Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Karl Marx en Friedrich Engels

"Een spook waart door Europa - het spook van het communisme."

 
Karl Marx

De Duitse revolutionair Karl Heinrich Marx (1818-1883) werd geboren in Trier, Rijn-Pruissen. Hij kwam uit een welgesteld gezin en zijn beide ouders hadden een joodse achtergrond. Marx studeerde rechten, geschiedenis en filosofie in Bonn en Berlijn. Tijdens zijn studie ontwikkelde hij zich tot linkse aanhanger van de leer van de Duitse filosoof Hegel, hoewel hij het niet op alle punten met hem eens was. In de jaren veertig van de 19e eeuw raakte Marx betrokken bij de opkomende democratische beweging in Duitsland. Samen met Friedrich Engels schreef Marx in 1848 Het Communistisch Manifest, een tekst die later wereldwijd bekend werd. Ook Het Kapitaal (1867) was een bekend werk van Marx.

 
Friedrich Engels

Friedrich Engels

De filosoof Friedrich Engels (1820-1895) werd geboren in Barmen (Pruisen) als zoon van een textielfabrikant. Hoewel hij een enigszins rebelse zoon was, leidde hij een aantal jaren het Engelse bedrijf van zijn vader. Deze tijd werd gekenmerkt door een tweedeling, waarbij hij overdag functioneerde als zakenman, en zich in zijn privétijd interesseerde voor liberale en revolutionaire theorieën. Zijn interesse hiervoor was later terug te zien in zijn samenwerking met Marx. Ook tijdens deze samenwerking bleef hij regelmatig als zakenman aan het werk.

Gedachtegoed

In navolging van Hegel maakte Marx onderscheid tussen de staat en de maatschappij. Marx was echter van mening dat het algemeen belang van de maatschappij niet vertegenwoordigd werd door de kapitalistische staat, want deze kon slechts een schijnbelang vertegenwoordigen. De staat was een zelfstandig instituut, en vertegenwoordigde daarom slechts een deelbelang. Een andere theoretische overweging van Hegel waar Marx zich niet in kon vinden, omvatte het historisch bewustzijn. Volgens Hegel werd de geschiedenis bepaald door de ontwikkeling van het historisch bewustzijn, Marx vond echter dat het de strijd tussen de klassen was die bepalend was voor de geschiedenis.

De verhoudingen in de maatschappij bepaalden hoe de politieke verhoudingen eruit zagen, een theorie die later bekend werd als het historisch materialisme. De economische verhoudingen namen een grote plek in de samenleving in, en bepaalden ook voor een groot deel politieke verhoudingen. Om te zorgen dat het algemeen belang zowel de maatschappij als de staat bepaalde, was zowel een politieke als een maatschappelijke revolutie nodig. Want het historisch materialisme betekende ook dat revolutie op politiek vlak slechts beperkt was, en afhankelijk was van de maatschappelijke omstandigheden.

Marx en Engels hadden kritiek op arbeidsdeling, wat zij omschreven als een scheiding tussen hoofd- en handarbeid. Arbeidsdeling leidde tot vervreemding. Na publicatie van Het Communistisch Manifest verschoven Marx en Engels hun aandacht van vervreemding naar kapitalistische uitbuiting en klassenstrijd. Zij zagen een steeds grotere tegenstelling tussen de klassen van de bourgeoisie en het proletariaat. De armoede onder arbeiders werd veroorzaakt door het kapitalisme, en de positie van arbeiders kon dan ook niet verbeterd worden zonder het kapitalisme aan te pakken. Uiteindelijk zou de rol van de bourgeoisie ten einde komen. De kapitalistische maatschappij zou steeds vaker en steeds heftiger door economische crises worden getroffen, want de samenleving kon de rijkdom die zij geschapen had niet aan.

De arbeidsdeling die door de industrie ontstond leidde ertoe dat de arbeidsklasse talrijker werd en zich meer en meer concentreerde. Doordat arbeiders zich in dezelfde sociale en economische positie bevonden zouden zij hun belangen gezamenlijke gaan behartigen en ontstonden vakbonden. Zodra deze ook landelijk gecoördineerd werden, zou uiteindelijk politieke revolutie ontstaan waarbij de belangen van de arbeiders wettelijk vastgelegd werden. Hieraan kon ook het algemeen kiesrecht bijdragen.

Uiteindelijk gaf Marx de voorkeur aan een samenleving waarbij zelfs de staat afgeschaft werd, omdat het algemeen belang op deze manier het beste vertegenwoordigd werd. Hoewel Marx eerder beschreef dat een politieke democratie de moeite waard was om na te streven, veranderde hij hierover later van mening. Hij kwam tot de mening dat de staat zich zou ontwikkelen tot een zelfstandige bureaucratie, welke als een 'parasitair lichaam' op de maatschappij drukte. Directe vertegenwoordiging had dan ook zijn voorkeur.

Bronnen