Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

James Mill

"Het optimale geluk van de samenleving wordt daarom bereikt door iedereen het grootst mogelijk deel van zijn arbeidsproduct te geven."

 
James Mill © wiki commons

De politiek filosoof, historicus, psycholoog, theoreticus en econoom James Mill (1773-1836) werd geboren in Schotland in een eenvoudig gezin. Toen hij opgenomen werd in het gezin van John Stuart als mentor voor hun dochter, kreeg hij de kans aan de universiteit van Edinburgh te studeren. Na enige journalistieke ervaring in Londen werd Mill assistent-onderzoeker voor de Oost-Indische Compagnie.

In Commerce Defended (1807) ging Mill in op het economisch belang van de natie. Zijn grootste werk was echter het omvangrijke History of British India (1817), waar hij twaalf jaar aan werkte en wat hem de baan bij de Oost-Indische Compagnie opleverde. Hoewel Mill leefde in een tijd dat er veel negatieve reacties kwamen op de Franse revolutie, bleef hij zelf de democratische principes uitdragen.

Gedachtegoed

James Mill was geïnteresseerd in de verhouding tussen economie en politiek. In zijn werk Commerce Defended reageerde Mill op de politieke invloed die grondbezitters destijds hadden. Men ging er toentertijd vanuit dat de belangen van grondbezitters gelijk waren met het economische belang van een land. Mill was het hier niet mee eens, en was juist van mening dat het belang van handelaren het meest overeenkwam met het economisch belang van een land. Handel zou de vrijheid bevorderen en tegenwicht bieden aan de macht van de koning en de aristocratie. Daarbij was de verhouding tussen handelaren en het volk minder hiërarchisch dan die tussen grondbezitters en het volk.

Mill pleitte voor een regering die op democratische wijze gecontroleerd werd. Het democratische element zou vertegenwoordigd worden door het parlement, tegenover het staatbestuur wat het aristocratische element vertegenwoordigde. Het doel van een regering was dat burgers elkaar zoveel mogelijk plezier, en zo weinig mogelijke leed berokkenen.

Ook had de regering als taak om te zorgen dat iedereen 'zijn deel' krijgt. Mill betoogde dat zonder schaarste van goederen, iedereen zijn eigen behoeften zou kunnen bevredigen en er geen regering nodig zou zijn. Aangezien er echter wel sprake was van schaarste was er een regering nodig om schaarse goederen te verdelen en zo onenigheid te voorkomen. Het verdelen van schaarse goederen moest gedaan worden op basis van de bijdrage die mensen leverden aan de maatschappij, oftewel aan de hand van arbeid. De zwakken moesten hierbij beschermd worden tegen de sterken.

Hoewel Mill geïnteresseerd was in de verhoudingen tussen economie en politiek, was er in zijn theorie toch een zekere tegenspraak te zien. Want hoewel de mens vrij moest zijn in het najagen van zijn eigen belang, was er wel democratische controle nodig op het gezag om te zorgen dat deze hun macht niet zouden misbruiken. Daarbij kwam het feit dat in de politiek regels gesteld werden waaraan mensen zich moesten houden bij het najagen van hun eigenbelang. De onzichtbare hand van de markt was dus niet perfect.

In het gedachtegoed van James Mill kwam regelmatig het utilitaristische principe, of zaken nut voor de staat hebben, terug. In zijn History of British India beschreef Mill India dan ook als een weinig beschaafd land vanwege de grote invloed die religie uitoefende op de politiek. Waar de Franse Verlichting tot een rationeel wereldbeeld leidde, zou dit tot in India niet tot stand kunnen komen. Mill leverde daarbij ook felle kritiek op het koloniale bestuur door de Britten en het Engelse rechtsstelsel. Mill streefde zelf naar een universeel bruikbaar rechtsstelsel, dat ook in India toepasbaar zou zijn.

Bronnen