Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Thomas Hobbes

"Uit deze oorlog van allen tegen allen volgt ook dat niets onrechtvaardig kan zijn. De begrippen goed en kwaad, recht en onrecht, zijn hier niet op hun plaats."

Thomas Hobbes

De filosoof, wetenschapper en historicus Thomas Hobbes (1588-1679) werd geboren in Westport in Engeland en groeide op in het gezin van zijn oom. Hobbes kreeg met dank aan zijn oom de kans om in Oxford te studeren. Na zijn studie werd hij huisleraar bij het welgestelde en aristocratische gezin van de latere graaf van Devonshire. Hierdoor kwam hij in contact met belangrijke wetenschappers maar raakte hij ook betrokken bij het conflict tussen de koning en het parlement door banden met de koninklijke zijde.

Nog voordat het conflict in 1642 uitmondde in een burgeroorlog, met een overwinning voor het parlement tot gevolg, vluchtte Hobbes naar Frankrijk. Hier schreef hij zijn eerste boek Over de Burger (1641) en zijn belangrijkste werk Leviathan (1651). Beide boeken kwamen onder invloed van de dreigende burgeroorlog tot stand.

Gedachtegoed

Hobbes pleitte voor een wetenschappelijke basis van de politiek, in plaats van een theologische basis zoals toentertijd gebruikelijk was. Hij was van mening dat de strijd tussen de geestelijke en wereldlijke macht een grote invloed had op burgeroorlogen. Het zou dan ook beter zijn dat het gezag in handen was van een wereldse machthebber. Daarbij nam hij het uitgangspunt in dat de mens altijd streeft naar zelfbehoud. Aangezien het vermogen tot oordelen behoorlijk beïnvloedbaar was voor fouten, kon het niet aan de mens overgelaten worden om te bepalen wanneer het zelfbehoud in gevaar kwam. Deze taak moest uitgevoerd worden door een absoluut gezag.

In Leviathan gaat Hobbes dieper in op de aard van de mens. Allereerst zag hij individuele belangen als richtinggevend voor de staat, een heel ander standpunt dan Aristoteles verkondigde. Een ander punt waarover Hobbes van mening verschilde met Aristoteles, was dat de natuur naar een einddoel bewoog, de politieke gemeenschap. Hobbes veronderstelde dat er geen einddoel bestond, maar er slechts een rusteloos en eindeloos universum was.

Naar Hobbes visie was iedereen in de natuurtoestand gelijk. Hij stelde zich voor hoe deze toestand eruit zag om zo de natuur en aard van de mens te kunnen bepalen. Daaruit maakte hij op dat iedereen gelijk was en daardoor ook hetzelfde wilde bereiken. Toch was het slechts voor één persoon haalbaar om dat te krijgen en daarom werden mensen elkaars vijanden. Hobbes maakte onderscheid in drie oorzaken van conflicten in deze natuurstaat: wedijver, wantrouwen en eerzucht. Uiteindelijk betekende de natuurstaat dan ook dat men in een oorlog van allen tegen allen verkeerde. Hobbes vond echter dat de termen 'goed' of 'kwaad' niet toegekend kon worden aan handelingen van de mens. Dit waren relatieve begrippen want van nature bestond geen zonde.

Het enige morele principe waar iedereen het over eens kon zijn, was dat alle mensen bang zijn voor de dood. De mens had het recht om alles te doen tot behoud van het eigen leven. Om mensen toch te motiveren naar vrede te streven hadden mensen volgens Hobbes de rede nodig. Deze kon helpen om overeenstemming te bereiken over het afzien van het natuurlijke recht op zelfbehoud. Om ook te zorgen dat men zich aan deze afspraak hield, was het nodig om een politiek contract te sluiten over het instellen van een macht.

Het recht tot zelfbehoud moest volledig worden overgedragen door middel van dit politiek contract, en mensen mochten slechts in extreme situaties het recht op zelfbehoud weer in eigen hand nemen. Als diegene aan wie de macht overgedragen was niet effectief was en de veiligheid in het geding kwam mocht er een nieuwe machthebber aangesteld worden.

Bronnen

  • Tjitske Akkerman (2005). De kwetsbare democratie: sleutelteksten uit de politieke theorie. Amsterdam: Spinhuis.
  • Tjitske Akkerman (2010). Democratie: de Europese grondslagen van het moderne idee. Amsterdam: Spinhuis.