Montesquieu Instituut: van wetenschap naar samenleving

Leden van de Staten-Generaal!

Paul Lucardie

Paul Lucardiewas verbonden aan het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen, fellow van het Montesquieu Instituut

Leden van de Staten-Generaal!

Precies 400 jaar geleden opende Koning Willem I van Oranje-Nassau de eerste Staten-Generaal van het Koninkrijk der Nederlanden. Vandaag mag ik dat doen. Weliswaar bestaat het koninkrijk niet meer, en is het Huis van Oranje uitgestorven, maar de Staten-Generaal is blijven bestaan. Er is veel veranderd, maar niet alles. Laten we even stilstaan bij de meest opvallende veranderingen.

In 1815 kwam Koning Willem in de zogenaamde gouden koets naar het Binnenhof rijden. Een koets getrokken door paarden was toen een gewoon vervoermiddel. Merkwaardig is echter dat zijn opvolgers die traditie voortzetten, ook toen de auto in het straatbeeld al lang de koets vervangen had. Pas in 2035 werd het gebruik van paarden en dus van een koets afgeschaft, door een motie van de Partij voor de Dieren.

In 1815 bestond de Staten-Generaal  uit twee kamers, de Eerste Kamer werd door de koning zelf benoemd, de Tweede werd gekozen door de leden van de Provinciale Staten.  Nederland was verdeeld in elf provincies die elk een eigen soort volksvertegenwoordiging kenden, of liever, een vertegenwoordiging van de verschillende standen ofwel staten, vandaar de naam ‘Provinciale Staten’ en ‘Staten-Generaal’ . Dat veranderde in 1848, toen juist de Eerste Kamer door de Provinciale Staten en de Tweede Kamer rechtstreeks door de burgers gekozen werd. Let wel, ‘burgers’ waren toen alleen witte mannen, met een zekere welstand. Vrouwen en gekleurde inwoners van het Koninkrijk – dat toen een belangrijk deel van Zuid-oost-Azië omvatte – hadden geen stemrecht. Pas in 1922 mochten voor het eerst nagenoeg alle volwassen mannen en vrouwen in Nederland – maar dus niet in de koloniën – de Tweede Kamer kiezen.

Dat lijkt een recept voor chaos: iedereen mocht op iedereen stemmen. In de praktijk werd het proces echter strak geregisseerd door politieke partijen. Weet u nog wat dat waren? Verenigingen met uiteenlopende meningen over de inrichting van de staat en de samenleving, zou je kunnen zeggen. U kunt het zich misschien niet voorstellen, maar die hadden in de twintigste eeuw een enorme invloed op het bestuur van ons land. Dat leidde vaak tot chaos en crisis. In 1918 brak zelfs bijna een burgeroorlog uit – niet alleen in Nederland, maar in grote delen van Europa en het Westen van Azië. Pas in de 21e eeuw werden de meningsverschillen tussen de partijen steeds kleiner, terwijl hun aantal echter juist toe nam. Zo telde de Tweede Kamer in 2015 veertien fracties of partijen, twaalf jaar later waren dat er zeventien en nog een decennium later twintig. Het werd zodoende steeds moeilijker een regering te vormen die op een meerderheid kon steunen. De burgers kregen langzamerhand genoeg van al die partijen, ze gingen minder vaak stemmen en het ledental van de partijen liep gestaag terug. Langzamerhand liep het systeem helemaal vast. Het duurde nog tot 2089 toen de Tweede Kamer zelf besefte dat het zo niet verder ging. Men zag eindelijk in dat politiek bestuur een vak is, dat je moet leren, en niet een mening die je moet verkondigen.

Het huidige systeem dat toen werd ingevoerd hoef ik u eigenlijk niet te beschrijven, want het is sindsdien alleen op onderdelen veranderd.  U hebt allemaal het POC, het politiek opleidingscollege, bezocht en uw diploma gehaald. Daarna hebt u een maatschappelijke stage afgerond. U bent, zoals we vroeger zeiden, gepoct en gemazeld! Vervolgens hebt u gesolliciteerd naar de functie van Kamerlid. De Kiesraad heeft u geschikter bevonden dan de andere kandidaten en u voor vier jaar aangesteld om het land te besturen. U doet dat natuurlijk in overleg met de burgerraden die op tal van terreinen via loting tot stand komen, en u houdt regelmatig peilingen onder de bevolking. Zelf wijst u een dagelijks bestuur aan – de ‘regering’  heette dat vroeger.

Ons land is intussen natuurlijk erg veranderd. Na het uiteenvallen van de Europese Unie sloot Nederland zich aan bij de Euraziatische Federatie. Veel beslissingen worden niet meer in Den Haag of in Brussel maar in Alma Ata genomen.

Niettemin heeft u genoeg te doen, en kunt u terecht trots zijn op uw werk. U oefent toezicht uit op de twaalf gemeenten die Nederland telt, en op de besturen van instellingen voor onderwijs en wetenschap, gezondheidszorg en spirituele ontwikkeling.  U wijst de afgevaardigden aan die Nederland in de Federatieraad in Alma Ata vertegenwoordigen. En u bestuurt het Waddenpark en het Blauwe Hart van de Randstad – wist u overigens dat dit vroeger het Groene Hart werd genoemd, vanwege de weilanden, voordat het onder water gezet moest worden? Kortom, de Staten-Generaal blijft ook in de 23e eeuw een belangrijk bestuursorgaan. Ik heb gezegd.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 21 september 2015.