht zijn
-
c)effectieve en efficiënte toezichtpraktijken bevorderen, inclusief het evalueren van de
risico's waaraan financiële instellingen blootgesteld zijn of zouden kunnen zijn als
geconstateerd bij het toezichtproces of in stresssituaties;
-
d)toezicht houden, overeenkomstig de taken en bevoegdheden die in deze verordening
zijn vermeld, op de taken die door de bevoegde autoriteiten worden uitgeoefend; en
-
e)verzoeken om verdere beraadslagingen in een college wanneer zij van oordeel is dat
een besluit zou resulteren in een incorrecte toepassing van het Unierecht of niet zou
bijdragen tot de doelstelling van convergentie inzake toezichtpraktijken. Zij kan de
consoliderende toezichthouder tevens verzoeken een vergadering van het college te
organiseren of een punt toe te voegen aan de agenda van een vergadering.
-
3.De Autoriteit kan ontwerpen van technische reguleringsnormen en technische uitvoerings-
normen opstellen om te zorgen voor uniforme toepassingsvoorwaarden voor de bepalingen
betreffende het functioneren van colleges van toezichthouders, alsmede overeenkomstig
artikel 16 vastgestelde richtsnoeren en aanbevelingen uitvaardigen ter bevordering van de
convergentie bij de werking van het toezicht en de door de colleges van toezichthouders
-
4.De Autoriteit kan met wettelijk bindende kracht bemiddelend optreden om geschillen
tussen bevoegde autoriteiten te beslechten overeenkomstig de in artikel 19 omschreven
procedure. De Autoriteit kan overeenkomstig artikel 19 toezichtbesluiten nemen die
rechtstreeks toepasselijk zijn op de betrokken instelling.
Artikel 22
Algemene bepalingen
-
1.De Autoriteit beraadt zich terdege op het systeemrisico als gedefinieerd in Verordening
(EU) nr. .../2010*,. Zij pakt risico's op verstoring van de financiële dienstverlening aan
wanneer deze verstoring:
-
a)veroorzaakt wordt door een verzwakking van het gehele financiële systeem of van
delen daarvan, en
-
b)mogelijk ernstige negatieve gevolgen kan hebben voor de interne markt en de reële
economie.
De Autoriteit beraadt zich, waar passend, op de door het ESRB en haarzelf ingestelde
monitoring en beoordeling van systeemrisico's en reageert op de waarschuwingen en
aanbevelingen van het ESRB, overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU)
-
2.De Autoriteit ontwikkelt in samenwerking met het ESRB een gemeenschappelijke reeks
kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren ("risicodashboard") voor het vaststellen en meten
van systeemrisico's.
De Autoriteit ontwikkelt tevens een adequate regeling voor stresstests die moeten helpen
vaststellen welke instellingen een systeemrisico kunnen opleveren. De betrokken
instellingen worden onderworpen aan een scherper toezicht en, voor zover nodig, de
herstel- en afwikkelingsprocedures bedoeld in artikel 25.
-
3.Onverminderd de in artikel 1, lid 2, genoemde handelingen stelt de Autoriteit zo nodig
aanvullende richtsnoeren en aanbevelingen voor financiële instellingen op, teneinde
rekening te houden met het systeemrisico dat zij opleveren.
De Autoriteit zorgt ervoor dat het systeemrisico dat financiële instellingen kunnen
opleveren, in aanmerking wordt genomen bij de ontwikkeling van ontwerpen van
technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen op de gebieden die zijn
vastgesteld in de in artikel 1, lid 2, bedoelde wetgevingshandelingen.
-
4.De Autoriteit kan op verzoek van een of meer bevoegde autoriteiten, het Europees
Parlement, de Raad of de Commissie, of op eigen initiatief, een onderzoek verrichten naar
een bijzondere soort financiële instelling, product of gedraging teneinde mogelijke
bedreigingen van de stabiliteit van het financiële stelsel te beoordelen en de betrokken
bevoegde autoriteiten passende aanbevelingen voor maatregelen te doen.
Daartoe kan de Autoriteit gebruik maken van de bevoegdheden die haar krachtens deze
verordening, met inbegrip van artikel 35, zijn verleend.
-
5.Het Gemengd Comité zorgt voor de algemene en sectoroverschrijdende coördinatie van de
activiteiten die op grond van dit artikel worden verricht.
Artikel 23
Vaststelling en meting van systeemrisico
-
1.De Autoriteit stelt in overleg met het ESRB criteria vast voor de vaststelling en meting van
systeemrisico, alsook een adequate regeling voor stresstests die een beoordeling omvat van
de mogelijkheid dat het systeemrisico dat financiële instellingen opleveren, in stress-
situaties toeneemt. De financiële instellingen die een systeemrisico kunnen opleveren,
worden onderworpen aan een scherper toezicht en, voor zover nodig, de herstel- en
afwikkelingsprocedures bedoeld in artikel 25.
-
2.De Autoriteit houdt bij het opstellen van criteria voor de vaststelling en meting van het
systeemrisico dat financiële instellingen opleveren ten volle rekening met de internationale
methoden op dat gebied, onder meer de methoden die zijn opgesteld door de Raad voor
Financiële stabiliteit, het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Internationale
Betalingen.
Artikel 24
Permanente capaciteit om te reageren op systeemrisico's
-
1.De Autoriteit zorgt ervoor dat zij over een gespecialiseerde en permanente capaciteit
beschikt om doeltreffend te reageren op het ontstaan van systeemrisico's als bedoeld in de
artikelen 22 en 23, met name wat betreft instellingen die een systeemrisico opleveren.
-
2.De Autoriteit vervult de taken die haar in deze verordening en de in artikel 1, lid 2,
bedoelde wetgeving zijn toevertrouwd, en draagt bij tot het instellen van een coherente en
gecoördineerde regeling voor crisismanagement en -afwikkeling in de Unie.
Artikel 25
Herstel- en afwikkelingsprocedures
-
1.De Autoriteit draagt bij tot en neemt actief deel aan de ontwikkeling en coördinatie van
doeltreffende en consistente herstel- en afwikkelingsplannen, procedures voor nood-
situaties en preventieve maatregelen teneinde het effect op het systeem van failliet gaande
-
2.De Autoriteit kan beste praktijken vaststellen die ertoe strekken de afwikkeling van failliet
gaande instellingen en in het bijzonder grensoverschrijdende groepen te vergemakkelijken,
volgens methoden die besmetting voorkomen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de
passende instrumenten, inclusief de nodige middelen, beschikbaar zijn, en die het mogelijk
maken de instelling of de groep op een ordelijke, kostenefficiënte en tijdige manier af te
wikkelen.
-
3.De Autoriteit kan overeenkomstig de procedure van de artikelen 10 tot en met 15
technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen vaststellen als omschreven
in de in artikel 1, lid 2, bedoelde wetgevingshandelingen.
Artikel 26
Europees systeem van depositogarantiestelsels
-
1.De Autoriteit draagt bij tot de versterking van het Europees Systeem van nationale
depositogarantiestelsels door te handelen krachtens de bevoegdheden die haar bij deze
verordening worden toegekend, teneinde de juiste toepassing van Richtlijn 94/19/EG te
waarborgen en er zo voor te zorgen dat de nationale depositogarantiestelsels naar behoren
worden gefinancierd uit bijdragen van de financiële instellingen, met inbegrip van
financiële instellingen die binnen de Unie vestigingen hebben en deposito's in ontvangst
nemen maar hun hoofdkantoor buiten de Unie hebben, als bedoeld in Richtlijn 94/19/EG,
en een hoog niveau van bescherming te bieden aan alle depositohouders binnen een op
-
2.Op depositogarantiestelsels is artikel 16 betreffende de bevoegdheid van de Autoriteit tot
het geven van richtsnoeren en aanbevelingen van toepassing.
-
3.De Autoriteit kan overeenkomstig de procedure van de artikelen 10 tot en met
15 technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen vaststellen als
omschreven in de in artikel 1, lid 2, bedoelde wetgevingshandelingen.
-
4.Bij de evaluatie van deze verordening als bedoeld in artikel 81 wordt met name de
convergentie met het Europees systeem van depositogarantiestelsels onderzocht.
Artikel 27
Europees systeem van afwikkelings-
en financieringsregelingen in de banksector
-
1.De Autoriteit draagt bij tot het ontwikkelen van methoden voor de afwikkeling van failliet
gaande financiële instellingen, met name indien deze een systeemrisico kunnen opleveren,
die besmetting voorkomen, die de ordelijke en tijdige afbouw van die instellingen mogelijk
maken en die, in voorkomend geval, coherente en geloofwaardige financierings-
-
2.De Autoriteit draagt bij tot het beoordelen van de noodzaak van een systeem van
coherente, solide en geloofwaardige financieringsmechanismen, met passende
financieringsinstrumenten die verbonden zijn aan een reeks gecoördineerde nationale
regelingen voor crisismanagement.
De Autoriteit draagt bij tot de werkzaamheden betreffende aangelegenheden in verband
met gelijke marktvoorwaarden en de cumulatieve gevolgen van stelsels van heffingen op
en bijdragen van financiële instellingen, die zouden kunnen worden ingevoerd om een
eerlijke lastenverdeling te garanderen, en van stimulansen om systeemrisico's in te
dammen, als onderdeel van een coherent en geloofwaardig afwikkelingskader.
Bij de evaluatie van deze verordening als bedoeld in artikel 81 wordt met name nagegaan
of de rol van de Autoriteit in het kader van crisispreventie, -management en -afwikkeling
kan worden versterkt en, indien nodig, of een Europees afwikkelingsfonds dient te worden
opgericht.
Artikel 28
Delegatie van taken en verantwoordelijkheden
-
1.Bevoegde autoriteiten kunnen, met instemming van de gedelegeerde taken en verant-
woordelijkheden aan de Autoriteit of andere bevoegde autoriteiten delegeren overeen-
komstig het bepaalde in dit artikel. De lidstaten kunnen specifieke regelingen betreffende
de delegatie van verantwoordelijkheden vaststellen waaraan moet zijn voldaan voordat hun
-
2.De Autoriteit stimuleert en vergemakkelijkt de delegatie van taken en verantwoordelijk-
heden tussen bevoegde autoriteiten door de taken en verantwoordelijkheden aan te wijzen
welke kunnen worden gedelegeerd of gezamenlijk uitgeoefend en door beste praktijken te
bevorderen.
-
3.De delegatie van verantwoordelijkheden resulteert in een nieuwe toewijzing van de
bevoegdheden die in de in artikel 1, lid 2, bedoelde handelingen zijn vastgesteld. Het recht
van de gedelegeerde autoriteit is van toepassing op de procedure, de handhaving en de
administratieve en gerechtelijke toetsing van de gedelegeerde verantwoordelijkheden.
-
4.De bevoegde autoriteiten brengen de Autoriteit op de hoogte van delegatieovereenkomsten
die zij voornemens zijn te sluiten. Zij voeren de overeenkomsten niet eerder dan één
maand na het op de hoogte brengen van de Autoriteit uit.
De Autoriteit kan binnen één maand na op de hoogte te zijn gebracht een advies over de
voorgenomen overeenkomst geven.
De Autoriteit publiceert op passende manieren elke delegatieovereenkomst zoals door de
bevoegde autoriteiten gesloten, om te verzekeren dat alle betrokken partijen op passende
wijze op de hoogte worden gebracht.
Artikel 29
Gemeenschappelijke toezichtcultuur
-
1.De Autoriteit speelt een actieve rol in het opbouwen van een gemeenschappelijke toezicht-
cultuur van de Unie en consistente toezichtpraktijken alsmede in het verzekeren van
uniforme procedures en consistente benaderingen in geheel de Unie. De Autoriteit voert
ten minste de volgende activiteiten uit:
-
a)verlenen van adviezen aan bevoegde autoriteiten;
-
b)bevorderen van een effectieve bilaterale en multilaterale uitwisseling van informatie
tussen bevoegde autoriteiten, met inachtneming van de toepasselijke bepalingen
inzake geheimhouding en gegevensbescherming waarin de desbetreffende Unie-
wetgeving voorziet;
-
c)bijdragen tot de ontwikkeling van kwalitatief hoogstaande en uniforme toezicht-
normen, daaronder begrepen verslagleggingsnormen en internationale standaarden
voor jaarrekeningen overeenkomstig artikel 1, lid 3;
-
d)evalueren van de toepassing van de desbetreffende door de Commissie vastgestelde
technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen en van de door de
Autoriteit gegeven richtsnoeren en aanbevelingen, en in voorkomend geval
voorstellen van wijzigingen; en
-
e)opzetten van sectorale en sectoroverschrijdende opleidingsprogramma's, vergemak-
kelijken van de uitwisseling van personeelsleden en aanmoedigen van de bevoegde
autoriteiten om intensiever gebruik te maken van detacheringsregelingen en andere
instrumenten.
-
2.De Autoriteit kan in voorkomend geval nieuwe praktische instrumenten en convergentie-
hulpmiddelen ontwikkelen ter bevordering van gemeenschappelijke toezichtbenaderingen
en -praktijken.
Artikel 30
Collegiale toetsingen van bevoegde autoriteiten
-
1.De Autoriteit organiseert en houdt periodiek collegiale toetsingen van sommige of alle
activiteiten van bevoegde autoriteiten om de consistentie in de toezichtresultaten verder te
versterken. Hiertoe ontwikkelt de Autoriteit methoden om een objectieve beoordeling en
vergelijking tussen de aan toetsing onderworpen autoriteiten mogelijk te maken. Bij de
collegiale toetsingen wordt rekening gehouden met beschikbare informatie en reeds
uitgevoerde evaluaties betreffende de betrokken bevoegde autoriteit.
-
2.De collegiale toetsing omvat een beoordeling van onder meer, maar niet beperkt tot:
-
a)de adequaatheid van de regelingen van de bevoegde autoriteit op het gebied van
hulpmiddelen en bestuur, vooral met het oog op de effectieve toepassing van de in de
-
b)de mate van convergentie die in de toepassing van het Unierecht en in de toezicht-
praktijk, daaronder begrepen de op grond van de artikelen 10 tot en met 16 vast-
gestelde technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen, richt-
snoeren en aanbevelingen, is bereikt, en de mate waarin de toezichtpraktijk de in het
Unierecht vastgestelde doelstellingen bereikt;
-
c)door sommige bevoegde autoriteiten ontwikkelde beste praktijken waarvan de
navolging voor andere bevoegde autoriteiten nuttig kan zijn;
-
d)de effectiviteit en de mate van convergentie die bereikt worden met betrekking tot de
handhaving van de bepalingen die zijn goedgekeurd ter uitvoering van het recht van
de Unie, met inbegrip van de administratiefrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen
die zijn ingesteld jegens personen die verantwoordelijkheid dragen voor het niet-
naleven van deze bepalingen.
-
3.Op basis van een collegiale toetsing kan de Autoriteit richtsnoeren en aanbevelingen
uitvaardigen uit hoofde van artikel 16. Overeenkomstig artikel 16, lid 3 streven de
bevoegde autoriteiten ernaar deze richtsnoeren en aanbevelingen op te volgen. Bij het
opstellen van ontwerpen van technische regulerings- of uitvoeringsnormen overeenkomstig
de artikelen 10 tot en met 15 houdt de Autoriteit rekening met het resultaat van de
-
4.De Autoriteit maakt de beste praktijken die naar voren komen uit die collegiale toetsingen,
openbaar. Daarenboven kunnen alle andere resultaten van collegiale toetsingen bekend
worden gemaakt, voor zover de bevoegde autoriteit die het voorwerp uitmaakt van de
collegiale toetsing, daarmee instemt.
Artikel 31
Coördinerende functie
De Autoriteit vervult een algemene coördinerende rol tussen bevoegde autoriteiten, met name in
omstandigheden waar ongunstige ontwikkelingen de ordelijke werking en de integriteit van de
financiële markten of de stabiliteit van het financiële stelsel in de Unie in gevaar kunnen brengen.
De Autoriteit bevordert een gecoördineerde reactie van de Unie, onder meer door:
-
a)de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken;
-
b)van informatie die voor alle betrokken bevoegde autoriteiten beschikbaar moet worden
gesteld de omvang te bepalen en, voor zover dit mogelijk en passend is, de betrouwbaar-
heid te controleren;
-
c)onverminderd artikel 19, op verzoek van de bevoegde autoriteiten of op eigen initiatief
niet-bindende bemiddeling te verrichten;
-
d)het ESRB onverwijld van mogelijke noodsituaties in kennis te stellen;
-
e)alle passende maatregelen te treffen ingeval van ontwikkelingen die de werking van de
financiële markten in gevaar kunnen brengen om de coördinatie van de acties van de
relevante bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken;
-
f)de informatie die overeenkomstig de artikelen 21 en 35 van de bevoegde autoriteiten is
ontvangen tengevolge van de wettelijke rapportageverplichtingen voor instellingen die
actief zijn in meer dan één lidstaat, centraal te verzamelen. De Autoriteit deelt die
informatie met de overige betrokken bevoegde autoriteiten.
Artikel 32
Beoordeling van marktontwikkelingen
-
1.De Autoriteit volgt en beoordeelt de marktontwikkelingen op haar bevoegdheidsgebied en
brengt waar nodig de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor
verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit
(Europese Autoriteit voor effecten en markten), het ESRB en het Europees Parlement, de
Raad en de Commissie op de hoogte van microprudentiële trends, potentiële risico's en
zwakke plekken. De Autoriteit neemt in haar beoordeling een economische analyse op van
de markten waarop financiële instellingen opereren, en een beoordeling van de gevolgen
van mogelijke marktontwikkelingen voor die instellingen.
-
2.De Autoriteit neemt, in samenwerking met het ESRB, het initiatief tot het op Unieschaal
beoordelen van de veerkracht van financiële instellingen bij ongunstige marktontwik-
kelingen en treedt daarbij als coördinator op. Hiertoe ontwikkelt zij voor toepassing door
de bevoegde autoriteiten:
-
a)gemeenschappelijke methoden voor het beoordelen van het effect van economische
scenario's op de financiële positie van een instelling;
-
b)gemeenschappelijke benaderingen voor communicatie over de resultaten van deze
beoordelingen van de veerkracht van financiële instellingen;
-
c)gemeenschappelijke methoden ter beoordeling van het effect van bepaalde producten
en distributieprocessen op de financiële positie van een instelling en op de informatie
aan depositohouders, beleggers en cliënten.
-
3.Onverminderd de in Verordening (EU) nr. .../2010* vastgestelde taken van het ESRB
verstrekt de Autoriteit op haar bevoegdheidsgebied ten minste eenmaal per jaar en voor
zover nodig vaker aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het ESRB
beoordelingen van trends, potentiële risico's en zwakke plekken.
De Autoriteit neemt in deze beoordelingen een indeling van de voornaamste risico's en
zwakke plekken op en beveelt in voorkomend geval preventieve of remediërende maat-
-
4.De Autoriteit brengt over sectoroverschrijdende ontwikkelingen, risico's en zwakke
plekken adequaat verslag uit door via het Gemengd Comité nauw samen te werken met de
Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfs-
pensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten
en markten).
Artikel 33
Internationale betrekkingen
-
1.Onverminderd de respectieve bevoegdheden van de instellingen van de lidstaten en de
Unie kan de Autoriteit contacten ontwikkelen met bevoegde autoriteiten, internationale
organisaties en overheidsinstanties van derde landen, en met hen administratieve
regelingen sluiten. Deze regelingen scheppen geen wettelijke verplichtingen voor de Unie
en haar lidstaten, en zij beletten lidstaten en hun bevoegde autoriteiten niet om bilaterale en
multilaterale regelingen te sluiten met deze derde landen.
-
2.De Autoriteit verleent bijstand bij het opstellen van equivalentiebesluiten betreffende
toezichtregelingen in derde landen overeenkomstig de in artikel 1, lid 2, genoemde
handelingen.
-
3.De Autoriteit vermeldt in het in artikel 43, lid 5, bedoelde verslag de administratieve
regelingen die met internationale organisaties of overheidsinstanties in derde landen zijn
overeengekomen, en de bijstand die is verleend bij de voorbereiding van equivalentie-
Artikel 34
Andere taken
-
1.De Autoriteit kan op verzoek van het Europees Parlement, de Raad of de Commissie of op
eigen initiatief aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie advies verstrekken
over alle aangelegenheden die verband houden met haar bevoegdheidsgebied.
-
2.Met betrekking tot prudentiële beoordelingen van fusies en overnames die onder de
werkingssfeer van Richtlijn 2006/48/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007/44/EG, vallen
en waarvoor op grond van die richtlijn overleg tussen de bevoegde autoriteiten van twee of
meer lidstaten vereist is, kan de Autoriteit op verzoek van een van de betrokken bevoegde
autoriteiten een advies verlenen en publiceren over een prudentiële beoordeling, behalve
wat betreft de criteria genoemd in artikel 19 bis, lid 1, onder e), van Richtlijn 2006/48/EG.
Het advies wordt snel uitgebracht en in elk geval voor het einde van de beoordelings-
periode als bedoeld in Richtlijn 2006/48/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007/44/EG.
Artikel 35 is van toepassing op alle vlakken waarop de Autoriteit advies kan uitbrengen.
Artikel 35
Verzamelen van informatie
-
1.Op verzoek van de Autoriteit verstrekken de bevoegde autoriteiten van de lidstaten aan de
Autoriteit alle nodige informatie om de haar bij deze verordening opgedragen
verplichtingen uit te voeren, op voorwaarde dat zij rechtens inzage in de desbetreffende
informatie kunnen krijgen en dat het verzoek om informatie nodig is gezien de aard van de
desbetreffende verplichting.
-
2.De Autoriteit kan tevens verzoeken op gezette tijden en volgens gespecificeerde formats
informatie te verstrekken. Voor deze verzoeken wordt, waar mogelijk, gebruik gemaakt
van gemeenschappelijke formats voor verslaglegging.
-
3.Op een naar behoren gerechtvaardigd verzoek van een bevoegde autoriteit van een lidstaat,
kan de Autoriteit informatie verstrekken die nodig is om de bevoegde autoriteit in staat te
stellen haar taken uit te voeren, overeenkomstig de verplichtingen inzake beroepsgeheim
als vastgelegd in sectorale wetgeving en in artikel 70.
-
4.Voordat er overeenkomstig dit artikel om informatie wordt gevraagd en om dubbele
rapportageverplichtingen te vermijden, maakt de Autoriteit gebruik van de bestaande
statistieken, zoals opgemaakt en verspreid door het Europees statistisch systeem en het
Europees Stelsel van centrale banken.
-
5.Ingeval de bevoegde autoriteiten informatie niet of niet tijdig beschikbaar stellen, kan de
Autoriteit een naar behoren gerechtvaardigd en met redenen omkleed verzoek richten tot
andere toezichthoudende autoriteiten, tot het ministerie dat verantwoordelijk is voor
financiën, voor zover dit over toezichtinformatie beschikt, tot de nationale centrale bank of
tot het bureau voor de statistiek van de betrokken lidstaat.
-
6.Ingeval informatie niet beschikbaar is of niet tijdig beschikbaar wordt gesteld ingevolge
lid 1 of lid 5, kan de Autoriteit een naar behoren gerechtvaardigd en met redenen omkleed
verzoek rechtstreeks tot de betreffende financiële instellingen richten. In het met redenen
omkleed verzoek wordt toegelicht waarom de informatie over de respectieve individuele
financiële instellingen benodigd is.
De Autoriteit brengt de betreffende bevoegde autoriteiten op de hoogte van verzoeken
ingevolge dit lid en ingevolge lid 5.
Op verzoek van de Autoriteit verlenen de bevoegde autoriteiten aan de Autoriteit bijstand
bij het verzamelen van de informatie.
-
7.De Autoriteit kan ingevolge dit artikel ontvangen vertrouwelijke informatie alleen
gebruiken voor het uitvoeren van de haar bij deze verordening opgedragen verplichtingen.
Artikel 36
-
2.De Autoriteit verstrekt het ESRB regelmatig en tijdig de informatie die nodig is voor de
vervulling van zijn taken. Alle voor de vervulling van zijn taken benodigde gegevens die
niet in een samengevatte of geaggregeerde vorm beschikbaar zijn, worden na een met
redenen omkleed verzoek onverwijld aan het ESRB verstrekt, als bepaald in artikel 15 van
Verordening (EU) nr. ..../2010*. De Autoriteit beschikt, in samenwerking met het ESRB,
over adequate interne procedures voor de verzending van vertrouwelijke informatie, met
name informatie betreffende individuele financiële instellingen.
-
3.De Autoriteit geeft, overeenkomstig de leden 4 en 5, een behoorlijke follow-up aan
waarschuwingen en aanbevelingen van het ESRB als bedoeld in artikel 16 van
Verordening (EU) nr. .../2010*.
-
4.Bij ontvangst van een tot de Autoriteit gerichte waarschuwing of aanbeveling van het
ESRB roept de Autoriteit onverwijld een vergadering van de raad van toezichthouders
bijeen en beoordeelt zij de implicaties van een dergelijke waarschuwing of aanbeveling
voor de vervulling van haar taken.
Zij neemt, volgens de toepasselijke besluitvormingsprocedure, een besluit over alle maat-
regelen die moeten worden genomen overeenkomstig de bij deze verordening aan haar
verleende bevoegdheden voor de behandeling van de in de waarschuwingen en
aanbevelingen aangewezen kwesties.
Indien de Autoriteit aan een aanbeveling geen gevolg geeft, motiveert zij dit voor het
-
5.Bij ontvangst van een tot een bevoegde nationale toezichthoudende autoriteit gerichte
waarschuwing of aanbeveling van het ESRB maakt de Autoriteit in voorkomend geval van
de bij deze verordening aan haar verleende bevoegdheden gebruik om een tijdige follow-
up te verzekeren.
Een adressaat die voornemens is de aanbevelingen van het ESRB niet op te volgen,
omkleedt zijn voornemen met redenen die hij voorlegt aan en bespreekt met de raad van
toezichthouders.
De bevoegde autoriteit houdt naar behoren met de zienswijzen van de raad van toezicht-
houders rekening wanneer zij de Raad en het ESRB informeert overeenkomstig artikel 17
van Verordening (EU) nr. .../2010*.
-
6.Bij het vervullen van de in deze verordening vastgestelde taken houdt de Autoriteit zoveel
mogelijk rekening met de waarschuwingen en aanbevelingen van het ESRB.
Artikel 37
Stakeholdergroep bankwezen
-
1.Ter bevordering van het overleg met stakeholders op gebieden die relevant zijn voor de
taken van de Autoriteit, wordt een Stakeholdergroep bankwezen opgericht. De
Stakeholdergroep bankwezen wordt geraadpleegd over maatregelen die getroffen worden
overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 15 inzake de technische reguleringsnormen en
technische uitvoeringsnormen en, indien nodig en voor zover zij geen betrekking hebben
op individuele financiële instellingen, overeenkomstig artikel 16 inzake richtsnoeren en
aanbevelingen. Indien er dringend moet worden opgetreden en overleg onmogelijk blijkt,
wordt de Stakeholdergroep bankwezen daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld.
De Stakeholdergroep bankwezen komt ten minste viermaal per jaar bijeen.
-
2.In de Stakeholdergroep bankwezen, die uit 30 leden is samengesteld, zijn de krediet- en
beleggingsinstellingen die in de Unie opereren, de vertegenwoordigers van hun
werknemers, alsmede consumenten, gebruikers van bankdiensten en vertegenwoordigers
van het mkb/kmo's, evenwichtig vertegenwoordigd. Ten minste vijf van haar leden zijn
onafhankelijke vooraanstaande academici. Tien leden van de groep vertegenwoordigen
financiële instellingen en drie van hen coöperatieve banken en spaarbanken.
-
3.De leden van de Stakeholdergroep bankwezen worden op voordracht van de relevante
stakeholders door de raad van toezichthouders aangesteld. Bij het nemen van zijn besluit
verzekert de raad van toezichthouders, rekening houdend met de mogelijkheden, een
passende geografische en genderbalans en vertegenwoordiging van stakeholders uit de
gehele Unie.
-
4.De Autoriteit verstrekt overeenkomstig artikel 70 en met inachtneming van het beroeps-
geheim alle nodige informatie, en zorgt voor adequate secretariële ondersteuning van de
Stakeholdergroep bankwezen. Voor leden van de Stakeholdergroep bankwezen die een
organisatie zonder winstoogmerk vertegenwoordigen, met uitsluiting van vertegen-
woordigers van het bedrijfsleven, wordt een toereikende vergoeding vastgesteld. De
Stakeholdergroep bankwezen mag werkgroepen voor technische aangelegenheden
instellen. De ambtstermijn van de leden van de Stakeholdergroep bankwezen bedraagt
tweeënhalf jaar, waarna een nieuwe selectieprocedure plaatsvindt.
De leden van de Stakeholdergroep bankwezen kunnen twee opeenvolgende ambts-
termijnen vervullen.
-
5.De Stakeholdergroep bankwezen verstrekt aan de Autoriteit opinies en advies over alle
kwesties die verband houden met de taken van de Autoriteit, met name wat betreft de in de
artikelen 10 tot en met 16 en de artikelen 29, 30 en 32 vermelde taken.
-
6.De Stakeholdergroep bankwezen stelt haar reglement van orde op basis van overeen-
stemming onder een tweederdemeerderheid van de leden vast.
-
7.De Autoriteit maakt de opinies en het advies van de Stakeholdergroep bankwezen en de
resultaten van haar raadplegingen openbaar.
Artikel 38
Vrijwaringsmaatregelen
-
1.De Autoriteit verzekert dat een op grond van artikel 18 of artikel 19 vastgesteld besluit in
geen enkel opzicht afbreuk doet aan de budgettaire verantwoordelijkheden van de lidstaten.
-
2.Wanneer een lidstaat meent dat een op grond van artikel 19, lid 3, genomen besluit afbreuk
doet aan zijn budgettaire verantwoordelijkheden, kan hij, binnen twee weken na kennis-
geving aan de bevoegde autoriteit van het besluit van de Autoriteit, de Autoriteit en de
Commissie ervan in kennis stellen dat de bevoegde autoriteit het besluit niet zal uitvoeren.
In zijn kennisgeving legt de lidstaat duidelijk en specifiek uit waarom en hoe het besluit
afbreuk doet aan zijn budgettaire verantwoordelijkheden.
In geval van dergelijke kennisgeving wordt het besluit van de Autoriteit opgeschort.
Binnen een termijn van één maand na kennisgeving door de lidstaat brengt de Autoriteit de
lidstaat ervan op de hoogte of zij haar besluit handhaaft dan wel wijzigt of herroept. Indien
het besluit wordt gehandhaafd of gewijzigd, verklaart de Autoriteit dat de budgettaire
verantwoordelijkheden onverlet blijven.
Indien de Autoriteit haar besluit handhaaft, beslist de Raad, bij meerderheid van de
uitgebrachte stemmen, uiterlijk twee maanden nadat de Autoriteit de lidstaat op de hoogte
heeft gebracht als bepaald in de vierde alinea, of het besluit van de Autoriteit wordt
gehandhaafd.
Indien de Raad, na zich op de zaak te hebben beraden, geen besluit neemt tot handhaving
van het besluit van de Autoriteit, overeenkomstig de vijfde alinea, komt het besluit van de
Autoriteit te vervallen.
-
3.Indien een lidstaat van oordeel is dat een op grond van artikel 18, lid 3, genomen besluit
afbreuk doet aan zijn budgettaire verantwoordelijkheden, kan hij de Autoriteit, de
Commissie en de Raad, binnen drie werkdagen na kennisgeving aan de bevoegde autoriteit
van het besluit van de Autoriteit, ervan in kennis stellen dat de bevoegde autoriteit het
besluit niet zal uitvoeren.
In zijn kennisgeving legt de lidstaat duidelijk en specifiek uit waarom en hoe het besluit
afbreuk doet aan zijn budgettaire verantwoordelijkheden.
In geval van dergelijke kennisgeving wordt het besluit van de Autoriteit opgeschort.
De Raad roept binnen tien werkdagen een vergadering bijeen en neemt, met gewone
meerderheid van de leden, een besluit over de vraag of het besluit van de Autoriteit wordt
herroepen.
Indien de Raad, na zich op de zaak te hebben beraden, overeenkomstig de vierde alinea
geen besluit tot herroeping van het besluit van de Autoriteit neemt, wordt de opschorting
van het besluit van de Autoriteit beëindigd.
-
4.Indien de Raad overeenkomstig lid 3 heeft besloten een op grond van artikel 18, lid 3,
genomen besluit van de Autoriteit niet te herroepen, en de betrokken lidstaat nog steeds
van oordeel is dat het besluit van de Autoriteit afbreuk doet aan zijn budgettaire
verantwoordelijkheden, kan die lidstaat de Commissie en de Autoriteit daarvan in kennis
stellen en de Raad verzoeken de kwestie opnieuw te bestuderen. De betrokken lidstaat zet
duidelijk de redenen uiteen waarom hij het niet eens is met het besluit van de Raad.
Binnen vier weken na de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving bevestigt de Raad zijn
oorspronkelijke besluit of neemt hij een nieuw besluit overeenkomstig lid 3.
De periode van vier weken kan door de Raad met nog eens vier weken worden verlengd,
indien de bijzondere omstandigheden van het geval zulks vereisen.
-
5.Misbruik van dit artikel, in het bijzonder met betrekking tot een besluit van de Autoriteit
dat geen aanzienlijke of wezenlijke budgettaire gevolgen heeft, is verboden als zijnde
onverenigbaar met de interne markt.
Artikel 39
Besluitvormingsprocedures
-
1.Alvorens de besluiten te nemen waarin deze verordening voorziet brengt de Autoriteit alle
individuele adressaten op de hoogte van haar voornemen om het besluit te nemen en stelt
zij een termijn vast waarbinnen de adressaat, terdege rekening houdend met de urgentie,
complexiteit en mogelijke consequenties van de zaak, zijn standpunten over de zaak
kenbaar kan maken. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 17,
lid 3, bedoelde aanbevelingen.
-
2.De besluiten van de Autoriteit worden gemotiveerd.
-
3.Adressaten van de besluiten van de Autoriteit worden op de hoogte gebracht van de op
grond van deze verordening beschikbare rechtsmiddelen.
-
5.Besluiten die de Autoriteit neemt ingevolge de artikelen 17, 18 of 19 worden bekend-
gemaakt en vermelden de identiteit van de bevoegde autoriteit of financiële instelling in
kwestie en de hoofdinhoud van het besluit, tenzij een dergelijke openbaarmaking in strijd
is met het legitieme belang van financiële instellingen bij de bescherming van hun
bedrijfsgeheimen, dan wel met het ordentelijk functioneren en de integriteit van de
financiële markten of een serieuze bedreiging vormt voor de stabiliteit van het gehele
financiële stelsel van de Unie of een deel daarvan.
HOOFDSTUK III
ORGANISATIE
AFDELING 1
RAAD VAN TOEZICHTHOUDERS
Artikel 40
Samenstelling
-
1.De raad van toezichthouders bestaat uit:
-
b)de hoofden van de nationale overheidsinstanties die bevoegd zijn voor het toezicht
op kredietinstellingen in elke lidstaat; deze hoofden ontmoeten elkaar ten minste
tweemaal per jaar persoonlijk;
-
c)één vertegenwoordiger, zonder stemrecht, van de Commissie;
-
d)één vertegenwoordiger, zonder stemrecht, van de Europese Centrale Bank;
-
e)één vertegenwoordiger, zonder stemrecht, van het ESRB;
-
f)één vertegenwoordiger, zonder stemrecht, van elk van beide andere Europese
toezichthoudende autoriteiten.
-
2.De raad van toezichthouders belegt regelmatig vergaderingen met de Stakeholdergroep
bankwezen, en wel ten minste tweemaal per jaar.
-
3.Elke bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor de voordracht uit haar midden van een
plaatsvervanger op hoog niveau die het in lid 1, onder b), bedoelde lid van de raad van
toezichthouders kan vervangen wanneer die persoon niet aanwezig kan zijn.
-
4.Ingeval de in lid 1, onder b), bedoelde autoriteit geen centrale bank is, kan het in lid 1,
onder b), bedoelde lid van de raad van toezichthouders besluiten zich te laten vergezellen
door een, niet stemgerechtigde, vertegenwoordiger van de centrale bank van de lidstaat.
-
5.In lidstaten waar meer dan één autoriteit bevoegd is voor het toezicht op grond van deze
verordening, worden die autoriteiten het eens over een gemeenschappelijke vertegen-
woordiger. Ingeval een door de raad van toezichthouders te behandelen aangelegenheid
niet onder de bevoegdheid valt van de nationale autoriteit die door het in lid 1, onder b),
bedoelde lid wordt vertegenwoordigd, kan dat lid zich laten vergezellen door een, niet
stemgerechtigde, vertegenwoordiger van de relevante nationale autoriteit.
-
6.Het in lid 1, onder b), bedoelde lid van de raad van toezichthouders kan, indien hij binnen
het toepassingsgebied van Richtlijn 94/19/EG moet handelen, zich in voorkomend geval
laten vergezellen door een, niet stemgerechtigde, vertegenwoordiger van de relevante
organen die in elke lidstaat de depositogarantieregelingen beheren.
-
7.De raad van toezichthouders kan besluiten waarnemers toe te laten.
De uitvoerend directeur kan zonder stemrecht aan de vergaderingen van de raad van
toezichthouders deelnemen.
Artikel 41
Interne comités en panels
-
1.De raad van toezichthouders kan voor bepaalde aan de raad van toezichthouders
toegekende taken interne comités of panels oprichten en kan voorzien in de delegatie van
bepaalde welomschreven taken en besluiten aan interne comités of panels, aan de raad van
-
2.Voor de toepassing van artikel 19 roept de raad van toezichthouders, om een onpartijdige
schikking van het meningsverschil te vergemakkelijken, een onafhankelijk panel bijeen dat
bestaat uit de voorzitter en twee van zijn leden die geen vertegenwoordiger zijn van de
bevoegde autoriteiten welke betrokken zijn bij het meningsverschil, noch een belang
hebben bij het conflict of directe banden hebben met de betrokken bevoegde autoriteiten.
-
3.Onverminderd artikel 19, lid 2, legt het panel een besluit ter definitieve vaststelling voor
aan de raad van toezichthouders, overeenkomstig de procedure van artikel 44, lid 1, derde
alinea.
-
4.De raad van toezichthouders stelt een reglement van orde op voor het in lid 2 bedoelde
panel.
Artikel 42
Onafhankelijkheid
Bij de uitvoering van de bij deze verordening aan hen opgedragen taken handelen de voorzitter en
de stemgerechtigde leden van de raad van toezichthouders onafhankelijk en objectief uitsluitend in
het belang van de Unie in haar geheel en vragen noch aanvaarden zij instructies van instellingen of
organen van de Unie, van de regering van een lidstaat of van een ander publiek of privaat orgaan.
De lidstaten, de instellingen en organen van de Unie en andere publieke of private organen doen
geen pogingen invloed uit te oefenen op de leden van de raad van toezichthouders bij het vervullen
Artikel 43
Taken
-
1.De raad van toezichthouders stuurt de werkzaamheden van de Autoriteit en is belast met
het nemen van de in hoofdstuk II bedoelde besluiten.
-
2.De raad van toezichthouders stelt de adviezen, aanbevelingen en besluiten vast en geeft het
advies als bedoeld in hoofdstuk II.
-
3.De raad van toezichthouders benoemt de voorzitter.
-
4.De raad van toezichthouders stelt vóór 30 september van elk jaar op basis van een voorstel
van de raad van bestuur het werkprogramma van de Autoriteit voor het komende jaar vast
en zendt het ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.
Het werkprogramma wordt vastgesteld onverminderd de jaarlijkse begrotingsprocedure en
wordt bekendgemaakt.
-
5.De raad van toezichthouders keurt, op basis van een voorstel van de raad van bestuur, het
jaarverslag inzake de werkzaamheden van de Autoriteit, met inbegrip van de uitvoering
van de taken van de voorzitter, goed op grond van het in artikel 53, lid 7, genoemde
ontwerp-verslag en doet dit verslag uiterlijk op 15 juni van ieder jaar toekomen aan het
Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de Europese Rekenkamer en het Europees
Economisch en Sociaal Comité. Dit verslag wordt openbaar gemaakt.
-
6.De raad van toezichthouders stelt het meerjarenwerkprogramma van de Autoriteit vast en
zendt het ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.
Het meerjarenwerkprogramma wordt vastgesteld onverminderd de jaarlijkse begrotings-
procedure en wordt bekendgemaakt.
-
7.De raad van toezichthouders stelt de begroting vast overeenkomstig artikel 63.
-
8.De raad van toezichthouders oefent tuchtrechtelijk gezag over de voorzitter en de
uitvoerend directeur uit en kan hen respectievelijk overeenkomstig artikel 48, lid 5, of
artikel 51, lid 5, uit hun ambt ontslaan.
Artikel 44
Besluitvorming
-
1.De raad van toezichthouders besluit met gewone meerderheid van zijn leden, waarbij elk
lid één stem heeft.
Met betrekking tot de in de artikelen 10 tot en met 16 genoemde handelingen en de
ingevolge artikel 9, lid 5, derde alinea en hoofdstuk VI en in afwijking van de eerste alinea
van dit lid aangenomen maatregelen en besluiten, besluit de raad van toezichthouders met
een gekwalificeerde meerderheid van zijn leden, als bepaald in artikel 16, lid 4, van het
Verdrag betreffende de Europese Unie en in artikel 3 van het Protocol (nr. 36) betreffende
Met betrekking tot besluiten ingevolge artikel 19, lid 3, inzake besluiten van de
consoliderende toezichthouder wordt het door het panel voorgestelde besluit geacht te zijn
aangenomen indien het is goedgekeurd door een gewone meerderheid van de leden van de
raad van toezichthouders, tenzij het wordt verworpen door leden die samen een
blokkerende minderheid vormen in de zin van artikel 16, lid 4, van het Verdrag betreffende
de Europese Unie en van artikel 3 van het Protocol (nr. 36) betreffende de overgangs-
bepalingen.
Met betrekking tot alle andere besluiten overeenkomstig artikel 19, lid 3, wordt het door
het panel voorgestelde besluit aangenomen met een gewone meerderheid van de leden van
de raad van toezichthouders, waarbij elk lid één stem heeft.
-
2.De vergaderingen van de raad van toezichthouders worden door de voorzitter, op eigen
initiatief of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden bijeengeroepen, en worden
door de voorzitter voorgezeten.
-
3.De raad van toezichthouders stelt zijn reglement van orde vast en maakt dit bekend.
-
4.Het reglement van orde omvat de nadere regelingen voor de stemming, daaronder
begrepen in voorkomend geval de quorumregeling. De niet-stemgerechtigde leden en de
waarnemers, met uitzondering van de voorzitter en de uitvoerend directeur, wonen geen
besprekingen binnen de raad van toezichthouders bij die betrekking hebben op individuele
financiële instellingen, behoudens andersluidende bepaling in artikel 75 of in de in
AFDELING 2
RAAD VAN BESTUUR
Artikel 45
Samenstelling
-
1.De raad van bestuur is samengesteld uit de voorzitter en zes andere leden van de raad van
toezichthouders die door en uit de stemgerechtigde leden van de raad van toezichthouders
worden verkozen.
Elk lid van de raad van bestuur, uitgezonderd de voorzitter, heeft een plaatsvervanger, die
hem vervangt als hij niet aanwezig kan zijn.
Het mandaat van de door de raad van toezichthouders verkozen leden bedraagt tweeënhalf
jaar. Dat mandaat kan één keer worden verlengd. De samenstelling van de raad van bestuur
is evenwichtig en proportioneel en vormt een afspiegeling van de gehele Unie. De
mandaten zijn overlappend en er geldt een passend roulatiesysteem.
-
2.Beslissingen van de raad van bestuur worden genomen met een meerderheid van de
aanwezige leden. Elk lid heeft één stem.
De uitvoerend directeur en een vertegenwoordiger van de Commissie nemen deel aan de
bijeenkomsten van de raad van bestuur, maar hebben geen stemrecht.
De vertegenwoordiger van de Commissie is stemgerechtigd voor de in artikel 63 bedoelde
aangelegenheden.
De raad van bestuur stelt zijn reglement van orde vast en maakt het bekend.
-
3.De vergaderingen van de raad van bestuur worden door de voorzitter op zijn initiatief of op
verzoek van ten minste een derde van de leden bijeengeroepen en worden voorgezeten
door de voorzitter.
De raad van bestuur komt voorafgaand aan iedere vergadering van de raad van toezicht-
houders bijeen en zo vaak als de raad van bestuur dit nodig acht. De raad van bestuur komt
ten minste vijf keer per jaar bijeen.
-
4.De leden van de raad van bestuur kunnen zich op de door het reglement van orde van de
raad bepaalde wijze laten bijstaan door adviseurs of deskundigen. De niet-stemgerechtigde
leden, met uitzondering van de uitvoerend directeur, wonen de besprekingen in de raad van
bestuur over individuele financiële instellingen niet bij.
Artikel 46
Onafhankelijkheid
De leden van de raad van bestuur handelen onafhankelijk en objectief uitsluitend in het belang van
de Unie als geheel en vragen noch aanvaarden instructies van instellingen of organen van de Unie,
van de regering van een lidstaat of van enig ander publiek of privaat orgaan.
Lidstaten, instellingen of organen van de Unie of andere publieke of private organen doen geen
pogingen invloed uit te oefenen op de leden van de raad van bestuur bij het vervullen van hun
taken.
Artikel 47
Taken
-
1.De raad van bestuur ziet erop toe dat de Autoriteit haar opdracht vervult en de haar
opgedragen werkzaamheden verricht overeenkomstig de in deze verordening vastgelegde
voorwaarden.
-
2.De raad van bestuur legt een jaarlijks en een meerjarig werkprogramma ter goedkeuring
voor aan de raad van toezichthouders.
-
3.De raad van bestuur oefent zijn begrotingsbevoegdheden uit overeenkomstig de
artikelen 63 en 64.
-
4.De raad van bestuur stelt het personeelsbeleidsplan van de Autoriteit vast en treft overeen-
komstig artikel 68, lid 2, de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen van het Statuut van de
ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna "het Statuut").
-
5.De raad van bestuur stelt de bijzondere bepalingen vast inzake het recht van toegang tot de
documenten van de Autoriteit overeenkomstig artikel 72.
-
6.De raad van bestuur legt een jaarverslag over de activiteiten van de Autoriteit, met inbegrip
van de uitvoering van de taken van de voorzitter, op basis van het in artikel 53, lid 7,
bedoelde ontwerpverslag, ter goedkeuring voor aan de raad van toezichthouders.
-
7.De raad van bestuur stelt zijn reglement van orde vast en maakt het bekend.
-
8.De raad van bestuur benoemt en ontslaat de leden van de bezwaarcommissie overeen-
komstig artikel 58, leden 3 en 5.
AFDELING 3
VOORZITTER
Artikel 48
Benoeming en taken
-
1.De Autoriteit wordt vertegenwoordigd door een voorzitter, die een voltijds, onafhankelijk
deskundige is.
De voorzitter is verantwoordelijk voor het voorbereiden van de werkzaamheden van de
raad van toezichthouders en zit de vergaderingen van de raad van toezichthouders en de
raad van bestuur voor.
-
2.De voorzitter wordt na een open selectieprocedure door de raad van toezichthouders
benoemd op basis van verdienste, bekwaamheid, kennis van financiële instellingen en
markten en van relevante ervaring met betrekking tot financieel toezicht en financiële
regulering.
Vóór het opnemen van zijn functie en tot een maand na de selectie door de raad van
toezichthouders kan het Europees Parlement, na de door de raad van toezichthouders
geselecteerde kandidaat gehoord te hebben, bezwaar maken tegen de benoeming van de
-
3.Het mandaat van de voorzitter bedraagt vijf jaar en kan één keer worden verlengd.
-
4.In de loop van de negen maanden die voorafgaan aan het einde van het vijfjarige mandaat
van de voorzitter, beoordeelt de raad van toezichthouders:
-
a)de in de eerste ambtstermijn behaalde resultaten en de wijze waarop die zijn bereikt;
-
b)de taken en de behoeften van de Autoriteit in de komende jaren.
Rekening houdend met deze beoordeling kan de raad van toezichthouders het mandaat van
de voorzitter één keer verlengen, behoudens bevestiging van het Europees Parlement.
-
5.De voorzitter kan slechts uit zijn functie worden ontheven door het Europees Parlement na
een besluit van de raad van toezichthouders.
De voorzitter mag de raad van toezichthouders niet beletten kwesties met betrekking tot de
voorzitter te bespreken, in het bijzonder de noodzaak van zijn ontslag, en mag niet
betrokken zijn bij de beraadslaging daaromtrent.
Artikel 49
Onafhankelijkheid
Onverminderd de rol van de raad van toezichthouders met betrekking tot de taken van de voorzitter,
vraagt noch aanvaardt de voorzitter instructies van instellingen of organen van de Unie, van de
regering van een lidstaat of van enig ander publiek of privaat orgaan.
De lidstaten, de instellingen en organen van de Unie of andere publieke of private organen doen
geen pogingen invloed uit te oefenen op de voorzitter bij het vervullen van zijn taken.
Overeenkomstig het Statuut, bedoeld in artikel 68, blijft de voorzitter na vertrek uit de dienst
verplicht zich met betrekking tot de aanvaarding van bepaalde benoemingen of gunsten integer en
discreet op te stellen.
Artikel 50
Verslag
-
1.Het Europees Parlement en de Raad kunnen de voorzitter of de vervanger van de voorzitter
verzoeken een verklaring af te leggen, met volledige inachtneming van zijn onafhankelijk-
heid. De voorzitter legt een verklaring af voor het Europees Parlement en beantwoordt
desgevraagd alle vragen van de leden van het Europees Parlement.
-
2.Indien daarom wordt verzocht en ten minste 15 dagen voordat hij de in lid 1 bedoelde
verklaring aflegt, brengt de voorzitter schriftelijk verslag uit aan het Europees Parlement
over de belangrijkste werkzaamheden van de Autoriteit.
-
3.Afgezien van de informatie als bedoeld in de artikelen 11 tot en met 18 en in de
artikelen 20 en 33, bevat het verslag tevens alle door het Europees Parlement ad hoc
opgevraagde relevante informatie.
AFDELING 4
UITVOEREND DIRECTEUR
Artikel 51
Benoeming
-
1.De Autoriteit wordt geleid door een uitvoerend directeur, die een voltijds, onafhankelijk
deskundige is.
-
2.De uitvoerend directeur wordt na een open selectieprocedure en na bevestiging door het
Europees Parlement door de raad van toezichthouders benoemd op basis van verdienste,
bekwaamheid, kennis van financiële instellingen en markten, relevante ervaring met
betrekking tot financieel toezicht en financiële regulering en managementervaring.
-
3.Het mandaat van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar en kan één keer worden
verlengd.
-
4.In de loop van de negen maanden die voorafgaan aan het einde van het mandaat van de
uitvoerend directeur, voert de raad van toezichthouders een beoordeling uit van met name:
-
a)de in de eerste ambtstermijn behaalde resultaten en de wijze waarop die zijn bereikt;
-
b)de taken en de behoeften van de Autoriteit in de komende jaren.
Rekening houdend met de in de eerste alinea bedoelde beoordeling kan de raad van
toezichthouders het mandaat van de uitvoerend directeur één keer verlengen.
-
5.De uitvoerend directeur kan slechts uit zijn functie worden ontheven door een besluit van
de raad van toezichthouders.
Artikel 52
Onafhankelijkheid
Onverminderd de respectieve rol van de raad van bestuur en van de raad van toezichthouders met
betrekking tot de taken van de uitvoerend directeur, vraagt noch aanvaardt de uitvoerend directeur
instructies van instellingen of organen van de Unie, van een regering van een lidstaat of van welk
ander publiek of privaat orgaan dan ook.
De lidstaten, de instellingen en organen van de Unie of andere publieke of private organen doen
geen pogingen invloed uit te oefenen op de uitvoerend directeur bij het vervullen van zijn taken.
Overeenkomstig het in artikel 68 bedoelde Statuut blijft de uitvoerend directeur na vertrek uit de
dienst verplicht zich met betrekking tot de aanvaarding van bepaalde benoemingen of gunsten
integer en discreet op te stellen.
Artikel 53
Taken
-
1.De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor het beheer van de Autoriteit en bereidt de
werkzaamheden van de raad van bestuur voor.
-
2.De uitvoerend directeur zorgt voor de tenuitvoerlegging van het jaarlijks werkprogramma
van de Autoriteit, volgens de aanwijzingen van de raad van toezichthouders en onder
toezicht van de raad van bestuur.
-
3.De uitvoerend directeur neemt de nodige maatregelen, met name de vaststelling van
interne administratieve instructies en de publicatie van nota's, om ervoor te zorgen dat de
Autoriteit overeenkomstig deze verordening functioneert.
-
4.De uitvoerend directeur stelt een meerjarig werkprogramma op, als bedoeld in artikel 47,
lid 2.
-
5.Elk jaar stelt de uitvoerend directeur uiterlijk op 30 juni een werkprogramma op voor het
volgende jaar, als bedoeld in artikel 47, lid 2.
-
6.De uitvoerend directeur stelt een voorlopige ontwerpbegroting van de Autoriteit op
overeenkomstig artikel 63 en voert de begroting van de Autoriteit uit overeenkomstig
artikel 64.
-
7.De uitvoerend directeur stelt jaarlijks een ontwerpverslag op met een hoofdstuk over de
regulerings- en toezichtwerkzaamheden van de Autoriteit en een hoofdstuk over financiële
en administratieve aangelegenheden.
-
8.De uitvoerend directeur oefent de in artikel 68 bepaalde bevoegdheden uit met betrekking
tot het personeel van de Autoriteit en beheert personeelskwesties.
HOOFDSTUK IV
GEMENGDE ORGANEN VAN
DE EUROPESE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEITEN
AFDELING 1
GEMENGD COMITÉ VAN DE
EUROPESE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEITEN
Artikel 54
Oprichting
-
1.Hierbij wordt het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten
opgericht.
-
2.Het Gemengd Comité dient als forum waarmee de Autoriteit regelmatig en nauw samen-
werkt en zorgt voor de intersectorale samenhang met de Europese toezichthoudende
autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese
toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), in het
bijzonder met betrekking tot:
-
-microprudentiële analyses van sectoroverstijgende ontwikkelingen, risico's en kwets-
baarheden voor de financiële stabiliteit;
-
-retailbeleggingsproducten;
-
-maatregelen tegen witwaspraktijken; en
-
-informatie-uitwisseling met het ESRB en ontwikkeling van de betrekkingen tussen
het ESRB en de ESA's.
-
3.Het Gemengd Comité beschikt over specifiek personeel dat ter beschikking wordt gesteld
door de ESA's en dat als secretariaat optreedt. De Autoriteit stelt adequate middelen ter
beschikking voor de administratieve, infrastructuur- en operationele kosten.
-
4.Ingeval een financiële instelling in verschillende sectoren opereert, beslecht het Gemengd
Comité meningsverschillen overeenkomstig artikel 56.
Artikel 55
Samenstelling
-
1.Het Gemengd Comité bestaat uit de voorzitters van de ESA's en, waar van toepassing, de
voorzitter van een overeenkomstig artikel 57 opgericht subcomité.
-
2.De uitvoerend directeur, een vertegenwoordiger van de Commissie en een vertegen-
woordiger van het ESRB worden uitgenodigd om als waarnemer de vergaderingen van het
Gemengd Comité en van de in artikel 57 bedoelde subcomités bij te wonen.
-
3.Het voorzitterschap van het Gemengd Comité wordt via een jaarlijks rotatiesysteem
toegekend aan één der voorzitters van de ESA's. De voorzitter van het Gemengd Comité is
een van de ondervoorzitters van het ESRB.
-
4.Het Gemengd Comité stelt zijn reglement van orde vast. Het reglement kan voorzien in
bijkomende deelnemers aan de vergaderingen van het Gemengd Comité.
Het Gemengd Comité vergadert ten minste om de twee maanden.
Artikel 56
Gemeenschappelijke standpunten en gemeenschappelijke handelingen
Binnen de draagwijdte van haar in hoofdstuk II bepaalde taken en, in voorkomend geval, met name
met betrekking tot de uitvoering van Richtlijn 2002/87/EG, bepaalt de Autoriteit gemeen-
schappelijke standpunten met de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor
verzekeringen en bedrijfspensioenen) en met de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese
Autoriteit voor effecten en markten).
Handelingen die krachtens de artikelen 10 tot en met 15, 17, 18 of 19 van deze verordening met
betrekking tot de toepassing van Richtlijn 2002/87/EG en van andere in artikel 1, lid 2, genoemde
handelingen van de Unie worden vastgesteld en die ook binnen de bevoegdheid van de Europese
toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) of de
Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) vallen, worden
in voorkomend geval parallel vastgesteld door de Autoriteit, de Europese toezichthoudende
autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezicht-
houdende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten).
Artikel 57
Subcomités
-
1.Voor de toepassing van artikel 56 wordt bij het Gemengd Comité een Subcomité financiële
conglomeraten ingesteld.
-
2.Dit subcomité is samengesteld uit de in artikel 55, lid 1, bedoelde personen en één
vertegenwoordiger op hoog niveau van het huidige personeel van de relevante bevoegde
autoriteit van elke lidstaat.
-
3.Het subcomité kiest uit zijn leden een voorzitter, die ook lid is van het Gemengd Comité.
AFDELING 2
BEZWAARCOMMISSIE
Artikel 58
Samenstelling en werking
-
1.De bezwaarcommissie is een gemeenschappelijk orgaan van de ESA's.
-
2.De bezwaarcommissie bestaat uit zes leden en zes vervangers, allen personen van hoog
aanzien die bewezen hebben op een voldoende hoog niveau over relevante kennis en
beroepservaring, ook op het vlak van toezicht, te beschikken in de sectoren banken,
verzekeringen, bedrijfspensioenen, effectenmarkten of op het gebied van andere financiële
diensten, en die geen deel uitmaken van het huidige personeel van de bevoegde autoriteiten
of van andere nationale instellingen of instellingen van de Unie die bij de activiteiten van
de Autoriteit betrokken zijn. De bezwaarcommissie beschikt over voldoende juridische
expertise om deskundig juridisch advies te geven over de rechtmatigheid van de wijze
waarop de Autoriteit haar bevoegdheden uitoefent.
De bezwaarcommissie wijst zelf haar voorzitter aan.
-
3.Twee leden van de bezwaarcommissie en twee vervangers worden na een in het Publicatie-
blad van de Europese Unie bekendgemaakte oproep tot het indienen van blijken van
belangstelling en na raadpleging van de raad van toezichthouders uit een door de
Commissie voorgestelde lijst benoemd door de raad van bestuur van de Autoriteit.
De andere leden worden benoemd overeenkomstig Verordening (EU) nr..../2010 en
Verordening (EU) nr. .../2010*.
-
4.De ambtstermijn van de leden van de bezwaarcommissie bedraagt vijf jaar. Deze termijn
kan één keer worden verlengd.
-
5.Een lid van de bezwaarcommissie dat door de raad van bestuur van de Autoriteit is
benoemd, kan tijdens zijn mandaat niet ontslagen worden, tenzij het op ernstige wijze is
tekortgeschoten en de raad van bestuur daartoe na raadpleging van de raad van toezicht-
houders een besluit neemt.
-
6.De besluiten van de bezwaarcommissie worden genomen met een meerderheid van de
stemmen van ten minste vier van de zes leden. Indien het aangevochten besluit binnen de
werkingssfeer van deze verordening valt, bestaat de beslissende meerderheid uit ten minste
een van de twee door de Autoriteit benoemde leden van de bezwaarcommissie.
-
7.De bezwaarcommissie wordt door haar voorzitter bijeengeroepen wanneer dat nood-
zakelijk is.
-
8.De ESA's zorgen via het Gemengd Comité voor adequate operationele en secretariële
ondersteuning van de bezwaarcommissie.
Artikel 59
Onafhankelijkheid en onpartijdigheid
-
1.De leden van de bezwaarcommissie zijn onafhankelijk bij het nemen van hun besluiten. Zij
zijn niet gebonden aan enige instructie. Zij mogen geen enkele andere taak verrichten in de
Autoriteit zelf of in de raad van bestuur of de raad van toezichthouders van de Autoriteit.
-
2.De leden van de bezwaarcommissie mogen niet deelnemen aan de behandeling van een
bezwaarprocedure als zij daarbij een persoonlijk belang hebben, als zij eerder als
vertegenwoordiger van een van de partijen bij de behandeling betrokken zijn geweest of
als zij een rol hebben gespeeld bij het besluit waartegen bezwaar is aangetekend.
-
3.Indien een lid van de bezwaarcommissie om een van de in de leden 1 en 2 genoemde
redenen of om enige andere reden meent dat een medelid niet aan een bezwaarprocedure
zou mogen deelnemen, stelt het de bezwaarcommissie daarvan in kennis.
-
4.Een lid van de bezwaarcommissie kan om een van de in de leden 1 en 2 genoemde redenen
of als aan zijn onpartijdigheid wordt getwijfeld, door een partij in de bezwaarprocedure
worden gewraakt.
Wraking kan niet zijn gegrond op de nationaliteit van leden en is niet ontvankelijk als de
partij in de bezwaarprocedure, terwijl zij op de hoogte was van een reden tot het maken
van het bezwaar, toch reeds een andere procedurehandeling heeft verricht dan het maken
van bezwaar tegen de samenstelling van de bezwaarcommissie.
-
5.De bezwaarcommissie beslist in de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen zonder deelname
van het betrokken lid over de te nemen maatregelen.
Voor het nemen van deze beslissing wordt het betrokken lid in de bezwaarcommissie
vervangen door zijn plaatsvervanger. Indien de plaatsvervanger in een vergelijkbare
situatie verkeert, wijst de voorzitter van de Autoriteit een van de andere beschikbare
plaatsvervangers aan.
-
6.De leden van de bezwaarcommissie verbinden zich ertoe in het openbaar belang en
onafhankelijk op te treden.
Daartoe leggen zij een verbintenisverklaring af alsmede een verklaring omtrent hun
belangen, waarin zij hetzij verklaren dat zij geen belangen hebben die geacht zouden
kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid, hetzij al hun directe en
indirecte belangen vermelden die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun
HOOFDSTUK V
RECHTSMIDDELEN
Artikel 60
Bezwaarprocedures
-
1.Elke natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van een bevoegde autoriteit kan bezwaar
aantekenen tegen een in de artikelen 17, 18 en 19 bedoeld besluit van de Autoriteit en
tegen andere door de Autoriteit overeenkomstig de in artikel 1, lid 2, bedoelde handelingen
van de Unie genomen besluiten die gericht zijn tot die persoon, of tegen een besluit dat van
rechtstreeks en individueel belang is voor die persoon, ook als het tot een andere persoon is
gericht.
-
2.Het bezwaar wordt tezamen met een uiteenzetting van de gronden voor het bezwaar binnen
twee maanden na de kennisgeving van het besluit aan de betrokken persoon, dan wel bij
gebreke van kennisgeving, binnen twee maanden na de dag van publicatie van het besluit
door de Autoriteit, schriftelijk bij de Autoriteit aangetekend.
De bezwaarcommissie neemt binnen twee maanden na instelling van het bezwaar een
-
3.Een ingevolge lid 1 van dit artikel aangetekend bezwaar heeft geen schorsende werking.
De bezwaarcommissie kan echter, indien hij van oordeel is dat de omstandigheden dit
vereisen, de toepassing van het bestreden besluit opschorten.
-
4.Indien het beroep ontvankelijk is, onderzoekt de bezwaarcommissie of het gegrond is. De
raad nodigt de partijen in de bezwaarprocedure uit om binnen een bepaalde termijn
opmerkingen te maken naar aanleiding van de kennisgevingen van de raad zelf of de
mededelingen van de andere partijen in de bezwaarprocedure. Het is partijen in de
bezwaarprocedure toegestaan een mondelinge uiteenzetting te geven.
-
5.De bezwaarcommissie kan het door het bevoegde orgaan van de Autoriteit genomen
besluit bekrachtigen, dan wel de zaak terugverwijzen naar het bevoegde orgaan van de
Autoriteit. Dit bevoegde orgaan van de Autoriteit is gebonden aan de beslissing van de
bezwaarcommissie en neemt een gewijzigd besluit met betrekking tot de betrokken zaak.
-
6.De bezwaarcommissie stelt zijn reglement van orde vast en maakt het bekend.
-
7.De door de bezwaarcommissie genomen besluiten worden met redenen omkleed en door
Artikel 61
Beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie
-
1.Overeenkomstig artikel 263 VWEU kan bij het Hof van Justitie van de Europese Unie
beroep worden ingesteld tegen beslissingen van de bezwaarcommissie of, bij ontbreken
van recht op bezwaar bij de bezwaarcommissie, tegen beslissingen van de Autoriteit.
-
2.Overeenkomstig artikel 263 VWEU kunnen de lidstaten en de instellingen van de Europese
Unie, alsmede iedere natuurlijke of rechtspersoon, rechtstreeks beroep instellen bij het Hof
van Justitie van de Europese Unie tegen besluiten van de Autoriteit.
-
3.Ingeval de Autoriteit verplicht is een besluit te nemen en dat nalaat, kan overeenkomstig
artikel 265 VWEU bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep wegens nalaten
worden ingesteld.
-
4.De Autoriteit moet de noodzakelijke maatregelen treffen ter uitvoering van het arrest van
het Hof van Justitie van de Europese Unie.
HOOFDSTUK VI
FINANCIËLE BEPALINGEN
Artikel 62
Begroting van de Autoriteit
-
1.De ontvangsten van de Autoriteit, een Europees orgaan in de zin van artikel 185 van
Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het
Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese
Gemeenschappen1 (hierna het "Financieel Reglement"), bestaan met name uit een of meer
van de volgende elementen:
-
a)verplichte bijdragen van de voor toezicht op de financiële instellingen bevoegde
nationale openbare autoriteiten, die worden bepaald overeenkomstig een formule die
gebaseerd is op de stemmenweging van artikel 3, lid 3, van het Protocol (nr. 36)
betreffende de overgangsbepalingen. Voor de toepassing van dat artikel blijft
artikel 3, lid 3, van het Protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen ook na
de daarin vastgestelde uiterste termijn van 31 oktober 2014 van toepassing;
-
b)een subsidie van de Unie uit de algemene begroting van de Europese Unie (afdeling
-
2.De uitgaven van de Autoriteit bestaan ten minste uit personele, administratieve, loon- en
infrastructuurkosten, kosten van beroepsopleiding en werkingskosten.
-
3.De ontvangsten en uitgaven zijn in evenwicht.
-
4.Voor elk begrotingsjaar, dat samenvalt met het kalenderjaar, worden alle ontvangsten en
uitgaven van de Autoriteit geraamd en vervolgens opgenomen in de begroting van de
Autoriteit.
Artikel 63
Vaststelling van de begroting
-
1.Uiterlijk op 15 februari van ieder jaar stelt de uitvoerend directeur een ontwerp op van de
raming van de ontvangsten en uitgaven voor het volgende begrotingsjaar en stuurt hij dit
samen met de personeelsformatie naar de raad van bestuur en de raad van toezichthouders.
De raad van toezichthouders stelt jaarlijks, op basis van het ontwerp van verklaring van de
uitvoerend directeur dat door de raad van bestuur is goedgekeurd, de raming van de
ontvangsten en uitgaven van de Autoriteit voor het volgende begrotingsjaar vast. De raad
van toezichthouders dient deze raming, die tevens een ontwerppersoneelsformatie bevat,
uiterlijk op 31 maart bij de Commissie in. Alvorens de raming wordt vastgesteld, wordt het
ontwerp van de uitvoerend directeur goedgekeurd door de raad van bestuur.
-
2.De raming wordt door de Commissie samen met het ontwerp van de begroting van de
Europese Unie aan het Europees Parlement en de Raad (hierna samen "de begrotings-
autoriteit") gezonden.
-
3.Op basis van de ramingen neemt de Commissie in het ontwerp van begroting van de
Europese Unie de ramingen op die zij noodzakelijk acht met betrekking tot de personeels-
formatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting van de
Europese Unie overeenkomstig de artikelen 313 en 314 VWEU.
-
4.De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie voor de Autoriteit vast. De begrotings-
autoriteit keurt de kredieten voor de subsidie aan de Autoriteit goed.
-
5.De begroting van de Autoriteit wordt vastgesteld door de raad van toezichthouders. Deze
wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese
Unie. Indien nodig wordt de begroting dienovereenkomstig aangepast.
-
6.De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit onverwijld op de hoogte van de projecten
die hij voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de
financiering van de begroting kunnen hebben, met name onroerendgoedprojecten zoals de
huur of aankoop van gebouwen. Hij brengt de Commissie daarvan op de hoogte. Als een
van de takken van de begrotingsautoriteit advies wil uitbrengen, stelt deze de Autoriteit
binnen twee weken na ontvangst van de informatie over het project in kennis van zijn
voornemen om een dergelijk advies uit te brengen. Indien de Autoriteit geen antwoord
-
7.Voor het eerste werkingsjaar van de Autoriteit, dat op 31 december 2011 ten einde loopt,
wordt de financiering van de Autoriteit door de Unie geregeld via een akkoord van de
begrotingsautoriteit als bedoeld in punt 47 van het Interinstitutioneel Akkoord betreffende
de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer.
Artikel 64
Uitvoering van en toezicht op de begroting
-
1.De uitvoerend directeur treedt op als ordonnateur en voert de begroting van de Autoriteit
uit.
-
2.Uiterlijk op 1 maart na afloop van het boekjaar deelt de rekenplichtige van de Autoriteit de
voorlopige rekeningen, vergezeld van het verslag over het financieel en begrotingsbeheer
in het boekjaar, mee aan de rekenplichtige van de Commissie en aan de Rekenkamer. De
rekenplichtige van de Autoriteit stuurt het verslag over het financieel en begrotingsbeheer
uiterlijk op 31 maart van het volgende jaar ook naar de leden van de raad van toezicht-
houders, het Europees Parlement en de Raad.
De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de
instellingen en de gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 128 van het
-
3.Na ontvangst van de door de Rekenkamer geformuleerde opmerkingen over de voorlopige
rekeningen van de Autoriteit overeenkomstig artikel 129 van het Financieel Reglement
stelt de uitvoerend directeur op eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van
de Autoriteit op en zendt ze voor advies toe aan de raad van bestuur.
-
4.De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van de Autoriteit.
-
5.De uitvoerend directeur stuurt de definitieve rekeningen, vergezeld van het advies van de
raad van bestuur, uiterlijk op 1 juli na afloop van het boekjaar naar de leden van de raad
van toezichthouders, het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.
-
6.De definitieve rekeningen worden gepubliceerd.
-
7.De uitvoerend directeur zendt de Rekenkamer uiterlijk op 30 september een antwoord op
haar opmerkingen. Hij stuurt dit antwoord ook door naar de raad van bestuur en de
Commissie.
-
8.Overeenkomstig artikel 146, lid 3, van het Financieel Reglement verstrekt de uitvoerend
directeur het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor een goed
verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken boekjaar.
-
9.Het Europees Parlement verleent op aanbeveling van de Raad, die bij gekwalificeerde
meerderheid van stemmen besluit, vóór 15 mei van het jaar N + 2, kwijting aan de
Autoriteit voor de uitvoering van de begroting met inbegrip van de ontvangsten uit de
algemene begroting van de Europese Unie en de bevoegde autoriteiten van het boekjaar N.
Artikel 65
Financiële regeling
De financiële regeling die van toepassing is op de Autoriteit wordt vastgesteld door de raad van
bestuur, na raadpleging van de Commissie. Deze voorschriften mogen niet afwijken van
Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de
financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom)
nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene
begroting van de Europese Gemeenschappen1, tenzij de specifieke eisen van de werking van de
Autoriteit dit noodzakelijk maken en de Commissie vooraf toestemming heeft verleend.
Artikel 66
Fraudebestrijdingsmaatregelen
-
1.Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige handelingen is
Verordening (EG) nr. 1073/1999 zonder enige beperking op de Autoriteit van toepassing.
-
2.De Autoriteit treedt toe tot het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de interne onder-
zoeken verricht door OLAF en treft onverwijld passende voorzieningen die op alle werk-
nemers van de Autoriteit van toepassing zijn.
-
3.In de financieringsbesluiten en de overeenkomsten en tenuitvoerleggingsinstrumenten
wordt uitdrukkelijk bepaald dat de Rekenkamer en het OLAF indien nodig controles ter
plaatse mogen uitvoeren bij de begunstigden van door de Autoriteit toegekende
financiering en bij het personeel dat verantwoordelijk is om de financiering toe te kennen.
HOOFDSTUK VII
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 67
Voorrechten en immuniteiten
Het Protocol (nr. 7) inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat aan het Verdrag
betreffende de Europese Unie en aan het TFEU is gehecht, is van toepassing op de Autoriteit en
Artikel 68
Personeel
-
1.Het Statuut, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en de regels
die gezamenlijk door de instellingen van de Unie zijn vastgesteld ter uitvoering van
genoemd Statuut en van genoemde Regeling zijn van toepassing op het personeel van de
Autoriteit, met inbegrip van de uitvoerend directeur en de voorzitter.
-
2.De raad van bestuur stelt in overeenstemming met de Commissie de nodige uitvoerings-
maatregelen vast volgens de regelingen van artikel 110 van het Statuut.
-
3.De Autoriteit oefent ten aanzien van haar personeel de bevoegdheden uit die krachtens het
Statuut zijn verleend aan het tot aanstelling bevoegde gezag, alsook die welke krachtens de
Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden zijn verleend aan het tot het
aangaan van overeenkomsten bevoegde gezag.
-
4.De raad van bestuur stelt bepalingen vast waardoor nationale deskundigen van de lidstaten
kunnen worden gedetacheerd bij de Autoriteit.
Artikel 69
Aansprakelijkheid van de Autoriteit
-
1.In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt de Autoriteit overeenkomstig de
algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle schade die
door de Autoriteit zelf of door het personeel ervan bij de uitoefening van hun taken is
veroorzaakt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft rechtsbevoegdheid in
geschillen over de vergoeding van dergelijke schade.
-
2.De persoonlijke geldelijke en tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de personeelsleden
van de Autoriteit ten aanzien van de Autoriteit wordt beheerst door de desbetreffende voor
het personeel van de Autoriteit geldende voorschriften.
Artikel 70
Beroepsgeheim
-
1.De leden van de raad van toezichthouders en van de raad van bestuur, de uitvoerend
directeur en de personeelsleden van de Autoriteit, met inbegrip van door de lidstaten
tijdelijk gedetacheerde ambtenaren en de andere personen die op contractuele basis taken
uitvoeren voor de Autoriteit, zijn onderworpen aan de vereisten van het beroepsgeheim
overeenkomstig artikel 339 VWEU en de desbetreffende bepalingen in de Uniewetgeving,
zelfs na beëindiging van hun functie.
Artikel 16 van het Statuut is op hen van toepassing.
Overeenkomstig het Statuut blijft de voorzitter na vertrek uit de dienst verplicht zich met
betrekking tot de aanvaarding van bepaalde benoemingen of gunsten integer en discreet op
te stellen.
Lidstaten, instellingen of organen van de Unie of andere publieke of private organen doen
geen pogingen invloed uit te oefenen op de leden van de raad van bestuur bij het vervullen
van hun taken.
-
2.Onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen, mag vertrouwelijke informatie
die de in lid 1 bedoelde personen ontvangen tijdens de uitvoering van hun taken, aan geen
enkele persoon of autoriteit worden bekendgemaakt, behalve in samengevatte of
geaggregeerde vorm, zodat de individuele financiële instellingen niet kunnen worden
geïdentificeerd.
De verplichting in het kader van lid 1 en van de eerste alinea van dit lid verhindert de
Autoriteit en de nationale toezichthoudende autoriteiten niet de informatie te gebruiken
voor de handhaving van de in artikel 1, lid 2, bedoelde handelingen, en met name voor
juridische procedures voor de vaststelling van besluiten.
-
3.De leden 1 en 2 verhinderen de Autoriteit niet informatie uit te wisselen met nationale
toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig deze verordening en andere Uniewetgeving
die op financiële instellingen van toepassing is.
Deze gegevens vallen onder het in de leden 1 en 2 bedoelde beroepsgeheim. De Autoriteit
legt in haar huishoudelijk reglement de praktische regelingen voor de uitvoering van de in
de leden 1 en 2 vermelde geheimhoudingsregels vast.
-
4.De Autoriteit past Besluit 2001/844/EG,EGKS, Euratom van de Commissie van
29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van orde1 toe.
Artikel 71
Gegevensbescherming
Deze verordening laat de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de verwerking van
persoonsgegevens in het kader van Richtlijn 95/46/EG of de verplichtingen van de Autoriteit met
betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van Verordening (EG) nr. 45/2001
bij het uitoefenen van haar taken, onverlet.
Artikel 72
Toegang tot documenten
-
1.Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op de documenten van de Autoriteit.
-
2.De raad van bestuur stelt de praktische maatregelen voor de toepassing van Verordening
(EG) nr. 1049/2001 uiterlijk op 31 mei 2011 vast.
-
3.Tegen besluiten van de Autoriteit uit hoofde van artikel 8 van Verordening (EG)
nr. 1049/2001 kan een klacht worden ingediend bij de Ombudsman of beroep worden
ingesteld bij het Hof van Justitie na bezwaar te hebben aangetekend bij de bezwaar-
commissie, al naargelang het geval, onder de voorwaarden van respectievelijk artikel 228
en artikel 263 VWEU.
Artikel 73
Talenregeling
-
1.Verordening nr. 1 van de Raad tot regeling van het taalgebruik in de Europese
Economische Gemeenschap1 is van toepassing op de Autoriteit.
-
2.De raad van bestuur besluit over de interne talenregeling van de Autoriteit.
-
3.De voor het functioneren van de Autoriteit vereiste vertaaldiensten worden geleverd door
het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.
Artikel 74
Zetelovereenkomst
De vereiste bepalingen betreffende de huisvesting van de Autoriteit in de lidstaat waar de zetel is
gevestigd en de door deze lidstaat ter beschikking gestelde installaties, alsook de specifieke
voorschriften die in die lidstaat gelden voor de uitvoerend directeur, de leden van de raad van
bestuur, het personeel van de Autoriteit en hun gezinsleden, worden vastgesteld in een vestigings-
overeenkomst tussen de Autoriteit en die lidstaat, die wordt gesloten nadat de raad van bestuur
daarmee heeft ingestemd.
De gastlidstaat zorgt ervoor dat de Autoriteit in optimale omstandigheden kan werken, onder andere
door het aanbieden van meertalig onderwijs met een Europese dimensie en adequate vervoers-
verbindingen.
Artikel 75
Deelname van derde landen
-
1.Derde landen die met de Unie overeenkomsten hebben gesloten waardoor zij het Unierecht
binnen de in artikel 1, lid 2, bedoelde bevoegdheidsgebieden van de Autoriteit hebben
vastgesteld en toepassen, mogen deelnemen aan de werkzaamheden van de Autoriteit.
-
2.De Autoriteit kan samenwerken met de in lid 1 bedoelde landen die wetgeving toepassen
welke binnen de in artikel 1, lid 2, genoemde bevoegdheidsgebieden van de Autoriteit als
gelijkwaardig is erkend, als bepaald in overeenkomstig artikel 216 VWEU door de Unie
gesloten internationale overeenkomsten.
-
3.Op basis van de desbetreffende bepalingen van de in de leden 1 en 2 bedoelde overeen-
komsten worden afspraken gemaakt over met name de aard, omvang en procedurele
aspecten van de betrokkenheid van de in lid 1 bedoelde landen bij de werkzaamheden van
de Autoriteit, waaronder afspraken over de financiële en personele bijdrage. Zij kunnen
zorgen voor een vertegenwoordiger, als waarnemer, bij de raad van toezichthouders, maar
zorgen ervoor dat deze landen niet deelnemen aan besprekingen met betrekking tot
individuele financiële instellingen, behalve in gevallen waarbij zij rechtstreeks belang
hebben.
HOOFDSTUK VIII
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 76
Voorbereidende maatregelen
-
1.Na de inwerkingtreding van deze verordening en voorafgaand aan de oprichting van de
Autoriteit, werkt het CEBT in nauwe samenwerking met de Commissie aan de
-
2.Zodra de Autoriteit is opgericht, is de Commissie verantwoordelijk voor het administratief
opzetten en de initiële administratieve werkzaamheden van de Autoriteit, totdat de
Autoriteit een uitvoerend directeur heeft benoemd.
Daartoe kan de Commissie, totdat de uitvoerend directeur zijn functie opneemt na
benoeming door de raad van toezichthouders overeenkomstig artikel 51, één ambtenaar ad
interim aanstellen om de taken van de uitvoerend directeur uit te oefenen. Deze periode is
beperkt tot de tijd die nodig is om een uitvoerend directeur van de Autoriteit te benoemen.
De uitvoerend directeur ad interim mag alle betalingen goedkeuren die worden gedekt door
de kredieten van de begroting van de Autoriteit, na goedkeuring door de raad van bestuur,
en mag contracten sluiten, met inbegrip van personeelscontracten, na goedkeuring van de
personeelsformatie van de Autoriteit.
-
3.De leden 1 en 2 laten de bevoegdheden van de raad van toezichthouders en de raad van
bestuur onverlet.
-
4.De Autoriteit wordt als de rechtsopvolger van het CEBT beschouwd. Uiterlijk op de datum
van oprichting van de Autoriteit worden alle activa en passiva en alle lopende
verrichtingen van het CEBT automatisch aan de Autoriteit overgedragen. Het CEBT stelt
een verklaring op waaruit de afsluiting van zijn activa en passiva op het tijdstip van de
overdracht blijkt. Die verklaring wordt aan een audit onderworpen en goedgekeurd door
het CEBT en door de Commissie.
Artikel 77
Overgangsbepalingen voor het personeel
-
1.In afwijking van artikel 68 blijven alle door het CEBT of het secretariaat daarvan gesloten
arbeidsovereenkomsten en detacheringsregelingen die van kracht zijn op ...* tot hun
einddatum geldig. Zij mogen niet worden verlengd.
-
2.Alle in lid 1 bedoelde contractuele personeelsleden wordt de mogelijkheid geboden een
tijdelijk contract te sluiten overeenkomstig artikel 2, onder a), van de Regeling welke van
toepassing is op de andere personeelsleden, in de rang als bepaald in de personeelsformatie
van de Autoriteit.
Na de inwerkingtreding van deze verordening organiseert de voor het sluiten van
contracten bevoegde Autoriteit een interne selectie voor het contractueel personeel van het
CEBT of het secretariaat daarvan om de bekwaamheid, efficiëntie en integriteit van de in
dienst te nemen personen te toetsen. In de interne selectieprocedure wordt ten volle
rekening gehouden met de vaardigheden en ervaring die de individuele werknemer voor de
aanwerving heeft laten zien.
-
3.Afhankelijk van het type en het niveau van de uit te oefenen functies wordt de geslaagde
kandidaten een contract als tijdelijk ambtenaar aangeboden, met een duur die ten minste de
resterende tijd van het vroegere contract bedraagt.
-
4.De toepasselijke nationale wetgeving met betrekking tot arbeidsovereenkomsten en andere
toepasselijke instrumenten blijven van toepassing op de voormalige contractuele
personeelsleden die niet naar een contract als tijdelijk ambtenaar solliciteren of geen
tijdelijk contract aangeboden krijgen overeenkomstig lid 2.
Artikel 78
Nationale bepalingen
De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze verordening metterdaad
wordt toegepast.
Artikel 79
Wijzigingen
Besluit nr. 716/2009/EG wordt hierbij gewijzigd in zoverre dat het CEBT verwijderd wordt uit de
lijst van begunstigden in afdeling B van de bijlage bij dat besluit.
Artikel 80
Intrekking
Besluit 2009/78/EG van de Commissie tot instelling van het CEBT wordt hierbij ingetrokken met
ingang van ...*.
Artikel 81
Evaluatie
-
1.Uiterlijk op ...++++ en vervolgens om de drie jaar publiceert de Commissie een algemeen
verslag over de opgedane ervaring met de werkzaamheden van de Autoriteit en met de in
deze verordening vastgestelde procedures. In dat verslag worden onder meer de volgende
zaken beoordeeld:
-
a)de mate van convergentie in toezichtpraktijken die de bevoegde autoriteiten hebben
bereikt;
-
i)de mate van convergentie in operationele onafhankelijkheid van de bevoegde
autoriteiten en in normen die gelijkwaardig zijn aan corporate governance;
-
ii)de onpartijdigheid, objectiviteit en onafhankelijkheid van de Autoriteit;
-
d)de rol van de Autoriteit wat systeemrisico's betreft;
-
e)de toepassing van de bij artikel 38 ingestelde vrijwaringsclausule;
-
f)de toepassing van het bij artikel 19 ingestelde bindende bemiddelende optreden.
-
2.In het in lid 1 bedoelde verslag wordt ook onderzocht:
-
a)of het toezicht op bankwezen, verzekeringen en bedrijfspensioenen, effecten en
financiële markten gescheiden moet blijven;
-
b)of het prudentieel toezicht en het toezicht op de gedragsregels moeten worden
gecombineerd dan wel gescheiden;
-
c)of de architectuur van het ESFS moet worden vereenvoudigd en versterkt om de
samenhang tussen het macro- en het microniveau en tussen de ESA's te vergroten;
-
d)of de ontwikkeling van het ESFS gelijke tred houdt met de wereldwijde
ontwikkeling;
-
e)of er binnen het ESFS voldoende diversiteit en topkwaliteit beschikbaar is;
-
f)of verantwoordingsplicht en transparantie met betrekking tot de
publicatievoorschriften adequaat zijn;
-
g)of de middelen waarover de Autoriteit beschikt, berekend zijn op de uitvoering van
haar taken;
-
h)of de vestigingsplaats van de Autoriteit behouden moet worden, of het passend is de
ESA's met het oog op een betere onderlinge coördinatie naar één vestigingsplaats
over te brengen.
-
3.Met betrekking tot het rechtstreeks toezicht op instellingen of infrastructuren met een
Europese reikwijdte stelt de Commissie, in het licht van de marktontwikkelingen, een
jaarverslag op waarin zij beoordeelt of het passend is de Autoriteit ter zake meer toezicht-
verantwoordelijkheden toe te kennen.
-
4.Het verslag en, in voorkomend geval, eventuele begeleidende voorstellen worden bij het
Europees Parlement en de Raad ingediend.
Artikel 82
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatie-
blad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2011, uitgezonderd artikel 76 en artikel 77, leden 1
en 2, die van toepassing zijn met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
De Autoriteit wordt opgericht op 1 januari 2011.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
| publicatiedatum | 09-11-2010 |
|---|---|
| kenmerk | PE 40/10 |
