Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

John Locke

"En het begin en de feitelijke stichting van een politieke samenleving is dus niets anders dan de instemming van een willekeurig aantal vrije lieden, (...) een meerderheid, om zich te vereniging tot zulk een samenleving en zich daarbij in te lijven."

 
John Locke

De Engelse arts en filosoof Locke (1632-1704) werd geboren in een dorpje in Somerset. Locke leefde ten tijd van de Engelse burgeroorlog, waarbij zijn vader meevocht aan de parlementaire kant. Hij studeerde medicijnen in Oxford en trad later in dienst als arts en secretaris bij Lord Shaftesbury, een machtig figuur aan het hof. Shaftesbury zou uiteindelijk als politiek oppositieleider de leider van de Whigs worden, die eisten voor sterkere parlementaire rechten en tolerantie ten opzichte van protestanten.

In de periode dat Shaftesbury gewapend verzet beraamde tegen de koning, schreef Locke zijn eerste werk, Twee verhandelingen over het Staatsbestuur (1690). Hierin legitimeerde Locke het afzetten van de soeverein als deze een gevaar voor de veiligheid ging vormen. In Over Tolerantie (1689) beschreef Locke zijn visie op tolerantie ten opzichte van religie.

Gedachtegoed

De vraag aan wie de macht op aarde toekomt, volgens Locke was dat de grote vraag waar mensen zich mee bezig houden. Net als andere natuurdenkers stelde Locke zich hiervoor een oorspronkelijke toestand voor. Hoewel iedereen hierin vrij en gelijk was, was er sprake van een natuurwet waarbij er een plicht tot zelfbehoud gold. John Locke ging uit van een denkbeeldig politiek contract dat vrije individuen met elkaar sluiten, een idee dat ook terug te vinden was in het gedachtegoed van Thomas Hobbes.

Door het sluiten van een dergelijk contract riepen individuen een staat in het leven die voor veiligheid kon zorgen. Het politiek contract was boven alles gebaseerd op vertrouwen. Dit hield in dat er een eed van trouw afgelegd zou worden, die door bijvoorbeeld de koning expliciet afgelegd werd terwijl burgers stilzwijgend instemden met het gezag. Het was echter mogelijk dat de vorst zelf een bedreiging voor de veiligheid zou gaan vormen. In dat geval mocht de vorst afgezet worden door de burgers omdat de vorst het contract schond.

In Over Tolerantie beschreef Locke dat het natuurrecht niet kon bestaan zonder God, aangezien het natuurrecht gebaseerd was op Gods schepping. Hoewel Locke pleitte voor tolerantie kon het atheïsme dan ook niet worden toegestaan. Locke veronderstelde over het algemeen dat zolang burgers geen onrecht aangedaan werd, de overheid tolerant moest zijn ten opzichte van de verschillende religieuze overtuigingen. Kerk en staat moesten ten slotte gescheiden zijn en waarheid moest zichzelf bewijzen.

Naast het atheïsme was Locke echter ook niet erg te spreken over onverdraagzame religies die alle wereldse autoriteit aan zichzelf toekenden, zoals het katholiek geloof. Zij ontkenden daarmee de wet, en dus ook het natuurrecht.

Bronnen

  • Tjitske Akkerman (2010). Democratie: De Europese grondslagen van het moderne idee. Amsterdam: Spinhuis.
  • Tjitske Akkerman (2005). De kwetsbare democratie: Sleutelteksten uit de politieke theorie. Amsterdam: Spinhuis.
  • Fleur de Beaufort & Patrick van Schie (2011). Het liberalen boek. Zwolle: Wbooks.